[p. 26]

Hoofdstuk II
Algemene dialectologie

§ 5. Definitie van dialect

Lit. Wezen en Waarde passim; Brabantia 2, 279.

Het gebruik van de termen dialect en taal loopt in de praktijk sterk uit elkaar. Sommigen, bijv. Schrijnen, zoeken het criterium in het aantal der afwijkingen, anderen, zoals Overdiep, in het aanwezig zijn van een belangrijke literatuur, weer anderen, zoals Von Wartburg en Van Ginneken, in de overweging of de sprekers aan het betrokken regionale of locale articulatorische tekensysteem al dan niet voldoende hebben. Vanuit dit standpunt is bijv. het Fries ook een dialect te noemen. Maar het taalgebruik is hiermee niet geheel in overeenstemming en zo zou men tot vreemde conclusies komen, bijv. dat het Middeleeuwse Sprundels en Oosterhouts verschillende talen moeten heten. Ook het begrip der staatkundige onafhankelijkheid heeft zeker bij de onderscheiding een rol gespeeld.

Wij constateren dus dat men in Europa tegenwoordig doorgaans van talen spreekt wanneer er staatkundige ‘onafhankelijkheid’ aan beantwoordt. Slechts als de systemen bijna identiek zijn, spreekt men ondanks de staatkundige splitsing toch van taaleenheid. Omgekeerd spreekt men binnen één staatsverband van taalverscheidenheid als de verschillen zeer groot zijn. Maar afdoend is het criterium niet; de traditie speelt hierbij een belangrijke rol.

Door anderen (zie bijv. Leenen in TT 3, 57) is de definitie op het psychologische vlak geplaatst. De vraag of iets een taal of een dialect is, zou uitgemaakt worden door de sprekers van die taalgemeenschap. We verlaten dan echter het objectieve terrein. Het onderzoek wordt hier bovendien bemoeilijkt door het feit dat de dialectspreker geen verschillende vormen heeft voor taal en dialect. Hij spreekt steeds van taal en staat dus nog op hetzelfde standpunt als Cornelis Everaert die het had over de Zeeusche tale en Maerlant die Dietsch, Duutsch, Brabantsch, Vlaemsch, Zeewsch, Walsch, Latijn, Griex en Hebreeusch zonder onderscheid ‘misselike tonghe’ noemde.

Het verschil tussen taalverschil en dialectverschil bestaat o.i. hierin dat een tekensysteem dan pas als tot een andere taal behorend wordt

[p. 27]

ervaren als het met naverwante locale tekensystemen een ander naverwant tekensysteem voor hoger en interlocaal verkeer aanvaardt. Er is dus een Friese taal, omdat er voor bijv. schriftelijk gebruik een wezenlijk eenvormig Fries is, maar er is in Nederland geen Limburgse of Saxonische taal, omdat er geen eenvormige Limburgse of Saxonische schrijftaal is. Essentieel iets anders is het verschijnel dat bijv. Limburgse dialectsprekers in hun verkeer met Limburgers uit andere plaatsen locale verschillen laten vervallen. Zie voor dit verschijnsel P.C. Paardekooper, Internaatstaal TT 2, 31-39.

In de laatste tijd probeert men het verschil tussen dialect en taal zuiver taalkundig te definiëren. Václav Polák, Contribution à l'étude de la notion de langue et de dialecte in Orbis 3, 89 vlg. ziet talen als systemen met eenzelfde morfologisch-syntactische bouw, sociale groeptalen als lexicologische varianten daarin en dialecten als fonetische varianten ervan. Vandaar dat hij bijv. tussen Pools en Czechisch slechts dialectverschil ziet. Wij menen echter dat zoals duidelijk uit ons hoofdstuk 4 afd. C en D blijkt, de Nederlandse dialecten ook morfologisch-syntactisch nogal uiteenlopen en betwijfelen dus of Polák wel het afdoende criterium heeft gevonden. U. Weinreich, Languages in contact blz. 69-70 zegt ook dat het verschil tussen taal en dialect niet uitsluitend taalkundig bepaald kan worden.

In de Duitse dialectologie wordt naast dialect en cultuurtaal ook omgangstaal onderscheiden. Men zie hiervoor o.a. H. Rosenkranz K. Spangenberg, Sprachsoziologische Studien in Thüringen, 1963, 43 vlg. Het verschil komt op het volgende neer: het dialect is in wezen op één locale gemeenschap georiënteerd. De cultuurtaal zoekt haar norm in een schrijftaal. Het typische van de omgangstaal is, dat zij veel meer speling vertoont; ze is regionaal gekleurd en ze wil noch dialect noch cultuurtaal zijn.

A. Martinet, Dialect in: Romance Philology 8, 1 vlg., spreekt van taal als er een gemeenschappelijke κοινη is. Maar hij onderscheidt ook dialect van patois in zoverre ook het dialect een κοινη heeft. Ik geloof dat de zojuist genoemde Duitse onderscheiding juister is.

Van dialecten als regionale, dus horizontale, schakeringen van een taal is volkstaal te onderscheiden als zijnde een taallaag waardoor men voor gemeenzamer gebruik afstand neemt of houdt van het A.B. zonder dat er noemenswaarde locale verschillen zijn. Voor de in de loop der tijden gewijzigde waardering zie § 4. Voorbeelden van Volkstaaleigenaardigheden zijn: de omschrijvende functie van doen (doet u dat even voor mij oprapen; zie o.a. Van de Water 62 i, Karsten 165,

[p. 28]

Sassen 106, Volkstaal 64 vlg., Ts. LXXX 234, Waterland 52), de dubbele ontkenning in bijv. ik heb het nooit niet gedoan, het gebruik van steuntjes als in: Jan die sloeg Lijs. Vele van deze verschijnselen zijn de volkstaal om zo te zeggen van nature eigen (die worden behandeld in § 7; zie ook K. Heeroma, Taalnatuur en Taalcultuur 1949 passim), andere zijn dat meer toevallig, bijv. afstandsgroepen van het type roken houd ik niet van (cfr. § 136).

Onder heemtaal verstaat men het dialect van iemands woonstreek. Zie Wezen en waarde 8.

Het is ook nodig, onderscheid te maken tussen dialect- en slang-woorden, te meer omdat slang-vorming in het dialect zo frequent is; cfr. C.G.N, de Vooys, Oorsprong, eigenaardigheden en verbreiding van Nederlands ‘slang’, VTO 3, 202 vlg., A. Weijnen in OT 10, 93 vlg., P. de Keyser, Iets over slang-vorming in het Gents TT 6, 75 vlg.

§ 6. Wat zijn nederlandse dialecten?

Lit. Wezen en waarde 1 vlg.

Doorgaans zal niemand er bezwaar tegen hebben, de dialecten in het centrum en het zuiden van ons land Nederlandse dialecten te noemen. Die term is ook licht te hanteren voor de niet-Romaanse dialecten van België en N.W.-Frankrijk. Zowel de historie als de vrij grote overeenkomst pleit daarvoor. Een moeilijkheid leveren de dialecten ten oosten van de IJsel. Deze toch lijken sterker op de taal van het Noorden van Duitsland, waarin ze bijna ongemerkt overlopen, dan bijv. op het Hollands. Maar daar het ‘Nederduits’ geen afzonderlijke taal is, doet men beter bijv. het dialect van Oldenzaal tot de Nederlandse en dat van Bentheim tot de Duitse te rekenen (cfr. G.G. Kloeke, De taalkundig-culturele kant van het annexatie-vraagstuk, 1945), en dus in het N.O. van ons land de taalgrens op de landsgrens te trekken. De Friese dialecten behoren tot de Friese taal. In de dialecten ten oosten van de Benratherlinie, bijv. het Kerkraads, overwegen echter Duitse kenmerken. Zie o.a. Lecoutere-Grootaers6 nr. 152, waar het dialect van Vaals geen Nederlands meer genoemd wordt. 1   W. Roukens, Uit de geschiedenis van het Kerkraads dialect, Veldeke 1962, 111 evenwel wijst op kenmerken die het Kerkraads en het Akens weer juist, met het Nederlands, van het Duits onderscheiden, bv. het niet onderscheiden van datief en accusatief bij de pronomina van de 1e en 2e prs. enkelv.,

 1  Van Ginneken heeft in Handboek ook de uit het Nederlands stammende taalgemeenschappen buiten Europa behandeld. Wij laten die ter zijde.


[p. 29]

de ontwikkeling van intervoc. d > j, het voorkomen van epenthetische d in bv. donder, telder, kelder, zulder. Hij noemt ook het Kerkraads klinkersysteem nederfrankisch in Veldeke 1958, 19-20. Bloomfield 3. 8 zegt: ‘The local dialects justify no line between what we call german and what we call Dutch-Flemish: the Dutch-German speech area is linguistically a unit, and the cleavage is primarily political; it is a linguistic only in the sense that the political units use different standard languages’.

De grens tussen Fries en Nederlands vindt men beschreven bij Kloeke 4 vlgg. en Hof 4-6; zie ook Regenboogkleuren2 120, Kloeke in Ts 1944, 251, Kr. Boelens, De taalsituatie in het Westerkwartier van Groningen, DBNS 8, 151 vlg. en Kr. Boelens, De taalsituatie in de Stellingwerven DBNS 8, 81-90. Niet-Fries zijn de volgende in Fries gebied liggende dialecten: het Stadsfries en de dialecten van Het Bildt, Heerenveen, Kollum, Ameland en Midsland op Terschelling. Men beschouwt deze alle als Hollands. In Tjalleberd-Luinjeberd, Oldeouwer, St.-Johannesga, Rotsterhaule, Rotstergaast, Delfstrahuizen, Echten en Oosterzee overwegen de noordoostelijke dialecten. J. en A. Romein, De lage landen bij de zee2 1940, 50 zeggen dat op Schiermonnikoog ‘een Saksisch (Groningsch) dialect gesproken wordt.’ Het is echter Fries; cfr, Handboek I2 19 vlg. Zowel uit Kloeke 5-6 als uit Hof 5-6 blijkt dat het Fries terrein wint. Kr. Boelens vatte voor de Stellingwerven samen in DBNS 8, 90: ‘Het Fries lijkt in de aanval te zijn op de lijn Donkerbroek-Oosterwolde-Appelscha en ook in de dorpen ten noorden van Wolvega’.

De Frans-Nederlandse taalgrens loopt ruw genomen ten zuiden van de lijn Duinkerken-Kassel-Meenen-Geeraardsbergen-Halle-Thienen-Tongeren-Maastricht-Eupen. In de vorige eeuw is zij nauwkeurig beschreven door E. de Coussemaker, Délimitation du flamand et du français dans le Nord de la France 1857 en G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le Nord de la France 1896-1898. Zie ook PL 45, 451 vlg. Thans vindt men er meer contemporaine gegevens over in de RND. Zie ook M. Valkhoff, Geschiedenis en actualiteit der Frans-Nederlandse taalgrens 1950 en H. Draye De wetenschappelijke vaststelling van de Vlaams-Waalse taalgrens, TT 6, 79 vlg. Zie over de grens in Frans-Vlaanderen thans zeer uitvoerig Pée in BMDC dl. XVII. Over het algemeen is deze grens zeer scherp, want al treft men aan weerskanten tweetaligheid aan, als men let op de respectievelijke moedertalen, is zij een echte scheidingslijn. Alleen bij Brussel is de toestand zeer gecompliceerd; cfr. Mazereel.



[p. 30]

§ 7. Ontstaan en wezen van het dialect

In de laatste jaren is meer dan eens de mening geuit dat men ter dege rekening moet houden met een veldwinnende eenheid tegenover een verdwijnende verscheidenheid; zie bijv. H. Krahe, Sprachverwandtschaft im alten Europa, 1951, 26 en Václav Polák, Contribution à l'étude de la notion de langue et de dialecte, Orbis 3, 89 vlg., maar de meeste beschouwingen zijn van het omgekeerde uitgegaan.

De Saussure zag bij het ontstaan van dialect enerzijds de force d'intercourse en anderzijds de (particularistische) esprit du clocher. Meillet in Scientia 1911, 102 ziet echter beide krachten als wezenlijk identiek en E. Sapir Language (z.j.) 157 vlg. kon dan ook zeggen dat dialecten ontstaan zodra er normgevoel is. Ook Schuchardt geeft een dualistische verklaring en M. West Bilingualism (with special reference to Bengal) 1926, F. Schürr Sprachwissenschaft und Zeitgeist, in Die neueren Sprachen 1925, 1. Beiheft 57, en Jos. Schrijnen. Handleiding bij de studie der vergelijkende Indogermaansche taalwetenschap2 wijken hiervan niet wezenlijk af. Schuchardt spreekt van Spaltung en Ausgleich, wat Schrijnen ‘vertaalt’ met differentiatie en integratie (Van Ginneken in Handboek I2 8 betitelt het laatste als cohaesie of homogeniteit). De differentiatie hangt samen met ieders streven om zijn individualiteit te bewaren en te verhevigen, waarbij de taal als middel wordt gebruikt. Ze vloeit dus voort uit de uitdrukkingsfunctie van de taal. De integratie daarentegen is een gevolg van de communicatiefunctie. Voorzover die communicatiefunctie aan ruimtelijke grenzen gebonden is, zullen er dus dialecten ontstaan.

Gezien het feit dat dialectvorming in het wezen van de sprekende mens zit, zullen er in zekere zin, ook al schuift er telkens een nieuwe eenheid aanbrengende laag over de dialectische verdeeldheid heen, toch steeds regionale verscheidenheden blijven. Als er ook al geen dialect (meer) schijnt te zijn, is er toch nog wel verscheidenheid (Mitzka 94 vlg.). Deze kan echter minimaal zijn, zoals dat met name in IJsland het geval schijnt (Mitzka 85).

De opkomst van de dialectgeografie heeft de vraag doen rijzen of er eigenlijk wel dialecten bestaan, daar toch ieder woord en iedere vorm hun eigen verbreiding hebben; cfr. Schrijnen, Handleiding2, 98 vlg. De Saussure zegt, dat er van nature geen dialecten zijn, alleen dialect-kenmerken. Gaston Paris was van dezelfde mening (Pop 45) en J. Gilliéron en J. Mongin schrijven in Scier dans la Gaule romane du Sud et de l'Est (1905) 27: ‘La réflexion et les faits s'accordent pour détruire

[p. 31]

cette fausse unité linguistique dénommée patois.... Force nous est donc de repousser le patois comme base d'opération scientifique.... à l'étude du patois nous opposerons l'étude du mot.’ Als men echter meer naar bijv. Italië dan naar Frankrijk kijkt, wordt het duidelijk dat er wel dialectgrenzen bestaan, maar alleen inzoverre als er isoglossenstrengen zijn d.w.z. vrijwel samenvallende grenslijnen van afzonderlijke taalverschijnselen, die, lopend over overgangsgebieden, de kerngebieden of dialectburchten van elkander scheiden.

Objectief lijkt de opvatting als die van De Saussure de juiste, het subjectieve gevoel der sprekers onderscheidt de dialecten echter wel en terecht; cfr. K. Jaberg, Aspects géographiques du langage 1936, 33.

Scherp getrokken dialectgrenzen waarbij alle in de omgeving voorkomende isoglossen een zelfde loop hebben, komen overigens maar zelden voor. In hun Regenboogkleuren wijzen Jac. van Ginneken en J. Endepols hiervoor op de Friese taalgrenzen, maar het Fries is een andere taal en niet: een ander dialect. Als een voorbeeld van een heel vage dialectgrens haal ik die tussen het Kempenlands en het Tilburgs aan; cfr. Onderzoek kaart 111.

Er zijn verschillende streken in Nederland waar de onderlinge verschillen gering en weinig in aantal zijn (bijv. westelijk Noord-Brabant) tegenover andere, waar de kaart krioelt van afzondelijke en uitzonderlijke vormen. Dit laatste is bijv. het geval in Peelland maar ook in zuidoostelijk Vlaanderen. Zeer sterk schijnt de vorming van afwijkende plaatselijke dialecten voorgekomen te zijn in de zuidhoek van Friesland. Daar onderscheidden zich vroeger en onderscheiden zich ten dele ook thans nog schier alle plaatsen van enige omvang: Hindeloopen, Molkwerum, Warns, Balk, Sloten, Lemmer en Joure van de andere door sommige dialectische eigenaardigheden; cfr. Hof passim. Van Ginneken OT 7, 350 denkt hierbij aan het Baskisch en de Kaukasus, waar hetzelfde voorkomt, omdat die gebieden tot vluchtheuvels der vele vóór-Indogermaanse talen van Zuidwest- en Zuidoost-Europa zijn geworden. Misschien geldt - volgens hem - van de Friese Zuidhoek iets dergelijks. Bij de catastrophale watervloed die van het meer Flevo de Zuiderzee maakte, zouden dan een hele reeks afzonderlijke Friese tongvallen, die zich vroeger op veel grotere afstand van elkander ontwikkeld hadden, door de nood, op de tegenwoordige zuidhoek van Friesland bijeen gedreven zijn, waarvan men dan daar thans nog overvloedige sporen vindt. Isolement schijnt voor differentiatie wel bevorderlijk geweest te zijn - zo althans is de grote veelvormigheid in zuidoostelijk Noord-Brabant te verklaren -, alsook ligging op de grens

[p. 32]

van grote dialecteenheden, getuige het Oostvlaams. Daarentegen hebben kolonisatiedialecten doorgaans weinig onderlinge afwijkingen (men denke aan de Zeeuwse eilanden; cfr. ook K. Jaberg Aspects géographiques du langage 1936, 31) en voert een grote verkeersintensiteit als in westelijk Noord-Brabant (cfr. § 170) tot hetzelfde resultaat.

Bloomfield 3, 4 is van mening: ‘in countries that have been long settled by the same speech-community the local differences are much greater’. Omgekeerd betoogde W. Foerste, Einheit und Vielfalt der niederdeutschen Mundarten 1960, 14 dat ook blijkens de oostnederduitse verhoudingen de koloniale dialecten minder variatie vertonen. Verder heeft W. Mitzka voor zulke kolonialiseringsdialecten als het oostnederduits ‘darauf hin gewiesen, dass für diese Landschaften aber wohl weniger “Siedelbahnen” anzusetzen sind, wie das bei dem südlichen Neussiedelland der Fall ist (wir erinnern uns an die thüringische und ostfränkische Siedelbahn), sondern, wie er es nennt, “Siedlungshorste”. Er meint damit Keimzellen von Siedlungsgemeinschaften, die dann zum Ausgangspunkt für die Besiedlung der umliegenden Landschaft wurden’ (Bergmann 71).

De vraag of er wel dialecten bestaan, vindt haar weerklank op beperkter terrein, het terrein van een stad of dorp zelf. Pauwels constateert in Bloemnamen 12 dat veelnamigheid in een plaats kan voorkomen. Paardekooper 18.3.2 zegt wel sprekend over het ABN: ‘Syntactisch, morfologisch, fonologisch en lexicologisch is er... een absolute eenheid, precies zoals we die aantreffen in een “normale” taaltoestand: één waarvan de leden binnen enkele vierkante kilometers bij elkaar wonen.’ En elders (1.1.2) schrijft hij wel: ‘Zodra er zelfs binnen één generatie geen syntactische, morfologische en fonologische eenheid heerst, zou ik de term één taal zeker niet willen gebruiken’ (als de generaties verschillen vertonen, werkt hij dus niet meer met het begrip: één taal). Maar zijn werkhypothese dat het ene syntagma het andere uitsluit werd door Vanacker weerlegd in BMDC XIX. Ook Bergmann l2 is van mening dat de dialectnorm alleen in de hoofden van de dialectologen bestaat. Binnen een gemeente kunnen er dialectverschillen van locale aard zijn; zie bijv. Oudheidkundige Kring ‘Die Goude’, vierde verzameling bijdragen 1943, 96, Kloeke 3, TT 5, 103, W. Roukens, De Taal der Limburgers (1947) 58. Zie ook A. Weijnen, Wijkeigenaardigheden TT XI 38 vlg. In Amsterdam onderscheidde J. Winkler op gezag van J. ter Gouw in het laatst van de 18e eeuw negentien verschillende dialecten. Al heeft deze indeling geen waarde, het is een feit dat Amsterdam dialecten kende; cfr. LT 1948, 131 en

[p. 33]

Joha. C. Daan Hij zeit wat passim. De locale schakeringen bijv. in het dialect van Groot-Brussel, het Amsterdams en het Tilburgs zijn ten dele veroorzaakt door het feit dat de steden uit meer kernen zijn aaneengegroeid; cfr. OT 6, 16 vlg. Vaak ook zijn er verschillen van sociale aard; cfr. § 23. Mannen hebben soms een andere uitspraak dan vrouwen; cfr. in het algemeen Le langage des femmes: Enquête linguistique à l'échelle mondiale in Orbis I (1952, 10-86), Fr. v. Coetsem, Une différence de prononciation entre l'homme et la femme dans le dialecte (flamand) de Grammont, Orbis I no. 2, 1952, 358, L. Goemans, Phonetische verscheidenheden in de volkstaal OT 6, 19, Waterlands 75. N. Chytraeus zei al in 1582 dat er in een stad drie sociologisch geconditioneerde dialecten waren (G. de Smet in Zs. f. Mundartf. 1958, 175). In VMVA 1907, 614 worden brigge, mitse, migge en opvillen plat-Gents genoemd tegenover brugge, mugge, mutse, opvullen burger-Gents. Lievevrouw-Coopman 7 onderscheidt burgergents, platgents en fabrieksgents. K. Kooiman, Sociale taalmuren, NTg 51, 148 vlg. herinnert eraan dat Leiden en Amsterdam vroeger dialectverschillen kenden, nu niet meer. ‘In de steden bestaan thans talrijke schakeringen van dialect, afhankelijk van de sociale omstandigheden der sprekers, maar niet van geografische aard’. Uitvoerig spreekt hij over Gouda. Daar hebben tot voor kort verschillende dialecten, geografisch gescheiden, geleefd. Daar kon het gebeuren, dat een scheiding teweeggebracht werd door ‘deftige’ straten. De lijn Kleiweg-Markt-Haven, waar de burgers woonden, heeft bewerkt dat O. zich van W. bleef onderscheiden. Soms zijn de verschillen chronologisch. L. Goemans is in Album Verdeyen 213-220 van mening dat een familie die van buiten komt, bepaalde geringe afwijkingen generaties lang kan bewaren. Zie ook L. Goemans, Phonetische verscheidenheden in de volkstaal OT 6, 16 vlg. In het Leuvens heeft men naast de gewone tongval een plattere, die enerzijds locaal te definiëren valt (St.-Quintinuswijk), anderzijds sociologisch (vrouwen en arbeiderskinderen); cfr. LB 2, 5. H. Vangassen, Fonologische Schakeringen in het Leuvens, Album Blancquaert 169 vlg. zegt dat Aalst, Dendermonde, Mechelen en Vilvoorde een of meer wijken kennen die platter spreken. Op de dorpen komt zoiets weinig voor. Hij toont aan dat te Leuven wat nu plat heet eenmaal tot het dialect van de burgerij behoord heeft. Voor Zutfen vond ik in het antwoord van F 178a van vragenlijst nr. 15 van de dialectencommissie dat de Hoven, een stadsdeel ten westen van de IJsel, een afzonderlijk dialect hebben, dat overigens geen verwantschap vertoont met de dialecten uit de omliggende gemeenten Brummen en Voorst.

[p. 34]

De geografische onderscheiding gaat hier trouwens gepaard met een sociografische; de bewoners aldaar zijn voor een aanzienlijk deel hoveniers. J. Gielen NTg 25, 161 vlg. spreekt in Hulst van drie, misschien vier taalkringen, locaal begrensd, die zich onderscheiden door meer of minder invloed van de cultuurtaal. Zie voorts voor de verscheidenheid binnen een dialect Roukens 360 vlg., Elemans 20 (voor het Ravensteins), Jacob 18. W.H. Staverman DBNS 3, 125 vlg. schijnt voor het Deventers de verschillen wel in twijfel te trekken. Nadat hij opgemerkt heeft dat Van Beek en Fijn van Draat van twee verschillende Deventer dialecten gesproken hebben, zegt hij dat hij nooit vernomen heeft waarin die verschillen dan wel bestaan. Maar Ausems wees in Culemborg zelfs op allerlei overgangsvormen.

Kinderen hebben soms hun eigen dialect. Zie hiervoor RND te K 332 Onze-Lieve-Vrouw-Waver en K 333 Putte.

Overigens merkt Bergmann 14-15 terecht op dat bij al die locale verscheidenheid er toch weer normen zijn. Voor wie aan dialect (of Umgangssprache) wenst te participiëren zijn bepaalde trekken facultatief, andere echter volstrekt obligatoir.

In zijn vermaard geworden Einführung in die deutsche Volkskunde heeft H. Naumann in 1922 het principe gesteld, dat er bij alle volkseigen-complexen twee sferen te onderscheiden zijn: het primitieve gemeenschapsgoed en het bezonken cultuurgoed. Ook bij de studie der volkstaal is deze beschouwingswijze vruchtbaar gebleken.

Aan allerlei niet-taalkundige functies als dracht, spel, lied, zede en volksgeloof kon deze geleerde vaststellen, dat er zich gewoonlijk een overname van boven naar beneden voltrok in deze geest, dat het volk geleidelijk de cultuurgoederen van de hogere standen overnam. De volksdrachten toch, de vrouwenmutsen bijv., zijn als zodanig niet oeroud, maar waren tot voor kort bij de hogere standen in zwang. Voor de omgeving van de universiteitsstad Gieszen deelt Fr. Maurer in Volkssprache 1933, 22 mee, dat de boerenjongens er hun ‘Burschenschaft’ hebben, die zij Germania noemen, waarin zij biermutsjes dragen in de studentenkleuren, studentenliederen zingen en aan ‘mos’ doen. Ook de volkstaal kent bezonken cultuurgoed. Men tracht geregeld de betere standen na te spreken. Sport- en techniektermen worden gretig ontleend. Brabants-Vlaams schampavie gaan ‘ongemerkt wegsluipen’ is oorspronkelijk een krijgsmansterm geweest, die uit een Romaanse taal (Frans escampative, Italiaans scampare) om gewichtig te doen overgenomen is. Uit de riddersfeer komt W.N.Br. uit de litse blijve en te eel ‘te fier’. Overdiep wil in Volkstaal 78-79 het eigenaar-

[p. 35]

dige gebruik van de t in de imperatief in Zuid-Holland mede door invloed van de Statenbijbel verklaren. In TT 7, 172 wordt de werkwoordsuitgang - ()n i.p.v. ()t in Groningen aan invloed van de 15e-eeuwse Munsterse grammatica toegeschreven. Bergmann 80 beschouwt allerlei in de 17e en 18e eeuw ontleende Franse woorden die nu niet (meer) tot de Hochsprache behoren als bezonken cultuurgoed.

Termen uit de oude kloostertaal zijn Meijerijs te mentje ‘van morgen’ dat, uit te mettentide ontstaan, ook in zijn betekenis geprofaniseerd is, nuchter en kapittelen. Voor andere begrippen die ontleend aan de godsdienstige sfeer, in de dialecten hun uitdrukking hebben gevonden, zie men Het katholicisme weerspiegeld in de Brabantse volkstaal in: Donum lustrale catholicae universitati Noviomagensi oblatum 1948, 195 vlg. Van negatieve waardering getuigen uitdrukkingen als poater of stróntpoater ‘hoopje drek’ (Sassen 69) of klooster ‘grote rattenval’ te Groningen. Vele leenwoorden zijn langs de hogere beschavingslagen tot de volkstaal gekomen. Vaak is dan uiteindelijk de betekenis volslagen veranderd, wanneer de oorspronkelijke te abstract was of anderszins niet binnen het bereik van de volksgeest lag. In Heithuizen hoorde ik een mager meisje betitelen als een mager sakkerfiesie. Middenbrabants is de uitdrukking: dat is er een van d'ouw diluvie. Van Weel blz. 98 kent fertuutn < virtuten in de bet.: grillen.

H. Rosenkranz-K. Spangenberg, Sprachsoziologische Studien in Thüringen 1963, 48 wijzen op E. Brandes, Zur Lautlehre der Erfurter Mundart, Schulprogramm Erfurt 1892, 1893 waar betoogd wordt dat het Erfurter stadsdialect, dat toen alleen nog bij de laagste standen werd aangetroffen, de oude Umgangssprache van Erfurt geweest moet zijn, aangezien het een on-Thuringse samenval op fonologisch terrein vertoont.

Daarnaast bewaren de dialecten primitief gemeenschapsgoed. Primitief is hierbij niet te verstaan als uit lang vervlogen oertijden overgeleverd, stelt dus geen historische relatie vast, maar karakteriseert de geestesgeaardheid die uit het primitief-genoemde goed spreekt. Men kan zich omtrent de primitiviteit van een verschijnsel vergewissen door de talen van de natuurvolkeren te onderzoeken. Zie hierover Bach 74 en over primitieve verschijnselen in het algemeen: G.S. Overdiep, Primitieve syntaxis in Volkstaal 56 vlg. en Volkstaal 114 vlg. Om te beginnen hebben dialect en volkstaal uiteraard veel minder woorden dan een cultuurtaal. Mitzka 139 geeft schattingen die variëren tussen 5500 en 8140 woorden, afgezien van de afleidingen; zie ook J. Erben, Abriss der deutschen Grammatik, 1958, 15.

[p. 36]

Vroeger heeft men wel in geringere aantallen geloofd, maar Lorez heeft uitgerekend dat in een Zwitsers boerenhuis er ongeveer duizend voorwerpen liggen (cfr. Elemans 134) en De Bont I blz. LXXIX-LXXX zegt: ‘We schatten het aantal woorden waarover een Oerse boer beschikt op meer dan tienduizend’. Verder vertonen vele begripsvelden, bijv. die van de beroepstalen, van het spel en de broodwinning een grote verscheidenheid van concrete benamingen; Mitzka 140. J. Wils wijst er in LT 1961, 30 op dat dit verschijnsel vaak verkeerd wordt beschouwd en gezien als een gebrek aan abstractievermogen. Het heeft echter economische en sociologische gronden. In een groot deel van Brabant en Limburg, o.a. heel Belgisch Limburg (LB XLIX Bijblad, 10), betekent koren rogge en in Zeeland betekent graan tarwe. Brood betekent in de Meierij roggebrood. Voor vrijwel iedere Nederlandse boer zijn beeste alleen koeien; cfr. Ts. LXXX 231. Het is echter onjuist hierin een gebrek aan abstractievermogen te zien. De structuur - zegt Wils - is enkel anders. Men heeft er geen behoefte aan een verder abstraherende benaming, integendeel: men heeft juist specifieke benamingen nodig. Ook Ullmann wijst erop (blz. 308-309) dat het wijd verbreide geloof dat de talen van onbeschaafden veel speciale en weinig algemene termen hebben, verworpen is door Amerikaanse taalkundigen; zie bv. A.A. Hill, A note on primitive languages, Internat. Journ. of American Linguistics XVIII (1952) 172-177. Zie ook nog Ullmann 110.

Voorts kenmerkt zich de primitieve geesteshouding door een associatieve denkwijze, door wil en gevoel meer dan door de rede geleid, zodat dan ook gevoel en fantasie overheersen. De dialecten bezitten een overvloed van woorden en woordvormingsmiddelen die dingen, toestanden en gebeurtenissen betekenen die een sterke gevoelswaarde hebben. Zo staat het bijv. met de begrippen ‘eten’, ‘slaan’, ‘berispen’, ‘mond’, ‘dronken’, ‘slapen’; zie ook J.L. Pauwels, Een slag, een pak slaag (geven) in het Aarschots TT XI, 213 vlg., W. Roukens, Het begrip slaan in de Limburgse dialecten TT XI, 237 vlg. Voor het begrip ‘vrouw’ vind ik in een betrekkelijk kleine dialectlijst van A.M. Mertens over het dialect tussen Roermond en Weert in O.V. II 201 vlgg. een overvloed van benamingen: zie Ned. dial. 37. Voor een rijkdom aan Antwerpse waarderingsnamen met betrekking tot de vrouw zie Ned. dial. 32. Zie voorts Mitzka 143. J. Naarding Wat over Drentse taol in Nieuwe Drentsche volksalmanak 1940, 119 vlg. gaf een aantal Drentse synoniemen voor ‘boos’. Hoe affectieve benamingen soms de reguliere verdrijven, demonstreert Heeroma in TON, Toelichting bij kaart 1-10

[p. 37]

blz. 61 aan de benamingen van de mus. Nuijten 199 ontkent het affectieve karakter van de volkstaal echter ten sterkste. Pauwels merkte VMVA 1957, 263 op: ‘Wel staat het vast dat de volkstaal in bepaalde namen een woord door een ander durft vervangen dat er gemakkelijk wordt door opgeroepen’.

Primitief zijn ook de sterk-beeldende vergelijkingen en de drang naar tekenende spreekwoorden. Deze laatste zijn tevens een uiting van hun tekort aan zelfstandig denken. In West-Noord-Brabant bijv. kent men de uitdrukking: iemand een teek afvangen voor ‘iemand op een geniepige manier in het openbaar schijnbaar zijn medegevoelen betuigen met de bedoeling om juist daardoor de anderen op zijn schande of ongeluk, dat hij natuurlijk liever zou verbergen, opmerkzaam te maken.’ Zoals wanneer men bijv. in het volle publiek tot iemand zegt: wat is het toch erg voor jou hé, dat je oudste jongen is moeten gaan zitten, of: 't is toch gek eej, dat je broer failliet is gegaan. Is dit geen tekenend beeld? Nederlands teek betekent immers ‘mijt die zich op de huid vastzuigt.’ Met een poeslief gezicht neemt men de teek van een ander zijn kleren en zegt er nog schijnheilig bij: wat een geluk, dat ik je nog juist kon helpen! Maar de geholpene denkt: had haar voor mijn part maar laten zitten, want nu denkt ieder het zijne! Aardige voorbeelden vindt men bij W.H. Bours, Limburgsche Spreekwoorden en Gezegden, verzameld in Banholt en omstreken, z.j., bijv. in tied van noed vrit der duvel vleege, ‘in tijd van nood smaakt alles goed’, of dâ sleit God der duvel mit ein kouw haand, ‘dat begrijp ik niet’ of vrèèt kop en doe wèèrsj kop, ‘naar wat je doet ga je uiterlijk lijken.’ Drents is niet biester wiedbeks van zingen of ik slao hum alle dweersbongels uut d'handen. De Katwijker zegt als hij ver van de kust wegvaart: dat hij het land an brokken zaalt. Beeldend is bv. ook te Drunen avveseerplenkske voor step en daleschoever voor directoire, opgetekend in Wanink 84. In Neerlands Volksleven 6, 91 wordt door d.H. gewezen op vormingen als: gruupspinne = helikopter (Zeeuws), glunige tuffeln = patates-frites (Hengelo in Twente), motorbolleken = de man van de kunstmatige inseminatie (Achterhoek), uitwinkelen = etaleren (Limburg). Men zou hier haast van purisme kunnen spreken, niet verstandelijk doorgaans maar voor het effect. Vooral zijn symbolieke, sensaties verklankende woorden in trek, zoals Noordoostelijk bats ‘trots, bars, ijdel’ en Drents geuren ‘door de gaatjes laten vallen, uit de aren vallen’. Merkwaardig is wat S. Escoffier, Remarques sur le lexique d'une zone marginale 1958, p. 135 over verdwijnende dialecten mededeelt; ‘J'ai été frappée, au cours de mes enquêtes, par le fait suivant: plus un patois est usé, plus

[p. 38]

il est riche en formations onomatopéiques’. Zij wijst op voorbeelden in Trézelles en Boucé maar zegt dat ze het eigenlijk niet afdoend weet te verklaren. Zie ook Album Grootaers 251 voor associatie en klankspel. Ook de omschrijvingen zijn wezenlijk voor de volkstaal; cfr. Katwijk, hoofdstuk 5. De omschrijving kan zich voordoen als omschrijving van de aangesproken persoon met de derde-persoonsvorm, het gebruik van de vragende vorm of de verleden tijd, negatieve mededelingen als dei is d'r neit meer, ironie, negatieve litotes, het gebruik van omschrijvend doen (doet u morgen de wekker om zeven uur laten aflopen? doe dat eens oprapen); Meertens spreekt in Ts 76, 65 van ‘het in Zeeland zo bekende hulpwerkwoord doen (doet-ie slaepe = slaapt ie)’.

Volkstaal is als element van volkscultuur 1   ook sterk aan taboe onderworpen. Gevreesde ziekten worden steeds omschreven. In de omgeving van Gulpen wordt mond- en klauwzeer krengde genoemd, in Sint-Anthonis en omgeving heet de kanker kaod ding (Br. H. 14, 116 vlg.). In het Limburgs zegt men voor ‘gek’ krank. Heel typerend is gave(n) ‘stuipen’ in het Zuidoostvlaams en begaavinge ‘vallende ziekte’ in Dumbar. De uu in duvel wordt ook als taboe verklaard; cfr. Verbreidheid 49 vlg. In Groningen heet de duuvel de kwaoie; Med. Kon. Ak. Afd. Lett. dl. 65 serie A 1928, 99 vlg. Zie voor andere vbb. Katwijk 49 vlg. Ook het gebruik van leenwoorden kan taboe betekenen; cfr. Katwijk 50, Verbreidheid 73. Met het gebruik van grote getallen is men erg voorzichtig; cfr. Verbreidheid 73. De psyche van jagers en vissers doet de aan de gang zijnde vangst gaarne te laag taxeren. Vandaar de uitdrukking ‘vaertig duizend engelse is tachtig duizend leveres; cfr. Katwijk 138. Dezelfde angst doet de Katwijker spreken van d'r ofkomme voor ‘gered worden’ en maakt de haringen tot paetertjes; cfr. Katwijk 49. In Twente spreekt men niet van ‘donderen’ maar grommelen; cfr. Twente 155. Janssen blz. 83 wijst op klankwijzigingen uit fatsoenstaboe. In het algemeen zie men voor omschrijvingen, verkortingen, overvloed van pronominale aanduidingen, het bezigen van bepaalde zinsintonaties, gebaren en mimiek uit taboe-overwegingen Volkstaal 56 vlg. Is de benaming wicht of luut voor meisje misschien ook tot taboe te herleiden (Foerste 28)?

De dynamiek van de volkstaal is veel heviger dan van een cultuurtaal, volkstaal is sterk affectief-motorisch, dus ook rijk aan verzwaringen (o.a. pleonasmen) en abrupte verkortingen (voor een ellips zie

 1  Verscheiden regionale namen van planten en dieren zijn ook vaak aan volksgeloof en volksgeneeskunde te danken; cfr. Album Grootaers 251.


[p. 39]

men bijv. HCTD 14, 55 vlg.). De maxima van verkorting en verzwaring liggen er dan ook verder uiteen. 1   Vandaar ook enerzijds het veel groter aantal assimilaties, anderzijds de syllabeverzwakkingen onder invloed van een centraliserend accent.

De zinsbouw heeft haar afzonderlijke logica, die vaak niet met die van de cultuurtaal overeenstemt. Vandaar een gebruik van apokoinou (cfr. Sassen 104), anacolouthen, incongruenties en herhalingsconstructies van het type: ik hak elke avond hak ik hout; cfr. Sassen 98, 125, 234. Een gebrek aan tucht openbaart zich ook in de veelvuldige contaminaties, volksetymologieën, analogieën en de voorkeur voor onpersoonlijke gezegden; cfr. Volkstaal 149.

De volkstaal is ook veel omslachtiger (vandaar het gebruik van steuntjes; cfr. § 124) en analytischer. Er is daardoor minder neiging tot samenstellingen en afleidingen en ingewikkelde zinsverbanden. Terwijl de cultuurtaal synthetisch is en tot onderschikking van de gedachtedelen neigt, houdt de volkstaal van splitsing van de gedachte in nevengeschikte delen, van los-aaneengehaakte zinnen; cfr. Katwijk 206 vlg., 217. Ik meen ook dat de volkstaal zich kant tegen cumul. Vandaar Wnbrab. groepen als waar of dat, waar achtereenvolgens het locale, het dubitatieve en het onderschikkende worden uitgedrukt. In dit kader moeten wij ook het veelvuldig markeren der onderschikking zien, bijv. in het Kruinings door à of aa (mv. an).

Bij Nuytens 108, 112, 114, 117, worden ook de volgende verschijnselen te Borne op rekening van de volkstaal gesteld: het gesloten zinstype met een herhalend of variërend werkwoord of bijwoord, de versterking van een voorzetselbepaling door een bijwoord, de herhaling van het voorzetsel (want aan zo'n diploma heb je altijd wat aan), de neiging om het belangrijke voorop te zetten, de hoge frequentie van het hulpww.

Er is vaak gewezen op het onaffe en ongave van de dialectstructuren. Met name zijn de fonologische systemen er nooit volkomen scherp, maar dat zijn ze in een cultuurtaal als het ABN al evenmin. Ook de woordbetekenissen blijken er vaak heel vaag. Het noordoostelijke hendig is moeilijk te omschrijven (TT 1, 65) en hetzelfde geldt van het

 1  Dialecten van volksgemeenschappen die kleine gesloten groepen vormen, kenmerken zich heel speciaal door korte taalvormen (we hadden Emmuie fier antwaeter, we zaalden et land an brokke), omvangrijke samenstellingen (toe krege we-n-een binne-zuie-wind-mit-reege), bijnamen op de omliggende plaatsen en gebruik van die plaatsnamen in gezegden met misprijzende bedoeling; cfr. Katwijk 9, 211, 215.


[p. 40]

Meierijse hendig in zinnetjes als ge zâlt hendig te laot komme. Men zie ook de behandeling van Brabants vort bij A.P. de Bont Ts 67, 223 vlg. Over het veelvuldige gebruik van het vage ww. doen zie men Volkstaal 64-71, Onderzoek 196 en W. Roukens De taal der Limburgers, 1947, 44. Ook Van den Hombergh-Bot XVIII bevond ‘dat men de begrippen “systeem” en “structuur” voor zover het de dialectische woordenschat betreft, niet al te scherp dient te nemen.’ Weliswaar suggereert Paardekooper in Land van mijn hart 1952 p. 66 dat in een zelfde dialect geen keuze tussen twee bepaalde syntagmata bestaat. Maar V.F. Vanacker bestrijdt dit in BMDC XIX, 7.

Van de andere kant valt herhaaldelijk te constateren dat juist de minst betekenende talen en dialecten de ingewikkeldste structuren hebben. E. Sapir spreekt daarover in Language z.j. 22. De meeste Nederlandse dialecten hebben, naar ik meen, dan ook meer fonemen dan het A.B.

Fijne onderscheidingen blijken wel alleen in kleine gemeenschappen te kunnen bestaan. We zien trouwens onophoudelijk in de dialecten, dat waar diachronisch hetzij door ontlening, hetzij door vertraagde of versnelde klankontwikkeling doubletten ontstaan, de betekenaars de betekenissen onder elkaar verdelen, zoals homoniemenvrees ook juist aan de dialecten eigen is. Zo onderscheidt het Goerees duchte dicht(bij) van dichte dikwijls, beul beul van beult brutale jongen, het bijwoord merege van het znw. murege, slap in figuurlijke betekenis van slop in letterlijke betekenis, spil zaak van spel vermaak en spul goed. In de Meierij noemt men de mensenhuid zaacht, maar bijv. peren en aardappels zoft. In Hooge-Mierde is schop een klein schuurtje, maar schoep schop. In Twente spreekt men bij mensen van nieren, bij dieren van nuren; cfr. Twente 88. In Asten zegt men [strup] van een huid stropen en [str .p] van het stropen op wild. In Leuven onderscheidt men een zadel van een paard van een selle van een fiets en te Nijvel een tsjapja herenhoed van een sjappoo dameshoed; cfr. L. Grootaers in VMVA 1947, 71. In het Middenlimburgs heet een vissnoer viem, maar een bep. korenmaat vum (OV II 232-233). Zie verder o.a. Van Weel blz. 26, 92, 102, 143, 151, 152, 153, Opprel blz. 5, 8, 9, OT 6, 141, Hof 76-77, 83, 127, 141, 161, 92, 39, 231, 54, Van de Water blz. 8, Janssen 97, Frings 73, Festschrift Behaghel, 194, Katwijk blz. 44, 143 vlg.

Tenslotte dient niet over het hoofd gezien te worden dat de dialecten, doordat zij meestal slechts gesproken en niet geschreven worden, aan de conserverende invloed van het schrift ontsnappen en zich in zoverre sneller en vrijer ontwikkelen.



[p. 41]

§ 7a. Regressie

Als tegenhanger van de hypercorrectie neemt men bij dialecten hyperdialectisme aan. Bij de ontlening van een woord met een foneem waaraan er in het betrokken dialect niet een maar meer dan één beantwoordt, vindt soms een tegen de etymologie indruisende substitutie plaats. G. Kloeke, De ruif TT III 7 noemt als zodanig vier ruuf-vormen op de Veluwe. Waar ruif, beantwoordend aan middenduits Räufe een ui2 heeft, zou een uu niet klankwettig te verklaren zijn. Omdat in Zandvoort klankwettig wel ai, maar niet î tot aa werd, moeten baal, waan, maal, praazu daar als hyperdialectismen beschouwd worden; cfr. BMDC 21, 28. Zie voorts Hellinga 100.

Paardekooper 16.2.11 wijst op Gronings taande = tante. Hij brengt dit voorbeeld onder in de algemener kategorie van verstreektaling, nl. aanpassing van cultuurtaalwoorden aan het eigen systeem en wijst op de ontwikkeling van aeroplan > ripjan en bicyclette > bisikjet.

De Tollenaere spreekt in TT XI 131 naar aanleiding van Goerees vaoi van een imitatievokaal.

Voor Oerle wijst De Bont I par. 143 op dɔustr en vɔustr.

Op het eerste oog doen de afwisseling v/g (teugel - teuvel, navel - nagel, galge - galve, balvens - balgens) en d/g (wvla. luden - lugen) vreemd aan. O. Leys, Synkope en regressie in het Vlaams en het Nederduits, M.N.L. N.A XXXIX 120-150 verklaart deze uit valse regressie, doordat zowel d als v als g intervocalisch uitvallen. De d-syncope is o.a. kenmerkend voor de wvla., de g-syncope is eveneens wvla. (bij De Bo vindt men va < vage ‘slag om de oren’, vla < vlage ‘vetlaag van het varken’) en bovendien ovla. (daëlijks, jaën, ooë enz.); de syncope van de v is o.a. bekend in mnl. hoot < hovet. Alle drie deze syncopes zijn overigens ook nederduits.

Aangezien er nu ook nog op de morfeem- of syllabenaad uit glides j en w konden ontstaan, moet de afwisselingsreeks zelfs uitgebreid worden tot w - j - d - g - v: vgl. gron. troudn ‘trouwen’, ndd. gnâgen - gnâwen, brab. hij zieget - Geraardsbergs hij zievet.

§ 8. Waarde van het dialect

Elk idiolect is voor degene die het beheerst van onschatbare betekenis, alleen al om de sterke mate waarin zijn denken, voelen en willen erdoor beïnvloed is. Des te groter is die invloed, wanneer dat idiolect zich op het oudste of zelfs het enige recht kan beroemen. Zo gauw echter de

[p. 42]

mens naast zijn moederdialect een cultuurtaal van algemener geldingsgebied erbij verwerft, vermindert de betekenis van het eerste. Wel zal dit minder het geval zijn in de gevoelssfeer omdat immers juist daar het dialect bijzonder veel te bieden heeft. Zo kan het inderdaad waar zijn dat bij bepaalde intieme verhoudingen het heemtaalwoord beter werkt. En al wordt de betekenis van het dialect voor de poëzie vaak overdreven 1  , feit is dat ook grote dichters en prozaschrijvers als Vondel, Bredero, Hooft, Gezelle, Luther gaarne bij de dialecten ter schole gingen. In het onderwijs biedt het dialect inzoverre steun dat het vaak materiaal verschaft dat in de cultuurtaal volkomen ontbreekt, dat degene die de cultuurtaal minder goed beheerst, zich voor taalkundige bespiegelingen veiliger op zijn heemtaalgevoel kan verlaten en dat het bij jeugdige leerlingen onder bepaalde voorwaarden de gewenste voertaal is. Zie voor dit alles Wezen en waarde.

Maar het is moeilijk te bewijzen dat de bestaande moedertalen voor de betrokken volkeren de meest geschikte zijn. Vandaar dat er doorgaans geen reden is aan te wijzen waarom iemand dialect zou moeten spreken. ‘Zonder dialect kun je overal terecht in Nederland’, zegt P.C. Paardekooper, Beknopte A.B.N.-Spraakkunst (1953), blz. 13. Ik geef toe dat het een enkele maal de eenvoudige dialectspreker wat op zijn gemak stelt, maar terwijl men door het gebruik van dialect de vertrouwelijkheid wil bevorderen, vergeet men dat voor leiding gezag nodig is en dat dit wordt bevorderd door distinctie. 2   Ook verschillen de denkvormen van de dialecten te weinig dan dat daar een argument aan te ontlenen zou zijn. Zie omtrent het veronderstelde aanschouwe lijke en concrete karakter van het dialect Wezen en waarde 46 vlg. Omgekeerd heeft het constant gebruiken van het A.B. alles voor. Want het is niet te vermijden: spreekt iemand veel dialect, dan lijdt er zijn A.B. onder; zie o.a. BMDC 13, 26. H. Paul Prinzipien der Sprachgeschichte5, 291 drukt zich trouwens ook met reserve uit. E. Nuijtens, De tweetalige mens 1962 werkt doorlopend met interferentieverschijnselen, die de sprekers zelf niet opmerken. Toen ik aan een groepje Lim-Limburgse intellectuelen eens vertelde dat ik aan het loket te Heerlen een juffrouw had horen vragen: Wanneer komt een trein naar Maastricht en hun op het ontbrekende er wees, bekenden zij allen dat zij het zelf niet gehoord zouden hebben. Ja zelfs in de dialectencommissie is het eens gebeurd dat er een heel lang debat over een nummer van de

 1  Zie inz. Wezen en waarde 21; zie ook H. Beex in BN 9, 143-144.
 2  Men moet zich trouwens omtrent de verering die het volk zijn dialect zou toedragen niet te veel illusies maken; zie hiervoor Wezen en waarde 46-47.


[p. 43]

vragenlijst werd gevoerd totdat eindelijk bleek dat een van de leden het woord voor in een betekenis gebruikte (n.l. die van een soort greppel), die in het A.B. van zijn tien collega's niet voorkwam, maar die hem eigen was... t.g.v. zijn dialect. Ook zijn vele dialecten voor het abstracte denken weinig geschikt; cfr. Wezen en waarde 40.

Daarnaast dient men het A.B. te steunen uit nationale overwegingen. In de strijd om de cultuur en speciaal om de Nederlandse cultuur speelt bijv. het gedrukte woord een belangrijke rol. Welnu, dat wordt financieel bekeken aanzienlijk moeilijker als ieder in zijn eigen dialect gaat schrijven, waarvoor uiteraard maar een klein afzetgebied is. Ook waar men zoals in de Zuidelijke Nederlanden met een machtige concurrent, i.c. het Frans, te doen heeft, is concentratie en eenheid een burgse intellectuelen eens vertelde dat ik aan het loket te Heerlen gebiedende eis. Pogingen tot instandhouding van de dialecten hebben dus een gevaarlijke kant. Alleen mag in het aanvangsonderwijs, indien het om gevoelsredenen of om redenen van verstaanbaarheid gewenst is, de leerkracht zelf eventueel het dialect spreken. Trouwens als uitgangspunt kunnen de dialecten in het onderwijs velerlei rollen spelen, zoals wij zagen. Zelfs heeft, zolang het dialect voort blijft leven, speciaal de lagere school nog een bijzondere taak: de volkskinderen het allerbelangrijkste van de dialectwoordenschat bij te brengen: in landbouwstreken de landbouwterminologie, aan visserskinderen het visserstaaleigen met zijn typische taboe-verschijnselen, in textiel-centra de inheemse weefterminologie; anders gezegd: de woorden uit de voornaamste sociale groeptalen. Ook de algemene begripsvelden: persoonskarakterisering, weersaanduiding, vaste uitdrukkingen en spreekwoorden komen in aanmerking. Ligt in deze laatste groep een schat van volkswijsheid opgesloten, kennis van zijn vakterminologie zal het kind later veel onaangenaamheden besparen. 1  

Tenslotte zit er natuurlijk niets verkeerds in, dat men de leemten in de woordenschat vanuit het dialect verrijkt. Namen voor begrippen die in het A.B. niet genoemd worden, mogen gerust aan de groeptalen ontleend worden.

 1  Zie voor de rechten van het dialect voorts Wezen en waarde 39 vlg. en H. Entjes De school tussen dialect en cultuurtaal BMDC 13.


[p. 44]

§ 9. Veranderlijkheid en verdwijnen van het dialect

In meer dan een opzicht tonen de dialecten relictsituaties. Soms hebben bepaalde verschijnselen zich alleen maar meer als kennelijk relict in het dialect weten te handhaven. Foerste 64 wijst erop, dat tûnigl ‘egel’ thans niet meer in Groningen voorkomt behalve in de figuurlijke betekenis van ongehoorzaam, wederspannig kind. In Mierlo-Dorp is lup het scheldwoord voor een nietsnut (mat. N3, vr. 5a). Dit moet een oud woord voor mannelijk kalf zijn, dat nog wel elders bekend is. Soms ook zijn bepaalde woorden alleen nog in composita bewaard. Het Z.W. van de Kempen zegt al dorsvloer maar noemt het wandje naast de dorsvloer nog steeds denneweg of dennewjicht; cfr. Kultuurhistorische Verkenningen in de Kempen I 89. Goossenaerts LXXXIX zegt dat deem ‘speen’ vrijwel alleen in drijdemer voortleeft. Zie ook Roukens 330.

Ook gebeurt het dat een oud woord alleen maar meer in een bepaald liedje voorkomt, bv. Zeelands horste (O.V. I 207). Soms vindt men oude dialectverschijnselen alleen maar meer in vaste uitdrukkingen; het Zeelands kent hùltje alleen in de uitdrukking: op zen eigen hùltje ‘op eigen gezag’ (O.V. I 207).

Verscheiden dialecten zijn conservatief vergeleken met andere, bijv. het Westvlaams en de Friese dialecten (cfr. G.G. Kloeke De Amsterdamse volkstaal voorheen en thans 1934-1935 1-2), het Limburgs en het Oostbrabants (cfr. § 170 en 173). J. Jacobs, Over het conservatief karakter van het Westvlaamsch, in: Donum Natalicium Schrijnen 560 vlg. (1929) wist de overgang e > a voor l + r, n, f, k, d, t (halpen, malk) in het wvla al voor de 13e eeuw aan te tonen, eveneens de ronding van ee > eu onder invloed van bep. cons. en de ontwikkeling u > Λ voor n, nn, l, sk, p (dunder, zunne, wulf, up), de paragogische e (de moedere, int onrechte, twatere, levene, vadere) en het voorkomen van de stamvocaal aa in het enkelv. van het praet. van de ww. van de 4e en 5e kl., de overgang van î > y tussen twee labialen zelfs al in 1170. De bewoners aan weerskanten van de Waal hebben nog steeds grote overeenkomsten in hun dialect, hoewel ze overigens al drie en een halve eeuw weinig contact met elkaar onderhouden (TT 5, 92). Pée constateert in Album Verdeyen 304, dat de uitspraak van het Brugs zich sinds het einde van de 18e eeuw bijna niet gewijzigd heeft. Tans merkt hetzelfde op voor het klankbeeld van het Maastrichts (Veldeke, 18, 66; zie echter ook Veldeke 20, 65). Vangassen constateert in HCTD 26, 84 dat het Mechelse klanksysteem als zodanig sinds circa 1300 niet meer veran-

[p. 45]

derd is. Paardekooper 16.1.3 herinnert aan de eeuwenlange stabiliteit van het Enkhuizens (en Antwerps).

V. Verstegen Dialectgeografie en archief. Handel van de Znl. Mij. voor Taal- en Letterkunde en geschiedenis 8 (1954) 83-95 vond voor Lokeren ‘het woordgebruik sedert 350 jaar... hetzelfde gebleven’ (ik vond dit in TT X 88-89). Uit Smout 148 blijkt dat het Antwerps tussen de 16e en de 19e eeuw niet of weinig veranderd is. Een Antwerpse cijnsrol van het vierde kwart der 14e eeuw spelt al kyepdorp en kiepdorp (TT X, 75 vlg.). De brabantse uitspraak ie voor i is dus eeuwen oud. A.P.L. Vermeersch, De taalschat van het laat- middelnederlandse ‘kuerbouc van Werveke’ 1962, 49 geeft eeyerbeilc - thans heten ‘eieren’ er ae:ijrs. Kranzmayer deelt mede dat in Beieren de interne klankgrenzen al vanaf ongeveer 1300 dateren (waar die in het Westmiddelduits jonger zijn brengt hij de ouderdom der Beierse isoglossen met de boerenbevolking in verband).

Ook blijken bepaalde verschijnselen traag te veranderen. Janssen 99 constateerde dat de uu/oe-grens bij muis en huis in de laatste eeuwen in Limburg en Gelderland praktisch dezelfde is gebleven. Vele exclusieve dialectverschijnselen zijn tot in de Middeleeuwen terug te vinden. De diftongering der achtermondvocalen voor het g/χ-foneem, die ik in Noord-Brabant alleen in Oss en omgeving ken, dateert daar al uit de Middeleeuwen. Onderzoek 192 noemt bawch, bawk, bouk. J. Cunen, Geschiedenis van Oss 1932, 141 geeft uit 1564 gelauge ‘gelage’ (herberg). A.R. Hol (Opstellen De Vooys 1940 blz. 173-176) vond ten aanzien van de afval van de -n na toonloze vocaal de toestand in ons land reeds eeuwenlang (praktisch al sinds de oudste literaire teksten) onveranderd.

Er zijn ook woorden waarvan de grenzen vrij constant zijn. Foerste 36 maakt tamelijk aannemelijk, dat de grens tussen forsk en pogge ‘kikvors’ in Munsterland in de laatste acht eeuwen hoogstens 25 km verschoven is. Ook Teuchert 14-15 zegt dat het woordmateriaal vaster is dan men meent: ‘Die macht des Verkehrs wird überschätzt’. Heeroma constateerde, dat de grens tussen tarwe en weit sinds de middeleeuwen hoegenaamd niet veranderd is, en Van den Berg vond hetzelfde voor de betekenaren van ‘dikwijls’ en ‘ladder’. Dit schijnt in tegenspraak met Schrijnens mening (Handleiding2 104) dat de klankgrenzen doorgaans constanter zijn dan de woordgrenzen. Ook A. Christensen, Contributions à la dialectologie iranienne, Copenhague 1930 vond in Perzië, dat de dialecten in hun woordenschat minder conservatief zijn dan in de morfologie. Negatief blijkt hetzelfde uit

[p. 46]

wat K. Jaberg in Vox Romanica XI 100 zegt: ‘les systèmes phonologiques, les phénomènes morphologiques et syntaxiques fondamentaux s'imposent difficilement’. Men moet echter de woordgrenzen niet alle over één kam scheren. Zo koos B.E. Vidos in Vereen. tot het bevorderen v.d. beoef. der wet. onder de Kath. in Ned., Annalen XXXI Referaten 181 vlgg. voor de studie van de reizende woorden juist een technische woordenschat en beweert van de andere kant Fr. Maurer Volkssprache 1933 (zie ook Mitzka 67) terecht dat de grenzen van de kerkelijke woorden, boerenwoorden, kinderwoorden enz. betrekkelijk oud zijn en wees G. Kloeke in Ts 58, 109 vlgg. eveneens op het grote conservatisme van de grenzen van bepaalde woorden.

Toch is er op het terrein van de klankleer soms een snelle ontwikkeling waar te nemen. Men zie bijv. bij Heeroma de geschiedenis van twisken. In de middeleeuwen beheerste twisken-twisschen-twischen (met wi) Noord- en Zuid-Holland (behoudens Dordrecht) en kwam zelfs nog voor in Middelburg. Voorzover Heeroma echter kon nagaan, is twisken (met wi) in de moderne dialecten nergens meer bewaard.

De vele ontrondingen die rond 1900 nog in Bergeik bestonden (cfr. § 65) waren er al twintig jaar geleden niet meer terug te vinden; alt voor out kwam enige jaren geleden in Neerbosch al alleen maar meer bij een 80-jarige voor (TT 4, 106), Renders in BMDC 8, 23 kende in 1934 in Riethoven nog bij één 89-jarige béjen, maar in 1943 vond hij er slechts beejn meer. Voor Bergen-op-Zoom deelde dhr. Verdult nog mede: ‘Hele oude mensen palataliseerden de o vóór r: schurt (schort), durst (dorst). Maar geen van de proefpersonen heb ik 't thans meer horen zeggen’. Het betreft dan echter wel steeds ‘expansies’. De heer L. Spronck maakt er mij op opmerkzaam dat G.D. Franquinet, Proeve over het taaleigen der stad Maastricht, in Archief voor Nederlandsche Taalkunde, verz. door A. de Jager III (1851-1852) par. 10 voor het Maastrichts als uitspraak: kaant, haauwen, maant, vaauwen, zaant geeft en dat bij Endepols, ongeveer een eeuw later, deze woorden: kaajd, hawwe, maajt, vawwe, zaajt luiden. Ook vond Hermanns dat het Akens zich sinds circa 1800 in klank, vorm en woordenschat gewijzigd heeft, terwijl de omringende dorpen vaak relictgebieden van die oude Akense taalfase zijn. De heer Spronck noemde mij ter staving de volgende artikelen: W. Hermanns, Ferdinand Jansen - ein Dichter der Aachener Mundart? Eine Kritik der Kritik in: Oecher Platt 10 (1917) 50-52, 58-59, 66-68 en W. Hermanns, Ferdinand Jansens Schreibart und Sprache in Oecher Platt 10 (1917) 4-6.

Meer dan één geboren Amsterdammer heeft Kloeke verzekerd, dat

[p. 47]

de uitspraak zich daar ter stede sinds zijn jeugd aanzienlijk gewijzigd had en in Haarlem nam hij zelf waar, dat de straatjeugd anders sprak dan in zijn jongensjaren. 1   In de omtrek van Nijmegen trof hij in verschillende dorpen autochthone families aan, waar vader en moeder nog de oude palatale r, de kinderen daarentegen reeds de velare R spraken. In Utrecht hoorde men nog in 1914 van sjiete spreken. 2   Thans is die uitspraak praktisch tot de Veluwe teruggedrongen. Voor Zwolle wijst Hellinga 49 op recente veranderingen. 3   Verscheiden voorbeelden vindt men verder in Wezen en waarde 4  , Hof XIII en 21, 23, 33, 48, 73, 95, 158, Landheer 70, Handboek I2, 66 5  . Het sterkst veranderen de dialecten tegenwoordig onder invloed van de kultuurtaal. R. Grosse, Strukturalismus und Dialektgeographie in Biuletyn Fonograficzny III 1960. Nadbitka p. 93 onderscheidt daarbij (wortweise) Zersetzung einer Kernlandschaft durch die Umgangssprache en Auflösung einer mundartlichen Fläche. (Hij behandelde dit ook al in: Die meisznische Sprachlandschaft, Mitteldeutsche Studien 15, Halle 1955, § 37 vlg.). S. Escoffier, Remarques sur le lexique d'une zone marginale 1958, passim, o.a. 213 onderscheidt bij het Frans een oprukken soms ‘sur toute la largeur du ‘front’, soms door zakken te vormen (‘en Limagne les limites s'écartent’), soms door rond de steden ‘taches’ te vormen die ‘rejoignent les poussées de francisation venues du nord’.

Franz Beranek zei op een lezing in Marburg 26 april 1961 over de Umgangssprache in de Sudeten- en naburige gebieden dat er in diverse steden, die als eilanden in het Slavisch lagen, geen ‘Mundart’, maar alleen ‘Umgangssprache’ was. K.K. Klein, Hochsprache und Mundart in den deutschen Sprachinseln in: Zs. f. Maf XXIV 193 vlg. geeft diverse vbb. van Duitse taaleilanden waar men achtereenvolgens drie verschillende dialecten heeft gesproken, zoals bv. Scheiner voor Zevenburgen en Schirmunski voor Altjamburg bij Leningrad vond.

J. Goossens, Relictgebieden, LB XLVIII, 48 vlg. onderscheidt twee soorten relictgebieden: 1. passieve, waarbij de relicten zich handhaven omdat de invloed van buitenuit te zwak is om ze te verdrijven - t.g.v. moeilijkheden voor het verkeer, grote afstand van cultuurcentra,

 1  Holl. Exp. 90-91.
 2  Mondelinge meded. van Prof. dr. K. Meeuwesse.
 3  Cfr. ook Kloeke in NTg 15, 41.
 4  Cfr. ook J. van Ginneken, Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden 1917, 59 voor Oudenbosch.
 5  Zie ook R.J.G. Venneman, Welke wijzigingen ondergaat het Aalsters dialekt? TT 8, 35 vlg.


[p. 48]

omringd zijn door andere talen, de zee, de taal van de hogere standen; 2. bewaard door actieve tegendruk vanuit een dichter bevolkt centrum, een provinciestad. Hij geeft als voorbeeld Eupen met de aangrenzende dorpen Membach en Kettenis en de centra in de ontrondingsgebieden: Aalst, Dendermonde, Boom, Willebroek, Heist op den Berg, Leuven. Het Limburgse ontrondingsgebied is echter passief. Die streek was 50 jaar geleden de dunst bevolkte van Vlaanderen. Op een kaartje tekent Goossens aldaar drie onbewoonde stroken. Daar werd tot vóór de landbouwmachines kwamen het graan met de zeis gemaaid. Relicten zijn er bv.: overschelf ‘uit losse balken bestaande zolder boven een dorsvloer,’ ketel ‘emmer’, keeswei ‘hui’, helster ‘hoofdstel van een paard in een kar’, toom ‘teugel’, bis ‘varkensstaart’.

Maar niet alle dialectveranderingen gaan in de richting van het A.B.J. Hansen, Inkele opmerkinge euver taalverangering in 't Remunjs dialec Veldeke XXI (1947) 51 vlg. wijst erop, dat Seipgens schreef: hae zaag en wete, doch dat men in Roermond thans zegt: hae zoog en weite.

In België zijn overigens de meeste veranderingen verbrabantsingen (J. Goossens in L.B. 1960 Bijblad, blz. 10).

Het opdringen van echte dialectvormen werd verder geconstateerd door A. Spenter, Sprachbewegung in der Landschaft um Marburg an der Lahn 1880-1960 (voordracht Marburg 26 april 1961).

In zijn artikel Taalgeografie en moderne naamgeving in: Ts 80, 186-187 geeft J. Goossens nog een voorbeeld uit de jongste tijd, nl. hoe voor het begrip extirpator het gebied van schulpeg reeds door rus in tweeën wordt geknipt. In Montzen sterft broek uit voor boks (Welter par. 29).

In België verliezen soms juist de A.B.-vormen. In par. 82 wordt bv. op het verlies van de anlautende h- gewezen. Natuurlijk hangt dit hiermee samen dat voor die betrokken dialecten bepaalde regionale vormen als vormen van de cultuurtaal gelden.

Vooral in Zuidnederland is het duidelijk dat er ook nog in de laatste tijd dialectvorming plaats vindt. J. Goossens Taalgeografie en moderne naamgeving in Ts 80, 41 vlg. toonde dat duidelijk aan bij namen voor moderne landbouwbegrippen in Belgisch-Limburg: maaidorser, keerploeg, melkafromer, kunstmeststrooier. Doordat er vaak geen eenheidsbenaming in de cultuurtaal is en men bovendien in België vaak de Franse termen moet vertalen, treedt er aanvankelijk een woekering van naamgeving op. Maar weldra openbaart zich dan een streven om zich van overbodige synoniemen te ontdoen.

Zelfs zijn er ook in deze tijd ‘belangrijke woordgeografische ver-

[p. 49]

schuivingen’, bv. t.g.v. technische verbeteringen. Zo is pikdorser duidelijk een westelijke indringer en is maaidorser door Maastricht uitgestraald. Het woord melkmachien voor melkafromer verdween weer, toen melkmachien een andere betekenis kreeg. Het woord afromer is natuurlijk duidelijk import in het gebied waar de room zaan heet. Elders kan het woord van eigen vinding zijn.

Daarnaast verdwijnen de dialecten ook in zoverre ze steeds minder gesproken worden. In sommige plaatsen is het dialect praktisch al geheel weg. S. Escoffier, La rencontre de la langue d'oïl, de la langue d'oc et du francoprovencal entre Loire et Allier, 1958 p. 4 zegt dat in verschillende plaatsen rond Roanne en ten N. van Lapalisse ‘il n'y a plus de patois’. In diverse kleine steden, door Edmont onderzocht was toen reeds geen dialect meer, bv. punt 802 Chantelle, punt 803 Bellerive, punt 806 Thiers. ‘In the immediate surroundings of the capital, the standard language acts very strongly; the neighboring dialects may be so permeated with standard forms as to lose all their individuality. We are told that withín thirty miles of London there is no speech-form that could be described as local dialect’, Bloomfield 1957, 27.5. In Hoorn heeft Kloeke geen Westfries dialect meer aangetroffen; cfr. G.G. Kloeke, Een oud sjibboleth: de gewestelijke uitspraak van ‘heeft’ 1956, 12, Van Wijk-aan-Zee zegt Heeroma 35 dat hij er in de zomer van 1934 geen oorspronkelijk dialect meer heeft aangetroffen en zo zegt Hol 125 vlgg., 191 dat er tegenwoordig in Naarden niet meer van een dialect te spreken is. Andere plaatsen in Het Gooi als Huizen en Hilversum hebben echter wel dialectvormen. In Baarn daarentegen kan men ook maar amper meer van een dialect spreken. Natuurlijk is in een aantal van deze plaatsen het heterochthone karakter van de bevolking de oorzaak van dit verschijnsel. T.g.v. de vreemdelingen die er 's zomers komen of er zich vestigen, is volgens mej. A.R. Hol DBNS 1, 54 vlg. het dialect snel aan het verdwijnen in Heelsum, Doorwerth, Wageningen, Renkum, Oosterbeek, Velp, Rheden, De Steeg, Ellekom. Zo hebben kort geleden gestichte kolonies als Helenaveen, daterend van 1853, een taalmengelmoes en zijn Veenhuizen en Frederiksoord dialectloos (Taallandschap 26). Volgens Pop 123, 125 bestaat in de meeste Franse steden geen dialect meer.

De hier geschetste veranderingen zijn een gevolg van de macht van verkeer, trein, auto, bus, vliegmachine, pers, radio en ambtenarenwezen, maar ook van de huidige bevolkingsvermenging op grote schaal, het sociale nivelleringsproces en de ontwikkeling van de industrie die de

[p. 50]

oude vormen van het werk wijzigt (Pop 65) 1  . H. Rosenkranz-K. Spangenberg, Sprachsoziologische Studien in Thüringen, 1963, blz. 43 vlg. wijzen erop, dat de school weinig invloed heeft uitgeoefend. Het is de verandering van de arbeid, ook van de landarbeid die in de DDR het dialect doet verdwijnen. Zij spreken van een ‘sozialistische Umgestaltung der Landwirtschaft’ en zeggen ‘Die Bildung von Produktions-genossenschaften löst die alte Arbeitsgemeinschaft des Hofes auf und stellt den Einzelnen in einen weiteren Lebenskreis’. Thüringen vertoont in de 20e eeuw wel invasie ‘schriftnaher Formen’, maar geen invloed van de school. Dit had Glöckner al in 1913 voor die Rhön vastgesteld. Immers de kinderen bleven in de dorpsgemeenschap ‘wobei sich die Lebensbereiche beider Sprachformen gegenseitig weitgehend ausschliessen’. H. Moser schrijft in Actes du congrès international d'ethnologie régionale, Arnhem 1955 (1956) 99 het terugwijken van de dialecten voor de regionale omgangstalen vooral aan psychologische factoren toe: het verdwijnend zelfbewustzijn van de dialectsprekers. Men kan hier met Bergmann 16 nog aan toevoegen dat het dialect verdwijnt omdat men het slecht vindt.

Hoe oud de achteruitgang van het dialect al is blijkt bv. hieruit dat J.M. Weinreich die al voor 1720 in Henneberg constateerde; cfr. H. Rosenkranz-K. Spangenberg Sprachsoziologische Studien in Thüringen, 1963, 43 vlg., inz. 57.

Wat ontstaat er nu echter als het dialect van het toneel verdwijnt? Het is niet zo dat in de toekomst er overal één taal zonder locale differentiatie gesproken zal worden. A. Martinet, Dialect in: Romance Philology VIII 1 vlg. karakteriseert de toestand zo dat men in een grote omtrek van Parijs eigenlijk niet meer van dialect (genuine patois) mag spreken, maar van plaatselijk gekleurde algemene taal (local forms of standard), en het ziet er in grote stukken van Holland niet naar uit, dat het daar anders gesteld is. Bij mijn onderzoekingen in Delfshaven b.v. wist mijn zegsman niet beter of hij sprak de algemene omgangstaal, een verschijnsel dat trouwens ook wel in westelijk Noord-Brabant valt waar te nemen. En waar mijn zegslieden uit Zuidhollandse plaatsen als Rhoon, Barendrecht, Bolnes en Numansdorp mij ver-

 1  Van Haeringen minimaliseert BMDC 13, 20 de bedreiging die voor de dialecten van het A.B. uitgaat te zeer. Jaberg is van mening dat de dialecten aan de periferie een plotselinge dood zullen sterven; cfr. Pop 50. Terracher was nog van mening dat de dialecten niet verdwenen t.g.v. het overwicht van het Frans, maar dat ze weken voor aangrenzende dialecten die als sociaal hoger beschouwd werden; cfr. Pop 106.


[p. 51]

zekerden dat zij zoiets tussen dialect en algemene omgangstaal in spraken, bestaat er grote kans dat zij Martinets local form of standard hanteren. Er is dus alles voor te zeggen om, gehoor gevend aan Martinets suggestie, bij de dialectenquête een heel nieuwe probleemstelling onder ogen te zien, waarbij men zich zal moeten gaan afvragen, of de spreker dialect, dan wel locaal gekleurd Nederlands gaf. Taalsociologisch en taalpsychologisch is dit van essentieel belang. De sprekers zijn zich dan niet eens bewust dat hun idiolect geen zuivere cultuurtaal is.

Ik meen dat deze toestand dan meestal niet het gevolg is van een abrupte overgang maar van een steeds verder voortschrijdend doordringingsproces, wat ook blijkens het hiervoor geciteerde de opvatting van Bloomfield is, waar (3.4) bij de locale verschillen in eerste instantie sprake is van ‘sub-standard speech’.

Toch heb ik in Wezen en waarde 19 een aantal factoren besproken die waarschijnlijk nog lange tijd een volledige egalisatie zullen verhinderen. Door hun volkstaalkarakter blijven de dialecten een verkeersmiddel in de ondercultuur en ook zijn de benoemde zaken (grondsoort, woningbouw, kledingstukken, gebruiksvoorwerpen, volksgebruiken, enz.) te zeer locaal gedifferentieerd - soms door de geografie gedwongen - dan dat de sprekers en de toehoorders tevreden zouden kunnen zijn met de vervagende, vlakke benamingen uit de algemene taal. Terecht is Bergmann 17 overigens van mening dat, waar het dialect het gevoel van in de gemeenschap geborgen te zijn oproept, het nog lang levend zal blijven.

Interessant is nog wat J. Naarding, Enige opmerkingen over conservatieve dialecten, TT XIII 205 vlg. schrijft. Niet steeds kan het conservatisme aan afgelegenheid worden toegeschreven. De Zandvoorter vissers zullen bv. meer contact gehad hebben met de Haarlemmers dan met de Zuidbuurters in hun dorp. Zo waren er ook contacten tussen Katwijk-aan Zee en Leiden, en tussen Scheveningen en 's-Gravenhage. En toch bleven die vissersdialecten conservatief. Naarding meent dat bij allerlei conservatieve dialecten als die van Friezenveen, Hindeloopen, Enkhuizen, Kampen, de IJselsteden en de vissersdorpen het feit dat de mannen telkens zo lang van huis waren, een rol moet hebben gespeeld. Ook kan er gedacht worden aan reactie tegen de stadstaal, die men te aanstellerig vindt. Bergmann 14 wijst erop dat evengoed als men zich voor zekere dialecteigenaardigheden schaamt men van de andere kant weer bepaalde trekken tè exact, tè ‘deftig’ vindt. Anderzijds kan in steden als Maastricht, Brugge en de Twentse steden de archäisering het gevolg van behoefte aan distinctie zijn.



[p. 52]

§ 10. Het algemeen beschaafd

Lit.: Wezen en waarde; G.G. Kloeke, Gezag en norm bij het gebruik van verzorgd Nederlands 1951; G.G. Kloeke, Beschaafdentaal Ts 69, 294 vlg.; C.B. van Haeringen, Standaard-Nederlands NTg 1951, 316; Volkstaal 1 vlg., 22 vlg., 26 vlg.

Ten aanzien van het wezen van het algemeen beschaafd zijn er twee diametraal tegenovergestelde opvattingen. De Vooys, Van Haeringen en de meesten menen dat er een A.B. bestaat in deze geest dat een groot aantal beschaafde Nederlanders een vrijwel gelijke groeptaal spreken 1   die zij van elkander overnemen, terwijl deze groep een steeds groter eenvormigheid nastreeft. 2   Overdiep en Kloeke leggen echter alle nadruk op de regionale en persoonlijke verschillen. 3   G. Kloeke Over provincialismen DBNS 3, 109 vlg. is van mening dat allerlei regionale bijzonderheden die in een streek enigszins algemeen en daar ook bij beschaafden in gebruik zijn (bijv. -en in auslaut) ‘tot het taalbezit van beschaafd Nederland’ behoren. Overdiep meent, dat geen twee Nederlanders die in beschaafde kring spreken, gelijk spreken en verwerpt dan ook het bestaan van algemeen beschaafd. ‘Ieder individu beschikt a priori over een in- en aangeboren, locaal, sociaal en familiaal karakteristieke taal’, ‘de taal van zijn natuurlijke gemeenschap’, zijn eigenlijke moedertaal, zijn eigen taaleigen of tongval. Bij iedere Nederlander is dan zijn algemeen beschaafd deze ‘taal van zijn natuurlijke gemeenschap’, welke hij modelleert naar de geschreven taalvorm, de zgn. Ned. schrijftaal.

Terwijl Kloeke naast het volgens hem eigenlijk niet eens bestaande A.B. ook nog op een zgn. regententaal of villataal wijst, heeft men in Zuid-Nederland eigenlijk al weer een derde vorm van beschaafd Nederlands, die naast onderlinge verschillen, toch ook een vrij sterke eenheid kent. 4  

 1  Bij herhaling tracht Van Haeringen te bepalen welke regionalismen toelaatbaar zijn, bijv. in: Eenheid en nuance in beschaafd Nederlandse uitspraak (NTg 18, 65 vlg. en Neerlandica 9 vlg.) en Dialect en cultuurtaal BMDC 13, 13 vlg.
 2  Zie voor het streven naar een ongeschakeerde cultuurtaal in Noord-Nederland: R. Kuitert, Verliest de Nederlandse cultuurtaal streektaalschakering? NTg 48, 28 vlg.
 3  H. Arink geeft in DBNS 3, 17 en 87 een opsomming van noordoostelijke provincialismen.
 4  Zuidnederlanders als Pauwels en Blancquaert verzetten zich tegen het specifiek Hollandse Nederlands; cfr. Zestig jaren onderwijs en wetenschap aan de faculteit van de wijsbegeerte en letteren der Rijksuniversiteit te Gent 1952, 134-135; E. Blancquaert, Nederlands in Noord en Zuid in: Akademie-dagen VII, 132 vlg.; J.L. Pauwels, In hoever geeft het Noorden de toon aan? in Nu nog, 2e jaarg. Nr. 4 blz. 1-9.


[p. 53]

In de meeste gevallen 1   ontstaat een κοινη of Algemeen Beschaafd of hoe men het noemen wil niet als een welbewuste vermengingspoging waarbij men uit allerlei dialectelementen een aanvaardbaar Kleinst Gemene Veelvoud tracht op te bouwen 2  , maar door onvermijdelijke navolging van het dialect van een streek die in enigerlei opzicht (cultureel, politiek, literair, economisch, kerkelijk) de toon aangaf. 3  

Ten onzent was in de M.E. eerst het Vlaams en later het Brabants op weg deze rol te vervullen. De rederijkerij, de drukpers, hervorming en humanisme dreven naar de eenheid. Maar een historisch feit, belichaamd in de val van Antwerpen, maakte dat Holland uiteindelijk de leiding nam. Toch toont bijv. de Amsterdamse en Haagse volkstaal van de 17e en 18e eeuw een heel ander karakter dan ons A.B. Klank-vormen als beuk, met, af, bracht, rat, zal, liggen, zilver, spelen, kunnen daar niet uit afkomstig zijn. Ten dele zijn het gesproken Zuidnederlandse, ten dele schrijftaalvormen. Heeroma denkt ook aan Utrechtse expansie 4  .

Er is echter ook rekening te houden met een sterke invloed van de taalbouwers. Zie hiervoor Hellinga. In TT 4, 32 vlg. wijst J. Leenen erop dat keldermot noch kikvors Hollandse woorden zijn. Hij meent dat deze keuze eer door eufemistische dan door chauvinistische redenen bepaald is. Hoewel de klaproos langs de hele kust kankerbloem heet (Roukens 364), is dat woord ook niet in het A.B. gekomen, blijkbaar om dezelfde redenen. Dat de A.B.-benaming van de mathaak niet Hollands is (cfr. A.H. van Vessem, Oogstgerei-benamingen 1956, tegenover blz. 124), komt natuurlijk doordat het hele begrip daar ontbreekt. Overigens blijkt ook het woord erf niet Hollands te zijn. Cfr MCC, nr. 9 blz. 10-11. Zo komt ook het A.B.woord wendakker niet uit het Hollands maar uit de dialecten van Groningen en Drente; cfr. W.G. Rensink, De wendakker MCC XIII, 14. Het is trouwens begrijpelijk

 1  Zie voor Duitsland Mitzka 100.
 2  Ten onzent probeerden dat bijv. Hinne Rode, Utenhoven, Johan Cnobbaert (zie voor Cnobbaert Ts 70, 197) en Pontus de Heuiter. Hinne Rode schreef in de voorrede van zijn vertaling van het NT van 1525: ‘onse meyning was niet heel Hollants ofte Brabants, mer tusschen beyden, op 't kortste en reynste na onsen vermogen een gemeyn spraeck te volgen, die men all Nederlant doer lichtelick solde mogen lesen ende verstaen.’ Vgl. ook U. Jacobsson, Phonological dialect constituents in the vocabulary of standard English, Lund Studies in English 31.
 3  Vgl. Wezen en waarde 9 vlg.
 4  Vgl. Kloeke in Jrb. v.d. Mij. der Ned. Lett. te Leiden 1936-37, 6; G.G. Kloeke, Haagse Volkstaal uit de 18e eeuw Ts 1938, 15 vlgg; Hellinga passim.


[p. 54]

dat een dergelijk woord uit een landbouwgebied komt en niet uit een veeteelt- of tuinbouwgebied, wat Holland voor een groot gedeelte is.

Regionale talen bestaan in Nederland niet. Zie hiervoor bijv. P.C. Paardekooper, Internaatstaal TT 2, 31 vlg., die aantoont dat er op de Limburgse internaten geen κοινη ontstaat maar dat ieder zijn dialect wat vervlakt, hoewel het ook voorkomt dat Noordlimburgers kenmerken van Zuidlimburgers overnemen. Zie verder over de vraag van het Algemeen Limburgs TT IX 171. Wel schrijven P.J. Meertens-B. Wander, Bibliografie der dialecten van Nederland 1800-1950, 1958 blz. IX: ‘Er is met name in het Gronings sinds enige tijd een strekking om tot een algemene Groningse schrijftaal te komen.’ Zie ook J.F. Steenhuis, De omgangstaal en de literaire taal der Groningers TT VIII 133 vlg. Zie voor Duitsland Mitzka 87 en 96 vlg.

§ 11. Belang der dialectstudie

Lit.: Wezen en waarde; Oriëntatie 7-12.

Hoewel het dialect soms oorzaak kan zijn van niet verstaan of noodlottig misverstand (zie hiervoor Ned. dial. 3), zal men doorgaans niet de dialectstudie met een polyglottisch doel beoefenen. Het hoofddoel van de studie der dialecten en haar voornaamste bestaansreden is het geheel van de taalwetenschap. Naast de weinige cultuurtalen leveren de overtalrijke, onderling sterk verschillende dialecten zulk een overvloed van klanken, vormen, syntagmata, woorden en woordbetekenissen, dat de gegevens uit de cultuurtalen er volmaakt door overschaduwd worden. Op bijzondere wijze nog blijkt hun belang, als men overweegt, dat men met gesproken teksten te doen heeft en dus toegang heeft tot accent, ritme en klankkleur, die uit geschreven teksten bijna niet te benaderen zijn.

Historische klankleer, etymologie 1  , onomastiek 2  , ja de hele historische 3  , de comparatieve 4   en de algemene taalkunde 5   hebben aan de

 1  Zie C.B. van Haeringen in Album Grootaers 110 vlg. Een voorbeeld waar de dialectologie een etymologie moet bewijzen levert B. van den Berg, De namen van de klaver, NGN 14, 183 vlg. Zie ook § 13.
 2  Zie K. Roelandts Dialectologie en onomastiek in Album Grootaers 159 vlg.; V. Verstegen, Toponiemen te Mechelen aan de Maas en plaatselijk dialect, in Feestb. v.d. Wijer; A. Stevens Toponymie en dialektologie ibid. en E. Dewolfs, Over de waarde van den dialectischen vorm der plaatsnamen in: Eigen schoon en de Brabander 26, 193-203.
 3  Zie verder Oriëntatie 7-8. Kooiman meende in zijn proefschrift over de Twespraack dat het gebruik van men + meervoudige persoonsvorm, dat aldaar blz. 95 vermeld wordt ‘alleen om den wille van het rijm te verklaren is’. Wie echter weet dat het verschijnsel ook thans nog in N.-Holland voorkomt zal hier anders over denken.
 4  De dialecten hebben vaak overigens in onbruik geraakte vormen bewaard, b.v. menaar ‘elkaar’ (Sassen 138), Nieuwschoonebeeks leiers ‘wangen’ (DBNS 2, 85-86), zeere ‘vlug’ (De Bo 1228), stappans, (Koenen-Endepols, Verkl. Handwb.23 i.v.).
 5  Dit blijkt bijv. uit het artikel van Dols in OT 9, 193 vlg. en van Van Wijk in OT 9, 229 vlg.


[p. 55]

dialectologie de grootste verplichtingen. Men zou zich kunnen afvragen of De Saussure, die eigenlijk als de grondlegger van de moderne taalwetenschap doorgaat, in de ontwikkeling van zijn gedachten niet door Gilliéron beïnvloed is. Van 1883-1891 toch hebben zij beiden aan de Ecole des hautes études te Parijs gedoceerd en Gilliéron wordt in De Saussure's Cours de linguistique générale tweemaal met name genoemd.

Het nut voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de cultuurtalen blijkt alleen reeds als men de problemen van het Afrikaans wil benaderen. Kloeke heeft in Afrikaans uitvoerig de Zuidhollandse dialect gegevens gebruikt ter reconstructie van de geschiedenis van het Afrikaans. Zie echter ook J. du Plessis Scholtz, Oor die herkoms van Afrikaans 1950, TT 5, 192, E. Blancquaert in Tijdschrift voor Levende talen XVII, I, 1 vlg., J.L. Pauwels in LB 41, 95-106, C.B. van Haeringen in NTg 43, 182. Voor het Culemborgse aandeel lette men ook op hölle bij Ausems 89. De Afrikaanse stemhebbende h zou men uit het westvlaams of zeeuws kunnen verklaren. Zie voorts mijn opmerkingen in Forum der Letteren, 1960, 211.

Soms dient de taalgeografie om de ouderdom van woorden te bepalen. In het oosten van Duitsland komen allerlei woorden voor die blijkens de huidige Nederlandse dialecten van Nederlandse oorsprong moeten zijn. Omdat de kolonisatie daar uit de 12e eeuw dateert, moeten de betrokken woorden dus ook in het Nederlands zo oud zijn, al zijn ze pas laat geattesteerd. Dit geldt bv. van oostndd. herenmuos, hermôs dat een voortzetting is van ndl. hermoes, dat zelf pas in de 17e eeuw is opgetekend; cfr. Foerste 85 + krt 28).

In Oriëntatie 8 betoogde ik dat ook de synchronische studie van de cultuurtaal en de vaktalen de dialectologie nodig heeft.

Daarnaast hebben de dialecten hun nut voor het interpreteren en localiseren van teksten; cfr. A. van Loey, Tekstcritiek en dialectologie HCTD 11, 293 vlg. en Roukens 122, 164. In VMVA 1958 maart

[p. 56]

april onderzocht L. van Puyvelde de taal van Jan van Eyck om na te gaan of de traditie dat hij uit Maaseik kwam juist is. J.A. Kolkhuis Tanke schreef in een scriptie dat bij Lucebert meer dan eens alliteratie tussen stemhebbende en stemloze medeklinker (bv. vacht-fakir, in het gedicht aan de tropische pool uit de bundel Val voor Vliegengod) voorkomt. Ter verklaring diene dat Lucebert in Amsterdam geboren werd. Vooral de taalgeografie, de studie van de leenwoorden en van de inwendige taalbouw verschaffen gegevens voor de historie. Op grond van het eerste deel van de naam besluit A.H. van Vessem, Oogstgereibenamingen 1956, 177 dat de mathaak eertijds bij het maaien gebruikt is. Ook op blz. 130, 139-140 en 183 van dat boek wordt uit de naamgeving de cultuurhistorie opgebouwd. Uitgaande van de vaak geconstateerde samenval van isoglossen met andere grenzen kan men de dialectologie van belang achten voor de kennis der cultuurkringen. R. Weisz staat echter op het standpunt dat de dialecten minder cultuurkringvormend zijn dan men gemeend heeft (Album Grootaers 247).

Tenslotte openbaart ons de studie van de inwendige taalbouw het wereldbeeld van de sprekers en is (in theorie) het dialect dus een kennisbron voor de geestesgeaardheid, de volksziel, de som van de typische gevoels-, wils- en verstandsdisposities van zijn sprekers. Dat we ons hier echter op glad ijs bevinden, mag niet verheeld worden. Bach zegt ervan: ‘Hier scheint mir für den Anfänger in der Mundartforschung kein Betätigungsfeld zu sein, sondern nur für einen Gelehrten von umfassenden sprachlichen, historischen und volkskundlichen Kenntnissen und stärkstem Einfühlungsvermögen.’ Zie verder § 21.

Tekenend is dat toen men in het Belgisch-Nederlands Interuniversitair centrum voor neerlandistiek de wens naar een vervolg op Van Haeringens Netherlandic language research uitte, men dacht aan de overzichten van de Nederlandse dialectstudie in de HCTD en dat men ook voorstelde die met enige uitbreiding als zodanig te laten fungeren, welke wens ook gedurende enige tijd vervuld is.

§ 12. Taalgeografie

Lit.: K. Jaberg, Sprachgeographie 1908, A. Dauzat, La géographie linguistique (1922), E. Gamillscheg Die Sprachgeographie 1928, K. Jaberg, Aspects géographiques du langage 1936, G. Bottiglioni, Linguistic geography: achievements, methods and orientations in Word 10, 375 vlg., Vidos blz. 43 vlg., Oriëntatie 9, Bloomfield, Chapter 19 Dialect Geography.


[p. 57]

Het eerste voordeel dat de taalgeografie bracht, waarover wij reeds in § 1 gesproken hebben, was dat men daarbij eigenlijk beschikt over veel meer gegevens. Daarbij komt dat ingeval van een minder juiste opgave het kaartbeeld meteen controlerend werkt (Handleiding 25, vlg., ook Ts 72,72).

Vervolgens bleek het ruimtelijke beeld zeer suggestief voor verklaringen. Samenval met andersoortige grenzen vormde een aanwijzing voor causaal verband; zie hiervoor de § § 14 vlg. 1   Concentrische isoglossen doen een gemeenschappelijk uitstralingspunt vermoeden. Het feit dat nees voor ‘neus’ alleen in de bekende ontrondingsgebieden voorkomt, bewijst dat het woord niet op *nasi maar op *nosi teruggaat (OT 2, 88-89). Het ontstaan van het -(t)je-suffix uit -kîn wordt ook waarschijnlijk gemaakt door de taalgeografische toestand. Want niet alleen liggen er vaak in het -(t)je-gebied -ke-relicten, maar hoe meer de voorafgaande consonant de palatalisatie bevordert, des te kleiner wordt op de kaart het ke-gebied; cfr. Pée I 59.

Veel van wat diachronisch na elkaar moet zijn gegroeid, vindt men synchronisch in het taallandschap naast elkaar, zodat de chronologie te onderstellen valt uit de plaats op de dialectkaart; cfr. NTg 47,1.

In Bloemnamen 281 vlg. vindt men een voorbeeld dat de taalgeografie leert in welke betekenis een woord is ingevoerd en K. Jaberg, Aspects géographiques du langage 1936, 62 gebruikt de taalgeografie om de genealogie van de betekenissen bij een bepaald woord op te stellen.

Belangrijk is de taalgeografie ook voor het constateren van contaminaties. Daarnaast ontmaskert zij schijnbaar bandeloze metaforen als tamme volksetymologieën. Wij komen daar in de volgende § op terug. Dupont bracht in het Album Grootaers 81 vlg. onder een wat gezochte titel voorbeelden bijeen van bizarre zegswijzen die hun ontstaan danken aan synoniemen van homoniemen en achtte voor de opsporing eveneens de taalkaart belangrijk. Duidelijk gaf de taalgeografie als het ware de proef op de som voor veronderstelde reacties op polysemie, homonymie, al te geringe omvang van woorden, verschuivingen in het phonologisch systeem en dergelijke, cfr. § 26.

De taalgeografie heeft ons verder bijv. over de verschijnselen in de grensgebieden ingelicht. Men zie bijv. K. Jaberg, Aspects géographiques du langage (1936). Wij komen daar nog in § 23 a op terug maar geven hier reeds als voorbeeld de benamingen van de ‘schommel’ in Noord-Brabant.

 1  Overigens blijft het een feit dat men voor vele isoglossen nog steeds geen overeenkomstige grenzen heeft gevonden; cfr. Sassen 349.


[p. 58]

In de Meierij wordt deze vrijwel algemeen stuur genoemd, in Westelijk Noord-Brabant touter. Op de grens van die twee massieven verschijnt echter een verbluffende stalenkaart: snuur, kog, ooier, slingerschommel, tichel, stoelder, wipper, zwiermeulen, stuurel.



Kaart 1 - Schommel

 

Belangrijk is ook de volgende constatering van K. Jaberg, Aspects géographiques du langage 1936, 98: ‘Le mouvement morphologique une fois déclenché, se propage d'autant plus facilement que, dans une petite aire, le frein de la tradition agit moins que dans une grande aire òu les rapports entre voisins sont plus fréquents et plus variés.’

Ook kan men op de taalkaarten waarnemen dat oude dialectische verschijnselen bij isolering gemakkelijker blijven leven. Mej. Daan vond in TT 6,73 de ontronding in aardappelput op groter terrein dan in het simplex put. Ik meen trouwens ook dat waar pit in westelijk Noord-Brabant niet meer voorkomt, mispit er wel bekend is. J. Leenen TT 4, 32 vlg. is van mening dat hoe bekender en gebruikelijker het begrip is, des te scherper de grenzen zijn en hoe minder vast omschreven en minder gebruikt, des te vager de grenzen.

K. Jaberg, Aspects géographiques du langage 1936, 62, heeft vastgesteld, dat, terwijl in een aantal noorditaliaanse dialecten capo niet alleen voor ‘hoofd’ maar ook voor ‘naaf van het wiel’ gebruikt wordt, aangrenzende dialecten de ‘naaf’ ook wel testa noemen. Hij ziet dan het laatste als gevolg van het eerste en wijst erop dat de conclusie dat we hier met polysemie en niet met homonymie te doen hebben, juist door de taalgeografie beslist wordt.



[p. 59]

Voorts haal ik nog Paardekooper aan, waar de auteur wars van metalinguistiek, enerzijds schreef: ‘essentieel voor de taalkunde is de taalgeografie beslist niet’, maar enkele bladzijden verder met zichzelf in tegenspraak kwam toen hij schreef: ‘Voorlopig lijkt de conclusie gerechtvaardigd: wat qua isoglos samenvalt is meer verwant als wat dat niet doet. ... Zo kán het isoglossenverloop ons dus aanwijzingen geven over de bouw van het taalsysteem’ (Paardekooper 15.0.1 en 15.1.31).

Vanaf het begin heeft men de resultaten der taalgeografie in verband gebracht met de opvattingen omtrent de klankwetten. De neogrammatici hadden in die klankwetten heilig geloofd. Zij hadden n.l. geconstateerd dat bij verwante talen aan een klank uit de ene taal onder gelijke omstandigheden een bepaalde klank in een andere taal beantwoordt: als bijv. in Ned. woorden tussen twee klinkers een v staat, staat daar in de verwante Duitse woorden b: over: ober, leven: leben, geven: geben, draven: traben, snavel: Schnabel. A.W. de Groot, Inleiding tot de algemene taalwetenschap 1962, 376 definieert een klankwet als ‘een formule voor een regelmatige correspondentie van een kenmerk van woordvormen in de gegeven taal met een kenmerk (of de afwezigheid van een kenmerk) van verwante woordvormen in een verwante taal’. Deze regelmatigheden hadden geleid tot het aannemen van (diachronische) klankwetten en men meende dat die ‘ausnahmlos’ werkten. Als men uitzonderingen tegenkwam, kon men praktisch altijd bewijzen, dat die dan gehoorzaamden aan andere klankwetten die de bedoelde kruisten of dat ze gevolg waren van analogie of ontlening. Maar nu bewees de taalgeografie (hoewel Wenker het juist andersom verwacht had), dat die Ausnahmslosigkeit een fictie was, want uit haar materiaal bleek duidelijk, dat de isoglossen voor de afzonderlijke woorden van een zelfde klankwet praktisch nooit geheel samenvielen. Dat toonde bijv. P. Meyer reeds duidelijk aan in Romania 4, 294-296. Kloeke 41 vlg. maant echter in De dialecten en de klankwetten tot bezinning dat de dwang van de klankwetten toch nog altijd de hoofdrol speelt bij de dialectontwikkeling (zie ook ibid. 13) en Mitzka 15 wijst erop dat het typisch is dat sommige isoglossen over enige afstand deel van een bundel uitmaken, terwijl ze elders volkomen eenzaam lopen. Bottiglioni in Word 10, 380 constateerde dan ook: ‘we can say that the phonetic law or, better, the phonetic series, which had been driven out through the door came in again through the window’. Het is echter een feit dat bijv. pronomina en hulpwerkwoorden zich niet aan de klankwetten storen. In ieder geval heeft men in

[p. 60]

de grensgebieden van praktisch al de isoglossen vele dorpen die voor dezelfde oude klank nu eens deze dan gene representant vertoonden. Wanneer men bijv. bij Pée voor de verschillende woorden de isoglosse van de verkleinwoordsuitgang nagaat, blijkt dat er wel overal ongeveer, maar nergens volkomen samenval der isoglossen is. Een mooi voorbeeld leveren de woorden met ogerm. ô + umlautsfactor in westelijk Noord-Brabant.



Kaart 2 - wgm. ô + umlautsfactor

 

Janssen 105 en 106 toont dat in het oosten van Noord-Brabant de grens tussen ui en uu niet bij alle woorden eender verloopt. Het hele boek bewijst overigens hetzelfde voor de grens tussen oe en uu voor oude û. Trouwens ook uit Kloekes Holl. Exp. blijkt dat de grenslijn tussen huus en hoes in heel Oost-Nederland veel oostelijker loopt dan die tussen muus en moes. Zie voor verdere vbb. Onderzoek 2, Duponselle krt. 12. Het verwondert ons nu niet dat, waar de isoglossen van nauw aan elkaar verwante verschijnselen niet meer geheel samen vallen, bij minder aan elkaar verwante isoglossen nog grotere onderlinge afwijkingen in hun loop naar voren komen. In zijn Bijdrage tot de

[p. 61]

kennis van het geslacht der substantieven in Zuid-Nederland (1938) wijst J.L. Pauwels erop, hoe geen twee plaatsen op zijn kaart (behalve als ze van één inzender zijn) volkomen dezelfde woordgeslachten vertonen.

Hiermee hangt nu een andere vernieuwde opvatting samen, zoals wij reeds zagen in § 7. Voorheen had men met Ascoli, Gröber en Gauchat gemeend, dat de dialecten compacte geïsoleerde gehelen waren, waarvan men de grenzen nauwkeurig kon bepalen. Maar nu bewees de dialectgeografie dat de isoglossen zelfs van de meest verwante verschijnselen over grotere afstand niet geheel samenvallen en zo bleek de vroegere simplistische opvatting over het bestaan van de dialecten dus onjuist. En zo komt men tot de reeds in § 7 gesignaleerde opvatting dat er alleen dialectgrenzen bestaan inzoverre er isoglossenstrengen zijn die, over overgangsgebieden lopend, de kerngebieden van elkaar onderscheiden. Als voorbeeld volgt het overzichtskaartje uit Onderzoek.


 


 



Kaart 3 - Overzichtskaart der isoglossen in Noord-Brabant

 

§ 13. Taalgeografie en etymologie

In DBNS 8, 38 bevindt zich een voorbeeld van het feit dat een geografisch bijeenliggen van vormen voor identiciteit pleit.

Vaak levert het kaartbeeld het bewijs dat men met een contaminatie

[p. 62]

te doen heeft, doordat de betrokken vorm op de grens van de twee veronderstelde componenten voorkomt, of wanneer de ene component de cultuurtaalvorm is, in het gebied van de andere component. De ‘vlinder’ heet in een deel van Midden-Limburg (Buchten, Guttecoven, Munstergeleen en Limbricht) roepepel, ten noorden, bijv. in Roosteren en Susteren, roevogel, zuidelijk ervan pepel. Met recht mag men derhalve roepepel, omdat pepel in zijn geheel een ontlening voor ‘vlinder’ is en er dus in oorsprong geen roe bij thuishoort, met het oog op zijn ruimtelijke ligging een contaminatie noemen van roevogel en pepel.



Kaart 4 - Vlinder

 

Heeroma heeft in De Nederlandse benamingen van de uier HCTD 10, 113 vlg. de vormen voor ‘uier’ die met g aanvangen: gier, geer, gedder enz. willen verklaren als samenstellingen met een prefix gi/ga- dus als ge-uier-te (in oudere vorm bijv. * gi-eudr-ia-). Daar is C.B. van Haeringen tegen opgekomen in HCTD 11, 325 vlg. Hij beschouwt geer, geier, gidder, enz. als identiek met mnd. en os. geder, dat hij als rechtstreeks afkomstig uit íeder ziet, welk woord ook Fries-Gronings jaar en jaor opleverde. Eveneens beschouwt hij (en daar gaat het ons nu om) Noordlimburgs ier als rechtstreeks uit íeder ontstaan en gier als contaminatie van geer met ier, wat, gezien het feit, dat gier tussen twee geer-gebieden ingesloten en zeer dicht bij ier ligt, heel aannemelijk is. Voorts liggen op de ‘uier’-kaart in het zuidoosten van Drente een klein gebied met juur en een ander klein gebied met judder. Noordelijk hiervan, in Noord-Drente, zegt men uur. En daar nu vlak in de buurt, in de stad Groningen, het Oldambt en soms in Westerwolde jidder voor de ‘uier van het geslachte beest’ in gebruik is en in het Stellingwerfs udder voor ‘speen’, pleit het kaartbeeld er niet tegen, als men in judder een contaminatie van jidder en udder en in juur een contaminatie van jidder en uur ziet.

In een klein gebied ten zuiden van onze provincie Limburg: Moelingen, 's-Gravenvoeren, St.-Maartens-Voeren, St.-Pieters-Voeren en

[p. 63]

Aubel zegt men voor ‘negen’: neuge, nuuege en njugge. Westelijk sluit hierbij aan Nederlands negen, dat op oud *nigun teruggaat, oostelijk nuung en nuun, welke evenals hgd. neun van *niune afkomstig zijn: cfr. Welter Abb. 38. Ook hier is blijkbaar contaminatie in het spel.

Op Kloekes kaart van de ‘keldermot’ in: Ts 58, 109 vlgg. is er ook een grote oogst van contaminatie- of compromisvormen te halen. Op de grenzen van Noord- en Zuid-Holland komen piszeug en piszogge voor: contaminaties van Noordoostbrabants-Westgelders-Utrechts kelderzog en Zuidhollands-Zuidnoordhollands pissebed; verrekeszeujg in Schijndel is een niet bevreemdende contaminatie, als men ziet, hoe Schijndel omringd wordt door dorpen met wild verken en kelderzeug. Op de grens van de Groningse muurloes- en stainmot(te) -gebieden vindt men in één plaats stainloes, duidelijk dus een contaminatie. Compromisvormen zijn ook de kelderkrobben, die men weer juist vindt op de grens van het stienkrobbe- en keldermotte-gebied. Verder ziet men dat op de grens van het muurloes- en het krobbe-gebied in West-Groningen in twee plaatsen het compromis muurkrobben voorkomt. In al deze gevallen bewijst het kaartbeeld dat men compromis-vormen heeft.

In OT 9, 308-310 wijst Van Ginneken als contaminaties aan: kikvors gelegen tussen kikker en vors en kwakvors tussen kwakkert en vors (zie ook TT 4, 35). Gronings sprotter, sprötter ‘spreeuw’ is een contaminatie van Gronings sprao en Fries protter; BMDC 10, 34. Zuidlimburgs mutsel ‘mutsaard’ moet een contaminatie zijn tussen mutsaard en hetsel, waar mutsel vlak bij ligt; cfr. HCTD 13, 361. Vorsselaar en Grobbendonk kennen petappel, wat een contaminatie moet zijn van patat en aardappel; cfr. Lecoutere-Grootaers6 nr.92. In Holwerd heet de reiger [ilstriγl]. Hof 89-91 ziet dit als een contaminatie van [i.lsriγl] en het te Marrum en Wanswerd voorkomende [i.lstrò:t].

Verdere vbb. waar het kaartbeeld de contaminatie bewijst, vindt men TT 2, 14, OT 9, 306, TT 5, 99 (hier zijn misschien meer mogelijkheden), BMDC 15, 56, Roukens 333, NTg 47, 14; zie ook nog pos bij Roukens 397 en de kaart van de zolder boven de koestal (Taalatlas 7, 5) (wat betreft koeietilt en delf).

Interessant zijn ook de volgende gevallen: verlierze voor ‘verliezen’ te Goeree, Ouddorp en Oud-Beierland, grenzend aan enerzijds verlieze, anderzijds verliere (OT 7, 265, Opprel 46); azn = congruerend ‘als’, gelegen tussen as en an (TT 1, 43 vlg.).

Te ver is Leenen gegaan toen hij aud zag als compromis tussen oud en ald, mous tussen moes en muis, aad tussen aald en oud; mous is

[p. 64]

immers volledig klankwettig te verklaren (cfr. § 57) en Leenen ziet elders de Zuidbrabantse monoftongische producten als regelmatig uit diftongen ontstaan; cfr. BMDC 9, 3-4. Een ander voorbeeld waaruit blijkt dat men de methode voorzichtig moet toepassen, toont stiekelvarken ‘egel’, dat in het Stellingwerfs en in de kop en het noorden van Overijsel voorkomt. Naarding 195 beschouwt deze vorm wel ten onrechte als een contaminatie van Fries stikelbaerch en iggelvarken. Zie voor een heel andere verklaring Heeroma in DBNS 6, 36. Ook de verklaring van toet als contaminatie bij Roukens 397 lijkt mij onjuist.

Zie voor contaminaties ook J. de Vries in Ts 48 blz. 173 en 179. Voorlopig geloof ik echter dat hij de voorbeelden daar niet goed verklaard heeft.

De taalgeografie verschaft soms het bewijs dat een bepaalde vorm geen metafoor, doch een pseudo-metafoor is, het product van volksetymologie (Gilliéron noemt dat: homonymische attractie). Dat bewijs bestaat dan hierin dat er, vaak vlak in de nabijheid en ruimtelijk in overeenstemming met de chronologie, de tussenvormen te vinden zijn. De ‘klit’ wordt in sommige Franse dialecten renard of peigne de renard of peigne de loup genoemd. Wat die wolven en vossen ermee te maken hebben, verklaart ons de vergelijkende dialectstudie. In een gedeelte van Oost-Frankrijk zijn, aanvankelijk voor de kopjes van de klit maar later voor de plant zelf, verkleinwoorden van peigne ‘kam’ in gebruik gekomen, bijv. peignon, peignette, peignolot, dit laatste in dialectvorm: pinjoloe. Nu verstond men dit woord echter op de duur als samenstelling: peigne au loup en interpreteerde dus de ‘wolf’ binnen in de uitgang -olot. De naam veranderde nu verder in peigne de loup en door associaties kwam men zelfs tot peigne de renard, ja uiteindelijk tot renard. Wie nu zulk een renard ‘klit’ zou willen verklaren, zonder rekening te houden met de omgeving waarin het woord te vinden is, zou waarschijnlijk de volksfantasie voor verschijnselen verantwoordelijk stellen waar in laatste instantie een gebeuren van zuiver fonetische aard ten grondslag ligt; cfr. E. Gamillscheg, Die Sprachgeographie (1928), 25-26.

Ongeveer gelijk is het gesteld met knoldoore voor ‘kruisbes’. Ogenschijnlijk is deze naam afkomstig van de hele plant, die èn naar haar stekels èn naar haar op knolletjes gelijkende vruchten benoemd zou zijn. Maar de geografie leert ons een geheel andere etymologie. Het woord knoldoore komt namelijk voor in Raamsdonksveer, Raamsdonk, Waspik en Capelle. Daarbij sluit aan knoddoore/knoddoorie in Vrijhoeve-

[p. 65]

Capelle, Sprang, Loonse dijk en het Kaatsheuvels Tweede Straatje. Verder gaf Kaatsheuvel knöddoore en het Loons Hoekske: knöddoore + knösdoore; daarnaast bestaan nog kruisdoore in Waalwijk en Baardwijk en verder kruidoore in de grote noordelijke helft van West-Noord-Brabant. In overweging genomen de algemene wet, dat de oudste vormen aan de periferie liggen, is de ontwikkeling hier duidelijk. De


Kaart 5 - Kruisbes

 

oudste vorm is natuurlijk kruisdoore, nog over in Waalwijk en Baardwijk. Prachtvoorbeeld dat bij dit oorspronkelijk Hollandse woord de oudste vorm het verst naar de periferie verdrongen is. Uit dit kruisdoore ontstond kruidoore, zoals ook uit Noordbrabants neusdoek ‘omslagdoek’ in Haarsteeg neudoek en bij verkorting in Vlijmen nuddik. Eveneens kwam uit kruisdoore door een zeer gewone verandering *knuisdoore, dat verkort werd tot knösdoore en verder veranderde in knöddoore; knoddoore is eveneens ontstaan doordat kr in kn veranderde. Ook de o in knoddoore bezorgt geen moeilijkheden; zo kreeg ik ook in Bosschenhoofd voor kruiwagen krowagen. Uit dit knoddoore is dan tenslotte door volksetymologische invloed van knol knoldoore ontstaan. Het kaartbeeld is hier dus een veilige gids bij het opspeuren der etymologie.

Het woord kernoelie voor ‘kruisbes’ moet eveneens in het licht van

[p. 66]

de omgevende vormen als een pseudometafoor beschouwd worden; cfr. TT I, 118.

Andere gevallen waarbij de pseudometaforen door de taalgeografie ontmaskerd worden, leveren HCTD 4, 141 vlg. (pieternelleken < pimpernelleken, olifant < oliediertje, kapelleken < koppulleken, enz.), Heeroma, Oostned. taalproblemen 1951, 229 vlg. (vouw, ‘knieholte’ < waai), TT 3, 67 vlg., HCTD 12, 147-148 (kelderzog en keldermot < *kilderzog dat zou betekenen: zwangere, jongen dragende zeug, got. kilpei), HCTD 5, 283 vlg. (kraktand < kaktand, bauktand < baaktand, bakkestand < baktand). Zie ook Bloemnamen 200, 234, 264, 172, enz. Zie voorts voor volksetymologie en pseudometaforen: J.L. Pauwels, Over dialectologie VMVA 1957, 253 vlg.

De hoge waarde van de taalgeografie voor de etymologie wordt ook duidelijk bij de studie van aker ‘emmer’. Het WNT geeft de voorkeur aan verband met got. ahva en kas kaar. Daar het woord echter juist in geheel Zuid-Nederland leeft, bewijst de taalgeografie dat het een romaans leenwoord is en kon Frings terecht spreken van ‘ein Musterbeispiel der Faillite de l'étymologie phonétique’; cfr. LB 36, 46. Frings 97 noemt verschillende gevallen waar de woordgeografie de etymologie te hulp komt. Duidelijk wordt de romaanse herkomst van pui door de taalgeografie bewezen; cfr. Frings 152-153.

§ 13a. Dialectologie en klankwetten

De ‘Ausnahmslosigkeit der Lautgesetze’ is om zo te zeggen het dogma van de neogrammatici geweest. Onder de zware invloed van de natuur-wetenschappen hadden zij de geconstateerde gelijkvormigheid in de klankontwikkelingen een volstrekte waarde toegekend. En toen Wrede het plan voor de DSA ontwierp, deed hij dat nog met het uitdrukkelijke doel, het bewijs van de Ausnahmslosigkeit te leveren. Het resultaat beantwoordde echter niet aan de verwachtingen. De vermeende samenval der isoglossen bleek geen werkelijkheid.

Soms lijkt het wel alsof ieder woord zijn eigen kaartbeeld heeft. Wij zagen dat reeds in par. 12.

Zo bleek bij de ontwikkeling van ogerm. χs enerzijds tot s, anderzijds tot ks de isoglosse bij sechs noordelijker te lopen dan bij ochse en die isoglosse weer noordelijker dan die van wachsen. Bij Schirmunski p. 120 vindt men de verklaring hiervan volgens het bekende recept: sechs bewoog zich als telwoord het snelste, ochse als woord voor een handelsobject nog vrij snel, wachsen als neutraal woord blijft achter.

[p. 67]

De conclusie bij Schirmunski 120-121 is: ‘In einer, im gegebenen Fall sehr breiten, Zwischenzone ist also die Gesetzmäszigheit der Lautreihe (das ‘Lautgezetz’) aufgehoben’.

Is hiermee nu de Ausnahmslosigkeit der Lautgesetze ten val gebracht? In ieder geval lijkt het mij zeker dat klankontwikkelingen die slechts tot extrafonologische variaties leiden, zich zonder uitzondering voltrekken. Zo bv. de o.a. Rotterdamse ontwikkeling van ee en oo tot eej en oow, de idiolectische overgang van r in R, de verkorting van oe, ie, uu behalve voor r, de westnoordbrabantse ontwikkeling van ans tot ãns, de verandering van b, d, g in stemloze b, d, g (Schirmunski 128). Dit is eigenlijk al geconstateerd door Haag. Schirmunski 128-129 zegt hiervan: ‘Die Existenz derartigen Grenzen (scil. grenzen met volledige samenval der isoglossen) wurde von Haag durch eine Direktaufnahme schwäbischer Mundarten festgestellt. Nach Haag bestehen sie dort, wo wir es mit einem lebendigen, noch aktiven (aktuellen) Lautwandel zum Unterschied von einem nicht mehr aktiven (“historischen”) Lautwandel zu tun haben’ (vgl. K. Haag, Sprachwandel im Lichte der Mundartgrenzen’ in: Teuth. 6 (1929)).

Ik meen dat als de klankverschuiving foneemverandering ten gevolge heeft, men in de kern doorgaans minder uitzonderingen heeft dan aan de periferie. Men denke aan de overgang van ft > xt, die de uitzonderingen in Holland en de Meierij vertoont (cfr. par. 79). Bovendien geloof ik dat hoe verder de klankverschuiving in het verleden terugligt, hoe minder talrijk de uitzonderingen zijn (overgang van oerg. z > r).

En als we dan afzien van ontleningen (liften), analogieën (helft) en voorbeelden die tot een chronologisch andere laag behoren (hoofd), kan men het zo zeggen dat de klankveranderingen zelf tengevolge van hun mechanisme de volstrekte neiging hebben om algemeen, d.w.z. klank-wettig te verlopen, doch dat naast de reeds genoemde kategorieën van schijnbare uitzonderingen die klankwettigheid ook gefrustreerd kan worden om klankschilderende redenen (pîpen wordt niet pijpen maar men vindt piepen) of om structurele of duidelijkheidsredenen (schoer ‘bui’ verandert in N.-Holland niet in schuur maar blijft schoer om samenval met een ander schuur te voorkomen).

Dat de klankveranderingen de volstrekte neiging hebben om algemeen, d.w.z. klankwettig, te verlopen, wordt door H. Paul, Prinzipien der Sprachgeschichte5 III Kapittel, Der Lautwandel duidelijk gemaakt. Hij verklaart de klankverandering als het eindresultaat van vele onbewuste kleine veranderingen. Bohnenberger vond dan ook in de dialecten allerlei tussentrappen, met name tussen geaspireerde k en χ.

[p. 68]

Klankverandering dus begint hiermee dat men een klank iets afwijkend waarneemt en als zodanig reproduceert, welk proces zich gedurig herhaalt. Hiermee verandert het bewegingsgevoel. Lautwandel bestaat dus eigenlijk in ‘abweichende Neuerzeugung’. Dat de klankveranderingen de volstrekte neiging hebben om algemeen d.w.z. klankwettig te verlopen, argumenteert Paul a.w. par. 47 aldus: ‘Dass zunächst an dem einzelnen Individuum die Entwicklung sich konsequent vollzieht, muss für jeden selbstverständlich sein, der überhaupt das Walten allgemeiner Gesetze in allem Geschehen anerkennt. Das Bewegungsgefühl bildet sich ja nicht für jedes einzelne Wort besonders, sondern überall, wo in der Rede die gleichen Elemente wiederkehren, wird ihre Erzeugung auch durch das gleiche Bewegungsgefühl geregelt’.

Belangrijk is wat verder door Karl Haag en W. Schirmunski, Probleme der Vergleichenden Grammatik der deutschen Mundarten, in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 79. Band, Sonderband (1957) 351-387 gezegd wordt. Er is nl. bij de klank-veranderingen een wezenlijk verschil tussen kerngebied, randgebied en veroveringsgebied. In de beide eerste ziet Schirmunski klank-wettigheid. In de randgebieden zijn er meestal verschillende fonetisch geconditioneerde ontwikkelingen. Deze kunnen wel de oorspronkelijke verhoudingen van het kerngebied weerspiegelen. Ook daar zal de verandering onder de gunstigste voorwaarden begonnen zijn. In het eigenlijke veroveringsgebied is er geen klankverandering maar woordverbreiding. 1   Stellig kan als een woord binnendringt er fonetische analogie gaan optreden Wanneer essen eten verdringt, kan water de plaats gaan ruimen voor wasser en als offen open verdringt, kan hopen de plaats ruimen voor hoffen. Kranzmayer blz. 13 merkt zelfs op: ‘Gelegentlich kommt es in Kleinräumen zur Übernahme richtiger Lautveränderungen aus der Fremdsprache. Dabei handelt es sich jedoch meistens um Superstrate, um Einsickerungen aus der fremden Verkehrs- in die einheimische Haussprache’. In het ‘Gebirgsvene-zianische’ bv. werd in de 13e eeuw cons. + l > cons. + j: piazza, chiamar. Dit sleepte het Duits van de Dreizehn Gemeinden mee: kioukke < klok.

Daarbij merkt Schirmunski enerzijds op dat woorden met hoge

 1  Bij Kranzmayer, blz. 9 vinden we dezelfde onderscheiding: ‘An (der) Ausnahmslosigkeit können wir bei historischen Lautveränderungen noch jetzt konstatieren, ob sie als fester Lautwandel und dergleichen oder ob sie als Ersatz vor sich gegangen waren. Gibt es Restformen und fehlerhafte Umreihungen, so war es Ersatz, gibt es keine Ausnahmen, so war es Wandel.’


[p. 69]

gebruiksfrequentie zich het snelst verbreiden: telwoorden als zwei, marktwoorden als salz, ook besser (‘Spitzwörter’). Anderzijds blijven er woorden achter, relictwoorden. ‘Es sind vor allem Wörter der intimen oder vulgären Umgangssprache, provinzielle oder professionelle “Idiotismen”, die zum lexikalischen Grundbestande der Nationalsprache nicht gehören und keine schriftsprachlichen Entsprechungen aufzuweisen haben, wie tēf “Hündin”, šnūt “Schnauze”, brōk “Hose”, plūten “Lumpen” und eine Reihe anderer im Ripuarischen. Daneben zählen zu diesen Restwörtern auch schwachtönige Wortformen, wie mfrk. dat, wat, et, dit, ripuar. op, mhd bit “bis” u. dgl.’ ‘In dieser Gruppe von Spitzen- oder Restwörtern gehören die meisten Ausnahmen aus der lautgeschichtlichen Entwicklung, die Gilliéron und Wrede auf ihren Sprachatlaskarten gefunden haben.’

Bergmann, 24 merkt op dat soms als een klank als plat ervaren wordt, de sprekers ‘Zwitterlaute’ tussen de klank van het dialect en de cultuurtaal in spreken. Maar ‘Wörter, die in der Hochsprache nicht vorkommen und deren sprachliche Herkunft (Etymologie) infolgedessen nicht durchschaut wird, sind von dieser Entwicklung nicht betroffen’. Zo kan zelfs in de grote stad broedl ‘damp in de waskeuken’ bewaard blijven terwijl de spreker overigens van koeln op kooln en van oefm op oofm overstapt.

Wanneer de uitzonderingen optreden op de rand van twee verwante dialecten, kan men gemakkelijk de uitzonderingen verklaren als ontleningen uit het andere dialect. Zo kunnen de verschillen in de isoglossenloop der woorden met umlaut op ogerm. ô in WNBr. (zie par. 12) en de verschillen van de isoglossen die in het Frans de overgang van k > sj aangeven, opgevat worden.

Anders echter ligt de zaak als een klankwet een hele taal typeert en er in een bepaald gebied dan toch uitzonderingen zijn. Zo kent practisch heel het nederlands umlaut bij gerekte u (heup, neus, euvel enz.), maar in enkele woorden heeft een groter gebied niet-palatale vormen, bv. komt slotel voor in W.-Vla., Zeeland, en Z.-Holland, molen in N.- en Z.-Holland en Zeeland; koning, dat in het AB wel een oorspronkelijk Hollandse vorm moet zijn. Is hier de verklaring van de onklankwettigheid in de kleine omvang van de betrokken woordrij te zoeken? J. Goossens, Die gerundeten Palatalvokale im niederländischen Sprachraum in: Zs. f. Mf 29 (1962), die dit verschijnsel bespreekt, zegt hiervan p. 327: ‘Wenn die Besetzung der neuen Reihe im Vokalsystem äusserst klein ist, z.B. durch das Vorhandensein eines einzigen Phonems in einer beschränkten Zahl von Wörtern, passt das Phonem, das diese Reihe

[p. 70]