Hoofdstuk V
|
1 Helden en Panningen hebben echter in woorden waar voor de nd (nt) een i staat: njtj.
|
|
vroeger wel gezegd werd. Zie voor Maastrichtse expansie voorts Loon 7, 19, Roukens krt 9, 34, 36, 39, 56, 58 en W. Roukens, De taal der Limburgers 43. Voorts is expansie aangetoond bij bijv. Steenwijk (Sassen 314), Mechelen (TT 6, 166), Nijmegen (Schrijnen passim en TT 4, 114), Rotterdam (De Vin 86), Gent (TT 4, 82), Leuven (TT 5, 94 vlg.), Zierikzee (De Vin 82-86, NTg 46, 228), Brugge (Bloemnamen 257). § 145. De staatsgrenzenMen stelt het wel eens van nationalistische zijde voor alsof een staatkundige grens t.g.v. haar kunstmatigheid zo onbelangrijk zou zijn dat ze voor volkskundige kwesties verwaarloost zou kunnen worden. Maar de werkelijkheid leert anders. G. Jungbauer wees er in een artikel Staatsgrenzen und Volkskunde in Zs. f. Volkskunde 1930, 196 vlg. op dat de delen die twaalf jaar geleden van Duitsland afgesneden waren daar toen al de volkskundige gevolgen van ondervonden. In de dialecten treedt de invloed van de staatsgrenzen duidelijk aan het licht. Uiteraard tekenen onze staatsgrenzen, die immers jong zijn, zich in de eerste plaats af bij betrekkelijk jonge woorden en vnl. bij woorden van een ambtelijk, halfambtelijk en organisatorisch karakter. Het valt zo te begrijpen dat bij de woorden voor ‘ragebol’ de Zuidelijke rijksgrens wel, bij de woorden voor ‘spin’ en ‘spinneweb’ niet taalgrensvormend gewerkt heeft. Een ragebol toch is van veel jongere datum en een handelsartikel; cfr. HCTD 7, 329 vlg. en Verbreidheid 76. In dit opzicht is ook de vergelijking instructief die ik in Ned. dial. 61-62 tussen de kaarten van tuinman en tuin maakte. Overigens komen de staatsgrenzen ook wel op andere lexicologische kaarten aan het licht en zelfs buiten het terrein van de woordenschat. A. Pauwels wijst in Hulpwerkwoord 143 er op dat het type durven te behalve in de noordoostelijke dialecten in heel Noord-Nederland voorkomt en vrijwel precies bij de staatsgrens ophoudt. Ook de klankleer kent het verschijnsel. Bij de woorden die uitgaan op oude -sk zegt men in het Nederlands s, in het Hoogduits sj, men denke aan mens - Mensch, fles - Flasche, as - Asche. Die ‘Duitse’ uitspraak geldt niet voor Neder-Duitsland maar komt omgekeerd ook nog in een klein zuidoostelijk deel van ons taalgebied voor; de isoglosse loopt door Midden-Limburg. Nu is het echter typisch, dat het Hoogduitse deel der isoglosse niet rechtstreeks bij het Nederlandse deel aansluit, maar veel noordelijker verloopt. Bovendien vermeldt de Duitse onderzoeker,
dat de sj-uitspraak bij de jongere generatie nog noordelijker voorkomt en omgekeerd vermeldt de Nederlandse onderzoeker een overgang van de jongere generatie tot de s-klank. Het spreekt vanzelf, dat de andersgerichte invloed der beide cultuurtalen hier de enige verklaring aan de hand doet. En men ziet de werking van de staatsgrens hierbij duidelijk voor den dag komen. Zie hiervoor Schrijnen 48. Dergelijke verschijnselen kan men aan de Limburgse grens vaker opmerken, bijv. ook bij de -lich-uitspraak van ons suffix -lijk. Zie hiervoor Schrijnen 38. Onze jongste staatsgrens is de oostelijke. De oostgrens immers van onze provincie Limburg dateert pas van na 1815. Tevoren was Limburg volslagen verbrokkeld en lag het op allerlei plaatsen naar het oosten open. Men kan dan ook vóór 1815 geen grens aanwijzen die de wegbereider van de huidige staatsgrens geweest is. Een duidelijk voorbeeld nu dat die jonge staatsgrens toch van invloed is geweest, toont de kaart ‘courant’. De streek ten N.O. van Noord-Limburg heeft blat, blaat, bletsje, die ten O. van Zuid-Limburg tsiedo(u)nk. Het is opvallend, hoe beide vormen hun verbreidingsgebied precies tot aan
de staatsgrens hebben, maar nergens er overheen, behalve in de omgeving van Kerkrade en Vaals. Dat gebied vertoont kennelijk Akense cultuurinvloed. Wij komen op deze kaart nog terug in verband met de invloed van de Belgische staatsgrens. Andere voorbeelden waar het woord in het Overmase precies ophoudt bij de grens van voor 1914 leveren ‘Mittwoch’ en ‘Samstag’; cfr. Langohr 49-50. Voor meer noordelijke gebieden, met name Overijsel, heeft Bezoen in Twente 62 vlg., 69 vlg. tal van woorden genoemd waarvan de grens precies met de rijksgrens samenvalt: Fahrrad (of Rad), Lärm (of Radan), rasieren, herunter, hierher, aber, ähnlich, Uhr ‘horloge’, Schassee ‘straatweg’, Zug ‘trein’, Bahn ‘station’, Kino, Rundfunk, Klavier. Er zijn ook gevallen waarbij de rijksgrens indirect gewerkt heeft. Koningsbosch en Echterbosch waren o.a. blijkens de Sittardse diftongering vóór 1914 op Sittard georiënteerd, maar hebben zich daarna steeds meer op Echt en Roermond gericht. De oorzaak hiervan is dat de weg van Koningsbosch en Echterbosch naar Sittard over Duits grondgebied liep en de rijksgrens in deze eeuw steeds meer scheidend ging werken; cfr. Dols 253. Overigens schrijft G.G. Kloeke in een bespreking van de Deutscher Wortatlas IV en V in Museum 1958, 52: ‘Wat onze oostelijke provinciën betreft, kan men... vaststellen, dat de isoglossen bijna nergens samenvallen met de staatsgrens.’ Wel zegt K. Heeroma TON Toelichting 76 ten aanzien van de kaart van de winterkoning, ‘dat de staatsgrens van Nieuwe Schans tot Dinxperloo zich vaagweg als taalgrens aftekent’. Zie voorts hierover ook G. de Smet in Zs. f. Maf. XXIX 177. De zuidelijke staatsgrens van Nederland is een gevolg van de krijgskundige operaties in de tachtigjarige oorlog; na de Napoleontische tijd is zij enige tijd lang uitgewist geweest, maar door de Belgische opstand weer opnieuw een feit geworden (1839). Nu is haar invloed op de structuur der Nederlandse dialecten, vooral op bepaalde betekenisterreinen, duidelijk te zien. Uiteraard kan die invloed al vanaf het eind der 16e eeuw aangenomen worden, maar aangezien de huidige staatsgrens inzoverre verschilt van die van 1648-1793 dat het huidige Nederlandse Limburg over allerlei staten verbrokkeld was en de hele linker Maasoever tot en met het land van Horn aan het onafhankelijk prinsbisdom Luik behoorde, kan men, vooral als de isoglosse laten we zeggen vanaf Budel tot Maastricht de staatsgrens volgt, wel van 19e- en 20e-eeuwse invloed spreken, althans voor het noordelijk deel. In Ned. dial. 59-60 vindt men voor Zeeuws-Vlaanderen duidelijke voorbeelden van de invloed van de staatsgrens met betrekking tot enige ambts- en beroepstitels als dokteur, onderpaster en schepene. Voorts is het mij bij mijn onderzoek ter plaatse in de vlak bij de staatsgrens gelegen dorpen herhaaldelijk overkomen, dat, als ik informeerde naar het voorkomen van Belgische eigenaardigheden, men mij verzekerde, dat ik uitdrukkelijk de grens over moest zijn, voordat ik deze verschijnselen zou bemerken. Zoiets overkwam mij in Luyksgestel, waar men kolossaal verschil met Neerpelt opgaf. In Hoogerheide vertelde men mij, dat van al de omliggende N.-Brab. plaatsen alleen Putte al echt Belgisch sprak, maar hier ligt de dorpskom ook groten- deels op Belgisch gebied. Zo is er ook een scherpe grens tussen het dialect van Chaam en dat van Meerle en spreekt Grazen, dat er op Nederlands gebied tussenin ligt, Nederlands dialect. Duidelijk is ook de invloed van de Belgische staatsgrens op de kaart van krant, die we ook al bij de invloed van de Duitse grens ter sprake brachten. In het uiterste Z.O. van Limburg vindt men tsiedonk, dat wij reeds als Duits import bestempelden. Voorts vindt men op Duitse bodem de typen krant en gazet en wat Oost-Noord-Brabant en België betreft, constateert men weer nauwkeurige samenval van de dialectgrens met de staatsgrens. Voor westelijker streken ontbreken mij de gegevens. Uit het kaartbeeld van ‘krant’ in Limburg spreekt de noordelijke cultuurinvloed weer heel duidelijk. Zie voor dit woord verder Ned. dial. 63, waar erop gewezen wordt dat de oudste Nederlandse kranten pas van de 17e eeuw dateren. Tenslotte zijn er nogal heel wat kaarten met een partiële samenval van de Belgisch-Nederlandse grens en de isoglosse. Op kaart ‘bord’ blijkt in het zuidoosten van ons taalgebied het talloor-telleur-telluur-type (dus met het accent op de tweede lettergreep) op enkele plaatsen na tamelijk wel tot België beperkt te zijn, terwijl in Nederland bort-burt en telder-teller-teljer in gebruik zijn; cfr. Roukens 127, 130. Wat de ‘lampekatoen’ betreft, zijn er in Brabant en noordelijk België nog schaarse resten van ouder leemet te bespeuren, maar overigens scheidt de staatsgrens behoudens een kleine afwijking bij Tilburg nauwkeurig jonger Noordbrabants lampekatoen, lampepit of katoen van ouder Belgisch week en wiek; cfr. Roukens 190-192. Op de kaart ‘tante’ is vanaf Weert tot Zundert de staatsgrens de nauwkeurige scheidingslijn tussen noordelijk tante-taante en zuidelijk tant-taant; cfr. Roukens 323-328. Hoewel wij hier niet met officiële begrippen te doen hebben, hoeft het ons niet te verwonderen, dat ook hier de staatsgrens van invloed is, want doorgaans zijn de betreffende etyma nog relatief jong. In de vorige eeuw immers was in vele huishoudens het etensbord nog een luxe en het woord tante kwam nog niet bij Kiliaen voor. En bij ‘lampekatoen’ zal de sinds enkele decennia sterk vooruitgegane techniek meegeholpen hebben de oudere woorden te doen verdwijnen, zodat men zich in Noord-Brabant ‘in tijd van nood’ maar tot het officiële woord wendde. Andere voorbeelden waar de isoglosse over enige afstand de Nederlands-Belgische grens volgt, vindt men bij: ‘ijzeren hark’ (Roukens 138), ‘enkel’ (Taalatlas 4, 5), ‘kleine paarden’ (Taalatlas 3, 5). Zie ook oom bij Roukens 329. Voor de invloed van de Frans-Belgische staatsgrens, die pas in 1668
de afscheiding van Frans-Vlaanderen tot stand gebracht heeft, zie men § 171. Overigens houde men in het oog dat de invloed van de staatsgrens vaak door andere overvleugeld wordt. Vandaar dat allerlei verschijnselen juist even over de staatsgrens heen gluren. Siebengewald vertoont voor de ‘etensvork’ in tegenstelling met de omliggende Nederlandse plaatsen het gavel-type van Goch; cfr. Roukens 130. In de Benedengraafschap Bentheim en zuidelijker gelegen Duitse plaatsen als Gronau, Alstätte, Ahaus en Vreden komen vaak Overijselse vormen voor; cfr. Twente 69 vlg. Voor soortgelijke verschijnselen bij de Belgische grens zie HCTD 10, 180 en TT 5, 100. Roosendaal heeft verschillende vrij recente Belgische vormen: nen boekee, kastrol, kwiezjèr, otto ‘auto’, staasie ‘station’. Verschillende dames worden er madam genoemd: madam Vermunt, madam Van den Eyken. De voornaam Suus Franciscus wijst eveneens naar België. Vormen als toezjoer, Bels en het recente lekke tuup ‘lekke band’ komen trouwens verder dan Roosendaal voor. Blijkens Bloemnamen 290-291 heet de violier theeblommekes in Z.-Holland, Noord-Brabant en Turnhout. Aangezien het woord thee in het Nederlands pas sinds de 17e eeuw voorkomt, is het waarschijnlijk dat de naam theeblommekes pas later uit het noorden in Turnhout verzeild is, dus ook pas na het ontstaan van de staatsgrens. Zie voorts A. Weijnen, De rijksgrens tussen België en Nederland als taalgrens in de dialekten, BMDC XVIII 3-15. § 146. Engelse invloedDaar de Engelse invloed op onze taal in het algemeen niet aanzienlijk is geweest, verwondert het ons niet, dat de volkstalen er zo weinig van te zien geven. Het meest merkt men er nog van in de scheepsterminologie en in het algemeen in schippers- en vissersplaatsen. Ten dele kan taboe daarbij een rol gespeeld hebben; cfr. NTg 37, 161. Overdiep noteerde voor Katwijk: bisnis ‘rommelig zaakje’, demmes ‘schade’, bikwanner ‘kanjer’, lait ‘vuurschip’, lekkó ‘laat maar zakken’ < let go, fòòmer ‘landman’ < farmer. Ik vond in G.S. Overdiep-G.A. van Es, Woordenboek van de volkstaal van Katwijk aan Zee 1949 nog sjoor ‘wal’ (Eng. shore). In Wieringen vond Daan 143 studdie ‘stevig aan boord’. In Antwerpen trof ik aan bij Cornelissen-Vervliet: lŏĕken ‘loeren’, galewee ‘weg’ < gone away en trimmer ‘straatmeid’; cfr. V.T.O. De Vooys II 88). Meertens signaleerde in Den
Helder eik voor ‘hond’ < Eng. tike; cfr. TT I 75. In Bergen-op-Zoom trof ik dilleke ‘karretje’, ‘fiets’ < Eng. dilly. Voor de betrekkingen van Bergen-op-Zoom tot Engeland (de stad had ook een Engels garnizoen) zie C.J.F. Slootmans, Jan metten lippen 1945, 587-588. Er is nog een Engelse straat. Dubieus is de Engelse afkomst van sjouwer ‘bui’ te Zwaagdijk; cfr. BMDC 12, 13. Zie ook nog Ts LXXX, 236. Bij herhaling heeft Heeroma (Ts 65, 274; Oostned. taalprobl. 307; Oudengelse invloeden in het Nederlands Ts 70, 257 vlg.) op oud Engels import in de dialecten gewezen: elder ‘uier’, wulk ‘eetbare slak’, haars of heers ‘hees’ enz. Ik denk ook aan agein(s) nog eens, naast Eng. again bij De Bo 37. In Belle in Frans-Vlaanderen luidt die vorm ageen; TT XIII 159. De Vlaamse kust is sinds circa 600 bewoonbaar en kan dus Engelse kolonisten hebben aangetrokken. Waar Heeroma echter zelf in Ts 70, 274 opmerkt, dat de vorm van de ontleningen dikwijls meer aan Middel- dan aan Oudengels doet denken, trekt hij eigenlijk zelf weer het Oudengelse karakter in twijfel. C.B. van Haeringen Netherlandic language research 1954, 65 is dan ook zeer gereserveerd. Roukens 314 meent dat godvader ‘peter’ en godmoeder ‘meter’ hier door de Angelsaksische missionering uit het Oudengels gebracht zijn. § 147. Spaanse invloedenLit.: C.F.A. van Dam, De Spaanse woorden in het Nederlands, in Bundel opstellen van oud-leerlingen aangeboden aan C.G.N. de Vooys 1940, 86 vlg. Het contact met de Spanjaarden heeft bewerkt dat de benaming Spaans of Spanjaard vaak, vooral in de lexicologie der Zuidelijke dialecten haar rol speelt. De Geleners heten bijv. Spaanse winjdjbujele en de stadse opschik te Amstenrade wordt wel gecritiseerd: dat is Spaanse wenjd oet de ongerbenk. Geleen en Amstenrade bijv. waren Spaans, terwijl Sittard Staats was; zie het antwoord van Q 38 op dialectvragenlijst 15. Spaanse leenwoorden treft men blijkbaar meer in het zuiden dan in het noorden aan, overeenkomstig de langere Spaanse relaties. De volgende vermoedelijke Spaanse leenwoorden bijv. zijn vnl. zuidelijk: alferus < Sp. alférez ‘vaandeldrager’ (Van Dam a.a. 98), dantes < Sp. tantos ‘fiches’ (Van Dam, a.a. 102), fenteneel ‘luik’ (Koenen-Endepols-Bezoen, Handwb. i.v.), termentijn (Van Dam, a.a. 97), wvl. araanje ‘sinaasappel’ < osp. naranja (Van Dam a.a. 96), vol(l)aard < Sp. follada (Van Dam a.a. 100); melinde < Sp. melindre komt ook in
Holland voor (Van Dam, a.a. 100), pollevy < Sp. polevi eertijds ook (Van Dam a.a. 102). Het woord amigo voor ‘cachot’ te Brussel is een verspaansing van vrunte (Van Dam a.a. 100). Zie voor amigo thans ook De Bont 15. Het bn. flok (ook wel vlok) ‘slap’, ‘krachteloos’, dat uit Spaans flojo (uitspr. flocho) komt, is Zuidnederlands; cfr. Van Dale7 i.v. en Eigen Schoon en de Brabander 21, 393; in het mat. voor het Zeeuws woordenboek komt voor flokkerig ‘slap’, ‘verwelkt’, ‘flodderig’. Op mijn verzoek heeft de dialectencommissie steekproeven naar het voorkomen van vlok in Noord-Nederland genomen. Alle steekproeven (B 18, 19, 20, 21, C 26a, 28, 31, 79c, 103, D 1, E 36, 47a, 66, 135, 173, 177, 225, F 2, 2c, 63a, 73, 87, 157, 178, G 6, 10, 14a, 171, 173, 174*, I 2, 16, 25, 33, 48, 49, 81, 99, 116c, 168, 133d, 184, L 82, 271, M 9, Q 36, 203) vielen negatief uit. Het woord petat ‘aardappel’ komt wel juist voor in die stukken die het langst Spaans gebleven zijn. Maar het Noordhollands kent toch de afleiding oppetatter ‘opzaniker’ cfr. Regenboogkleuren2 142. Het door Lievevrouw-Coopman als typisch Gents opgegeven ablador ‘babbelaar’ komt uit spa. hablador. Zie voor bazjeroen Endepols 21, voor parlesanten Vercoullie2 215, pagadder Vercoullie2 214 (hiermee verwant Gents Bagattenstraat ?). Zie ook W. Couvreur, Een onbekend achttiende-eeuws Antwerps woord: calbos ‘militaire gevangenis, kerker’ TT XVI 60-64 en voorts Aarschot 47, 182, 153, 409. § 148. Franse expansieLit.: J.J. Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlands 1906; J.J. Gielen, De Franse woorden in de taal van Hulst en Hulsterambacht, in Jrb. Oudh. Kring De vier ambachten 1930, 90 vlg.; J.J. Gielen, Taal en historie, in Jrb Oudh. Kring De vier ambachten 1929, 59 vlgg.; NTg 25, 161 vlg.; J. Leenen, Franse taaluitzetting over Limburg HCTD 12, 149 vlg.; C.B. van Haeringen, Romaanse invloed door Zuid-nederlandse bemiddeling in: NTg 28, 97-111; P.L.M. Tummers in Akademiedagen X 56 vlg.; A. van Doorne, De Franse woorden in het dialect van Wingene in: HCTD 13, 297 vlg.; A.A. Verdenius, Vreemde woorden in onze dialecten, in: In de Ned. taaltuin3, 126 vlg.; Roukens; L. Grootaers, Quelques emprunts entre patois flamands et wallons in: LB 16, 43 vlg.; W. Roukens, Limburgia Romana in: Album Verdeyen 1943, 317 vlg. De oorzaken van deFranse invloeden moeten natuurlijk soms gezocht worden in de uitmuntende kwaliteit van het Franse product (modes, keuken, enz.) en overigens vooral in het culturele en soms politieke overwicht dat Frankrijk over ons heeft uitgeoefend. In de letterkunde
vertonen zowel Middeleeuwen als latere periodes (rederijkerskamers, Frans classicisme, verlichting, enz.) Franse invloeden. Voorts waren er de Franse huurtroepen, de leenhorigheid van Kroon-Vlaanderen, de tijd van de Franse revolutie (kommiezen en bezettingstroepen) en de refugié's. Terwijl veel leenwoorden o.a. blijkens hun voorkomen in het oudste mnl. al oud zijn, zijn er ook kennelijk jonge: onkel is in het Duits pas in de 18e eeuw binnengedrongen (Roukens 331), vest is een ontlening uit de tijd van Lodewijk XV (Roukens 199), marmiet wordt in Frankrijk pas aangetroffen in de 14e eeuw en ontbreekt in het mnl. en bij Kiliaen (Roukens 170 vlg.). Men heeft invloed menen te bespeuren in de klankleer: met name zou de velare of uvulare R van Franse oorsprong zijn; cfr. § 83. Kloeke NTg 47, 1 vlg. wijst op de ontwikkeling van û > ŷ, het ongeaspireerde karakter van p, t, k, de ontwikkeling van ald > oud. Behoudens de gelijkenis en het kaartbeeld zijn er echter niet veel argumenten voor. Een opmerkelijk geval beschrijft nog Fr. van Coetsem in: Een geval van ‘spelling-pronunciation’ in het Geraardsbergse dialect, in LB 43, 42 vlg. Daar worden nl. sommige woorden naar Frans model met ie en uu uitgesproken en gebruikt men dus bij het interpreteren van het schriftbeeld als norm de fonetische waarde van de corresponderende orthografieën uit het Frans. Iets dergelijks doet zich voor in Roosendaal, waar het ziekenhuis Charitas: sjaaritas genoemd wordt. Op syntactisch terrein is te vermelden de vervanging van du door ghi (cfr. nog NTg 47, 1 vlg.), misschien het gebruik van zijn als hulpww. van de lijdende vorm i.p.v. worden (Duponselle, krt LIX). L. Goossens onderzocht het Zuidnederlandse gebruik van moeten in hypothetische functie. Het eerste duidelijke voorbeeld is pas van het eind der 18e eeuw. Dat was Franse ontlening. maar dan gaat moeten zijn eigen weg; cfr. L. Goossens, Moeten in de Zuidnederlandse hypothetische zin: Een gallicisme? TT XIII 5 vlg. In het voetspoor van J.W. Muller, Over ware en schijnbare gallicismen in het Middelnederlandsch, NTg 14, 1 vlg., 65 vlg., wijs ik, overigens met dezelfde reserve, op mogelijke Franse invloed bij het suffix -tiere (cfr. De Bo 996), al in de betekenis ‘langs’ (cfr. De Bo 41), woordgroepen van het type de stad van Aalst (cfr. Vanacker 69), het gebruik van het lidw. v. onbep. in vergelijkingen voor stofnamen, beschreven in § 127. Jo Daan, Op de grens van twee wereldjes, in: Album Blancquaert 237 vlg. tekent op één kaart o.a. etensbord (tailloir) en witte kool (cabus).
Hierop verschijnt de isoglosse tussen de gebieden die het romaanse accent behouden en die welke het veranderen. Zeer sterk moet de Franse invloed wel genoemd worden als deze zich zelfs, zoals te Hasselt, in interjecties openbaart; zie J. Grauls Hasseltsche tusschenwerpsels en andere alleenstaande woorden en uitdrukkingen HCTD V 261-282. In Ts. voor Lev. Talen 13, 101 vlg. wordt verder voor de verfransing van Frans-Vlaanderen gewezen op de vele bastaardvormen: oorspronkelijk Franse werkwoorden of substantieven met een vernederlandste uitgang: fêteren ‘vieren’, eterniteit ‘eeuwigheid’ en verfransingen als doprobe, kindkasterobe, beide ‘doopkleed’, groenselier ‘groenteboer’, melkmarchand ‘melkboer’, enz. Het meest in het oog springend, en blijkbaar ook het lichtst overgenomen zijn de Franse woorden. Gielen telde er bijv. in Hulst ongeveer duizend. In de boven aangehaalde studie van Van Doorne wordt voor het dialect van Wingene het materiaal gegroepeerd naar de betekenisvelden. Dit verduidelijkt de oorzaken en de wijze van ontlening. In Wingene blijken dan bijv. de ontleningen op het terrein van bestuur en leger langs schriftelijke weg, op het terrein van de godsdienst langs de school, op dat van de landbouw enerzijds via de arbeiders die in Frankrijk of Wallonië gaan werken en langs de militairen (namen van delen van het paardetuig), anderzijds langs de handel te geschieden; zeer gering is de beïnvloeding op het terrein van de huishouding. Als de ontleningen schriftelijk geschieden, gaan ze natuurlijk voor een groot gedeelte langs de cultuurtaal; zie Salverda de Grave, a.w. 123 en Jrb. De vier amb. 1930, 90 vlg. De ontlening kan echter ook rechtstreeks plaats vinden. Gielen kent veel leenwoorden in de stad Hulst, die niet op het platteland en niet in het AB voorkomen. Hier moet dus rechtstreeks aan het Romaans ontleend zijn. Blancquaert wees erop dat een groot aantal ontleningen alleen in de dialecten voorkomt (zie HCTD 13, 298). Bij Dols 170 wordt bewezen, dat allei ‘laan’ in het Sittards uit het Waals gekomen is. In LB 33, 49 vlg. worden merlang en kaats of kasj als Waals van oorsprong beschouwd. Het woord koraal ‘misdienaar’ moet blijkens het kaartbeeld eveneens aan het Waals ontleend zijn; cfr. LB 36, 53 vlg. Terwijl het type forsjet uit N.O.-Frankrijk komt, moet verket Picardisch zijn blijkens zijn klank volgens Roukens 131. Het Limburgse nonk moet blijkens zijn woordvorm uit Wallonië komen volgens Roukens 331. Voor de Picardische afkomst van ere ‘dorsvloer’ pleit het geografische beeld volgens Roukens 117; zie ook Roukens 197. A. Carnoy, Het Kersouwken
TT XI 7 vlg. behandelt kersouw, een ontlening aan Frans cassoude, dat daar echter de waalwortel aanduidt. De Picardische vormen, alhoewel uit consolida afgeleid, betekenen echter ook madeliefjes. Het Zuidnederlands zal dus wel het woord met die betekenis uit het noordelijke Frans ontleend hebben. Men dient er rekening mee te houden dat véél van de zuidelijke ontleningen Waals van oorsprong zijn. W. Roukens geeft in Veldeke 1962, 105 vlg. een hele lijst van Waalse ontleningen in het Kerkraads. G. Winnen, Enkele Waalsche leenwoorden te Goetsenhoven TT XVI 179 vlg. noemt bv. m nik soort leren handschoen der steenkappers’, mast bep. zware ‘hamer’. Voor de culturele betrekkingen tussen Limburg enerzijds en Wallonië en Picardië anderzijds zie men Roukens 81.
J. Goosenaerts, Iets over enkele uitheemse woorden in het N.W. van de Kempen, TT 8, 79 vlg. legt verband tussen ontlening en woordveld. Uiteraard treft men de meeste Franse leenwoorden in het Zuiden aan; cfr. o.a. Bloemnamen 14. In Antwerpen zegt men toepε hebben = lef hebben (fra. toupet = kuif). In het mat. van Willems vertoont Haringhe fors = kracht. De kaart oom, die zich op het Dialectenbureau bevindt, kent onkel alleen in het Zuiden; couverture voor ‘kaft’ komt slechts in een klein gebied rond Tienen voor en kas, ontleend aan het Waals-Brabantse en Henegouwse casse, vindt men in een zestal plaatsen ten zuiden van Brussel in een driehoek waarvan de basis tegen de taalgrens rust; cfr. L. Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten, VMVA Febr. 1943, 171-187. L. v.d. Kerckhove, De namen van de emmer in de Znl. dialecten LB 36, 25 vlg. noemt marmiet en seule en V. Verstegen HCTD 13, 361 vlg. kent voor de ‘mutsaard’ als Franse ontleningen budze < fra. buche, fasseel < ofra. faiscel, fagoot en fak < fra. fagot. Ook mutsaard zelf, spinse, pinse, pinsaard en schavei moeten wel een Romaanse oorsprong hebben. Voor de verbreiding van koraal ‘misdienaar’ zie LB 36, 53 vlg. Zie Roukens 198-199 voor zjielee ‘vest’ en kamizoël ‘vest’. Zie ook Bloemnamen 202 en 207. Van Haeringen NTg 28, 97-111 noemt als oudere romaanse leenwoorden die alleen in België (eventueel met het zuiden van Nederland) voorkomen: o.a. kersouw, goeste, foor, pepel, sinxen, pelle ‘vlies’. Thans werkt natuurlijk de staatsgrens het in de hand dat bepaalde in België voorkomende jonge Franse ontleningen tot België beperkt blijven. Van Haeringen noemt matrak, garsong, pertang, fakteur. Terwijl L. v.d. Kerckhove, De namen van de merel in de Znl. dialecten in: LB 33, 49 vlg. speciaal Zuidoost-Vlaanderen zeer open voor Waalse
invloed noemt, is Vlaanderen ook in zijn geheel wel als het sterkst Frans-beïnvloed te beschouwen. Verge d'or voor ‘violier’ vindt men in noordelijk Frans-Vlaanderen en westelijk West-Vlaanderen; cfr Bloemnamen 289. Kroon-Vlaanderen was immers een Frans leen, vandaar dat de tweetaligheid er ouder was dan bijv. in Brabant Voorts waren zijn waterwegen betere taalgeleiders dan de landwegen in bijv. Brabant. Het had dan ook in de Middeleeuwen meer Franse leenwoorden dan het naburige hertogdom; cfr. Ts 1941, 239-241. En later zochten de Waalse en Franse uitwijkelingen bij voorkeur het westen. Zeker staat met name de stad Brussel aan sterke Franse invloed bloot. Maar wat ‘men vertelt over Brusselsche mengeltaal is fantasie of goedkoope spot. Het Brusselsch dialect is even gezond als het dialect van om het even welke Vlaamsche stad. Het bezit nog steeds voldoende expansie om de inwijkelingen (t.t.z. menschen uit het volk, vooral Vlamingen) te assimileeren’. (RND 4 I 201).
Vanuit Vlaanderen zijn vele leenwoorden langs de kust (in ruime zin) noordelijker getrokken, zoals de kaarten uitwijzen. Zeeuws-Vlaanderen is in de 80-jarige oorlog om zo te zeggen vanuit het Zuiden herbevolkt. In Januari 1686 woonden er op het Zeeuwsvlaamse platteland 516 Fransen en in 1718 vestigden zich 154 Fransen alleen in Cadzand. Zie P.J. Meertens Zeeuwse familienamen 1947 en inz. de aldaar op blz. 10 vooral van J. de Hullu aangehaalde literatuur. Rond 1585
waren veel Zuidnederlanders naar Zeeland uitgeweken en hadden daar hun Franse ontleningen mee heengebracht. De kaart van het ‘kwartier van de uier’ vertoont het romaanse leenwoord in het zuidwesten; cfr. HCTD 10, 113 vlg. Praktisch tot West-Vlaanderen, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen beperkt is frenze ‘aardbei’ < fra. fraise (Hand. 16e Ned. Phil.-congres 1935, 35; OT 9, 25 vlg.); fresie komt al voor in de grafelijke rekeningen van Albrecht van Beieren in 1399 (Akademiedagen 4, 88). Het aan het Frans ontleende graan bestrijkt West-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen, N.- en Z.-Beveland, Walcheren en westelijk Noord-Brabant, elders zegt men koren of zaad (Heeroma 129). Westvlaams en Zeeuws is kachel voor ‘veulen’; cfr. Taalatlas 1, 5. Het woord gaai is eveneens via het Vlaams naar het Noorden doorgedrongen; cfr. TT 1, 98. Zie verder voor romaanse leenwoorden in Zeeland OT 9, 167-168. Een sprekende parallel dat Noord-Holland meer conservatief is, dus ook minder voor Franse invloeden openstaat vertonen de persoonsnamen; zie Van der Schaar 120. Daarnaast is de Franse invloed het sterkst geweest in Limburg. De geografische voorwaarden vertonen een parallel met die in Vlaanderen, als we de functie van de Maas met die van Leie en Schelde vergelijken. Maar voorts hebben we er het feit dat het gebied deel uitmaakt van de oude Akens-Luiks-Maastrichtse beschavingsbakermat, die wel over drie taalgebieden verdeeld was, maar eeuwenlang gemeenschappelijk leven en t.g.v. het op elkaar aangewezen zijn onafgebroken culturele wisselwerking en vaak arbeidsgemeenschap kende. Ook behoorde het tot het oude prins-bisdom Luik, met een aanzienlijk percentage romaanse bevolking. Te Maastricht is er in de ME nog geen aanwijzing dat er Frans gesproken werd. Doch in 1650 blijken er verschillende burgers en soldaten slechts Frans machtig te zijn. Sterker wordt de Franse stroming in Maastricht in de 18e eeuw. Rond 1800 blijken de Maastrichtse teksten toch nog maar weinig Franse woorden te bezitten. Maar in de 19e eeuw stijgt het aantal Franse ontleningen aanzienlijk. In Rolduc was tot 1913 het Frans de enige voertaal. Vele priesters en ontwikkelden hebben daar hun opvoeding genoten. Voorts is in het zuidelijk deel van Limburg er een rechtstreekse taalinvoer te verwachten uit het ten zuiden grenzend taalgewest Luik, waar de bisschopsstad nog steeds het cultuur- en zakencentrum is. Het is om de oorsprong van dit leengoed aan te wijzen van het grootste belang dat het van regionale aard is, bijv. rozejip voor ‘reseda’ uit Frans rose d'Egypte en het echt Limburgs-Rijnlands kokerel ‘drijftol’, even- eens van romaanse oorsprong. Daarentegen is het minder ontvankelijk voor het romaanse taalgoed dat het vanuit het westen, Brabant, toevloeit (het woord pioen bijv. komt wel over heel Brabant, Antwerpen en Oost-Vlaanderen voor, maar slechts sporadisch in Limburg), minder dan Vlaanderen of Brabant zelf, omdat het (althans meer dan Brabant) in een uithoek ligt en aan twee zijden door Nederland gesteund wordt. Natuurlijk staat het weer wel open voor wat uit de moderne Nederlandse cultuurtaal, dus van boven af, doordrupt en voor die zwerm van allermodernste hogere-cultuurtermen van Franse makelij, waarmee de volkstaal over het gehele Nederlandse taalgebied binnen de Belgische grenzen doordrongen is. Het vreemde drapeau, vooral in de betekenis ‘rijksvlag’, heeft zich over de eigen woorden vaan, vaandel, vlag heengezet van Tongeren via Maaseik tot Turnhout; cfr. ook Roukens 178. Tot een klein deel van Belgisch-Limburg is het moderne écremeuse beperkt; cfr. Ts. 80, 52-53. Voor andere bewijzen van sterke verfransing van Limburg wijs ik op voiture ‘rijtuig’ in Nederlands Z.-Limburg (Nnl. Tongv. afl. 2, 175) en ba.s(t) < fra. banse voor ‘korf’ in het zuiden van Belgisch Limburg (Pée II 98). De afstammelingen van het romaanse liquiritia blijken niet in Frans-Vlaanderen en zuidwestelijk West-Vlaanderen voor te komen, maar wel ongeveer overal elders in België; cfr. HCTD 19, 319 vlg. Het is echter niet te ontkennen dat jongere Franse ontleningen, soms natuurlijk langs schriftelijke weg, zich ook in noordelijke dialecten vast verankerd hebben, bijv. sangen ‘paars’ (OT 9, 157 vlg.), keriere ‘heen en weer lopen’, ‘weglopen’ (Katwijk 35 vlg.), sissendeere ‘een ruzie sussen’ (ibid.), mediaet ‘onmiddellijk’ (ibid.), gesjammereerd (Kloeke 183), bonof ‘goed af’ (Opprel blz. 49), plein (NTg 37, 162-163), toezjoer ‘altijd’ (bijv. Asten, Tilburg, Lichtenvoorde). Groningen laat zich zelfs niet onbetuigd; cfr. J. Klatter, Dònnermàierbesé OT 3, 126. Zie verder Twente 75 vlg. en L.J. Bol, Taalantiquiteiten en -rariteiten van Oost-Flakkee in NRCrt 2 Juni 1929 Ocht. A en 15 Juni 1929 Av. B. In de enquête van 1897 wordt te Katwijk je frère voor je broeder opgegeven. Het woord sebotte ‘klompen’ wordt opgegeven door G.S. Overdiep-G.A. van Es Woordenboek van de volkstaal van Katwijk aan Zee 1949 i.v. Voor Leiden vind ik sabot (mv. sabottes) ‘klomp’ in Leids volksleven z.j. 98. De betekenis en de vorm kunnen (vooral in het Noorden?) sterk van de oorspronkelijke afgeweken zijn. In Fijnaart heeft men bij de vlasbewerking turbine vervormd tot tribuun; interessant betekent o.a. te Leiden en Fijnaart ‘inhalig’ (Leids volksleven z.j. 93). Het Gronings
kent aargewaaiern ‘te keer gaan’, aargewoatsie ‘ergernis’, ‘tobberij’, ‘drukte’, kripsie ‘moeite’, ‘ellende’, kommootsies ‘komplimenten’, meneuvels ‘gebaren’. Dit laatste woord betekent op Marken ‘kuren’. Salverda de Grave, 123 merkt op: ‘Het lagere volk kent noch Frankrijk noch het Frans door eigen studie of eigen aanschouwing. Dit verklaart dat de dialekten veel vrijer met de vreemde woorden omspringen dan de beschaafde spreektaal: de band met het oorspronkelijke Franse woord is veel losser; vandaar sterk overgangen van betekenis..., in het algemeen een zekere vaagheid van betekenis, waardoor zij zich leenden tot versterkingswoorden, scheldwoorden,
enz.’ Meertens constateert in Ts 76 65-66 dat vele Franse woorden in Overflakkee met affect geladen zijn. Als voorbeeld van vervorming noem ik derm (scheldwoord) uit fr. gendarme bij Opprel 51. Als duidelijk bewijs dat, zoals Vidos bij herhaling betoogd heeft, de historische factoren sterker zijn dan de ruimtelijke, gelde dat sommige leenwoorden wel in de noordelijkste en/of noordoostelijke provincies voorkomen, maar niet, of zo goed als niet in het westen en/of zuiden. Verdenius noemt als zodanig bijv. virtuut, planteit, op 't aljemint, rebulie, trankiel, fiezekrè. Ten dele kan dit zijn omdat die woorden alleen in die streken ontleend zijn. Van Haeringen wijst bijv. op jonge ontleningen als courant en station, die in België niet voorkomen; en zo ken ik bijv. in Wagenberg bij Breda, Achthuizen en Hulst hang, kruinoot en toog (Asten: gehang en toog), waar het AB scharnier, muskaat en buffet heeft. Het is trouwens begrijpelijk (Van Haeringen wijst erop), dat het Noorden en het Zuiden na de 80-jarige oorlog elk hun eigen weg gegaan zijn en het Noorden vaak rechtstreeks aan het Frans ontleende. Tendele kan de toestand echter het gevolg zijn van het feit dat bedoelde leenwoorden in Holland (en eventueel het Zuiden) inmiddels al weer verdwenen zouden zijn. Met deze laatste mogelijkheid moeten we im- mers degelijk rekening houden. Het woord maseur voor ‘schoonzuster’ is blijkens bijgaand kaartje en Taalatlas 5, 7 stellig en retraite. De woordenboeken vermelden het nog voor het Land van Waas, Antwerpen en Haspengouw, maar de Taalatlas kent het in België nergens; schoonzuster als ontlenende vertaling van Frans bellesoeur is zeker jonger. Een ander voorbeeld levert de kaart van courant; gazet, dat eenmaal ook Noordnederlands was, is in het noorden nu verdrongen. Gielen noemt in Jrb. Oudh. Kring De vier ambachten 1930, 90 vlg. 166 Franse woorden, die in de omgeving van Hulst maar niet in de stad voorkomen. De stad heeft blijkbaar de Franse ontleningen later uit een zekere distinctiezucht, eventueel onder invloed van de cultuurtaal, weer opgegeven. § 149. Duitse invloedenWanneer ook al aan Duitsland grenzende streken vormen of woorden hebben, in tegenstelling met de rest van Nederland, die identiek schijnen te zijn met Duitse, is het toch vaak moeilijk, het bewijs te leveren dat ze vanuit Duitsland afkomstig zijn. Zie voor het Land van Ravenstein de wat aarzelende opmerkingen bij Elemans 31. Het gunstigste geval hebben wij natuurlijk als uit de bronnen blijkt dat ter plaatse vroeger andere vormen gegolden hebben en als de geografische, politieke of culturele feiten dan de beïnvloeding waarschijnlijk maken, maar deze gevallen zijn zeldzaam. Meestal hebben wij alléén het kaartbeeld, eventueel met de historische relaties. Maar een zelfde kaartbeeld kan tot verschillende verklaringen aanleiding geven. Het voorkomen van doe, dich en dijn in Limburg wordt door Frings als Duitse, i.c. Keulse, expansie beschouwd, maar door A. Stevens, Pronominale isomorfen in Belgisch-Limburg I TT 1, 132 vlg. als relict; zie echter voor dich hieronder. De ‘kaantjes’ worden in een groot deel van Limburg krappen of krepkes genoemd, welke benaming ook in een aangrenzend stukje van het Rijnland en een groot stuk van Brandenburg bestaat, maar er zijn geen historische bewijzen voor ontlening vanuit Duitsland bekend; cfr. LB 21, 73 vlg. Voor het betrekkelijk jonge boks ‘broek’, dat in Westfalen, Neder-Duitsland, Oost-Nederland en de Scandinavische landen voorkomt, heeft men ook het beginpunt nog niet kunnen terugvinden; cfr. Roukens 205-208. Op de kaart ‘neus’ (OT 2, 88-89) tekent Van Ginneken in Limburg naas, naos, nòòs, maar de bewijzen
ontbreken dat er vroeger neus gezegd zou zijn. Iets dergelijks geldt voor fris in een stuk van de Achterhoek (Van den Berg 79) en nasjen ‘stil wegkapen’ in het Gronings. In Groningen hebben vooral Westerwolde en Oldambt een aantal aan het Duits herinnerende vormen. Zo zegt Westerwolde störk voor ‘ooievaar’ en de rest van Groningen aiber(t), zo zegt men er ook nich voor ‘niet’. Zowel in Westerwolde als in het Oldambt tot aan de lijn Termunten-Wagenborgen zegt men segebok en segemelk. Ongeveer op hetzelfde terrein (ook rond Delfzijl) komt voor ‘zich’ suk of sok voor, tegenover hom in de rest van Groningen; cfr. DB 1917, 69-85, Regenboogkleuren 100. Het is voorts een feit dat Wedde-Westerwolde en Reiderland altijd tot het Duitse bisdom Osnabrück behoord hebben, maar het valt niet strikt te bewijzen dat dit in verband staat met de onderhavige dialectverschijnselen; men zie voor de overeenkomst tussen het dialect van Westerwolde en dat van Oost-Friesland ook Hol 124-125. De Drentse woorden swans ‘rare snuiter’, slemiel ‘slungel’, smeigeln ‘vleien’ en geleis ‘rails’ beschouwt Naarding als waarschijnlijk jonge ontleningen uit het Duits. Ze kunnen aangevoerd zijn door Duitse marskramers of seizoenarbeiders of mee teruggebracht door die turfgravers die vóór 1914, als aan het eind van juni de turfcampagne geëindigd was, in het Ruhrgebied gingen werken. Het is echter ook hier niet gemakkelijk om woord voor woord tot zekerheid te komen. Veel overeenstemming met het Duits vertonen blijkens Welter de dialecten tussen Aken, Maastricht en Verviers. Voor ‘zeggen’ bijv. heeft alleen het uiterste westen van dit gebied zegge, maar de rest zage en zane. Voor ‘wachten’ zegt eveneens Moelingen met de drie Voeren's waachte, de rest waade of waarde; ‘spoedig’ luidt in heel deze streek bo of boow, welk woord identiek is met hgd. bald; Moelingen alleen, het uiterste westelijke puntje, heeft seffes. Voor ‘voorhoofd’ hebben nog Moelingen, de drie Voeren's, Teuven, Remersdael en Aubel type voorhoofd, de rest gebruikt sjteer of sjtaer, een typisch hoogduitse vorm (Stirn). In het mat Willems vond ik waal ‘keuze’ te Eupen. Voor het Maastrichts wijs ik op de volgende bij Houben § 60, 111, 187 voorkomende vormen: ē.lend (met beginbeklemtoning), naolieseg ‘nalatig’, hits ‘hitte’, mets ‘mes’, snōēts ‘snuit’, kets ‘kat’, die door hun klank aan het hoogduits herinneren. Welter 47a noemt voorts voor dit gebied nog enkele gevallen met Hoogduitse klankverschuiving. Hier rijzen wel sterke vermoedens van Duitse invloed. Het feit dat tot ver ten westen van Montzen het Hoogduits, zij het in sommige gebieden met het Frans samen, de cultuurtaal is, is tekenend. Voorts zijn op
politiek en cultureel terrein de Duitse invloeden altijd zeer actief geseest. Geestelijke hoogwaardigheidsbekleders en geestelijke colleges uit Aken benoemden in verscheidene plaatsen van dit gebied, o.a. te Lontzen, Waldhorn, Moresnet, Montzen en Aubel de pastoors en het eveneens - zoals onder blijken zal - half verhoogduitst Rolduc in Eupen, Balen en Membach. Vanaf de kansel kon het Hoogduits zeker ook doordringen in de scholen. Verder heeft een heel groot oostelijk stuk, o.a. Eupen, van 1815-1918 bij Duitsland behoord, met het gevolg dat bijv. in 1848 in Aubel een Duits blad ‘Fliegende Taube’ begon te verschijnen. Langohr 78 wijst op handelsverkeer met Rijnlandse centra. Tummers vermeldt in Akademiedagen X, 63 vlg. dat praktisch
heel de geestelijkheid van Z.-O.-Limburg vóór 1850 in Aken gestudeerd heeft en dat in Vaals voor 1940 in de parochiebibliotheek twee derde van de boeken Duits was. Men las bv. Marie Koenen in het Duits. Maar tenslotte zou dit alles ook mogelijk zijn, wanneer dit gebied oorspronkelijk Duitse vormen kende en dus zijn er aanwijzingen nodig dat vroeger in die gebieden andere vormen zijn geweest dan de huidige om te mogen volhouden dat dit gebied in de 16e eeuw nog grotendeels onverbasterd Diets was, maar dat rond 1700 o.a. door toedoen van de te Aken opgeleide pastoor Nicolaas Heyendal het Hoogduits in Eupen voor het eerst begon door te dringen, zodat Langohr kon spreken van een ‘terre belge flamande superficiellement allemandisée et romanisée’; cfr. J.H.H. Hülsmann, Taalverhoudingen in het ‘Land van Overmaze’ in Vlaanderen XII no. 592-594. Het gebeurt nl. dat terwijl het uiterste Noordwesten van het gebied oude vormen heeft, en het Oosten vormen welke op zuiver taalkundige gronden als jonger worden aangezien, Eupen, Membach en Kettenis in dat uiterste Zuidoosten geïsoleerd zijn blijven liggen met de westelijke vormen. Nu merkte Welter op dat deze drie plaatsen textielnijverheid hebben en daardoor zich dus min of meer onafhankelijk gevoelen, terwijl de rest van het gebied, dat uit zuiver landelijke gemeenten bestaat, op Aken georiënteerd was. En dit noopt ons, hier de gedachte aan inwendig-taalkundige oorzaken van deze taalgrens te verwaarlozen. Het is natuurlijk ook niet toevallig dat Welter 39a onder de gevallen van Hgd. klankverschuiving in dit gebied ook het kerktaalwoord bōēs ‘boete’ noemt. Zie ook over het betrekkelijk recente van de Duitse trekken in het dialect van het noordoosten van de provincie Luik: Handboek I2 169. Het meest afdoend is het feit van de Duitse import door Roukens bewezen voor het oude land van Rolduc. Overigens zijn hier de Duitsuitziende verschijnselen niet alle over één kam te scheren, de Hoogduitse klankverschuiving heeft er zich minstens al in 1100 vastgezet. Gezien deze hoge ouderdom is het aannemen van Duitse invloed dus enigszins riskant. Verder is het onzeker of inwendig-articulatorische oorzaken of Rijnlandse invloed er die uitspraak brachten. Voor Duits grondgebied is aannemelijk gemaakt dat politiek-culturele oorzaken er de loop van deze isoglossen bepaald hebben. Natuurlijk is dit ook een sterk argument voor dergelijke invloed in Limburg. Wat nu speciaal de aanwezigheid van Duitse elementen in de omgeving van Kerkrade betreft, waar nog die verschoven consonanten van de Benratherlinie voorkomen, wijzen wij met Roukens op de verhouding tot Rolduc. De Rolducse abten kwamen veelal tot 1500 uit Hoogduitse gebieden, zoals de taal van de van hun overgebleven preken nog meermalen illustreert. Ook onder de kanunniken bevonden zich veel Hoogduitsers. Nauw contact werd verder onderhouden tot 1500 met Beieren, Marienthal en Keulen. Voorts had de abdij bezittingen aan de Ahr. Omdat nu Rolduc de pastoor van Kerkrade benoemde, meestal een zijner regulieren, en deze door hun prediking in de volkstaal het volk ten voorbeeld strekten, is het toch wel waarschijnlijk dat het de abdij van Rolduc was die in haar omgeving vanaf de 11e eeuw tot circa 1500 in hoofdzaken het Hoogduitse element versterkte en de natuurlijk Nederlandse invloeden van het Limburgse en Brabantse bestuur verzwakte. Zie vnl. W. Roukens, Bijdrage tot de studie van de Benrather linie in Limburg in Donum Natalicium Schrijnen 606 vlgg. Maar er is meer. Er zijn ook later, tot aan de eerste wereldoorlog, in het Z.O.
van Limburg nauwe betrekkingen tot Duitsland geweest. Schrijnen en Roukens hebben ons ook daarvan op de hoogte gebracht; cfr. Jos. Schrijnen, De Benrather linie in LB 8, 259-262 en PL 85, 589 vlg. In Heerlen werden kort voor 1900 alle preken nog in het Hoogduits gehouden. In de parochiekerk van Kerkrade preekte men zelfs in 1910 nog en onderwees er de catechismus uitsluitend in het Duits; langer nog is er de Deutsche Singmesse bewaard gebleven. Nu heeft Roukens de handschriften van de leen- en laatrechten uit 1600 en 1673 vergeleken en geconstateerd dat de laatste een veel sterkere Hoogduitse inslag hebben dan de eerste. Daaruit concludeert hij dat de verhoogduitsing van de volkstaal er sinds de 17e eeuw duidelijk toegenomen is; hij meent dat het hoogtepunt bereikt werd in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Vandaar dat wiesse zóndiech voor ‘Beloken Pasen’, dat in en rond Eupen en ten O. van de Benratherlinie voorkomt, een jonge Duitse ontlening moet zijn (cfr. Weiszer Sonntag); zie Roukens 218-220. Van de zeventien vormen die Schützeichel als karakteristiek voor de opdringing uit het Zuiden naar het gebied van Koblenz beschouwt, komt er blijkens W. Roukens, Uit de geschiedenis van het Kerkraads dialect in: Veldeke 1962, 101 niet één voor in de uit 1396 daterende, als Kerkraads te beschouwen, ‘Rolle der Laten zu Ehrenstein’. Duitse ontlening is natuurlijk waarschijnlijk waar het jonge begrippen geldt en een kleine Nederlandse strook aansluit bij een machtig Duits gebied. Neemt men bijv. het woord tsiedo(u)nk voor ‘courant’ en ziet men dat dit in Nederland alleen in enkele plaatsen rond Kerkrade en Vaals voorkomt, dan moet hier jonge Duitse invloed in het spel zijn. Immers couranten zijn in Europa pas in het laatste deel der 15e eeuw bekend en de courant is in Nederland en Duitsland pas in de 17e eeuw doorgedrongen. De naam Zeitung (identiek met tsiedunk) voor ‘courant’ is pas sinds 1678 bekend. Trouwens ook het langdurige gebruik van het Hoogduits in Kerkrade en omgeving is, zoals we zagen, een feit. Voor ‘kous’ kent Nederland twee typen, westelijk: kous en oostelijk: hoos. Nu komt evenwel in het zuiden hier en daar aan de grens: Raeren, Kettenis, Kerkrade en Siebengewald sjtromp of stromp voor, evident in samenhang met hgd. Strumpf. De jeugd van dit woord (16e-eeuws pas) is weerom een bewijs voor herkomst uit Duitsland; cfr. Roukens 208 vlg. Een ander voorbeeld heeft men op de kaart van de namen van de aardappel, ook weer een jong begrip. Men vindt kartoffel, karkof, toffels, töffel in Zuid-Limburg, de Achterhoek en Twnete, en krompiere in Belgisch Limburg. Dit moeten ontleningen
zijn, uit hgd. Kartoffel en Grundbirne; cfr. Regenboogkleuren 4-5. Stellig uit het Duits ontleend is ook pietsj, peitsj voor ‘zweep’ in enkele Limburgse grensdorpen. Er kan geen oerverwantschap zijn, omdat het een Pools leenwoord betreft, dat pas in de 15e eeuw uit Pools bic is ontleend. Hier maakt speciaal de klank, i.c. de umlaut, ontlening uit het Duits zeker; cfr. OT 2, 350 en Roukens 182. Immers het on-klankwettige karakter van het betrokken woord is een zo goed als absolute aanwijzing voor het leenwoord-karakter. Dat is dan ook het geval met de b van heebamme ‘vroedvrouw’, ‘baker’, welk woord in Limburg en N.O.-Twente voorkomt; cfr. TT 2, 7 vlg. Terwijl ‘beest’ in Heerlen klankwettig bie De vormen met hoogduitse klankverschuiving die Stevens in Limburgs Haspengouw 1951, 227 vlg. in de Haspengouw aantreft (rochele ‘rakelen’, noeëlezig ‘nalatig’, riets ‘reet’, gats ‘steegje’) ondersteunen dan ook de identificatie van verschillende voornaamwoorden en andere woorden en woordtypen aldaar als Duits import. Bewijzend voor de zekerheid van ontlening door Duitse bemiddeling zijn ook de anlauten van pietsj, peitsj (zie voren) en wes ‘vest’ (Roukens 199-200). In Montzen, Welkenraadt en Baten komt voor ‘kanen’ greve en grieve voor. Hoewel dit veel lijkt op Hgd. Griebe, weerhoudt het consonantisme ons om aan (althans Hoog-)duitse invloed te denken; cfr. LB 21, 73 vlg. Op beperkt terrein is Duitse invloed ongetwijfeld in de dialecten af te lezen. Duitse invloed te veronderstellen bijv. in Ooy en Persingen, zoals dat TT 4, 109 geschiedt, is dan ook niet bedenkelijk. Ook in Limburg, waaruit velen in Duitsland gingen werken, handelen, inkopen doen en hun ontspanning zoeken, en waar velen met Duitsers trouwden, moeten wel elementen van Duitse oorsprong zijn. De vorm wuulder ‘mol’ in het afgelegen, uiteraard steeds op Goch georiënteerd, Siebengewald (Roukens 386) moet in nauwe aansluiting bij het Duitse aangrenzende gebied bezien worden. Maar men heeft die Duitse invloeden ook vaak op uitgestrekter terrein menen ten kunnen vaststellen. Met name heeft men in de Nederlandse dialecten een
Keulse expansie verondersteld. Men zie hiervoor vooral Th. Frings-J. van Ginneken, Zur Geschichte des Niederfränkischen in Limburg in: Zs. f.d. Ma. 1919, 97 vlg., Th. Frings, Die Stellung der Niederlande im Aufbau des Germanischen 1944 (verdere lit. aldaar op blz. 24-25), K. Heeroma, Ingwaeoons Ts 58, 198 vlg., K. Heeroma Aantekeningen bij dialectkaartjes Ts 56, 241 vlg., Ts 61, 13 vlg., NTg 1944, 43 vlg. Er zijn nl. een groot aantal isoglossen die in een wijde boog rond Keulen verlopen, sommige met grote protuberanzen zelfs tot de Noordzee toe. In Limburg zijn dat bijv. de Benrather linie, De Uerdingerlinie (ich, mich, dich, auch), de Panninger linie en de Panninger zijlinie. Roukens 379 localiseert vuur ‘bunzing’ in het grootste deel der Keulse cultuurruimte en ziet ook de zuidoostelijke betekenis ‘draad’ van vadem ‘im Anschluss an das Rheinland’; cfr. Roukens 190. Heeroma NTg 35, 337 vlg. neemt op de kikvors-kaart een Keulse expansie aan. Het type zjwegel ‘lucifer’ is èn Limburgs èn Rijnlands; cfr. Roukens 177. Verder heeft Heeroma gewezen op het zuidelijk verloop van de umlautsisoglossen, de jongere wegval van n voor s, de g in de vormen van het type goensdag, klee en klever voor ‘klaver’, de j-loze vormen voor jij en jou, de metathesisvormen in wrat 1 , bepaalde deminutiefsuffixen, de o-umlaut en rad voor wiel. Roukens 265 meent dat Z.O.-Limburg Vormund van het Z.O. gekregen heeft. Het kaartbeeld loopt echter nogal uiteen. Zo verschilt dat van rad en de o-umlaut wel zozeer van dat van bijv. de Uerdinger- en Panningerlinie dat we de gedachte aan Keulse expansie daar niet in ernst hoeven te nemen. Trouwens in het algemeen moet men die kaarten met die protuberanzen kritisch bekijken. Het klever-gebied zou ik zeker geen Keulse expansie durven noemen, te minder nu Foerste in BMDC 15, 3 vlg. het woord besproken en er een kaart van getekend heeft. Klever is volgens Foerste géén contaminatie van klee en klaver, wat Heeroma meende, en de kaart geeft weinig aanleiding om er een Keulse expansie in te zien. Er zijn wel kaarten waar Keulse expansie buiten kijf is. Met name bij de vormen dich en mich, die niet aan dik en mik maar aan ou en mij grenzen. Wat doet ons dan aan speciaal Keulse expansie geloven? Kort na 300 is Keulen een bisschopszetel geworden en bisdommen als Luik, Utrecht en Munster, en van 1169 of ook Kamerijk, behoorden tot 1559 tot de kerkprovincie Keulen, maar het is niet goed in te zien, hoe deze kerkrechtelijke ordening voor het dialect gevolgen gehad zou |
1 G. de Smet bestrijdt bij dit woord de Keulse expansie in Zs. f. Maf. XXIX 173-178.
|
|
hebben, de diocesen van Luik, Utrecht en Munster ieder afzonderlijk hebben dat ongetwijfeld meer gehad. Als men echter in goensdag een verchristelijking van woensdag moet zien en in dingsdag (en hieruit dan ontstaan dinsdag) een kerstening van Tîwesdag (cfr. Ts 58, 198 vlg),. dan is men geneigd invloed van het aartsbisdom Keulen aan te nemen, maar de grenzen van deze twee ‘christelijke’ namen wijken onderling wel heel erg af. Aarzelend denkt Naarding DBNS 6, 1 vlg. bij weiert ‘vijver’ in Drente ook aan Keulse invloeden, gezien de nauwe banden tussen ‘hoven’ en kloosters enerzijds en het voorkomen van het woord weiert anderzijds. Er zijn echter in de Middeleeuwen nog wel andere betrekkingen tussen Keulen en in het algemeen het Rijnland en Limburg geweest. Die betrekkingen waren ten dele commercieel, ten dele cultureel. De Romaanse bouwkunst en goudsmeedkunst van Rijn- en Maasgebied zijn rond 1200 nauw met elkaar verwant. Ook hebben er zich veel Rijnlandse families in Limburg gevestigd, zoals trouwens ook het omgekeerde het geval was; cfr. Roukens 81. A. Stevens in Limburgs Haspengouw 1951, 223 vlg. wijst erop dat die Keulse expansie (in ieder geval ook) in de Karolingische periode en later werkzaam geweest moet zijn, omdat verscheiden taalkundige gevolgen zich ook in het gebied der oude Saksen laten gelden. Sterke Keulse invloeden zullen in ieder geval niet later aangenomen kunnen worden dan de regering van Jan I van Brabant, die in de slag van Woeringen (1288) de Duitse golven terugdreef. Voor de tijd die daaraan voorafgaat, neemt Frings Keulse invloed in Limburg, Brabant en Vlaanderen aan in de 12e eeuw. Zie ook A. Wrede, Köln und Flandern-Brabant, Kulturhistorische Wechselbeziehungen vom 12-17 Jahrhundert, 1920. Heeroma heeft in Ts 61, 13 vlg. een heel oude Keulse expansie aangenomen rond 400. Die zou dan het prefix -e i.p.v. ge- gebracht hebben! Dat was echter in de tijd dat hij westelijkingwaeoons nog met Keuls gelijkstelde. We kunnen daar dus nu wel van afzien. Trouwens die veronderstelling omtrent e- was louter hypothetisch. Daarnaast heeft Heeroma een Keulse expansie gereconstrueerd rond 800. Die zou dan kloppen met de geschiedenis van het Nederlandse bekeringswerk. Taalkundig zou die bijv. het prefix ge-hersteld hebben. Maar er is geen enkel steekhoudend argument voor, dat ge- ooit uit Brabant en Limburg verdwenen was. Ook wijst Hellinga 66 rond die tijd in de oud-Gentse bronnen wel een schrijfwijze uo voor ogm. ô aan, en meent B. van den Berg in Ts 65, 66 vlg. dat het gebruik van i als verlengingsteken ons via Keulen bereikt heeft,
en Paardekooper in NTg 43, 160 vlg., dat o.a. dan voor als van Duitse oorsprong is. Maar dit alles betreft alleen de geschreven taal. Bovendien hoeft men bij uo < ô niet juist aan Keulen te denken. Hellinga noemt ook Trier. Boeren heeft ten aanzien van de overeenkomsten met het Rijnland er in BMDC 10, 62 op gewezen dat de Frankische grootgrondbezitters uit de Willibrordusoorkonden Ripuariërs waren, welke benaming wij niet zo zeer ethnologisch dan wel cultureel dienen te verstaan. Kloeke 26 heeft er vroeger reeds de aandacht op gevestigd dat verschillende bogen Overijsel en Gelderland van Noord naar Zuid doorsnijden en door hun vorm een uitstralend centrum in Duitsland suggereren. Deze gedachte is later door Heeroma overgenomen (zie o.a. K. Heeroma, Oostned. taalproblemen; K. Heeroma, De benamingen van de egel DBNS 6, 33 vlg.; K. Heeroma, Duisholt DBNS 6, 79 vlg.; K. Heeroma, De Westfaalse expansie TT 5, 20 vlg.; K. Heeroma, De Westfaalse expansie in Nederland BMDC 15, 39 vlg.; Zs. f. Maf. 23, 73; Akademiedagen 8, 80 vlg.) maar in deze vorm dat de overeenkomsten tussen onze noordoostelijke dialecten en het Nederduits niet door een oude stamverwantschap te verklaren zouden zijn, maar als gevolg van een Westfaalse expansie. Heeroma plaatst deze expansie vnl. in de 13e eeuw; cfr. Zs. f. Maf. 23, 73. Daar langs de Vecht in de 16e eeuw al een westelijke ien-wig ontstaat, moet de Westfaalse expansie dan immers reeds afgelopen zijn en gee(n), dat Heeroma vanuit Westfalen afkomstig ziet, wordt aan het eind van de 14e eeuw reeds in West-Overijsel aangetroffen. Verder moet die actief geweest zijn na de stichting van Friezenveen; cfr. Onl. Taalpr. 8. Om te beginnen echter is de historische achtergrond van deze Westfaalse expansie erg zwak. Naarding vermeldt dat sinds 1132 in Drente het Westfaalse klooster Clarholz koloniseert. En Foerste wijst in BMDC 15, 2 op de betekenis van plaatsen als Dortmund en Soest. Bremen was wel vanaf de 12e eeuw een belangrijke handelsstad (DB 14, 15), maar overigens kan men met Heeroma in BMDC 15, 53 vlg. en Akademie-dagen 8, 85 slechts voor de 12e tot de 14e eeuw aantonen dat Westfalen een bloeiperiode heeft gehad. Er is in de cultuurgeschiedenis weinig steekhoudends te vinden voor een westfaalse expansie naar onze gewesten. Eer het tegendeel. F. Petri schreef in Westfälische Forschungen XIII 1960, 27 dat waar Häpke de economische verbondenheid van Oost-Nederland met West-Duitsland behandelt, hij zegt: ‘Gerade für den münsterländischen Westen war, wie meine Mitarbeiterin Hildegard Ditt in einer ein- dringenden Strukturuntersuchung der geschichtlichen Stellung der Gebiete beiderseits der heutigen niederländisch-münsterländischen Grenze nachzuweisen unternommen hat, die IJssel damals die Lebenslinie, auf die sie in ihrer wirtschaftlichen und kommunalen Entwicklung vorzugsweise gerichtet waren’. En P.N.M. Bot, Humanisme en onderwijs in Nederland 1955, 14 schrijft: ‘Het Humanisme is in deze streken ontloken in het West-nederduitse cultuurgebied, waaronder dan ook de Oostelijke Nederlanden gerekend moeten worden, deze laatste niet zomaar aan de periferie daarvan, maar wezenlijk en soms leiding gevend - men denke aan de beweging der Moderne Devotie -. Tot diep in de zestiende eeuw blijven de scholen van Venlo, Roermond, Nijmegen, Deventer en Groningen op Duitsland georiënteerd.’ Maar ook taalkundig voldoet de bewijsvoering niet. In een artikel Maaiwoorden DB IX 104 beschouwt Heeroma op grond van het kaartbeeld zwade voor zeis als een symptoom van Westfaalse expansie. Het kaartbeeld, waarbij het woord beperkt is tot Groningen, het op Groningen georiënteerde deel van Drente en enkele vlak bij de Duitse grens gelegen gebiedjes, komt echter weinig overeen met de vele andere voorbeelden die Heeroma als Westfaals bestempelt. Voorts ziet Heeroma o.a. in de Groningse diftongering Westfaals import. Hij grondt dit in Oostned. taalproblemen 273-278 op de onklankwettigheid en ziet de uitzonderingen dan als Frankische relicten. Maar zijn theorie gaat niet op, want hij moet erkennen, dat ‘de diftongerings-gevallen in Groningen anders zijn dan in Westfalen’ en ‘dat de diftongering in Groningen voortreffelijk is geconserveerd en in Westfalen zelfs in aanzienlijke mate teruggelopen’. Heeroma loopt over deze feiten te luchtig heen. Voorts beroept hij zich, niet afdoende, op hypercorrecte gevallen, die m.i. niet duidelijk zijn, en op het kaartbeeld, bv. in DBNS XI 66 met betrekking tot vaske(l) ‘stalpaal’ in Westerwolde, Z.O.-Drente, N.-Twente en de Achterhoek (zie hierover ook DBNS XI 110). Het kaartbeeld kan in dezen echter bijzonder misleidend zijn, mot ‘zeug’ toch zou volgens zijn Nederlands kaartbeeld ook als voorbeeld van Westfaalse expansie geïnterpreteerd moeten worden. Maar in zijn Toelichting bij Afl 3 van de TON p. 5 vlg. geeft Heeroma zelf toe dat hier de westfaalse expansie onwaarschijnlijk is. Ik zou dat trouwens te minder geloven omdat mot ‘hoer’ dat wel hetzelfde woord is, blijkens WNT i.v. ook elders in Nederland verbreid is. Ook H.T.J. Miedema is in NTg 48, 42 tegen de door Heeroma veronderstelde Westfaalse oorsprong van de Groningse diftongering
opgekomen, omdat Munster en omgeving de diftongering van wgm. ô niet hebben en nergens blijkt dat die er geweest is. ‘De Gronings-Oostfriese diftongering - zegt Miedema - zal dus wel autochtoon moeten zijn’. Aangezien Heeroma zelf nog in 1955 (BMDC 15, 39 vlg.) bekende dat hij in al zijn voorafgaande studies, waar hij bijv. week ‘mannelijke eend’, nettelkoning ‘winterkoninkje’, wicht ‘meisje’, brummel ‘braam’ en zelfs de eenheidspluralis op -t en de Groningse diftongering als Westfalismen beschouwd had, zijn stelling eigenlijk niet bewezen had (zie ook de aarzelende toon bij Naarding 201), hoeven wij bij die ‘oude’ literatuur niet lang stil te staan. Inderdaad kon hij nergens het bewijs leveren dat de vormen in deze gevallen in Westfalen ouder zouden zijn. Toen hij bijv. brummel een contaminatie noemde van Frankisch brem en Westfaals brommel, dachten wij aan grös, dat in Overijsel zelf uit gres ontstaan moet zijn. In 1955 echter meende hij, het bewijs gevonden te hebben op de kaart ‘zwad’ of: ‘regel gemaaid gras’. In Westfalen en een groot Oostnederlands stuk toch treft men geen aan, dat volgens Heeroma semantisch met gaan in verband moet staan, en oorspronkelijk een meervoudsvorm met umlaut moet zijn. En nu zouden voor Westfaalse oorsprong pleiten: het primaire karakter van de umlaut (geen äö doch ee), de gesloten uitspraak t.g.v. oorspronkelijk voorafgaande j, de substitutie van j door g, afgezien dan nog van het taalgeografische beeld. Echter kent niet alleen een dialect als van Zeeland in Noord-Brabant ook primaire umlaut in het mv. (en ook zo'n gesloten vocaal in bijv. gif ‘gaaf’), maar men zou toch ook in Overijsel best een relict bij zo'n geïsoleerde vorm kunnen aannemen. Ik meen daar trouwens wel een ander voorbeeld van gevonden te hebben in de eveneens geïsoleerde meervoudsvorm scheere ‘schaar’, die bij Wanink 173 als Twents-Achterhoeks wordt opgegeven. Men zie bovendien voorbeelden van primaire umlaut bij werkwoorden in Taallandschap 42. Later heeft Heeroma de umlaut in geen weer ontkend, maar volgens Goossens 102 ten onrechte. Verder is de substitutie van j tot g toch ook op Nederlandse bodem niet onmogelijk. Overigens blijft geen een term uit de hannekemaaierswereld en al zou dit dan ook ontleend zijn (wat ik niet bewezen acht), dan is dat nog geen bewijs voor termen uit andere betekenisvelden, laat staan klankontwikkelingen en morfologische verschijnselen. Men zal toch de hannekemaaiers niet als toonaangevend beschouwd hebben. Het valt niet te ontkennen dat er oude opvallende overeenkomsten tussen de N.O. en de nederduitse dialecten zijn die van voor de tijd
van de onderstelde Westfaalse expansie moeten dateren. Dat geldt bv. van typische overeenkomsten in de toponymie: Aan Tilligte in Twente beantwoordt Telligte in Westfalen. P.J. Meertens Bet. Ned. Familienamen 46 wijst erop dat de toponymica op -lage zowel in Groningen als ten N. van Osnabrück voorkomen. Zie voor de naam Enschede nog Fr. Engels. Zur Geschichte und Sprache der deutschen Frühzeit 1963, 149. W. Foerste, De Nederlandse expansie in Westfalen, in BMDC XV 2 vermeldt het woord hers ‘paard’, dat in het Oudwestfaals sedert de 9e eeuw is overgeleverd en ook in Oostnederlandse veldnamen als herssenwynckel en herssenhoefd voorkomt en zegt hiervan: ‘Wil men ... aanvoeren dat Oostndl. hers in de late middeleeuwen uit het Westfaals ontleend zou kunnen zijn, dan is dat weliswaar niet direct te weerleggen, maar een dergelijke hypothese is toch niet bijzonder waarschijnlijk. Want hers is in het middeleeuwse Westfaals al een uitstervend woord.’ De hele theorie van de Westfaalse expansie gaat trouwens mank aan het euvel dat zoals Foerste zegt ‘das Westfälische dagegen als ausgesprochenes Beharrungsgebiet bekend staat’ 1 . Alleen het Westfaals heeft het onderscheid tussen ā en â gehandhaafd (elders is er samenval). Die verdelging kan toch in onze noordoostelijke dialecten niet overgenomen zijn. Integendeel is er juist in het nederduits oostnederlandse expansie waar te nemen, bv. he(c)kel voor Sensenangel; cfr. W. Foerste, Einheit und Vielfalt der niederdeutschen Mundarten 1960, 11 en 13. Ook G. Kloeke bestrijdt in ‘De reliktform hef(t) voor “heeft” als characteristicum voor de meest ouderwetse (West)germaanse dialekten’ Ts. 76, blz. 245 de theorie der Westfaalse expansie: hef(t) en bijv. de meervouds-t komen in Nederland juist voor in het gebied dat Heeroma als wingewest van de Westfaalse expansie verklaart 2 . Maar Kloeke wijst erop dat de isoglossen samenvallen met een groot stel isoglossen die O.-Ned. als relictgebied begrenzen (onderscheiding van â/ā, scheere, olt/alt enz.). Voor de mogelijkheid van Cleefse expansie zie Roukens 177 en 391 en DBNS 7, 30. Langohr passim wijst ook nog op de bijdrage van Gulik. Voor een expansie vanuit Xanten, die verband houdt met de verering van de H. Viktor, zie men Roukens 246 vlg. |
1 Schirmunski 528 zegt: ‘Den altertümlichsten Charakter hat das System des Verbalablautes im Westfälischen bewahrt’.
2 Heeroma heeft dit argument trachten te ontzenuwen door tegenover Kloeke in Museum 62 (1957) blz. 165-168 te betogen dat hef(t) mogelijk een analogievorm is.
|
§ 150. Hollandse expansieLit.: G. Kloeke, Reflexen van Hollandsche expansie in de huidige Nederlandsche dialecten 1926; Holl. Exp. (voor de hierop gevolgde polemiek met W. de Vries zie men Janssen 4); Hellinga 1938; Hof o.a 176, 226, 200-201, 254-255, 243-245, 263 vlg.; Janssen; G. Kloeke, De verbreiding van de uu-uitspraak in NTg 36, 128-138; W. Janssen, Het toernooi der Hollandsche uu-expansie in: OT 10,256 vlg.; J. Leenen, De Hollandsche Expansie vanuit Limburg gezien HCTD 2, 159 vlg.; J. Leenen, Van ‘muis’ naar ‘maus’ HCTD 4, 165-215; Schönfeld 151-153 (aldaar uitvoerige literatuuropgave); G.G. Kloeke, De beleefde Friese aanspraak met jou, een hoofdstuk uit de geschiedenis der betrekkingen tussen Fries, Gronings, Hollands en Nederlands 1941, blz. 55.
Het idee van een Hollandse expansie in taalkundige zin is van Kloeke afkomstig. Het uitvoerigst heeft hij deze gedachte uitgewerkt aan de ‘muishuis’-kaart. Het woord ‘muis’ luidt in het Zuidwesten muus (of meus), in de centrale dialecten heeft het een diftong of open monoftong en in het oosten oe. Echter liggen vooral in het oosten en noorden, bijv. de Veenkoloniën, de kop van Overijsel, de Waddeneilanden en Enkhuizen gebieden met uu. Deze uu beschouwt Kloeke als een reflex van Hollandse expansie, welke expansie hij plaatst vanaf het midden van de 16e eeuw; cfr. Kloeke 87 vlg. In Het Bildt vindt hij de sleutel van de verklaring dat het inderdaad expansie en geen kolonisatie is. De namen van de oude pachterlijsten 1 wijzen er volgens hem op dat bij de eerste pachters ‘de Friezen ver in de meerderheid zijn geweest’; cfr. Holl. Exp. 68. De uu-uitspraak aldaar is dus niet veroorzaakt door Hollands bloed maar door Hollands sociaal overwicht. Voor Kloeke's gedachtengang zijn de volgende vier punten essentieel: 1e de gebieden waar Kloeke expansie aanneemt, hebben inderdaad in bijzondere mate het cultureel overwicht van Holland aanvaard, 2e de Hollandse maritieme milieus spraken in de 16e en 17e eeuw zelf nog uu, 3e in de betrokken gebieden heerste tot de 16e eeuw een oe-uitspraak, 4e de uu is er niet uit autochtone ontwikkeling te verklaren. Wat het eerste punt betreft, heeft Janssen aangetoond dat die nauwe relaties althans in het land van Cuyk met zijn omgeving niet bestaan hebben. De Hollanders waren daar de belastingheffers en de godsdienstvervolgers. Kloeke had ook voorbeelden aangehaald van plaatsen die katholiek zijn en oe uitspreken, tegenover protestantse plaatsen met uu-uitspraak, maar Janssen ken ook weer precies omgekeerde gevallen, bijv. in Anholt. Voorts had Kloeke er de nadruk op gelegd, |
1 Zie echter ook H. Sannes Geschiedenis van Het Bildt, 1951 I 27, 468.
|
|
hoe de verbreiding van muus tegenover moes prachtig klopt met de kaart van de gebieden die in 1589 tot de republiek behoorden. Men kan echter opmerken dat wanneer hij als jaartal 1579 of 1586 of 1592 of 1599 gekozen had, de overeenstemming ontbroken zou hebben. Ook heeft Kloeke de grens van het Overkwartier onjuist getekend. Voor verdere kritiek op die overeenstemming zie men Janssen, 31-33. Voorts wees Janssen erop dat de keus van de ‘muis’-kaart willekeurig is geweest. Kloeke laat het voorkomen alsof de vorm van de ‘huis’-kaart een bijzonder geval is, als gevolg van het cultuurkarakter van dit woord,
maar Janssen bewijst voor het door hem onderzochte gebied dat de huus-verspreiding normaal is en dat bijv. de ‘luis’-kaart daarmee overeenkomt. Kloekes aanval op de waarde van zijn statistieken beantwoordt hij OT 10, 261. Ook W. de Vries had het normale karakter van de muus-isoglosse al betwijfeld. Het tweede punt is misschien nog wel te aanvaarden op grond van bepaalde rijmen, grammatici en leenwoorden uit die tijd in vreemde talen, al zijn er ook argumenten voor dat ook de lagere standen al in de M.E. gediftongeerd hebben; zie o.a. Ts. 48, 13 vlg. en 49 vlgg. en 99 vlgg. Voor de juistheid van het derde en vierde punt zijn de bewijzen weer moeilijk te leveren. Het best staan de kansen voor een nog zestiende-eeuwse oe in het Stadsfries; zie Kloeke 150 en NTg 47, 2 vlg. Maar Mej. Tille heeft al palatalisatie-gevallen aangenomen voor het middeleeuwse Gelders. In Friesland zijn er ook sterke aanwijzingen voor autochtone ontwikkeling. In het Nieuwwestfries verschijnt ook ogm. ô als eu of uu, een parallel verschijnsel, dat in Holland ontbreekt en in het Fries dus niet als import te verklaren is. Hof 247 merkte terecht op, dat de lijst van als hypercorrecties verdachte oe > uu-ontwikkelingen te groot is. Maar bovendien is in bijna heel Friesland de uu voor n en in de Zuidwesthoek voor dentalen behalve r klankwettig en ook valt het op dat zelden lange oe, maar bijna steeds korte oe tot uu gemuteerd is. En dat wijst ook weer op autochtone ontwikkeling. Er ligt trouwens rond het Zuidhoekse uu-gebied een krans van gediftongeerde vormen met bijv. oe en oei, welke als overgangstrappen te beschouwen zijn; cfr. Hof 260. Toch gaf W. de Vries toe dat de woorden met uuf en uuwe, die eveneens een klankwettige overgang aanwijzen, ontleningen waren. Zie ook voor de wijziging van De Vries' inzichten omtrent spontaneïteit Afrikaans blz. 50. In de Limburgse enclaves toonde Leenen een algemene neiging tot medialisering van alle oe-klanken aan. Ook op de Veluwe is Hollandse expansie bij de uu daarom bedenkelijk omdat de uu-substitutie er fonetisch geconditioneerd is; cfr. Van Schothorst 129-135.
Ondanks de vele critiek kan men echter de gedachte aan Hollandse expansie niet volstrekt verwerpen. Van Ginneken in OT 10, 238 achtte de polemiek over de Hollandse expansie nog onopgelost, maar C.B. van Haeringen neemt haar in Netherlandic language research 1954, 90 als vaststaand aan. Van Veen 96 vlg. meent bij wurf een Zuidhollandse expansie in Utrecht waar te nemen. Hof 202-204, 269, 243-245 sluit voor Friesland de gedachte aan expansie niet geheel uit. Voor zo'n expansie toch pleit het feit dat de oe > uu-wording duidelijk in noordoostelijke richting afneemt en dat ze bij de Tjonger niet ophoudt. Ook wijst het kaartbeeld er op dat ze vanuit het Zuiden vooral langs het Westen voortgedrongen is (Westergoo en Waterland), dus alweer langs het kustgebied en langs de Oostfriese steden, Het Bildt en de grote waterwegen. Kloeke 121 vlg. vestigt er dan ook de aandacht op dat de ‘spontaneïteit’ in Friesland juist sterker schijnt te werken, naarmate de Hollandse invloed toeneemt. Ook hebben blijkens Hof wie i.p.v. waa, gang i.p.v. gong, danke tegenover tankje in Friesland hun basis duidelijk in de zuidwesthoek. De op het Nederlands lijkende verschijnselen komen in Friesland altijd het eerst in het zuiden voor de dag en dat geeft te denken. De bestrijding van de Hollandse expansie bij
Naarding 156 is dan ook erg aarzelend. Hij schijnt bij huus meer aan Friese invloed te denken, maar indirect blijft Holland er dan toch misschien achter zitten. Zie voorts Sassen 308. Dat Kuinre en Blokzijl deminutiva op -jen hebben, terwijl de omgeving ien- zegt (Kloeke 69 vlg.), is m.i. een onbetwistbare reflex van de Hollandse expansie. Kloeke heeft in het algemeen Hollandse expansie aangenomen bij de verkleiningssuffixen. Alle vormen waarbij de k gepalataliseerd is (-tje, -je, -ie, -chie en derg.) ziet hij als in Holland ontstaan en vandaar verbreid. Maar Van Ginneken heeft OT 7, 378 vlg. terecht de -ken-kern in Zuid-Nederland bestreden en in het licht van de algemene neiging tot palatalisering in Zuid-Nederland autochtone palatalisatie van het verkleiningssuffix aangenomen. W. de Vries heeft er trouwens op gewezen dat in gewesten als Oost-Friesland, Antwerpen en Frans-Vlaanderen in het algemeen de taal weinig verhollandst is. En hij trof in het N.O. de tj-vormen reeds zeer vroeg aan. Ik meen trouwens dat in Groningen de -tj-vormen na dentalen voorkomen, wat weer op een klankwettige en dus autochtone ontwikkeling wijst. Bovendien verklaarde De Vries in Ts 46, 88-125 de tj ten dele uit tk; zie ook Med. Kon. Ak. afd. Lett. 65, serie A 1928, 99 vlg. Wat de Bentheimse -în-zak bij de deminutiva betreft, deze zal wel aan westelijke, maar hoeft niet aan Hollandse invloed te worden toegeschreven; cfr. Kloeke 69 vlg., 86, Naarding 196. Terwijl blijkens Heeroma bijv. een vorm als leggen voor liggen zich sinds de ME niet verder verbreid heeft, is meester voor meister blijkens Heeroma's middeleeuwse en moderne gegevens wel in oostelijke richting voortgedrongen, wat hij dan aan Amsterdamse expansie toeschrijft. Voor veronderstelde Hollandse expansie bij het pronomen van de 2e persoon in de noordoostelijke provinciën zie men Kloeke 11 vlg. en NTg 20, 1 vlg. Zeer waarschijnlijk is Amsterdamse expansie bij de ao in de omgeving van Amsterdam. Vooral ten noorden van deze stad komen immers in het ao-gebied nog ei en ee in sommige woorden voor. Voor Spakenburg bewijst Kloeke 174 duidelijk dat de ao er de ee verdrongen heeft. Ten zuiden kan er samenwerking geweest zijn met een Utrechtse haard; cfr. Kloeke 185 vlg. J. Daan, De Amsterdamse olievlek TT 7, 120 vlg. wijst op de eigenaardige vorm van het Amsterdamse expansiegebied. Het is nl. heel beperkt in westelijke richting. Een alleszins merkwaardig en moeilijk te weerleggen bewijs voor Hollandse expansie in Utrecht en grote stukken van Gelderland, Drente en Overijsel levert kaart ‘paars’ in Taalatlas 4, 14. Deze gebieden zeggen i.p.v.
de te verwachten palatale vormen paors; cfr. DBNS 2, 32. In Groningen en O.-Drente, waar sangen inheems is, is het AB waarschijnlijk als factor aanwezig. Voor het Hollandse aandeel in het Stadsfries zie men § 169. A. Stevens neemt in Limburgs Haspengouw 1951, 223 vlg., inz. 260 en 263 voor Maastricht en de Oosthaspengouws-Maaslandse randstrook ook Hollandse expansie aan, bijv. bij kennen (kinne) voor ‘kunnen’. Roukens 196, 177, 254 ziet ook bij de woorden pet, lucifer en huurpenning Hollandse expansie in zuidoostelijke richting. Ten dele zal men in het uiterste zuiden van ons taalgebied echter beter van expansie van het AB kunnen spreken. Als F. Ceelen, Klimop TT X 16 vlg. gelijk heeft, dat klimop met Kiliaen vanuit Holland gekomen is, is dit een indrukwekkend voorbeeld. Maar moeten we hier wel spreken van Hollandse expansie en niet veeleer van invloed van een (zuidelijk) woordenboek? Ook de school speelt een zeer grote rol, want men vindt in het zuiden klimop waar men klimoep, klumoep, klumdoep en drgl. zou verwachten (TT X 30). § 151. Brabantse expansieLit.: K. Heeroma, Opmerkingen over de methode der expansiologie, NTg 33, 60 vlg.: Holl. Exp.; A. van Loey, Bijdrage tot de kennis van het Zuidwestbrabantsch in de 13e en 14e eeuw 1937; Hellinga; Caron; Heeroma; K. Heeroma, De herkomst van de Hollandse diftongering Ts 57, 276 vlg. De machtsvorming van Brabant begint met de opkomst van de graven van Leuven in de 10e eeuw. In het begin van de 11e eeuw voegen zij het graafschap Brussel bij hun gebied, in 1106 het markgraafschap Antwerpen, in 1288 het Overmase. Als Brabant in de 15e eeuw het toppunt van zijn bloei bereikt, strekt het zich, globaal genomen, uit over de provincies Brabant, Antwerpen en Noord-Brabant, maar ook nog over het land van Aalst en delen in Limburg. De aanspraken op Salland, de Veluwe, zuidoostelijk Zuid-Holland en Tiel, Zandwijk, Herewaarden en de Bommelerwaard (cfr. TT 5, 92) zijn slechts van korte duur geweest. De invloed van Brabant draagt geen agrarisch maar een territoriaal en t.g.v. de betekenis van de steden een economisch karakter. Daardoor is men geneigd aan expansie te denken. Te Winkel, Kloeke, Van Haeringen en Heeroma menen dat Brabant o.a. ten Noorden van de Maas taalinvloed heeft uitgestraald, o.a. vanwege de belangrijke economische positie die Brabant op het eind van de Middeleeuwen innam. Tijdens de godsdiensttroebelen zouden
de vele Zuidnederlandse uitwijkelingen naar Holland en Zeeland daar nog het hunne toe hebben bijgedragen; cfr. A.A. van Schelven, Omvang en invloed der Zuid-Nederlandsche immigratie van het laatste kwart der 16e eeuw (1919) en Ts 54, 254. Men meent daarbij steun te vinden in het getuigenis van tijdgenoten. Johan de Brune zei: ‘Men zeght dat een schoone vrouw moet hebben een Neerlands lijf, een Enghelands aenghezicht, een Brabands tongh, en een Hollands hert’ en Roemer Visscher getuigt in ‘De meyskens van de Courtosye’:
Hellinga kan tenslotte, hoewel hij een heftig bestrijder van het denkbeeld van Brabantse expansie is, er toch ook niet buiten of hij moet invloed van de Brabantse schrijftraditie op de Hollandse taal, zelfs de uitspraak, aannemen, met name bij de representanten van de ogerm. ô. Maar zo er Brabantse navolgingsdrang geweest is, hij zal vrijwel alleen maar op papier bestaan hebben; bovendien heeft hij kort geduurd en er is heftig verzet gekomen. Roemer Visscher moest niets hebben van de Brabantse mode en Vondel vond ‘plat Antwerpsch te walgelijck, en niet onderscheidelijck genoegh’. De hele rond 1600 opkomende kluchtenliteratuur in Hollands dialect ziet Verdenius 3 vlg. als een Hollandse reactie tegen Zuidnederlandse taalhegemonie. 1 De tijd rond 1600 toont dan ook geen breuk in het cultuurleven van Holland, zegt Hellinga; de spraeck-konstenaren vermelden niets van die Brabantse expansie. De voorbeelden die men voor Brabantse expansie buiten Brabant-in-ruime-zin in het geding heeft gebracht, blijken bij nader toezien zeer aanvechtbaar. Het belangrijkste voorbeeld betreft de representanten van ogerm. î en û. De echte dalende diftongen en de open of half-open vocalen worden in navolging van Te Winkel geregeld aan Brabantse expansie toegeschreven. Maar sinds de onderzoekingen van Salverda de Grave, die het bestaan van Middeleeuwse diftongeringen ook in Holland aantoonde, en van Hellinga, W. de Vries 2 en Caron is de gedachte aan uitsluitend Brabantse expansie onwaarschijnlijk geworden. De zeer open monoftongische vertegenwoordigers schijnen in de 17e eeuw ook al |
1 Echter deden de vertalers van de Statenbijbel opnieuw een stap in zuidelijke richting; cfr. G. Brom, Boekentaal 1955, 16.
2 Zie bijv. Verbreidheid 53 voor diftongering in 1577 te Dordrecht en Hoorn en in 1573 te Leiden.
|
|
volop in Holland voor te komen, te vroeg dus om te doen aannemen dat de diftongen (als voortrap) uit Brabant gekomen zouden zijn. Tamelijk zeker scheen die Brabantse expansie voor î en û in het Oostvlaams. Men beriep zich daarbij op het feit dan Joost Lambrecht voor Gent rond 1550 nog monoftongen had, maar de waarde van zijn getuigenis is door W. de Vries in Ts 51, 246 noot 2 in Verbreidheid 52 in twijfel getrokken. Overigens wijst Vangassen HCTD 32, 69 vlg. erop dat a. en ó. voor ogm. î en û tegen het eind der 15e eeuw de Dendersteden binnendringen. Deze ‘periode valt, voor de Dendersteden, vooral in de XVe-XVIe eeuw, samen met de geweldige economische bloei van het Hertogdom Brabant.’ Daarentegen acht Vangassen TT XIII 149 ‘Brabantse “expansie” te Hasselt voor de Nl ij ... uitgesloten’. De verandering van ogm. î is in Brabant en Hasselt even oud. Van Haeringen vindt het trouwens NTg 30, 302 vlg. moeilijk, als men aanneemt dat de diftongering in Holland uit Brabant afkomstig is, de diftongering van -înd- < -ind- te verklaren. Ik meen ook dat bijv. Utrechts duive voor ‘duwen’ tegenover Brabants douwe op autochtone ontwikkeling wijst.
Een tweede geval van Brabantse expansie zag men in de ontwikkeling van intervocalische d > j; cfr. § 81. Het is echter niet zo heel veel zeggend dat de gevallen in het Zuiden een eeuw vroeger aangetroffen worden dan in het Noorden. Bovendien komen de -j-vormen ook al in het Middeleeuwse Holland en al in 1596 in het Nederduits voor en thans hebben, naar ik meen, de noordelijke centrale dialecten meer j's <d dan de zuidelijke centrale; cfr. ook Med. Kon. Ak. afd. Lett. dl 65, serie A 1928, 99 vlg. Dat er in Utrecht bij dit verschijnsel kwalijk aan Brabantse expansie gedacht kan worden blijkt ook hieruit, dat Utrecht waoi < wade kent, terwijl het Brabants een heel ander woord heeft; vgl. Van Veen 105. Ook komt de overgang in toponiemen voor: Boeicop (cfr. Van Veen 67). Heeroma heeft ook de moderne kaarten van vuur en steen wat de verspreiding van vier en stien betreft, vergeleken met de middeleeuwse en hij meent dat bij vuur Utrechtse en bij steen Utrechtse en zuidelijke invloed gewerkt hebben. Het terugdringingsgebied vertoont echter op de beide stellen kaarten zo weinig verschil dat die zuidelijke invloed toch wel heel dubieus wordt; cfr. Heeroma krt 19 en 23. Heeroma 27 zag ook in de Hollandse booter-vormen Brabantse expansie, maar Kloeke bestrijdt dit in Afrikaans 78 vlg. terecht, o.a. op grond van de toestand in Utrecht en Noord-Brabant. De vorm booter komt ‘van boven af’. Mej. Ja. Chra. Kroes heeft in Ts 54, 245 aan Brabantse expansie gedacht bij het kaartje van ‘de mannelijke eend’, waar het
complex van wiender, winder, wuunder, wender, wendel, wenderik wienjer, wenjer, wieler, wielder, wenger, grof geschetst, voorkomt in heel Zuid-Nederland ten oosten van de lijn Antwerpen-Brussel, Limburg, Oost-Brabant en een noordelijk daarbij aansluitende strook tot aan de Zuiderzee. Maar of wij hier met Brabantse expansie te doen hebben, is zeer de vraag. De afwijkingen: Oost-Vlaanderen (dat anders wel Brabantse expansie kent), westelijk Noord-Brabant, de
Veluwe en Limburg (dat alleen in het zuidelijk deel het oude Land van Overmaze is) zijn te talrijk en het historisch taalkundig materiaal ontbreekt te zeer om deze verklaring zonder meer aan te nemen. Tenslotte meent Kloeke (zie Kloeke 210 en G.G. Kloeke, De Amsterdamsche volkstaal voorheen en thans, Meded. der Kon. Ak. v. Wet. afd. Lett. deel 77 serie A no 1, 1934) de ao-uitspraak voor de aa ook als Brabants, als Antwerps te mogen beschouwen. Een blik op de vocaalkleur van schaap (Taalatlas 4, 10) toont de ao echter ook in Utrecht en verder in het hele oosten. Terecht twijfelt Kloeke dan ook zelf. Nij wij dan aldus gezien hebben, hoe weinig er van de voorbeelden overblijft 1 , |
1 Heeroma ziet ook bijv. de |