A.

A.,

de zesde toon in de muzijk, anders la genoemd.

A.,

Prijsaanduiding: à f 10.

A.,

Muntspecie-teeken.

A.,

of Ao. Anno, in het jaar.

A.,

Avancer (op een horlog.).

A.,

als getal, beteekent, in oude Romeinsche opschriften, 500, en , met eene streep er boven, 5000.

A.,

aer. vulg., Anno aerae vulgaris, in het jaar der gewone tijdrekening.

A.a.,

op recepten, of voorschriften der Artsen, ana, van elk even veel.

A.a.a.

(scheik.), amalgama.

A.b.,

aurea bulla, de gouden bul.

A.C.,

anno Christi, in het jaar van Christus.

A.c.,

anni currentis, van het loopende jaar.

A.m.,

anno mundi, in het jaar der wereld; ook artium magister, anders a.l.m., artium liberalium magister, meester der vrije kunsten.

A.m.,

amica manu. Op adressen, met vriend.

A. et O.,

Alpha en Omega, het begin en het einde, een toenaam van den Heiland.

A.o.c.,

ab orbe condito, van de schepping der wereld af.

A.o.r.,

anno orbis redemti, in het jaar na de verlossing der wereld; hetzelfde als A.C., anno Christi.

A.pr.,

anno praecterito, in het afgeloopen jaar.

A.R.S.,

Anno restauratae salutis, in het jaar na de herstelling des heils.

A.s.s.,

acta sanctorum, handelingen der heiligen.

A.u.c.,

anno urbis conditae, of ab urbe condita, na de bouwing van Rome.

A.u.s.,

actum ut supra, op den boven gemelden dag.

Aa.,

Op het Fransche geld, de muntstempel van Metz.

Aaschaour,

een voornaam feest bij de Perzen, ter eere van twee zonen van Ali.

Aat,

rozenkleurig edelgesteente in Japan, en daar zoo hoog geschat, dat er de uitvoer van verboden is.

Aatas,

opziener der nachtwacht in Perzië.

Ab,

de 9e maand des joodschen jaars,

[p. 2]

die 30 dagen heeft en in Julij en Augustus invalt.

Abab,

zoo heeten de Turksche matrozen, welke de Sultan in zijn rijk laat pressen, wanneer hem daartoe slaven ontbreken.

Abaca,

eene soort van hennip, op de Manillische eilanden, uit eene plant, koffo, bereid wordende.

Abacot,

een hoofdsiersel der oude koningen van Engeland, van boven als eene dubbele kroon zamengesteld.

A baculo ad angulum,

van de zijde eens driehoeks tot zijnen hoek besluiten, d.i. eene ongerijmde gevolgtrekking maken.

Abacus,

Lat., abaque, Fr., eene zandtafel voor meetkundige fig.; - en eenerekentafel bij de ouden. Voorts een plat stuk marmer, of iets dergelijks, op het kapiteel eener zuil, bij de Toskaansche en Dorische orden volkomen vierkant, doch bij de overige aan alle zijden ingebogen.

Abacus pythagoricus,

Lat., abaque, ook la table de Pythagore, Fr., de tafel van Pythagoras; anders de tafel van vermenigvuldiging.

Abaddon,

in de Openbaring van Johannes, de engel des afgronds.

Abadir,

voornaamste godheid der Karthagers; de steen, dien Saturnus van Rhea ontving, en hem in plaats van den pasgeboren Jupiter verslond.

Abalienandi jus,

het regt van vervreemding, Abaliënatie, abalienatio, heet, in het Romeinsche regt, eene wijs van vervreemding, waardoor zaken, welke men res mancipi noemde, als: vee, slaven, landerijen, enz., aan anderen werden overgedragen. Abalieneren, ontvreemden, vervreemden.

Abandon,

à l'abandon, iets à l'abandon geven, laten; iets laten varen, in den steek laten. Abandonneren, verlaten, prijs geven, van iets afstand doen.

Abanga,

zoo noemen de inwoners van St. Thomas de naar citroenen zweemende vrucht huns palmbooms.

Abannatio,

verbanning voor een jaar, bij de Grieken.

Abaptiston

(chirurg.), anders trepaan, Fr. trépan, beenboor, schedelboor.

Abarca,

Spaansche schoen, om steile bergen te beklimmen.

Abarceren,

iemand uit zijne bezitting verdrijven. (Regtsgeleerdh.)

Abarticulatie

(ontleedk.), ontwrichting.

Abas,

een Perzisch gewigt, om paarlen mede te wegen.

Abaster

(fabelk.), de naam van een der drie paarden, voor den wagen van Pluto gespannen.

Abatelement,

in de Levantsche koopsteden de geregtelijke uitspraak eens consuls bij misstappen, door kooplieden zijner natie begaan.

Abati,

de naam eener beruchte rooverbende in Italië, omtrent het einde der veertiende eeuw.

Abat-jour,

Fr., abajour, een keldervenster; ook een venster met schuinsche luiken, waarin het licht slechts van boven kan invallen, zoo als in gevangenissen, bij ons gemeenlijk koekoek genoemd. Ook dragen de zoogenoemde jalousiën, of zonneblinden, dezen naam.

Abattis,

afval van gevogelte enz.; verhakking (in de krijgsk.).

Abattu,

geabatteerd, krachteloos gemaakt, vermoeid, afgemat, vervallen, nedergeslagen.

Abatuta

(muzijk), volgens de maat, naauwkeurig afgemeten.

Abat-vent,

abavent, Fr. (bouwk.), een houten afschutsel voor openingen aan gebouwen, om regen en wind af te keeren, waarvoor wij het woord windbord gebruiken.

Abba,

Syr., zoo veel als vader.

Abassy,

Perzische zilveren munt.

Abbé,

een abt, hetzij het hoofd eener

[p. 3]

abdij, of eener verzameling van canonici regulares. In Frankrijk gaf men dezen naam ook aan iemand, die een zwart of violetkleurig kleed droeg, en, zonder een geestelijke te zijn, eenen witten kraag om den hals had. Ook, schertsenderwijze gesproken, een jonge opgeschiktegeestelijke, wiens gedrag meer wereldlijk dan geestelijk is.

Abces,

absces, een ettergezwel.

Abdalla,

abdala (in het Arabisch, een dienaar en aanbidder van God). Dezen naam dragen de Perzische monniken.

Abdar,

een koninklijke bediende in Perzië, die uit eene verzegelde kruik den Koning water om te drinken toereikt.

Abdast,

abdest, de plegtige wassching vóór het gebed bij de Turken.

Abdera,

eene oude stad in Thracië, waar de inwoners zeer onnoozel waren; de hun gelijkende nakomelingen heeten van daar Abderiten. Abderitenstreken, belagchelijke, domme streken. Abderologiseren, ongerijmde, zotte dingen spreken.

Abdicatie,

het vrijwillig nederleggen van een ambt, het afstaan van goederen; de uitsluiting van eenen ongehoorzamen zoon uit de familie, of erfenis. Abdiceren, afslaan, afschaffen, ontzeggen, verwerpen,

Abdinghof,

hervormde benedictijner abdij van Cluni in Paderborn.

Abditamentum,

hetgeen van eene gevraagde som afgetrokken, of afgedongen is.

Abductie,

beenbreuk aan de gewrichten; ook bij de aanhangers van Aristoteles, overgang van een voorstel tot een ander, om door vergelijking van beiden de waarheid eener sluitrede in te zien.

Abductors,

zie Adductors.

Abecedarius,

Lat., abécêdaire, Fr., komt van A, B, C, D, en wordt van iemand gezegd, die nog het abé leert, ook die het in de eene of andere wetenschap nog niet ver gebragt heeft.

Abeladiseren

(schertsenderwijze), ontmannen. Abelard werd, op aandrang van Heloizes vader, ontmand.

Abellagium,

het regt van eigendom eens leenheers op de wilde bijen zijns leenmaans.

Abeloniten,

abeliers, sekte, die het huwelijk goedkeurde en zijne regten afkeurde.

Abeone

(fabelk.), eene godin, welke de oude Romeinen zich plagten aan te bevelen, wanneer zij op reis gingen.

Aberratie,

afwijking, afdwaling, b.v., wanneer eene vaste ster van haren anders gewonen loop afwijkt, afdwaalt. De schijnbare beweging der sterren.

Abib

(tijdrekenk.), de eerste maand van het kerkejaar der Hebreëren, anders nisan genoemd, en overeenkomende met onze maand Maart.

Abhigit,

een offer, hetwelk een Indische Rajah, ter verzoening van eenen, zonder opzet, aan eenen priester beganen moord brengen kan.

Abida,

een God bij de Kalmikken, die zijne woonplaats in den hemel tegen den opgang der zon heeft, en de zielen der menschen in het oogenblik, dat zij zich van het ligchaam scheiden, tot zich trekt. Zijn zij rein van zonden: zoo veroorlooft hij haar in de lucht rond te zweven, doch in het tegenovergestelde geval blaast hij ze weer van zich af, of laat ze weer in een levend schepsel overgaan.

Abject,

verworpen, laag, liederlijk. Abjiceren, abjiciëren, verwerpen, verachten. Abjectie, geringschatting, verachting.

Ab intestato,

zonder testament. Erfgenamen ab intestato, achtergelatene naaste erven, natuurlijke erven; naaste bloedverwanten.



[p. 4]

Abipones

(geschiedk.), de naam van een Zuidamerikaansch volk in Paraguay.

Abiturienten,

zoo heeten, in Duitschland, de studenten, welke, na afgelegd examen, de akademie verlaten.

Abjudicatie,

geregtelijke ontzegging, weigering. Het tegendeel is adjudicatie, geregtelijke toewijzing. Abjudiceren, geregtelijk ontzeggen,

Abjuratie,

afzwering, openlijke herroeping. Abjureren, verloochenen, afzweren.

Ablacteren,

een kind spenen.

Ablativus

(taalk.), de ablatief, de zesde naamval der naamwoorden in de Latijnsche taal. Ablativus absolutus, de volstrekte ablativus, of die door niets geregeerd wordt.

Ablecten,

Romeinsche keursoldaten.

Ablegaat

(in de Roomsche kanselarij), een geestelijke, die, in bijzondere omstandigheden, van den Paus last krijgt, om zekere werkzaamheden eens apostolischen legaats waar te nemen. (Het staat niet gelijk met vice-legaat.)

Ablegmina,

de deelen van een offerdier, die de Romeinen voor de Goden bewaarden.

Ablepsie,

blindheid, ook zinneloosheid, onbedachtzaamheid.

Abligureren,

op eene liederlijke wijs verdoen, verkwisten, verbrassen, door de keel jagen.

Abluentia,

reinigende geneesmiddelen, dienende om op te lossen en af te drijven.

Ablutie,

het reinigen of afwasschen met geneesmiddelen; 2) de wijn, die den priester bij de misse op de vingers gegoten wordt.

Abnegatie,

ontzegging, verloochening. Abnegeren, ontzeggen, loochenen, verzaken.

Aboleren,

afschaffen, eene wet opheffen. Abolitie, geheele afschaffing van iets. Abolitie van straf, vrijspreking van eenige misdaad, en opheffing der straf; zoodat daaromtrent geen onderzoek meer mag gedaan, en de misdaad als niet gepleegd moet aangemerkt worden.

Abolla,

abolan, zekere kleeding der oude Grieken, bestaande in een' langen rok, zonder mouwen.

Abollagium,

het regt van den leenheer op de bijenzwermen in de bosschen zijner vasallen.

Abominabel,

abominable, Fr., verfoeijelijk, afschuwelijk; abominatie, verfoeijing, afschuw, afschuwelijke daad. Abomineren, verfoeijen, afschrik hebben.

Abondance,

zie Abundant.

Abonneren,

zich in eens uitkoopen, en dus van gedurige betaling bevrijden, b.v., zich bij eenen boekhandelaar, tot het lezen van maandwerken, enz., of in den schouwburg, ter bekoming van vrijen toegang, abonneren. Abonnement, zulk eene uitkooping, of vrijmaking. Abonnement suspendu, met ophefting van het abonnement, wanneer de geabonneerden in den schouwburg ook betalen moeten.

Abordage,

Fr., het aanstooten der schepen; het enteren. Ook de landing; het aanspreken. Aborderen, aanlanden; ook aanspreken. Op het eerste abord, op het eerste oogenblik, in het begin.

Aborigines,

oorspronkelijke inwoners, de eerste volkeren eens lands, in tegenoverstelling der kolonisten.

Aborteren,

ontijdig baren. Abortus, Lat., miskraam, misgeboorte. Abortief, ontijdig gebaard; dat ontijdig doet baren.

Aboucheren,

aboucher, Fr., raadplegen, toespreken, ergens over spreken. Abouchement, raadpleging, zamenspraak, gesprek.

Abra,

kamermeisje, ook bijslaapster bij de oude Grieken en Romeinen.

Abracadabra,

woorden of schriften, welke onverstandige, bijgeloovige lieden eene groote kracht toeschreven. Het woord abracadabra, op

[p. 5]

eene bijzondere wijs, geschreven, en als amulet bij zich gedragen, moest tegen allerhande kwalen en ziekten dienen.

Abrahamiten,

sekte der Oostersche Kerk in de 9e eeuw, die de Godheid van Christus verloochende, en aldus genaamd is naar haren stichter Abraham uit Antiochie; 2) Boheemsche deïsten, die in 1782 het geloof omhelsden, hetwelk Abraham vóór zijne besnijdenis gehad had.

Abrakrees,

openbare hoeren in Guinea.

Abraxas,

amulet, geheimzinnig woord.

Abrégé,

Fr., kort uittreksel uit een boek, of geschrift. Abrégeren, verkorten.

Abreviator,

Lat., abréviateur, Fr., een verkorter. Abreviatores, abréviateurs (in de pauselijke kanselarij) die personen, welke de bullen, brevetten en andere geschriften stellen, waarbij men zich van vele verkortingen pleegt te bedienen. Abreviatuur, abréviatie, verkorting der woorden, hetzij door uitlating van letteren, hetzij door het gebruiken van teekenen, of karakters, ter aanduiding van woorden. Abrevieren, verkorten, bij verkorting, of met enkele letters, of karakters, geheele woorden schrijven.

Abrites

(geschiedk.), naam eener Indiaansche natie, ten tijde van Alexander den grooten.

Abrizan,

een feest bij de oude Perzen; waarvan bij de lateren het gebruik nog overgebleven is, om zich met welriekende wateren te bespreugen.

Abrogeren,

afschaffen, opheffen. Abrogatie, afschaffing eener door de wet ingevoerde gewoonte.

Abron,

was een zeer weekelijke en wellustige Griek, weshalve men zijn' naam nog heden ten dage aan dergelijke personen geeft.

Abrupt,

plotselijk, afgebroken. Ex abrupto, plotselijk, op eenmaal, onvoorziens, zonder vooraf iets te zeggen, of den aanvang van iets te verhalen. Abrupta, op staanden voet voortgebragte, of andere korte, geestige invallen. Abruptie, afbreking,

Abruteren,

beestachtig, of tot vee maken. Geabruteerd, tot vee geworden, of beestachtig dom geworden.

Absces,

zie Abces.

Abscinderen,

afsnijden, afrukken, afhouwen. Abscissie, zoo veel als amputatie, van het Lat. abscissio en amputatio.

Absent,

afwezend. Absens carens, die niet bij de hand of tegenwoordig is, gaat ledig henen. Absentes, de afwezenden, verscholenen. Curator absentis, voogd, opziener eens afwezenden. Absentie, absentia, absence, afwezendheid. Absentia Reipublicae causa, of laudabilis, afwezendheid om den wil van het gemeenebest. Absentia vituperalis, of malitiosa, afwezendheid uit schandelijke oorzaken. Absentia causalis, eene toevallige, of onschuldige afwezendheid. Absenteren (zich) heengaan, zich verwijderen.

Absides

(sterrek.), de twee punten van de loopbaan eens hemelligchaams, die het digtste bij- en het verste van elkander afstaan,

Absis,

gewelf, meestal kerkgewelf.

Absolument,

Fr., volstrekt. Absoluut, absolut, absolutus noemt men datgene, hetwelk als bloot op zich zelf staande, en zonder betrekking op iets anders, beschouwd wordt; onbeperkt, onafhankelijk, vrij. Terminus absolutus, eene uitdrukking, die op niets betrekking heeft. Ook zonder beding, onvoorwaardelijk, als: ik wil het absoluut zoo en niet anders hebben; absolute kracht, die in een ligchaam onophoudelijk en altijd even sterk werkt;

[p. 6]

ablativus absolutus; zie ablativus. Absolutie, absolutio, Lat., vrijspreking, ontslag eener verantwoordelijkheid. Het meerv. absolutiones beteekent, bij de Roomsch-Katholijken, het besprengen met wijwater, en het bewierooken van gestorvene hooge personen, welke men zal begraven. Absolutorium, een vonnis, of geregtelijke uitspraak, waardoor iemand van eene verpligting, verantwoordelijkheid of schuld, vrijgesproken wordt. Absolveren, vrijspreken.

Absolutiedaalder,

eene Fransche zilveren medailje ter grootte van een' daalder, welke Hendrik IV. ten jare 1595 slaan liet. Op de voorzijde staat het borstbeeld van den Paus met het omschrift: Clemens VIII. Pont. max. (Pontifex maximus), op de keerzijde het borstbeeld des Konings van Frankrijk met het omschrift: Henricus IV. D.G. Franc, et Nav. Rex Christia. (Dei Gratia Franciae et Navarrae Rex Christianissimus). Deze gedenkpenning is zeer oud geworden en merkwaardig wegens zijne aanleidende oorzaak. Hendrik IV. was wegens zijne onregt-zinnigheid en het edict van Nantes, dat aan de Hervormden vrije uitoefening van godsdienst toeston d, 1591 door den Paus in den ban gedaan. Ofschoon de parlementen van Frankrijk dezen banvloek voor onregtvaardig en ongeldig verklaarden, werden toch de intrigues der geestelijkheid voor den Koning gevaarlijk, en het was den Jezuiten bijna gelukt, eenen aanslag tegen zijn leven uit te voeren. Hendrik kwam er met verlies van een' tand af, en de Jezuiten werden weggejaagd. Intusschen kwam het toch kort daarop tot eene minnelijke schikking tusschen hem en den Paus, die hem 1595 van den ban vrijsprak. Om deze verzoening bekend te maken, en om het vertrouwen der ijverig katholijke onderdanen te verwerven, werd deze gedenkpenning geslagen.

Absorbentia,

middelen, welke de zure dampen, of scherpten inzuigen. Absorbentia vasa (geneesk.), opslurpende vaten. Absorberen, in zich trekken, inslokken, fig. verteren, verdoen, verkwisten; ook verdringen, als; een sterkere reuk absorbeert eenen zwakkeren, eene grootere straft eene geringere. Absorptie, absorptio, Lat., absorption, Fr., het inslokken, inzuigen der sappen; ook verzwelging, vertering, verkwisting.

Absque,

zonder. Absque ulla conditione, zonder eenige voorwaarde, onvoorwaardelijk, Absque causae cognitione, zonder kennis van zaken, ongehoord, zonder onderzoek.

Abstemius,

Lat., abstême, Fr., die zich van de eene of andere zaak, inzonderheid van wijn, onthoudt.

Abstensie,

verklaring, dat men van eene erfenis, waartoe men bij testament geregtigd is, vrijwillig afstand doet.

Abstenti,

in de eerste kerk degenen, die in den kerkban leefden; gevolgelijk zich van de godsdienst-oefening moesten onthouden.

Abstergent

(artsenijk.), zuiverend, afleidend. Abstergentia, afleidende, zuiverende geneesmiddelen. Abstersie, reiniging, zuivering.

Abstineren,

zich onthouden, Abstinent, die zich onthoudt, die matig is. Abstinentie, onthouding van spijs, drank, enz.

Abstract,

afgetrokken, in tegenoverstelling van concreet. Deugd, schoonheid, enz. zijn abstracte begrippen. Eene zaak in concreto beschouwen, is met alle hare eigenschappen en omstandigheden; in abstracto daarentegen, wanneer eene zaak alleen op zich zelve gedacht wordt, zonder hare eigenschappen en omstandigheden in aanmerking te nemen; b.v.,

[p. 7]

regtvaardigheid, godsvrucht, geleerdheid, zijn abstracta, een regtvaardige, godvruchtige, geleerde, daarentegen, concreta. Ook noemt men iemand abstract, die in eene zaak zoodanig verdiept is, dat hij op het geen bij en nevens hem is, geen acht geeft, - dat hij niet hoort, wat gezegd wordt. Eene abstracte verhandeling is zoodanige, welke, door eene al te afgetrokkene redenering, duister en moeijelijk te verstaan is. Abstractie, het aftrekken der gedachten van eenig ding; ook zulk een afgetrokken denkbeeld; ook verstrooijing, mangel aan opmerkzaamheid. Abstractum, Lat., het afgetrokkene, een afgetrokken denkbeeld. Abstraheren, aftrekken, in gedachten afzonderen.

Abstrueren,

verbergen, geheim houden. Abstrus, verborgen, duister, onverstaanbaar.

Absurd,

ongerijmd, onverstandig, dom, ongeschikt, zot. Absurditeit, eene ongerijmde zaak.

Abudad,

de groote oorspronkelijke stier, welke, volgens de godsdienstleer der Parsen, Ormuzd schiep, en in hem de kiem aller toekomstige dingen leide, die zich naderhand uit hem ontwikkelden.

Abuis,

abus, vergissing, verzinning, misslag, ook misbruik. Abuseren, vergissen, verzinnen, zich abuseren. Iemand abuseren, misleiden, bedriegen, met valsche berigten enz. Desabuseren, iemand de oogen openen ten aanzien van eene hem gedane valsche voorstelling, iemand uit de dwaling helpen. Abusief, abusive, par abus, Fr., bij vergissing, uit dwaling.

Abu jahia,

bij de Mahomedanen een doodsengel, die van God den last bekomen heeft, om de zielen van de ligchamen te scheiden.

Abukelb,

zoo noemen de Egyptische kooplieden eenen Hollandschen rijksdaalder; dewijl zij den daarop geslagen leeuw voor een' hond (kelb) aanzien.

Abuna,

de titel van den Metropolitaan van Abyssinië, welke zoo veel als onze vader beduidt.

Abundant,

overvloedig; abundantie, abondance, Fr., overvloed. Ex abundantia cordis os loquitur, waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

Abusus,

Lat., misbruik. Abusus non tollit usus, het misbruik neemt het gebruik niet weg.

Abutto,

een Japansche God, die heeling en genezing, goeden wind en gelukkige reis geeft, en in het algemeen tegen onheilen bescherming verleent.

Abyme,

Fr., afgrond, diepte. Fig. alles, waarin men zich verliest; verlegenheid, waaruit men zich niet weet te helpen.

Abyssus,

diepte, afgrond. Overdragtelijk, een onverzadelijk mensch, veelvraat.

Ab zendeghian,

de bron des levens of der jeugd, van welke eene Perzische overlevering zegt, dat zij oostwaarts in een duister land ligt, en haar water de onsterfelijkheid geeft.

Ac.

Academie.

Acacecius,

bijnaam van Mercurius, naar zijnen pleegvader Acacus.

Acacia,

een bundeltje, of zakje met aarde gevuld. De Konstantinopolitaansche keizers plagten het altoos in de linkerhand te dragen, ter herinnering, dat ook zij stof en asch zouden moeten worden.

Academie,

zie Akademie.

Acaena,

Grieksche lengtemaat van 10 geometrische voeten, welke ook dodecapode genoemd werd.

Acamathos,

een Grieksch woord, hetwelk de beste, gunstigste hoedanigheid en den schoonsten omtrek des menschelijken ligchaams uitdrukt.

Acampsia,

onbuigzaamheid (der ledematen).

Acangis,

acanges, zoo worden Turksche

[p. 8]

vrijwilligers genoemd, of soldaten, die zonder soldij dienen, en van den buit leven.

Acatalectisch,

akatalektisch, in de dichtkunst een vers, hetwelk ten aanzien der voeten en lettergrepen, de hoogste volkomenheid bezit. Catalectisch is het tegendeel daarvan.

Acatalepsis,

Akatalepsis, onmogelijkheid om eene zaak te begrijpen; onbegrijpelijkheid.

Acatholici,

akatholici, onroomschen; dus worden de Protestanten door de Roomsch-Katholijken genoemd.

Acatoposis,

onvermogen om te drinken, of in 't algemeen om te slikken.

Acatharsia,

onreinheid, onzuiverheid.

Acathistisch,

smeekend.

Acatium,

boot, waarvan zich de Ouden tot oorlogsondernemingen bedienden.

Accableren,

overladen, bezwaren, belasten, nederdrukken. Met bezigheden belast, bezwaard zijn. Iemand met verwijten overladen. Geaccableerd, ter neder gebogen of gedrukt, door zware rampen en tegenspoeden.

Accalia,

Larentalia, een feest, hetwelk de Romeinen jaarlijks den 23 December ter eere van Accalarentia, de vrouw van Faustulus en zoogster van Romulus en Remus, vierden.

Accapareur,

Fr., opkooper van waren, inzonderheid van levensmiddelen. Woekeraar.

Accelerando,

Ital. (muz.), met toenemende snelheid. Acceleratie, bespoediging, snelle voortgang. Accelereren, bespoedigen.

Accendones,

de opzigters over de kampvechters bij de Romeinen, die dezelve tot den strijd aanmoedigden en aanwakkerden.

Accensi,

te Rome dienaren in den raad en uitroepers van de uren.

Accent,

toon der stem in het spreken; zekere uitspraak, als, wanneer men zegt: hij heeft een slecht of goed accent; toonteeken eener lettergreep; de nadruk des toons in de muzijk. Accentuatie, de regte plaatsing der accenten. Accentueren, met accenten teekenen; behoorlijk uitspreken, Accentus ecclesiastici, Lat., de stembuiging bij het zingen der altaargezangen.

Accepta,

wat men ontvangen heeft, de ontvangst; data et accepta, ontvangst en uitgaaf. Acceptabel, acceptable, Fr., aannemelijk, wat aangenomen kan worden. Acceptant, degene, die eenen wisselbrief aanneemt, en met het woord geaccepteerd, en met zijnen naam onderteekent, en zich daardoor verbindt, om, op den vervaldag, te betalen. Acceptant per honor di littera, of del giro, is diegene, welke, zonder zelf de betrokkene te zijn, uit vriendschap of genegenheid, eenen wissel aanneemt, en zich verbindt, om denzelven te voldoen. Acceptatie, aanneming, het aannemen, b.v., van eenen wissel, om denzelven op den bepaalden tijd te voldoen. Accepteren, aannemen, ook onderteekenen, b.v., eenen op ons getrokken wissel.

Acceptilatie,

kwijtschelding bij kwitantie, of schriftelijke verklaring van de ontvangst eener in der daad niet ontvangene zaak.

Acces,

toegang tot iets - tot eenig gezelschap of collegie, de vrijheid, om bijeenkomsten en vergaderingen bij te wonen, zonder tot hare leden te behooren. Het beteekent ook de vrijheid, om over een meisje te verkeeren, als: hij heeft acces bij de dochter van mijnen vriend. Accessibel, accessible, Fr., genaakbaar, toegankelijk. Accessist, iemand, die zonder bezoldiging bij eenig collegie aangesteld is, en de toezegging heeft eener

[p. 9]

werkelijke plaatsing.

Accès,

aanval.

Accessit,

hetgeen bij eene andere zaak gevoegd wordt, of in rang op iets volgt. Het accessit bekomen wordt gezegd, wanneer eene verhandeling, over eene opgegeven prijsvraag, niet den uitgeloofden prijs, maar echter waardig gekeurd is, om bij de bekroonde verhandeling, of verhandelingen, gevoegd, en gedrukt te worden.

Accessoir,

hetgeen bij iets komt, bijkomend.

Accidens,

Lat., accident, F., toeval, voorval. Het wordt altoos in eenen kwaden zin genomen, tenzij eenig bijvoegsel eene andere beteekenis daaraan geve. In de redeneerkunde is een accidens iets, dat niet tot het wezen eener zaak behoort, doch zonder een wezen niet zijn kan; toevallige gesteldheid eens dings, die der zaak niet eigen is. In de schilderkunst, de afbreking der zonnestralen door eene daar voor drijvende wolk; ook datgene, hetwelk niet van het hoofdlicht, maar van een tegenover staand venster, of van eenen fakkel, enz. ontstaat. Per accidens, par accident, bij toeval. - Accidenteel, accidentel, F., toevallig, hetgeen niet aan zekere wetten onderworpen is. - Accidentellement, toevalligerwijze, bij toeval.

Accidentalen,

eene sekte, die tegen de substantientalen overstond. Deze hielden de erfzonde voor een zelfstandig boos wezen, voor eenen inden mensch tegenwoordigen duivel, die in den doop moest uitgedreven worden; gene daarentegen voor eene van Adam overgeërfde toevallige gebrekkelijkheid.

Accijs,

accise, Fr., eene geregtelijke belasting op levensmiddelen en zulke waren, welke door het gebruik verslijten; ook de plaats, waar de accijsbedienden bijeenkomen, en waar de accijs betaald wordt.

Accismus,

weigering, wanneer men bedieningen en eer, om zekere redenen, in schijn afslaat, ofschoon het blijkt, dat men dezelve begeert.

Acclamatie,

acclamatio, Lat., acclamation, Fr., vreugdegeroep, blijde toeroep bij den intogt van personen; algemeene goedkeuring ook benoeming tot iets, zonder stemming.

Acclimatiseren,

aan het klimaat gewennen.

Accoglienza,

accoglio, het met betaling vereeren van een' wissel. Vriendelijke ontvangst van een' aanbevolen persoon.

Accolade,

omarming, omhelzing, waarmede in Engeland, de nieuwe ridders, van de zijde des Konings, vereerd worden. Ook in de kookkunst, twee gebraden konijnen, welke zoo opgedaan zijn, als of zij elkander omhelsden: ook eene streep, waarmede men meerdere woorden of regels vereenigt.

Accommoderen,

te regt maken, in orde brengen; herbergen, onthalen; elkander verstaan, overeenkomen, een geschil bijleggen; zich schikken; ook kappen opmaken, het haar in orde brengen. Accommodement, Fr., de inrigting van een huis tot gemak; ook het treffen van een vergelijk. Accommodage, Fr., toebereiding eener zaak, in orde brenging van een kapsel; het loon daarvoor. Accommodable, hetgeen in der minne bijgelegd of geschikt kan worden. Accommodant, buigzaam, toegevend, inschikkelijk.

Accompagneren,

begeleiden, gezelschap houden, medegaan; met iemand zingen of spelen; hem, die zingt of speelt, met de stem of eenig speeltuig begeleiden. Accompagnement, Fr., verzelling, geleide, gevolg; hetgeen men met een' ander speelt of zingt. Ook het uiterlijke sieraad om een wapenschild.



[p. 10]

Accompleren,

vervullen, voltooijen

Accoord,

(Muz.) het zamenluiden van meerdere toonen, en deze toonen zelve; ook het zamenklinken van meerdere speeltuigen. Figuurl. een verdrag of vergelijk wegens het leveren van werk en waren; ook het verdrag eens schuldenaars met zijne schuldeischers, om iets voor het geheel te nemen. Accoordzijn, overeenstem men. Accorderen, te zamen klinken, van toonen; ook overeenstemmen, zich schikken. Toestaan, bewilligen. De rekeningen accorderen, dezelve met elkander vergelijken, om te zien, of zij overeenkomen. In de schilderkunst heet de kleuren accorderen, dezelve verzachten.

Accouchement,

Fr., bevalling eener kraamvrouw; de verloskunst. Accouchement par force, verlossing door middel van instrumenten. Accoucheur, vroedmeester; accoucheuse, vroedvrouw. Accoucheren, eene vrouw in barensnood bijstaan, helpen, haar verlossen; ook in de kraam komen, baren, verlost worden.

Accrediteren,

bewaarheden, getuigen, in crediet, in aanzien brengen, vertrouwen verschaffen; geaccrediteerd, aanzienlijk, geloofwaardig. Geaccrediteerde Ministers, met volmagt van hunne principalen voorziene Ministers, om aan een ander Hof iets te verrigten, of uit te werken. Een geaccrediteerd schrijver is een schrijver, die geloof verdient.

Accresceren,

aanwassen; aanbesterven, te beurt vallen. Jus accrescendi, het regt van aanwas, hetwelk plaats heeft tusschen medeërfgenamen en medelegatarissen, van te nemen of te houden het gedeelte van dengenen, die hetzelve weigert te ontvangen, of niet kan aanvaarden.

Accrocheren,

(in den kooph.) aan iets stooten: hieraan accrocheert zich de koophandel.

A crochet,

Fr., waardoor men blijken van wellevendheid geeft. Un compliment à crochet, eene beleefdheid, eene vleijerij, of lof, betoond of toegezwaaid, met oogmerk, om dezelve insgelijks te ontvangen,

Accueil,

Fr., onthaal, bejegening van eenen gast; ontvangst van eenen wissel, enz. Accueilleren, aannemen, ontvangen, opnemen.

Accumuleren,

ophoopen, opstapelen, vermeerderen. Accumulatie, ophooping, vermeerdering.

Accuraat,

zorgvuldig, bedachtzaam, stipt, naauwkeurig. Accuratesse, liefde tot orde, naauwkeurigheid.

Accusatie,

klagt, aanklagt. Accuseren, klagen, aanklagen, beschuldigen, schelden. Melden, berigt geven: de ontvangst van eenen brief accuseren.

Accusatief,

accusativus, Lat., de vierde naamval van iedere declinatie, of verbuiging der naamwoorden, in de spraakkunst.

Acdah,

Azlam, zekere waarzeggingspijlen, van welke zich de Arabieren van Mahomed bedienden, wanneer zij in gewigtige aangelegenheden de priesters wilden raadplegen. Drie derzelve bevonden zich in eenen zak, op den eenen stond niets, op den anderen mijn heer gebiedt, op den derden mijn heer verbiedt mij, en één daarvan werd door de priesters er uit getrokken,

Aceirocomos,

bijnaam van Apollo, als zonnegod.

Acephalen,

eene sekte in de 6e eeuw, die geene overheid wilde erkennen, en beide naturen in Christus vermengde.

Acephalisch,

akephalisch, zonder hoofd of kop, zoo als bij pilaren, zuilen, en ook bij zekere wormen. Ook wordt het figuurlijk van menschen gebezigd.



[p. 11]

Acerides,

zalven of pleisters, die geen was bevatten.

Acerveren,

ophoopen.

Acescentia,

zulke voedsels en artsenijen, welke ligtelijk in zuren overgaan.

Acesia,

of liever Acesis, de genezing enz. In de middeleeuwen bestempelde men ook met dien naam eene uit kinderharen bereide artsenij.

Achaemeniswortel,

een tooverwortel, welke de kracht zou bezitten, om iemand vrees en schrik aan te jagen, ja zelfs om eene gansche armee op de vlugt te drijven.

Acharistie,

ondank, ondankbaarheid.

Acharya,

een priester, die de jonge Braminen onderwijst, en hen, na hen met den offergordel omgord te hebben, met de heilige boeken bekend maakt.

Achates,

togtgenoot van den Trojaanschen Prins Aeneas; figuurl. getrouwe vriend en raadgever; ook wegwijzer.

Achea,

bijnaam van Ceres, haar gegeven, om haar hartzeer over de schaking harer dochter Proserpina uit te drukken.

Achelous,

halfgod bij de Grieken en Romeinen. Liefde tot de schoone Dejanira haalde hem een tweegevecht met Hercules op den hals, als wanneer hij zich, om zijnen meervermogenden tegenstander te ontwijken, in eenen stier veranderde. Hercules brak hem eenen hoorn af, waaruit naderhand de nimfen den hoorn des overvloede vervaardigden. Van schaamte stortte zich de overwonnene in eene rivier, die naar hem haren naam ontving.

Acheron,

in de fabelleer, eene van de vier voornaamste rivieren der benedenwereld. De overige drie heeten: styx, cocytus en phlegeton. Over den acheron, of, naar het gevoelen van anderen, den styx, voer de oude barsche schipper Charon de zielen der afgestorvenen, in eene oude boot naar de plaats harer bestemming over; figuurl. de hel. Flectere si nequeo superos, acheronta movebo, wanneer de hemel niet helpt, mag de hel hulp verleenen.

Achguayaxerax,

d.i. behoeder aller dingen, is de naam van het hoogste Wezen bij de oorspronkelijke bewoners van het eiland Teneriffe, aan hetwelk zij ook den naam van Achuhurahan, de grootste en Achuhuchanar, de hoogste geven.

Achilles,

een der helden, die Troje belegerd hebben; ook de groote pees aan de voetzolen, tendo Achillis. In de redeneerkunde, de hoofdbewijsgrond. (argumentum achilleum).

Achroi,

bleeke, bleekkleurige menschen.

Achromatisch,

verweloos, zonder kleuren. Een achromatische verrekijker, waarin de afwijking, wegens de breekbaarheid der lichtstralen, voorgekomen en het beschouwde voorwerp, zonder valsche kleuren, vertoond wordt.

Achronisch,

hetgeen bij den nacht geschiedt; achronische punten aan den hemel, welke regt tegenover de zon, of een gesternte, staan, zoodat, wanneer het eene opgaat, het andere ondergaat.

Achrostichon,

gedicht, waarin de eerste letters der regels zekere namen vormen.

Achtariel,

een van de 3 engelen, die volgens de Talmudisten de, in de hebreeuwsche taal verrigte, gebeden der Joden in kransen of kroonen winden en deze op het hoofd van God zetten. De twee overige engelen heeten Matatron en Sandalfon.

Acidalia,

een bijnaam van Venus, dien zij van Acidalius, eene bron in Baeötië ontving, alwaar zij

[p. 12]

door de gratiën bediend werd.

Acidalus,

eene bron in Campanië wier water den naam had, van de oogziekten te genezen.

Acidum,

zie Alcali.

Acinesie,

onbewegelijkheid, die door eene beroerte, eene onmagt of flaauwte, in het gansche ligchaam, of in eenig deel van hetzelve, wordt te weeg gebragt.

Aciurgie,

de operative heelkunde, voornamelijk in zoo verre zij zich met bloedige kunstbewerkingen bezig houdt.

Acmanen,

nimfen, die door hare vrolijkheid en opgeruimdheid dezen naam bekwamen.

Acmasticus,

tot den hoogsten graad opklimmend; inzonderheidten aanzien van zulke ziekten (b.v. febris acmastica) gebezigd, die op het hoogst klimmen en dan plotseling met den dood of met de genezing eindigen.

Acme,

de 3e periode eener ziekte.

Acne,

eene wen in het aangezigt.

Acnestis,

bij de vierv. dieren, de plaats, waar de schouderbladen elkander van boven aanraken.

Acoenoi,

monniken in de 5e eeuw, die zich gestadig met geestelijke oefeningen en lofzangen bezig hielden.

Acolast,

een liederlijk, onbeschaamd mensch.

Acologie,

de gehoorleer.

Acoluthi,

Acolythen, geestelijken in de Roomsche kerk, van de geringste klasse, welke den bisschop in de kerk bedienen; ook ondergeschikte medegenooten, helpers, spitsbroeders.

A conto,

op rekening.

Acopum,

zalf, om de ledematen mede te smeren, tegen de vermoeidheid; in het algemeen, ieder uitwendig pijn stillend middel.

Acormosus,

zonder steel, stam.

Acosenie,

ziekelijke toestand des ligchaams, met eene veranderde leelijke kleur gepaard gaande.

A costi,

heet bij de kooplieden de plaats, naar welke geschreven wordt, om dezelve niet zoo dikwijls te noemen.

Acquiesceren,

iets toestemmen, goedkeuren, ergens in bewilligen, zich geruststellen, tevreden zijn. Acquiescens, geruststelling, bevrediging.

Acquirent,

verkrijger. Acquireren, erlangen, verwerven, bekomen. Acquisitie, koop, aankoop, verkrijging, eigendom.

Acquis,

Fr., geschiktheid, vaardigheid, verkregene kunde. Dit mensch heeft acquis, bezit veel geschiktheid.

Acquit,

Fr., quitantie, kwitantie, of kwijtbrief; acquit à caution. kwitantie onder borgtogt, acquit de douane, tolcedel. Onder eene rekening beteekent pour acquit, of bon pour acquit, den inhoud ontvangen, of voldaan. Acquit, in het biljartspel, de eerste stoot, of de bal, die uitgezet is. Acquitteren (zich van iets), iets verrigten, tot stand brengen; b.v., hij heeft zich wel daarvan geacquitteerd, hij heeft het goed uitgevoerd.

Acradophorus,

bijnaam van Bacchus.

Acraea, Acraeus,

een bijnaam van Venus en Jupiter, gelijk ook andere Goden den bijnaam Acreiontvingen, wanneer zij in tempels, op bergen gebouwd, vereerd werden.

Acranius,

die geenen schedel heeft, een zoogenoemde acephalus, wien alleenlijk de schedel ontbreekt, gelijk aan sommige eijeren de schalen.

Acrasia,

slechte vermenging (eigenlijk in 't geheel geene vermenging) der sappen.

Acrasie,

oningetogenheid, of onmatigheid in het eten, drinken en andere genietingen.

Acratia,

het onvermogen (b.v. om over zich zelven te heerschen of iets te verrigten), de zwakte, onmagt.



[p. 13]

Acresie,

onregelmatige loop eener ziekte.

Acreté,

scherpte, bitterheid, wrangheid, stekeligheid.

Acretorien,

kleine voetstukken aan de gevels, om er heelden op te plaatsen.

Acribia,

term in de bouwkunde, naauwkeurige waarneming deswinkelhaaks, der lineaal, der loodlijn; ook stiptheid.

Acridophagi,

Gr., volkeren in de Oostersche landen, die bijna alleen van sprinkhanen leefden.

Acrimonie,

scherpte, bitterheid.

Acrisia,

akrisie, verwarde toestand eener ziekte, waaruit men niets zekers kan besluiten.

Acroamatisch,

geheim, terughoudend, van zulke dingen gebruikelijk, waarvan de oudste wijsgeeren hunnen vertrouwdsten leerlingen slechts iets openbaarden; ook: hetgeen zonder mondelijk onderrigt nietverstaan kan worden. Acroamatisch bewijs, volgens Kant, een bewijs, hetwelk op begrippen steunt.

Acroaterium,

eene gehoorzaal.

Acroatisch,

dat gedeelte der wijsbegeerte van Aristoteles, hetwelk de fijnste en diepste onderzoekingen uit de leer der rede en der natuur bevat, in tegenoverstelling van exoterisch.

Acrobaten,

koordedansers, in de schouwspelen der ouden.

Acrochir,

het uiterste einde der hand, de vingertoppen; somwijlen ook de wortel der hand.

Acrochordon,

eene, inzonderheid aan de oogleden voorkomende, pijnlijke, aan eenen als 't ware snaarachtigen steel hangende wrat, of dergelijk uitwas.

Acroliten,

bij de Ouden, standbeelden, aan welke slechts de uiterste deelen, zoo als het hoofd, de handen en voeten van marmer waren, maar het overige van hout.

Acromialis,

tot den acromion, tot den schouder behoorende.

Acromonogrammaticum,

een gedicht, welks verzen telkens met de laatste letter van het voorgaande vers beginnen. Acromonosyllabicum, wanneer de verzen met de laatste lettergreep van het voorgaande vers beginnen.

Acronyctisch,

westelijk, schemerachtig, laat.

Acrooma,

iets, waarnaar men aandachtig luistert, of ziet, om daaruit iets te leeren, of zich daarmede te vermaken.

Acroomatisch bewijs,

(in de wijsbeg.) een bewijs uit de beschouwing van het algemeene in het afgetrokkene.

Acropathos,

ziekte van een der bovenste deelen des ligchaams, - Bij Hippocrates eene (niet nader bepaalde) ziekte van den mond der baarmoeder,

Acropsilon,

een aan het eind ontbloot lid, b.v. de van de voorhuid ontbloote of besnedene mannelijke roede.

Acropsolos,

iemand, die het mannelijk lid ontbloot heeft, die tot bijslaap hevig opgewekt is; een ontuchtig mensch, een besnedene, een Jood.

Acrostichon,

een gedicht, waarvan de beginletters der coupletten of regels eenen naam vormen.

Acroteria,

de uiterste leden des ligchaams.

Acroteriasmos,

hetzelfde als amputatie.

Acrothiniën,

de dingen, welke de Grieken van den gemaakten buit plagten af te zonderen, om ze aan de Goden te offeren.

Acrydophagen,

sprinkhanen-eters, een naam aan oude volken gegeven, die zich voornamelijk met sprinkhanen voedden.

Acryologie,

term in de muzijk, wanneer eene gedachte ongeschikt voorgedragen wordt.

Act,

handeling; dat gedeelte van een schouwspel, waarin de handeling

[p. 14]

onafgebroken voortgaat.

Acta apostolorum,

de handelingen der Apostelen.

Acta diurna publica,

waren in Rome eene soort van nieuwstijdingen, (couranten) of openbare berigten, waarin men inquisitie-processen, teregtstellingen, huwelijken en sterfgevallen bekend maakte.

Actaeon,

naam eens jagers, die de godin der jagt, Diana, naakt in het bad bespiedde, daarvoor door haar in eenen bok veranderd, en van zijne eigene honden verscheurd werd; ook een horendrager. Actaeoniseren, hoornen opzetten.

Actaeus,

bijnaam van Apollo; de naam van eenen der Telchinen of der zes booze geesten der Grieken.

Acten,

schriftelijke (zamengevoegde) geregtelijke verhandelingen, protocollen, enz. Acte, in Engeland, een door den Koning bekrachtigd parlementsbesluit, bill. Act of confirmity, eene bill in Grootbrittanje, welke alle diegenen van openbare ambten en staatsbedieningen uitsluit, welke tot de bisschoppelijke kerk behooren. Acte van indemniteit, van bevrijding, of schadeloosstelling, waarbij men aanneemt en belooft, een' ander te bevrijden of schadeloos te stellen voor de gevolgen eener zekere daad.

Acteur,

tooneelist, iemand die op het tooneel speelt. Actrice, tooneelspeelster.

Actia,

een feest ter eere van Apollo, die ook den bijnaam Actius had.

Acti labores jucundi,

Lat., na gedanen arbeid is het goed rusten.

Actie,

dat aandeel, hetwelk iemand in eene handelmaatschappij, of andere verbindtenis neemt, welke kapitalen tot hare ondernemingen gebruikt; alsmede de obligatie, welde iemand voor dit zijn aandeel bekomt, in zoo verre dezelve weder een voorwerp des handels is; in het meerv. actiën; van daar de actiehandel. De Engelsche staatsactiën heetten stocks. De stocks, of actiën, zijn gedaald of gerezen. Actionist, iemand, die geld op actiën gegeven heeft; ook een actiehandelaar. Actioneren, aanklagen, iemand voor het geregt dagen.

Actie,

eene handeling; ook een gevecht, eene schermutseling. In de natuurkunde, de werking, actio en reactio, werking en tegenwerking. Ook, in de schoone kunsten en wetenschappen, de uitdrukking der gedachten, door stem en gebaren, die niet in den zin der woorden, maar in den toon, in de gebaren en in het gelaat des redenaars ligt. Ook gebruikt men dit woord in de schilderkunst, wanneer de figuren levendig, schoon, en met het onderwerp strookende, uitgedrukt zijn.

Actief,

werkzaam. Activa, eigen vermogen van geld, koopwaren en vaste panden. Active schulden, uitstaande schulden, in tegenoverstelling van passive schulden, d.i. hetgeen men zelf schuldig is. Active handel, zegt men, wanneer een staat zijne eigene ontbeerlijke producten naar andere Landen uitvoert, en vreemde waren of baar geld daarvoor in de plaats bekomt, in tegenoverstelling van passive handel.

Activum,

in de spraakkunst, een werkwoord, hetwelk een doen of eene handeling uitdrukt, als slaan, geven, enz.

Actorium,

eene volmagt, welke voogden, kerkbezorgers, syndici der gemeenten, of mondige vrouwen eenen anderen geven, om hunne zaken te verrigten.

Actuarius,

iemand, die den regter in diens ambtsverrigtingen behulpzaam is, de acten en protocollen te houden heeft, ook somwijlen in naam van den regter regtspreekt en dan geregtsvoerder heet. - Bij de Romeinen eene soort van proviandmeester, welke aan de soldaten

[p. 15]

hunne levensbehoeften uitdeelde.

Actuatie,

heeft bij de artsenijmiddelen de aan den dag legging der werking op het ligchaam.

Actueel,

werkelijk, tegenwoordig; ook werkzaam, dienstdoend; actuellement, Fr., dadelijk, tegenwoordig.

Actus,

Lat., handeling, bedrijf, het gebeurde, voorval, geschiedenis; actus continuus, in de regtsgeleerdheid, eene onafgebroken voortdurende handeling, b.v., het maken van een testament; actus proximus, zegt men, wanneer eene onderneming nog verre na niet uitgevoerd is; actum ut supra, gedaan als boven. Actus, op de scholen, eene oefening in de mondelijke voordragt. Actus ministeriales, ambtsverrigtingen, inzonderheid der geestelijken, als doopen, enz.

Acuaniten,

werden de Manicheërs, naar Acus, een hunner leermeesters, genaamd.

Acueren,

scherpen.

Acupunctuur,

die kunstverrigting bij rheumatische of jichtige pijnen, met eene gouden of andere naald in het pijnlijke deel te steken.

Acusmatiken,

Acustiken, Exoteriken, heetten die leerlingen van Pythagoras, welke eerst aanvingen, zijne leeruren te bezoeken. Achter eene gordijn droeg hij hun, of liet hij hun ook door een' ander zijne leer voordragen, zonder dezelve met de noodige bewijzen te staven. De leerlingen moesten stil en zonder een woord te spreken toehooren en gelooven, en geraakten eerst, naar gelang hunner bekwaamheden, na verloop van 2. 3 of 5 jaren in de hoogere klasse der Exoteriken, als wanneer Pythagoras voor hen zigtbaar werd, en het hun toegestaan werd, te vragen en over hetgeen zij gehoord hadden, hunne meening te zeggen.

Acutangulum,

Oxygonium, een scherphoekig ligchaam of figuur.

Acuto,

(in de toonk.) hoog.

Acutus,

het scherpe toonteeken (').

Acuut,

noemt men die gevaarlijke heete ziekten, waaraan vaak slechts binnen weinige dagen de lijder sterft, of weder daarvan opkomt. De gevaarlijke worden peracutus, de gevaarlijkste perperacutus genaamd.

Acyanoplepsia,

het onvermogen om blaauw te kennen,

Acyesis,

de onvatbaarheid om (bevrucht te worden) te baren.

Acyrologie,

(rhet.) wanneer men van de regte beteekenis afwijkt.

A.D.,

ante diem, vóór den bepaalden dag, termijn.

Ad absurdum,

brengen, aantoonen, dat de bewering des tegenstanders belagchelijk of ongerijmd is.

Ad acta,

bij of tot de acten of schriftelijke, geregtelijke verhandelingen.

Adad of Adod,

een God bij de Assyriërs, onder wiens beeld zij de zon goddelijke eer bewezen; gelijkerwijze zij onder den naam Adergatis, die zij hem ter vrouwe gaven, de aarde aanbaden.

Adaequaat,

volkomen, volledig; de volkomene overeenstemming eener zaak met eene andere. In de wijsbegeerte zijn adaequate denkbeelden enz. dezulke, welke de stof ten eenen maal uitputten, en den hoogsten graad van volkomenheid bereikt hebben; causa adaequata, volkomene oorzaak, welke ter voortbrenging eener zekere werking toereikend is. Adaequeren, gelijk, effen maken.

Adagio,

deze term in de muzijk duidt aan, dat het stuk, hetwelk dezen naam voert, langzaam gespeeld moet worden; echter niet zoo langzaam, als een Largo. Adagio assai, of de molto, zeer langzaam. Adagio-adagio, allerlangzaamst.

Adagiarius,

iemand, die zich altoos

[p. 16]

van spreekwoorden bedient; van adagium, spreekwoord.

Ad altiora,

tot gewigtiger zaken overgaan; tot eenen hoogeren trap opklimmen.

Adamische aarde,

terra adamica, heet, in de natuurlijke historie, eene taaije, slijmerige en olieachtige stof, welke in de zee en in iederen vloed nederdaalt, en den grond, na het afloopen des waters, slibberig maakt.

Adamiten,

oude ketters, die, gelijk Adam voor den val, naakt gingen. Praeadamiten, menschen, die voor Adam zouden geleefd hebben.

Ad amussim,

naar het rigtsnoer, naar de maat, stiptelijk.

Ad animum revoceren,

ter harte nemen.

Adar,

bij de Hebreëren, de maand Februarij.

Adar viadne,

eene maand in den almanak der Joden, die somwijlen tusschen den Schebet en Adar, onze Januarij en Februarij, ingelascht wordt, om het maanjaar aan het zonnejaar gelijk te maken.

Ad corpus,

over 't geheel, door elkander.

A dato,

van den dag.

Ad bene placitum,

naar welgevallen, zoo als iemand het heeft willen hebben.

Ad calendas graecas,

heet zoo veel als nooit.

Ad captum vulgi,

voor het algemeen verstaanbaar; naar de vatbaarheid van den gemeenen man.

Adde,

men doe er nog bij; in de voorschriften der geneesheeren; anders addatur.

Ad deliberandum,

nemen, iets in beraad nemen, zich op iets bedenken.

Addephagia,

de veelvraterij, werd in Sicilië als eene godin vereerd. Onmatige eetlust (voracitas), als een gevolg van eene ziekelijke gesteldheid des ligchaams.

Addephagus,

bijnaam van Hercules, wijl hij eens bij een gastmaal eenen geheelen os opat. Addephaag, een mensch, die onmatig eet.

Adderen,

vermeerderen, bijdoen, bijeen rekenen. Additie, vermeerdering, bijvoeging. Addenda, bijvoegsels, of hetgeen in een geschrift vergeten is, en aan het einde daarbij gevoegd wordt. Additament, bijvoegsel, toegift. Additioneel, hetgeen naderhand bijgevoegd is.

Addiceren,

toekennen, toeëigenen, in handen stellen, overgeven; addictio bonorum, toeëigening en overgaaf van goederen.

Adduceren,

aanvoeren, bijbrengen, tot zich trekken.

Adductoren,

de spieren, door middel van welke een lid naar het ligchaam wordt toegetrokken; daartegen zijn abductoren zulke, door welke het daarvan afgetrokken wordt.

Addupliceren,

verdubbelen, dubbel maken.

Adelitten,

waarzeggers bij de Spanjaarden, die uit de vlugt der vogels en de ingewanden der dieren de toekomst voorspelden.

A demi,

Fr., voor de helft, gelijke winst en verlies.

Adelphia,

verbroederd, noemt men onder de planten die klasse, welker meeldraadjes onderling zamengegroeid zijn.

Adelphixia,

Adelphixis, de verbroedering; bij Hippocrates: een enger verband (consensus arctior) tusschen verscheidene deelen des ligchaams.

Ademtio,

(regtsgeleerdh.) ontneming, onttrekking, herroeping. Ademtio civitatis, verbanning uit de stad; legatorum, onttrekking der nalatenschap; libertatis, berooving der vrijheid.

Adenemphraxis,

klierverstopping.

Adenitis,

ontsteking (ook wel zwelling) eener klier.

Adenochirapsologia,

de leer van

[p. 17]

het (voorgewende) vermogen (der Koningen van Engeland), om de kropgezwellen door aanraking met de hand te genezen.

Adept,

iemand, die den steen der wijzen meent gevonden te hebben, goudmaker.

Ades,

ook Hades, bij de Grieken hetzelfde, wat bij de Romeinen Pluto was, de derde zoon van Kronos (Uranos) en Rhea, Jupiters broeder enz.

Adespota,

zoo wel goederen, die zonder bezitter zijn geraakt, als zulke, die nog geenen eigenaar gehad hebben, of van welke hij onbekend is, b.v. een gevonden schat.

A dessein,

Fr., opzettelijk, met oogmerk.

Adesso,

Ital., terstond, dadelijk.

Ad excipiendum,

Lat., om tegenwerpingen bij te brengen.

Ad exemplum,

Lat., ter navolging, ten voorbeeld.

Ad extrema,

Lat., op het uiterste.

Adhaereren,

aanhangen, aankleven, navolgen, gewennen, het met iemand houden; een gevoelen aankleven, zich daarvoor verklaren, hetzelve voor het zijne aannemen. Adhaerent, aanklever. Adhaesie, aanhanging.

Adhiberen,

gebruiken, toelaten, aanwenden; ook geven, verleenen, toevoegen.

Ad hominem,

zie bij argumentum.

Adhorteren,

aanmanen. Adhortatie, aanmaning. Adhortatoria, vermaningsbrief.

Adiaphora,

handelingen, die noch goed noch kwaad zijn, en die, zonder kwetsing van het geweten en der eerbaarheid, kunnen plaats hebben; b.v. dansen.

Adiaphoristen,

zoo werden, kort na de kerkhervorming, die Lutheranen genoemd, welke het onverschillig achtten, eenige ceremoniën der Roomsche kerk te behouden, en verscheidene hunner leerstellingen, welke geene volstrekte geloofsartikels zijn, al of niet aan te nemen, - Tegenwoordig bedient men er zich nog somwijlen van, om eenen mensch aan te duiden, voor wien de godsdienst met hare leerstellingen onverschillig is.

A di, a die, a dy,

van den dag, den dag der maand, bij wisselbrieven gebruikelijk.

Adiapneustie,

belette uitwaseming,

Adiastasie,

de innigste, onmiddellijke tegenwoordigheid van God bij de schepselen, zoo wel naar zijn wezen, als naar zijne werking.

Adicos,

bijnaam van Venus, zoo veel als onregtvaardige beteekenende.

Adidi,

volgens de Indische fabelleer de gemalin van Kasyapa, welke ook de moeder der goden genaamd wordt, en 2 zonen baarde, die Adityas of Adidinanana heetten, naar welke de Indiërs hunne maanden genoemd hebben. Als allegorie beduidt Adidi de oorspronkelijke dag en Kasyapa het oneindige ruim.

Adieu,

Fr., à dio, Ital., vaarwel! ook het afscheid zelf.

Adjectie,

(regtsgeleerdh.) vermeerdering van het aangebodene geld,

Adjectus solutioni,

degene, aan wien men, volgens den inhoud der obligatie, even zoo goed als aan den crediteur betaling doen kan, en voor zoo verre de crediteur het aan des schuldenaars eigene verkiezing heeft overgelaten, aan wien van beide hij betaling doen wil.

Adjiceren,

bijvoegen, bijdoen. In een contract buiten de hoofdzaak nog andere zaken bedingen.

Adilchisco of adilchisko,

stoel der geregtigheid, een troon met 12 treden, op welken een sultan in den oorlog het doodvonnis uitspreekt.

Adimpleren,

vervullen, volvoeren, voleinden,



[p. 18]

Ad infinitum,

Lat., tot in het oneindige.

Ad informandum,

Lat., om te berigten.

Ad instantiam,

op verlangen, aanzoek, begeerte.

Ad instar,

eveneens, van dezelfde gedaante.

Ad interim,

Lat., voor eenen tijd lang, als: secretaris ad interim.

Adipsie,

mangel aan dorst in heete koortsen; een teeken van krankzinnigheid.

Adithipugia of adithpudisjia,

een Indisch offer, waardoor zich twee gastvrienden tot wederzijdsche trouw en vriendschap verbinden.

Adjectief

(term in de spraakkunst), bijvoegelijk naamwoord, hetwelk voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt, b.v., een groot huis, de lange straat, het gehoorzame kind.

Adjourneren,

ajourner, Fr., adjourn, Eng., uitstellen, verschuiven, b.v., de vergadering is geadjourneerd. Adjournement, verschuiving eener zitting, b.v., des parlements, voor zekeren tijd.

Aditto,

Ital., op denzelfden dag.

Adjudant,

aide-major, Fr., een ondergeschikt officier bij een regement of batailjon, die de dienstbestellingen over het geheel bezorgt.

Adjudicatie,

geregtelijke toekenning. Adjudicatief, datgeen, waardoor iets toegekend wordt. Adjudiceren, toekennen, geregtelijk toezeggen.

Adjunct,

een ieder, die iemand, ter ondersteuning in zijne ambtsverrigtingen toegevoegd is, hetzij zulks voor altoos, of ter afdoening van zekere zaken plaats hebbe. Adjunctus sine spe, of cum spe, adjunct, zonder, of met hoop van opvolging. Adjungeren, iemand eenen anderen tot hulp in zijne bediening toevoegen, gemeenlijk met de hoop van opvolging (cum spe).

Adjureren,

iemand beëedigen; bezweren in iedere beteekenis van dit woord. Adjuratie.

Adjusteren,

zie Ajusteren.

Adjuto,

hulp, ondersteuning. Adjuvant, iemand, die helpt. Adjutorium, hulp, bijstand.

Adlecti,

diegenen bij de Romeinen, welke uit den ridderstand tot de waardigheid van Senator verheven werden. Ook was het eene algemeene benaming dergenen, welke men door kiezing in een collegie opnam.

Ad libitum,

Lat., (term in de muz.) beteekent, dat de plaats, waarboven deze woorden staan, geheel naar willekeur des spelers kan voorgedragen worden, zonder dat dezelve zich naar de maat behoeft te regelen. In het Italiaansch heet het: senza tempo, zonder maat.

Ad mandatum,

Lat,, op bevel.

Ad manus,

Lat., vaardig, bij de hand; ook voorhanden.

Ad marginem,

Lat., noteren, op den kant aanteekenen.

Adminiculum,

hulpmiddel. Bijzaak, bij omstandigheid. Bijkomendhulpmiddel tot het voeren van een onvolkomen bewijs.

Administreren,

besturen, waarnemen. Van daar administratie, voor de waarneming van een ambt, eenen regeringspost, of eenig ander bestuur, hetzij voor zich zelven, of in naam van een' ander. Administrateur, hij, die den eenen of anderen post waarneemt, of zekere zaken bestuurt.

Admiraal,

opperbevelhebber eener vloot: ook zijn schip. Admiraliteit, eene vergadering van deskundige mannen, die het oppertoezigt over het zeewezen hebben.

Admirabel,

admirable, Fr., wonderbaar, wonder schoon, lofwaardig; admiratie, bewondering; admireren, bewonderen.

Admirante,

in Spanje, de opperbevelhebber te water en te land.



[p. 19]

Admissibel,

admissible, Fr., aannemelijk, hetgeen men kan toelaten. Admissie, toelating tot, aanneming in eene dienst. Admitteren, toelaten, den toegang vergunnen, inwilligen.

Admittatur,

de schriftelijke getuigenis van hiertoe gelaste personen, dat iemand, na voorafgegaan onderzoek naar hem, een ambt, of de opneming in een gezelschap waardig is.

Admodieren,

leenen, uitleenen, verpachten. Admodiateur, Fr., pachter, iemand, die in pacht iets aanneemt, onder beding, om de daarvan komende voordeelen met den eigenaar te deelen. Admodiatie, zoodanige pachting.

Admoneren,

vermanen, herinneren, waarschuwen, straffen. Admonitie, herinnering, waarschuwing, straf.

Admoniteur,

in 't algemeen een waarschuwer.- In sommigekloosters een nieuweling (novice), wiens bezigheid daarin bestaat, om anderen aankomenden monniken hunnen pligt te herinneren. - Een aan den generaal der Jezuiten toegevoegd lid der orde, hetwelk in last heeft, om hem in het oog te houden en des noods te vermanen.

Admoveren,

naartoe brengen, bijbrengen.

Ad notam,

Lat., eene zaak opmerken, in gedachten houden. Adnotatie, opteekening, opmerking, Adnoteren, opteekenen, opmerken.

Ad oculum,

of ad oculos, Lat., demonstreren, klaar voor oogen stellen, duidelijk aantoonen.

Adonai,

Hebreeuwsche naam van God.

Adonis,

een Syrische prins van voortreffelijke schoonheid. Hij werd door een wild zwijn gedood, en zou in eene schoone bloem veranderd zijn. Hem ter eere werden er jaarlijks treurfeesten (adonia) door de Grieksche vrouwen gevierd.

Adonnah,

van de zeven aardbollen of werelden, welke de Talmudisten onderstellen, de 2e van onderen op, op welke Adam, nadat hij het eerst uit het paradijs in de onderste wereld, Erez Hattachtona, was verdreven geworden, 130 jaren doorbragt, vervolgens echter drie werelden rondging, totdat hij op de Tebhol kwam, de 7e en hoogste van allen, die wij bewonen.

Adontagra,

een door den Engelschman Richard Reece uitgevonden instrument om de tanden te trekken.

Adoptianen,

eene sekte in de 8e eeuw, in Spanje, die naar den bisschop Felix van Urgel, eenen harer voornaamste leeraars, ook Felicianen genoemd worden. Zij beweerden, dat Christus, volgens zijne goddelijke natuur, wel werkelijkde Zoon, maar, volgens zijne menschelijke natuur, slechts diens aangenomen Zoon zou zijn.

Adoptie,

Adoptio, Lat., (Regtsgel.) eene met zekere plegtigheden gepaard gaande, geregtelijke handeling, waardoor iemand eenen anderen persoon in zijne familie als zijnen zoon aanneemt, en hem daardoor het erfregt verzekert. Staat de aan te nemen persoon niet meer onder de vaderlijke magt, dan heet de daad van aanneming adrogatie. Van daar de woorden adopteren en adrogeren, welke zich gemakkelijk laten onderscheiden. Adopteren wordt echter ook omtrent gevoelens, grondstellingen en gezindheden gebezigd.

Adoptieloge,

vrijmetselaarsloge, die door de eerste of moederloge als echt erkend wordt.

Adorabel,

adorable, Fr., aanbiddenswaardig. Adoratie, aanbidding. Adoreren, aanbidden: eenen nieuw verkoren Paus adoreren, wordt van de Kardinaals gezegd, wanneer zij hem, terstond na de verkiezing, eerbied bewijzen, door

[p. 20]

hem driemalen de regterhand en den regtervoet te kussen.

Adoran,

het heilige vuur, hetwelk in de tempels der Parzen in een metalen vat, Atesch-Dan, bewaard werd.

Adorneren,

opschikken, opsieren.

Ados,

Fr., tegen eenen muur schuins opgeworpen aarde, waarin de vruchten beter groeijen en eerder rijp worden.

Adouceren,

verzachten, lenigen, verzoeten; ook bij de onderscheidene werken der kunstenaars; het ruwe en ongelijke daarvan wegnemen. Adoucissement, Fr., verzachting, verzoeting, leniging; bij de schilders, het verzachten, of wegnemen der omtrekken.

Ad palatum,

naar believen, zoo als men verkiest.

Ad partem,

met ieder gedeelte afzonderlijk (handelen).

Ad patres,

gaan sterven.

Ad perpetuam rei memoriam,

Lat., ter eeuwige gedachtenis.

Ad pias causas,

tot weldadige gestichten, zoo als kerken, scholen, gasthuizen enz.

Ad pios usus,

Lat., tot een godsdienstig gebruik.

Ad podus omnium,

Lat., op recepten, of voorschriften der Artsen, wil zeggen: dat de laatstgenoemde artsenij, in gewigt zoo veel als alle voorgaande bedragen moet.

Ad producendum et liquidandum,

Lat., ter opgaaf en vereffening der schulden.

Ad profitendum et liquidandum credita,

eene, in de geregtelijke dagingen der crediteuren, gewone formule, welke beteekent: tot opgaaf en vereffening hunner schuldvorderingen.

Ad propositum,

Lat., tot het voornemen, tot de zaak zelve.

Ad quaestus,

vermogen: als ad quaestus conjugalis, vermogen der echtgenoote; ad quaestus ecclesiasticus, het vermogen, dat de bezitter eener prebende door dezelve verworven heeft.

Adquiesceren,

berusten, toestemmen, opvolgen.

Adquisiten,

verworvene goederen.

Adramelech,

Godheid bij de Feniciërs; onder welke zij de zon goddelijke eer bewezen. Kinderen werden, ten offer aan dezelve, verbrand.

Adrastéa,

bijnaam der heidensche godin Nemesis, de godin der wraak; zie Nemesis.

Ad ratificandum,

Lat., ter goedkeuring, of wettiging.

Ad referendum,

(in de regtsgel.) iets aanhooren, echter niet zoo aanstonds daarover beslissen, maar hetzelve vooraf wikken en wegen, of ad referendum nemen, tot berigt aan den bevoegden regter aannemen.

Ad rem,

Lat., ter zaak; dat antwoord was ad rem, dat was een verstandig antwoord, hetwelk op de vraag paste.

Adres,

bestelling, beschikking; opschrift eens briefs; adres aan iemand hebben; aan iemand aanbevolen zijn. Adresseren, het opschrift schrijven; aan iemand rigten; waren aan iemand zenden. Zich adresseren, zich aan iemand wenden.

Adret,

adroit, Fr., geschikt; een adret mensch, een handelbaar, geschikt mensch,

Ad rhombum nihil facit,

Lat., het voegt hier niet, het dient niet ter zake.

Adrianisten,

sekte der wederdoopers in de 10e eeuw. - Deze naam, naar haren stichter Adriaan Hamstëdt, wordt ook aan de aanhangers van den toovenaar Simon, die in de tijden van den Apostel Petrus leefde, gegeven.

Adrittura,

eigenlijk adritture, adroiture; slechts onder kooplieden gebruikelijk, voor: regtuit,

[p. 21]

zonder omwegen te gebruiken.

Adrogatie,

arrogatie, aanneming tot kind, van eenen persoon, die onder geene vaderlijke magt meer staat; zie adoptie.

Adrona,

eene godin, welke de Romeinen bij het aanvaarden eener reis aanriepen.

Adschak-divan,

soort van raadsvergadering in Konstantinopel, tot welke, bij gewigtige aangelegenheden, alle Grooten, de geestelijkheid, de officieren en zelfs alle Janitsaren bijeen geroepen worden. Het woord drukt eenen staanden Divan uit, omdat in zulk eene vergadering niemand zitten mag.

Adscisceren,

toeëigenen, verwerven, aannemen. Adscitum cognomen, Lat., een aangenomen naam.

Ad spicialia,

Lat., tot de bijzondere omstandigheden.

Adspect,

zie aspect.

Adspersorium,

Lat., in de Roomsche kerk, een wijkwast, waarmede het wijwater gesprengd wordt; ook sprengkwast.

Adspireren,

aanblazen, waaijen; ook ingeven, inblazen; of aspireren, naar iets haken; zie dat woord.

Adstipuleren,

bijvallen, toestemmen, overeenkomen, met iemand van een en hetzelfde gevoelen zijn; ook even zoo veel weder beloven. Adstipulator, Lat., die met iemand eensgezind is; die even zoo veel weder belooft.

Adstringeren,

zie astringeren.

Ad tempus,

Lat., voor eenen tijd lang.

A due,

Ital., (muz.) in tweeën; met twee stemmen.

Aduleren,

vleijen, liefkozen. Adulatie, vleijerij, huichelarij. Adulateur, Fr., een lage vleijer.

Adulta,

Adultus, bijnamen van Juno en Jupiter, onder welke zij door personen, die in het huwelijk wenschten te treden, aangeroepen werden.

Adultereren,

echtbreken; ook vervalschen, bederven, verdraaijen.

Ad ultimum,

Lat., voor het laatste, ten slot.

Adumbreren,

beschaduwen, schaduw maken, overschaduwen, schetsen, ontwerpen. Adumbratie, schaduwing, ontwerp, handteekening. Adumbratim, Lat., als eene schaduw, als eene schets.

Adurens,

Pyroticum, ieder heelkundig middel, dat op de huid brandt; zoo als trekpleisters enz.

Adustie,

ontsteking des bloeds of der sappen in het menschelijke ligchaam, inzonderheid van het hersengestel.

Ad valvas,

Lat., aan de deuren, b.v. affigeren, aanplakken; ad valvas curiae, aan de deuren van het raadhuis, ecclesiae, van de kerk.

Advenant,

Fr., bekwaam, geschikt; naar advenant, in de apotheken, quid pro quo geven, de medicijnen verwisselen.

Advent,

adventus, Lat., de aan- of toekomst. De adventtijd, of de tijd van den advent, waarop, in de Roomsche kerk, de aankomst, of verschijning van Christus gevierd wordt, beginnende vier weken voor kersmis.

Adventitia bona,

Lat., zulke goederen, welke een zoon des huisgezins, die nog onder de magt des vaders staat, verkregen heeft, zonder dat die goederen eigenlijk van den vader kwamen, maar welke hij, of door eigen vlijt en arbeid verworven, of van zijne moeder, of van vrienden, of door eenen onverwacht gelukkigen toeval, bekomen heeft.

Adverbium,

Lat., bijwoord, hetwelk slechts bij de werkwoorden gevoegd wordt, als: heden, zeer, fraai, naauwelijks, enz.

Adversaria,

Lat., schrijftafel, of boek, waarin alles onder elkander, om het niet te vergeten, geschreven

[p. 22]

wordt; een quodlibet. Adversarius, tegenpartij, vijand, aangeklaagde.

Adversitor,

bij de Romeinen een slaaf, wiens verrigting daarin bestond, zijnen heer, wanneer hij uitgegaan was, af te halen en te begeleiden.

Advertance,

oplettendheid, opmerkzaamheid.

Adverteren,

averteren, berigten.

Advijs,

adviso, aviso, Ital., brief, berigt, schrijven van kooplieden; b.v., bij getrokkene wissels, opdat degene, op wien zij getrokken worden, aan dezelve des te eerder geloof moge geven. Advijs, raad, onderrigting, teregtwijzing, welke een regtsgeleerde aan iemand geeft. Advijseren (adviseren, aviseren), berigt, raad geven, verwittigen. Advijsjagt, een klein zeeschip, met riemen en zeilen.

Advocatus diaboli,

bij de heiligverklaringen door den Paus; een man, die daarbij als ware het, gelijk zulks de naam aanduidt, de zaak des duivels vervangt. Hem ligt namelijk de verpligting op, om uit het leven van den Kandidaat alle beweeggronden op te sporen, waarom hij de hem toegedachte eer niet waardig is.

Advocatus ecclesiae,

beschermheer of aalmoezenier der Kerk, was een titel van den Roomschen Keizer, die in de kieskapitulatie belooven moest, de Kerk en de geestelijkheid te beschermen.

Advokaat,

(advocaat) advocat, avocat, Fr., voorspraak, pleitbezorger; iemand, die voor het geregt een' ander vertegenwoordigt en zijne zaak verdedigt. Advoceren, tot zich roepen; ook in regten dienen, bijstand verleenen, voorspreken.

Ad vocem,

Lat., bij dit woord.

Advoyer,

in Zwitserland en bijzonder in het kanton Bern, een voornaam ambtenaar.

Adynamie,

krachteloosheid, zwakte.

Adynatocrasie,

noemt Bartels (in zijne Pathologie) eene te losse, te weinig zamenhangende vermenging der organische deelen.

Adyton,

Adytum, de heiligste plaats in den tempel, waar slechts de priesters mogten komen, en de orakels gegeven werden.

AEdiles,

bouwmeesters, Romeinsche overheidspersonen, welke hoofdzakelijk aangesteld waren, om over de openbare gebouwen het opzigt te houden. Zij volgden in rang onmiddellijk op de praetores, en hadden uitzigt, om de hoogste staatsambten te bekomen.

AEdiolus,

eene Godheid bij de Romeinen, die de huizen beschermde.

AEditui,

Romeinsche deurwachters, die te gelijk voor het huis moesten zorgen. Voorts bedienden der priesters, die de offerdieren voederden, en voor de veiligheid en zindelijkheid van den tempel zorgden.

AEdoa,

de schaamdeelen, pudenda, AEdoiodymia, pijn in de schaamdeelen. AEdocitis, gevoel en smart in de schaamdeelen.

AEdon,

de nachtegaal, bijnaam van Minerva.

AEdopsophie,

zoodanig zeldzaam toeval, wanneer uit de teeldeelen winden met gedruisch ontstaan.

Aegagropilae,

aegagropili, gemzenkogels.

AEger,

in de Scandinavische fabelleer de God der zee, wiens gemalin Rana is. Zij baarde hem 9 dochters, de golvenmaagden, Blodughadda, Bylgia, Drobna, Dufa, Himminglaessa, Hessring, Kolga, Rauma en Udur. Deze 9 gezusters gaan altijd gezamenlijk, hebben lichtkleurige kappen en witte sluijers.

Aegeria of Egeria,

nimf, welke de Romeinen groote eer bewezen, eensdeels wijl Romulus verzekerde, dat hij de wetten, door hem

[p. 23]

aan het volk gegeven, van haar ontvangen had, anderdeels, wijl men geloofde, dat zij de vrouwen in het baren bijstond.

AEgia,

aegias, witte vlek (zweer of likteeken) op het hoornvlies.

Aegis,

aegide, schild van Minerva.

AEgilops,

anchylops, oogziekte, een knobbeltje, hetwelk meestal met ontsteking gepaard gaat, uit eenen ziekelijk aangedanen traanzak voortspruit en den grooten ooghoek beslaat.

AEginea,

naam van Diana.

AEginetische feesten,

werden ter eere van Neptunus, in de stad Aegina 16 dagen lang gevierd. De heeren bedienden zich zelven, zoo lang zij duurden, en lieten hunne slaven aan de vermakelijkheden deelnemen.

Aegis,

Aegidis, fabelachtig monster der oudheid, hetwelk vuur spuwde en groote verwoestingen aanrigtte. Het werd door Minerva gedood, welke met de huid daarvan haar borstharnas en schild overtrok en daardoor onkwetsbaar werd. Zij ontvingen den naam van het gedroogde gedrogt. Somwijlen beteekent ook aegide slechts een schild in 't algemeen.

Aegiuchus

(fabelk.), dezen bijnaam gaven de Romeinen aan Jupiter, ter gedachtenis van de geit, die hem gezoogd had.

Aegius,

naam van Neptunus.

Aegletes,

bijnaam van Apollo.

Aegobolus,

naam van Bacchus.

Aegoceros

(fabelk.), een bijnaam van Pan, dewijl hij zich, toen de goden hem onder de sterren plaatsten, in eene geit veranderde.

Aegolethron,

Aegalethros, geitendood, geitenpest.

AEipatie,

iedere langdurige ziekte.

Aelem,

eene soort van ordeteeken bij de Turken, een groote standaard, op welken zich eene, uit eene zilveren plaat vervaardigde, halve maan bevindt. Deze laat de bezitter door eenen Aelemdarius voor zich uit dragen, welken laatsten naam ook de vaandragers bij de horden der Janitsaren hebben.

Aelurus,

de god der katten (op Egyptische antieken).

Aemuleren,

nabootsen, naäpen; ook misgunnen, benijden. Aemulatie, nabootsing, naijver.

AEnauten,

menschen, die altijd op schepen leven.

AEneas,

Trojaansch vorst, de zoon van Anchises en Venus, die, na de verwoesting zijner vaderstad, door de brandende puinhoopen daarvan zijnen ouden verlamden vader droeg, voorts na verloop van eenigen tijd, verzeld van verscheidene zijner landslieden, naar Italië stevende, en aldaar het rijk der Latijnen stichtte.

Aeneide,

gedicht van Virgilius, ten onderwerp hebbende het noodlot van den vlugtenden Trojaanschen vorst, Aeneas.

AEneatores,

bij de Grieken en Romeinen, de bij een leger zich bevindende trompetters en hoornblazers.

AEneis,

bijnaam van Venus, naar haren zoon, Aeneas.

Aeolus,

heette bij de Heidenen de god der winden. Aeolipilae, winden dampballen; deze worden met welriekende wateren gevuld en op gloeijende kolen gezet, daar zij dan uit hunnen engen hals eenen aangenamen geur verspreiden. Aeolusharp, eene harp, die door middel van den wind speelt; ook, schertsenderwijze gesproken, het huilen en piepen des winds.

Aeon,

het wereldbestuur.

Aeonen,

onmetelijke tijden, eeuwigheden.

Aequatie,

zie Equatie.

Aera,

Lat., aere, ere, die tijd, van welken men bij een volk het jaartal begint te rekenen. Aera Christiana, de Christelijke jaartelling, van Christus geboorte af.



[p. 24]

Aerarium,

de schat van eenen staat, eener gemeente of kerk.

Aërdaten,

de luchtgeesten van Paracelsus en zijne aanhangers.

Aereten,

buitengewone overheidspersonen, die in Athene door het gansche volk of wel door bijzondere stammen gekozen werden, om een zeker werk te verrigten.

Aëretonon,

schietwerktuig, hetwelk de pijlen door de kracht der lucht afschoot en door Ctesibius, eenen werktuigkundige te Alexandrië, werd uitgevonden.

Aeria,

naam van Minerva.

Aërobaat,

luchtwandelaar, figuurl., iemand, die zich, om zijne spitsvindige, winderige haarkloverijen, wijzer acht dan andere menschen.

Aërodunamica,

leer van de drukking en beweging der lucht.

Aërographie,

luchtbeschrijving.

Aërolithen,

luchtsteenen, die uit de lucht, of uit de maan zouden gevallen zijn.

Aërologie,

luchtkunde.

Aëromantie,

waarzegging uit de lucht en de daarin zigtbare verschijnselen.

Aërometrie,

luchtkunde; de wiskunstige beschouwing van de eigenschappen der lucht, b.v., hare zwaarte, elasticiteit, temperatuur, vochtigheid, enz. Aërometer, een werktuig, om deze eigenschappen te onderzoeken; als: luchtpomp, barometer, hygrometer, enz.

Aëronautica,

kunst, om in de lucht en door de lucht te varen, Aëronaut, een luchtvaarder.

Aërophobia,

de luchtvrees.

Aërophorus,

luchtbevattend.

Aërosis,

het verdunnen van vlugtige deelen.

Aërostaat,

aërostatische machine, montgolfière, luchtbal; een werktuig, hetwelk in de ons omgevende lucht, van zelf in de hoogte stijgt, en somwijlen menschen en aanmerkelijke lasten met zich opvoert; figuurl. windbuil. Aërostatica, leer van het evenwigt der lucht.

Aesculaan,

aes, aeres, eene der drie muntgodheden der Romeinen, waarvan de beide overigen Argentinus en Aurinus heetten, d.i. de godheden der koperen, zilveren en gouden munten.

Aesculaap,

een beroemde Grieksche arts; van daar heeten bekwame artsen aesculapen.

Aesthesis,

het gevoel, gevoelvermogen.

Aesthetica,

wetenschap des gevoels en der gewaarwordingen; de wijsgeerige beoefening der schoone kunsten en wetenschappen, welke, zoo wel de algemeene theorie als de regelen der schoone kunsten, uit de natuur van den smaak afleidt. Aesthetisch, de eigenschap eener zaak, waardoor zij een voorwerp des gevoels wordt, Aesthetiek, transcendentale, de bovenzinnelijke zinnelijkheidsleer, het leerstelsel der begrippen van ruimte en tijd.

Aesthetorium,

de hoofdzetel der gewaarwording, het sensorium commune.

Aethalites,

zoon van Mercurius, wiens ziel gezegd wordt, het vermogen te hebben, om uit het eene ligchaam in het andere over te gaan, en zich alle dergelijke verhuizingen te kunnen herinneren.

Aether,

de fijne boven- of hemellucht, in de chemie eene witte doorschijnende vochtigheid, naphtha, welke ongemeen ligt, vloeibaar en ontbrandbaar is, en uit den wijngeest, door middel der zuren, bereid wordt.

Aethiops,

bijnaam van Jupiter.

Aethleteres,

de kampvechters, Castor en Pollux.

Aethnophronen,

eene sekte van Christenen uit de 7e eeuw, die zich met waarzeggerij en tooverij ophielden.

Aethon,

de arend, welke aan het hart van Perseus knaagde, en door Hercules gedood werd.



[p. 25]

Aethusa,

de gemalin van Apollo, eene dochter van Neptunus.

Aethyia,

bijnaam van Minerva.

Aetianen,

sekte onder de eerste Christenen, wier grondstelling was, dat de zoon niet alleen van een geheel ander wezen dan de vader, maar hem in alles ongelijk was.

Aetiophia, Diana,

als godin der maan.

Aetnaeus,

bijnaam van Vulkaan.

Aetola,

Diana.

Aetologie,

aetiologie, aanvoering der gronden en oorzaken, waarom een ding zoo en niet anders geschied is. Het aetologische gedeelte in de geneeskunst bepaalt zich tot het navorschen van de hoofdoorzaken der ziekten. Zie pathologie.

Affabel,

affable, Fr., spraakzaam, minnelijk, vriendelijk. Affabiliteit, spraakzaamheid enz.

Affaire,

zaak, verrigting, handeling; goed en kwaad voorval; gevecht. Affaire d'honneur, zaak van eer; tweegevecht. Affaire de coeur, liefdeshandel.

Affamer,

Fr., uithongeren. Affameur, hongersnoodstichter; iemand, die, in eene stad, of een land, gebrek aan levensmiddelen tracht te veroorzaken.

Affect,

hooge graad eener gemoedsbeweging en hare uitbersting.

Affectatie,

gemaaktheid. Affecteren, den schijn van iets vertoonen, zonder eene overeenstemmende gemoedsgesteldheid te nemen. Van daar geaffecteerd, gedwongen, gemaakt, vermomd.

Affectie,

affection, Fr., genegenheid, welwillendheid; gunst, liefde. Affectionneren, gunstig toegedaan zijn.

Affectionis pretium,

een liefdegeschenkje.

Affettuoso,

Ital., (muz.) teeder. Ten aanzien van de gezwindheid heeft het zijne plaats tusschen andante en adagio.

Affidavit,

in Engeland, de schriftelijk afgenomene beëediging eener daadzaak voor eenen persoon, bevoegd, om den eed af te nemen.

Affigeren,

aanslaan, aanplakken. Affiche, een aangeslagen berigt of bevel.

Affiliatie,

bij de oude Galliërs, de aanneming tot kind, bij de Roomsche geestelijken, de opneming in de gemeenschap eener orde. Affilieren, iemand als kind aannemen; ook eenen wereldlijken persoon in de gemeenschap eener orde opnemen, hem dezelve deelachtig maken, waaraan het regt verbonden is, om in een klooster, waaruit een lid der orde is verplaatst geworden, weder terug te mogen keeren. Van hier geaffilieerden, aangenomene zonen en dochters van zulk een gesticht.

Affineren,

fijn maken, louteren. Affinage, plaats, waar een ding, als suiker, metaal, enz., fijner gemaakt, gelouterd wordt. Affinerie, ijzerdraad in ringen; ook draadtrekkerij.

Affiniteit,

zwagerschap, verwantschap. Chemische affiniteit, bijzondere aantrekking, verwantschap der stoffen. Een tot nog toe onverklaarbaar verschijnsel, naar hetwelk de dingen zich meer of minder plegen te vereenigen. B.v., krijt wordt door azijn geheel opgelost; brengt men echter zuiver loogzout in de oplossing, dan zinkt het krijt, in eenen droogen toestand op den grond; de azijn verlaat het krijt en verbindt zich met het loogzout; en de verwantschap van den azijn met het loogzout is sterker, dan met het krijt.

Affion,

opiat om den moed en de liefde op te wekken, ook opium.

Affirmeren,

bevestigen, beamen, bekrachtigen. Affirmatie, bekrachtiging, bevestiging, Affirmatief,

[p. 26]

bevestigend, bekrachtigend.

Affixa,

(in de regtsgel.) alle dingen van een onroerend goed, welke aard-, muur-, band-, spijker- en nagelvast zijn.

Afflictie,

droefenis, ellende. Affligeren, bedroeven, krenken.

Afflige,

(in de muzijk) smartelijk.

Affluenza,

Ital., toeloop, groote verzameling; het toestroomen eener groote menigte van volk.

Affreux,

Fr., ontzettend, verschrikkelijk, ongehoord.

Africa,

Afrika, het zuidelijke gedeelte der oude wereld, dat zijnen naam van de apen zoude bekomen hebben.

Affront,

schimp, beleediging, smaad. Affronteren, iemand stout onder de oogen treden, smadelijk bejegenen.

Affunde

(op recepten), giet daarop. Affusie, opgieting.

Affutage,

affuitwerk; onderstel van het geschut.

Aftakelen,

geschut, ankers, touwen en zeilen van een schip afnemen en in de magazijnen brengen; zoo als in vredestijd geschiedt met de oorlogsschepen.

Afzijgeren,

bij de bergwerkers, de diepte van eenen put met eene loodlijn meten.

Aga,

een aanvoerder van krijgsvolk, een officier, bij de Turken; inzonderheid een opperbevelhebber over de Janitsaren. Kisler-aga, die het opzigt heeft over vrouwen.

Agalactia,

mangel aan melk in de borsten.

Agalaris,

lijfwachten der Turksche Bassa's.

Agalme,

grafstandbeeld of grafpilaar.

Aganippe,

bron aan den Helikon, die eenen iegelijk, welke van het water dronk, met de dichtkunst bezielde. Aganippiden, de negen Muzen.

Aganotheta,

oppertoeziener over de heilige spelen, bij de oude Grieken.

Agapeten,

veelgeliefden; een gezelschap vrome jonkvrouwen in de eerste Christelijke kerk; ook priesters en monniken, die met personen van het andere geslacht zamenleefden, doch, gelijk zij voorgaven, zonder de kuischheid te kwetsen. Agape, agapes, het liefdemaal bij de eerste Christenen.

Agathalyus, Pluto,

als heerschappijvoerder over de dooden.

Agathodaemonen,

calodaemonen, goede geesten.

Agathologie,

dat gedeelte der praktische wijsbegeerte, hetwelk aantoont, waarin de gelukzaligheid bestaat, en welk het onderscheid is tusschen schijngoederen en wezenlijke goederen.

Agati basci,

opperhofmeester aan het Perzische hof.

Agatichi,

het 5e hemelsche huis der astrologen, uit hetwelke zij van lust, vreugde, liefde-geluk, spelen, kleedingen en kinderen plegen waar te zeggen.

Agea,

de lange gang nevens de roeibanken op de schepen der Ouden, op welken gang de bevelhebber der roeijers, ageator, op en neer ging. Bij de Grieken Paradon.

Agebaren,

graangod der Tscheremissers, dien zij voor en na den oogst vierden.

Agelaea,

Ageleis, Minerva als krijgsgodin.

Agelastus,

bijnaam van Pluto, als een zeer gestrenge God.

Agenda,

agende, een gedenkboek, dagboek; kerkboek, hetwelk de liturgie, gebeden of voorschriften bevat. Agende annuel, lijst, rol, gedrukte of geschrevene aankondiging van het merkwaardigste, dat er, op zekere dagen, in Parijs, te zien of te hooren is.

Agenoria,

Agerona, eene godin, aan wie de Romeinen den moed tot eene onderneming toeschreven; de werkdadigheid.

Agens,

in het meervoud Agentia,

[p. 27]

iets dat in beweging brengt.

Agent,

zaakbezorger.

Agerasie,

wanneer men niet veroudert, maar er altoos frisch en jong uitziet.

Ageren,

handelen, verrigten; ook klagen.