|
|
|
| |
E. Over de werkwoorden.
1. Derzelver aard en rangschikking.
§. 246. Thans komen wij tot een der gewigtigste gedeelten der
spraakkunst, de beschouwing, namelijk, van de werkwoorden. Door dezelve
drukt men de beweging en rust, den tijd, het bestaan en worden, het werken en
lijden der personen of zaken uit, welke door de zelfstandige naamwoorden
aangeduid worden; bij voorbeeld: zijn, worden, beminnen, staan, loopen
enz.
§. 247. Schoon tot een werkwoord niet alleen de
eigenschap van werken, maar ook die van lijden behoort, zoo
houdt, in het laatste geval echter het denkbeeld van werken niet op, naardien
als dan de werkende personen slechts verwisselen; | | | | bij voorbeeld:
ik sta. Hier heeft, buiten tegenspraak, eene werking plaats; en deze
werking geschiedt door mij op iemand, of iets anders. Geeft men aan dit
werkwoord nu de eigenschap van lijden, en zegt men ik word
geslagen, dan blijft daarbij, echter, het denkbeeld van werken niet
minder, dan in het vorige geval, stand houden, schoon de werking door iemand,
of iets anders, op mij geschiedt.
§. 248. Men onderscheidt, in onze taal, voornamelijk, drie
rangen van werkwoorden. Die, welke tot den eersten rang behooren, dragen den
naam van ongelijkvloeijende; die van den tweeden rang worden
gelijkvloeijende, en die van den derden rang onregelmatige
werkwoorden genoemd.
§. 249. Ongelijkvloeijende werkwoorden zijn die, welke,
in de vervoeging, den wortelklinker veranderen, en in het verledene deelwoord
en, met een voorgevoegd ge, hebben, als: drijven, dreef,
gedreven, spreken, sprak, gesproken enz.Gelijkvloeijende worden
daarentegen zulke genoemd, welke, in al hunne vervoegingen, aan geene
verwisseling van wortelklinker onderworpen zijn, en in den onvolmaakt
verledenen tijd de, of te, en in het verledene deelwoord
d, of t, insgelijks met een voorgevoegd ge, hebben, als:
leven, leefde, geleefd, hopen, hoopte, gehooptenz.; terwijl zoo wel bij
de ongelijk- als gelijkvloeijende werkwoorden, welke met onscheidbare
voorzetselen zamen gesteld zijn, dit voorgevoegde ge in het verledene
deelwoord weg- | | | | valt, als bedrijven, bedreef, bedreven,
herinneren, herinnerde, herinnerd, ontvangen, ontving, ontvangen, verzenden,
verzond, verzonden, volmaken, volmaakte, volmaakt enz.; niet begedreven,
hergeinnerd enz.
§. 250. Wij plaatsen de ongelijkvloeijende werkwoorden vooraan,
zoo omdat zij de oudste en de oorspronkelijke werkwoorden zijn, als omdat zij
de aanleidende oorzaken van zoo vele gelijkvloeijende werkwoorden geweest zijn.
De oudheid, of oorspronkelijkheid, der ongelijkvloeijende werkwoorden blijkt,
zegt L. ten Kate
†,
voor eerst, daaruit, ‘dat de ongelijkvloeijende werkwoorden zich onder
alle onze taalverwanten eenstemming vertoonen, en ten andere, daaruit, dat de
ongelijkvloeijende werkwoorden genoegzaam alle bedrijf uitbeelden, het welk tot
het oudvaderlijke leven vereischt werd, terwijl die zelfde woorden (schoon
weinig in getal zijnde) heden nog, in ons spreken en schrijven, meer te pas
komen, dan al de andere.’
*
§. 251. Wanneer men tot den oorsprong der taal te rug gaat, en
derzelver waren aard niet wil miskennen, dan is de grond dezer
ongelijkvloeijendheid ligtelijk te ontdekken. In de kindschheid der
| | | | taal meende men, om de vervoeging der werkwoorden te vinden, of
om het denkbeeld van het verledene uit te drukken, dat derzelver wortelklinkers
alleen behoefden verbogen te worden, terwijl de medeklinkers onveranderd
bleven. Van hier steken, stak, gestoken. Van tijd tot tijd vormde men
minder ongelijkvloeijende werkwoorden, als: geven, gaf, gegeven; en
eindelijk werden geene andere, dan gelijkvloeijende, gevormd; waarvan straks
nader.
§. 252. De ongelijkvloeijende werkwoorden worden in
eenige soorten verdeeld. De eerste soort bevat zulke, welke in den
onvolmaakt verledenen tijd en in het lijdende deelwoord, denzelfden klinker
aannemen. En deze maken bij ons het grootste getal uit. De verwisseling hunner
klinkers geschiedt op de volgende wijs:
1. De ij gaat over in den zachten langklinker e, als:
blijven, bleef, gebleven, strijden, streed, gestreden enz.
2. De ui, ie en de zachte lange e gaan over in de
zachte lange o, als: sluiten, sloot, gesloten, schieten, schoot,
geschoten, bewegen, bewoog, bewogen enz.
3. De korte i en de korte scherpe e gaan over in de
zachte korte o, als: vinden, vond, gevonden, bersten, borst,
geborsten, schenden, schond, geschonden.
§. 253. Tot de tweede soort van ongelijkvloeijende
werkwoorden behooren die, welke alleen in den | | | | onvolmaakt
verledenen tijd van wortelklinker veranderen, terwijl deze bij het lijdende
deelwoord behouden blijft. Bij deze soort van werkwoorden geschiedt de
verwisseling van den klinker, op de volgende wijs:
1. De zachte langklinker e gaat over in a, als:
eten, at, geëten; doch, om de welluidendheid, thans (en misschien
omdat men oulings ook geten voor etenzeide), gegeten.
2. De langklinker a, voor d, p, t, z staande,
verandert in ie, als: raden, ried (ook raadde), geraden, slapen,
sliep, geslapen, laten, liet, gelaten, blazen, blies, geblazen enz.
3. De langklinker a voor g, r, v, en i,
verandert in oe, als: dragen, droeg, gedragen, varen, voer, gevaren,
graven, groef, gegraven, waaijen, woei,(niet zelden ook waaide),
gewaaid (oulings gewaaijen).
4. De korte a voor l en s gaat over in
ie, als: vallen, viel, gevallen, waschen, wiesch, gewasschen. Zo
ook wassen (groeijen), wies, gewassen.
5. De korte a voor n verandert in i, of
o, als: hangen, hing, of hong, gehangen, vangen, ving, of
vong, gevangen.
6. De korte o, de harde lange oo en oe gaan
over in ie, als: houden (oulings holden), hield, gehouden
(oulings geholden), worden, wierd en werd, geworden, loopen, liep,
geloopen, roepen, riep, geroepen.
| | | |
§. 254. Tot de derde soort brengt men die werkwoorden,
welke, zoo wel in den onvolmaakt verledenen tijd, als in het lijdende
deelwoord, van wortelklinker veranderen; doch in elk van deze op eene
bijzondere wijs, bij voorbeeld:
1. De zachte lange e gaat, in den onvolmaakt verledenen tijd,
op a over, en, in het lijdende deelwoord, op de zachte lange o,
als: bevelen, beval, bevolen, breken, brak, gebroken, steken, stak,
gestoken.
2. Dezelfde e gaat, in den onvolmaakt verledenen tijd, toe
oe en de zachte lange o, en, in het lijdende deelwoord, tot de
laatste over, als: scheren, schoer, schoor, geschoren, zweren, zwoer, zwoor,
gezworen.
3. De korte i verandert, bij den onvolmaakt verledenen tijd,
in a, en bij het deelwoord, in de zachte lange e, als: bidden,
bad, gebeden, zitten, zat, gezeten, liggen, lag, gelegen.
4. De scherpe korte e gaat, in den onvolmaakt verledenen
tijd, op ie, of de korte o, en, in het deelwoord, op de laatste
over, als: helpen, hielp, holp, geholpen, sterven, stierf, storf, gestorven,
werven, wierf, worf, geworven.
§. 255. De vierde soort bevat die werkwoorden, welker
onvolmaakt verledene tijd, door verloop, reeds gelijkvloeijend geworden is,
als: bakken, bakte (oulings biek), gebakken, braden, braadde
(oulings bried), gebraden, lagchen, lachte (oulings loech),
| | | |
gelagchen, malen, maalde (oulings moel, of mol),
gemalen, heeten (noemen), heette (oulings hiet). geheeten,
spouwen, spouwde (oulings spieuw), gespouwen, wreken, wreekte
(oulings wrak, wrok), gewroken enz.
§. 256. Gelijkvloeijende werkwoorden zijn zulke, welke,
in alle hunne vervoegingen, geene verandering van wortelklinker ondergaan. Wij
hebben dezelve boven (§. 249.) breeder omschreven. Tot deze werkwoorden
behooren, blaken, blaakte, geblaakt, blaffen, blafte, geblaft, eeren, eerde,
geëerd, leeren, leerde, geleerd, wiegen, wiegde, gewiegd, likken, likte,
gelikt, hopen, hoopte, gehoopt, stoppen, stopte, gestopt, spouwen, spouwde,
gespouwd, turen, tuurde, getuurd, drukken, drukte, gedrukt enz. Gelijk ook
steigeren, steigerde, gesteigerd, weigeren, weigerde, geweigerd; en
verder alle dubbelstaartige werkwoorden, als: bevlijtigen, bevlijtigde,
bevlijtigd, vernietigen, vernietigde, vernietigd, daveren, daverde, gedaverd,
glinsteren, glinsterde, geglinsterd, herinneren, herinnerde, herinnerd,
leveren, leverde, geleverd, slingeren, slingerde, geslingerd, krabbelen,
krabbelde, gekrabbeld, verzamelen, verzamelde, verzameld enz. Ten aanzien
van de werkwoorden jagenen vragen, dient hier nog aangemerkt te
worden, dat zij, schoon zij oulings ongelijkvloeijend waren, en joeg, vroeg,
gejagen, gevragen hadden, thans reeds gelijkvloeijend gebezigd worden.
Immers, men zegt, zonder uitzonde- | | | | ring, gejaagd en
gevraagd; en men gebruikt meestal, in den onvolmaakt verledenen tijd,
jaagde, vraagde; zoo dat deze werkwoorden insgelijks kunnen gerekend
worden, reeds met den grooten stroom der gelijkvloeijende werkwoorden
medegesleept te zijn.
§. 257. Uit de onvolmaakt, of volmaakt verledene tijden der
ongelijkvloeijende werkwoorden, spruiten naamwoorden voort, waarvan wederom
werkwoorden gevormd worden, welke altijd gelijkvloeijend zijn, en, in hunne
beteekenis, met het naamwoord overeen komen, waarvan zij afgeleid zijn. Zoo
komt, bij voorbeeld, van gaf, zijnde de onvolmaakt verledene tijd van
geven, het naamwoord gaaf, gave, en hiervan het gelijkvloeijende
werkwoord begaven. Zoo ook komt van mat, de onvolmaakt verledene
tijd vanmeten, het zelfstandige naamwoord maat, mate, waarvan het
bijvoegelijke naamwoord matig, en hiervan wederom het gelijkvloeijende
werkwoord matigen, matigde, gematigd. Op gelijke wijs is van
voer, de onvolmaakt verledene tijd vanvaren, het zelfstandige
voer (een voer hooi) afkomstig; en van daar het gelijkvloeijende
werkwoord voeren, dat is doen varen. Even zoo komt van zoog, de
onvolmaakt verledene tijd van zuigen, het zelfstandige zog,
waarvan het gelijkvloeijende zogen, dat is laten zuigen.
§. 258. Somwijlen worden ook van den tegenwoordigen tijd der
ongelijkvloeijende werkwoorden zelf- | | | | standige naamwoorden afgeleid,
waarvan wederom gelijkvloeijende werkwoorden gevormd worden. Zoo komt, bij
voorbeeld, ons woord krijgen (krijg voeren), krijgde, gekrijgd,
van het zelfstandige naamwoord krijg, en dit van het ongelijkvloeijende
krijgen, kreeg, gekregen. Even zoo komt ons slagen, slaagde,
geslaagd, van slag, en dit van slaan (oulings slagen),
sloeg, geslagen
*.
§. 259. Eindelijk moet hierbij nog, als een algemeene regel,
aangemerkt worden, dat de werkwoorden, welke van naamwoorden afgeleid worden,
gelijkvloeijend zijn, als: tafelen, tafelde, getafeld, van tafel; -
pennen, pende, gepend, van pen; - herbergen, herbergde, geherbergd,
van herberg; - bevlijtigen, bevlijtigde, bevlijtigd, vanvlijtig; -
verwelkomen, verwelkomde, verwelkomd, van welkom enz.
§. 260. Onregelmatige werkwoorden zijn die, welke van de
genoemde soorten, in een of ander opzigt, afwijken, en wel, die, in de
onbepaalde wijs, niet op en, maar opn, uitgaan, als: slaan
(oudtijds slagen), sloeg, geslagen; of die noch in de onbepaalde
wijs, noch in het verledene deelwoord, en, maar in beide n
hebben, als: gaan (oudtijds gangen), ging, gegaan (oudtijds
gegangen), staan, (oudtijds standen), stond, gestaan (oudtijds
gestanden), | | | |
doen(oudtijds daden), deed,
gedaan (oudtijds gedaden), zien, zag, gezien.
§. 261. Eene andere soort van onregelmatige werkwoorden is die,
welke, in de vervoeging, van den gewonen regel afwijkt. Zoo missen, bij
voorbeeld, kunnen, willen, mogen, moeten, volgens den aard hunner
beteekenis, de gebiedende wijs; terwijl de drie eersten eene
uitzondering op dien regel maken, volgens welken de derde persoon van den
tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs, in het enkelvoudige getal, altijd met
eene tbesloten wordt, daar dezen, intusschen, hij kan, wil en
mag hebben. Zoo ook wijken plegen, brengen, denken, dunken,
koopen, en zoeken, even alsmogen, van dien regel af, welke
zegt, dat de werkwoorden, die, in het zakelijke deel der onbepaalde wijs, geene
t hebben, in den eersten en derden persoon van den onvolmaakt verledenen
tijd der aantoonende wijs, in het enkelvoudige getal, zonder t gebezigd
worden, terwijl plegen, ik plagt, hij plagt, brengen, ik bragt, hij bragt,
denken, ik dacht, hij dacht, dunken, mij dacht, koopen, ik kocht, hij kocht,
zoeken, ik zocht, hij zocht, heeft.
§. 262. Tot de onregelmatige werkwoorden worden
inzonderheid de hulpwoorden gebragt, strekkende, om den Nederduitschen
werkwoorden, in hetgene aan derzelver vorm en tijden ontbreekt, te hulp te
komen. Zij zijn de volgende vier: hebben, zijn, zullen, worden; en zij
worden hulpwoorden genoemd, | | | | alleen in zoo verre, als zij
tot boven gemelde einde dienen, bij voorbeeld: ik heb geschreven, zal komen,
word geslagen en ben gevangen; terwijl hebben, zijn en
worden, ook op zich zelven, en zonder andere werkwoorden, gebezigd
worden, als: ik heb geld, gij zijt rijk, hij wordt arm.
§. 263. Het hulpwoord hebben (oulings heven,
waarvan hevet, nu heeft; oulings ook haven, waarvan
havede, hafde, nu hadde, had)helpt de ontbrekende tijden der
bedrijvende en veler onzijdige werkwoorden vormen, en maakt zijne eigene
ontbrekende tijden, deels met zich zelf, deels met het hulpwoord zullen.
Het hulpwoord zijn, of wezen, oulings ook weren, waarvan
was, waart en geweest (oulings gewezen, dat als
bijvoegelijk nog in gebruik is) vormt zijne ontbrekende tijden, gedeeltelijk
met zich zelf, gedeeltelijk met zullen. Het hulpwoord worden, dat
de lijdende werkwoorden helpt vormen, maakt zijne eigene ontbrekende tijden met
zijn en zullen; en dit laatste hulpwoord, waardoor de toekomende
tijden aller werkwoorden gevormd worden, is, behalve de onbepaalde wijs en het
deelwoord, alleen in den tegenwoordigen tijd van de aantoonende en aanvoegende
wijs gebruikelijk; welk alles uit de vervoeging verder zal blijken.
| | | | | |
2. Nadere verdeeling van de werkwoorden, in bedrijvende,
lijdende, onzijdige, wederkeerige en onpersoonlijke.
§. 264. 1. Een bedrijvend werkwoord is zulk een, dat
eene werking aanduidt, welke van het werkende wezen op een ander voorwerp
overgaat, als: beminnen, haten, slaan, dragen enz. Het vordert derhalve
twee zelfstandige dingen, waarvan het eene als werkend, het andere als lijdend
of bewerkt wordend voorkomt. Wanneer men, bij voorbeeld, zegt: de vader
onderwijst zijnen zoon, dan is onderwijzen, ongetwijfeld, een
bedrijvend werkwoord, dewijl het eene werkelijke handeling aanduidt, welke een
voorwerp buiten zich behoeft, waarop zij overgaat; want wij hebben geen
denkbeeld van onderwijzen, zonder ons tevens iemand voor te stellen, die
onderwezen wordt.
§. 265. Men kent alle volstrekt bedrijvende en tot andere
voorwerpen overgaande werkwoorden, inzonderheid, daaraan, dat zij altoos in den
lijdenden vorm kunnen overgebragt worden. Zoo is, bij voorbeeld,
onderwijzen een bedrijvend werkwoord, ook daarom, dewijl men het gezegde
de vader onderwijst den zoon in den lijdenden vorm kan brengen: de
zoon wordt onderwezen door den vader. Zoo zegt men ook: ik gaf hem het
geld, en omgekeerd: het geld werd hem gegeven door mij. En al die
werkwoorden, bij welke dit plaats vindt, worden bedrijvende werkwoorden
genoemd.
| | | |
§. 266. 2. Wanneer wij niet zelve handelen, maar de handeling
van een ander werkend wezen lijden, dan wordt het werkwoord, dat deze handeling
aanduidt, een lijdendwerkwoord genoemd, als: bemind, gehaat,
geslagen, gedragen worden. Het boven reeds gegeven voorbeeld kan ook hier
gelden. De vader onderwijst den zoon. Hier wordt gezegd, wat de vader
doet; en de zoon is het voorwerp der handeling van den vader. Wanneer men nu de
handeling zoo voorstelt, dat zij door den zoon geleden wordt, dan heet het:
de zoon wordt onderwezen van den vader; en het werkwoord is
lijdend.
§. 267. De Nederduitsche werkwoorden hebben door eigene
vervoeging geenen lijdenden vorm, maar moeten dien van het verledene deelwoord
en de hulpwoorden zijn en worden ontleenen, gelijk uit de boven
aangehaalde voorbeelden blijkt; terwijl dit verleden deelwoord, zoo wel in
eenen bedrijvenden als lijdenden zin, gebezigd wordt, naar mate het hulpwoord,
het welk hetzelve voorgaat, zulks vordert; want men zegt zoo wel ik heb
bemind, als ik ben bemind.
§. 268. 3. Er zijn ook werkwoorden, welke noch als bedrijvend,
noch als lijdend kunnen beschouwd worden, en daarom den naam van
onzijdige werkwoorden dragen, als: staan, zitten, liggen, vallen,
blijven enz. Zij duiden wel iets aan, dat aan eene handeling gelijk is,
doch deze handeling gaat niet werkelijk tot een ander voorwerp over, maar
blijft | | | | veel meer in het onderwerp, of den persoon zelven bepaald;
bij voorbeeld: het kind slaapt, sterft enz.
§. 269. De onzijdige werkwoorden, welke allen zich tot
het onderwerp der rede, of den persoon zelven, bepalen, beteekenen, of eene
eigenschap, als: glimmen, glinsteren, verbleeken, schijnen, bloeijen
enz.; of eenen toestand, als: zitten, staan, liggen, rusten, leven,
sterven enz.; of een bedrijf, als: gaan, reizen, wandelen, lagchen,
blaffenenz.; of zulk een bedrijf, waarvan het lijdende voorwerp in het
werkwoord zelf opgesloten ligt, als: muizen, dat is muizen vangen,
visschen, dat is visschen vangen.
§. 270. De onzijdige werkwoorden worden dan met
zijn, dan met hebbenvervoegd. Zij bekomen het hulpwoord
hebben, wanneer zij meer een bedrijf, dan lijden beteekenen. Tot deze
behooren arbeiden, beven, bijstaan, blaffen, bloeijen, brommen, brullen,
draven, duren, etteren, feilen, gapen, gillen, gonzen, grazen, heerschen,
hoesten, huichelen, janken, jongen, ijveren, juichen, kalven, kampen, kegelen,
kiemen, kijken, kijven, kirren, klagen, knielen, knikkeren, kolven, koten,
lagchen, luisteren, maauwen, muizen, murmelen, niezen, overwinteren, piepen,
pogchen, pralen, razen, rieken, rogchelen, ronken, schateren, schertsen,
schreijen, smachten, snorken, snuiven, spotten, stormen, stotteren, streven,
toornen, trachten, treuren, twijfelen, vasten, vechten, volharden, vuren,
waken, woeden, zondigen enz.; bij voor- | | | | beeld: wij hebben
gearbeid, de boom heeft gebloeid enz. Zoo ook de onpersoonlijke
bliksemen, donderen, dooijen, regenen, vriezen enz. als: het heeft
gebliksemd, het heeft gedonderd enz.
§. 271. Zoodanige onzijdige werkwoorden, waarbij het onderwerp,
of de persoon, meer lijdend dan bedrijvend gedacht wordt, hebben het hulpwoord
zijn bij zich. Hiertoe behooren aanbranden, aanbreken, bersten,
beschimmelen, blijven, gelukken, geraken, geschieden, ontaarden, ontwapenen,
overlijden, sterven, verarmen, verbleeken, verdorren, verdrinken, verwelken,
zinken enz.; bij voorbeeld: het vleesch is aangebrand, de dag was
aangebroken, het glas is geborsten, het brood was beschimmeld enz.
§. 272. Intusschen hebben hier verscheidene uitzonderingen
plaats; want er zijn onzijdige werkwoorden, welke, in de vervoeging,
zijn vorderen, en echter meer een bedrijf, dan lijden aanduiden, bij
voorbeeld: komen, dalen, verschijnen, verdwijnen, landen, stranden,
opstaan enz., als: ik ben gekomen, zij zijn gedaald, hij is
verschenen enz. Ook zijn er zulke, die met hebben vervoegd worden,
en nogtans meer in eene lijdende, dan bedrijvende beteekenis voorkomen, bij
voorbeeld: lijden, rusten, liggen, zitten, slapen, sluimeren, grenzen,
toebehooren, verwijlen enz., als: ik heb geleden, gerust, geslapen
enz.
§. 273. Ook is er een aantal van onzijdige werk-
| | | | woorden, welke eene beweging, en dus meer een bedrijf, dan lijden
aanduidende, met zijn en hebben beide vervoegd worden. Doch, het
verdient opmerking, dat, wanneer daarbij tevens de plaats wordt aangewezen,
waar de beweging geschiedt, die woorden, dan, genoegzaam altoos, met
zijn voorkomen, bij voorbeeld: hij heeft lang gegaan, en: hij
is tot aan de poort gegaan. Ik heb den ganschen dag op- en afgeloopen en
gesprongen, en: ik ben de trappen op- en afgeloopen en uit de venster
gesprongen; ook: het bloed is uit zijne aderen gesprongen, hij is in dat
huis geloopen enz. Hij heeft, van zijne jeugd af, gestruikeld, en:
hij is over dezen steen gestruikeld. Zij hadden dit jaar niet veel
gezwommen, en: zij zijn over de rivier gezwommen. Wij hadden lang
geklauterd, en: wij zijn eindelijk nog over het dak geklauterd. De
duiven hebben veel te lang gevlogen, en: zij zijn van het eene huis op
het andere gevlogen. Wij hadden al dien tijd gevaren, en: wij zijn van
Haarlem naar Amsterdam gevaren enz.
*
§. 274. Niet minder aanmerkelijk is het, dat zulke onzijdige
werkwoorden in eenen overdragtigen, of oneigenlijken zin gebezigd, altoos met
het hulpwoord hebbenvervoegd worden. Zoo zegt men, bij voorbeeld: hij
is in het bed gekropen, en over- | | | | dragtig: hij heeft voor mij
gekropen. Ook wanneer onzijdige werkwoorden bij oneigenlijk gebezigde
zelfstandige naamwoorden gebruikt worden, als: het water is door de goot
geloopen, en: de goot heeft geloopen. Het water is zeer hoog uit de
fontein gesprongen, en: de fontein heeft weder gesprongen. Al de wijn is
uit het vat gelekt, en: het vat heeft gelekt enz.
*
§. 275. Sommige werkwoorden zijn, volgens hunne natuur,
onzijdig, en kunnen nimmer bedrijvend gebruikt worden, als: beven, bersten,
bezwijmen, gelden, ontluiken, spruiten, zwellen enz. Andere, daarentegen,
komen in eenen onzijdigen en bedrijvenden zin tevens voor, als: slaan: de
klok slaat (onzijdig), en: ik sloeg den hond (bedrijvend);
klemmen: de deur klemt (onzijdig), en: ik klem mijne hand
(bedrijvend); bederven: de spijs bederft (onzijdig), en: hij bederft
zijne kleederen(bedrijvend); smelten: het was smelt (onzijdig), en:
ik smelt was (bedrijvend); genezen: de wond zal wel genezen
(onzijdig), en: hiermede geneest men zulke wonden (bedrijvend) enz.
§. 276. Eigenlijk gezegde onzijdige werkwoorden kunnen
nimmer den lijdenden vorm aannemen, noch eenen vierden naamval beheerschen.
Onaangezien dit, kunnen zij echter met den vierden naamval verbonden worden,
gelijk blijkt uit de spreekwij- | | | | zen: eenen goeden tred gaan,
zich moede loopen, zich ziek lagchen enz.; welk alles in de woordvoeging
breeder zal getoond worden. Ook nemen de onzijdige werkwoorden, in zekeren zin,
den lijdenden vorm aan; doch alleen dan, wanneer het onderwerp der rede
onbepaald kan uitgedrukt worden, als: daar wordt gewandeld, gereden,
geloopen, gestreden, gelagchenenz. Hierbij komt nog in aanmerking, dat de
onzijdige werkwoorden, het voorvoegsel be aannemende, bedrijvend worden,
als: lagchen: iemand belagchen (ook uitlagchen); spotten: iemand bespotten;
weenen, iemand beweenen enz.
*
§. 277. 4. Wederkeerige werkwoorden zijn zulke, die de
werking, of daad, welke zij uitdrukken, tot den persoon te rug voeren, van wien
zij uitging. Daar nu deze persoon hier, in eene dubbele betrekking, voorkomt,
eerst als werkend, en dan als lijdend, zoo moet hij tweemaal genoemd worden; en
dit geschiedt eerst op de gewone wijs, en dan door de wederkeerende en
persoonlijke voornaamwoorden, als: zich schamen: ik schaam mij, gij schaamt
u, wij schamen ons enz. Zoo ook zich verblijden, zich verwonderen, zich
beroemen, zich behelpen, zich begeven, zich aanmatigen, zich bevinden, zich
bedenken, zich beroepen, zich verantwoorden, zich wachten enz. | | | | Zegt men nu: de vader vergenoegt zich, dan werkt hij hier op
zijnen eigenen persoon; hij is handelend, in zoo verre het vergenoegen van hem
uitgaat; en hij is lijdend, in zoo ver het weder tot hem te rug keert.
§. 278. Alle wederkeerige werkwoorden zijn derhalve bedrijvende
werkwoorden; doch alleen in zoo verre dat zij een lijdend voorwerp bij zich
hebben, waarop hunne werking overgaat, en worden daarom ook, zonder
uitzondering, in de vervoeging, met het hulpwoord hebbenverbonden: ik
heb mij geschaamd, gij hebt u verwonderd, zij hadden zich verblijd enz.
§. 279. Naardien alle werking, door middel van een wederkeerig
en persoonlijk voornaamwoord tot het werkende wezen te rug gevoerd kan worden,
zoo laten zich ook de meeste werkwoorden als wederkeerige gebruiken, bij
voorbeeld: zich wasschen: ik wasch mij; zich bedriegen: gij bedriegt u; zich
vereenigen: wij vereenigen ons; zich snijden: ik sneed mij; zich branden: gij
brandt u; zich slaan: hij slaat zich, zij slaan zich enz. Volstrekte, of
eigenlijke wederkeerige werkwoorden zijn intusschen die, welke niet anders
gebezigd kunnen worden, als: zich aanmatigen, zich behelpen, zich beroemen,
zich bezinnen, zich schamen, zich vergissen, enz.
§. 280. De naamvallen der wederkeerige en persoonlijke
voornaamwoorden, waarmede het werk- | | | | woord verbonden wordt, zijn
geene andere, dan de derde en vierde, bij voorbeeld: zich uiten, zich
ontfermen, zich bezinnen, zich bepalen, zich schamen, zich verzetten, de
vierde naamval; zich inbeelden, zich aanmatigen, zich herinneren, de
derde naamval.
§. 281. 5. Onpersoonlijke werkwoorden worden zoodanige
genoemd, welke de persoonlijke voornaamwoorden ik, gij, hij enz. niet
voor zich dulden, maar dezelve, in de verbogene naamvallen, als mij, u,
hem enz. achter zich nemen, en over het algemeen, door de voorzetting van
het woordje het, gekend worden, als: het dondert, het regent, het
sneeuwt enz.; het berouwt mij, het spijt u, het verdriet hemenz.
§. 282. De onpersoonlijkheid van deze werkwoorden sluit
derhalve niet in, dat zij geenen persoon in het geheel bij zich, maar alleen,
dat zij geen persoonlijk voornaamwoord voor zich gedoogen. Wij hebben geen
denkbeeld van een werkwoord zonder eenen werkenden persoon, te meer, daar
taalkundig niet alleen de mensch, maar alles in de natuur, ieder
levenloos ding zelfs, werkt en handelt. Konde men nu, in de kindschheid der
taal, sommige natuurverschijnsels niet oplossen, en de vraag: wie doet,
of wie werkt dat? niet beantwoorden; dan liet men den werkenden persoon
ongenoemd, en stelde het algemeene en niets bepalende het in deszelfs
plaats: het hagelt, het vriest, | | | |
het waait, het dondert,
het bliksemt enz.; het welk, eigenlijk, zoo veel zegt, als: daar is
hagel, daar is vorst, daar is wind, daar is donder, bliksem enz.; wordende
de werking en het daar zijn van den hagel, donder enz., kunstig
uitgedrukt door de zelfstandige naamwoorden te veranderen en te verbuigen tot
werkwoorden
*.
§. 283. Het smart, berouwt, lust, behaagt, gelukt, jammert
mij enz.; het gebeurt, is geoorloofd enz.; - deze allen worden, met
even weinig gronds, onder de onpersoonlijke werkwoorden geteld. Immers, behalve
dat men ook zegt: dit behaagt, of mishaagt mij - die onderneming is
mij niet gelukt enz.; zoo zijn de spreekwijzen het smart mij te moeten
ondervinden, dat ik gedwaald heb - het lust mij aan u te schrijven enz., in
der daad persoonlijk, naardien de onbepaalde wijs der volgende werkwoorden de
plaats van den derden persoon bekleedt; want het smart mij te moeten
ondervinden, dat ik gedwaald heb zegt niet anders, dan: te moeten
ondervinden, dat ik gedwaald heb smart mij. Zoo is het lust mij, aan u
te schrijven hetzelfde, als: aan u te schrijven lust mij,
§. 284. Even zoo is het gelegen met de spreekwoorden daar
wordt gezongen, daar wordt gedronken, daar wordt geslapen enz.; terwijl
hier wederom een derde persoon zeer natuurlijk moet verstaan worden. Wanneer
men, bij voorbeeld, vraagt: wat
| | | |
wordt daar gedaan?
en men antwoordt: daar wordt gezongen, gedronken, ofgeslapen; dan
is dit hetzelfde als: hetgeen daar gedaan wordt is zingen,
drinkenenz.
§. 285. Dat wijders de spreekwijzen met men, als: men
zegt, men schijnt, men wil enz., niet tot de onpersoonlijke behooren,
behoeft genoegzaam niet herinnerd te worden; daar men, schoon noch getal
noch geslacht aanduidende, echter altijd eenen persoon beteekent, en volgens
zijne eigenlijke kracht, als zijnde het wortelwoord vanmensch,
menschelijke personen te kennen geeft.
§. 286. De vier boven genoemde soorten van werkwoorden
hebben de vervoeging, dat is eene verandering en verschikking der werkwoorden,
naar vereisch van zekere tijden, wijzen en personen, met elkander gemeen. De
onpersoonlijke alleen zijn van het laatste uitgesloten, dewijl zij de
persoonlijke voornaamwoorden ik, gij, hij enz. niet voor zich dulden, en
alleen in den derden persoon gebezigd worden; gelijk uit het voorgedragene
gebleken is.
| |
3. Over de wijzen der werkwoorden.
§. 287. De verscheidene wijzen, waarop eene zaak
voorgesteld, of van dezelve gesproken kan worden, noemt men de wijzen
der werkwoorden. De Nederduitsche taal heeft vier zoodanige wijzen: de
onbepaalde, de aantonende, de gebiedende en aanvoegende wijs.
| | | |
§. 288. 1. De onbepaalde wijs is die, welke de handeling
van het werkwoord, in eenen algemeenen zin, zonder bepaling van persoon of
getal, maar alleenlijk met aanwijzing van tijd, voorstelt, als: hooren,
gehoord te hebben, te zullen hooren enz.; bij voorbeeld:ik moet zorgen,
dat enz., tegenwoordige tijd; - ik meen, gehoord te hebben,
verledene tijd; - hij beloofde mij, te zullen komen, toekomende tijd.
Ook neemt de tegenwoordige tijd der onbepaalde wijs te voorop, als:
ik verzocht hem te blijven - ik zal zien te komen enz.; doch hierover
wordt in de woordvoeging gehandeld. Ook dient hier aangemerkt te worden, dat de
onbepaalde wijs dikwerf met de voorzetsels door, met, van en om
vervoegd wordt, als: ik deed het maar, om te zien enz.; hij heeft de
slechte gewoonte van met alles te spotten - door, of met de zaken wel te
bedenken kan men enz. Ook zonder te: met vragen komt men te Rome - dat
is trant van zingen enz.
§. 289. De deelwoorden, zijnde, eigenlijk, van de
werkwoorden afgeleide bijvoegelijke naamwoorden, drukken eene hoedanigheid van
werken, lijden of bestaan uit, toegepast op eene zelfstandige zaak, met
aanwijzing van tijd. Zij worden deelwoorden genoemd, omdat zij iets zoo
wel van de werkwoorden als van de bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden in
zich bevatten, en dus aan beide deel hebben. Zij zijn tweederlei,
als:hoorende, in den | | | | tegenwoordigen tijd, en
gehoord, in den verledenen tijd, waarvan het eerste bedrijvende, en het
andere lijdende genoemd wordt, schoon dit zoo wel eenen bedrijvenden als
lijdenden zin heeft, naar mate het hulpwoord, dat hetzelve voorgaat, zulks
vordert, als: ik heb gehoord en ik ben gehoord, - gehoord
hebbende en gehoord zijnde.
§. 290. De bedrijvende deelwoorden hebben den uitgang de
achter de onbepaalde wijs, als: hoorende, dreigende, drukkende, hopende
enz.; de lijdende hebben d, oft, met voorvoeging van ge,
als: gehoord, gedreigd, gedrukt, gehoopt enz.; omdat hooren en
dreigen, in den onvolmaakt verledenen tijd hoorde, dreigde, en
drukken en hopen drukte en hoopte hebben. Sommige
verledene, of lijdende deelwoorden gaan uit op en, met voorvoeging van
ge, als:geslagen, gebannen, gelagchen. Doch dit voorgevoegd
ge valt weg, wanneer de werkwoorden, waarvan de deelwoorden afkomen, met
een der onscheidbare voorvoegselenben ge, her, ont, ver enz., zamen
gesteld zijn, als: beleven, beleefd, geleiden, geleid, hernemen, hernomen,
ontslaan, ontslagen, vervloeken, vervloekt enz.
§. 291. Dat de bedrijvende en lijdende deelwoorden als van de
werkwoorden afgeleide bijwoorden gebezigd worden, blijkt daaruit, dat men zegt:
ik ben wachtende, en: zij zijn wachtende; ik word bemind, en:
zij worden bemind; het boek is gelezen, en:de boeken waren gelezen;
de vrouw is versierd, en: de mannen zijn versierd.
| | | |
§. 292. Nog in een ander opzigt komen de bedrijvende
deelwoorden als bijwoorden voor; bij voorbeeld, in de uitdrukking de wakend
droomende man; waarvoor men niet kan zeggen de wakende droomende
man, dewijl het deelwoord wakend, dat hier als bijwoord gebezigd
wordt, slechts zekere omstandigheid van het deelwoorddroomende bepaalt,
en daarop alleen, eigenlijk, zijne betrekking heeft.
§. 293. 2. De aantoonende wijs is die, waardoor men de
daad, welke een werkwoord uitdrukt, naar de verscheidenheid der tijden
regtstreeks aantoont, als: ik hoor, heb gehoord, word gehoord, ben
gehoord enz. Hiertoe behooren dan ook alle stellige vragen, bij voorbeeld:
zal hij ons hooren? Weet gij zeker, dat hij ons gehoord heeft?
§. 294. 3. De gebiedende wijs wordt gebruikt, wanneer
men iemand iets gebiedt, of verzoekt; of wanneer men iemand tot iets opwekt, of
vermaant; bij voorbeeld: hoor, hoort enz. Men kan hierbij aanmerken, dat
de gebiedende wijs geene tijden, en eigenlijk alleen den tweeden
persoon, in het enkel- en meervoudige getal, heeft. Immers, iemand iets
gebieden onderstelt den persoon, tot welken gesproken wordt; en deze is alleen
de tweede persoon. Ook onderscheidt de gebiedende wijs zich daardoor, dat zij
het persoonlijke voornaamwoord, het welk zij, boven dien, in den tweeden
persoon missen kan, achter zich heeft, als: hoor, of hoort gij,
enz. Hoor hij
| | | | is in geen gebruik; enhij hoore is
niets anders, dan de derde persoon van de aanvoegende wijs.
§. 295. Sedert men het enkelvoudige persoonlijke voornaamwoord
du verworpen, en met het meervoudige gij vervangen heeft, hebben
wij het onderscheid in den tweeden persoon van het enkel- en meervoud verloren,
en wij zeggen, zoo wel van eenen, als van meer personen: gij leest, gij hebt
gelezen, gij zult lezen enz. Wanneer wij dit nu op degebiedende wijs
der werkwoorden toepassen, dan is het regelmatig, zoo wel tot eenen, als meer
personen te zeggen: leest, loopt, spreekt gij enz. Doch zoo algemeen als
mendu, en daarmede den tweeden persoon van het enkelvoud der
werkwoorden, verworpen, en met dien van het meervoud verwisseld heeft, bijna
even zoo algemeen is het aangenomen, het enkelvoud der gebiedende wijs
zonder, en het meervoud met eenet uit te drukken, als: hoor gij,
hoort gij; onaangezien in hoor gij, een meervoudige persoon bij een
werkwoord in het enkelvoud gevoegd wordt.
§. 296. Hierbij moeten wij nog aanmerken, dat, daar geene
letter, welke tot het zakelijke deel des woords, en niet tot den uitgang
behoort, mag verworpen, maar door alle tijden en wijzen heen moet behouden
worden, men zich geene verkorting van het enkelvoud der gebiedende wijs van
sommige werkwoorden, als: branden, treden, zenden, houden enz., mag
veroorloven, en bran, tree, zen, hou
| | | | enz. schrijven,
dewijl de d tot het zakelijke deel dier woorden behoort, en brand,
treed, zend, houd enz. derhalve alleen de regelmatige spelling is. Die
werkwoorden, welke, in het zakelijke deel, eene thebben, dulden, om deze
reden, ook geen onderscheid tusschen het enkel- en meervoud, als:haat, weet,
giet, sluit, stoot, smijt enz.; doch dit zelfde gebrek heerscht niet
slechts in de gebiedende wijs, maar ook in alle overige wijzen en tijden dezer
werkwoorden.
§. 297. 4. De aanvoegende wijs is die, waardoor iets
twijfelachtig of onzeker gezegd, waardoor een wensch, of eene voorwaarde, of
toegeving, of aandrijving uitgedrukt wordt; als, 1. een wensch: hij leve!
ach, hij verhoore mij! 2. eene voorwaarde: leefde hij nog, ik zou mij
verblijden; vinde ik hem, ik zal mij voldoening weten te bezorgen; 3. eene
toegeving: hij ga waar hij wil, nogtans ontvlugt hij het niet; wie hij ook
zij enz.; of eindelijk, 4. eene aandrijving, doch alleen in den eersten
persoon van het meervoud, als:gaan wij, zingen wij enz.
§. 298. Ook bezigt men daartoe eenige voorvoegsels, of
voegwoorden, terwijl 1. het oogmerk uitgedrukt wordt, door dat, opdat, ten
einde, als: zorg, dat dit geschiede, - ik spreek, opdat ik gehoord
worde enz.; 2. een wensch, door och dat, als: och dat ik hem nog
gezien hadde! 3. eene toegeving, door dat, als: dat hij, zoo het
hem lust, | | | |
zijne gezondheid wage; 4 eene aandrijving,
insgelijks door dat, als:dat hij zich haaste.
§. 299. Nog wordt de aanvoegende wijs met eenige andere
voorvoegsels gebezigd, als:of, alsof, ten zij, schoon enz.; bij
voorbeeld: ik twijfel, of hij mijn vriend wel zij - of hij het ware, of een
ander, is niet gebleken - het scheen, alsof hij op nieuw jong geworden ware -
ik zal niet rusten, ten zij men mij voldoening geve - hij zoude niet genoeg
hebben, schoon hij een miljoen bezate, enz.
§. 300. Hierbij moet, eindelijk, nog aangemerkt worden, dat, in
de boven bijgebragte gezegden, de aanvoegende wijs niet van de voorvoegsels
afhangt, maar in den aard der uitdrukking zelve gelegen is, dewijl in al de
genoemde voorstellen iets twijfelachtigs, iets onzekers plaats heeft, geen
derzelven iets stelligs, of volstrekts zegt; het welk de eigenschap der
aanvoegende wijs is.
| |
4. Over de tijden der werkwoorden.
§. 301. De tijden der werkwoorden zijn vijf in getal,
namelijk, de tegenwoordige, onvolmaakt verledene, volmaakt- en meer dan
volmaakt verledene, en de toekomende tijd, waarvan de twee eerste
door verbuiging van het werkwoord zelf, de drie laatste door middel van de
hulpwoorden hebben, zijn en zullen gevormd worden.
| | | |
§. 302. 1. De tegenwoordige tijd der aantoonende wijs
duidt aan, dat de zaak, waarvan men spreekt, in hetzelfde oogenblik, waarin men
spreekt, plaats heeft, als: ik word bemind, zij leven, gij slaapt
enz.
§. 303. Alle werkwoorden hebben in den tweeden en derden
persoon van den tegenwoordigen tijd, in het enkelvoudige getal, eene t,
als: gij en hij zegt, leestenz.
* Zoo ook die werkwoorden, welke eene d in hun
zakelijk deel hebben, als:gij en hij brandt, zendt, bidt, wordt
enz. Hiervan echter zijn, in opzigt tot den derden persoon, hij is, kan,
zal, mag, en wiluitgezonderd
†.
§. 304. 2. De onvolmaakt verledene tijd, welke uit het
woord zelf gevormd wordt, stelt eene zaak voor, die voorbij is, op den tijd,
waarin men spreekt, maar nog duurde, op den tijd, waarvan men spreekt; of, die
eene handeling aanduidt, welke nog niet geheel voorbij is, wanneer eene andere
begint: ik werd bemind - zij leefden - gij sliept. Toen ik hem prees, lachte
hij, enz.
| | | |
§. 305. Deze tijd wordt bij de ongelijkvloeijende werkwoorden
gevormd, door den wortelklinker op onderscheidene wijzen te veranderen, als:
lezen, las, schieten, schoot, vinden, vond, strijken, streek, enz.; en
bij de gelijkvloeijende, door achter het zakelijke deel der werkwoorden, op
b, d, g, i, l, m, n, r, v, w, en z eindigende, de te
voegen, als: krabben, krabde, - redden, redde, - zagen, zaagde, - zaaijen,
zaaide, - spelen, speelde, - kammen, kamde, - rennen, rende, - leeren, leerde,
- leven, leefde, - vouwen, vouwde, - razen, raasde; of door achtervoeging
van te, wanneer het zakelijke deel op f,k, p, s, t en ch
uitgaat, als: blaffen, blafte, - schrikken, schrikte, - stoppen, stopte, -
krassen, kraste, - zetten, zette, - lagchen, lagchte
*.
§. 306. Even als de tweede persoon van den tegenwoordigen, zoo
heeft ook dezelfde persoon, in den onvolmaakt verledenen tijd, altoos eene
t achterop, als: ik bond, gij bondt, ik greep, gij greept, ik streek,
gij streekt, ik krabde, gij krabdet, ik zaagde, gij zaagdet, ik schrikte, gij
schriktet, ik kuste, gij kustet enz.; terwijl het gebruik wil, ten aanzien
van de ongelijkvloeijende werkwoorden, welke in den onvolmaakt verledenen tijd
de korte aaannemen, dat deze klinker in den tweeden persoon | | | | verdubbeld worde, als: ik las, gij laast, ik nam, gij naamt, ik
at, gij aat, ik lag, gij laagt enz. Deze t valt echter weg, wanneer
het werkwoord in het zakelijke deel eene t heeft, en de eerste persoon
des onvolmaakt verledenen tijds op eene t stuit, als: sluiten, ik
sloot - gij sloot; - bersten, ik borst - gij borst.
§. 307. Ten aanzien van den eersten en derden persoon, in het
enkelvoud van den onvolmaakt verledenen tijd, welke altoos aan elkander gelijk
zijn, kan men aanmerken, dat dezelve, als zoodanig, nooit eene t
achterop hebben, ten zij tot het zakelijke deel des werkwoords eene t
behoore, welke door alle tijden en wijzen moet behouden worden. Zoo zegt men,
b.v., ik had, hij had - ik deed, hij deed - ik las, hij las - ik gaf, hij
gaf - ik leefde, hij leefde, enz.; daarentegen ik at, hij at - ik zat,
hij zat - ik spoot, hij spoot enz. Verkeerdelijk schrijft men derhalve
hij hadt, badt, deedt, stondt, vondt enz.
§. 308. Van dezen regel zijn die onregelmatige werkwoorden
uitgezonderd, welke, schoon in het zakelijke deel geene t hebbende,
echter in den eersten en derden persoon van den onvolmaakt verledenen tijd, met
eene t gebezigd worden, als: plegen, ik plagt, hij plagt - brengen,
ik bragt, hij bragt - denken, ik dacht, hij dacht - mogen, ik mogt, hij mogt -
koopen, ik kocht, hij kocht - zoeken, ik zocht, hij zocht; en, in den
derden persoon, dunken, mij dacht.
| | | |
§. 309. 3. De volmaakt verledene tijd, welke door het
verledene deelwoord en de hulpwoorden hebben en zijn omschreven
worden, stelt eene zaak voor als geheel geeindigd, op den tijd, waarin men
spreekt, zonder opzigt op eenigen anderen tijd, of eenige andere handeling:
ik heb bemind, gij hebt geslapen, zij zijn gestorven, enz.
§. 310. 4. De meer dan volmaakt verledene tijd, welke op
dezelfde wijs, als de volmaakt verledene omschreven wordt, beteekent, dat eene
zaak geeindigd was niet alleen op den tijd, waarin men spreekt, maar ook op den
tijd, waarvan men spreekt; of die eene handeling aanduidt, welke reeds geheel
voorbij is, wanneer eene andere begint: ik had bemind, gij hadt geslapen -
zij waren gestorven. Toen ik hem geprezen had, begon hij te lagchen. Ik had
mijnen brief geschreven, toen zij in huis kwamen, enz.
§. 311. 5. De toekomende tijd, eindelijk, welke door
zamenzetting van het hulpwoord zullen met de onbepaalde wijs der
werkwoorden gevormd wordt, en te kennen geeft, dat iets zal geschieden, is
tweederlei, zoo in de aantoonende, als aanvoegende wijs. De eerste
toekomende tijd der aantoonende wijs zegt eenvoudiglijk, dat eene zaak
toekomend is, op den tijd, waarin men spreekt: ik zal prijzen, gij zult
geprezen worden, zij zullen sterven enz. De tweede toekomende tijd
der aantoonende wijs drukt uit, dat iets toekomend is, op den tijd,
waarin men spreekt, maar verleden zijn zal, op den tijd, waarvan | | | |
men spreekt: ik zal geprezen hebben, gij zult geprezen zijn, wij zullen
gestorven zijn, enz.
§. 312. Deze tweederlei toekomende tijd, zeiden wij, heeft ook
in de aanvoegende wijs plaats; en de eerste beteekent daar, dat
iets voorwaardelijk, of op eene onderstelling, toekomend is: ik zoude
prijzen, gij zoudt geprezen worden, wij zouden sterven enz. De
tweede toekomende tijd der aanvoegende wijs geeft te kennen, dat
iets voorwaardelijk, of op eene onderstelling, toekomend geweest is: ik
zoude geprezen hebben, gij zoudt geprezen zijn, wij zouden gestorven zijn
enz.
| |
5. Voorbeelden van vervoeging
§. 313. Het hulpwoord hebben.
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: hebben.
Verledene tijd: gehad hebben.
Toekomende tijd: te zullen hebben.
DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: hebbende.
Verledene tijd: gehad hebbende.
Toekomende tijd: zullende hebben.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
heb, | Dat ik hebbe, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij hebt, | Dat gij
hebbet, |
| Hij heeft. | Dat hij
hebbe. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hebben, | Dat wij hebben, |
| Gij
hebt, | Dat gij hebbet, |
| Zij
hebben. | Dat zij hebben. |
| |
| Onvolmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
had, | Dat ik hadde, |
| Gij
hadt, | Dat gij haddet, |
| Hij
had. | Dat hij hadde. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hadden, | Dat wij hadden, |
| Gij
hadt, | Dat gij haddet, |
| Zij
hadden. | Dat zij hadden. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
heb gehad, | Dat ik hebbe gehad, |
| Gij
hebt gehad, | Dat gij hebbet gehad, |
| Hij
heeft gehad. | Dat hij hebbe
gehad. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hebben gehad, | Dat wij hebben gehad, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij hebt gehad, | Dat gij hebbet
gehad, |
| Zij hebben gehad. | Dat zij hebben
gehad. |
| |
| Meer dan volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
had gehad, | Dat ik hadde gehad, |
| Gij
hadt gehad. | Dat gij haddet gehad. |
| Hij
had gehad. | Hij had
gehad. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hadden gehad, | Dat wij hadden gehad, |
| Gij
hadt gehad, | Dat gij haddet gehad, |
| Zij
hadden gehad. | Dat zij hadden
gehad. |
| |
| Eerste toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal hebben, | Dat ik zoude hebben, |
| Gij
zult hebben, | Dat gij zoudet hebben, |
| Hij
zal hebben. | Dat hij zoude
hebben. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen hebben, | Dat wij zouden
hebben, |
| Gij zult hebben, | Dat gij zoudet
hebben, |
| Zij zullen hebben. | Dat zij
zouden hebben. |
| |
| Tweede
toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal gehad hebben, | Dat ik zoude gehad hebben, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij zult gehad hebben, | Dat gij zoudet
gehad hebben, |
| Hij zal gehad hebben. | Dat hij
zoude gehad
hebben. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen gehad hebben, | Dat wij zouden gehad
hebben, |
| Gij zult gehad hebben, | Dat gij
zoudet gehad hebben, |
| Zij zullen gehad
hebben. | Dat zij zouden gehad hebben. |
GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: heb gij.
Meervoudig: hebt gij.
§. 314. Van het hulpwoord zullen is niets meer in
gebruik, dan het volgend.
ONBEPAALDE WIJS.
Te zullen.
DEELWOORD.
Zullende.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal, | Ik zoude, |
| Gij zult,
| Gij zoudet, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Hij zal. | Hij
zoude. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen, | Wij zouden, |
| Gij
zult, | Gij zoudet, |
| Zij
zullen. | Zij zouden. |
§. 315. Het hulpwoord zijn.
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: zijn, of wezen.
Verledene tijd: geweest zijn.
Toekomende tijd: te zullen zijn, of wezen.
DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: zijnde, of wezende.
Verledene tijd: geweest zijnde.
Toekomende tijd: zullende zijn, of wezen.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
ben, | Dat ik zij, |
| Gij
zijt, | Dat gij zijt, |
| Hij is
*. | Dat hij zij. |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zijn, | Dat wij zijn, |
| Gij
zijt, | Dat gij zijt, |
| Zij
zijn. | Dat zij
zijn. |
| |
| Onvolmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
was, | Dat ik ware, |
| Gij waart,
| Dat gij waret, |
| Hij was. | Dat
hij
ware. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
waren, | Dat wij waren, |
| Gij waart,
| Dat gij waret, |
| Zij waren. | Dat
zij waren. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik ben geweest, | Dat ik
zij geweest, |
| Gij zijt geweest, | Dat gij
zijt geweest, |
| Hij is geweest. | Dat hij
zij
geweest. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zijn geweest, | Dat wij zijn geweest, |
| Gij
zijt geweest, | Dat gij zijt geweest, |
| Zij
zijn geweest. | Dat zij zijn
geweest. |
| |
| Meer dan volmaakt
verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
was geweest, | Dat ik ware geweest, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij waart geweest, | Dat gij waret
geweest, |
| Hij was geweest. | Dat hij ware
geweest. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
waren geweest, | Dat wij waren
geweest, |
| Gij waart geweest, | Dat gij
waret geweest, |
| Zij waren geweest. | Dat
zij waren geweest. |
| |
| Eerste
toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal zijn, | Dat ik zoude zijn, |
| Gij zult
zijn, | Dat gij zoudet zijn, |
| Hij zal
zijn. | Dat hij zoude
zijn. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen zijn, | Dat wij zouden zijn, |
| Gij
zult zijn, | Dat gij zoudet zijn, |
| Zij
zullen zijn. | Dat zij zouden
zijn. |
| |
| Tweede toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal geweest zijn, | Dat ik zoude geweest
zijn, |
| Gij zult geweest zijn, | Dat gij
zoudet geweest zijn, |
| Hij zal geweest zijn.
| Dat hij zoude geweest
zijn. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zullen geweest zijn,
| Dat wij zouden geweest zijn, |
| Gij zult
geweest zijn, | Dat gij zoudet geweest
zijn, |
| Zij zullen geweest zijn. | Dat zij
zouden geweest zijn. |
| | | | GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: wees gij.
Meervoudig: zijt, of weest gij.
§. 316. Het hulpwoord worden.
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: worden.
Verledene tijd: geworden zijn.
Toekomende tijd: te zullen worden.
DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: wordende.
Verledene tijd: geworden zijnde.
Toekomende tijd: zullende worden.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik word, | Dat ik
worde, |
| Gij wordt, | Dat gij
wordet, |
| Hij wordt. | Dat hij
worde. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
worden, | Dat wij worden, |
| Gij
wordt, | Dat gij wordet, |
| Zij
worden. | Dat zij worden. |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Onvolmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
werd,
* | Dat ik wierde, |
| Gij
werdt, | Dat gij wierdet, |
| Hij
werd. | Dat hij
wierde. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij werden, | Dat wij
wierden, |
| Gij werdt, | Dat gij
wierdet, |
| Zij werden. | Dat zij
wierden. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
ben geworden, | Dat ik zij geworden, |
| Gij
zijt geworden, | Dat gij zijt
geworden, |
| Hij is geworden. | Dat hij zij
geworden. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zijn geworden, | Dat
wij zijn geworden, |
| Gij zijt geworden,
| Dat gij zijt geworden, |
| Zij zijn
geworden. | Dat zij zijn
geworden. |
| |
| Meer dan volmaakt
verledene tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik was geworden, | Dat ik
ware geworden, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij waart geworden, | Dat gij waret
geworden, |
| Hij was geworden. | Dat hij ware
geworden. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
waren geworden, | Dat wij waren
geworden, |
| Gij waart geworden, | Dat gij
waret geworden, |
| Zij waren geworden, | Dat
zij waren geworden. |
| |
| Eerste
toekomende tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik zal worden, | Dat ik
zoude worden, |
| Gij zult worden, | Dat gij
zoudet worden, |
| Hij zal worden. | Dat hij
zoude worden. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zullen worden, | Dat
wij zouden worden, |
| Gij zult worden, | Dat
gij zoudet worden, |
| Zij zullen worden.
| Dat zij zouden
worden. |
| |
| Tweede toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik zal geworden zijn, | Ik
zoude geworden zijn, |
| Gij zult geworden zijn,
| Gij zoudet geworden zijn, |
| Hij zal geworden
zijn. | Hij zoude geworden
zijn. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zullen geworden
zijn, | Wij zouden geworden zijn, |
| Gij zult
geworden zijn, | Gij zoudet geworden
zijn, |
| Zij zullen geworden zijn. | Zij
zouden geworden zijn. |
| | | | GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: word gij.
Meervoudig: wordt gij.
§. 317. De hulpwoorden aangewezen hebbende, zullen wij nog twee
voorbeelden van, door middel van deze hulpwoorden, vervoegde werkwoorden, en
wel van een gelijkvloeijend, laten volgen. 1. Het gelijkvloeijende werkwoord
drukken.
(Bedrijvende vorm.)
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: drukken.
Verledene tijd: gedrukt hebben.
Toekomende tijd: te zullen drukken.
DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: drukkende.
Verledene tijd: gedrukt hebbende.
Toekomende tijd: zullende drukken.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
druk, | Dat ik drukke, |
| Gij drukt,
| Dat gij drukket, |
| Hij drukt. | Dat
hij drukke. |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
drukken, | Dat wij drukken, |
| Gij
drukt, | Dat gij drukket, |
| Zij
drukken. | Dat zij
drukken. |
| |
| Onvolmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
drukte, | Dat ik drukte, |
| Gij
druktet, | Dat gij druktet, |
| Hij
drukte. | Dat hij
drukte. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij drukten, | Dat wij
drukten, |
| Gij druktet, | Dat gij
druktet, |
| Zij drukten. | Dat zij
drukten. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik heb gedrukt, | Dat ik
hebbe gedrukt, |
| Gij hebt gedrukt, | Dat
gij hebbet gedrukt, |
| Hij heeft
gedrukt. | Dat hij hebbe
gedrukt. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hebben gedrukt, | Dat wij hebben
gedrukt, |
| Gij hebt gedrukt, | Dat gij
hebbet gedrukt, |
| Zij hebben gedrukt, | Dat
zij hebben gedrukt. |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Meer dan volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
had gedrukt, | Dat ik hadde gedrukt, |
| Gij
hadt gedrukt, | Dat gij haddet
gedrukt, |
| Hij had gedrukt. | Dat hij hadde
gedrukt. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hadden gedrukt, | Dat wij hadden
gedrukt, |
| Gij hadt gedrukt, | Dat gij
haddet gedrukt, |
| Zij hadden gedrukt. | Dat
zij hadden gedrukt. |
| |
| Eerste
toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal drukken, | Dat ik zoude drukken, |
| Gij
zult drukken, | Dat gij zoudet
drukken, |
| Hij zal drukken. | Dat hij zoude
drukken. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen drukken, | Dat wij zouden
drukken, |
| Gij zult drukken, | Dat gij
zoudet drukken, |
| Zij zullen drukken. | Dat
zij zouden drukken. |
| |
| Tweede
toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal gedrukt hebben, | Dat ik zoude gedrukt
hebben, |
| Gij zult gedrukt hebben, | Dat gij
zoudet gedrukt hebben, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Hij zal gedrukt hebben. | Dat hij zoude
gedrukt
hebben. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen gedrukt hebben, | Dat wij zouden gedrukt
hebben, |
| Gij zult gedrukt hebben, | Dat gij
zoudet gedrukt hebben, |
| Zij zullen gedrukt
hebben. | Dat zij zouden gedrukt hebben. |
GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: Druk gij.
Meervoudig: Drukt gij.
(Lijdende vorm).
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: gedrukt worden.
Verledene tijd: gedrukt geworden zijn.
Toekomende tijd: gedrukt te zullen worden.
DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: gedrukt wordende.
Verledene tijd: gedrukt geworden zijnde.
Toekomende tijd: gedrukt zullende worden.
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
word gedrukt, | Dat ik gedrukt worde, |
| Gij
wordt gedrukt, | Dat gij gedrukt
wordet, |
| Hij wordt gedrukt. | Dat hij
gedrukt
worde. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
worden gedrukt, | Dat wij gedrukt
worden, |
| Gij wordt gedrukt, | Dat gij
gedrukt wordet, |
| Zij worden gedrukt. | Dat
zij gedrukt worden. |
| |
| Onvolmaakt
verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
werd gedrukt, | Dat ik gedrukt
wierde, |
| Gij werdt gedrukt, | Dat gij
gedrukt wierdet, |
| Hij werd gedrukt. | Dat
hij gedrukt wierde. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij werden gedrukt, | Dat
wij gedrukt wierden, |
| Gij werdt
gedrukt, | Dat gij gedrukt wierdet, |
| Zij
werden gedrukt. | Dat zij gedrukt
wierden. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik ben gedrukt geworden, of
geweest, | Dat ik gedrukt geworden zij, of geweest
zij, |
| Gij zijt gedrukt geworden, of
geweest, | Dat gij gedrukt geworden zijt, of geweest
zijt, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Hij is gedrukt geworden, of
geweest, | Dat hij gedrukt geworden zij, of geweest
zij. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zijn gedrukt geworden, of
geweest, | Dat wij gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, |
| Gij zijt gedrukt geworden, of
geweest, | Dat gij gedrukt geworden zijt, of geweest
zijt, |
| Zij zijn gedrukt geworden, of
geweest, | Dat zij gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn. |
| |
| Meer dan volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
was gedrukt geworden, of geweest. | Dat ik gedrukt
geworden ware, of geweest ware, |
| Gij waart
gedrukt geworden, of geweest, | Dat gij gedrukt geworden
waret, of geweest waret, |
| Hij was gedrukt
geworden, of geweest. | Dat hij gedrukt geworden ware,
of geweest ware. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij waren gedrukt geworden, of
geweest, | Dat wij gedrukt geworden waren, of geweest
waren, |
| Gij waart gedrukt geworden, of
geweest, | Dat gij gedrukt geworden waret, of geweest
waret, |
| Zij waren gedrukt geworden, of
geweest. | Dat zij gedrukt geworden waren, of geweest
waren. |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Eerste toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal gedrukt worden, | Dat ik gedrukt zoude
worden, |
| Gij zult gedrukt worden, | Dat gij
gedrukt zoudet worden, |
| Hij zal gedrukt
worden. | Dat hij gedrukt zoude
worden. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen gedrukt worden, | Dat wij gedrukt zouden
worden, |
| Gij zult gedrukt worden, | Dat gij
gedrukt zoudet worden, |
| Zij zullen gedrukt
worden. | Dat zij gedrukt zouden
worden. |
| |
| Tweede toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal gedrukt geworden zijn, ofgeweest zijn, | Dat ik
zoude gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, |
| Gij zult gedrukt geworden zijn, ofgeweest
zijn, | Dat gij zoudet gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Hij zal gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn. | Dat hij zoude gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen gedrukt geworden zijn, of geweest zijn, | Dat wij
zouden gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, |
| Gij zult gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, | Dat gij zoudet gedrukt geworden zijn, of geweest
zijn, |
| Zij zullen gedrukt geworden zijn, of
geweest zijn. | Dat zij zouden gedrukt geworden zijn, of
geweest zijn. |
GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: word gij gedrukt.
Meervoudig: wordt gij gedrukt.
§. 318. 2. Het ongelijkvloeijende werkwoord geven.
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenwoordige tijd: geven.
Verledene tijd: gegeven hebben.
Toekomende tijd: te zullen geven.
| | | | DEELWOORDEN.
Tegenwoordige tijd: gevende,
Verledene tijd: gegeven hebbende,
Toekomende tijd: zullende geven.
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Tegenwoordige
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
geef, | Dat ik geve, |
| Gij
geeft, | Dat gij gevet, |
| Hij
geeft, | Dat hij
geve. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
geven, | Dat wij geven, |
| Gij
geeft, | Dat gij gevet, |
| Zij
geven. | Dat zij
geven. |
| |
| Onvolmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
gaf, | Dat ik gave, |
| Gij
gaaft, | Dat gij gavet, |
| Hij gaf.
| Dat hij
gave. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij gaven, | Dat wij
gaven, |
| Gij gaaft, | Dat gij
gavet, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Zij gaven. | Dat zij
gaven. |
| |
| Volmaakt verledene
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
heb gegeven, | Dat ik hebbe gegeven, |
| Gij
hebt gegeven, | Dat gij hebbet
gegeven, |
| Hij heeft gegeven. | Dat hij
hebbe
gegeven. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hebben gegeven, | Dat wij hebben
gegeven, |
| Gij hebt gegeven, | Dat gij
hebbet gegeven, |
| Zij hebben gegeven. | Dat
zij hebben gegeven. |
| |
| Meer dan
volmaakt verledene tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik had gegeven, | Dat ik
hadde gegeven, |
| Gij hadt gegeven, | Dat gij
haddet gegeven, |
| Hij had gegeven. | Dat hij
hadde
gegeven. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
hadden gegeven, | Dat wij hadden
gegeven, |
| Gij hadt gegeven, | Dat gij
haddet gegeven, |
| Zij hadden gegeven. | Dat
zij hadden gegeven. |
| |
| Eerste
toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig. | Enkelvoudig. |
| Ik
zal geven, | Dat ik zoude geven, |
| | | |
| AANTOONENDE WIJS. | AANVOEGENDE
WIJS. |
| Gij zult geven, | Dat gij zoudet
geven, |
| Hij zal geven. | Dat hij zoude
geven. |
| |
| Meervoudig. | Meervoudig. |
| Wij
zullen geven, | Dat wij zouden geven, |
| Gij
zult geven, | Dat gij zoudet geven, |
| Zij
zullen geven. | Dat zij zouden
geven. |
| |
| Tweede toekomende
tijd. | |
| Enkelvoudig.
| Enkelvoudig. |
| Ik zal gegeven
hebben, | Dat ik zoude gegeven hebben, |
| Gij
zult gegeven hebben, | Dat gij zoudet gegeven
hebben, |
| Hij zal gegeven hebben. | Dat hij
zoude gegeven
hebben. |
| |
| Meervoudig.
| Meervoudig. |
| Wij zullen gegeven hebben,
| Dat wij zouden gegeven hebben, |
| Gij zult
gegeven hebben, | Dat gij zoudet gegeven
hebben, |
| Zij zullen gegeven hebben. | Dat zij
zouden gegeven hebben. |
GEBIEDENDE WIJS.
Enkelvoudig: Geef gij.
Meervoudig: Geeft gij.
| | | | (Lijdende vorm als gedrukt worden.)
| |
6. Over de zamen gestelde werkwoorden.
§. 319. Eindelijk moeten wij nog, met een enkel woord, van de
zamen gesteldewerkwoorden gewagen. Sommige werkwoorden zijn zamen
gesteld met zelfstandige naamwoorden, sommige met bijwoorden, andere met
voorzetsels. Tot de eerste behooren handhaven, pluimstrijken, kielhalen,
raadplegen; tot de andere liefkozen, weerlichten, (wederlichten)
enz.; en tot de laatste aanspreken, bijblijven, doorzetten, insluiten,
misvatten, navragen, omloopen, tegenspreken, uitstrekken, voorlichten, en
vele anderen; gelijk ook bedekken, geleiden, herinneren, ontvangen,
verliezen enz.
§. 320. Bij de eerste dezer, met voorzetselen zamen
gestelde, werkwoorden, valt de klemtoon, in de onbepaalde wijs, op het
voorzetsel, als: aanspreken, bijblijven, enz.; en bij de laatste, op het
zakelijke deel des werkwoords, als: bedekken, geleiden, enz. De
voorzetsels, welke den nadruk der uitspraak ontvangen, worden scheidbaar
genoemd, omdat zij, in de vervoeging, van de werkwoorden afgescheiden worden;
bij voorbeeld:aanspreken, ik spreek aan, sprak aan, aan te spreken,
enz.; die, welke den klemtoon niet hebben, dragen den naam van
onscheidbaar, omdat zij, in de vervoeging, onafscheidelijk aan het
| | | | werkwoord gehecht blijven, als: bedekken, ik bedek, bedekte,
bedekt, te bedekken, enz.
§. 321. De werkwoorden, welke met scheidbare
voorzetselen zamen gesteld zijn, onderscheiden zich van die, welke
onscheidbare voorzetsels hebben, niet alleen door den nadruk der
uitspraak, maar ook daardoor, dat zij hun verleden deelwoord vormen met
inlassching van ge, als: aanbidden, aangebeden; en bij de
onbepaalde wijs, somtijds tusschen het voorzetsel en het werkwoord te
ontvangen, als: aanbidden, aan te bidden enz.; terwijl de, met
onscheidbare voorzetselen zamen gestelde werkwoorden dit ingelaschte ge
bij hunne verledene deelwoorden missen, en in de onbepaalde wijs te
voorop ontvangen, als: beminnen, bemind, te beminnen.
§. 322. Sommige werkwoorden, met zelfstandige naamwoorden en
bijwoorden zamen gesteld, blijven met hunne voorvoegselen, schoon die den
klemtoon ontvangen, vereenigd, als: antwoorden, dagdieven, handhaven,
dwarsdrijven, kielhalen, kortwieken, liefkozen, weerlichten, enz., waarvan
dagdiefde, handhaafde enz., niet diefde dag, haafde hand, enz.;
en alle werkwoorden, met zulke voorvoegselen zamen gesteld, nemen ge in
het verledene deelwoord aan, en hebben, even als de met onscheidbare
voorzetselen zamen gestelde werkwoorden, in de onbepaalde wijs, te
voorop, bij voorbeeld: ik heb gehandhaafd, gekortwiekt enz.; zoo ook
te handhaven, te kortwieken, enz.
| | | |
§. 323. Bij eenige met voorzetsels zamen gestelde werkwoorden,
valt de nadruk der uitspraak dan op het voorzetsel, en dan op het zakelijke
deel des werkwoords; en wordt, in gevolge daarvan, het voorzetsel dan al, dan
wederom niet verplaatst, naar mate de verschillende beteekenissen der
werkwoorden zulks vorderen, bij voorbeeld:
| Onscheidbaar.
| Scheidbaar. |
| Ondergaán, ik onderga,
onderging, heb ondergaan, te ondergaan | óndergaan, ik ga
onder, ging onder, ben ondergegaan, onder te
gaan. |
| Onderhoúden, ik onderhoud, ik onderhield,
heb onderhouden, te onderhouden. | ónderhouden, ik houd
onder, hield onder, heb ondergehouden, onder te
houden. |
| Overwégen, ik overweeg, overwoog, heb
overwogen, te overwegen. | óverwegen, ik weeg over, woog
over, heb overgewogen, over te
wegen. |
| Voorzéggen, ik voorzeg, voorzeide, heb
voorzegd, te voorzeggen. | Voórzeggen, ik zeg voor, zeide
voor, heb voorgezegd, voor te zeggen. |
| Misdoén,
ik misdoe, misdeed, heb misdaan, te misdoen. | Mísdoen, ik
doe mis, deed mis, heb misgedaan, mis te doen. |
| | | |
| Zoo ook misgaán, ik misgá mij, -
misgrijpen, ik misgrijp mij, - misrékenen, ik misréken mij, -
mistéllen, ik mistél mij enz. | Mísgaan, ik
ging mis, - misgrijpen, ik greep mis, mistellen, ik telde mis,
enz. |
§. 324. Zeer verschillend, in der daad, is de beteekenis der
boven genoemde en andere werkwoorden welke met onscheidbare en scheidbare
voorzetsels zamen gesteld zijn. Immers, men zegt íemand onderhouden:
ik onderhoud hem, dat is, ik geef hem voedsel en deksel; doch daarentegen:
iemand ónderhouden: ik houd hem onder, dat is, ik houd hem onder
water, of op den grond; overléggen: ik heb dat wel overlegd, dat
is, ik heb dat wel bedacht; en óverleggen: ik heb dat overgelegd,
dat is, ik heb dat gewonnen en bespaard; overwégen: ik overweeg,
dat is, ik bepeins; en óverwegen: ik weeg over, dat is, ik weeg
nog eens. Zoo ook voldoén: ik voldoe, en vóldoen: ik
doe vol - omgéven: ik omgeef, en ómgeven, ik geef om -
overwínnen: ik overwin, enóverwinnen: ik win over enz.
*
|
†Aanl. D. I., bl. 13 en verv.
*Men vindt eene lijst dier ongelijkvloeijende
werkwoorden bij L. ten Kate, op de boven aangehaalde plaats.
*L. ten Kate, D. II., bl. 16 en
verv.
*Zie de Inleiding van mijn
Nederduitsch Taalkundig Woordenboek, bl. 144, 145.
*B. Huydec. Proeve van Taal- en
Dichtkunde, D. II., bl. 385, 386.
*Zie Huijdec. Proeve, D. I., bl. 31 en
verv.
*Voor het jaar 1300 vervoegden onze Voorouders
de werkwoorden aldus: ik stelle, du stelles, hi stellet, wi stellen, gi
stellest, zi stellent, enz. Zie Idea ling. Belgic. pag. 64. Deze
vervoeging, waarbij elke persoon, door verbuiging van het woord zelf, op het
duidelijkste onderscheiden wordt, is, door verloop van tijd, ongelukkig in
onbruik geraakt.
†Zie L. ten Kate, D. I., bl. 570 en
verv.
*Zie L. ten Kate, D. I., bl. 548, en
verv.
*Van het mesogoth. im, is,
ist.
*Zie Moonen, spraakk. bl. 141-143,
Nijloë bl. 74, Huijdec. Proeve, D. II, bl. 77. Vergelijk L. ten
Kate, D. I., bl. 563.
*Eenige dezer, met scheidbare voorzetsels zamen
gestelde werkwoorden worden ook als niet zamen gesteld gebezigd, bij voorbeeld:
onder houden, ik houd onder, mis gaan, ik ga mis, over wegen, ik weeg
over. Zie verder L. ten Kate Aanleid. D. I., bl. 406-409, B.
Huijdecop. Proeve, D. I., bl. 419.
|
|