De duitschers roemen zeer op eene verzameling van berymde spreuken uit de dertiende eeuw, by hen bekend onder den naem van Freidank, laetstelyk door Willem Grimm op nieuw uitgegeven1. Men vindt in dezelve zeer scherpzinnige zetregels en oordeelvellingen omtrent zedelyke en geestelyke onderwerpen; doch het is nog niet ten vollen uitgemaekt of dit werk voor eene byeenbrenging van, door verschillende persoonen vervaerdigde, zedelessen moet worden gehouden, waeraen men den verdichten naem van Freidank gaf (zoo als by ons zeker bundeltjen van minneliederen aen Lievinus Vander Minnen werd toegeschreven), dan of werkelyk dit boek van zekeren dichter Freidank afkomstig zy. Grimm's toelichtingen op dit punt pleiten voor het laetste gevoelen.
Intusschen is het zeker, dat zeer vele spreuken van den Freidank byna letterlyk overeenkomen met een groot getal rymregels, welke men op de schutbladen van oude handschriften niet zelden afzonderlyk aentreft, en waerby men toch niet onderstellen kan dat men Fridankes bescheidenheit telkens hebbe voor oogen gehad. Veeleer staet te gelooven dat de meesten uit den mond van het volk zyn opgezameld geweest, als sints onheugelyke tyden by de geheele duitsche natie bekend, en in omloop geweest zynde. De heer Mone heeft in het laetste stuk van den Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit (1836, bl. 427) aengetoond, dat verschillende
rymspreuken, op het voorste schutblad van myn perkamenten afschrift der Naturen bloem van Maerlant voorkomende, letterlyk dezelfde zyn, als die men op bl. 85, 96, 101, 106, 111 en 115 ran den Freidank ontmoet. Het handschrift van den heer Van Hulthem, van het einde der XIVe eeuw, waeruit de fabels, in mynen Reinaert, bladzyde 287-295, getrokken zyn, bevat twee zulke verzamelingen van Spreuken, even belangryk als die van den hoogduitschen bundel, doch niet even goed gerangschikt om een geheel uit te maken. Ik laet hier den inhoud der eerste volgen, namelyk eerst de tweeregelige rymen, en vervolgens de andere, elk naer hun soort. Wy zullen later gelegenheid hebben ook de tweede verzameling te plaetsen, en dan misschien op den inhoud nog nader terugkomen.
J.F. WILLEMS.