|
|
|
| | | | | |
Over Poëzie voor kinderen en volwassenen
Willem Wilmink
Voor ik met mijn lezing begin zou ik u willen verzoeken, niet meer
rond te draaien. Of nee... dat is een verzoek waaraan u niet kunt voldoen, we
draaien hier nu eenmaal, omdat de aarde draait. Alles hier in de zaal staat nog
keurig recht, maar als we hier straks weggaan staat het allemaal al een beetje
scheef. De aarde draait om de zon, wat boven is wordt verlicht door de zon, en
de onderkant is donker. En ik moet over een aantal uren door het donker naar
huis, langs de onderkant van de aarde, ik moet ondersteboven de trein in en als
ik me op m'n hoofd wil krabben, moet ik bukken. En er hoeft maar een klein
mankement aan de rails te zijn, of hij dondert het heelal in, eindeloos,
eindeloos, eindeloos diep. Oneindig diep en donker. En wat is oneindig? 1, 2,
3, 4... dat is een reeks die oneindig doorgaat. Maar je hebt ook één tweede,
één derde, één vierde, één vijfde... met al die getallen die je tegenkomt van
1, 2 tot oneindig. Maar ook tweederde, drievierde, viervijfde, vijftien
zeventiende, zestien zeventiende... behalve de reeks 1, 2, 3, 4, 5 zijn er nog
oneindig veel meer oneindige reeksen.
U ziet het: wij leven in een wereld en met een wereldbeeld waar we
niets van begrijpen. Zwaartekracht, ja... maar hoe kan die maken dat overdag
alles naar beneden valt en 's nachts, als we aan de onderkant van de aarde
zitten, alles naar boven? We hebben het denken over deze dingen eenvoudigweg
opgegeven, we doen of onze neus bloedt en lezen de beursberichten. Kinderen
doen dat niet, en dat is alvast een reden om voor hen te schrijven: je kunt het
dan namelijk over echte dingen hebben, niet over datgene wat ons alleen maar
afleidt van het besef hoe wankel onze existentie is. Zie dit gedicht van
Hendrik de Vries:
Lief en vriendelijk toch van zon en maan,
Overal met ons mee te gaan,
En dat bij deze winterkou;
Heel die lange lange stille laan
En zooveel sterren er achteraan!
| | | |
Wij blijven staan - zij blijven staan.
Daar vallen vlinders, wit en blauw.
Het kind dat hier spreekt is geschrokken. Zon én maan: wij hebben
die wel meer tegelijk aan de hemel zien staan, wij verbazen ons nergens meer
over. Maar dat kind denkt: nu ben ik zó erg verdwaald, nu ben ik ergens waar
het nacht en dag tegelijk is, en naar later blijkt ook zomer en winter
tegelijk: de vlinders van de zomer vallen dood door de winter heen, wit en
blauw - winterkou. Maar het geschrokken kind is verantwoordelijk voor een of
meer iets jongere kinderen, die niet mogen merken dat ze verdwaald zijn, en hoe
erg, en vandaar dat ‘Lief en vriendelijk toch’, met het aarzelende ‘toch’,
vandaar die moedige houding van de wanhopige gids, een allure die pas in de
slotregel, waar alles bevriest, wordt opgegeven. Dit gedicht is niet voor
kinderen geschreven. De kinderen die deze gedichten begrijpen zijn misschien
net iets ouder dan de kinderen die erin rondzwerven, en hun begrip voor deze
reeks van
Hendrik de Vries gaat dat van volwassenen
te boven, want de gebeurtenissen liggen verser in hun geheugen. Zou de reeks
daarmee ongeschikt zijn voor die kinderen? Het hoeft niet, want ook Ot en Sien
(vijf en vier jaar) zijn jonger dan hun lezers, die de leeftijd hebben van de
zoveel verstandiger Trui.
De eerste reden om voor kinderen te schrijven is dat ze zich nog
verbazen. De tweede is dat je om voor kinderen te schrijven
moet herleiden: er is een wiskunstig genoegen in, alles zo
eenvoudig te formuleren als het maar kan. Men zou alle Nederlandse auteurs
moeten verplichten om tenminste één kinderboek te schrijven: het zou onze
literatuur eenvoudiger, en daardoor vaak veel beter maken. Herleiden. Bert en
Ernie. Bert slaapt, Ernie ziet duiven op het dak: ‘Moet ik Bert nou wakker
maken? Hij heeft er zo'n hekel aan om wakker gemaakt te worden. Dus ik moet
Bert laten slapen? Maar dan ziet hij de duiven niet. En Bert vindt het zo leuk
om duiven op het dak te zien.’ Is hier niet een geweldig stuk
relatieproblematiek in verwerkt? Of hier: Bert is niet thuis, Ernie zet de
radio keihard, want Bert kan nu niet zeggen: ‘Ernie, zet die radio eens wat
zachter.’ Maar nu Bert er niet is om dat te zeggen, is er niet veel lol aan om
de radio zo hard te zetten. Of: Bert ligt in een bed vlak bij de kraan en Ernie
in een bed een eind verderop. Ernie: ‘o, wat heb ik een dorst... wat héb ik een
dorst.’ Bert haalt, ten einde raad, water. Ernie: ‘o, wat had ik een dorst...
wat hád ik een dorst.’ | | | |
Mijn oudste zoontje was vier jaar. Hij had twee beren. De ene had
hij gekregen van een vrouw die altijd over haar zoon zei: ‘Ik wou dat Gerrit
eens vastigheid kreeg, ons Gerrit moet vastigheid hebben.’ Maar Gerrit had een
eigenaardige manier om contact te maken. Als hij in een dansgelegenheid een
aardig meisje zag, dan ging hij naast haar zitten en begon met te zeggen: ‘Ik
heb een moeilijk karakter.’ Goed. Een van de beren van mijn zoontje heette, en
u begrijpt nu waarom, Gerrit Vastigheid. De andere beer had eigenlijk geen
naam, en toen ik mijn zoontje vroeg hoe die eigenlijk heette, zei hij, vrij
zacht en zonder enige aarzeling: ‘Kummeling.’ ‘Wat?’ ‘Kummeling!’ Hij was
enigszins verbaasd dat ik dat niet al wist. Onlangs nog heb ik in het
telefoonboek van Amsterdam én dat van Utrecht de namen Kummeling, Cummeling en
ook nog Cumeling en Kumeling opgezocht: geen van die namen komt voor. Kummeling
is een naam die niet bestaat, hoe vanzelfsprekend, hoe bestaanbaar hij ook
is!
Literatuur voor kinderen moet niet al te abstract zijn. In
Mr. Bear, een prachtige serie Japanse prentenboeken die ik
uit het Engels vertaal, moest Meneer Beer (die ik overigens... Kummeling
genoemd heb) een rolletje spelen in het kerstspel, maar ‘hoe hij ook zijn best
deed, hij kon de woorden niet onthouden’. Dit was mij te abstract, dus ik
‘vertaalde’: ‘hij moest zeggen Vrede op Aarde, maar hij zei: Ezels en paarden.’
Men moet de dingen herleiden tot de essentie en daarbij
zo concreet mogelijk zijn.
Een gedicht van een meisje, Bina, zo ongeveer acht jaar oud:
Miep droomt van een spook
de moeder en de vader zitten
aan de tafel en een spook
maar moest op het spook letten
Een poes kan voor kinderen een geruststellend beest zijn. Zo gauw
poes in de droom aanwezig is, krijgt die droom het karakter van een verhaaltje:
verleden tijd, als in ‘er was eens’ of ‘ik was vadertje en jij was moedertje’.
Bina geeft simpel en subtiel aan dat de droomster zich dank zij de poes bewust
is geworden dat ze droomt, en daarmee verliest de droom zijn macht over het
kind. Dit is zo mooi dat je gauw geneigd zou zijn te zeggen: laat Bina maar voor kinderen schrijven in plaats van al die
volwassenen die hun best doen zich in hun kinderlijke ik terug te denken.
Maar... de subtiliteit van het gedicht zal alle kinderen van Bina's leeftijd
(inclusief min of meer Bina zelf) ontgaan. Kinderen kunnen niet voor kinderen
schrijven omdat ze een taalervaring aanwenden die slechts volwassenen kunnen
overzien. | | | |
Met de grammaticale tijd gebeurt ook iets in een van de weinige
gedichten die
Hendrik de Vries speciaal voor kinderen
schreef:
Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit: -
Een keisteen, middendoorgebroken;
Daar binnen waren 't prachtige kleuren:
Een zee met wolken, een zeilend bootje,
Een vlag, door de wind in rimpels geplooid;
Er stonden ook letters en cijfers boven,
Maar voor ik dat allemaal goed kon lezen,
Heeft een man mij die twee helften afgenomen
En ze over de schutting weggegooid.
Als er had gestaan ‘nam een man mij die twee stukken af en gooide ze
over de schutting weg’, dan was ons hier een verhaaltje verteld. Iets als: ‘ik
zag gisteren Anneke nog’. Zeg je: ‘ik heb gisteren Anneke nog gezien’, dan
betekent die ontmoeting nu nog iets voor je, zoals je een boek dat je
uitleende terug kunt hebben, maar een boek dat je
hebt uitgeleend nog steeds mist. Het jongetje staat daar, met
lege handen: ‘heeft afgenomen... weggegooid...’: het staat daar als voor
eeuwig, in een bevroren beeld, nooit meer in staat die letters en cijfers te
ontraadselen. De volwassene heeft het kind (en de man die eruit zou groeien)
gefrustreerd, zonder dat hij wist wat hij deed. Want voor zo'n volwassene
bestaan er geen raadsels, zoals we zagen: alleen maar beursberichten. Wat
kunnen kinderen begrijpen, wat kunnen ze onthouden, en waar houden ze van?
Ik heb bij kleuters succes gehad met het volgende slaapliedje:
| | | |
Dit laat zich lezen als een gedicht van 4 × 4 regels, met het
aardige enjambement ‘het paard kijkt over... 't prikkeldraad’, een enjambement
dat de hals van het paard als het ware verlengt. Maar je hoort het als een lied
van 4 × 2 regels = 4 × 2 zinnen: zonder enig enjambement, waarbij
Harry Bannink (die geweldig goed naar
teksten kan luisteren) het aardige enjambement in zijn waarde heeft gelaten
door een ‘onnatuurlijk’ hoge noot op ‘over’. Iedereen kan dit begrijpen. Het
onthouden kost iets meer moeite, want elke zin bevat een nieuwe informatie,
anders dan
Smeer nog maar een boterham,
boterhammen lust ik graag,
De kleuters konden dit bij ‘De Film van Ome Willem’ onmiddellijk
meezingen, juist door die namen van steden, die geen enkele informatie
toevoegen, maar die functioneren als wat
Annie M.G. Schmidt ‘ruis’ noemt. Of je die
ruis nodig hebt, ligt eraan hoe groot je publiek is. En ‘hoe
groot’ slaat dan niet alleen op de leeftijd, maar ook op het aantal mensen. Als
voorbeeld een cabaretliedje, een van de eerste die ik schreef:
Henkie
Een heel klein hondje dat Henkie heette
liep wenend langs de Herengracht,
hij had geen baas en ook geen eten,
hij had geen lief dat aan hem dacht.
Dat hele kleine hondje dal Henkie heette,
niemand in de wereld kende hem,
maar hij was dat net aan het vergeten,
toen hij zich doodschrok van een tram.
Men zag het hondje opzij toen springen,
met een plons in de koude gracht,
| | | |
daar hoorde hij hondjes met vleugeltjes
zingen,
tamelijk mooi en tamelijk zacht.
En nog weer een paar dagen later,
of eigenlijk was het al nacht,
zag iemand hem drijven op het water,
l'inconnu de la Herengracht.
Dit lied had succes in Hypokriterion, voor zo'n 150 toeschouwers.
Voor de tv was het ook geschikt, al verving (1958) de NCRV ‘hoorde hij hondjes
met vleugeltjes zingen’ door ‘hoorde hij hondjes een treurmarsje zingen’. Wat
ik zelf veel minder Christelijk vind. Maar toen was er een cabaretfestijn in de
Amsterdamse Stadsschouwburg, en voor die grote zaal was het liedje, in dezelfde
uitvoering, te kort. Toen het al uit was, dachten de mensen dat het
belangrijkste nog moest komen. Vandaar dat ik voor de Amnesty
International-bijeenkomst in Carré een liedje schreef met herhalingen erin, en
met een cliché:
Ze schuifelen door het journaal
geef hun een teken, een signaal:
dat geen enkele deur eeuwig dicht zal zijn,
dat aan 't eind van de tunnel weer licht zal
zijn.
Dat licht aan het eind van een tunnel is wat iedereen die bijna
verdronken is of anderszins bijna doodgegaan, heeft waargenomen en steeds weer
vertelt. 't Is een cliché, maar een wáár cliché, niet zoiets als ‘waar rook is
is vuur’, waar de veelvuldige herhaling van een lasterlijke leugen een waarheid
schijnt te maken. De poëet en recensent
Hans Warren heeft van mijn
Verzamelde liedjes en gedichten gezegd
dat ze boordevol clichés staan. Dat deze ‘ruis’ geen onmacht is, maar opzet, is
deze Zeeuwse Nachtegaal ontgaan.
Waar houden kinderen van, en waar houden ze
niet van? Om met dat laatste te beginnen: kinderen houden
niet van kinderen die hun een goed voorbeeld geven: als u Miesje bij uw kind
impopulair wilt maken, moet u zeggen: ‘Miésje helpt haar moeder altíjd met
afwassen’. U kent de poppenkast op straat. Punch & Judy.
Punch heeft zijn baby vierhoog uit het raam gegooid omdat het kind zo huilde.
Dit is geen goed voorbeeld, en Punch wordt dus al meteen
sympathiek gevonden. Punch wordt tot de galg veroordeeld en weet dan niet waar
hij precies zijn hoofd doorheen moet steken: ‘it's my first hanging’, verklaart
hij. De beul doet het dan voor, en Punch hoeft de strop alleen maar aan te
trekken. Applaus. Jan Klaassen & Katrijn. De Hollandse
neef van | | | | Punch is geen haar beter dan hij. Ik hoorde op de Dam Jan
Klaassen eens roepen, terwijl hij bezig was de huisbaas af te tuigen: ‘kinderè!
kèk ùt foor het spatte fen het bloed!’ Punch en Jan danken hun populariteit (en
niet alleen bij kinderen) juist daaraan, dat ze geen enkele goede eigenschap
hebben. Het gevaar dat deze immorele schooiers ooit iets zouden doen waar
kinderen een voorbeeld aan zouden moeten nemen, is volkomen denkbeeldig. Judy
en Katrijn zijn de echtgenotes, en dus in kleuterogen tevens de moeders van
deze schurken. Voor een kleuter is iemands echtgenote immers zijn moeder,
hetgeen van een beginnend psychologisch inzicht getuigt.
Toen ik (na enige tegenstand) Jan Klaassen en Katrijn in de
poppenkast van ‘De Film van Ome Willem’ wist te krijgen, schreef ik
verschillende scènes waarin Katrijn die echtgenote=moeder-rol toebedeeld kreeg,
en daar was er een bij waarbij de zaal meer wist dan de spelers: een effect dat
we in alle Franse kluchten en blijspelen terugvinden (de minnaar zit in de
kast), maar ook in een ernstig stuk als ‘
Op Hoop van Zegen’ van
Herman Heijermans: Kniertje bidt voor het
behoud van het schip waarvan de zaal weet dat het al vergaan is.
Jan helpt afwassen, want Sinterklaas is in het land. De
Sint komt op bezoek, prijst Jan, en vergeet bij het weggaan zijn staf. ‘De Sint
komt niet meer terug!’ roept Jan en gaat met borden aan het smijten, daarbij
immorele liederen zingend. (Ik heb de zaal met kleuters toen in ademloze
spanning gezien, beseffend dat ze wisten wat in de poppenkast nog niemand had
opgemerkt: die staf stond daar nog.) En dan... komt de Sint terug om het
vergeten voorwerp op te halen...
Eenzelfde effect paste ik toe in een verhaal over
Sinterklaas: die inspirerende man, waarom begint men hem steeds meer ontrouw te
worden en hem te vervangen door die geslachtsloze kerstman zonder zak of
roe?
Een meisje wil zo graag een katje. Ze zet haar schoen bij
het open raam en daarnaast een doos. Vader zegt: ‘Dit heeft geen zin, want het
is zomer, dus de Sint is in Spanje.’ Het meisje denkt: je kunt niet weten, en
ook: het paard van Sinterklaas heeft misschien wel eens trek in wat anders dan
altijd dal water en die wortels. Een flink stuk makreel misschien... een
schotel melk. Volgende tafereel: een mishandeld zwerfkatje komt aangelopen, en
vindt alles wat haar hartje begeert. Alweer: wie dit verhaal hoort weet meer
dan de personen erin. Want in dat verhaal gelooft iedereen dat de Sint het
katje heeft gebracht. Of... is het meisje wijzer dan het verhaal ons in eerste
instantie wil doen geloven? En het is zelfs nog mogelijk dat de vader in
werkelijkheid niet | | | | voor de Sint gezwicht is, maar voor de
pienterheid en de dierenliefde van zijn kind.
In de serie over Jans en Frans, die ik voor
De Stratenmakeropzee Show schreef,
wisten die zittenblijvers eigenlijk meer dan hun meester, en de kijker wist
meer dan zij drieën wisten. Jans vertelt dat vaders en moeders altijd iets met
elkaar moeten verrichten, eer de moeder in verwachting kan raken.
MEESTER Dat is tegenwoordig misschien zo. Maar vroeger
niet, Jans. Vroeger kwamen de kinderen van de ooievaar. JANS Nee hoor,
meester. Uw vader en moeder hebben ook... MEESTER (GEKWETST) Jij hebt mijn
moeder nooit gekend, Jans.
Jan Riem (geestelijk vader van Erik Engerd, To en Ta, en vele
anderen) houdt ervan om de zaal (of in dit geval: de huiskamer) in te lichten
door middel van terzijdes, met datzelfde doel: iets aan het
licht te brengen wat op de set niet algemeen bekend is.
MAN (MET VARKENSMASKER) Goedemorgen, mevrouw. Ik ben van
de AMRO-bank, ik ben het spaarvarken. Hebt u misschien nog geld in een oude
kous? (TERZIJDE:) Stom wijf. Zie je zo. Stom wijf.
Het aardige is nu, dat het ingelichte publiek nóg meer weet dan de
informant: namelijk dat het ‘wijf’ niet zo stom is als de man met het masker
wel denkt. Ries Moonen bedacht een ondeskundige deskundige voor J.J. de Bom: prof. drs. Werenfridus Jongerius:
Dames en heren... wat moet een kind zonder godsdienst...
(HIJ HEEFT EEN EI IN ZIJN HAND) De religie is als een veilig nest om het kind
heen, het beschermt het kind zoals het zacht nest het eitje beschermt... (HIJ
KOESTERT HET EI IN ZIJN HAND EN ZIET PLOTSELING EIERSTRUIF LANGS ZIJN VINGERS
DRUIPEN)... sorry... iets te hard geknepen.
Hij ondermijnt het gezag, en kinderen vinden dat leuk, maar dan wel
als het gaat om een verkeerd of een misbruikt gezag. Ook
altijd leuk: pornografie. Ik schreef een pornografisch
opera-fragment voor kleuters, en dat begint aldus:
Ik weet een vrouw te wonen,
| | | |
die gaat zich straks verschonen,
dan staat ze zonder kleren,
daar kun je veel van leren.
grote blote billen, jongejonge wat een
De muzikanten bij Ome Willem (Harry Bannink, Harry Mooten, Frank
Noya) hebben hier overigens net zo van genoten als de zaal, want muzikanten
zijn een soort kinderen.
Theo Thijssen vond van zijn boeken
Jongensdagen geschikt voor kinderen,
en met name
Kees de jongen niet. Nu is het slot
van de beide boeken zeer verwant.
‘“Fijnerd, lieverd!” hoorde hij haar zeggen, en hij voelde
haar ene arm om zijn hals, en haar lippen op zijn wang, vlak naast zijn mond
hem kussend, twee, drie keer. “Pas op, val niet,” zei hij dwaas, en haar
omvattend, zonder dat hij het wist. Huilde zij ook? Ze duwde, hij liet los, en
ze vluchtte weg zonder omkijken. Kees keek haar na, tot hij haar de
Reestraat zag inhollen, aldoor nog zonder omkijken. Hij snikte hardop, maar hij
knikte haar toch lachend toe, alsof ze wèl omgekeken had, en zijn gezicht uit
de verte nog had kunnen zien. Toen draaide hij zich om en begon naar huis
te lopen. Eerst langzaam en sufferig. Maar weldra was het hem, alsof
hij muziek hoorde. Blijde, schallende muziek, een juichende mars was het, die
in hem klonk; en hij kwam stevig in de maat te lopen. En op de stille donkere
gracht liep hij als een aanvoerder aan het hoofd van een overwinnend leger,
trots en zeker en gelukkig, de daverende muziek in zijn hoofd. En de
mensen die hem voorbijgingen, wisten niet, dat daar een jongen ging, die àlles
zou kunnen, nu hij eenmaal begonnen was; dachten dat het maar zo'n gewone
jongen was, een jongen nog zonder geschiedenis, een jongen die daar zo-maar
liep...’
Het is een aangrijpende paradox: die jongen die meer dan ooit voelt
dat hij wat wórden kan, dat hij uit zijn milieu kan breken... en dat op het
moment dat | | | | zijn kansen, ook door eigen toedoen, tot bijna niets
gereduceerd zijn.
In ‘Jongensdagen’ lezen we:
‘Ko keek z'n moe aan. “Wat... zei de meester, Moe?”
Moe lachte tegen hem; ze streek hem over z'n haar. Toen werden haar ogen
vochtig; ze probeerde nog te blijven lachen, maar dat kon ze niet. Ze huilde
zachtjes. Ze drukte Ko tegen zich aan en fluisterde: “Je mag verder leren,
Kook, gelijk op met Ay. Vind je 't heerlijk?” “Nou”, zei Ko alleen.
Toen sprak Moes weer ineens gewoon: “Nou gauw voor 't eten zorgen,” en ze liep
naar de keuken. Miep liep mee. Henk en Ko bleven achter. Henk keek z'n
broer met 'n beetje eerbied aan. “Wat word-je nou?” En Ko antwoordde,
na even geslikt te hebben: “Wàt? Alles!”’
De taal is eenvoudiger, maar inhoudelijk lijkt dit boek op het slot
van
Kees de jongen: ‘dat daar een jongen
ging, die àlles zou kunnen, nu hij eenmaal begonnen was’: alles. Maar hel verschil is dat Ko op de goede weg is en Kees op
de verkeerde. ‘In een kinderboek kan alles,’ heeft
Annie Schmidt eens gezegd, ‘als het maar
goed afloopt.’
Theo Thijssen had kennelijk dezelfde mening,
gezien zijn reactie op die jongen van de zesde klas.
|
|
|