|
|
|
| | | | | |
Eerste tijdvak. Middeleeuwsche letterkunde 1180-1430. | | | |
I. Oudste poëzie van de bewoners der Nederlanden.
De Nederlandsche letterkunde begint in de laatste helft der
12de eeuw in Zuid-Limburg.
Wanneer men dat zegt, gaat men van de eenigszins willekeurige, maar
om practische redenen aannemelijke stelling uit, dat de Nederlandsche
letterkunde al die min of meer belletristische geschriften omvat, die opgesteld
zijn in de landstaal der gewesten van het tegenwoordig Noord- en
Zuid-Nederland. Dat die gewesten destijds nog volstrekt geene eenheid vormden,
ziet men dan opzettelijk over het hoofd. Men vergeet dan b.v. dat Zuid-Limburg
toen maatschappelijk en taalkundig in nauwere betrekking stond tot de
tegenwoordig Pruisische streken van den Beneden-Rijn, dan tot de overige
Frankische gewesten van Nederland, zooals het hertogdom Brabant en de
graafschappen Holland en Zeeland, en dat de laatste zich wel nauw aansloten bij
het Sticht, maar niet even nauw bij het Saksische Oversticht, dat evenals de
graafschappen Gelre en Zutfen slechts politiek gescheiden was van Bentheim en
Westfalen, maar in zeden en gewoonten daarmee veel meer overeenkwam. Ook een
gedeelte onzer provincie Groningen - het Munstersche Friesland geheeten - hing
blijkens dien naam nauwer met zijne Oostelijke, dan met zijne Westelijke
grensstreken samen, terwijl overigens de Groninger Ommelanden met Friesland een
op zich zelf staand geheel uitmaakten met eene eigene schrijftaal. Vlaanderen
stond in zekeren zin nog verder van de andere gewesten af, omdat het niet eens
tot het Duitsche rijk behoorde, maar leen van Frankrijk was, al was het dan ook
door zijne Nederfrankische taal alweer nauwer met Brabant en zelfs met Zeeland
en het tegenwoordige Zuid-Holland en Utrecht verbonden, die met | | | | elkaar het taalgebied van het Westnederfrankisch uitmaken, of van het
Dietsch zooals de bewoners van die streken zelf in de middeleeuwen hunne
taal noemden met een bijvorm van Duutsch, zooals de volkstaal in het
Noordelijker Holland en Utrecht en ook onder de Limburgers en de Saksen heette.
Langzamerhand zijn al die gewesten, zoowel door toevallige omstandigheden als
door de centraliseerende politiek der Bourgondiers, tot één rijk
geworden, maar in den tijd, waarin onze letterkunde ontstond, was die eenheid
nog ver te zoeken.
Met de politieke eenheid der Nederlanden nu vormde zich ook de
taaleenheid, maar eerst langzamerhand, zoodat er van eene algemeen
Nederlandsche taal in de 12de eeuw nog in de verste verte geen
sprake kon zijn. Er heerschten toen verschillende, soms tamelijk sterk van
elkaar afwijkende tongvallen, die alleen dit met elkaar gemeen hadden, dat zij
tot de Nederduitsche taalgroep behoorden, slechts in Zuid-Limburg eenigszins
overhellend naar het Middelduitsch. Wie dus bij ons het eerst de landstaal
schreef, schreef daarom nog geen Nederlandsch, maar eene taal, die slechts
zoover van zijn dialect afweek, als de schrijftaal uit den aard der zaak altijd
van de spreektaal afwijken moet.
Hoe langzamerhand een paar onderling nauw verwante dialecten in hun
schriftvorm de schrijftalen van de andere gewesten verdrongen en ten slotte de
alleenheerschappij verwierven, nochtans niet zonder verschillende elementen uit
andere tongvallen in zich te hebben opgenomen, kan hier niet nader worden
aangewezen, omdat het meer dan in eene geschiedenis der letterkunde te huis
behoort in de geschiedenis der vorming en ontwikkeling van onze taal
1) Genoeg zij het, op te merken, dat zich bij ons in het tijdperk van
zeven eeuwen, waarover wij te handelen hebben, langs historischen weg
2) eene schrijftaal
heeft gevormd, die kennelijk van de spreektaal, in welk gewest ook, is
onderscheiden.
Tusschen die spreektalen en die schrijftaal is in later tijd als
bemiddelaarster weer eene andere taal ontstaan, die wij gewoon | | | | zijn
de beschaafde spreektaal te noemen. Zij is het uitvloeisel van de neiging tot
normaliseering der tongvallen op de scholen onder den invloed der schrijftaal
en was dus eerst kunstmatig aangeleerd, maar is langzamerhand van geslacht op
geslacht overgegaan en zoo eene levende taal geworden, die in vele beschaafde
kringen het oorspronkelijke dialect buiten gebruik heeft gesteld, zoo al niet
in vergetelheid heeft doen geraken. Dat zij nog altijd, schoon minder dan de
dialecten, van de schrijftaal afwijkt, is eensdeels het gevolg van haar
hybridischen oorsprong, anderdeels van het wezenlijk onderscheid, dat er
tusschen spreek- en schrijftaal moet bestaan, omdat zij ieder aan verschillende
eischen hebben te voldoen. Kunstmatig eene toenadering tusschen beide te
bevorderen is tot op zekere hoogte mogelijk en ook wel gewenscht; maar wie en
den waan verkeert, dat eenmaal alle onderscheid tusschen beide zou kunnen
uitgewischt worden, bewijst daarmee alleen, dat hij van het wezen en de
ontwikkeling der taal geen of een zeer eentijdig begrip heeft.
De eerste Nederlanders, die in de landstaal schreven, schreven dus
geen Nederlandsch, maar legden toch in elk geval den grondslag voor eene
letterkunde in de zich allengs ontwikkelende Nederlandsche taal, door de
spreektaal hunner stamgenooten in schrijfteekens af te beelden en zich voor het
schrijven niet meer van eene vreemde taal te bedienen, zooals vroeger de
gewoonte was.
Dat dit reeds vóór de tweede helft der 12de
eeuw zou gebeurd zijn, is uit niets te bewijzen, want enkele Oudnederfrankische
fragmenten, die ons bewaard gebleven zijn, kunnen daarvoor wel niet als bewijs
worden aangevoerd, evenmin als de wat omvangrijker Oudsaksische litteratuur uit
de negende eeuw, die ook zeker niet binnen de tegenwoordige grenzen van de
Nederlanden is ontstaan. Toch behoeft het daarom bij ons vóór de
12de eeuw nog niet aan letterkundige beschaving ontbroken te hebben,
want ongetwijfeld werden er toen reeds sinds eeuwen liederen in de volkstaal
door den zang verbreid en gingen spreuken en raadsels in dichtvorm van mond tot
mond.
Bovendien hadden de bewoners dezer lage landen bij der zee toen
allang kennis kunnen maken met de bloeiende litteratuur der Romeinen,
grootendeels onder den invloed der nog schitterender Grieksche letterkunde
ontwikkeld, en hadden velen hunner zich de Latijnsche taal reeds voldoende
eigen gemaakt om er ook zelf | | | | in te schrijven. Zoo kon er dus reeds
lang voor het ontstaan van eene Nederlandsche letterkunde van geletterde
Nederlanders sprake zijn, en is het zeker niet zonder belang, voor een goed
inzicht in het vervolg, na te gaan, welke blijken van letterkundige beschaving
er al bij ons volk te vinden waren vóór onze eigenlijke
letterkunde een aanvang nam.
Voor den oudsten tijd moeten wij ons tevreden stellen met
betrekkelijk korte mededeelingen, die wij uit de werken van Latijnsche
schrijvers als
Caesar,
Plinius en vooral
Tacitus kunnen samenlezen en die het ons mogelijk maken,
tot de eerste eeuw vóór Christus op te klimmen, toen de Romeinen
voor het eerst, onder leiding van Julius Caesar, met een deel der bewoners van
ons land kennis maakten. Het waren behalve Keltische en enkele Germaansche
volkstammen in België, zooals de Tungri, voornamelijk de Bataven, die
ongeveer 100 jaar vóór Christus hun vaderland, het door de Chatti
bewoonde en naar hen nog ‘Hessen’ genoemde Hercynische woud hadden
verlaten en als Chattuarii (oudere vorm van het latere Hatweren) bezit hadden
genomen van het eiland tusschen de Noordzee en de beide Rijnarmen, waarvan de
Zuidelijkste den naam van Vahalis (Waal) droeg en de Noordelijkste bij het
tegenwoordige Katwijk in zee viel
1). Aan dat eiland, Batawia (nu de Betuwe), waarvan Lugdunum
Batavorum (niet Leiden, maar misschien Loosduinen) de hoofdplaats was,
ontleenden zij zelf den naam van Bataven, waaronder zij in de Romeinsche
geschiedenis beroemd zijn geworden. Wat later, vooral door
Germanicus en
Drusus,
Corbulo en
Cerialis, leerden de Romeinen ook de aan hen nauw
verwante Cannenefaten kennen en spoedig ook hunne Noorddelijke buren, de
Friezen. Wat door de Latijnsche schrijvers van de Germanen in het algemeen
wordt meegedeeld, zullen deze wel grootendeels vernomen hebben door hun verkeer
met de bij hen het best bekende bewoners der Rijnoevers en Noordzeekust, zoodat
wij wel het meeste van hetgeen zij ons aangaande de Germanen berichten op onze
voorouders van toepassing mogen achten.
Uit die berichten blijkt dan, dat de tijd, waarin de bewoners van
Nederland nog volstrekt geene poëzie kenden, zeker reeds ver ligt
vóór den voor ons historischen tijd. Immers zij spreken reeds | | | | van goden- en heldenliederen onder de Germanen, al vormden de dichters
van die liederen, dan ook geen afzonderlijken stand, zooals de barden bij de
Galliërs
1). Meermalen
wordt door hen van het gezang der Germanen melding gemaakt
2), hetzij
vóór het aangaan van den strijd, hetzij in den nacht
daarvóór bij den maaltijd, of ook verder wel bij hunne
drinkgelagen aangeheven; en van den inhoud der liederen vernemen wij ook iets,
al is het maar weinig. Vooreerst hadden de Germanen mythologische liederen, die
eene soort van theogonie bevatten.
Tacitus toch vertelt ons: ‘in oude liederen, die
bij hen het eenig soort van overlevering en geschiedenis uitmaken,
verheerlijken zij Tuisco, een uit de aarde opgerezen god, en zijn zoon Mannus,
als den oorsprong der stamvaders van hun volk. Aan Mannus kennen zij drie zoons
toe, naar welker namen zij, die het dichtst bij de zee wonen, Ingaevonen, de
middelste Herminonen (of Irminonen) en de overige Istaevonen genoemd worden;
doch sommigen (want bij dergelijke overoude dingen heerscht altijd veel
onzekerheid) verzekeren, dat er meer zoons uit dezen god zijn voortgesproten,
en dat er meer volksnamen zijn, zooals de Marsi, de Gambrivii, de Sueven, de
Wandalen, en dat dat echte en oude namen zijn.’
3) ‘Ook,’ zoo vertelt Tacitus | | | | verder,
1)
‘houden zij de herinnering aan het verblijf van Hercules (waaronder men
wel Thonar mag verstaan) onder elkaar levendig en bezingen hem, wanneer zij ten
strijde zullen gaan, als den voornaamsten aller dappere mannen.’
Doch niet alleen mythische personen werden door de Germanen in hunne
liederen bezongen. Van
Arminius, den held der Cherusken, die
Augustus van zijne legioenen beroofde door
Varus te verslaan, heet het bij
Tacitus, die vooraf verteld heeft, dat Arminius in zijn
acht-en-dertigste levensjaar, na eene regeering van twaalf jaar, vermoord werd:
‘en nog wordt hij onder de barbaarsche volken bezongen, maar hij wordt
niet gevonden in de jaarboeken der Grieken, die alleen hunne eigen geschiedenis
bewonderen, en is evenmin zeer beroemd bij de Romeinen, daar wij, al wat oud is
verheffende, minder belangstellen in hetgeen pas gebeurd is’
2).
Toch, hoe beroemd Arminius zeker, en andere helden waarschijnlijk
onder de Germanen waren, in de oude Germaansche heldensage is geen spoor van
herinnering aan hen te bespeuren, zoodat
Wattenbach dan ook terecht zegt: ‘wat ons van
Germaansche sage is overgebleven, klimt niet hooger dan
Attila op, wiens geweldige vuist met zóó
onbedwingbare kracht alles vernietigde, wat hem in den weg kwam, dat ook zelfs
de herinnering aan vroegeren tijd werd uitgewischt’
3). Wij moeten er nog bijvoegen, dat onder de
Germaansche stammen zelf te groote veranderingen plaats hadden, dat ook onder
hen de geduchte bestrijders van
Caesar,
Germanicus en
Drusus, van
Tiberius en
Varus, van
Corbulo en
Cerialis op den achtergrond traden, zoodat hunne namen,
zelfs die der drie eeuwen lang beroemde Bataven, in vergetelheid geraakten,
verdrongen door nieuwe stammen, die met hunne voorgangers alleen het geloof aan
de oude goden gemeen hadden, maar geene belangstelling konden hebben voor de
oude helden; en dat eindelijk de schrijfkunst aan de Germanen niet bekend was,
zoodat de herinneringen van de eerst opgetreden stammen niet konden worden
overgebracht op de latere. 't Waren de Romeinen, die | | | | de
schrijfkunst aan de Germanen leerden; ja zelfs de runen, de eenige
letterteekens, die zij aanvankelijk gebruikten, waren aan een Italisch alphabet
zoo al niet geheel, dan toch meerendeels hetzij onmiddellijk, hetzij door
Keltische tusschenkomst ontleend
1).
Die runen waren geheime wichelteekens
2), in takjes van vruchtboomen gesneden, welke op een wit laken
uitgestrooid werden en waarvan door den wichelaar (den priester of den
huisvader) drie werden opgenomen, uit welker runen dan de wil der goden werd
opgemaakt
3). Volgens de oudere
Edda waren het vrouwen, die de runenstaafjes
(beukenstaafjes of boecstaven) sneden en lazen en deze waren het dan ook
vooral, die voorspellingen deden of tooverliederen, incantationes
4), zongen. Bij onze
voorouders heette zulk een tooverlied of tooverspreuk gald, eene
afleiding van het werkwoord galan (zingen), waaraan nog ons woord
‘nachtegaal’ (avondzanger) herinnert.
‘Algemeen dachten de Germanen,’ zegt
Tacitus, ‘dat de vrouwen iets goddelijks hadden,
waardoor zij de toekomst konden voorzien, en hare raadgevingen en uitspraken
(of orakelspreuken) werden niet geminacht. Zoo zag men onder de regeering van
Vespasianus Velleda, | | | | die langen tijd door
velen voor een orakel werd gehouden, en vroeger vereerden zij ook Albruna en
andere, zonder ze echter te aanbidden, alsof zij ze tot godinnen wilden
maken’
1). Van
Velleda deelt
Tacitus verder mee, dat
Civilis haar den buit, dien hij op de Romeinen behaald
had, toezond, daar zij tot de waarzeggende vrouwen behoorde, en den voorspoed
der Germaansche wapenen en de nederlaag der Romeinsche legioenen had voorspeld
2). Zij woonde in eene
hooge burcht en liet zich, om meer geeërbiedigd te worden, door niemand
zien: wie haar kwam raadplegen, ontving van iemand uit hare omgeving als van
een tolk der godheid, hare raadgevingen en orakelspreuken
3).
Ook
Caesar vermeldt de orakelspreuken der Germaansche
vrouwen. Hij vertelt, dat, ‘toen hij aan een zijner krijgsgevangenen
vroeg, waarom
Ariovistus geen strijd wilde beginnen, hij als reden
vernam, dat bij de Germanen de gewoonte heerschte, dat getrouwde vrouwen door
loting en andere wichelarijen uitmaakten, of het goed zou zijn slag te leveren
of niet, en dat zij het volgend antwoord hadden gegeven: de Germanen zullen
niet kunnen overwinnen, als zij vóór de nieuwe maan
strijden’
4).
Van die oude toover- of orakelspreuken is ons natuurlijk niets
bewaard gebleven, maar dat zij nog lang na de invoering van het Christendom in
zwang bleven, weten wij
5), en wij kunnen ze eenigszins beoordeelen naar de twee oudste, die
wij van dien aard overhebben in eene taal, die eertijds in het Oosten van ons
land werd gesproken, namelijk het Oudsaksisch. Zij luiden aldus: ‘De
visch zwom door het water, zijne vinnen braken. Toen heelde hem onze Heer.
Dezelfde Heer, die den visch heelde, heele het paard van het hinken!’ en:
‘Ga uit, worm met negen wormpjes, uit van het merg naar het been, van het
been naar het vleesch, | | | | uit van het vleesch naar de huid, uit van de
huid naar dezen pijl. Heer zoo zij het’
1).
Daar al wat met godsvereering en bijgeloof samenhangt onuitroeibaar
is, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat wij vooral daarvan veel kans hebben
in later tijd sporen terug te vinden; en het zou dan ook zeker de moeite
loonen, als wij trachtten na te gaan, wat er nog wel van oude mythologie in
latere Nederlandsche geschriften is overgebleven. Dat zou ons evenwel veel te
ver voeren, te meer omdat wij alles van dien aard aan een nauwkeurig en
uitvoerig critisch onderzoek zouden moeten onderwerpen. Niet alleen toch is de
verleiding groot, mythologische trekken op te merken, waar die inderdaad niet
bestaan, of het vele wat wij van Oudnoordsche mythologie weten ook eenvoudig
als voor onze streken geldend aan te nemen; maar ook het Christendom heeft
zijne - natuurlijk eer Oostersche dan Germaansche - mythologie gehad, en de
inhoud van vele onzer middeleeuwsche gedichten is uit het land der Britten
afkomstig, zoodat wij er voor zouden moeten waken, dat wij niet voor
Germaansche mythologie hielden, wat inderdaad Oostersche of Britsch-Keltische
is.
Bovendien heeft het reeds in de nadagen van den Romeinschen
keizerstijd en vooral daarna hier te lande ingevoerde Christendom vele van die
sporen opzettelijk uitgewischt of de naklanken van het Germaansche heidendom
vervalscht en min of meer verchristelijkt, zooals ook de zoogenaamde
volksverhuizing van de derde en vierde eeuw in vele andere toestanden van den
tijd geweldige | | | | verandering heeft gebracht, toen overal over den
Rijn Germaansche volkstammen het oude Romeinsche wingewest, Germania inferior,
vijandelijk trachtten binnen te dringen en daarin tenslotte ook volkomen
slaagden.
De eerste van wie wij dat in het laatste kwart van de derde eeuw
vernemen, waren de Salische Franken
1), die toen uit het
Noord-Oosten (Salland) over de Sala (Geldersche IJsel) getrokken, naar de
zeekust voortdrongen en, reeds den Rijn overschrijdend, het eiland der Bataven
binnenvielen, waar Keizer
Probus hen wel overwon, maar hun toch vaste woonplaatsen
aanwees. Toen zij, daarmee niet tevreden, later ook verder het Romeinsche rijk
zochten binnen te dringen, had
Constantijn de Groote (omstreeks 306) groote moeite hun
dat te beletten, en wel gelukte het aan
Julianus, maar eerst na langen strijd (356-358), hen
weer over Maas en Waal terug te dringen, toen zij zich reeds in Toxandria
(Noord-Brabant) hadden gevestigd
2).
Hen waren de stamverwante Chamaven, aan welke de oudere naam der
graafschap Zutfen, Hamaland, nog lang bleef herinneren, op den voet gevolgd.
Ook deze trachttten, met nog andere stammen, het eiland der Bataven binnen te
dringen, maar bepaalden zich later voornamelijk tot het land beoosten de Eem,
op hunne beurt weer verjaagd of bedwongen door den Saksischen stam der Quaden
en andere Saksische stammen, die Westwaarts oprukten en de Noordzeekust
bereikten.
Van uit het Zuid-Oosten trokken omstreeks denzelfden tijd de ons
sinds 451 onder den naam van Ripuarische Franken bekende Chattuarii
3)
Rijn en Maas over en wisten zich na den dood van Julianus in de daar veroverde
streken te handhaven, tot zij samensmolten met de Salische Franken, die zich
intusschen voorgoed van Toxandria hadden meester gemaakt, waar hun koning
Chlogio in het midden der vijfde eeuw te Dispargum
zetelde
4) van waaruit
hij ook Zuidelijker gedeelten van België veroverde. Hoe de beroemdste
zijner Merowingische nazaten,
Chlodowîch I (of
Clovis, 481-511) | | | | zijn rijk ver uitbreidde
tot over de Somme en het oude Gallië tot een Frankenrijk maakte, behoeven
wij wel niet nader te ontvouwen
1).
Toen deze nog half wilde Germaansche volkstammen het Romeinsche rijk
binnendrongen, vonden zij daar, ook in de Nederlandsche grensstreken van dat
wereldrijk, eene overoude, nog altijd bewonderenswaardige en zelfs classiek
geheeten, beschaving, die toen echter reeds in overbeschaving was ontaard: de
beschaving der Romeinen, op die der Grieken geënt. Zij wisten er hun
voordeel mee te doen en namen er van over wat zij er zich het eerst en het
gemakkelijkst van konden eigen maken. Gedeeltelijk hebben zij die in merg en
been opgenomen, gedeeltelijk er zich als met buit gemaakte sieraden mee
opgetooid en dan niet altijd in gewenschte harmonie met hun eigen Germaansch
karakter.
Van Romeinsche heerbanen, hier aangelegd, zijn de sporen nog hier en
daar aan te wijzen, ja vele van onze hoofdwegen zijn er nog altijd de
voortzetting van. Zelfs ontoegankelijke moerassen zijn door de Romeinen met
gevlochten drijvende wegen begaanbaar gemaakt. In de middeleeuwsche
‘hagedochten’ meent men nog Romeinsche waterleidingen te herkennen.
Grondslagen van Romeinsche kasteelen, tot op het zeestrand toe, overblijfsels
van legerplaatsen en villa's konden nog hier en daar worden ontgraven. Hoeveel
er door de Romeinen bij ons gebouwd is, wat later weer in puin viel of verwoest
werd, zien wij nog uit oude kerken en andere middeleeuwsche gebouwen, voor wier
bouw de in overvloed vonden tichelsteenen gebruikt werden, welke door vorm en
kleur en dikwijls ook door het fabrieksmerk van den tichelbakker hun
Romeinschen oorsprong duidelijk vertoonen.
Talrijke vondsten van munten met Romeinsche keizerskoppen bewijzen,
hoe gaarne hier het Romeinsche geld werd aangenomen door de Germanen, van welke
Tacitus zegt, dat zij zelfs de liefde voor het geld van
de Romeinen hebben moeten leeren. Nog tot in de twaalfde eeuw toe waren bijna
geene andere gouden munten in omloop dan de Romeinsche gulden (aureus) en de
‘besant’ van het Oostersch-Romeinsche rijk naast den zeldzamer
‘sol’ en ‘tiers de sol’ der Merowingen en Karolingen.
De zilveren munt, | | | | die zij zelf sloegen, was nog altijd de
Romeinsche denarius, maar in miniatuur.
Zelfs het Germaansche godendom was gelatiniseerd. Altaren en
geloftesteenen voor Germaansche goden en godinnen droegen Latijnsche
opschriften, en tot in onzen tijd toe zijn er reeksen van woorden in onze taal,
die reeds in den Romeinschen keizertijd daarin uit het Latijn zijn opgenomen,
meestal als benamingen van voorwerpen, die de Germanen eerst door de Romeinen
leerden kennen en die er voor ons dus de overtuigendste oorkonden van zijn, hoe
verbazend veel onze voorouders aan de beschaving der Romeinen te danken hebben.
Zelfs lezen en schrijven hebben zij van de Romeinen moeten leeren: was het dus
wonder, dat van den aanvang af de Romeinsche litteratuur voor hen de
voorbeeldige, onovertreffelijke, de classieke litteratuur werd!
Zoo was het gegaan in den bloeitijd van het Romeinsche keizerrijk;
maar de val van den kolos door de aanvallen van alle kanten op hem gedaan, door
het opdringen van nieuwe Germaansche stammen en bondgenootschappen, bracht in
den gang der van Rome uitgaande beschaving geene blijvende verandering. Voor de
overmacht dezer indrukwekkende cultuur bogen de woeste Franken deemoedig het
hoofd, vooral sinds zij met hun koning
Chlodowîch I in 496 aan hunne heidensche goden den
rug hadden toegekeerd en zich met fierheid hadden opgeworpen als de ware
beschermers van het Christendom en wèl het als orthodox gestempelde, het
Latijnsche Christendom van Rome.
In de bekeering van den eersten Chlodowîch vierde de
Latijnsche beschaving haar grootsten triomf, en sinds dien tijd hebben de
Merowingische koningen hun uiterste best gedaan, het grove Germaansche lichaam
te wringen in het gewaad der Latijnsche cultuur. Dat het hun maar zelden
terstond gelukte, spreekt van zelf. Dat de hartstochtelijke Germaan soms
plotseling dat uiterlijke kleed verscheurde en dan in eigen onbehouwen karakter
te voorschijn sprong, is niet vreemd; maar voor allerchristelijkste koningen en
vertegenwoordigers der Latijnsche beschaving gehouden te worden: dat hebben zij
in elk geval gewild.
Chilperik († 584) zelfs stelde er in de zesde
eeuw eene eer in, de Frankische koningskroon te omwinden met den lauwerkrans,
dien hij als Latijnsch dichter, maar met al te weinig recht, voor zich eischte
1). | | | |
Dat
Chilperik niet de eerste der Merowingische vorsten was,
die de dichtkunst op prijs stelde, blijkt uit het verzoek van
Chlodowîch aan
Theodorik (Thiudareiks), den bekenden koning der
Oostgoten, om aan hem een citherspeler af te staan, die bekwaam genoeg was zijn
zang met snarenspel te begeleiden
1) en zeker wel in het Latijn zal
gezongen hebben, daar een lied in de Gotische taal voor Franken nauwelijks
verstaanbaar zou geweest zijn en nog minder voor de Galliërs, waarvan er
ook wel velen tot de hofhouding der Merowingen zullen behoord hebben. Dat aan
hun hof in de zesde eeuw een vaardig en verdienstelijk Latijnsch dichter als
Venantius Fortunatus in eer en aanzien moet geweest
zijn, laat zich dan ook begrijpen. Zijne gedichten zijn voor ons onmisbaar om
ons een duidelijk cultuurbeeld van den Merowingischen tijd te geven, voor
zoover wij dat althans van een hofdichter verwachten mogen
2).
Dat deze Frankische vorsten hunne capitula, edicta of decreta in het
Latijn uitvaardigden, was sedert zij de grootste Noordelijke helft van
Gallië aan zich onderworpen hadden, wel noodzakelijk, omdat alleen het
Latijn daar werd verstaan; maar opmerkelijk is het, dat ook het oude, vroeger
alleen mondeling overgeleverde, gewoonterecht der Frankische stammen in hun
tijd in het Latijn werd op schrift gebracht, ofschoon de handschriften daarvan
bewijzen, dat woord- en zinsverklaring door tusschenvoeging van glossen in het
Frankisch voor velen hoogst gewenscht was. Zoo dagteekent uit het begin der
zesde eeuw de oudste, later wat uitgebreide, redactie van de Lex Salica
3) Iets later volgde ook de | | | | Latijnsche bewerking der Lex Chamavorum of ‘Ewa quae se
ad Amorem (d.i. de Eem) habet’ en der Lex Ribuaria
1).
Dat alles wat van kerkelijken of godsdienstigen aard was de
Latijnsche taal tot voertuig had, spreekt van zelf, maar ook de geschiedenis
der Franken onder de Merowingische koningen is alleen in het Latijn beschreven,
en wel het eerst en voornamelijk door
Gregorius van Tours, tot 591, en vervolgens in de
Kroniek van
Fredegarius tot 642, voortgezet tot 727 door den
onbekenden schrijver van ‘Liber Historiae’ of
‘Gesta regum Francorum’
2).
Naast deze Latijnsche geschriften in poëzie en proza zijn ons
geene Frankische bewaard gebleven. De liederen, die er in het Frankisch
bestonden, zijn vermoedelijk zoogoed als nooit opgeschreven, maar dat er
inderdaad zulke liederen bestaan hebben, wordt uitdrukkelijk betuigd door den
dichter
Saxo. ‘Liederen in de volkstaal’, zegt hij,
‘verheerlijken de voorvaderen van
Karel den Groote, de Pippijns, Karels, Hlodowîchs
en Theodorîks, de Karlomans en Hlothars’
3), en onder de door hem genoemde namen komen er ook
drie van Merowingische koningen voor.
Nog een ander bewijs hebben wij voor het bestaan van Merowingische
geschiedzangen in de volkstaal, hetzij die volkstaal dan Frankisch was of de
boersche vorm, waarin het Gallische landvolk Latijn sprak. Bisschop
Hildegar toch vermeldt in de 9de eeuw in zijn
leven van
St. Faro, bisschop van Meaux, een volkslied, dat in
ieders mond was en zelfs door vrouwen bij den dans werd gezongen ter eere van
St. Faro. Hij deelt er in Latijnsche vertaling de begin- | | | | en de
slotverzen van mede, maar meent te onrechte, dat het betrekking heeft op eene
overwinning, die
Chlothar II in 622 op de Saksen zou behaald hebben,
terwijl het inderdaad juicht over eene vroegere zegepraal van
Chlothar I
1).
Dat wij, al zijn dan ook de liederen zelf verloren gegaan, de stof
daarvan nog zouden kunnen terugvinden in de oudere Latijnsche geschiedverhalen
en heiligenlevens, zooals b.v. de levensgeschiedenis van
St. Droctoveus, en zelfs in de latere Fransche, ook bij
ons vertaalde, ridderromans, is reeds lang door menigeen met meer of minder
goed gevolg betoogd
2), maar in den grootsten omvang, en, naar het mij voorkomt, ook over
het algemeen met recht door
G. Kürth
3), die daartoe de reeds door
ons genoemde Merowingische geschiedschrijvers heeft bestudeerd en vooral in die
gedeelten, die tijdperken behandelen, door de schrijvers zelf nog niet als
ooggetuigen beleefd, romantische verhalen heeft aangewezen, welke onmogelijk
historisch kunnen zijn, maar door vorm of inhoud tot de poëtische
volksoverlevering moeten behooren, hetzij deze dan eenvoudig als vertelsels of
sprookjes in den mond van het volk zijn blijven voortleven, hetzij zij, zooals
voor vele waarschijnlijk is in den vorm van liederen zich hebben
voortgeplant.
Wat
Gregorius en
Fredegarius voor de geschiedenis der Franken deden,
namelijk de dichterlijke volksoverlevering uit tijden, waar voor hun
betrouwbaarder geschiedbronnen ontbraken, in den vorm van geschiedverhalen te
brengen, dat deed in wat later tijd
Paulus Diaconus voor de geschiedenis der Langobarden en
later
Widukind voor die der Saksen,
Saxo Grammaticus voor die der Denen. Dat zij daarmee de
stof van oude liederen voor ons hebben | | | | bewaard, is te
waarschijnlijker, omdat wij voor lateren tijd aan het bestaan van zulke
liederen wel niet kunnen twijfelen.
Als omwerkingen van volksoverleveringen of oude heldenzangen kunnen
o.a. met meer of minder recht worden beschouwd: de stamsage der Merowingen
1), de liefdesgeschiedenis van
Childerik en Basina, koningin van Thoringia
2), het huwelijksverhaal van
Chlodowîch en Chrodochildis
3), de moordverhalen van
Chlodowîch
4) en drie episoden uit
Theodorik's oorlogen met de Thüringers
5); maar vooral verdient opmerking het
verhaal van Theodorik's overwinning, in 520 op den Denenkoning
Chochilaïcus behaald
6), het eenige,
waarvan wij in Oudgermaansche verzen, al zijn het ook geene Frankische, eene er
volkomen mee overeenstemmende overlevering bezitten.
Zij vormt namelijk de merkwaardige Hygelâc-episode in het
Angelsaksische Béowulfs-epos. Driemaal wordt daarin van den
Deenschen, eigenlijk Géatischen (d.i. Gootischen), heldenkoning
Hygelâc (Angelsaksische vorm van Chochilaïcus
bij
Gregorius) vermeld, dat hij in den strijd tegen Friezen
en Franken sneuvelde. De eerste vermelding daarvan in den
Béowulf leert ons niet veel meer, dan dat
Hygelâc naar Friesland ten strijde trok en onder de hand der Franken het
leven liet
7),
en de tweede, dat hij, de geliefde vorst des volks, door den strijdbijl
getroffen, in Friesland sneuvelde, doch dat de Hetvaren weinig roem behaalden,
omdat Béowulf hun ontkwam, die hem in zijn rijk opvolgde
8);
maar ten slotte hooren wij bij het lijk van Béowulf Wiglâf's
klaagtoon: ‘Nu mogen de menschen oorlogstijden verwachten, wanneer de
dood van den koning verre bekend wordt bij Franken en Friezen. Want wij hadden
voortdurend strijd te voeren tegen de Hugen, sinds Hygelâc met eene
zeemacht kwam varen naar Friesland, waar hem de Hetvaren | | | | velden in
den oorlog, toen zij hem aanvielen met overmacht, zoodat de geharnaste
krijgsman moest buigen en viel in den strijd; geen vorst gaf toen meer kostbare
geschenken aan de helden, en sinds dien tijd was de vrede ons door de
Merowingen ontzegd’
1). Hugen nu is een meer voorkomende naam voor de Austrasische
Franken
2); de
Hetvaren zijn dezelfde die reeds door
Strabo als Chattuarii vermeld worden en in 715 en 870 als
Hattuarii tusschen Roer, Maas en Rijn (omstreeks Goch en Gelder), niet verre
van de Betuwe voorkomen
3) en de Merowingen zijn koning Theodorik en zijn zoon
Theodobercht.
Nu rijst van zelf de vraag, of er eenig verband zou bestaan tusschen
de door
Gregorius van Tours vermelde Frankische overlevering en
de Deensche in het Béowulfslied. Hebben de voorouders der Angelsaksen
reeds vóór deze zich van het eiland der Britten meester hadden gemaakt,
in den tijd toen zij nog de naburen waren van Denen en Noren, Jutten en Gooten,
door Noorsche zangers den dood van Hygelâc hooren beklagen en in
navolging daarvan ook in eigen taal gezongen, om later die klacht als episode
in hun groot heldendicht in te voegen? Of hebben zij, die, blijkens hun
Wîdhsîdh of Reizigerslied
4), er op uit waren, zoo veel mogelijk poëtische
overleveringen van allerlei volken te leeren kennen, ook op de eene | | | | of andere manier met Frankische liederen van Theodorik's overwinning
kennis gemaakt
1)?
Dat behoeft zelfs geen opzettelijk onderzoek geweest te zijn van een
Angelsaksischen ‘scôp’ of dichter, overal rondreizend om van
wijd en zijd schatten van epische overleveringen te vergaderen. De Saksen toch,
die met de Angelen en menigen bij hen aangesloten Fries later als Angelsaksen
het Brittenland zouden innemen, woonden vermoedelijk in den tijd van
Hygelâc's nederlaag. Noordelijk van het land der
Hattuariërs en dus niet zeer ver van de strijdplaats. Immers reeds in de
derde eeuw waren groote drommen Saksen van uit hunne vroegere woonplaatsen
tusschen Elbe en Eems, waar men ze wel meerendeels vereenzelvigen mag met de
daar in ouder tijd vermelde Chauci, Westwaarts getrokken, langs den rechter
Rijnoever hunne Westelijke naburen, de Franken en Chamaven, steeds verder en
verder opdringend en zelfs aan de overzijde van den Rijn het Westelijk deel van
het oude eiland der Bataven tot aan de zeekust veroverend.
Dáár moeten zij in de vierde of misschien eerst in de
vijfde eeuw het door de Franken gevreesde rijk Thoringia gesticht hebben, met
Phladirtinga (Vlaardingen) als hoofdstad, nog in de Dietsche
poëzie als Doringen bekend en misschien nu zelfs nog te herkennen in den
naam van Dordrecht (voor Thuredrecht) en van het later door de
Noormannen verwoeste, maar eertijds bloeiende Dorestade (Duurstede). Ook in den
naam van het dorp Sassenheim leeft de herinnering aan het verblijf der Saksen
aan de Noordzeekust voort Ten Oosten daarvan hadden zij toen reeds het latere
bisdom Utrecht ingenomen, waar een hunner stammen, de Wilten, aan de verbinding
van Vecht en Rijn, het door
Baeda
2)
vermelde Wiltenburg stichtte, nog bij
Melis Stoke bekend als oudere naam van de stad Utrecht.
Ook van het vroegere land der Chamaven waren zij al lang meester geworden:
vooreerst van de Veluwe, die zij misschien onder den schaars
voorkomenden naam Falchovarii bewoonden, en waarvan de naam ons doet denken aan
West- en Oost-Falahia, hun eigenlijk vaderland; en vervolgens
Hamaland of de graafschap Zutfen, Salland en
Twente, die wij ook tegenwoordig nog als Saksische | | | | gewesten beschouwen, hoe sterk daarop, wat de taal betreft, dan ook in
later tijd Frankische invloed gewerkt moge hebben. Zij waren dus als eene wig
ingedrongen tusschen de Friezen ten Noorden, met wie zij zich, ook door hunne
taal, nauw verwant moesten gevoelen, en de Franken ten Zuiden, die steeds hunne
vijanden bleven.
Aan de Noordzeekust bij den Rijnmond vonden zij de reeds eeuwen
vroeger door de Romeinen gestichte nu door de zee verzwolgen, Arx Brittannica
(Brittenburg) als krijgshaven en veer op het eiland der Britten. Dat moest hen
als van zelf tot een overtocht daarheen uitlokken, vooral toen vandaar hunne
hulp werd ingeroepen; en in 428 waren het Hengist en Horsa, die hunne Saksen
voor het eerst naar het Brittenland voerden, Daarna werden er nog vele andere
tochten gedaan, die een groot deel van de Saksische bewoners onzer streken over
zee wegvoerden, zoodat
Stoke wel met recht mocht zeggen, dat ‘de Ingels
sijn gewassen, als men leest, van Neder-Zassen’
1). Ten Noorden van de Theems stichtten zij al spoedig de rijken
van Essex en Middlesex, ten Zuiden van die rivier die van Sussex en Wessex,
terwijl in het Zuid-Oosten, in Kent en op het eiland Wight, de Eoten zich
vestigden, die men tegenwoordig geneigd is, niet meer voor Deensche Jutten,
maar voor Friezen te houden. In denzelfden tijd kwamen, vermoedelijk langs
anderen zeeweg, ook de Angelen uit het tegenwoordige Dene marken in het eiland
der Britten aan en stichtten er de rijken van East Anglia, Mercia en
Northumberland, om zich allengs met de Saksen tegenover de Britten tot
één volkstam, de Angelsaksen, te vereenigen.
Door dien overtocht van zoovele scharen van strijdbare mannen, die
zich met hunne gezinnen vervolgens ook aan de overzijde der Noordzee vestigden,
verzwakt, sloten de overgebleven Saksen zich nauwer bij de Friezen aan, althans
in de meest Westelijke streken van het door hen ingenomen gebied, dus in
Utrecht en het Westen van het eiland der Bataven of het tegenwoordige
Zuid-Holland (Rijnland en Delfland), zoodat hun naam daar in later
tijd niet meer voorkomt en Stoke met recht van hen mocht zeggen: ‘die
Neder-Zassen heten nu Vriesen’
2). | | | |
Daarmee breidde zich het gebied der Friezen sterk naar het Zuiden
uit, zelfs tot over de Zeeuwsche eilanden heen, die te voren misschien nog
alleen door Kelten bewoond waren. Toen heette het van Friesland,
dat het zich als een breede strook langs de Noordzee uitstrekte, van de
Weser af tot het Zwin (of Sincfal) toe, zooals
Maerlant nog in herinnering bracht, toen hij sprak van
‘'t folc, dat upter see woent al, tusschen der Wesere ende Sincval, dat
wi Vrieselant heten bi namen’
1).
Twee Friesche koningen, beide Radboud geheeten, hebben zich
achtereenvolgens bij de Merowingische Franken geducht weten te maken in den
strijd om de rijke handelsstreek Dorestade en de stad Utrecht, waar Koning
Dagobert I eehe kapel had laten bouwen en
Willebrord een bisschopszetel had gesticht onder
tegenwerking van de meerendeels aan het Christendom vijandig gebleven Friezen,
en waar de Merowingen te vergeefs hun gezag trachtten te handhaven, zoodat
Dorestade zoowel als Utrecht in dien tijd geregeld
konden gerekend worden, tot Friesland te behooren
2).
In den Merowingischen tijd waren de Franken, die voornamelijk op het
Zuiden de oogen gevestigd hadden en wier vorsten in de oude Gallische steden
ver van hun Noordelijke rijksgrens troonden, slechts in een zeer klein deel van
ons land meester, eigenlijk alleen in het land tusschen Maas en Waal, in
Noord-Brabant en Limburg. Ten Noorden van de Waal, de
Schelde en de Rijnoevers tot aan de zee heerschten Friezen en Saksen, en wie
dus in dien tijd liederen in de volkstaal zoekt, zou veel meer kans hebben, ze
bij deze volks- | | | | stammen aan te treffen, dan bij de reeds tamelijk
geromaniseerde Franken, indien ons daartoe slechts evenveel oorkonden en
geschiedboeken ten dienste stonden, als de Franken ons, zij het ook in het
Latijn, hebben nagelaten.
Vóór de wilde Friezen iets op schrift stelden, zou het
nog lang moeten duren; maar nu wij gezien hebben, dat de Saksen, die, na hun
overtocht naar Engeland, dáár eene belangrijke Angelsaksische
letterkunde op schrift hebben gesteld, een paar eeuwen in ons land hebben
gewoond, mogen wij misschien ook voor ons eenige aanspraak op die letterkunde
laten gelden. Natuurlijk zouden wij ons niet mogen aanmatigen, het merkwaardige
Béowulfs-epos, dat den vorm, waarin wij het kennen, eerst in
Engeland in de zevende eeuw zal hebben gekregen, in zijn geheel als den
heldenzang onzer voorouders op te eischen; maar wij weten, dat het uit
verschillende, niet eens al te kunstig samengevoegde, gedeelten bestaat, die
reeds te voren, afzonderlijk, hetzij als overleveringen, hetzij als liederen
onder de Saksen in omloop waren
1). De kern er van wordt
gevormd door drie schilderende verhalen eener reuzen-worsteling van twee met
elkaar vereenzelvigde Béowulfs, een held der Gooten en een Deenschen
koning, in hun strijd met het monster Grendel, met Grendel's moeder en met een
draak. Daar de stof dier verhalen blijkbaar Noorsch is en onder Noorschen
invloed bewerkt, zullen deze verhalen wel reeds door Saksen of Angelen,
meegebracht zijn uit de oudste ons van hen bekende woonplaatsen in de buurt der
Denen.
Maar er zijn ook vrij wat kleinere verhalen in opgenomen, misschien
eerst geïnterpoleerd nadat de drie hoofdverhalen reeds tot
één geheel verbonden waren; en die kortere episoden, waarvan wij
reeds die van Hygelâc's nederlaag bespraken, kunnen, ook in | | | | liedvorm, zeer goed hebben geleefd onder de Saksische bewoners van ons
land.
Vooral acht ik dat waarschijnlijk. wanneer daarin Friezen optreden,
waarmee de Saksen meer en meer in aanraking waren gekomen. Mogelijk blijft het
natuurlijk, dat juist de hier genoemde Friezen geene bewoners van Nederland
waren, maar tot de Noord-Friezen tusschen Eems en Weser behoorden, maar de
Friezen, die Hygelâc bestreden, waren dat toch zeker niet, want die komen
als bondgenooten van de Franken voor.
Tot die episoden behoort b.v. het vrij uitvoerige lied, door
Hrôdhgâr's zanger aangeheven
1), waarvan de korte inhoud hierop neerkomt. ‘Op het
slagveld der Friezen (Fresväle) werd Hnäf, de leenman van Healfdene
gedood. Hildeburh, de dochter van Hôce en vrouw van Finn, den koning van
Frysland, had toen geene reden om de trouw der Jutten te prijzen, daar zij door
den dood van zoon en broeder gescheiden werd van al wat haar lief was. Alle
strijders van Finn toch op weinige na waren gevallen in den strijd tegen
Hnäf's vriend Hengest, den Deen, tegen wien Finn niet opgewassen was.
Daarom deelde Finn met Hengest zijn rijk en gaf hij ter bevestiging van den met
dure eeden bezworen vrede rijke geschenken aan de Denen. Nadat de gesneuvelden
eervol begraven waren, keerde Finn met Hengest terug naar zijn eigenlijk rijk,
Frysland, waar Hengest, door stormen en ijs teruggehouden, den winter als gast
doorbracht. Nochtans, toen de lente gekomen was, verlangde Hengest niet zoozeer
terug te keeren naar zijn land, als wel Hnäfs dood te wreken: en inderdaad
bloedige wraak werd er genomen toen twee mannen van Hengest, namelijk
Gûdhlâf en Oslâf, uitgezeild om Hnäf's vrienden tot een
wraaktocht aan te sporen, met eene legermacht waren teruggekeerd. Toen vielen
zij Finn aan, die in dezen strijd den dood vond. Hildeburh werd daarop met alle
schatten, die zij te Finneshâm bezat, naar het land der Denen
weggevoerd.’
Zoo is de inhoud van het lied, waarbij zich een fragment van een
zelfstandig gedicht aansluit, dat bekend is onder den naam van ‘Strijd te
Finnsburg’
2). Wij hebben
hier eene episode uit den | | | | strijd om en bij de groote zaal van
Finnsburg tusschen Finn en de zijnen en een zestigtal moedige mannen van
Hnäf, die hier hun vorst de zoete mee, die hij hun schonk, ruim vergolden.
Het fragment begint met de geestdriftige aansporing tot moedigen strijd in
dichterlijke verzen, die aan de beeldspraak der Oud-Noorsche skalden doen
denken. Dan vernemen wij de namen der helden, ieder op hunne post aan de
zaaldeuren, gereed die te forceeren of krachtig te verdedigen. Ook hier treedt
Hengest als een der voornaamsten op den voorgrond en verder komen daar nog voor
Ordlâf en Gûdhlâf, als leenmannen van Hnâf, en
Gârulf, Gûdhere, Eaha en Sigeferdh, ‘de vazal der Secgenen,
een wijd bekende krijgsheld (vrecca vîde cûdh’), zooals hij
zelf zegt. Zwart, donkerkleurig vloog de raaf rond, van de vonken, die uit de
zwaarden sprongen ging een licht uit, alsof Finnsburg in lichter laaie stond.
Vijf dagen duurde de strijd, en toen eerst gaf er een, zwaar gewond, met
doorboorde bronie en doorhouwen helm den strijd op, en midden in de vraag van
een der aanvoerders breekt het fragment af
1).
Nog bestaat er een ander fragment, bekend onder den naam van
‘De verwoeste burcht’
2). De burcht is verwoest, heet het daar, een reuzenwerk is
vernield, de strijders zijn gevallen. Eenmaal verheugde zich daar, in eene
schitterende omgeving, de jeugd, die daar allen lust des levens genoot.
Misschien is het vermoeden niet ongegrond, dat dat fragment tot hetzelfde
gedicht behoorde en er in dat geval het slot van uitmaakte
3).
Dat de strijd te Finnsburg in sommige opzichten, ook wat den naam
der strijders aangaat, aan den ondergang der Nibelungen herinnert, kan niet
ontkend worden; toch is de samenhang hoogst twijfelachtig; maar van den anderen
kant is het wel waarschijnlijk, dat sommige elementen, waaruit langzamerhand de
beroemde ge- | | | | schiedenis der Nibelungen is gegroeid, die in het
Hoogduitsche epos, het grootsche Nibelungenlied, haar hoogtepunt
bereikte, ook in ons land in liedvorm bekend zijn geweest.
Ook daarvoor kunnen wij uit den Béowulf eene merkwaardige
episode aanvoeren, het Sigemundslied
1),
waarin een dichter zingt van de heldendaden, den strijd, de verre tochten van
den Välsing Sigemund, die met zijn neef Fitela vele reuzen versloeg, maar
alleen ‘den draak, den hoeder van den schat (vyrm, hordes hyrde)’,
doodde, daarop den schat in een schip laadde en medevoerde, maar later naar de
reuzen, zijne vijanden, gezonden werd en daar gevangen werd gehouden, terwijl
zijne vrienden jammerden over zijne afwezigheid.
Hetzelfde nu vinden wij ook in de Oudnoorsche poëzie in
jongeren, wat gewijzigden en met andere sagen verbonden vorm verteld van
Sigmundr, die daar zelfs een held uit Frakkaland (Frankenland) wordt genoemd,
wat hem dus in onze streken schijnt te localiseeren.
Een in hoofdzaak met Sigemund's strijd tegen een draak
overeenstemmend en eerst later wat gewijzigd verhaal van een drakenkamp bestond
er in het Oudnoorsch ook van Sigurdhr, die misschien daarom reeds in de
Oudnoorsche litteratuur de zoon van Sigmundr wordt genoemd en ook Sigemunt's
zoon heet in het eerste gedeelte van het Nïbelungenlied, waarvan hij als
‘der hûrnen Sîfrit’ de held is geworden, terwijl de op
den draak veroverde schat daar als de, later in den Rijn geworpen en
onherroepelijk verloren, Nibelungenschat voorkomt
2).
Toch, ofschoon wij in eene Oudnoorsche redactie der Sigurdhsage
Hjalprekr als naam van Sigurdhs pleegvader aantreffen en allicht geneigd zijn,
bij dezen aan Chilperik, den Frankischen koning van Neustrië, te denken,
mogen wij ons door de vaak voorkomende aanduiding in het Nibelungenlied van
Sîfrit als ‘der helt von Niderlant’
3) niet meer laten
verleiden, een echt-vaderlandschen held in hem te zien, zooals vroeger wel werd
gedaan, en te meenen, dat hier te lande dus de oudste liederen over hem zouden
gezongen zijn. Hoogstens mogen wij vermoeden, dat de Saksen ook naar onze | | | | streken de Deensche of Noorsche verhalen van Sigemund's kamp met den
draak of van zijn dubbelganger Sigurd, den drakendooder, in eigen taal hebben
overgebralcht. Verder vinden wij van bekendheid met hem hier geen enkel spoor
meer, vóór het Nibelungenlied zelf ook in onze gewesten eenige
belangstelling voor hem had gewekt.
Een iets nader verband met onze streken mogen wij misschien aannemen
voor sommige van de elementen, waaruit het tweede groote Hoogduitsche
heldendicht, de
Kudrun, is voortgekomen, omdat de daarin
verwerkte, meerendeels ook weer Oudnoorsche, sagenstof blijkbaar door
bemiddeling van Saksische zangers, misschien van uit Engeland, naar
Zuid-Duitschland is overgebracht, waar het Kudrun-gedicht werd samengesteld;
omdat sommige van de helden, die er in optreden, ook reeds in den
Angelsaksischen Wîdhsîdh worden vermeld
1), maar vooral ook, omdat
wij hier den naam der Friezen telkens aantreffen en er zelfs koningen van
Friesland worden genoemd.
Zoo heet Hetele er ‘ze Friesen herre
2).
‘Isolt und sîne liute sollen komen von Friesen’
3), evenals ‘Môrunc der snelle dâ her von Friesen
reit’
4) en ook
‘Môrunc von Friesenlant’ wordt genoemd
5). Daarbij
past ook dat Wate, ‘der helt zu Stürmen’ (dus hier een
Oostfries geworden), met zekere minachting spreekt van ‘einem wilden
Sahsen oder Franken’
6). In elk geval is de Noordzeekust, die geheel door de Friezen was
ingenomen, in het gedicht uitsluitend het tooneel van den strijd der hier
optredende brutale vrouwenschakers. Daarom ziet men dan ook, liever dan het
Deensche eiland, het Nederlandsche in ‘Sêlant’, waarvan
Herwîg de heer is
7), en wanneer hij
meermalen ‘von Sêwen’ wordt genoemd
8), dan is het moeielijk daarbij niet aan
onze Zeeuwen te denken. | | | |
Nu is het bekend, dat bij ons oudtijds de Scheldemonding ook wel
Hedensee werd genoemd, en verleidelijk was het daarom, te vermoeden, dat deze
naam de aanleiding wel kon geweest zijn voor
Saxo Grammaticus, die het kernverhaal van het gedicht in
zijn Latijn overbracht
1), om den grooten zeeslag juist bij het
Deensche eiland Hithinsö te doen plaats hebben. Toch mogen wij aan die
verleiding niet toegeven, als wij bedenken, dat in de Kudrun minstens evenveel
Denen als Friezen optreden en dat ongetwijfeld de kern der sage of althans het
hoofdverhaal van het gedicht in het Noorden is ontstaan, waar ook herhaaldelijk
sprake is van den ‘Hjadhninga vîg’, den Hedeningenstrijd of
den eeuwigen heldenkamp, die tot de godenschemering zou duren, omdat de mannen,
die over dag gevallen waren, des nachts weer door tooverliederen uit den dood
werden opgewekt en dan met nieuwen moed en nieuwe kracht den strijd hervatten.
Hilde, die ook de heldin van het eerste gedeelte van de Kudrun is, komt nu,
niet slechts bij
Saxo Grammaticus, maar o.a. ook in het
Skáldskaparmál (c. 50) van
Snorri's
Edda voor als de machtige en vurige Walkyrje, die hare
levenwekkende tooverliederen zingt, nadat Hedhinn, haar echtgenoot, en Hogne,
haar vader, elkaar in den strijd hebben gedood. Het zou ons te ver voeren hier
deze sage nog meer in bijzonderheden te bespreken
2), doch in | | | | elk geval mag het medegedeelde wel genoeg zijn om de gissing te
verwerpen, dat de Scheldemond als Hedensee in de Kudrun eenige rol zou
spelen.
En toch heeft in de
Kudrun de groote zeestrijd inderdaad aan den Scheldemond
plaats. Immers daar wordt de geweldige strijd door de Friesche Hegelingen
(Hetele en Ortwîn, Wate, Môrunc en Irolt) en de Noormannen
(Ludewîc en Hartmuot) gestreden bij Wülpensant
1),
waar later voor de zielrust van Hetele en de andere gesneuvelden een
‘münsterklôster und spitâle’ worden gesticht. Dat
eiland nu, of liever die zandplaat, heeft men al lang bij den Scheldemond
aangewezen
2) en dat de strijd daar
inderdaad terecht gelocaliseerd is, wordt nu misschien nog maar door enkelen
betwijfeld. Van andere plaatsnamen in de Kudrun, die men ook nog in deze
streken heeft trachten aan te wijzen, werd dat met minder zekerheid, van
sommige zelfs geheel te onrechte gedaan.
Zoo is Môrlant, waarvan Sîfrit de vorst is, ongetwijfeld
door den Kudrun-dichter als land der Mooren bedoeld, die toen in de litteratuur
vereenzelvigd werden met al wat heiden was. Daarom is het dan ook niet
onwaarschijnlijk, dat men in dezen Sîfrit eene herinnering te zien heeft
aan dien Deenschen zeekoning Siegfried, die van | | | | 881 tot 887 door
zijne strooptochten zich hier te lande geducht wist te maken en zelfs Parijs
bedreigde
1).
Natuurlijk moet men in dat geval alles wat er van hem wordt verteld
beschouwen als een later bijvoegsel bij het sagencomplex, dat in de Kudrun tot
één geheel is verwerkt. Zelfs kan ik den indruk niet ontveinzen,
dat het geheele gedicht, zooals het nu vóór ons ligt, ons een
beeld geeft van ons land in den tijd, waarin Denen en Noormannen hier in
Friesland veel landbezit (Walcheren en Kennemerland) hadden verworven en
vandaar op roof uitgingen. Zonder daarmee nu aan de Hilde-Gudrun-sage oudere
bestanddeelen te ontzeggen, kunnen wij deze dan ook moeielijk in haar geheel
tot den Merowingischen tijd terugbrengen, en zijn wij daarmee dus reeds tot den
tijd der Karolingen genaderd, die in menig opzicht een ander karakter
draagt.
|
1)Ik verwijs daarvoor dan ook kortheidshalve
alleen naar mijne
Geschichte der niederländischen Sprache
in
H. Paul's
Grundriss der germ. Philologie I, Strassburg 1890, 2
Aufl. 1901, p. 781 - 925, ook afzonderlijk verschenen en vertaald door
F.C. Wieder als
Geschiedenis der Ned. taal, Culemborg
1901.
2)Grootendeels, maar toch niet uitsluitend
onwillekeurig, daar opzettelijke taalvermenging blijkt uit
Maerlant's verklaring ( St. Franciscus
leven vr. 125 - 134): ‘men moet om de rime soeken misselike
tonghe in boeken: Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus’ en zelfs
‘Walsch, Latijn, Griex ende Hebreews’.
1)Zie
Caesar,
De bello Gallico IV 10 en
Tacitus,
Germania 29,
Annales II 6 en
Historiae IV 12. Zie over de Bataven
H.D.J. van Schevichaven,
Bijdragen tot eene Geschiedenis der Bataven,
Leiden 1875.
1)Dat de barden bij de Germanen niet
bestonden, is hier te lande het eerst voldoende bewezen door
H. van Wijn,
Hist. en Lett. Avondstonden, Amst. 1800, bl.
123-132. Die dwaling berust op eene andere, namelijk deze, dat Germanen en
Kelten dezelfde volkstam zouden geweest zijn.
Adolf Holzmann,
Kelten und Germanen, Stuttgart 1855, die dat
trachtte te betoogen, werd volkomen weerlegd door
H.B. Chr. Brandes,
Das ethnographische Verhältniss der Kelten und
Germanen nach den Ansichten der Alten, Leipzig 1857 en ook latere
betoogen zijn niet steekhoudend gebleken. Mededeelingen aangaande de barden,
waarnaar de Galliërs bij
Juvenalis, Satyra XVI vs. 13 en bij
Martialis, IV Epigr. 4 vs. 5 bardaici
worden genoemd, vindt men bij
Strabo,
Geogr. IV 4,
Diodorus Siculus, V 31,
Athenaeus,
Deipnosophistae VI 246 d. (getuigenis van
Posidonius),
Ammianus Marcellinus XV 9; vgl. ook
Lucanus,
Pharsal, I vs. 449. De barditus,
aangeheven met de schilden voor den mond, waartegen het geluid weerklonk, door
Tacitus, Germania 3, bij de Germanen vermeld,
mag met het oog op het Oudnoorsch bardhi (schild) als schildzang
verklaard worden; doch
Karl Müllenhoff, daarin door
Wilhelm Scherer gevolgd, zag in het uitbrullen van den
barditus eene nabootsing van de donderstem, ‘die bartrede’
van den krijgsgod Thonar. De lezing barritus of baritus
(geschreeuw) in sommige HSS. zal wel onjuist zijn, ofschoon o.a.
J. Grimm haar aannam; vgl. ook
Alfred Holder's uitgave der
Germania, Lipsiae 1878.
2)Door
Tacitus,
Annales I 65 IV 47,
Historiae II 22, IV 18, V 15.
3)Tacitus,
Germania 2; vgl.
Plinius,
Historia Naturalis IV 96, 99. Dat men onder
de Ingaevonen (beter: Inguiaevonen) het volk van Frô (Oudnoorsch Freyr)
of de Saksen en Anglo-Friezen, onder de Irminonen dat van Tîw (Oudnoorsch
Tyr) of de latere Hoogduitschers, en onder de Istaevonen (beter: Istraevonen)
dat van Wôdan (Oudnoorsch Odinn) of de Franken (en Chamaven) moet
verstaan, is betoogd door
Karl Müllenhoff
Ueber Tuisco und seine Nachkommen in
Schmidt's
Allg. Zeitschrift für Geschichte VIII
(Berlin 1847) p. 209-269, doch terwijl het wel waarschijnlijk is, dat deze drie
volken naar een eigen cultusverband werden onderscheiden, blijft het onzeker of
Müllen-hoff met zijne aanwijzing der goden wel het juiste getroffen
heeft.
2)Tacitus, Annales II 88.
3)W.
Wattenbach,
Deutschlands Geschichtsquellen im Mittelalter
I (Berlin 1877) p. 31.
1)Eene plaats bij
Tacitus,
Germania 19: ‘Literarum secreta viri
pariter ac feminae ignorant’, is daarvoor wel eens als bewijs aangehaald,
doch verliest alle bewijskracht, als de opvatting juist is - en dat schijnt men
te mogen aannemen - dat literae hier blijkens het verband, waarin het
voorkomt niet letters, maar ( minne-) brieven beteekent. De
gissing van
Aem. Baehrens, Neue Jahrbücher 1880, p.
280, dat hier niet literarum maar libidinum moet gelezen worden,
is te gewaagd.
2)'t Gotische rûna beteekent:
verborgenheid; het Oudnoorsche rûn heeft niet alleen de beteekenis
van letterteeken, maar ook van geheime wijsheid of ook geheim gesprek, zooals
ook het Oudsaksische rûna; en in 't mnl. bestaat het ww.
runen in den zin van fluisteren. Nog in de 6e eeuw sprak
Venantius Fortunatus van in esschenhout ingegrifte
runen in het volgende distichon ( Carmina VII 18 vs. 19
vlg.):
‘Barbara fraxineis pingatur runa tabellis
Quodque papyrus agit, virgula plana valet.’
Over de runen schreef het eerst grondig
W. Grimm,
Ueber deutsche Runen, Göttingen 1821.
Van de geleerden, die daaraan later nog veel hebben toegevoegd en ons inzicht
in het runenschrift hebben verbeterd, noem ik nog alleen
Ludv. Wimmer,
Runeskriftens Oprindelse og Udvikling i
Norden Kjöb. 1874 (ook in 't Hd.
Die Runenschrift Berlin 1887),
Rudolf Henning,
Die deutschen Runendenkmäler, Strassburg
1889,
Wilhelm Viëtor,
Die northumbrischen Runensteine, Marburg 1895
en
Eduard Sievers,
Runen und Runeninschriften in
Paul's
Grundriss der germ. Philologie, 2 Aufl. I (1901), p.
248-262. Voor het enkele op een zwaardje voorkomende Friesche runenopschrift
edaeboda zie men
P.C.J.A. Boeles,
De Vrije Fries XX (Leeuw. 1903) bl.
190-203.
4)Vandaar het Fransche enchantement, dat
letterlijk bezinging (belezing), vervolgens betoovering beteekent, evenals het
Lat. carmen, lied, in het Fransch onder den vorm charme de
beteekenis van bekoring of betoovering aannam.
1)Tacitus,
Germania 8. De naam Albruna is gissing
van
Wackernagel met het oog op de woorden rune en
alb of elf. In één Hs. staat Albrinia, in de andere
Aurinia.
2)Tacitus,
Historiae IV 61.
3)Tacitus, Historiae IV
65.
4)Caesar,
De bello Gallico I 50.
5)Wij vinden o.a. verbodsbepalingen tegen de
‘sortilegi, auguria, phylacteria et incantationes’ in
Karloman's
Capitulare van 742. Zie
Pertz, Monumenta III (legum I) p. 17, en
Alfr. Boretius,
Capitularia Regum Francorum I (Hannov. 1881)
p. 25; in den
Indiculus superstitionum et paganarium van
743. Zie Pertz, t. a. p. p. 29 vlg.
Boretius p. 223; en in het Capitulare Generale van
Karel den Groote, van 769 (771) bij Pertz, t. a. p. p.
33,
Boretius, p. 45. Vgl. nog voor de jaren 789, 799 en
802 Pertz, t. a. p. p. 57, 64, 78, 106, Boretius, p. 55, 59, 228, 104,
110.
1)Zij komen voor in een Hs. der tiende eeuw,
dat nu te Weenen berust, en zijn het eerst uitgegeven door
Dorow,
Denkmäler alter Sprache und Kunst I
(Berlin 1824) p. 261 vlg. met facsimile, en later meermalen, o.a. door Mr.
L.Ph.C. van den Bergh, N.
Reeks van werken van de Maatsch. der Ned. Lett.
VII (1856) bl. 118-124 en door
Moritz Heine,
Kleine altniederdeutsche Denkmäler,
Paderborn 1867 p. 88 en volgende drukken. Vgl. ook de facsimilé's bij
J.H. Gallée,
Altsächsische Sprachdenkmäler,
Leiden 1894-95. In het oorspr. luiden, zij aldus:
‘Visc flôt aftar (themo) watare, verbrustun sina
vetherun.
Thô gihêlida ina ûse druhtin: The selvo
druhtin,
Thie thena visc gihêlda (thie) gihêle that hers
theru spuriholti’
en: ‘Ganc ût, nesso mid nigun nessiklînon,
ût fana themo marge an that bên, fan themo bêene an that
flêsg, ût fan themo flêsge an thia hûd, ût fan
thera hûd an thesa strâla. Drohtin, werthe sô.’ Dat dergelijke tooverspreuken nog in groot aantal in de
middeleeuwen gebruikt werden, kan men zien bij Mr.
L.Ph.C. van den Bergh,
Woordenboek der Nederlandsche Mythologie,
Utrecht 1846 bl. 342-346; men vindt er daar ook een tegen de wormen: ‘Die
wormen waren IX, weeten here Sente Loy, roet, wit, roet, zwert, roet, roet,
tenant groet; here Sente Loy, die wormen die syn doot.’
1)Zie
Vopiscus,
Probus C. 11 vlgg.
2)Zie
Ammianus Marcellinus XIV 10, XV 3-8, XVI 23 en XVII 8:
‘petit primos omnium Francos, eos videlicet, quos consuetudo Salios
appellavit (dit is de eerste maal, dat deze naam voorkomt), ausos olim in
Romano solo apud Toxandriam locum habitacula sibi figere
praelicenter.’
3)Zie
Ammianus Marcellinus, XX 10: ‘regionem
Francorum, quos Attuarios vocant’. Riparii het eerst bij
Jordanes.
De orig. actibusque Getarum c. 36.
4)Gregorius Turonensis,
Historia Francorum, II 9.
1)Voor ‘De verbreiding der Frankische
tongvallen over de Nederlanden’ verwijs ik naar mijne voordracht in de
‘Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Ned.
Letterkunde’, Leiden 1905, bl. 25-76.
1)Gregorius Turonensis,
Hist. Francorum, V 44: ‘Scripsit alios
libros idem rex versibus, quasi Sedulium secutus; sed versiculi illi nulla
paenitus metricae conveniunt ratione.’
1)Zie
Cassiodorus,
Variae Epistolae, II 40, 41 voor den
Latijnschen brief van den Oostgotenkoning, waarmee deze zijn geschenk aan zijn
Frankischen vriend aldus aanbiedt: ‘Citharoedum arte sua doctum
destinavimus expetitum, qui ore manibusque consona voce cantando gloriam
vestrae potestatis oblectet.’
2)Zij zijn uitgegeven door
Fridericus Leo,
Venanti Honori Clementiani Fortunati presbyteri Italici
opera poetica, Berol. 1881. Men zie over hem
W. Meyer,
Der Gelegenheitsdichter Venantius Fortunatus,
Berlin 1901 en
J.W. Beck,
Venantius Fortunatus, de hof- en gelegenheidsdichter der
Merovingers in de ‘Hand. van het derde
Philologencongres’, 1902, bl. 63 vlgg.
3)Uitg. door
Pardessus,
Loi Salique, Paris 1843 en verder o.a. door
F.J.E. van Zinnicq Bergmann,
De Salische wet, pactus legis Salicae, haar oorsprong,
voortgang en werking, vertaling en vertolking, 's-Hertogenbosch
1877, door
A. Holder,
Lex Salica, Leipzig 1879-80 en door
J.H. Hessels,
Lex Salica with the glosses and the lex
emendata with notes by
H. Kern, London 1880. Voor de verklaring der soms
wanhopig bedorven glossen zie men, behalve laatstgenoemde uitgaaf, ook
H. Kern,
Die Glossen in der Lex Salica und die Sprache der
Salischen Franken, Haag 1869. Kern vond het waarschijnlijk, dat de
plechtige, eenigszins dichterlijke proloog der wet uit Frankische verzen zou
kunnen vertaald zijn, en o.a. ook
W. Wattenbach,
Deutschlands Geschichtsquellen im Mittelalter
I (Berlin 1877), p. 76 was van die meening. Mij komt dat nu niet meer
waarschijnlijk voor. Eenigszins poëtisch proza te schrijven toch was ook
aan de Latijnsche klerken van dien tijd wel toevertrouwd, zónder dat zij
er een voorbeeld voor noodig hadden.
1)Deze beide wetten zijn o.a. in
Pertz,
Mon. Germ. Leges V (1883) uitg. door Von
Sohm. Over de Chamaven en hunne woonplaats aan de Eem (Amos of Amor, vgl.
Amersfoort) en over de Ripuariërs handelde ik in de ‘Hand. en
Mededeel, van de Maatsch. der Ned. Letterkunde te Leiden’, 1905,
bl. 25-76.
2)Gregorius Turonensis,
Historia Francorum is uitg. door
W. Arndt en
Br. Krusch als eerste deel der ‘Scriptores
rerum Merovingicarum’, Hann. 1885. De vervolgen zagen als tweede
deel, Hann. 1889, het licht.
3)Zie
Saxo poëta,
Annales Caroli Magni V vs. 117 vlgg. (bij
Pertz,
Monumenta Germ. I p. 268 vlg.):
Laudibus ejus avos et proavos celebrant,
Pippinos, Carolos, Hludovicos et Theodoricos,
Et Carlomannos, Hlothariosque canunt.’
1)Zie
Hildegarius,
Vita St. Faronis (in de
Acta Sanct. Ord. St. Bened. van Mabillon II
617): ‘ex qua victoria carmen publicum juxta rusticitatem per omnium pene
volitabat ora ita canentium, feminaeque cnoros inde plaudendo componebant: De
Chlodario est canere rege Francorum, enz.’. Daarop is reeds meermalen de
aandacht gevestigd, o,a. door de Gebr. Grimm,
Altdeutsche Wälder II (Francf. 1815), p.
31,
J. de Rathaïl,
De l'existence d'une épopée Franke
àpropos de la découverte d'un chant populaire
Merovingien, Paris 1848 p. 108 vlgg. en
W. Wattenbach, a.w. I p. 94 vlg.
2)Reeds door
Fauriel,
Histoire de la Gaule Méridionale sous la
domination des Germains, Paris 1836 II p. 273, door
Ampère,
Histoire littéraire de la France avant
Charlemagne, 1839, 2 éd. II p. 285 vlg., door
Ch. Lenormant,
Réstitution d'un poème barbare
rélatif à des événements du règne de
Childebert I (in Bibl. de l'Ecole des Chartes I 1840 p. 321), door
J. de Rathaïl, a.w., door
A. Darmesteter,
De Floovante, vetustiore gallico poëmate et de
Merovingio cyclo, Parisiis 1877 en door
Pio Rajna,
Le Origini dell' epopea francese, Firenze
1884.
3)Zie
G. Kürth,
Histoire poétique des
Mérovingiens, Paris 1893.
1)Bij
Fredegarius III 9. Zie Kürth, a w p
147-159.
2)Bij Gregorius Turon. II 12, Fredegarius III
11 vlg. Zie Kürth, a.w. p. 179-208.
3)Bij Gregorius Turon. II 28, Fredegarius III
18 vlg. Zie Kürth, a.w., p. 225-251.
4)Bij Gregorius Turon. II 40-42. Zie
Kürth, a.w. p. 293-317.
5)Bij Gregorius Turon. III 4, 7, 8. Zie
Kürth, a.w. p. 347-378.
6)Bij Gregorius Turon. III 3, waarop reeds
gewezen werd door
Grundtvig,
Dannevirke (1817) II p. 284 vlgg. en waarover
uitvoeriger is gehandeld door
Karl Müllenhoff,
Zeitschrift für deutsches Alterthum, VI (1848)
p. 435 vlgg. en XII (1865) p. 287 vlgg. en door Kürth, a.w. p. 337-346.
Vgl. ook C C. Uhlenbeck in Tijdschrift XX bl. 169-196.
2)In het
Chronicon Quedlinburgense (Pertz,
Monumenta V 31) heet het van den Austrasischen
koning Theoderik, Hlodwig's zoon: ‘Hugo Theodoricus iste dicitur, id est
Francus, quia olim omnes Franci Hugones vocabantur’. De sage kent hem dan
ook als Hugdietrich en zijn zoon Theodobercht als Wolfdietrich.
3)Zie
Strabo, Geogr. VII 1. De verwoesting van het land
der Hattuarii in 715 door Saksen wordt vermeld in de
Annales St. Amandi,
Tiliani,
Petaviani en
Mettenses en in de
Gesta abbatum Fontanellensium, cap. 6 (Zie
Pertz,
Monumenta I, p. 6, 7, 323 II p. 279). In een
verdeelinsgverdrag van 870 komen in deze volgorde voor: ‘Comitatus
Testrabant, Batua, Hattuarias, Masau’ bij Pertz,
Monumenta III (legum I) p. 517; vgl. ook
Hincmari Remensis Annales (Pertz,
Monumenta I p. 488). Ook in de
Vita Liudgeri III 18 (Pertz, t. a. p. II p.
418) worden de Hattuarii vermeld. Zie overigens
Kaspar Zeuss,
Die Deutschen und die Nachbarstämme,
München 1837, p. 99 vlg., 336 vlgg., 341 vlg., 582 vlgg.
Jacob Grimm,
Geschichte der Deutschen Sprache, 4te Aufl.
Leipzig 1880 p. 409 vlgg. en ook
Otto Bremer,
Ethnographie der germ. Stämme. in
Paul's
Grundriss der Germ. Philologie, 2 Aufl; III (1900) p.
892-894.
4)De Wîdhsîdh is naar een
bedorven HS. te Exeter het eerst uitg. door
J.F. Conybeare in zijne
Illustrations of Anglo Saxons Poëtry,
London 1826, p. 9-29 en later dikwijls, o.a. door
H. Leo in zijne
Altsächsische und Angelsächsische
Sprachproben, Halle 1838, p. 75-87 en natuurlijk ook in
Grein's
Bibliothek der Angelsächsischen Poesie,
I p. 1-6. Voor het herstel der juiste volgorde van de in het HS. jammerlijk
dooreengewarde verzen zie men
Karl Müllenhoff ‘Zeitschrift
für deutsches Alterthum’, XI p. 275 vlgg.,
Hermann Möller
Das altenglische Volksepos in der urspr. strophischen
Form, Kiel 1883 en
Bernhard ten Brink in
Paul's
Grundriss der Germ. Philologie II p.
538-565.
1)In elk geval wordt in de
Wîdhsîdh vs. 24, ook ‘Theodrîc weold
Froncum’ vermeld.
2)Zie
Baeda,
Hist. eccles. gentis Anglorum, V 11.
1)Melis Stoke, I vs. 129 vlg.
Dat die Saksen uit Nederland kwamen, wordt ook betoogd door
N.J. Krom,
De populis Germ. antiquo tempore patriam nostram
incolentibus Anglosaxonumque migrationibus, Lugd. Bat. 1908 p.
139-162.
1)Maerlant,
Sp. Hist. III 8 93 vs. 103 vlg.
Vgl. ook vs. 4 vlgg. en
Alexander VII vs. 1443-1446, waar echter
gezegd wordt: ‘Tusschen der Elven ende Sincfal hiet wileneer Vrieslant
al.’ Ook in de toevoegsels bij de Lex Fresionum wordt
West-Friesland bepaald als gelegen ‘inter Flehi (d.i. het Vlie) et
Sincfalam’. Door
Einhard,
Translatio et miracula S.S. Marcellini et
Petri (Pertz, Mon. Germ. Scriptores XV 1. 261) wordt de
Scheldemond genoemd als gelegen ‘in maritima Fresionum regione’, en
in de
Annales van
Prudentius Trecensis ( Mon. Germ. Scriptores I
430) wordt Zeeland als een deel van Friesland beschouwd.
2)Zie voor Dorestade o.a.
Ravennatis anonymi Cosmographia Lib. I C. 11,
Lib. IV C. 24 (in de
Script, rerum Méroving. II p. 171) en
over het algemeen het belangrijke onderzoek van
H.A. Poelman,
Geschiedenis van den handel van Noord-Nederland gedurende
het Mérov. en Karoling. tijdperk, 1908. Voor Utrecht zie men
het
Chronicon Epternacense van omstreeks 690
( Mon. Germ. Scriptores XXIII 47),
Alcuinus,
Vita S. Willebrordi (bij
Jaffé,
Bibl. rerum germ. VI 44) en
Liudger,
Vita S. Gregorii ( Mon. Germ.
Scriptores XVI.l, 71). Utrecht heet dan ook later nog altijd het Friesche
bisdom. Voor de stichting eener kapel te Utrecht door Dagobert I zie men
S. Bonifacii et Lulli epistolae, bij
Jaffé
Bibl. rerum germ. III N. 107, p.
259.
1)Zie daarover o.a.
R.C. Boer,
Die altenglische Heldendichtung I, Halle
1912. Naar het eenige, in de Bibl. Cott. in het Britsch Museum te Londen
bewaarde, slordige en door brand in het Cotton House in 1731 bovendien nog erg
beschadigde handschrift is het gedicht van 3184 verzen meermalen uitgegeven,
zooals door
G. Thorkelin (Kjöb. 1815),
J.F. Conybeare (London 1826),
J.Kemble, (London 1833 en 1835-37),
Fr. Schaldemose (Kjöb. 1847),
B. Thorpe (Oxford 1855),
C.W.M. Grein (Kassel-Gött. 1857, 2 dr. door
Wülcker, 1881-83,
N.F.S. Grundtvig (Kjöb. 1861),
Moritz Heyne (Paderborn 1863, 5 dr. door
A. Socin 1888, 7 dr. 1903),
L. Ettmüller (Zürich 1875),
Arnold Thomas (London 1876),
J. Zupitza (London 1882),
A. Holder (Freib.-Tüb. 1882-84),
J.A. Harrison (Boston 1883),
A. Wyatt (Camb. 1894),
M. Trautmann (Bonn (1904) en
Ferd. Holthausen (Heidelberg 1905-6). Eene
Nederlandsche vertaling er van gaf
L. Simons, Gent 1896.
1)Béowulf, vs.
1069-1160. Ook in
Wîdhsîdh vs. 27, 29 worden Finn
als vorst der Friezen en Hnäf als vorst der Hôcingen
genoemd.
2)Het is slechts 48 verzen groot en het eerst
uitg. naar een sinds dien tijd verloren Hs door
G. Hickes,
Linguarum Veterum Septentrionalium Thesaurus
I (Oxoniae 1705) p. 192 vlg. Daaruit is het in de meeste uitgaven van den
Béowulf opgenomen en ook in J.F. Conybeare, Illustrations of
Anglo-Saxons Poetry, London 1826 p. 173-182 en in Grein's Bibliothek der
Angelsächsischen Poesie I (Kassel 1881) p. 14-17.
1)Ik heb hier, met Möller en anderen,
aangenomen, dat dit fragment behoort tot den laatsten strijd en Hnäf dus
dood is, maar volkomen zeker is dat niet. Zie b.v. R.C. Boer, Finnsage und
Nibelungensage in ‘Zeitschrift für deutsches Alterthum XLVII
(1903) p. 125-160.
2)Naar een HS. te Exeter het eerst onder den
titel The ruined Wallstone uitg. door J.F. Conybeare, Illustrations
of Anglo-Saxons Poetry, London 1826 p. 253-255; later vaak, o.a. in Grein's
Bibl. der Angelsächsischen Poesie I 2 (Kassel 1883) p.
296-301.
3)Het vermoeden is geopperd door F.J. Mone,
Untersuchungen zur Geschichte der teutschen Heldensage, Quedlinburg und
Leipzig, 1836 p. 136.
2)Zie over de Sigemundssage in 't bijzonder
R.C. Boer, Untersuchungen über den Ursprung und die Entwicklung der
Nibelungensage (Halle 1906-9 III dln.) III p. 75-94.
3)Zie Der Nibelungenôth (ed. K.
Bartsch), III 98, 118, 131, IV 168, 214, V 272.
1)Wîdhsîdh vs. 21 vlg.:
Hagena, weold Holmrygum, Heoden Glommum, Vada Haelsingum. Ook een ander
Angelsaksisch Gedicht, Déors Lied (in Grein's Bibl. der
Angels. Poesie I p. 278-280), toont bekendheid met deze sagenstof door van
‘Heodeninga scôp’ te spreken.
3)Kudrun, 231 vs. 4. Zie ook 1374 vs.
2.
6)Kudrun, 360 vs. 4, 1503 vs.
4.
7)Kudrun, 1373 vs. 3. Bij de
‘sêbleter’ in zijn wapenschild zou men kunnen denken aan de
elf hartvormige plompenbladen in keel in het Oudfriesche wapen, dat nu nog het
wapen der Groningsche Ommelanden is. Zie over dat wapen G. Acker Stratingh in
‘Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde van de prov.
Groningen’, VII (Gron. 1870), bl. 200-216.
8)Kudrun, 706 vs. 1, 867 vs. 1, 1214
vs. 1, 1257 vs. 1, 1674 vs. 1.
1)Zie Saxo Grammaticus, Gesta Danorum
V (ed. A. Holder 1886 p. 158-160).
2)Voor de verschillende meeningen over den
oorsprong en de ontwikkeling der Hilde-Gudrun-sage, waarmee nog als derde de
Herwîgs-sage verbonden is, zie men o.a. Wilhelm Grimm, Die deutsche
Heldensage, Göttingen 1829 p. 325-332; Ludwig Uhland, Schriften zur
Geschichte der Dichtung und Sage VII (Stuttgart 1868, opgesteld 1831 en
1832) p. 278-285, 536 vlg.; F. J. Mone, Untersuchungen zur Geschichte der
teutschen Heldensage, Quedlinburg und Leipzig 1836, passim; J. Grimm in
Haupt's Zeitschrift II (1842) p. 1-5; Karl Müllenhoff in Haupt's
Zeitschrift XII (1865) p. 311-318; W. Wilmanns, Die Entwicklung der
Kudrundichtung, Halle 1873; G. L. Klee, Zur Hildesage, Leipzig 1873;
Wilhelm Scherer, Geschichte der deutschen Litteratur, Berlin 1883 p.
132-142; Fécamp Le poème de Gudrun, ses origines, sa formation
et son histoire Paris 1892; B. Symons, Heldensage in Paul's
Grundriss der Germ. Philologie. 2 Aufl. III (Strassburg 1900) p. 709-719, R. C.
Boer Untersuchungen über die Hildesage in Zeitschrift für
deutsche Philologie, XL (1907), p. 1-66, 184-218, 292-346; en de inleidingen of
toevoegsels der Kudrun-uitgaven van Karl Müllenhoff (Kiel 1845), Wilhelm
von Ploennies (Leipzig 1853), Karl Bartsch (Leipzig 1865), Ernst Martin (Halle
1872 en 1883) en Barend Symons (Halle 1883). Afzonderlijke vermelding verdient
nog het eigenaardige, maar niet geheel onbevooroordeeld geschreven werkje van
C. Martinius, Das Land der Hegelingen wiedergefunden im Ostfriesischen
Harlingerlande, Norden 1880. Het gaat uit van de opvatting, dat de
Gudrunsage uitsluitend een historischen achtergrond heeft en niet uit het
Noorden naar het rijk der Friezen is overgekomen, en tracht nu alle plaatsnamen
te verklaren als namen van plaatsen en streken bij het Oostfriesche riviertje
de Harle (oudtijds Heddel) en daaromtrent. Het land, dat Ortlant, Hortlant en
een paar maal Nortlant heet, is het oude Nordigau; het nog onverklaarde
Gîvers (str. 564 va. 2) wordt als Jever in Oldenburg verklaard; in
Wülpensand wordt het Robbensand aan de monding van de Jahde gezien. Verder
zou de Gudrun de herinnering bewaren aan twee overwinningen op de Noormannen,
de eerste in 884 bij Norwidi, dat dan als Norden verklaard wordt, door de
Friezen, de tweede in 891 bij Leuven door Arnulf behaald.
1)Zie Kudrun 848 vs. 1, 871 vs. 4, 900
vs. 2, 918 vs. 3, 949 vs. 2, 950 vs. 4. Bij afwisseling wordt hetzelfde eiland
ook Wülpenwert genoemd, Kudrun 883 vs. 4, 897 vs. 4.
2)J. Grimm wees daarop het eerst in Haupt's
Zeitschrift II (1842) p. 4. In eene Brugsche keur van 1190 (o.a. bij Kluit,
Historia Critica II 1. p. 85) wordt melding gemaakt van de
‘Wulpingi homines de Wulpia sive de Cassand’, en in eene oorkonde
van 1167 (bij Miraeus II 972) leest men: ‘totam decimam de Rodenborch
(d.i. Aardenburg), de Vulpa et Cassant’. Dit Katsand zou dan vervormd
zijn tot Kassiâne, dat in de Kudrun 1534 vs. 2, 1541 vs. 2,
1543 vs. 3, 1692 vs. 2, als hoofdstad van Ormanîe voorkomt. Men verklaart
het woord Wülpensant gewoonlijk als zandplaat der welpen, d.i. jonge
(zee-)honden, doch te onrechte: de wulpen zijn strandvogels, en onder dien naam
aan de Friesche kust zeer bekend. Dr. H. Schlegel, Gewervelde Dieren (in
Nederland), vogels, Haarlem 1860, bl. 182 vlg., geeft als de twee
voornaamste soorten op: de groote wulp ( numenius arquata) en de kleine
wulp of regenwulp ( numenius phaeopus) en noemt ze ‘groote
strandloopers met eenen zeer langen, afwaarts gekromden snavel, korte teenen en
in elken leeftijd eenvoudige kleuren’.
1)Jonckbloet, die in zijne Gesch. der Mnl.
Dichtkunde I (Amst. 1851) bl. 69-83 uitvoerig over de Kudrun
handelde, opperde daar de gissing, dat men bij Sîfrit van Môrlant
zou mogen denken aan Zivaert of Sicco, den broeder van Graaf Dirk III van
Holland, wat hoogst onwaarschijnlijk is, maar toch even door mij wordt vermeld,
omdat hij die nog bleef volhouden in de derde uitgaaf zijner Gesch. der Ned.
Letterkunde I (Gron. 1884), bl. 50.
|
|