|
|
|
| |
XXXVII Lucretia Wilhelmina van Merken.
Onder de vele beoefenaars der poëzie uit de laatste helft der
periode, die wij nu behandelen, blonk naast zoovele dichters ook eene dichteres
uit, wier roem niet alleen berustte op de hoffelijke vereering harer
kunstgenooten, maar ook op de wezenlijke waarde harer gedichten:
Lucretia Wilhelmina van Merken
1).
Ook | | | | zij was dichteres van afkomst. In haar kon men, zooals haar
latere echtgenoot schreef, ‘het vindingryk verstand van schranderen Van
Baarle en godgewyden Brand’ vereeren, want, 21 Augustus 1721 te Amsterdam
geboren uit het huwelijk van Jacob van Merken met Susanna Wilhelmina Brandt,
was zij van moederszijde de kleindochter van Johannes Brandt en dus de
achterkleindochter van Geeraardt Brandt en Susanna van Baerle, Caspar's
dochter.
Reeds op vierentwintigjarigen leeftijd, in 1745, trad zij als
dichteres op met een oorspronkelijk treurspel,
Artemines, dat toen ook, doch niet onder haar
naam, maar onder de spreuk ‘La vertu pour guide’ op den Schouwburg
vertoond en gedrukt werd. Het onderwerp daarvan is de troonopvolging in het
Perzische rijk na den dood van Darius, die reeds bij zijn leven op aansporen
van zijne laatste echtgenoote, Atosse, zijn zoon Xerxes, uit het huwelijk met
haar geboren, als zijn opvolger had aangewezen met voorbijgang van zijn oudsten
zoon uit een vroeger huwelijk, Artabazanes geheeten volgens Herodotus, maar
hier Artemines genoemd met den schuilnaam, dien Cyrus draagt in den bekenden,
in 1650 verschenen, roman van
Madeleine de Scudéry ‘Artamène
ou le Grand Cyrus’
1). Aan dien roman heeft de
dichteres ook de vrouwelijke hoofdpersoon van haar treurspel, Mandane,
ontleend, ofschoon overigens hare personen geheel andere zijn, dan in den
roman, en ook de geschiedenis niet dezelfde is. Van het verhaal bij Herodotus
is zij in zoover afgeweken, dat zij Darius niet wilde voorstellen als
onrechtvaardig genoeg om zijn oudsten zoon geheel te verstooten, maar toch als
zwak genoeg om onder Atosse's invloed aan zijne zoons op te dragen, na zijn
dood het rijk in der minne te verdeelen.
Artemines echter is, zooals
Van Merken hem nu in haar treurspel voorstelt,
daartoe niet te bewegen: hij wil noch afstand doen, | | | | noch door
verdeeling de kracht van het rijk breken, maar daar hij zijn broeder Xerxes
genegen is, ziet hij de oneenigheid, die van zijne weigering het gevolg zal
kunnen wezen, met bekommering tegemoet, zooals blijkt uit de lyrische
alleenspraak, door hem bij den aanvang van het tweede bedrijf gehouden. Zijne
smart wordt nog vergroot door een gesprek met de prinses Mandane, die hij uit
haar eenzaam buitenverblijf naar het hof heeft doen overkomen, omdat hij eene
sterke liefde voor haar heeft opgevat, maar die zijn huwelijksaanzoek afslaat,
naar hij vermoedt omdat zijne kansen op de kroon te gering zijn. Toch is hij
edelmoedig genoeg om de hulp van Kodoman af te wijzen, die aanbiedt, Xerxes te
dooden en hem zoo het ongestoord bezit van de kroon te verzekeren.
In het eerste tooneel van het derde bedrijf blijkt het, waarom
Mandane het aanzoek van Artemines, dien zij wel degelijk liefheeft, moest
afslaan. Een orakel toch heeft, zooals zij aan Cleone, hare vertrouwelinge, in
diep geheim meedeelt, verkondigd: ‘Indien gy uw geluk bemint, laet u 's
ryks Erfprins niet bekooren: Zoo haest hy zich aen u verbindt, is hem een
wreede dood beschooren’. Juist uit liefde voor hem nu heeft zij zijne
hand moeten weigeren. Ongelukkig heeft Artemines in zijn broeder Xerxes niet
alleen een mededinger naar de kroon, maar ook naar de hand van Mandane. Om aan
Artemines het onverdeeld bezit van het rijk te verschaffen, besluit zij nu
zichzelve op te offeren en verklaart zij zich bereid, Xerxes' huwelijksaanzoek
aan te nemen, indien deze dan vrijwillig afstand doet van zijne aanspraken op
de kroon; doch dat valt Xerxes aanvankelijk nog te moeielijk, en zoo heeft zij
dan achtereenvolgens de beide broeders afgewezen. Eene vergeefsche poging, door
Atosse aangewend, om Artemines te bewegen, de kroon aan zijn jongeren broeder
over te laten, besluit'het derde bedrijf.
Terwijl bij het begin van het vierde bedrijf Darius en Atosse de
opvolging bespreken, komt op eens Cleone met de treurmare, dat Xerxes doodelijk
gewond is, en natuurlijk valt de verdenking van dien moordaanslag op Artemines;
maar gelukkig blijkt het bericht onjuist. Megabyzus, Xerxes' zedemeester, geeft
beter inlichting. Wel heeft Kodoman, tegen het verbod van Artemines in, zijn
plan om Xerxes te vermoorden willen uitvoeren, maar het is Artemines zelf
geweest, die door den sluipmoordenaar te dooden, zijn broeder gered heeft.
Een onderhoud, dat Artemines bij het begin van het vijfde | | | | bedrijf met Mandane heeft, brengt hem in den waan, dat zij liefde voor
Xerxes gevoelt, en uit edelmoedigheid staat hij haar nu aan zijn broeder af, en
deze, dankbaar aan den ouderen broeder, die hem het leven redde, neemt hare
hand aan op de door haar gestelde voorwaarde, dat hij het rijk aan Artemines
zal overlaten. Ofschoon Mandane hem niet liefheeft, is zij verplicht haar woord
gestand te doen, maar daar haar dat moeite kost, verraadt zij onwillekeurig aan
de beide broeders, wie haar hart bezit, en dat zij alleen Artemines had
afgewezen om hem daarmee de kroon te bezorgen. Als nu Darius nog eens aankomt
met zijn voorslag, dat de broeders vreedzaam het rijk zullen verdeelen,
verklaart Xerxes tot zijne groote verbazing en tot ergernis van Atosse, dat hij
uit dankbaarheid voor zijne levensredding de kroon aan zijn broeder afstaat,
doch deze, die door Kodoman's daad heeft leeren inzien, hoe gevaarlijk
politieke eerzucht is, en voor wien het leven zonder Mandane ook geene waarde
meer heeft, laat aan Xerxes met zijne bruid ook de kroon over. Nu echter moet
Mandane wel terugtreden en, om haar gedrag te rechtvaardigen, het geheim van
het orakel openbaren. Haar huwelijk zal aan Xerxes, indien deze den troon
beklimt, het leven kosten, zegt zij, en er blijft haar dus niets anders over,
dan hare hand te schenken aan Artemines, die vrijwillig afstand heeft gedaan.
Zoo heeft het stuk een voor allen bevredigend slot. Atosse bereikt haar doel,
aan Xerxes is de erfopvolging verzekerd en Artemines' edelmoedigheid vindt hare
belooning in Mandane's liefde.
Wie dit treurspel met
Corneille's ‘Rodogune’
vergelijkt, waartoe gereede aanleiding is, omdat de verhouding van Rodogune tot
de gebroeders Antiochus en Seleucus met die van Mandane tot Artemines en Xerxes
zóóvele punten van overeenkomst vertoont, dat
Van Merken daaraan ongetwijfeld voor hare
voorstelling veel heeft ontleend
1), zal toch ook getroffen worden door het geheel verschillend
karakter van beide stukken en zal moeielijk kunnen ontkennen, dat, moge
Corneille met zijn stuk misschien sterker indruk hebben gemaakt, Van
Merken's blijeindend spel een veel behaaglijker indruk wekt, omdat zij
alle gruwelijke wreedheid, die ons bij Corneille in dit stuk tegen de borst
stuit, uit haar stuk heeft | | | | verbannen en vervangen door een
wedstrijd in edelmoedigheid, waarvan zij trouwens in andere stukken van
Corneille het voorbeeld heeft kunnen vinden.
Niet spoedig liet Van Merken op haar eersteling een ander
dichtwerk van eenigen omvang volgen. Alleen enkele kleinere gedichten
verschenen er van haar, o.a. op den nieuwen stadhouder en op de uitnemende
bloemschilderes Rachel Ruysch, weduwe van Jurriaan Pool en dochter van den
Amsterdamschen hoogleeraar, welk gedicht werd opgenomen in den bundel
‘Dichtlovers’, die in 1750, kort vóór
den dood der hoogbejaarde schilderes, door tien dichters en dichteressen te
harer eer bijeengebracht werd. Waar haar zooveel dichtlof door zooveel dichters
werd toegezongen, was een dezer,
Bernardus de Bosch, zeker niet gelukkig met de
tot haar gerichte slotwoorden van zijn lierzang: ‘Gy schildert
Neêrlands Zangberg stom’; maar Van Merken was dat
al evenmin, toen zij schreef: ‘De Poëzy word stom, nu zy de
Schilderkunst ziet spreeken.’ Aan volledige toepassing van het
‘rien n'est beau que le vrai’ ontbrak er dus in de achttiende eeuw
nog wel het een en ander, ook bij overigens verstandige en eenvoudige
poëten als De Bosch en Van Merken.
Dat
Van Merken in dien tijd verder weinig van zich
liet hooren, was ten deele het gevolg van eigen slechte gezondheid, ten deele
van de zware slagen, die haar troffen: de dood van geliefde bloedverwanten, met
name van haar vader, aan wien zij zoo innig gehecht was, en in 1759 ook
tegelijkertijd van hare moeder en hare eenige zuster Wilhelmina, die na een
pijnlijk lijden van zes jaar eindelijk bezweek en aan wier ziekbed zij al dien
tijd als gekluisterd was geweest. Toen zij daarna geheel alleen achterbleef,
was het geen wonder, dat hare eerstvolgende poëzie de sporen droeg van het
leed, dat zij zoo moedig had doorstaan; maar wel getuigde het van een kloek
verstand en merkwaardige geestkracht, dat zij het eerste grootere gedicht,
daarna in 1762 uitgegeven, kon aanvangen met de bekende woorden: ‘Ik
zing, door leed geleerd, het nut der Tegenspoeden’.
Haar leerdicht
Het Nut der Tegenspoeden, dat zij nu onder haar
naam uitgaf en dat haar naam voorgoed gevestigd heeft, droeg zij op aan den
Amsterdamschen burgemeester Gerard Aarnout Hasselaar en tevens, met een
afzonderlijk toewijdingsgedicht, aan Johanna Muhl, sedert 1744 gehuwd met
Nicolaas Simon van
| | | |
Winter, hare boezemvriendin,
die haar in hare droefheid over het verlies harer naaste betrekkingen zoo goed
had weten te troosten maar die nu ook zelf, door hevig maar moedig doorstaan
lichaamslijden gekweld, troost noodig had en dien zeker ook, zooals zoovelen na
haar, gevonden heeft in dit gedicht, dat tegenover de meeste leerdichten een
zoo geheel persoonlijk karakter draagt en daarom ook tot het hart spreekt,
tegelijkertijd dat het zich voornamelijk tot het verstand richt.
De titel van het gedicht is maar half juist. Dat tegenspoed ook zijn
nut heeft, wordt er wel duidelijk in gemaakt, maar grootendeels dient het toch
ter vertroosting. Als een der bewijzen voor het nut van het leed wordt
aangevoerd, dat het te meer het geluk in het leven doet waardeeren, terwijl
toch menigmaal het leed alleen bestaat in het missen of verliezen van een
gewaand geluk, zooals rijkdom, die toch geen waar geluk aanbrengt, zelfs niet
het voorrecht om met smaak te kunnen eten, zooals aanzien, waaraan zooveel
onrust verbonden is, of wereldsche vreugd, die de hartstochten opwekt.
Gezondheid alleen is geen schijngeluk, maar hoe zelden geniet men er ongestoord
van en hoe noodzakelijk is het, dat de lichaamskrachten afnemen en ziekte het
lichaam sloopt! Ook is het lijden eene goede oefenschool ter vorming van het
karakter, en voor den zieke is het in elk geval een troost, dat hij niet in de
toekomst kan zien, niet weet, dat herstel onmogelijk is, of althans kan hopen
op spoedige verlossing uit zijn lijden. Bovendien is het voor de ongelukkigen
een groote troost, als hun geweten hun niets verwijt, want het gedicht bezingt
bij uitsluiting het nut van die tegenspoeden, die men buiten zijne schuld
ondervindt. Voor ongelukkigen, die zelf de oorzaak van hun ongeluk zijn, heeft
Van Merken geen troost. Zoo is ongeveer de
korte inhoud van den eersten zang.
In den tweeden zang wordt gewezen op Gods voorzienigheid, waarvan de
nietige mensch zich steeds het voorwerp kan rekenen ondanks de oneindigheid van
het groot heelal, omdat hij in de Schepping het eenige bezielde wezen is en dus
te midden van al het vergankelijke het eenige, dat blijft voortbestaan. Daarom
heeft hij meer aanspraak dan al het overige op Gods vaderzorg te midden van
alle groote rampen, die hem treffen kunnen en waarvan de dichteres nu de
voornaamste meer in bijzonderheden bespreekt. Zoo behandelt zij 1o.
de ballingschap, waarbij de on- | | | | schuldig verbannene toch altijd weer
elders een nieuw vaderland kan vinden, zooals b.v. Abraham zou kunnen getuigen;
2o. gevangenschap, die voor den onschuldige even weinig
verschrikkelijks heeft als voor Daniël het verblijf in den leeuwenkuil;
3o. martelaarschap, dat met evenveel geestdrift den dood tegemoet
doet zien, als indertijd de zeven Macabeesche broeders toonden, op bevel van
Antiochus ter dood gebracht; 4o. schipbreuk en verblijf op een
onbewoond eiland, waarbij Paulus een voorbeeld van blijmoedig leedverdragen
gaf; 5o. verlies van ouders, waardoor weezen hulpeloos
achterblijven, maar toch niet geheel hulpeloos, want God zorgt voor hen als
eens voor Mozes in het biezen-kistje; 6o. weduwschap, waarbij op de
weduwe van Sarepta, en 7o. dreigend verlies van geliefde kinderen,
waarbij op de Sunamietische vrouw kan worden gewezen. Zoo kon men volgens de
dichteres uit de bijbelsche geschiedenis leeren, hoopvol en zelfs getroost het
lijden te zien naderen. En hoeveel ongelukkiger dan al deze zijn zij, die door
gewetenswroeging worden verscheurd! Deze toch vinden geen troost in de
toewijding en deelneming hunner vrienden; geen oogenblik kunnen zij hun leed
vergeten onder lectuur of beoefening van kunst en wetenschap, als de andere
ongelukkigen dikwijls wel kunnen.
Met den derden zang gaat de dichteres van het gebied der zedenleer
op dat van den godsdienst over en wijst zij allereerst op Jezus als een
toonbeeld van geduld en moed onder het lijden. Verder spreekt zij van de kracht
en den troost, in het gebed te vinden, en eindelijk van de verlossing uit de
aardsche ellende door den dood als overgang naar een hemelsch vaderland, waar
men zijne geliefden terug zal zien en de belofte vervuld zal vinden, uitgedrukt
in deze Christelijke spreuk: Door lijden tot heerlijkheid.
Ontdaan van den vloeienden versvorm, die soms den kern-achtigen
spreukvorm nadert, maakt het gedicht natuurlijk allicht den indruk van eene
zedekundige verhandeling, waarin niet eens zeer diepzinnige gedachten zijn
uitgesproken; maar hoe weinige gedichten zijn er, die driekwart eeuw lang tal
van dankbare lezers zijn blijven vinden en zelfs eene zekere populariteit
hebben kunnen behouden, lang nadat de dichttrant er van als geheel verouderd
verworpen was door de nieuwere toongevers op letterkundig gebied! Dat had
Van Merken's gedicht zeker grootendeels te danken aan den
eerlijken, oprechten toon, die er in heerscht, | | | | en aan de wel
oppervlakkige, maar toch voor menigeen nuttige wereldwijsheid, waarboven de
groote meerderheid zich nu eenmaal niet kan verheffen, waar zij integendeel in
de practijk des levens nog meestal ver beneden blijft. Dat het zoovelen, ook
onder de beschaafde burgerij, oogenblikken bezorgd heeft, waarin zij zich
verheven konden gevoelen boven hunne eigene kleinere of grootere zorgen en
tegenspoeden, is er eene onmiskenbare verdienste van, die menig in eigen oog
veel verhevener dichter met zijne minder eenvoudige en ook minder verstandige
poëzie niet heeft kunnen verwerven en aan deze dichteres mag benijden.
Aan de uitgave van ‘Het Nut der
Tegenspoeden’ heeft
Lucretia van Merken vele kleinere gedichten
toegevoegd, o.a. vijf heldinne-brieven, die zij aan vorstinnen uit den
nieuweren tijd in de pen gaf, en ook een paar eigenaardige brieven van mannen,
namelijk van ‘Claudius Civilis aan Julius Briganticus’ en, den
uitvoerigsten, van ‘Leife, eersten bevolker van Groenland, aan zynen
vader Erik’. Zij bewijzen in de eerste plaats Van Merken's
ingenomenheid met het historische en heroïsche, en dat bewijzen ook de
beide heldendichten, die zij gemaakt heeft.
Het eerste,
David, in twaalf boeken, kwam in 1767 uit en werd
reeds in het volgend jaar herdrukt. Ofschoon in den trant van
Hoogvliet's ‘Abraham’
geschreven, werd het door vele harer tijdgenooten daarboven gesteld,
voornamelijk daar het minder den indruk van eene dichterlijke
levensbeschrijving maakt en dus gemakkelijker voor een heldendicht kon worden
aangezien. De dichteres was dan ook zoo verstandig geweest om niet het geheele
leven van David tot onderwerp te nemen, maar het minst heroïsche gedeelte
er van, het tijdperk zijner koninklijke regeering, weg te laten en zich te
bepalen tot die periode, die begint met David's optreden als schoonzoon van
Saul en eindigt met zijne kroning. David's vlucht voor Saul is er dus het
eigenlijk onderwerp van, maar wat daaraan voorafgaat, zooals de strijd met
Goliad, is in het tweede boek ingevlochten. De verhouding van David tot zijne
vrouw Michol en zijn vriend Jonathan is op aantrekkelijke wijze behandeld, en
dat draagt er veel toe bij, aan het gedicht eer een lieflijk dan een grootsch
karakter te geven. Van veel vinding getuigt het niet. De gladde verzen zijn
soms banaal, de verhalen en beschrijvingen hier en daar te gerekt, maar aan
verdienstelijke episoden ontbreekt het niet. | | | |
Niet ongepast schijnt het mij hierbij op te merken, dat zelfs eene
verstandige en van de Verlichting niet afkeerige vrouw, zooals Van
Merken toch was, ten aanzien van de ‘gewijde’ geschiedenis nog
geheel instemt met de traditioneele bewondering voor de Oudtestamentische
geloofshelden, waarvan ook de andere, bijbelsche heldendichten getuigen. Zij
toch ziet in David nog een ‘luisterryk voorbeeld’, geschikt om
‘deugdlievende gemoederen te bevestigen in het welgegrond vertrouwen op
de Godlyke Voorzienigheid’ en heeft zich dus nog zóó laten
verblinden door den stralenkrans, dien de priesterschap om zijn hoofd heeft
weten te tooveren, dat zij geen oog schijnt te hebben voor al de in den Bijbel
toch ook meegedeelde feiten, die dezen David, het ideaal der fanatische
Jehova-profeten, ons doen kennen als een der laag-hartigste en arglistigste
kroonpretendenten en vorsten, waarvan de geschiedenis gewaagt.
Een jaar nadat de ‘David’ het licht zag,
maakte de dood een einde aan het langdurig lijden van Van Winter's
echtgenoote, en nog in hetzelfde jaar, 26 September 1768, verbond zich hare
vriendin
Lucretia van Merken met hem in den echt. Weinige
jaren na hun huwelijk liet Van Winter zijne zaken over aan zijn zoon
Pieter, wiens huwelijk met Jozina van Maurik hij met zijne vrouw samen
in 1771 had mogen bezingen, en trok hij zich met zijne vrouw uit het
Amsterdamsche leven terug op het bij Leiderdorp gelegen landhuis
Bydorp, waar zij tot aan hun dood genoten van het rustig
buitenleven, dat hen altijd zoozeer had aangetrokken. Die dood echter was toen
nog ver, en menig dichtwerk van hen zou nog het licht zien: o.a. Van
Merken's tweede heldendicht, ‘Germanicus’, in
1779 door haar opgedragen aan den echtvriend, wiens ‘weetenschap en
oordeel haar in 't zingen sterkte’ en in wiens ‘hart zy haar rust
en heil gevonden’ had, zoodat zij bij de verbreiding van Germanicus' eer
tegelijk ook deze woorden verbreiden wilde: ‘Van Winters liefde deed zyn
Gae gelukkig zyn.’
In Germanicus bezong zij ‘den veldheer, die den moord
van Varus strafte, Arminius bestreed’ en dien zij hield voor ‘den
waardigsten Romein, die immer triomfeerde’. Men heeft haar dat kwalijk
genomen, want al kon ook moeielijk ontkend worden, dat Germanicus eene ware
heldenfiguur was, die zich te midden van eene verbasterde maatschappij zoowel
door edelmoedigheid | | | | als door moed onderscheidde, een Germaan kon
hem toch moeielijk huldigen als den overwinnaar van Arminius, als den
triumphator over de Germanen. Weliswaar was
Frans van Steenwijk haar vijf jaar vroeger
vóór geweest met ‘Klaudius Civilis’ in
heldenverzen te behandelen, doch waarom, vroeg men, heeft zij dan niet de
kloeke figuur van Arminius tot onderwerp van haar heldendicht gekozen?
Het antwoord, dat ik meen op deze vraag te moeten geven, legt tevens
de zwakke zijde harer kunst bloot. Natuurlijk putte zij hare stof uit de
Annalen van
Tacitus, maar duidelijk blijkt het, dat zij tot niet veel
meer in staat was, dan dien grooten heldendichter ui proza als op den voet te
volgen. Haar gedicht in verzen is niets anders dan de weerklank van Tacitus'
poëzie in proza; maar om Arminius te bezingen, die voor den Romeinschen
geschiedschrijver tegenover Germanicus slechts eene bijfiguur kon blijven, had
zij aan het verhaal een geheel anderen, op eigen vinding berustenden, gang
moeten geven, hare stof moeten verwerken en veel moeten weglaten van hetgeen
bij Tacitus bijzonder aantrekkelijk is; maar daarvoor zouden hare krachten
blijkbaar te kort geschoten zijn.
Toch kon niemand met recht haar gebrek aan vaderlandsliefde
verwijten, want vijf jaar vroeger had zij daarvan reeds blijken genoeg gegeven
met het uitgeven van drie treurspelen, waarvoor zij vaderlandsche onderwerpen
had gekozen. Zij komen, met nog een vierde treurspel en een treurspel van
Van Winter, voor in het eerste deel harer
‘Tooneelpoëzy’, dat in 1774 gedrukt werd en
waarop in 1786 nog een tweede deel volgde met drie treurspelen van haar en
één van haar man.
Het eerste stuk van Van Winter is getiteld
Monzongo of de koninklyke slaaf en dagteekende
reeds van 1765, toen de dichter, twee jaar na den met groote wreedheid
onderdrukten slaven-opstand in Berbice, er ‘eene pooging’ mee wilde
doen om aan zijne landgenooten ‘de onbetaamlykheid der slavernye onder
het oog te brengen, hen de stem der menschelykheid en het recht der eenvoudige
natuur te doen hooren en hun medelyden op te wekken’. Het stuk, dat te
Vera Crux speelt en waarvan de tot slaaf van Ferdinand Cortes vernederde koning
van Verragua de held is, is dikwijls en met veel bijval vertoond. De versregel,
waarmee Monzongo optreedt en het ‘verachtlyk goud’, dat hij | | | | draagt, toespreekt als ‘o blinkend slyk, besproeid met zo veel
zweet en traanen’, is langen tijd een gevleugeld woord gebleven.
Van Winter's tweede treurspel,
Menzikoff, dat hij twintig jaar na zijn
‘Monzongo’ schreef onder den invloed van Voltaire's ‘Les
Scythes’
1) en
dat ons den verstooten gunsteling van Czaar Peter voorstelt met zijne kinderen
in Siberië als balling levend, en stervend op het oogenblik van zijn
eerherstel, heeft veel minder opgang gemaakt.
Onder Van Merken's tooneelstukken is de
Maria van Bourgondiën, Gravinne van Holland,
wel het oudste. Zij zelve zegt er van, dat zij het reeds in hare jonge jaren
had bewerkt, maar het later te gebrekkig had gevonden om het in 't licht te
geven. Haar man echter had er meer verdiensten in gevonden dan zij zelve en
haar aangeraden, het om te werken, zooals zij dan ook in 1772 had gedaan; maar
nauwelijks een derde gedeelte was er overgebleven van hetgeen zij omstreeks
1754 had geschreven. Het stuk speelt in de dagen van Maria's minderjarigheid,
toen zij, nog zonder steun van een echtgenoot, omringd was van muiters en
bestookt werd door Adolf van Gelder, wiens liefde zij herhaaldelijk moest
afwijzen en voor wiens aanzoeken zij eindelijk zelfs gedwongen was, in het
klooster van St. Bavo te Gent de wijk te nemen. Het stuk besluit met hare
redding door Adolf van Ravestein en de aankondiging van hare verloving met
Maximiliaan van Oostenrijk, die zelf echter in het stuk niet optreedt.
Meer roem dan met dit treurspel oogstte Van Merken in met
haar
Jacob Simonszoon de Ryk, waarvoor zij de stof
nergens uitvoeriger had kunnen vinden dan in Hooft's Historiën. Bij den
aanvang van het stuk is De Ryk in hechtenis in het kasteel te Gent, want bij
den ongelukkigen strijd op Tolen was hij door de Spanjaarden krijgsgevangen
gemaakt. Omstreeks denzelfden tijd waren ook Philips van Marnix en drie anderen
elders in handen der Spanjaarden gevallen. Daarentegen hadden de Prinsgezinden
Middelburg door uithongering tot overgaaf gedwongen en den Spaanschen
bevelhebber Mondragon alleen vrij gelaten op voorwaarde, dat hij de vrijlating
der vijf Staatsche krijgsgevangenen zou bewerken of binnen twee maanden zich
zelf in krijgsgevangen- | | | | schap zou begeven. De twee maanden waren nu
verloopen, Requesens had nog niet kunnen besluiten, de gevangenen vrij te laten
ondanks het dringend verzoek van Mondragon, die zich als man van eer verplicht
acht de voorwaarde, waarop men hem naar de zijnen terug liet keeren, getrouw na
te komen. Wanneer echter De Ryk naar het schavot wordt gevoerd, waar reeds twee
ketters even te voren onthoofd zijn, en hem hetzelfde lot wacht, verwekt
Mondragon's echtgenoote onder de aan Mondragon zeer gehechte bezetting van het
Gentsche kasteel een oproer tegen Requesens, die daardoor gedwongen wordt, De
Ryk vrij te laten, maar de andere gevangenen nog in hechtenis wil houden. De
geschiedenis verhaalt ons nu, dat De Ryk, naar den Prins van Oranje gegaan,
dezen niet bereid vond, met de invrijheidsstelling van hem alleen genoegen te
nemen, en dat De Ryk toen vrijwillig naar Gent terugkeerde om ook voor de vier
anderen de vrijheid te eischen, die hij met behulp van Mondragon dan ook ten
slotte voor allen verwierf.
De wet van tijdseenheid verbood aan
Van Merken, De Ryk den Prins te doen bezoeken
en daarna naar Gent te doen terugkeeren. Daarom heeft zij het moeten
voorstellen, alsof De Ryk onmiddellijk na zijne vrijverklaring een brief van
den Prins ontving met de opdracht om alleen de gezamenlijke vrijlating der vijf
gevangenen aan te nemen. De kern van het stuk is het oproer, verwekt door Donna
Elvire de Moncada, Mondragon's vrouw, die daardoor eene der hoofdpersonen in
het stuk is geworden. De dichteres heeft er bovendien ook De Ryk's vrouw,
Margareta Hooft, in gebracht, die zij met haar broeder Nicolaas naar Gent heeft
doen overkomen om haar man te bezoeken, en, evenals in hare andere stukken, is
zij ook nu weer het best geslaagd in het teekenen der vrouwenkarakters. In moed
en geestkracht is Elvire de meerdere van Margareta, die zich in hare innige
liefde te veel aan de wanhoop overgeeft, wanneer zij De Ryk naar het schavot
ziet voeren, en die zich niet kan verheffen tot de grootheid van haar
echtgenoot, wanneer zij verklaart, niet te kunnen begrijpen, waarom hij na de
ontvangst van 's Prinsen brief weer in de gevangenis terugkeert. Elvire
daarentegen begrijpt volkomen het eergevoel van haar man, van wien zij verwacht
(want zelf is hij nog niet tegenwoordig), dat hij vrijwillig in gevangenschap
zal gaan, als het hem niet mag gelukken aan de hem opgelegde voor- | | | | waarde te voldoen, en wiens dood zij voorziet, als De Ryk terechtgesteld
wordt. Belangwekkend is de eensgezindheid, waarmee deze twee van landaard en
staatspartij zoo geheel verschillende vrouwen samenwerken om, door hetzelfde
gevoel van liefde gedreven, hare echtgenooten te redden, zelfs met gevaar voor
eigen leven; want Margareta's komst te Gent had ook haar het leven kunnen
kosten, evenals de mannelijke moed, waarmee Elvire zich bij het verzet tegen
Requesens aan het hoofd van Mondragon's officieren plaatst, haar leven in
gevaar brengt.
Deze vrouwen wekken evenveel eerbied en bewondering op, als De Ryk
en Mondragon, in welke vier hoofdpersonen
Van Merken, op het voorbeeld van
Corneille, het gewaagd heeft, edelmoedige en sterke
karakters tegen elkaar over te stellen, ofschoon het veel gemakkelijker is, de
grootheid van een persoon te doen uitkomen door tegenstelling met een
minderwaardige. Het karakter van De Ryk komt inderdaad in al zijne grootheid
uit, al voert hij misschien ten overstaan van Requesens een wat hooger toon,
dan men in zijne omstandigheden zou mogen verwachten, en al is het ook
historisch niet best mogelijk, dat hij op het eind van het stuk, wanneer
Requesens en Mondragon woedend tegenover elkaar staan, de rol van bemiddelaar
speelt. Mondragon's edele gezindheid blijft bewondering wekken, al staat De Ryk
daar met zijne grootmoedigheid tegenover, en dat de laatste toch de held van
het stuk blijft, is alleen hiervan het gevolg, dat Mondragon slechts aan het
eind van het stuk in persoon optreedt, en ten deele ook hiervan, dat De Ryk de
nationale held is, die het beginsel der vrijheid vertegenwoordigt.
Eene gelukkige greep was het van Van Merken, dat zij naast
Elvire den hopman Don Ozorio de Augulo (een historisch persoon) deed optreden,
die als vriend van Mondragon en beschermer van Elvire toch telkens te kennen
geeft, hoe diepen indruk op hem de grootheid van De Ryk maakt. Lof van dien
kant moet hem natuurlijk te meer verheffen. Requesens wordt hier meer als een
politiek berekenende dan als een boosaardige man voorgesteld. Hij voorziet, en
terecht, van de gevangenschap van mannen als De Ryk en Marnix een groot
voordeel en ergert zich aan de aanmatiging van Mondragon, die zonder zijne
toestemming zijn woord voor de vrijlating der gevangenen heeft gegeven en
daarmee in zijne rechten is getreden. Geheel zonder gevoel voor de
onrecht- | | | | vaardigheid van zijn bevel tot terechtstelling van De Ryk
is hij niet, maar zijne gewetenswroeging daarover wordt tot zwijgen gebracht
door den hopman Bovadilla, zijn boozen geest, die beweert, dat niemand
verplicht is aan ketters woord te houden en dat Mondragon wel zal toegeven, als
men hem opeens voor een brutaal feit plaats. Wanneer Requesens ten slotte
toegeeft is het niet omdat de grootheid van De Ryk en Mondragon hem getroffen
heeft, maar uit vrees voor muiterij en, op het bericht dat Antwerpen verloren
is, uit besef van Mondragon's onmisbaarheid in den verder te voeren oorlog.
Zooals uit deze uitvoerige bespreking van het treurspel, hoop ik,
zal gebleken zijn, ontbrak het
Van Merken niet aan talent om een goed
tooneelstuk samen te stellen; maar een treurspel kan het toch ter nauwernood
worden genoemd. Een edelmoedig man als De Ryk had zij niet kunnen doen
ondergaan, zonder daarmee hevige ergernis te verwekken, en de toeschouwer is
daarom wel geen oogenblik de dupe van het denkbeeldig levensgevaar, waarin hij
verkeert, en kan daardoor dan ook moeielijk geroerd worden. Verder is de taal,
waarin het stuk geschreven is, evenmin natuurlijk als dichterlijk en daarom
ongeschikt om gloed en hartstocht weer te geven en op te wekken. Ook wordt
alles te veel beredeneerd. Margareta is de eenige, die door hare wanhopige
droefheid ons zou kunnen ontroeren, maar vóór haar dat gelukt, is
dadelijk haar broeder bij de hand om te beredeneeren, dat het verkeerd is, zoo
bedroefd te zijn. De anderen zijn veel te kalm en hunne betoogen zijn ook te
lang. Eene enkele uitdrukking van De Ryk is tot een gevleugeld woord geworden:
‘'k Begeer de vryheid niet ten koste van myne eer,’ waarbij hij
dan, met de vraag: ‘Geef mij myn ketens weer,’ vrijwillig in den
kerker terugkeert; maar zulke treffende woorden in Corneille's geest zijn
zeldzaam en moeten dat trouwens ook zijn, omdat anders het rhetorisch karakter,
dat het stuk toch reeds te veel heeft, nog hinderlijker zou worden, zooals het
dat over het algemeen reeds voor ons is in nagenoeg alle tragedies uit de
Fransch-classieke school.
Het derde vaderlandsche stuk, dat in het eerste deel van
Van Merken's
‘Tooneelpoëzy’ voorkomt,
Het beleg der stad Leyden, is in 1774 door haar
gemaakt bij gelegenheid van het tweede eeuwfeest van Leidens ontzet, dat toen
met zooveel luister gevierd werd. Het getuigt bovenal van hare vlijtige
historiestudie, waarvan | | | | zij in haar ‘Voorbericht’
verslag geeft. Zelfs heeft zij daarvoor de beschikking gehad over
‘verscheidene schriftelyke aanteekeningen, die onder eenige oude en
voornaame familiën van Leydsche Regenten berustende waren’.
Natuurlijk treedt in haar blijeindend treurspel Van der Werf, en naast hem
zijne dochter Elisabeth, op den voorgrond; maar verreweg de voornaamste persoon
is ook nu weder eene vrouw, namelijk Magdalena Moons, de bruid van Valdez, die
inderdaad in het Leidsche beleg betrokken is geweest, al speelt zij daarbij ook
niet de gewichtige rol, die haar in dit stuk, zooals ook reeds in een paar
oudere stukken, wordt toegekend. Zij heeft misschien helpen bewerken, dat het
eerste beleg van Leiden is opgebroken door dat als voorwaarde te
stellen, waarop zij met Valdez in het huwelijk zou treden, maar hier hangt het
ontzet van het tweede beleg er mee samen. Toch speelt het stuk niet buiten,
maar in Leiden, waar Van Merken haar, in strijd met de historie, doet
wonen en in 't geheim door Valdez doet bezoeken.
Het laatste stuk van
Van Merken uit den eersten bundel,
De Camisards, dramatiseert eene episode uit de
geschiedenis der Hugenooten na de opheffing van het edict van Nantes, namelijk
hun wanhopigen strijd tegen de dragonders van Villars in de Cevennes. Ook dit
stuk is in zooverre een blijeindend treurspel, dat op het eind Cavalier, het
opperhoofd der Camisards, verlof krijgt, met de zijnen uit te wijken naar
Zwitserland. De slotregel: ‘Geen magt op aard' heeft recht van dwang op
't vry gemoed’ spreekt de hoofdgedachte van het stuk uit.
Het tweede deel harer ‘Tooneelpoëzy’
bevat drie treurspelen van haar: vooreerst
Louize d'Arlac, waarvan de strijd der tijdens den
Bartholomeusnacht uitgeweken Hugenooten tegen de Spanjaarden bij Charlestown in
Florida het onderwerp is. De aanvoerder van de Hugenooten, Dominicus de
Gourges, is een historisch persoon, wiens geschiedenis Van Merken bij
Thuanus geboekstaafd vond, maar ook hier heeft de dichteres in de onhistorische
Louize d'Arlac, de heldin van het stuk, die zij als De Gourges' dochter en
weduwe van een Fransch edelman voorstelt, eene vrouwenfiguur geschapen, die
dienen moet om naast de vaderlandsliefde van den Hugenoot ook zijne
kinderliefde in een helder daglicht te stellen.
Is kinderliefde alzoo het eigenlijk hoofdonderwerp van dit stuk,
standvastige huwelijksliefde is dat van
Sebille van Anjou, | | | |
gemaalinne van Gui van
Lusignan, koninginne van Jeruzalem. ‘De zuivre huwlyksliefde
is sterker dan de dood’ is er als het ware de conclusie van. Het stuk
speelt in het jaar 1187, waarin Saladyn, die er ook in optreedt, Jeruzalem
veroverde.
Kinderliefde, maar nu van eene moeder, is weder het thema van
Van Merken's laatste treurspel,
Gelonide. Daarvoor koos zij uit den tijd der
Perzische oorlogen de geschiedenis der bestraffing van de Aegineten door de
Atheners onder bemiddeling van den Spartaanschen koning Cleomenes, of, nog eer,
de pogingen, aangewend door den anderen Spartaanschen koning, Leotichides, om
de in gijzeling en levensgevaar verkeerende Aeginetische jongelingen te redden.
Eurimedon zal - zoo is het laatste besluit - alleen, door het lot aangewezen,
ter dood gebracht worden; doch door de offervaardigheid zijner moeder Gelonide,
die de bewondering niet slechts van Leotichides, maar ook van de op de
Aegineten verbitterde Atheners, wekt, blijft zijn leven gespaard. Het
opmerkelijkste van dit treurspel is, dat de dichteres het weer eens gewaagd
heeft, althans aan het eind van het eerste, derde en vijfde bedrijf,
‘reien van priesteren en priesterinnen van Minerva’ in te voeren,
die ‘by de vertooning in staatig muzyk moesten gezongen worden, naar het
gebruik der ouden’. Of dat ook gebeurd is, weet ik niet, maar wel is het
bekend, dat deze poging om, nadat de reien eene eeuw lang in den ban geweest
waren, alzoo weer een stap terug te doen naar het Grieksche treurspel niet
alleen staat en ook wat later, o.a. nog eens door Schiller in een enkel zijner
treurspelen, is gedaan.
Nog zijn wij niet aan het einde van Van
Merken's dichtwerken, want nadat zij 24 October 1789 overleden was,
gaf
Van Winter met negentien lijkdichten, door de
bekendste dichters bij haar dood aangeheven, ook nog (in 1792) hare nagelaten
gedichten uit, waaronder een leerdicht in lyrische strophen, getiteld
De waare geluksbedeeling, twee heldinnebrieven en
twee andere dichtbrieven: ‘Aan het volk’ naar het Fransch van M.
Thomas en ‘Aan Emilia’, die ook eene hekeling van ijdel
tijdverkwisten zou mogen heeten.
Van zich zelf voegde Van Winter er nog verscheidene
mengeldichten bij, en 33 fabelen, zooals hij ze noemt, ofschoon het voor de
helft meer korte verhaaltjes en berijmde anecdoten dan dierfabels zijn. Gellert
schijnt daarbij wel vooral zijn voorbeeld geweest te zijn, maar geëvenaard
heeft hij hem niet. Met zeer goede portret- | | | | ten van het dichterlijk
echtpaar is deze bundel versierd: dat van Van Merken door Reinier
Vinkeles, dat van Van Winter door Jacobus Houbraken gegraveerd, beide
naar teekening van H. Pothoven. Nog ruim vijf jaar heeft
Van Winter zijne vrouw overleefd: 19 April 1795
is ook hij overleden.
Het aanzien, dat
Van Merken zich bij hare tijdgenooten als
dichteres verwierf en dat haar misschien wel wat al te veel hare meerderheid
boven anderen deed gevoelen, heeft van zelf hare mededichteressen in de schaduw
gesteld, waar zij trouwens ook verdienen te blijven. Toch behooren wij enkele
van deze, zij het ook slechts met een paar woorden, te vermelden. Zoo mogen wij
niet geheel zwijgen van Van Winter's schoonmoeder
Agatha Maria Sena, echtgenoote van Jacob Muhl,
die omstreeks 1744 hare ‘Dichtlievende
huisoefeningen’ voor hare vrienden liet drukken.
Christina Leonora de Neufville, in 1713 te
Amsterdam geboren en daar in 1781 ongehuwd overleden, was zeker
eene ontwikkelde vrouw, die de wijsbegeerte van Wolff bestudeerde, om daarmee
de materialisten te bestrijden, en drie brieven van
Voltaire vertaalde, waarmee hare in 1741 uitgegeven
‘Bespiegelingen voorgesteld in Dichtmaatige Brieven’
geopend worden, namelijk ‘Over de gelyke geluksbedeeling in ieder
levensstand’, ‘Over de vryheid van den wil’ en ‘Over de
afgunst’; doch alleen den tweeden brief bracht zij onveranderd over; de
beide andere ondergingen wijzigingen, omdat zij het met het oorspronkelijke
niet altijd eens was. In denzelfden trant zijn de drie. onvertaalde brieven,
die zij er bij voegde.
Bij een tweeden druk van 1762 heeft deze bundel eene omwerking
ondergaan en ook eene groote uitbreiding door toevoeging van een langen brief
‘Over de onstoffelykheid en onstervelykheid der ziel’, die van
oppervlakkige bekendheid met de wijsbegeerte van
Cartesius,
Newton en
Lucretius getuigt, wier werken zij, naar het schijnt, in
't oorspronkelijke kon lezen; maar hare bespiegelingen bevatten meer berijmde
redeneering dan eigenlijke poëzie. Vooraf had zij, in 1738, reeds het
treurspel ‘Childerik’ uit het Fransch van
P. de Morand vertaald. Ofschoon in beroemdheid voor
Van Merken onderdoende, heeft ook zij bij hare tijdgenooten
waardeering genoeg gevonden. Hare jongere kunstvriendin
Elisabeth Wolff, die beweerde ‘dag en nacht
Neufvilles schoone werken’ te lezen, noemde haar zelfs ‘een Genie
van de allereêlste soort’. | | | |
Deze liet het daarentegen aan anderen over, bekoring te vinden in de
verzen der minder rationalistische dichteres
Sara Maria van der Wilp (dochter van den
Amsterdamschen conrector Willem Frederik van der Wilp), die in 1716 te
Amsterdam geboren werd en in 1803 ongehuwd overleed. Behalve eene
vertaling van
Pope's ‘Messiah’, in 1757,
gaf zij in 1772 hare oudere en nieuwere ‘Gedichten’
verzameld uit; maar keurig taalgebruik en vloeiende versbouw konden niet
vergoeden, wat haar aan dichterlijk gevoel en vinding ontbrak.
|
1)Dat er over L.W. van Merken en N.S. van
Winter bijna geene litteratuur bestaat, ondanks het groote gezag, dat zij zich
bij hun leven verwierven, is zeker hieraan te wijten, dat zij tot de
heksluiters eener periode behoorden, waarop eene van de hunne geheel afwijkende
poëzie volgde. Het uitvoerigst is nog over hen P.G. Witsen Geysbeek in
zijn Biogr, Anthol. en Critisch Woordenboek IV (1823) bl. 401-412 en VI
(1827) bl. 519-531. Van Merken's leerdicht Het nut der Tegenspoeden
van 1762 (2 dr. 1768) werd in 1818 nog eens herdrukt, haar heldendicht
David van 1767 is reeds in 1768 herdrukt en verder gaf M.D. de Bruyn te
Utrecht in 1851 nog eene ‘Anthologie uit de gedichten van L.W. van
Merken’ uit, maar overigens schijnt het, behalve van enkele hunner
treurspelen, bij een eersten druk hunner werken gebleven te zijn.
1)Bekend is het, dat alle personen uit den
roman onder andere namen portretten zijn van bekende aanzienlijke tijdgenooten
der schrijfster. Onder Artamène is de Prins van Condé geteekend,
onder Mandane zijne zuster, de Hertogin van Longueville. Zie Victor Cousin,
La Société française au XVIIe siècle
d'après la Grand Cyrus, Paris 1858.
1)Over hetgeen Van Merken voor haar
Artemines aan Corneille's Rodogune ontleende, zie men Ch. van
Schoonneveldt ‘Over de navolging der klassiek-fransche tragedie in
nederl. treurspelen der achttiende eeuw’, Doetinchem 1906, bl.
85-87.
1)Zie over dien invloed Ch. van Schoonneveldt,
‘Over der navolging der klassiek-fransche tragedie in Nederlandsche
treurspelen der achttiende eeuw’, Doetinchem 1906, bl. 128-131.
|
|