Een klaverblad van vier


auteur: Tine van Berken


bron: Tine van Berken, Een klaverblad van vier. H.J.W. Becht, Amsterdam z.j. [1894].  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. t.o. 343]



illustratie

[p. 343]

XXX. Slot.

Nan en ik stonden boven voor het raam. Nan liep gejaagd, soms zingend, op en neer. Ze zag bleek. Ze pakte me beet, en lachte, of zuchtte diep en van harte.

 
‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt,’

zei ik, maar ze was niet in een stemming om op scherts in te gaan.

‘Zie je nog niets?’ vroeg ze.

‘Neen, zuster Anna ziet nog niets komen!’

‘Het is al twee minuten over zevenen,’ klaagde Nan, ‘en om zeven uur zou hij er zijn!’

Toen kwam ze zelf weer voor het raam.

En opeens, daar werd ze zoo rood als vuur, ze knikte en lachte zenuwachtig en kneep mij allergemeenst in den arm.

‘Daar is hij! wat ziet hij bleek!’

Toen werd er gescheld. Nan hield haar hart vast, juist zooals de actrices op het tooneel. Maar zij meende het echt; ze wist niet eens wat ze deed.

De seconden kropen. Nan werd bleek. Ze sprak niet meer, ze hield den in elkaar gewrongen zakdoek voor den mond en beet er op.

[p. 344]

‘Wil ik eens naar beneden gaan?’ vroeg ik.

‘Ja, ja, alsjeblieft!’ zei ze. ‘o, Neen, toch niet, doe het niet; neen, doe het maar niet!!’ En ze trok me letterlijk bij de rokken terug.

Daar kwam iemand de trap op. Moe was het. Ze zag zoo rood als vuur.

‘Nanny, kind!’ zei ze. En terwijl ze Nanny lachend kuste, sprongen haar toch de tranen uit de oogen.

Wij gingen naar beneden. Daar zaten Pa en Willem, beiden als kreeften.

Het was een algemeen gezoen en gefeliciteer. En Neeltje, die argeloos binnenkwam, begon warempel ook te huilen.

Willem drukte mij zoo stevig de hand, alsof die een noot geweest was, die hij kraken wou.

En Pa haalde in de confusie den wijn voor den dag. Het was wel pas zeven uur, maar dat deed er niet toe.

En wij zaten allemaal heel genoeglijk klinkend en drinkend bijeen.

‘Nu wordt het uw beurt!’ had Neeltje mij stilletjes toegevoegd, terwijl ze in haar verwarring met een zwavelstok (die ze, ouderwetsch, nog altijd gebruikte) in plaats van met een kurketrekker aankwam.

Daar werd gescheld.

‘Wie is daar?’ vroeg Nan.

‘Kwart over zevenen, - weet je wel, dat het Clubavond is?’ Dat was waar ook, wij hadden het beiden haast vergeten.

Daar kwam Pol, en die had nogal een nieuw Bondslied gemaakt, omdat het andere niet keurig

[p. 345]

genoeg van vorm was, en de woordkeus hier en daar wat te wenschen overliet.

En Minnie! Maar die scheen er alles van te weten. Die kwam tenminste zoo vroolijk lachend de kamer binnen, en zonder een woord te spreken gaf ze Nan een kus.

Maar Pol was geheel in de war.

‘Is het werkelijk waar?’ vroeg ze.

Ja, het was waar! Kijk, daar zaten ze, Willem en Nan naast elkaar. Maar ze durfden elkaar niet goed aanzien. Soms deden ze het, van terzijde, en kregen dan beiden een kleur, voor zoover dat nog kon, want ze zagen er uit als pioenrozen.

Pa schonk dadelijk voor Pol en Minnie in.

En nu begon de klinkerij opnieuw. En daar kwam het warempel uit, dat Pols proefles uitstekend geslaagd was, en dat het hoofd van de school haar met een knipoogje had gezegd, dat die zaak wel in orde zou komen.

‘Heb je nog gezongen?’ vroeg ik.

‘Als een lijster!’ lachte Pol, ‘maar hij scheen het zelf niet te kunnen. Want hij knikte tamelijk tevreden.’

‘Daar gaat hij!’ zei Pa, ‘op je succès, meid!’

Pol lachte vroolijk en dronk dapper mee.

En Minnie zag er ook buitengemeen opgewekt uit.

‘Zeg, weet je wie daar net bij ons kwam?’ vroeg ze.

‘Nu?’ vroeg Willem.

‘Wiggers. En hij zag er zoo fijn uit, heelemaal in 't zwart.’

[p. 346]

‘Och, het is niet mogelijk!’ zei Willem, ‘zou hij Net komen vragen?’

Dat verwekte een buitensporige lachpartij.

Alleen Pol deed niet mee. Zij keek ernstig en legde een paar snippers op het aschbakje.

‘Wat heb je daar verscheurd?’ vroeg ik.

‘Het nieuwe Bondslied,’ zei ze en lachte weer. ‘Dat is niet meer noodig.’

‘Neen,’ zei Nanny, - en ik geloof warempel, dat het nest nog een treurig gezicht wou opzetten, maar het gelukte niet, - ‘neen, dat hoeft niet meer. Eén van de blaadjes is nu afgeplukt.’

‘Op den roover!’ stelde Pol in, en wij dronken lachend met haar mee.