|
|
|
| | | | | |
[Dirk Rafelsz. Camphuysen]
Camphuysen (Dirk Rafelsz.)
1 werd geboren te
Gorinchem, in 1586, zijn vader,
rafel camphuysen, van adelijke afkomst,
was aldaar heelmeester, en zijne moeder,
maria van mazeyk eene dochter van hans van
mazeyk, koopman aldaar, die om zijn geloof onthalsd werd. Zij stond om hare
ongemeene godsvrucht bij de Doopsgezinden in groote achting. Hij verloor beide
zijne ouders, toen hij naauwlijks acht jaren oud was. Zijn ouder broeder, die
zijn' vader in deszelfs beroep opvolgde, nam de zorg voor zijne verdere
opvoeding op zich, en eenige genegenheid tot de schilderkunst in hem
bespeurende, bestelde hij hem bij
diderik govertze
2, om die kunst te leeren, in welke hij zulke vorderingen
maakte, dat hij op zijn achttiende jaar zijn' meester in het behandelen der
penseel overtrof. Op aandrang van den rector der Latijnsche scholen, leide hij
zich toe op het leeren van het Latijn en Grieksch, waarin hij spoedig zoodanige
vorderingen maakte, dat hij in zijn eenentwintigste jaar met lof naar de
Leydsche hooge school bevorderd werd. Hier hoorde hij de godgeleerde lessen van
den vermaarden
arminius, wiens gematigde denkwijze
wonderwel met | | | | de zijne strookte. Na verloop van drie jaren werd hij
door dezen hoogleeraar den heer
van langerak aangeprezen tot gouverneur
over zijne kinderen. De lust en ijver, waarmede hij zich van zijnen post kweet,
wonnen hem geheel en al de genegenheid des heeren van langerak, die hem
insgelijks tot zijn' secretaris aanstelde. Camphuysen, die reeds te
Leyden een' minnehandel had aangevangen met anna alendorp,
dochter van den Dordschen predikant govert alendorp, wist haar zijn'
begunstiger als huishoudster aan te bevelen, vervolgens trouwde hij met haar,
en de heer van langerak schonk hen duizend guldens.
Na het voltrekken van zijn huwelijk zette camphuysen zich neder in
zijne geboortestad, waar hij zijn bestaan vond met jonge lieden in de talen te
onderwijzen, en besteedde overigens zijn' tijd met het lezen der Heilige
Schrift. Hierdoor kreeg hij meer en meer lust tot het predikambt. Zijne
woonplaats te Utrecht gevestigd, en het ambt van Praeceptor
der vierde Latijnsche school bekomen hebbende, predikte hij meermalen aldaar in
de Domkerk voor zijn' vriend
taurinus. Op aandrang van dezen leide hij
zich nu geheel toe op den predikdienst, en werd weldra beroepen naar
Vleuten. Twee jaren nam hij hier tot algemeen genoegen,
zelfs der Roomschgezinden
1,
den dienst waar, | | | | toen hem en allen Remonstranten het prediken op
lijfstraf verboden werd. Hij begaf zich hierop naar
Amsterdam, waar hij zijn bestaan vond in het vertalen van
Latijnsche boeken, reizende nu hier dan daar heen, om de vervolgingen te
ontwijken, waaraan de Dordsche banvloek hem met zoo vele anderen had
blootgesteld, zoodat dikwerf zijne vrouw zelfs van zijn verblijf onkundig
was.
Camphuysen, in gemeenschap getreden met den boekdrukker
pieter arentsz, vertrok met der woon naar
Norden, in Oost-Friesland, en ving aldaar den
boekhandel aan, die hem een tamelijk ruim bestaan opleverde. Hier had de
gebannen Remonstrantsche predikant
joannes geesteranus
1 zich insgelijks
nedergezet. Met dezen wedijverde camphuysen in het betoonen van liefderijke
hulp aan de genen die door de pest waren aangetast, die toen in
Oost-Friesland woedde, en van welke
geesteranus zelf met duizend anderen het
slagtoffer werd. Camphuysen begaf zich vervolgens met vrouw en kinderen naar
Harlingen. Slechts een jaar bleef hij hier, en vertrok
toen, om | | | | een' aanslag op zijne vrijheid te ontwijken
1 naar het eiland Ameland: hier bleef hij negen
maanden, en vertaalde voor den Amsterdamschen boekverkooper
jacob colom eenige werken uit het Fransch,
toen de zeelucht, die zijn zwak gestel niet verdragen kon, hem van nieuws
noodzaakte te verhuizen. Hij koos Dokkum tot zijn
verblijf, alwaar hij met moeite van de overigheid verlof tot inwoning kon
bekomen, en nam aldaar den vlashandel bij de hand. In zijne morgen- en
avonduren hield hij zich met de beöefening der dichtkunst bezig. Zijn
laatste werk was eene dichtmatige uitbreiding der Psalmen. Kort na de
voltooijing van dezelve viel hij in eene zware ziekte, die den 9 Julij 1627 een
einde maakte aan het godvruchtig, werkzaam en nuttig leven van dezen braven
menschenvriend, opregten Christen en harttreffenden dichter.
Het eenenveertigjarig leven van dezen in alle opzigten beminnelijken
en achtenswaardigen man is eene aaneenschakeling van lijden, zwerven en
vervolging, in dat rampzalig tijdvak, toen de geest der liefde, der
verdraagzaamheid en der gematigdheid geweken was voor dien der spitsvondigheid
en theologische haarkloverij, en de beruchte Dordsche Synode de vrijheid van
geweten aan de boei eener | | | | bekrompen kerkleer klonk, terwijl
ballingschap en gevangenis het lot was van de kloekmoedige voorstanders der
godsdienstige vrijheid. Welk eene proefschool voor den edelen camphuysen, die
‘bij eene zonderlinge tederheid van geweten, kloekmoedigheid, bij
kloekmoedigheid geduld en bij geduld menschlievendheid voegde
1’! Genoegzaam zijn geheele leven door van anderen afhanglijk,
als wees van zijn' broeder, als onderwijzer van zijne begunstigers, als
vertaler van boekverkoopers, als vervolgde Remonstrant van oogluikende
stedelijke regeringen, als behoeftige van milddadige vrienden
2, bleef hij, desniettegenstaande, in de
volste beteekenis des woords, vrij; de Dordsche inquisitie verbood hem het
prediken; zijn geweten gebood het hem, en hij predikte, zelfs met lijfsgevaar
3; en wel ver van zich bij den
grooten hoop te voegen, of bescherming en | | | | bevordering ten koste van
zijne betere overtuiging te zoeken, verkoos hij liever in ballingschap, armoede
en nood te leven, dan onovereenkomstig met de inspraak van zijn geweten te
handelen. In alles gelaten, welgemoed, op God vertrouwende, gaf hij een
voorbeeld van eene echt Christelijke standvastigheid, en beleefde met de daad
het geen hij anderen zoo nadrukkelijk met woorden leerde.
Bijkans sints twee eeuwen zijn 's mans theologische werken,
bestaande in leerredenen, verhandelingen en brieven, en daaronder zijne
verhandeling over het onbedrieglyk oordeel, maar
inzonderheid zijne Uitbreiding der Psalmen en
Stichtelyke Rymen bij onze landgenooten van onbekrompen
godsdienstige denkwijze in hooge achting gehouden, en niet alleen tot
afzonderlijk en huislijk gebruik, maar ook bij openbare godsdienstige
zamenkomsten door onderscheiden Christengemeenten in ons vaderland gebezigd;
ja, de laatsten zijn zoo veelvuldig in onderscheiden formaten gedrukt, dat wij
waarlijk niet weten van welk een' druk wij ons ter aanhaling zullen bedienen.
Wij hebben er een' voor ons liggen in lang formaat, van 1647, te
Amsterdam, bij
j. colom, met koperen platen, die voor een'
der besten gehouden wordt, althans boven die in 4to en klein
12vo de voorkeur verdient.
Waar men dit voorteffelijk gezangboek openslaat, overal ontmoet men
die eenvoudige, krachtige, duidelijke voor elk verstaanbare taal, die
onmiddelijk uit | | | | het hart spreekt, zonder Mosaïsche
allegoriën, vergezochte Hebraïsmen of apocalyptische mystikerij,
waarmede naderhand boddaert, petraeus, schutte, voet, porjeere en andere
opstellers van stichtelijke gedichten zoo veel ophadden, en toch in nadruk,
zakelijkheid en gevoel bij den eenvoudigen camphuysen ver moeten achterstaan.
Het is in alle opzichten waar, wat deze een zijner gedichten zeggen laat:
Gezwets of woordenpronckery
En vint gy, Lesers, niet in my:
D'Autheur acht sulcks voor nutsbeletsel;
En heeft, al had hy 't schoon vermocht,
Niet dat, maar kracht van stof gezocht:
't Natuyrlijck schoon hoeft geen blancketsel
1.
Wij vinden met den Heer de vries
2 ‘iets zenuwrijks, iets stevigs, iets zakelijks en verstandigs
in bijna alle zijne gedichten;’ en het gemis van beelden en dichterlijke
sieraden wordt ruim vergoed door de kernachtige en spreukrijke wijze van
uitdrukking
3, die hij, met zorgvuldige vermij- | | | | ding
van alle platheid en gemeenheid, bezigt; en in dit opzigt is
camphuysen inderdaad oorspronglijk, en zijne gedichten bewijzen dat edele
eenvoudigheid deze dichtsoort veel bevalligs bijzet. De stof bleef bij den
braven dichter altijd de hoofdzaak; wat baat het, zegt hij in zijne
Wel-rijmens wet,
Wat batet of een schoon (gelijck men nu vast siet,
Dat alhoewel noch dun, van sommig geest geschiet)
Een rijmdicht schrijven kan, dat ront is en beknopt,
Volmondig, kort en klaer, indringend, ongestopt?
Dat matelijck geciert, scherp, aerdig, soet en net,
En op gewisse Maet en Voeten neer-geset,
Met onverkrachten stijl bevalliglijcken vloeyt,
En selden hort of gaept, of 's Lesers oor vermoeyt?
| | | |
Dat geen versleten vischt, geen onduytsch woord en wraeckt,
Als 't door gewoonte en tijd tot Duytsch al is gemaeckt,
Daer m'in gespell of woord geen viesen angst en speurt,
En niet nieuws-wijselijck op leuren siet gekeurt?
Dat nergens met Latynsch' of Griecksche g'leertheydt praelt
En geen gesocht geswets oyt voor den dag en haelt?
Dat namen van Godinn' en Goden stadig mijd,
Met all wat onse tael en 't Neêrlandsch oor niet lijd?
Dat rechte sneed en klem, dat standsel heeft en pit?
Dat steeds wel past en slaegt op 's Dichters stof en wit?
Daer niet verwrickts, niet manks, niet lafs, niet hards in is,
Maer Eenvoud en Natuur heeft tot zijn beeltenis?
Dat spraeck- en spreuckrijck is, dat sin en zenu heeft,
En, wat de konst betreft, wel waerd is dat 'et leeft?
Wat batet, seg ick weêr, wat is 't, helaes! wat is 't,
Als een soo schoonen lijf een deege ziele mist?
Als 't loffelycke rijm, door d'inhoud als verraên,
Voor yeders oor en oog niet durf ten toone staen?
Daer feyl is van goê stof en waerdig oogenmerk,
Hoe meerder geest en konst, hoe schadelijcker werck
1.
Daar camphuysen, die, gelijk hier blijkt, met de kunstmatige
vereischten der versificatie zeer goed bekend was
2, de stof, die hij behandelde, de | | | | hoofdzaak
achtte, zal men de stroefheid en hardheid van sommigen zijner verzen, zoo wel
als het gebruik maken van vrijheden die men tegenwoordig zich niet meer
veroorlooft, hem gaarne ten goede houden; ‘immers wanneer wij zijn
rijmwerk,’ zegt de Heer koopmans
1, ‘uit dit oogpunt vergelijken, met de voortbrengsels van de
oude Rederijkers, of ook met die van een' coornhert en spiegel, dan bespeurt
men duidelijk dat camphuysen gedeeld heeft in het voordeel der beschaving,
welke de herlevende letteren, in het begin der zeventiende eeuw,
aanbragten.’ Daarbij was zijn doel meer te stichten dan te behagen; meer
den geest tot godvrucht en pligtgevoel op te wekken dan te schitteren, meer te
vermanen, te onderrigten, te troosten dan te streelen en te vermaken. Al zijne
gedichten zijn van godsdienstigen of ernstigen inhoud
2, zijn stijl is doorgaans een- | | | | voudig, en
toch deftig en krachtig; somwijlen schildert hij zoo natuurlijk schoon, vooral
in zijne uitbreiding der Psalmen, dat men, zonder onbillijk te zijn, hem den
welverdienden lof niet weigeren kan; en dat zal niemand, die gevoel en smaak
heeft, zoo lang onder ons nog eenige prijs gesteld wordt op het goede en
schoone, in welk een' vorm het zich ook opdoe.
Hoe veel eenvoudigs, waars, en toch treffends en bemoedigends, heeft
de laatste der vijf zangen, die ten opschrift voeren: Lijdtsaemheyts
erinnering! Wij schrijven eenige regelen er uit af.
Hier tusschen, so gy lijden moet.
Geen quaet soo quaet of 't heeft sijn goet,
Het lijden dat uytwendig raeckt,
Maeckt geen goed mensch rampsalig.
't Is d'onwil die ellendig maeckt,
Door lusten, sot en dwalig.
In 's winters harde koudigheyt
Kan m' oock al nut besinnen:
De warmt te wyd van 't hert verspreyt,
Gaet des te meer na binnen.
| | | |
De ramp, die ons hier wedervaert,
Door 't aertsch gemacks-onthalen,
Drijft dick den geest na binnenwaert
Die al te wyt ging dwalen.
Wanneer de moeder 't lieve kind
Wil van de borsten weeren,
Met roet of 't bitterst dat se vindt
Sal sy de speen besmeeren.
Als God ons om een Hemelsch soet
Het aertsch wil doen versaken,
Komt hy ons door des lijdens roet.
Het schijnsoet tegenmaken.
Daer is een vloedt die onder d'aerdt
Dwers door de zee komt zijgen,
Doch sonder ('t is verwondrenswaerdt)
Yet zouts aan sich te krijgen.
Een Christen, dwers door wederspoedt,
Omringt met quaet, blijft even goet
Een albedreven konstenaer
Blijft steeds sijns konsts bewijser;
Ontbreekt hem goudt of dierbaer waer
Hy werkt in lood of yser.
| | | |
Een vrome, als 't hem tegengaet,
Hoeft niet van 't goet te wycken:
Soo wel in slecht' als beter staet
Kan hy sijn deucht doen blycken.
Ja soo gereeder als het is
In hout dan goudt te snijden,
Soo lichter is 't in kommernis
Dan ruymheyt zond' te myden.
Hoe swaerder lijden Godt u sendt,
Hoe meer hij kond wil maken,
Dat gy of wat besonders bent,
Of wel toe kondt geraken.
Hoe meer de zondvloedt wast, hoe d'Arck
Sich hooger moet verheffen:
Te hooger roem heeft Godes kerck
Hoe haer meer ramps komt treffen.
't Onlijdsaem hert (door valsch besluyt)
Wil leet met leet wech dryven:
Een lijdsaem mensch geraeckter uyt
Door willig in te blijven
1.
Ongemeen schilderachtig is de beschrijving van | | | | het rijk
des vredes, voorkomende in zijne uitbreiding van den LXXIIsten Psalm.
O saligh Rijck! O lustigh leven,
Daer wordt den ramp geen deur gegeven,
Daer leeft men wel en wis.
Wech andre kroonen, wier mismaecktheyt
Oock in uw schoonste blijckt.
Helaes! 't is enkel onvolmaecktheyt
Daer 's werelts doen mee prijckt.
O saligh Rijck, dat op ter aerde
Den waren vreed', een saeck van waerde,
Een lust van berg en dal,
Een heyl van landen en van steden,
Een standtvast der gerechtigheden,
Een aller dingen vreughdt.
Soo langh de Son de Son sal wesen,
De Maen, o Godt, de Maen,
Sal uwes Godtheyts heyligh vreesen
Van stam tot stam voortslaen.
Sulck Rijck is saligh en bestendigh,
Daer 't op geen schijn komt aen,
Maer heeft, beneffens het uytwendigh,
't Hert van den onderdaen.
| | | |
Gelijck een lieffelijcke regen
Den acker saept
1 ten soeten segen
En valter vruchtrijck op:
Soo sal oock hy, verciert met deughde,
Afkomen tot gemeene vreughde
Gelijck in soete lentedagen
Het bloempje weeldigh groeyt,
Tot aller ooghen welbehagen,
Terwyl het staet en bloeyt:
Soo sal men oock te sijner tijden
In allen welstand sien verblijden
Wie sal de waerdigheyt verhalen
Van 't Rijck soo rijck van vree?
Sijn heerschappy en kent geen palen
Van eenigh tijdt of stee.
Van Zee tot Zee, van Rijck aen Rijcken
Tot dat de Maen sy aen 't beswijcken
Nature sal haer krachten uyten
En doen haer nutte gave spruyten
Daer eertijds geen en was.
| | | |
Wat scheelt het twistig van het vredig!
De bergen eertijdts woest en ledigh,
Een weinig sal veelvuldigh geven,
Door 't blasen van den windt gedreven,
Een sterck geluydt sal slaen.
Recht als m'op Libanon de boomen
Met groot gedruysch hoort gaen,
Wanneer de snelle winden komen,
En ruyschen door de blaen.
Soo overvloedigh sal de vrede
Dat m'allenthalven land' en stede
Sal heyl- en volckrijck sien:
Niet anders als, door milde vlagen,
Wt d'aerde, vocht en frisch,
Het grasje spruyt in soele dagen
Meer andere Psalmen heeft camphuysen even schoon behandeld. Wij
achten het onnoodig die hier op te noemen of meer proeven daaruit aan te
voeren. Zeker is het dat zij allen niet even gelukkig uitgevallen zijn, maar
zij waren ten minsten toch oneindig verkieslijker dan het lam gerijmel van
dathenus; dan neen, zoo ver ging de
onverdraagzame geloofsijver in dien tijd, dat men aan het gebrekkelijk werk van
dezen de voorkeur boven | | | | het veel betere van camphuysen bleef
geven, om dat deze - Remonstrantsch was! en zelfs in later' tijd betuigden de
Veersche Predikanten andriessen en van iperen, anders beiden lieden van goeden
smaak en gezond oordeel, de eerste dat de Sociniaansche geest op verscheiden
plaatsen er merkelijk in doorstraalt
1, en de andere, dat hij de
poëzij zoo fraai niet gevonden had, als men voorgaf dat zij was, en voert
ten bewijze aan het inderdaad zwakke eerste vers van den XXXsten Psalm
2: Tantum Relligio potuit suadere
malorum
3!
Zeer afkeerig was de godvruchtige dichter van ontuchtige geschriften
en dichtstukken, gelijk blijkt uit het eerste gezang, waarmede zijn dichtbundel
begint:
Hou op, die geyl gedicht of minneklachten maeckt,
En menig maegdlijck hert sijn reynigheyt ontschaeckt;
Uw sinwerk is (als rechts) om sinnen te verfraaijen;
Maer wat van selver wast behoeft men niet te saeijen
4.
En ook uit de klagt, die hij den dartelen Frieschen dichter
j.j. starter uit zijn graf laat doen, en
waarmede hij zijne liederenverzameling besluit
5.
| | | | ‘Niets,’ zeggen wij met den oordeelkundigen Heer
koopmans, ‘is uit camphuysens pen gevloeid hetgeen zich niet door
kortheid en bondigheid onderscheidt
1.’ Dit korte en zinrijke, dit gedrongene en opgehoopte
veroorzaakt in den eersten opslag eene schijnbare duisterheid; wij zeggen
schijnbare, want zij verdwijnt, zoodra men de behoorlijke oplettendheid
aanwendt. ‘Het duistere,’ zegt de Heer koopmans, ‘in den
eersten opslag aanwezig, wordt allengs helderder, wanneer het ontstaat uit
volheid van zin; en dan is hetzelve te verkiezen boven eene duidelijkheid, die
't gevolg is van oppervlakkigen denktrant, en bij flaauwe rijmelaars door die
armoede aan vernuft geboren, wordt, die welhaast, door het drooge, uitgerekte
en zenuwlooze walging baart
2;’ en inderdaad, waar men camphuysen openslaat, telkens vindt
men zich genoopt met
pieter rabus te erkennen:
In hem is deugd en kunst besloten.
Camphuysens dicht is louter goud;
Elk woord een sprankel heilig zout
3.
Tot hiertoe hebben wij camphuysen leeren kennen als zinrijk' en
krachtig' dichter, doch dat hij | | | | ook losheid en bevalligheid met
zinvolheid wist te vereenigen, blijkt uit het lied, getiteld: Spels
mate, waarvan de Heeren koopmans en de vries slechts fragmenten
mededeelen, doch dat wij in zijn geheel overnemen.
Elck heeft sijn by-sonder dryven;
Elck heeft sijn by-sonder lust,
Daer sijn geest op werkt en rust.
Dien hy geern het liefst laet blyven,
Daer hy geern van spreekt en queelt:
Elck heeft wat daer me'e speelt.
Van ongoddelijck vermaken,
Selfs voor ons natuur verdriet,
Spreken nu mijn Rijmen niet,
Maer alleen van sulcke saken
Die in sich noch quaed noch goed,
Sijn een speeltuig in 't gemoed.
d'Een heeft lust in ver te varen,
d'Ander koestert hond of paerd;
Dees, door-grond der dingen aert;
Die bemint gezang en snaren;
Sommig vogel-vangt en vischt;
Menig stoockt en alchimist.
Hier bemint men fraeije boeken;
Ginder, 't mooije huys-geraet;
Daer een' nieuwe tijnckjes praet;
Elders, 't diepe onder-soeken;
Nergens of men mint 'er wat.
| | | |
Uw's gebuer-mans lust is tuynen,
Of te sien op kruyden kracht;
Uw vermaeck is op de jacht,
Of met fret en net in duynen;
Rijmpjes maken, is het mijn:
Met een woord elck heeft het zijn.
Elck nochtans heeft wel te letten
Op sijn eygen dat of dit;
Waer, en hoe sijn popjen sit
Goed noch quaed heeft me'e sijn wetten
Vraegt gy wat-se sijn? In 't kort:
Dat de pop geen Af-god word.
't Popjen kan een Af-god teelen
Als een al te grooten waen
Tot de lust word toe-gedaen
Daer gaet spel dan boven spelen
Daer word pleyster-plaets verblijf;
En het lust-paerd draeft te stijf.
Neen: het mach-se wel verquicken,
Maer geen Heer sijn van Natuur.
Al te veel, heeft quaden duur.
Maet moet alle dingen schicken.
't Popj' is soet, doch te gering
Voor het hert, soo e'elen ding.
Dan heeft lust het hert beseten,
Als men 't hem soo veer in-ruymt
Dat men daer door yet versuymt
Dat van God ons is geheeten:
Of veracht, en valt tot yet
Dat ons d'Opperheer verbied.
| | | |
Als men 't popjen van zijn lusten
Tot verdriet sijns naestens heeft:
Als men daer door aen-stoot geeft,
Of bedroeft en doet ontrusten:
Als m'er niet me'e speelt, maer praelt
En sijn eer-suchts stof uyt haelt.
Als m'een ander niet mach lijden
Die der juist geen soet in vind;
Of die dier-gelijck bemint
Gaet belast'ren of benijden,
En (als of 't wat sonders waer)
d'Een den and'ren valt in 't haer.
Als men 't gene dat op Aerde
Alder-kost'lijckst wesen moet,
Heel, of soo veel me'e verdoet
Dat men niet houd om, na waerde,
Wel en grondig te verstaen
Hoe men wis tot God sal gaen.
Als m'om lusts verlies gaet quijnen
Of soo ernstig is bedroeft
Als om 't geen men nood'lijck hoeft,
En noch troost noch rust kan vijnen
Voor men dat, of immers yet
Dies-gelijcks in plaetse siet.
't Hert is 't roer van 's menschen daden:
Daer mach geen ding stuer-man sijn,
't Sy met wat in-sicht of schijn,
Dan begeert' om sich 't ontquaden,
En door Goddelijcke deugd
In te gaen in Godes vreugd.
| | | |
Die begeert moet bovendrijven;
Daer moet 't hert me'e sijn door-zult,
't Ander word somtijds geduld,
Maer en mach 'er niet verblijven.
Een is noodig: Een alleen
Moet in 't hoog, de rest bene'en.
Juyste schalen wegen effen.
Vaste voet schrikt noyt van 't pad.
't Wijse hert weet Hoe en Wat
Salig die de maet kan treffen,
En de pop, daer hy me'e speelt,
Maeckt tot een leer-achtig beelt
1.
Men moge het ons ten kwade duiden of niet, dat wij camphuysens
Mayschen Morgenstond ook hier eene plaats inruimen, wij
kunnen het niet nalaten dit lieve stukje voor de vergetelheid te bewaren. In
vroeger jaren versierde dit bevallig dichterlijk tafereel, overheerlijk door
j. luiken gegraveerd, ter verzinnelijking
met de verzen van
de decker camphuysen daaronder, de wanden
onzer brave voorouders: Engelsche en Fransche prenten, in blinkende lijsten,
vindt men thans fraaijer; mogelijk zal men onverstaanbare Duitsche jamben en
hexameters ook wel boven de eenvoudige, duidelijke en treffende verzen van
camphuysen verkiezen; maar - voor dezulken staat het stukje tot besluit van dit
artikel dan niet hier. | | | |
Wat is de Meester wijs en goed,
En noch in wesen blijven doet
Dat 's menschen oog aanschout.
Die 's werelds wijden ommering.
Noyt uytgewaeckt, bewaeckt,
En door gepaste wisseling
Het soet noch soeter maeckt.
Nu is de winter, dor en schrael,
En d'Aerde heeft voor dese mael
Dies is de tijdt weerom gekeert,
Haers milden Scheppers goetheyt eert
En met sijn gaven pronkt.
De May, wiens soetheyt soover streckt,
In 's menschen geest al vreugd verweckt,
De May het schoonste van het Jaer,
De lucht is soet, de son schijnt klaer,
't Gewenschte windje waeyt.
Het dautjen in de koele nacht
Wordt over 't veldt verspreyt
Waerdoor de heel natuyre lacht,
| | | |
De aerd is met gebloemt geciert,
Het bijcken gaert sijn was;
Het leeuwerickje tiereliert,
En daelt op 't nieuwe gras.
Het bloempjen dringt ten knoppen uyt,
't Geboomte ruygt van lof,
Het veetjen scheert het klaverkruyt
Graeg van het veldtjen af.
Elck diertjen heeft zijn volle wensch
En quelbegeert leyt stil,
Behalven in den dwasen mensch
De mensch van ware deugden leeg,
Hem selfs en anderen in de weeg
Vermoord sijn eygen rust.
Dit leven 't welck alleen niet endt,
Maer kort ook is van duyr,
En licht van selfs slaet tot ellend,
Maeckt hy sich dobbel suyr.
't Vee word ontsielt, syn eynd is snel
En sijn doods-pijn niet groot:
De mensch, door menig sielgequel,
Sterft meer dan eenen dood.
Ach, had de mensch (soo waer sijn stand
Vol hert- en sinnen-vreugd)
Of sonder deugde min verstand,
Of by 't verstand, meer deugd.
| | | |
Ach! waren alle Menschen wijs,
De Aard waer haer een Paradijs,
Nu is se meest een hel
1.
|
1Levensb. van Nederl. Mannen en Vrouwen, II
Deel, blz. 161. J. kok, Vad. Woordenboek XXI Deel, blz. 250. J.a. de chalmot,
Biogr. Woordenboek, V Deel, blz. 340. Paquot, Mém. Tom. XIV. p.
259. Biograph. Univers. Tom. VI, pag. 641.
2A. houbraken, Schoub. der Nederl. Schilders, I
Deel, blz. 124.
1Men zie deswegens het door den Heer j.
scheltema medegedeelde in de Vad. Letteroef. voor 1822, N. I, blz. 26.
1Deze was ook een zeer verdienstelijk Latijnsch
dichter. Zijn uitmuntende
Idolelenchus heeft zijn vriend camphuysen in
Nederduitsche verzen vertaald ( Stichtel. Rymen, II Deel, blz.
215). Wij behoeven naauwelijks te zeggen dat men deze vertaling met die
van den keurigen
huisinga bakker ( Ged. III
Deel, blz. 106) niet vergelijken moet.
1Zijne gewezen dienstmaagd, met een' soldaat
getrouwd, wetende dat er vijfhonderd guldens op het aanbrengen van haren
voormaligen heer gesteld waren, spoorde haren man aan om dien prijs te
verdienen.
1R. koopmans, Redev. en Verh. II Deel, blz.
126.
2De Heer p.j.b.c. van der aa deelt in het
Mengelwerk der Vad. Letteroef. voor 1810, blz. 406 een' brief mede van
camphuysen uit Dokkum den 15/25 April, 1624, aan
rem bisschop, koopman te
Amsterdam, die dit bewijst, en den Heer van der aa aanleiding geeft tot
verscheiden scherpzinnige menschkundige aanmerkingen wegens het karakter van
den kranken, geduldigen, standvastigen en dankbaren camphuysen, dien hij ook
als dichter regt wedervaren laat.
3Men leze het geen de Heer koopmans desaangaande
aanhaalt uit camphuysens verhandeling over het onbedrieglyk
oordeel, t.a.p. blz. 133.
1Stichtel. Rijmen, III Deel,
blz. 233.
2Gesch. der Ned. Dichtk. I Deel, blz.
149.
3Ik herinner mij nog uit mijne vroege jeugd dat
mij op de school een paar zoogenaamde exempels ter oefening in het schrijven
werden voorgelegd; het eene luidde:
Wat is toch ongedult in pijn?
't Is om syn droefheyt droevig syn.
Soo wort hy dan met recht belacht,
En als een grooten dwaes geacht,
Die, om dat droefheyt qualyck smaeckt,
Sijn droefheyt des te grooter maeckt.
En het andere:
Daer moet veel strijdts gestreden sijn,
Veel kruys en leeds geleden sijn,
Een nauwen weg betreden sijn,
En veel gebeds gebeden sijn,
Soo lang wij hier beneden sijn,
Soo sal 't hierna in vreden sijn.
Deze eenvoudige regels deden mijn kinderlijk gemoed zoo
wel, behaagden mij zoo, dat zij mij nimmer uit het geheugen gegaan zijn; en
toen ik ze lang daarna in camphuysens Stichtelijke Rijmen
gedrukt aantrof, verheugde ik mij als iemand die een' ouden vriend na jaren
lange afwezigheid wederziet.
1Stichtel. Rijmen, II Deel, blz.
208.
2In zijne voorrede zegt hij gezorgd te hebben
‘dat alle rijmen hare maten ofte voeten en gelijckmatig getal van
syllaben souden hebben, om soo wel gelesen als gesongen te konnen worden,
nadien doch alle Rijm ofte Gedicht (na oudt gebruyck en oock aert van de sake),
behoort soowel leselyck als singelyck, en soo wel singelyck als leselyck te
syn.’
1Redev. en Verh. a.v., II Deel, blz.
157.
2Zeer naïf heeft camphuysen zich zelven en
zijn' dichttrant gekarakteriseerd in het stukje, getiteld: Een noodig.
Mal is beneên, hooch, boven mijn verstant;
Werlts mach ick niet, diep kan noch wil ick dichten.
Veel beter slecht en altijt eenderhand
Dan oyt door qua' verscheydenheyt t'ontstichten.
Nu rijm ik recht, dan dwers; nu kort, dan lang;
Nu dus, dan soo, op allerhande wijse;
Nu geef ik dees, dan weer een ander sang;
't Is andre sous, maer al deselve spijse.
Die Een alleen voor d'Oppernoodig houdt,
Wat lust heeft die van velen veel te quelen?
En wat kan 't schaên, al teemt men staeg het oud,
Als 't Oud alleen het eeuwig Nieu kan geven?
Stichtel. Rijmen, I Deel, blz. 86.
1Stichtel. Rijmen, III Deel, blz.
170.
1A. andriessen, Aanmerkingen op de
Psalmberijming van p. dathenus, blz. 181.
2J. van iperen, Kerkelijke Historie van het
Psalmgezang, I Deel, blz. 168.
3Lucret. De Rer. Nat. L. I.
102.
4Stichtel. Rijmen, I Deel, blz. 2.
5Stichtel. Rijmen, III Deel, blz. 324.
1Redev. en Verh. II Deel, blz.
169.
2Redev. en Verh. II Deel, blz.
170.
3Lofdicht op d.r. camphuysen, voor
zijne Theol. Werken.
1Stichtel. Rijmen, I Deel, blz.
137.
1Stichtel. Rijmen, III Deel, blz.
283.
|
|