|
|
|
| |
[Jan Goeree]
Goeree (Jan)
1 was een zoon van den geleerden
Middelburgschen boekverkooper
Willem Goeree
2, en werd aldaar geboren den 20 October 1670, doch verhuisde met
zijn' vader weldra naar Amsterdam. Hij leide aanvanglijk
zich toe op de schilderkunst, en had, zoo men meent, tot meester
gerard de lairesse; doch heeft zich het
meest beroemd gemaakt door zijne graveerkunst. Zijne zinnebeeldige en
historische ordonnantiën zijn rijk van vinding. In 1705 werd hem door
Burgemeesteren van Amsterdam devervaardiging der teekeningen opgedragen
voor de schilderstukken van het gewelf der groote zaal van het voormalig
stadhuis
3, welk
ontwerp vervolgens onder zijn opzigt door
j. hoogzaat en
g. rademaker met de penseel is uitgevoerd.
Hij was van een' vrolijken en werkzamen aard, voerende tot zijne
zinspreuk : Rust ik, zoo roest ik, en wisselde zijne dagelijksche
kunstbezigheden af | | | | met de beöefening der fraaije letteren.
Het eerste, dat hij in het licht gaf, was eene vertaling van scarrons
treurspel, Alcander, of de Gewaande Zeeroover, in
1707gedrukt; vervolgens in 1712
De Historische Gedenkpenningen van lodewyk
XIV, waarin ook deplaten door hem gegraveerd zijn.
Na zijn' dood, die den 4 Januarij 1731 voorviel, heeft men al zijne
losse dichtstukjes, rijp en groen, bij elkander verzameld en in 1734, onder den
titel van
jan goerees Mengelpoëzy, uitgegeven, welke
verzameling in 1758 is herdrukt. De stukjes, in dezen bundel vervat, zijn
meestal van snaakschen en luimigen inhoud; sommigen zelfs morsig. Zijn
dichttrant, zoowel als zijnedenk- en levenswijze kwam vrijwel overeen met die
van zijn' stad en tijdgenoot
hermanus van der burg. De meesten zijner
dichtstukjes dragen blijken van vlugtig opgesteld en voor vrolijke
vriendenkringen, doch geenszins voor de drukpers bestemd te zijn; de beste
puntdichten daaruit hebben wij reeds elders opgenomen
1. De
uitgevers zijner gedichten zouden voor zijn' letterkundigen roem beter gezorgd
hebben, bijaldien zij, in stede van alles wat zij van hem konden magtig worden,
slechts eene élite van zijne geestigste en luimigste stukjes
hadden uitgegeven. Wijwillen hen gaarne op hunwoord gelooven, wanneer zij den
lezer verzekeren ‘dat hij zich | | | | nooit veel heeft laten
gelegen zijn aan die pedantsche regels waaraan eenige viezerikken willen dat
een dichter zich heilig moet binden
1, maar zich te vreden hield als hij maar een taal
schreef, die elk verstaan kon,’ enz.; doch zulk eene taal ook te
laten drukken, is niet altijd raadzaam; althans de onderhavige
verzameling is daarvan het sprekend bewijs; vele stukjes daarin, aardig
misschien in het oogenblik en de gelegenheid bij welke zij opgesteld zijn,
hebben geene de minste waarde voor het publiek. Dat overigens goeree bij de in
zijn' tijd toenemende, vit- en beschaafzucht, toch een gezond begrip van het
wezen der poëzijhad, | | | | straalt in velen zijner opstellen door,
die men schetsen of studiën zou kunnen noemen; in een derzelven zegt hij
met ronde woorden:
Ik heb altyd gemeend dat de Poëzy eygenlyk bestont
In een aardige gedachten, in een geestige vinding, en zo voorts;
maar die stelling heeft geen grond:
De poëzij bestaat, hedendaags, in iets, daar men te voren
weynig werk van pleeg te maaken,
Dat is in een nette spelding, in een gemaakte taal en in het
vergeten van zaaken
1.
In een meer uitgewerkt stuk, Op het verdrinken van het eenige
zoontje van den Heer C.B. (christoffel
beudeker), op deszelfs hofstede Zoelen, komen onder anderen deze
wezenlijk fraaije regels voor:
't Is logentaal dat zich Najaden
Onthouden in het spieglend nat:
Zy hadden 't wichtje wis gevat,
En leeren in de stroompjes baden.
Schud af, schud af uw groene kruynen,
O Zoelen, dat zo heerlyk stont!
Dat uwe schoone en vruchtbre grond,
Verkeere in dorre en barre duynen,
Waar uyt noch loof noch kruyd wil wasschen:
't Is uyt met al uw heerlykheyt,
Gy moet, met zwarte puyn bespreyd,
Wegzinken in uw zilvren plassen.
| | | |
Uw Landheer yst in u te aanschouwen,
Waart gy voorheenen kalm en zoel!
Nu zyt ge een haatelyke poel,
Daar zwarte ravens zich onthouwen,
Daar slangen zich in 't gras verschuylen,
En daar 't van logge padden krielt,
Uw filomeelen zyn ontzield,
Men hoort er niet dan uylen huylen.
Een naar gekir rees uyt uw boomen,
Een droef, een akelig gerucht
Vervulde alom de dunne lucht,
Toen 't zieltje zuchtte in uwe stroomen.
Het zuchtte, maar van hulp versteken,
Of toen ze kwam, het was te spaê;
Demp, Zoelen! demp uw zilvren beeken;
Verkeertze in modderige poelen,
Nu dat gy Zoelen niet meer zyt,
Zyt gy myn gunst en achting kwyt,
Nooyt noem ik u weer 't zoele Zoelen.
Moest gy uw' Landheer dus beloonen,
Voor al 't sieraad aan u besteed,
Ondankbaar Zoelen! 't doet my leed.
Ondankbre Landhoef, die de toonen
Der Dichtkonst onlangs noch kont wekken
1,
Der Dichtkonst, zoo berucht, zoo eêl!
Kunt nu alleen voor een tooneel
Van droeve jammerklagt verstrekken
2.
|
1Paquot Mém. Tom. IV, pag. 268. P.
de la rue, Geletterd Zeeland, blz. 35 en 342. J. kok, Vaderl. Woordenboek,
XVIII Deel, blz. 440. R. van eijnden en a. van der willigen, Geschied. der
Vaderl.Schilderk. I Deel, blz. 245.
2P. de la rue, t.a.p. blz. 36. L. bidloo,, Pan
Poëticon, blz. 76. R. arrenberg, Naamreg. van Nederd. Boeken, blz.
153.
3Wegwyzer door Amsterdam, blz, 423.
1Epigrammatische Anthologie, blz. 105.
1In de opdragt van zijn treurspel Alcander
zegt hij:
'k lach met de viezigheden
Dier dwingelands in de kunst, die, met een vies gezigt,
Al schuiven van de hand, wat juist niet is gerigt
Naar hun gedwongen trant, ja 't pit en merg der zaaken
Zien willens over 't hoofd. Zo iemand eens wou wraaken
Een braaf en rustig stuk, naar d'Italiaanschen trant
Geschildert voor de vuist, en met een wakkre hand
Geduwd en aangezet, om dat er in de gronden
Of bruine diepzels eens een haartje wierd gevonden
Van 't ongeacht penceel, was zulk een vaadze geeft
Niet waard te zijn gekroond als Midas is geweeft?
Wie dan meer achting draagt voor fijn gevreven kleuren
Als voor regtschape kunst, vergaap zich aan die leuren,
En die zich stooten wil daar slegts een strootje leit,
Die geven wy dat vry; maar die meer luchtigheid
Betoonen in hun doen, en hen zo ligt niet stooren,
Die volgen wy het liefst, die konnen ons bekooren:
Ik heb dat spoor gevolgd, zo na ik immers kon.
1De Lustplaats Zoelen, in dichtmaat
uitgebreid, door claas bruin te Amsterdam in
1723 gedrukt.
2Mengeldichten, blz. 189.
|
|