|
|
|
| | | | | |
Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der
Nederduitsche dichters.
[Willem van Haecht]
Haecht (Willem van) was factor van de
Antwerpsche Rederijkkamer De Violieren. In deze
hoedanigheid vervaardigde hij vier spelen van zinnen, waarin hij de daden der
Apostelen, en inzonderheid die van paulus, naar den smaak van dien tijd, heeft
gedramatiseerd. Dezelven werden met goedkeuring van ‘mijnheer
ian huysmans, priester vicaris ende
prochiaen der kercke van St. Ieuris binnen der stadt van
Antwerpen’ vertoond, blijkens de aanteekening op het handschrift,
hetwelk deszelfs bezitter, de verdienstelijke handhaver van Haarlems eer
der uitvinding van de drukkunst, de Heer j. koning, ons ter inzage vergund
heeft, en getiteld is:
Spel van Sinnen van dwerck der Apostelen,
vertoond | | | | op den 9 April 1563 en een jaar later op denzelfden dag.
De inhoud is allergebrekkelijkst, en een sprekend gedenkstuk van de kindsheid
der kunst en der smaakloosheid, zoowel als der weinige kieschheid van dien
tijd, om geheiligde persoonaadjen op het toneel te brengen; immers christus
(wie weet door wien voorgesteld!) roept
1:
O Paule mijn getrou knecht en weest niet versaegt,
Maer spreeckt mijn woort vry wt, al sulckx my behaegt,
Daerom en swijgt niet, want ick ben met u waerachtich,
En niemant en sal, dus alle vrees van u iaegt,
Hem onderwinden u te beletten crachtich,
Want een groot volck, van goede wille eendrachtich,
Heb ik in dese stadt versien en wtverkoren,
Laet de schaepkens onder de wolven niet verloren.
o Opperste Godthyt, die daer hebt gesworen
Salighijt alle heydensche natien,
En alle geslachten die oyt waren geboren,
Ick danck u van deser declaratien
Dat gij mij geroepen hebt ter predikatien
Van u goddlyck woort, enz.
Van haecht omhelsde sedert de hervorming, en vervaardigde eene
Psalmberijming ten dienste der | | | | Luthersche gemeente te
Antwerpen
1, die aldaar in 1579 en 1583, en
vervolgens in 1634 te Amsterdam gedrukt is. De eerste druk is voorzien
van eene privilegie van den
Aartshertog matthias en de tweede van eene
van den
Hertog van Parma, beide
Roomschgezinde vorsten: waaruit men besluiten mag, zegt van iperen
2, welke voorregten die
van de Augsburgsche belijdenis te dier tijd in Braband hadden boven de
Hervormden. Wij hebben den druk van 1583 in 12, die voor den besten gehouden
wordt en ongemeen zeldzaam is, voor ons liggen. De Psalmen hebben daarin nog
het Roomsche bijhangsel Gloria Patris, &a. op zevenderlei wijzen in
het Nederduitsch vertaald. Natuurlijk is deze berijming vrij lam en
gebrekkelijk, maar toch in lang zoo walglijk niet als de bespottelijke wartaal
van
dathenus, waaraan de Hervormden twee
eeuwen lang de voorkeur gaven boven zoo vele vrij betere berijmingen, die van
tijd tot tijd in het licht verschenen. Wij schrijven er een af, daar het boekje
openvalt, namelijk
Den CXIIII psalm.
Doen Isrel troc sonder weerstant
Wt Egypten met al zijn machte,
| | | |
't Huys Jacobs (door Gods stercke hant)
Wt vremt volk end' t'Heydens geslachte.
Doen wert Juda t'Heylichdom groot,
End' Israel zijn heerschappije.
De zee die sach het ende vloot
De Jordaen keerde haer t' dien tije.
De bergen sprongen op end' neer
Als de lammeren evenzeere
De hemelen ghins ende weer
Ghelijc de ionghe schaepkens teere.
Wat was u zee, dat ghy soo saen
Vlodet? wat mocht u doch ghebreken?
End' wat letten u ghy Jordaen,
Dat ghy te rugghe zijt gheweken?
Ghy Berghen dat ghy soo opspronght,
Ghelijc de Lammeren rontomme
Ghy hemelen op end' neer gonght,
Ghelijc de schapen ionc end' domme?
Voor den Heer heeft d'Aerde ghebeeft,
Voor den Godt van Jacob alleene,
Die de rotzen verandert heeft
Ind' zee, in fonteynen den steene
1.
Men heeft nog van hem
Dry Lamentatien oft Beclaghinghen, inhoudende dmisbruyck ende
onuerstandt die tegen Godtswoordt nu van vele gheuseert ende gheleert
worden, gedrukt in 1567, en voorts verscheiden stukjes in het
bekende
Geusen Liedboeck.
|
1paulus liggende in een paulioen en slaept;
Christus bouen in een wolcke.
1J. van iperen, Kerkel. Historie van het
Psalmgezang, I Deel, blz. 145 en Verv.
1De Psalmen Dauids, in Nederduyts. Dichte
ghestelt, blz. 309.
|
|