Petrarca in de Nederlandse letterkunde


auteur: Catharina Ypes


bron: Catharina Ypes, Petrarca in de Nederlandse letterkunde. De Spieghel, Amsterdam 1934  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

I. Bekendheid met Petrarca tot omstreeks 1500.

Petrarca's persoonlijke relaties met het Dietse land worden belicht door enige bizonderheden over zijn Belgische reis en zijn Limburgse vriend ‘Socrates’. De oudste vermeldingen van Petrarca treffen wij aan in de stichtelijke Latijnse geschriften van verschillende ‘kloostergeleerden’: Arnoldus Roterodamus, Dirc van Herxen, Dionysius Cartusianus, die passages uit De remediis utriusque fortunae of uit De vita solitaria citeeren. Zijn opvattingen over het kloosterleven beantwoorden volkomen aan het ideaal van de Broeders van de moderne devotie. Handschriften van zijn tractaten bevinden zich dan ook in de oude librijen, waar men tevens de Septem psalmi poenitentiales en zelfs enkele Epistolae bezit, met name de geschiedenis van Griseldis. Omdat Petrarca juist door dit verhaal hier reeds vroeg bekend blijkt, wordt het afzonderlijk besproken.

De oudste systematische mededelingen over zijn leven en werken vindt men in een kroniek van Cornelius Zantfliet. Agricola is de eerste auteur, die in een uitnemende biografie de betekenis van Petrarca als baanbreker van het Humanisme en als Italiaans dichter in het licht stelt. Een overzicht van incunabelen toont aan, hoe de bekendheid met Petrarca geleidelijk groeit. Fragmenten uit De rebus memorandis en uit De remediis behoren tot de oudste drukken. Ook het Griseldis-verhaal, de Septem psalmi, de Epistola ad posteritatem, De contemptu mundi worden ter perse gelegd. Dan volgt het Bucolicum carmen. Juist dit werk verheugt zich in de sympathie van de Vroeg-Humanisten, zoals Murmellius. De kentering komt: de geleerden gaan Petrarca langzamerhand als gezaghebbend schrijver over de Oudheid beschouwen.

 

Petrarca's Belgische reis. - Petrarca, in wie sterk het verlangen naar vreemde landen leefde, heeft op zijn reizen ook verschillende streken van België bezocht. (1333). Zijn Epistolae bewaren enkele herinneringen aan deze gewesten. In een brief aan kardinaal Giovanni Colonna spreekt hij over Parijs en vervolgt:

Gandavum quoque (ut media sileam) eodem conditore [n.l. Julius Caesar] superbum vidi, et caeteros Flandriae Brabantiaeque populos lanificos atque textores. Vidi Leodium insignem clero locum: vidi Aquensem Caroli sedem, et in templo marmoreo verendum barbaris gentibus illius principis sepulcrum. Ubi fabellam audivi, non inamoenam cognitu, a quibusdam templi sacerdotibus, quam scriptam mihi ostenderunt, et postea apud modernos
[p. 2]
scriptores accuratius etiam tractatam legi. (Epistolae de rebus familiaribus, I, 3).1)

En dan horen wij de wonderlijke liefdesgeschiedenis van Karel de Grote, die door een ring betoverd werd, een verhaal, dat wij bij verschillende van onze zeventiende-eeuwse auteurs zullen aantreffen.2)

Ook in een brief uit later jaren maakt Petrarca melding van deze reis: ‘Parisiorum urbem petii, in quo quidem itinere ac reditu, sic iuventae calcar urgebat, extremos regni angulos Flandriamque et Brabantiam atque Hannoniam et inferiorem Germaniam circumivi.’ (Epistolae de rebus senilibus, X, 2). Met ‘Hannonia’ bedoelt hij vermoedelijk een streek in de Kempen. Daarop wijzen ook zijn woorden tot zijn Limburgse vriend ‘Socrates’ - over wie nader gesproken zal worden (p. 3-5) -, wanneer hij diens vaderland als volgt beschrijft:

Te autem, mi Socrates, te unum mihi, quod mirentur posteri, non tellus Ausonia ut reliquos dedit, sed Cereris et Bacchi et Minervae sterilis, at virorum fertilis Annea Campiniae; neve forsitan rudis lector Campaniam dici putet, Campiniam dico, inferioris Alemanniae, ut nunc vulgo fertur, vel aliter extremam Galliae Belgicae particulam, quae inter laevum Rheni latus et Hollandiam et Brabantiam iacet, ut inops patria divite gloriaretur ingenio, et natura suum ius teneret e limo quolibet et quocumque sub aere magnos spiritus procreandi. (Ep. Fam. IX, 2).

Een aardige trek in Petrarca's mededelingen over de Noordelijke landen is zijn verbazing, dat er zo ver van Italië streken liggen, waar beschaving heerst. - In Luik heeft hij blijkbaar geen goede ervaringen opgedaan. Jaren later vertelt hij, dat er haast geen inkt te vinden was, om een tweetal redevoeringen van Cicero naar een handschrift te copieeren:

Circum quintum et vigesimum vitae annum, inter Belgas Helvetiosque festinans, cum Leodium pervenissem, audito quod esset ibi bona copia librorum, substiti, comitesque detinui, donec unam Ciceronis orationem manu amici, alteram mea manu scripsi, quam postea per Italiam effudi; et, ut rideas, in tam bona civitate barbarica atramenti aliquid et id croco simillimum reperire magnus labor fuit. (Ep. Sen. XVI, 1).3)

Voor Petrarca's natuurindrukken herinner ik aan hetgeen hij over de Ardennen geschreven heeft. Hoewel er een oorlog heerste, trok hij ongewapend en alleen door de wouden:

A.d. II. Kalendas Iulias Colonia discessi, tanto sole ac pulvere, ut saepe ‘Alpinas nives ac frigora Rheni’ a Virgilio requirerem. Inde Arduennam sylvam scriptorum testimonio pridem mihi cognitam sed visu atram atque
[p. 3]
horrificam transivi solus (et quod magis admireris) belli tempore. Sed incautos, ut aiunt, Deus adiuvat. (Ep. Fam. I, 4).

Tijdens deze tocht is één der gedichten uit het Canzoniere tot stand gekomen, Son. 143: Per mezz' i boschi inospiti e selvaggi. Op zijn eenzaam pad wordt Petrarca begeleid door de gedachte aan Laura, wier beeld hij voortdurend in het omringende landschap meent te ontwaren. Zie hoe de natuur van de Ardennen op hem inwerkt:

 
Raro un silenzio, un solitario orrore
 
d'ombrosa selva mai tanto mi piacque. (vs. 12-13).

Toch herdenkt hij aan het einde van zijn tocht met huivering de afgelegde weg en is blij, weer het land van Laura te kunnen begroeten. (Son. 144: Mille piagge in un giorno e mille rive).

Voor de bekendheid van Petrarca in Nederland kan dit bezoek aan België geen rol gespeeld hebben, want hij had zijn belangrijke Latijnse werken nog niet geschreven. Misschien heeft hij echter een enkele relatie in deze streken aan zijn reis te danken gehad. Wel was één van zijn intiemste vrienden een Limburger, maar hem juist heeft hij niet in België zelf leren kennen. Over deze vriend, door Petrarca ‘Socrates’ genoemd, volgen thans enkele mededelingen.

 

Petrarca's vriendSocrates’. - Eerst in 1905 heeft men op grond van documenten uit het Vaticaan met zekerheid kunnen vaststellen, wie er schuil ging onder het pseudoniem ‘Socrates’. Het was: Ludovicus Sanctus, of in zijn moedertaal: Lodewijk Heiligen van Beeringen, aldus genoemd naar zijn geboorteplaats in Belgisch Limburg.1) Hij behoorde tot de orde van de Benedictijnen en stond in relatie tot kardinaal Giovanni Colonna, aan wiens hof te Avignon hij eerst ‘cantor’ en later secretaris is geweest. Er waren in die tijd veel Nederlanders aan de Curie in Zuid-Frankrijk verbonden. Socrates, evenals Petrarca in 1304 geboren, stierf in het jaar 1361. Hij was een zeer ontwikkeld man, die zich ook door zijn muzikale gaven onderscheidde. Petrarca prijst hem om zijn hoogstaand karakter en zijn trouwe vriendschap.

Hun betrekkingen dateeren uit 1330, toen de dichter zich met bisschop Giacomo Colonna in Lombez bevond en daar diens broer Giovanni en omgeving leerde kennen. Petrarca wijst op het merkwaardige feit, dat Socrates de enige van zijn goede vrienden is, die hem niet door Italië, maar door de Kempen geschonken is.2) Evenwel, vervolgt de brief, Socrates is door zijn gemoedsaard, en vooral door de vriendschap met Petrarca bijna zelf Italiaan geworden: ‘..... origo fecit alienigenam, mansuetudo animi et conversatio longior, atque in primis amor mei,

[p. 4]

magna Italum te ex parte (fecit). Mirum in tam longe natis quanta vicinitas animarum, quanta sit coniunctio voluntatum, viginti iam nunc annorum testimonio probata.’ (Ep. Fam. IX, 2).

Ongetwijfeld heeft de omgang met Petrarca invloed gehad op Socrates, maar deze laatste kan op zijn beurt de gezichtskring van de dichter verruimd hebben. Hij openbaarde zijn vriend misschien, dat er ook buiten Italië streken bestonden, waar beschaving heerste en waar ook oude cultuur was overgeleverd. Van hem kan Petrarca gehoord hebben, dat er juist in de streek, waar Lodewijk geboren was, veel oude handschriften in de kloosters berustten. Misschien wekte Socrates de lust in Petrarca, om ook België te bezoeken; hij begeleidde zijn vriend op deze reis. Ook op zijn tochten in de omgeving van Avignon placht hij hem te vergezellen.

Petrarca's brieven aan Socrates wijzen op een verhouding van toegewijde vriendschap. Vooral aan Socrates schrijft hij dikwijls over zijn innerlijk leven. Er zijn echter geen brieven van Lodewijk aan Petrarca bewaard. Toch ontving de dichter juist van hem het bericht van Laura's dood. Het was ook Socrates, die zijn vriend aanspoorde, zijn brieven te verzamelen: aan hèm heeft Petrarca toen de Epistolae de rebus familiaribus opgedragen.1)

In De vita solitaria spreekt Petrarca over Lodewijk, wanneer hij zich met de volgende woorden tot een gemeenschappelijke vriend richt:

Ille pars nostri est.... hunc nobis inseparabilem amor praestat. Nosti hominem quem et stabilis amicitiae fides earum et musarum multa familiaritas clarum facit: Cum quo ita gaudium vitaeque iucunditas aderit: ut consilium non absit: Ita ut vis ingenii vigorque animi: ut qui his nonnumquam iungi solet: moesticiae nulla nubes interveniat: sed ea semper laetae frontis uniformitas: quam in Socrate illo sene et mirari solemus et laudare: In hoc et conspicimus et amamus.2)

Geen wonder, dat de dood van Socrates, in 1361, Petrarca smartelijk getroffen heeft. Een aantekening in zijn Virgilius-codex getuigt van zijn droefheid: ‘Amisi comitem ac solatium vitae meae.’

Ten slotte citeer ik, hoe Petrarca de herinnering aan zijn Limburgse vriend in een passage uit de Trionfo d'Amore bewaard heeft. De dichter herkent ook Socrates en Lelio3) te midden van de schare, die meegevoerd wordt achter de zegewagen van Cupido:

 
Poco era fuor de la comune strada,
 
quando Socrate e Lelio vidi in prima:
 
con lor più lunga via conven ch'io vada.
 
O qual coppia d'amici! che nè 'n rima
 
porrìa nè 'n prosa ornar assai nè 'n versi,
 
se, come dèe, vertù nuda se stima.
[p. 5]
 
Con questi duo cercai monti diversi,
 
andanto tutti tre sempre ad un giogo;
 
a questi le mie piaghe tutte apersi.
 
Da costor non mi può tempo nè luogo
 
divider mai (sì come io spero e bramo)
 
infino al cener del funereo rogo.
 
Con costor colsi 'l glorïoso ramo
 
onde forse anzi tempo ornai le tempie
 
in memoria di quella ch'io tanto amo.1)

Deze woorden spreken overtuigend van de innige vriendschap, die Petrarca en Lodewijk van Beeringen verbonden heeft.

Het verkeer met Petrarca moet wel betekenis gehad hebben voor het geestelijk leven van Socrates. Hoewel hij in Avignon woonde, onderhield hij toch schriftelijk de betrekkingen met verschillende landgenoten. Op deze wijze heeft Socrates er misschien toe bijgedragen, dat de aandacht van de Noordelijke tijdgenoten op Petrarca en zijn werk gevestigd is. Hierom, en wegens het feit, dat Socrates de enige Nederlander is, die tot Petrarca's intieme vrienden heeft behoord, verdiende hij wel een nadere bespreking.

 

In 1366 heeft Geert Groote het pauslijk hof te Avignon bezocht.2) Over deze reis en de aard van de relaties met de Curie bezit men geen verdere gegevens. Het feit, dat Petrarca ook te Avignon vertoefd heeft, in dezelfde omgeving, is aanleiding geworden tot de veronderstelling, dat Geert Groote de beroemde Italiaan wel ontmoet kan hebben.3) Deze hypothese van persoonlijk contact moet verworpen worden, omdat Petrarca in die tijd geen verblijf meer hield in Provence; reeds in 1353 heeft hij Zuid-Frankrijk voorgoed verlaten.

Wel heeft Geert Groote misschien tijdens zijn bezoek aan Avignon van Petrarca gehoord en enige bekendheid verworven met sommige van diens werken, waarbij men het eerst aan de stichtelijke verhandelingen zou denken. In Groote's brieven of andere werken, voor zover bekend, zijn echter geen citaten uit Petrarca te vinden.4)

 

Vermoedelijk de oudste vermelding van Petrarca in Nederland is te vinden in een geschrift van Arnoldus Roterodamus (van Geilhoven), kloosterling en Humanist. Zijn tractaat Sompnium doctrinale (± 1400) bezitten wij in handschrift.5) Het blijkt, dat hij Petrarca's werk De remediis utriusque fortunae heeft gekend. Zijn Sompnium is gebouwd op het motief van een allegorische droom. Fronesis en Maria zijn de leidsvrouwen van de schrijver. Zij brengen hem naar de oratoren

[p. 6]

en poëten van alle tijden en landen, en leren hem wijsheid, ook door middel van lessen uit verschillende auteurs. Maria raadt hem:

Tu ergo sequi francischum petrarcham poetam laureatum in libro de remediis utriusque fortune. Si orationis nomen et eloquenciam veramque laudem quaeris virtuti et sapientie primum stude, non autem vane glorie humaneque laudi, non ad voluplatem sive curiositatem.1)

Vervolgens wordt Arnold door Fronesis naar een kring van beroemde dichters geleid:

Ipsa fronesis me duxit ad studium poetarum. Ibi fuerunt elegantes ingeniosi at subtiles viri scilicet homerus poeta et grecorum lumen. Euripides, Menander. Ennius. Stacius. Terencius. plautus.... [Volgen nog enige namen, waaronder die van Virgilius, Horatius en Ovidius]. Dantes poeta vulgaris. Ioannes boccacii florentinus. Francischus petrarcha laureatus poeta nobilissimus ac plures alii.2)

Dit is vermoedelijk de oudste vermelding van Dante en Petrarca door een Nederlander en ongetwijfeld de eerste keer, dat de drie klassieke Italianen in ons land op deze wijze te zamen genoemd worden.

Arnoldus Roterodamus heeft in Italië gestudeerd en waarschijnlijk is het daaraan te danken, dat hij niet alleen het werk De remediis kent, maar ook een voorstelling bezit van Petrarca als dichter.

 

Hss. in kloosterbibliotheken. - Opgaven betreffende oude boekerijen, voornamelijk in kloosters, vermelden soms Latijnse werken van Petrarca. In een overzicht van geschriften, die veel gelezen werden in de librijen, wordt De vita solitaria genoemd.3) Dat ook andere stichtelijke verhandelingen van Petrarca reeds vroeg een zekere populariteit genoten bij de monniken en fraters, getuigen de inventarissen van sommige kloosterbibliotheken, waarvan er één als voorbeeld volge.

Het Utrechtse Regulieren Klooster St. Maria en de 12 Apostelen bezat handschriften, waarin ook werken van Petrarca voorkomen en wel:4) De vita solitaria; Speculum mortis;5) De otio religiosorum; Epistola ad Clementem VI Papam, non fidendum medico loquaci;6) Septem psalmi poenitentiales, (in 2 hss.);7) Historia

[p. 7]

Griseldis, (in 2 hss.);1) De secreto conflictu curarum.2)

Natuurlijk hadden niet alle kloosters een zo rijke verzameling als de Stichtse Regulieren, maar het zijn toch in hoofdzaak dèze geschriften, die ook elders verspreid voorkomen. Een vergelijking met opgaven over een bekende kloosterbibliotheek te Luik bewijst, dat in Zuid-Nederland ongeveer dezelfde werken in die kringen populair waren, vooral De remediis, De vita solitaria, Septem psalmi poenitentiales en Griseldis.3)

Petrarca heeft dus in onze landen het eerst een zekere bekendheid genoten als moralistisch auteur van verschillende, stichtelijke werken. De oudste drukken, die voor 1500 ontstaan, zullen dit feit bevestigen.

Reeds vroeg behoort hij derhalve tot de schrijvers, die naast de Kerkvaders een plaats veroverd hebben in de belangstelling van de geleerde kloosterlingen. Het ligt voor de hand: uit Petrarca's ascetische geschriften spreekt dezelfde geest van wereld-afkeer, maar ook van zedelijk-strevend Christendom, die men in de patristische betogen waardeerde. Zijn hoog ideaal om wetenschap en geloof te verbinden moet de sympathie der meer ontwikkelde devoten hebben opgewekt. Dezen voelden zich vooral aangetrokken tot De vita solitaria: ook zij wilden langs de weg van concentratie en inkeer een zuiverder Christelijke geest in de wereld dragen. Hun opvatting van de eenzaamheid komt overeen met die van Petrarca: het mag geen dorre afzondering worden; de dagen moeten rijk gevuld zijn door vruchtbare studie en geestelijk verkeer met gelijkgezinden.4)

Van één prior uit de eerste helft der 15de eeuw wordt speciaal vermeld, dat hij voorkeur had voor het genoemde tractaat van Petrarca. Het betreft Willem Vornken, die bijna veertig jaar aan het hoofd van het Windesheimer Kapittel heeft gestaan. De vita solitaria behoorde tot zijn lievelingslectuur: ‘Solitudinem valde amavit et eam saepe nobis commendavit. Unde et Franciscum poetam laureatum de vita solitaria multo tempore frequentando perlegit.’5)

Al moet men voor de 15de eeuw dikwijls afgaan op algemene of indirecte ge-

[p. 8]

gevens, toch bewijzen deze voldoende, dat de oudste bekendheid met Petrarca in ons land verbonden is aan zijn ethische geschriften.

Een getuigenis op dit gebied verstrekt ook een codex met miniatuur, die in het Bisschoppelijk Seminarie te Brugge bewaard wordt.1) Het handschrift dateert uit 1470 en is afkomstig van een Cistercienserklooster. Men treft hier de volgende geschriften van Petrarca aan: De contemptu mundi, De vita solitaria, De otio religiosorum, Septem psalmi poenitentiales, Griseldis en nog enkele andere stukken, waaronder een paar brieven: Epistola ad Sagramorem ad perseverantiam religiosam (Ep. Sen, X, 1) en Epistola ad Clementem VI in medicorum turbam. (Ep. Fam. V, 19).

De miniatuur illustreert het begin van De contemptu mundi. Petrarca, begeleid door een drietal geestelijken, is voor Augustinus getreden, terwijl de Waarheid, op haar zetel tronend, het gesprek volgt. De voorstelling is gevat in een sierlijke omlijsting van motieven uit het planten- en dierenrijk, met ook een enkel grotesk figuurtje. Ik geef er een reproductie van, omdat Petrarca uiterst zelden in de Nederlandse iconografie voorkomt en omdat de bedoelde miniatuur uitnemend belicht, welke voorstelling de kloosterbroeders zich van de auteur gevormd hebben.

 

Eén der moderne devoten, die met Petrarca bekend blijkt, is Dirc van Herxen.2) Deze citeert in een paedagogische verhandeling een passage uit De vita solitaria. Enigszins onder invloed van Gerson schreef hij: Tractatus de iuvenibus trahendis ad christum, in druk verschenen als Speculum iuvenum, - vermoedelijk in 1479, te Zwolle.3) Hierin wijst Van Herxen op het belang van goede leiding, juist in de jeugd: dan moet de jonge mens van zijn opvoeders volharding leren en, op hun inzicht steunend, dwaalwegen vermijden.

Et hec de eo dicta sint, quod primeva etas aptissima est ad institucionem bone vite. Cui libet annectere verba egregii oratoris Francisci petrarce in libro de vita solitaria sic dicentis Optimum quidem esset nisi consilij inopia iugis adolescencie comes obstaret ut ab ineunte etate circa unum aliquod vite genus apprehendendum quisque nostrum accuratissime agitaret nec ab eo calle quem semel elegisset nisi magnis ex causis et gravi necessiate diverteret, sed quia id non facimus, neque enim nostro iudicio plerique vivimus sed vulgi, hoc est parentum atque ideo per devia raptamur et quasi per tenebras alienis vestigijs insistentes: sepe periculosas et inexplicabiles ingredimur vias. Cui autem in ingressu vite huius, quando ut dixi sintilla nostri consilij nulla erat aut parva, celeste aliquod lumen effulsit, ut vel securum vel periculi minoris et facile remeabile iter arriperet habet unde semper gracias deo agat. At cui sinistrior sors fuerit, plus negocij est, postquam tamen oculos aperire
[p. 9]
ceperit et quam dubium iter agat intelligere, omni studio incumbat adolescencie errores vel in senectute corrigere. (fol. 6r).1)

Van Herxen heeft ook compilatiewerken samengesteld, o.a. Instructio religiosorum ex dictis sanctorum,2) een verzameling sententies van kerkelijke schrijvers, wier vrome wijsheid de Broeders kon sterken in hun religieuze leven en bij hun karaktervorming in het algemeen. Het hoofdstuk De innocencia bevat ook een citaat uit Petrarca: het is echter dezelfde passage uit De vita solitaria, die in Speculum iuvenum is opgenomen.

Van belang is ook het feit, dat er verband bestaat tussen De remediis en één der tractaten uit de Devota exercitia (1492), een ‘bloemlezing’ der stichtelijke geschriften van Dirc van Herxen.3) Het slot van deze bundel wordt gevormd door de verhandeling: Remedia sive consolationes contra quedam adversa spiritualibus accidentia. Van Herxen vertelt in de aanhef, dat zijn lectuur van Petrarca en Adrianus Carthusiensis het denkbeeld in hem wakker geroepen had, op gelijke wijze, in christelijke geest, iets te schrijven, om de mensen te matigen in voorspoed en te vertroosten in tegenspoed:

Legenti mihi remedia utriusque fortune prout describuntur a francisco petrarcha poeta laureato et a magistro adriano Carthusiensi4) doctore sacre pagine et hoc philosophice et moraliter, venit in mentem an ne compilare possem ex eisdem et aliis iuxta fundamentum fidei nostrae conscientia et ratione dictante cum auctoritate sacre scripture, in quibus meis et meorum anime morbis remediari possem, quo minus prospera elevent et adversa deijciant ac in quibusdam bonis agendis et malis evitandis robur mentis augeatur. (fol. m i 5).

Niet alleen de leidende ideeën, maar ook de vorm van zijn tractaat heeft Van Herxen aan De remediis ontleend. Petrarca voert allegorische figuren in dialoog ten toneele, o.a. Gaudium, Dolor, Ratio. Dirc van Herxen volgt dit voorbeeld en biedt ons een samenspraak tussen Vecors en Consultus. Bouw en inkleding komen geheel overeen: Vecors brengt een conflict of ernstige kwestie op het tapijt en daarop volgt het betoog van Consultus, die aanmoedigt, waarschuwt, zedelijke steun en troost verstrekt, terwijl de uitspraken met verschillende citaten uit stichtelijke schrijvers bekrachtigd worden.

Ik vestig de aandacht op het hoofdstuk: De detractione et scandalo (fol. m i 10 sqq.) en citeer een passage hieruit, die samengesteld is door het aaneenrijgen van vrijwel woordelijk overgenomen fragmenten uit Petrarca's dialoog: De infamia.5)

Considera quod pestis hec etiam summis viris et sanctissimis non pepercit quorum princeps christus expers omnis culpe ab impiis tamen infamatus
[p. 10]
est. Quorum omnium infamia in gloriam conversa est.... Si iusta, non infamiam flere debes sed infamie causam. Si vero iniusta sit, errores hominum alto animo conculcans tua te conscientia consolare, cordis tui cubile ingredere, ubi si tranquillitas sua est habes ubi iurgiorum fessus requiescas et ut dici solet in sinu tuo gaudeas. Et quidem si falsa est durabilis non est. Vehemens enim sermo vulgi sed non diuturnus, levibus enim causis orta brevia sint oportet. Tacebunt autem, cum multa latraverint. Fatigari enim [citius] solent qui ferventius incepere. Venit dies, quae strepidulis his cicadis loquacibus silentium imponat.

Het blijkt dus, dat Van Herxen, vooral in navolging van De remediis, op gelijke wijze als Petrarca, stichtelijke sermoenen van overeenkomstige strekking voor de kloosterlingen wilde opstellen, waarbij hij ook levenswijsheid aan diens werk heeft ontleend.

 

Dionysius Cartusianus († 1471), de beroemde doctor extaticus, die ontzagwekkend veel gelezen en geschreven heeft, blijkt eveneens bekend met de stichtelijke verhandelingen van Petrarca. Hij maakt gebruik van een passage uit De vita solitaria, waarin de schrijver zich toornig richt tot de geestelijke en wereldlijke machthebbers, die alleen op eigen voordeel en genot belust zijn, maar zich niet bekommeren om de smaad, dat het Heilige Land met het graf van Christus in de handen der Ongelovigen is gevallen. Petrarca bezweert hen, zich van die smet te zuiveren en moedig de vrome strijd voor het erf van Christus te aanvaarden.1)

Dionysius herhaalt deze aansporing tot de heersers van zijn tijd en bedient zich hierbij geheel van Petrarca's woorden. De passage komt voor in het geschrift: De vita et regimine principum, waarvan het laatste hoofdstuk gevormd wordt door een: Exhortatio principum christianorum ad recuperationem sancti Sepulcri et Terrae sanctae. Dionysius leidt dit onderwerp in met de woorden: ‘Franciscus Petrarcha, poeta egregius, atque a domino Clemente Papa laureatus,2) regibus et principibus christianis ob suae vitae ac sapientiae eminentiam notus et carus, in libro suo de Vita solitaria affectuose ac dolorose conqueritur de amissione sancti Sepulcri Jesu Christi creatoris salvatorisque nostri.’ Hij laat er op volgen: ‘Sed quoniam stilus Francisci rhetoricus est atque difficilis, sensum potius quam formam verborum Francisci inducam.’3)

En nu parafraseert Dionysius de vermelde passage uit De vita solitaria: het gebied, dat de heiligste herinneringen bewaart, ligt verlaten, prijsgegeven aan de sultan der Saracenen. De vorsten en prelaten denken slechts aan rijkdom en genot, maar Jerusalem gaat verloren. Als nu Julius Caesar eens herrees uit de Onderwereld; - had hij Christus gekend, hoe moedig zou hij strijden voor diens erf! En anderen ook: Octavianus, Pompeius, Scipio Africanus! Zij hebben geleefd

[p. 11]

zonder dat het licht des geloofs hen geopenbaard was, maar wanneer zij zich met zo veel toewijding voor het wereldse vaderland hebben geofferd, met welk een ijver en kracht zouden zij dan nu de strijd voor het eeuwige rijk aanvaarden! (XXXVII, p. 495-496).

Dionysius beschouwt Petrarca dus als een vroom paladijn van het Heilige Graf, op wiens voorbeeld ook hij zelf een ernstig woord tot de wereldlijke heersers richt.

In zijn geschrift De vita et fine solitarii noemt Dionysius ook de naam van Petrarca. Deze plaats heeft echter weinig betekenis. (XXXVIII, p. 279). In het bizonder als amator solitudinis heeft Petrarca zich bemind gemaakt bij de monniken. Een ander kapittel uit hetzelfde tractaat van Dionysius draagt het opschrift: Et est laus solitariae vitae ex illustrium dignitate virorum qui eam coluerunt. Dergelijke mannen bespreekt Petrarca in een lange reeks in het tweede boek van De vita solitaria. Dionysius vermeldt Petrarca's uitspraak over Paus Celestinus: ‘Nihilo minus universis his Coelestinum Papam, qui ante pauca tempora exstitit, Franciscus Petrarcha praeferre non metuit: quippe qui ipsum quoque papatum, quo in mundo dignitas mirabilior aut major non est, sponte ac jucundissime deserens, ad eremum abiit’. (XXXVIII, p. 297).1).

Een ander hoofdstukje bespreekt de vraag: An vere solitarius otiosus dici possit et solus. Dionysius betoogt, dat de tegenstrijdige opvattingen op dit punt te verklaren zijn uit de geheel verschillende betekenis, die men aan deze woorden kan hechten. Sommigen, b.v. Bernardus, willen de term ‘otiosus’ niet voor de kluizenaar gebruiken, ‘quia contemplativa vita laboriosissima exstat’. Anderen kiezen deze benaming bij voorkeur, maar verstaan er dan een ander begrip onder. ‘....Seneca contemplativos otiosos disseruit: quod et Franciscus Petrarcha saepius egit.’ (XXXVIII, p. 299).2)

Betekenis voor Dionysius' kennis van Petrarca heeft ook het geschrift Specula omnis status humanae vitae. Hierin wordt geciteerd uit De remediis. Daar zijn om te beginnen twee passages in een pleidooi voor de letteren, die de mens bij zijn innerlijke vorming steunen en verrijken:

Plato philosophus etiam ait, quod litterae insipienti animo tanquam baculus infirmo corpori repertae sunt. Et Poeta laureatus libro primo de Remediis utriusque fortunae dicit, quod nihil sanctius quam scribere libros ut posteris proficias, ut ingenium exerceas, scribendoque aliis te doceas. Nihil autem est dulcius bene impensi temporis memoria. Graecorum unus, Origines, sex millia librorum edidisse traditur. O tranquillum otium! (XL, p. 658).3)

Ook betoogt Dionysius, dat men hetgeen de boeken ons leren, in de praktijk van het leven moet toepassen:

Nam, ut dicit Poeta laureatus ubi supra, tunc est utilis notitia Scripturarum, dum in actum transit, seque ipsam operibus approbat, non verbis: alioqui saepe verum deprehenditur quod scriptum est, scientiam inflare. Et addidit idem, dicens: Multa simul et grandia clare velociterque intelligere ac eadem
[p. 12]
tenaciter meminisse, et ornate loqui ac artificiose scribere et pronuntiare suaviter, haec omnia nisi ad vitam referantur, quid sunt aliud quam inanis instrumenta jactantiae inutilisque labor ac strepitus? (XL, p. 659).1)

In het tweede boek van ditzelfde geschrift spreekt Dionysius over de eis, met volkomen bereidheid zijn eigen wil naar die van anderen te schikken, want dit voedt ons op tot gehoorzaamheid jegens God:

Sit tanta propter Deum nostrae obedientiae promptitudo, quod non solum exspectemus imperium, sed praeveniamus cum alacritate praeceptum. Obediendo quidem nostram contemnimus voluntatem, qua solum nos et religiosi ceteri, et non aliter, beatitudinem possumus promereri, per Jesum Christum Dominum nostrum, quem decrevimus salubriter imitari. Haec Franciscus Petrarcha, poeta laureatus, eleganter quidem et splendide, et utinam audiatur. (XL, p. 718).2)

Juist hoe slechter heer of prelaat men boven zich dulden moet, des te gevalliger is bij God de gehoorzaamheid:

Unde Poeta laureatus, Franciscus Petrarcha, libro suo secundo de Remediis utriusque fortunae: Dolori conquerenti de duritia et perversitate dominorum seu praelatorum respondet ratio:3) Nulla re melius quam dilectione et obsequio mollientur (scilicet duri prelati), et fortassis adeo ut quod obedientibus accidit, inde tibi ventura libertas et pax, unde te servum luges aut subjectum. Deinde dolori conquerenti et dicenti, Imperiosus et difficilis est dominus seu praelatus, respondet: Non sine causa illi in sortem obvenisse tecum in animo tuo pone; quidquid ergo jubet, quamvis difficillimum, sed honestum, Deum ipsum, jubere credito. Sic ergo per omnia praelatis obediant subditi, si justa praecipiunt. Non difficultas retrahat, non labor, non negata praemia, non irrogata supplicia. Unde Apostolus, quum servos per omnia dominis obedire praecepisset (subaudis, dummodo injustitia et inhonestas absint), addidit: Non ad oculum servientes, quasi hominibus placentes, sed in simplicitate cordis, timentes Deum. (XL, p. 733).4)

De geciteerde plaatsen bewijzen de autoriteit, die men in de 15de eeuw aan Petrarca als moralistisch schrijver toekent.

 

Verschillende mededelingen over Petrarca en zijn werk komen voor in een Chronicon, dat samengesteld is door een monnik uit de 15de eeuw: Cornelius Menghers van Zantfliet, - ‘S. Jacobi Leodiensis asceta.’5) In dit Chronicon wordt meer dan eens over Petrarca gesproken, - om te beginnen, op 's dichters geboortejaar, Anno 1304:

[p. 13]
Eodum anno natus est egregius et excellentissimus vir Franciscus Petrarcha civis Florentinus, maximus sui temporis historicus et poëta, qui sicut patebit in consequentiam, ob scientiarum suarum praerogativam in urbe Romana laureari meruerit et corona poëtica honorifice insigniri, quod ante annos plus mille nulli umquam praedecessorum suorum fuit concessum. Hic, inquam, in quadam epistola ad Johannem Bocatium directa sic scribit de seipso etc.

Er volgt hier een passage uit de brief, Ep. Sen. VIII, 1, waarin Petrarca schrijft, dat hij in 1304 geboren is, op de dag, toen de Florentijnse ballingen te Arezzo een aanval op hun vaderstad waagden, waarbij een ontzettende nederlaag hun deel werd. (V, p. 149-150).

Op Anno 1341, het jaar van de kroning op het Capitool, wordt meegedeeld:

Franciscus Petrarcha civis Florentinus, pro tunc agens annum trigesimum septimum, qui in arte rethorica non inferior erat Tullio ac Demostheni, in poëtica vero non minor Virgilio ac Homero, propter eminentem scientiae suae praerogativam in capitolio Romano a gubernatoribus urbis laurea poëtica honorifice decoratus est. Qui quidem honor magnificus citra annos mille ducentos nulli umquam extitit impensus. Copiam autem laureationis ejus hic inserere placuit, quae talis est. (V, p. 226).

Het Latijnse document van de kroning wordt dan volledig geciteerd. (V, p. 226-229).1)

In verband met de geschiedenis van deze kroning vertelt Zantfliet ook over koning Robert van Napels, die eerst geringschatting koesterde voor het werk van Virgilius, maar door Petrarca's invloed bekeerd werd: ‘quam cito Franciscum Petrarcham arcanos poëmatum referentem sensus audivit.’ (V. p. 229).2)

Ten slotte wordt een overzicht van Petrarca's werken gegeven:

Porro Francisci Petrarchae multa patent opera metrica et prosaïca memoratu dignissima, certum de celesti ejus ingenio testimonium hinc inde ferentia. Stat equidem poëtica sua nobilissima, quam Africam titulavit, primi Scipionis Africani narrans magnalia heroïco carmine scripta. Stat et Bucolicum carmen jam ubique sua celebritate cognitum. Stat et liber epistolarum ad amicos metrico stilo scriptarum. Sunt praeterea duo ingentia prosaïcarum epistolarum juvenilium et senilium volumina, tanta sententiarum, tanta rerum gestarum copia, tanto ornatu artificii splendentia, ut in nullo Ciceronianis postponendas eas censeat lector discretus. Sunt invectivae in medicum, et liber solitariae vitae, atque de remediis ad utramque fortunam, et alia infinita opuscula, quorum non est numerus. Haec de eo suus scribit Boccacius. (V, p. 229).3)

Elders in het Chronicon wordt over de verhouding van Petrarca en Paus Urbanus V gesproken in verband met de Babylonische ballingschap en herinnert de schrijver aan Petrarca's beroemde brief over deze kwestie (Ep. Sen. VII, 1):

[p. 14]
Praeterea per vivam vocem Francisci Petrarchae, pro tunc nuntii Venetorum, inductus est transferre sedem apostolicam in urbe Roma, quae per annos multos ad Avinionem translata fuerat, reclamante aliqua parte cardinalium, qui pro majori parte origine Galli extiterant, et seditiones Romanorum, moresque innatos aut ex scriptis aut ex visis plene noverant. Haec manifeste patent in epistola continente circiter duos quaternos papyri, missa ad praefatum papam a Francisco Petrarcha laureato poëta, rogato pro tunc a Venetis et Italicis, quorum erat concivis. (V, p. 281).

Een vergissing begaat Zantfliet, wanneer hij naar aanleiding van Boccaccio's geschiedenis van Griseldis als volgt zegt: ‘....quam transtulit Petrus Petrarcha postmodum ad idioma Latinum.’ (V, p. 292).

Het Chronicon vertegenwoordigt, voor zover ik weet, het oudste geschrift, waarin systematische mededelingen over Petrarca voorkomen. De schrijver heeft zijn gegevens voornamelijk aan Boccaccio te danken.

 

In Italië opent Boccaccio de aanzienlijke reeks biografieën van Petrarca door landgenoten vervaardigd, - aan Rodolphus Agricola de eer, dat hij wel de eerste buitenlander is, die het leven van de geleerde dichter beschreven heeft. Agricola brengt enige jaren in Italië door, juist in de tijd, toen het Humanisme daar zijn hoogste triomfen vierde. In het Zuiden wordt hem de wereld van het klassieke geestesleven ontsloten door zijn studie te Padua en vooral door het persoonlijk contact met Poliziano en andere Humanisten. Geen wonder, dat ook Agricola geboeid werd door de figuur van hun profeet: Petrarca. Een kostbaar getuigenis van die verering is zijn Vita Petrarchae, die nooit in druk verschenen is, maar in twee redacties bewaard is.1) Wat de bouw betreft, kenschetst Van der Velden het geschrift als ‘een biografie op humanistischen trant in den vorm eener oratie.’

Agricola ontleent zijn gegevens grotendeels aan Petrarca's Epistola ad posteritatem of aan de transcriptie van dit autobiografische document, de Vita Petrarchae door P.P. Vergerius.2) Het opschrift van de redactie te München vermeldt als tijd van ontstaan het jaar 1477.3)

Reeds aan het begin blijkt, dat Agricola Petrarca vooral bewondert, omdat deze was ‘alter quidam parens atque restitutor bonarum artium, qui solus vel maxime extinctas et prope sepultas literas ab inferis revocans veluti novo infusas spiritu rursus animavit.’ (fol. IV en 2r).

Eerst worden enige bizonderheden meegedeeld over Petrarca's familie, - zijn jeugd en studiejaren, toen, in strijd met zijn vaders bedoelingen, de ‘humanitatis

[p. 15]

artes’ méér zijn belangstelling wekten dan de juridische studiën. Toen hij na de dood van zijn vader naar Provence teruggekeerd was, wijdde hij zich geheel aan de studie van de klassieke auteurs: en deze ‘sciendi voluptas’ heeft hem zijn onsterfelijke roem verzekerd.

Interessant is de passage over de liefde voor Laura:

Factus autem annorum XXIII, quum Av[in]ionem rediisset, atque sacro die qua passus est Salvator, templa sacellaque, ut mos est, religionis causa adiret, virgo quaedam, cui Lauretae nomen erat, quae ex Castello quodam vicino Avinioni propter indulgentias in urbem venerat, eam in aede Divae Clarae obviam sibi habuit, cuius decore eximiaque frontis gloria victus, amore maximo et in exemplum notabili captus est. Hic tam altas radices in pectore suo egit, ut non tot doloribus, qui dies noctesque animantium mentes exedit, non XXI annorum temporis quo duravit spacio, non multis variisque peregrinationibus et doloribus quos obivit deleri potuerit, quinetiam defuncta ipsa iam dudum, et cum canicie languescente fervore aetatis, tandem tamen emortuus potius sit, quam expulsus ardor. (fol. 5r en 5v).

Hier voegt Agricola nu een beschouwing aan toe over de aard van Petrarca's liefde: van wijsgerig standpunt is een dergelijke ‘mentis affectus, qui non ex ratione est,’ misschien te veroordelen, doch men lette op de verheven strekking, die hier aanwezig is, en op de zelfbeheersing en standvastigheid, die Petrarca getoond heeft.

In dit verband spreekt Agricola ook over het voorstel van Paus Urbanus, die Petrarca de mogelijkheid van een huwelijk met Laura wilde bieden.1) De dichter zou dit echter in heuse bewoordingen hebben afgewezen. Hij antwoordt de Paus, dat zijn gevoelens voor hem zelf een hogere bedoeling hebben en verder is er nog een andere reden: ‘....malo multum cupivisse, quam parum assecutus videri: timeo ne exiguo praecio libertatem vendidisse postea doleat et in his quae maxime optantur, copia tamen taedium saepe attulit, natura ferme ita evenit, ut desideratissimarum rerum sit fastidiosa sacietas’. (fol. 7r).

Agricola - hoewel Humanist - schenkt ook aandacht aan de Italiaanse poëzie van Petrarca. Hij roemt hem zelfs als de sonnettendichter bij uitnemendheid:

Scripsit autem hoc tempore primam partem Sonulorum (ita enim vocant vernaculo sermone) et Carminum moralium Hetrusca oratione in laudem Laurae suae (mutaverat enim nomen, quo magis conveniret carmini) et multa bellissime ad nominis Sonum finxit. Est autem genus Carminis non pedibus, sed solo numero Syllabarum dimensum, similiter desinentibus constans, quod vulgus Rythmos vocant, quamvis longe aliud esse Rythmum his notum est, qui versus faciendi rationem tenent. Superavitque in eo omnes, qui ante se vel post scripserunt ea oratione. (fol. 7v).

Ook Petrarca's vriendschap met de Colonna's wordt besproken en verder zijn reizen, speciaal het verblijf in Rome: de stad boeide Petrarca, maar toch verlangde hij terug naar de rust van het schone Vaucluse, om daar te kunnen studeeren en schrijven.

[p. 16]

Agricola verdedigt Petrarca tegen het verwijt, dat zijn rusteloos zwerven niet past voor de ware ‘homo doctus’. Maar de Ouden wezen toch reeds op de heilzame invloed van dergelijke afwisseling voor het geestelijk leven. Agricola beroept zich zelfs op Plato, wanneer hij het nut van reizen betoogt voor wie zijn kennis verrijken wil.

Ook de geschiedenis van de dichterkroning wordt gereleveerd, en de rol, die Robert, koning van Napels, hierbij gespeeld heeft.

Laura's dood - als Petrarca's liefde drie maal zeven jaar geduurd heeft - geeft Agricola een paar opmerkingen in de pen over getallensymboliek. De betekenis van dit feit voor Petrarca en zijn kunst wordt uiteengezet in de volgende zinsnede:

Tulit mortem eius, ut credi par est, graviter apprime moleste, et multorum opinione, qui alieni doloris maligni sunt iudices, mollius quam decuerit, vel eruditionem suam vel annos: non enim nisi post decimum annum ab senissimo iugo potuit explicare se, quos magna ex parte ad Sorgium suum degit, et Sonulos Carminaque cum Triumphis eadem qua diximus Hetrusca lingua absolvit, ipsamque haud dubie immortalitati consecravit. (fol. 12r en 12v).

Na een mededeling over Petrarca's leven in Arquà, geeft Agricola een overzicht van de Italiaanse en Latijnse werken. Verder beschrijft hij Petrarca's uiterlijk voorkomen en zijn vele karakterdeugden, zoals die zich ook in zijn levenswijze weerspiegeld hebben: zelfbeheersing, trouw, vrijheidszin, grootmoedigheid.

Agricola eindigt zijn Vita met Petrarca's betekenis voor het Humanisme nog eens nader te formuleeren. Hij neemt hem in bescherming tegen het verwijt, dat de stijl van zijn Latijnse geschriften niet aan de klassieke eisen beantwoordt. Was de kennis der lateren hem toegankelijk geweest, dan had hij de palm weggedragen, en met de Ouden mogen wedijveren, hij, Petrarca, ‘qui primus in tanta barbarie ausus sit sermonem ad severiora praecepta revocare’. Ten slotte wordt Petrarca geprezen als een voorbeeld, dat ieder na moge streven.

Uit deze Vita spreekt de nieuwe geest: de kerkelijke auteurs waardeeren Petrarca uitsluitend om zijn stichtelijke tractaten, maar Agricola heeft zich een breder kijk verworven. Met grote nadruk roemt hij Petrarca als de baanbreker van de letterkundige beschaving. De Humanist in Agricola zelf is aan het woord, wanneer hij uitweidt over de Africa, zijn uitspraken steunt met de autoriteit van klassieke schrijvers en aan figuren uit de Oudheid herinnert, b.v. aan Julius Caesar, omdat deze aan dezelfde ziekte gestorven is als Petrarca. (‘Morbus comitialis’; - ‘morbus caducus’). Maar tevens toont Agricola belangstelling voor het Italiaanse werk van de dichter en verdiept zich in beschouwingen over de aard van zijn liefde. Hij geeft ook een karakterschets en tracht verschillende eigenschappen psychologisch te verklaren, b.v. Petrarca's neiging om dikwijls van woonplaats te veranderen.

Het ligt voor de hand, dat Agricola, na zijn terugkeer, ook zijn leerlingen in Aduward vaak over hem gesproken heeft. Dit kan één der wegen vormen, waarlangs de kennis omtrent Petrarca andere Nederlandse Humanisten bereikt heeft.1)

[p. 17]

Johannes Murmellius, die zijn jongens Latijn leerde volgens een Berlitz-methode avant la lettre, zal genoemd worden als editor van Petrarca's Bucolicum carmen, door hem van een lofdicht voorzien. (zie p. 26). Ook elders brengt hij zijn kennis van de Eclogae te pas. Ik vestig de aandacht op zijn geschrift Enchiridion scholasticorum (1505).1) Hierin betoogt Murmellius, dat men jong leren moet, omdat verzuim daarvan in de ouderdom onherstelbaar is. Petrarca laat hij ook getuigen:

Qui vero iuventute per sordida negotia vel disidiam transacta instante iam senectute primum litteris vacare conatur, plurimum desipit meritoque coarguendus est, ut illum apud Petrarcham Daedalus increpat:
 
Sera animum quae cura subit? Brevis ecce iuventae
 
Flos cecidit. Tunc tempus erat; iam discere turpe est,
 
Quod pulchrum didicisse foret: Sic volvitur aetas,
 
Omnia sic volvit fugiens ac nescia freni.
 
Sorte tua contentus abi citharamque relinque;
 
Est quibus a teneris tractata suaviter annis.2)

Murmellius voelt het belang van een goede verhouding tussen meester en leerling: ‘Qui probatum praeceptorem nactus est, imprimis eum amet et colat. Est enim amor teste Plinio iuniore magister optimus. Et ut Petrarca dicit, habet hoc omnis doctrina: Multo facilius in auditoris animum ab amato praeceptore transfunditur’.3)

Ook de omgang der scholieren onderling wordt besproken:

Studiosorum consuetudo diligenti scholastico non parum fructus praestabit. Cum sancto sanctus eris et cum perverso perverteris. Usitatum est sermone proverbium: ‘Si claudo vicinus habitaveris, et ipse claudus ambulare disces.’ Petrarca in Bucolicis:
 
‘Pastorem pastor, pecudem pecus inficit aegra.’4)

Nog een ander werk van Murmellius kan hier vermeld worden, namelijk zijn geschrift Scoparius in barbarei propugnatores et osores humanitatis.5) Hier triomfeert de geest van het Humanisme over de middeleeuwse traditie. Murmellius wijst de studiosi op goede commentaren bij de werken, die zij raadplegen moeten voor hun wetenschappelijke arbeid. Nadat de klassieke auteurs de revue gepasseerd zijn, memoreert hij ook een commentator van Petrarca's Eclogae: ‘In Bucolica Francisci Petrarcae Servatius Aedicollius Agrippinensis.’6)

Het blijkt dus wel, dat Petrarca geen onbekende voor Murmellius is geweest. Wij

[p. 18]

zien, dat deze laatste speciale belangstelling toont voor het Bucolicum carmen en Petrarca gaarne citeert als paedagogisch auteur.

De tegenstelling, die Murmellius in boek I en II van zijn Eligiae morales uitwerkt, is hem misschien ingegeven door Petrarca's werk De remediis. Het eerste boek van Murmellius' elegieën draagt namelijk de titel De humanae vitae miseriis, terwijl het tweede boek tot onderwerp heeft De dignitate et excellentia hominis.1)

Een aanrakingspunt tussen Petrarca, Murmellius en Agricola ligt nog hierin, dat stichtelijke poëzie van hen drieën in één en dezelfde bundel voorkomt.2) Hier vinden wij Petrarca's Carmen de diva Magdalena, dat Murmellius opgenomen heeft in zijn editie van het Bucolicum carmen (Deventer 1512), die op p. 26 besproken wordt.

 

Het Griseldis-verhaal. - De geschiedenis van Griselda aan het slot van de Decamerone, is één der meest populaire stukken uit dit werk geworden. Het is verspreid in de literatuur van bijna alle Europese landen, zelfs op IJsland en in Rusland. Nu is het een feit, dat de meeste bewerkingen niet op de Italiaanse tekst teruggaan, maar op de Latijnse vertaling, die Petrarca in 1373, kort voor zijn dood, vervaardigd heeft. Ook onze letterkunde heeft in dit opzicht verplichtingen aan zijn arbeid.

Deze bewerking is opgenomen in een brief aan Boccaccio, namelijk Ep. Sen. XVII, 3. Petrarca deelt mee, dat hij de Decamerone in handen gekregen had: niet alles heeft hij gelezen, maar juist het verhaal aan het einde heeft hem bizonder getroffen. Daarom wil hij de geschiedenis van Griselde vertalen, om hierdoor de bekendheid van het verhaal te vergroten en tevens een bewijs te geven, van zijn vriendschap voor Boccaccio. Hij zegt als volgt:

Cogitatio supervenit, fieri posse ut nostri etiam sermonis ignaros tam dulcis historia delectaret, cum et mihi semper ante multos annos audita placuisset, et tibi usque adeo placuisse perpenderem, ut vulgari eam stilo tuo censueris non indignam ...... calamum arripiens historiam ipsam tuam scribere sum aggressus, te haud dubie gavisurum sperans ultro rerum interpretem me tuarum fore. Quod non facile alteri cuicumque praestiterim, egit me tui amor et historiae.

Belangrijk is, dat er typische verschilpunten bestaan in de weergave van het verhaal bij Boccaccio en Petrarca. De geschiedenis is niet alleen uitgebreid naverteld: Petrarca heeft ook in geest en toon van het verhaal enige wijziging aangebracht.3)

Vergelijkt men begin en slot van de novelle bij Boccaccio, dan is er weinig karaktereenheid in de figuur van Gualtieri. Zijn optreden jegens Griselda maakt later

[p. 19]

de indruk van bewuste wreedheid. Haar opperste gehoorzaamheid en zelfverloochening missen hierdoor innerlijke motiveering.

Het schijnt echter, of Petrarca enkele trekken heeft willen verzachten. Het karakter van de edelman wordt sympathieker getekend en ook de ontknoping aan het einde is in humaner termen vervat. Hierdoor wordt ook de houding van Griseldis anders belicht. Zij toont zich nu een vrouw, die door haar grote, sterke liefde alles dulden en vergeven kan. Zo wordt het verhaal meer psychologisch behandeld; de karakters zijn gecompliceerder, maar ook menselijker.

De Griseldis ontbreekt in de oudste edities van Petrarca's Latijnse werken, maar is te vinden in de latere drukken van de Opera omnia (Basileae 1554, 1581), onder de titel: De obedientia ac fide uxoria mythologia. Wel was het verhaal reeds in de 15de eeuw apart gedrukt, ook buiten Italië. (Epistola.... de historia Griseldis mulieris maxime constantie et patientie). Er verschenen in Duitsland omstreeks 1470 verschillende edities. Tegen het eind van de eeuw is deze Epistola ook in Deventer uitgekomen. (p. 24).

De Latijnse Griseldis was trouwens reeds vroeg bekend in ons land, zoals blijkt uit het feit, dat in verschillende kloosters handschriften werden aangetroffen. (p. 7). Verder heeft men reeds drie Middelnederlandse vertalingen beschreven;1) deze teksten, waarvan twee in Nedersaksisch dialect, dateeren uit de 15de eeuw en komen voor in bundels met stichtelijke geschriften. Het Latijn van Petrarca, de Epistola, ligt aan deze bewerkingen ten grondslag. Ook is het verhaal als exempel opgenomen in een handschrift van Jan van den Berghe's Gemoraliseerd kaetsspel. (1431).2)

Hierbij voegen zich dan later de edities als volksboek. Omstreeks 1500 verschijnt te Deventer bij Jacobus van Breda Die Hystorie vander goeder vrouwen Griseldis. (p. 24). Deze tekst is, blijkens de vorm der eigennamen, niet rechtstreeks naar het Latijn vertaald, maar door tussenkomst van een Oudfranse bewerking.

Door de verspreiding als volksboek heeft de geschiedenis van Griseldis brede kringen van lezers bereikt. Herdrukken zetten zich voort tot in de 19de eeuw.3) Bovendien is de historie van Griseldis met twee dergelijke verhalen verenigd tot De Vrouwen-peerle (ofte Dryvoudige Historie van Helena de Verduldige, Griseldis de Sachtmoedige, Florentina de Getrouwe). Ook hiervan zijn vele uitgaven bekend.4)

Nog uit andere feiten blijkt de populariteit van Griseldis' lotgevallen: er bestonden dramatische bewerkingen in de volkstaal. Op Sinxendag 1498 werd door ‘de ghesellen van der Retorijcke van Peteghem’ voorgedragen 't spel van Gryselle.5) De Kamer ‘Den Groeyenden Boom’ te Lier speelde op 1 Mei van het jaar 1556 het spel van Griseldis.6)

[p. 20]

Verder bestaat er een Latijns toneelstuk Griseldis (1519), waarvan Eligius Eucharius, ofte wel Eligius Houcarius (Gillis Hoeckaert) - priester en magister te Gent - de auteur is; het is een bewerking van een stuk, dat één zijner vrienden gemaakt had, en werd met succes door zijn discipelen van de Latijnse school opgevoerd.1)

Ook bezitten wij dichterlijke optekeningen van het verhaal. Als oudste berijming kan men aan de geschiedenis van Orphaen en Lympiose uit Der minnen loop herinneren.2) Dirc Potter heeft de stof waarschijnlijk rechtstreeks door de Decamerone leren kennen en toen het motief naar eigen smaak weergegeven; de plaats der handeling en de namen van de personen zijn gewijzigd.

Van de berijmingen als apart gedicht noem ik het lied Van den Greve ende van Grisillen. Dit is door Antonius Ghyselers, waarschijnlijk in 1517, vervaardigd.3) Vermoedelijk berust de inhoud op de tekst van het volksboek.4)

Opmerking verdient ook het Historie-lied van de verduldige Griesella,5) dat misschien op het eind van de 16de eeuw geschreven is, en ook wel terug zal gaan op het volksboek van Griseldis.

Niet alleen door de volksboeken, dramatische bewerkingen en liederen kon men in ons land het verhaal - volgens Petrarca's redactie - leren kennen, maar sinds 1564 ook door een vertaling van de oorspronkelijke Italiaanse tekst.

Coornhert heeft namelijk vijftig novellen uit de Decamerone - naar de Franse versie van Le Maçon - in het Nederlands overgebracht. Ook hier is de geschiedenis van Griseldis voor het einde bewaard.6) De verspreiding van het verhaal langs deze weg staat dus niet in verband met Petrarca's Latijnse brief, waar onze middel-nederlandse redacties afhankelijk van zijn. Wat deze bewerkingen betreft, moet nog de aandacht gevestigd worden op de speciale strekking, die in deze teksten aan het verhaal verbonden is.

Wij zagen reeds, dat onze oude Griseldis-vertalingen zonder uitzondering gevonden worden in bundels met stichtelijke lectuur. De optekening, die Gallée gepubliceerd heeft, draagt het sprekende opschrift Griseldis Histori mit eynre geestelike bedudenisse. Het verhaal wordt gevolgd door een uitvoerige beschouwing, waarin de geschiedenis in religieuze zin geïnterpreteerd wordt als een parabel van de verhouding tussen Christus en zijn bruid, de menselijke ziel.7)

Hetzelfde geldt voor de redactie van Verdam: hier schrijft de vertaler in zijn ‘Voersprake’ als volgt:

[p. 21]
Bi deser hystoriën machmen merken ene forme gheestliker echtscap tusschen God ende der getrouwer sielen, die alle eertsche dinge versmadende Cristum Jhesum onsen heren verkiest tot enen brudegom. Ende die mach weten dat haer toebehoert alsulke trouwe ende ghelatenheit te bewisen Cristo haren brudegom, als sie hier een schijn van vindet in desen vrouwenaem.1)

Nu moeten wij terugkeren tot Petrarca. In zijn laatste levensjaren verdiept hij zich gaarne in vrome overpeinzingen en in deze geest heeft hij ook Boccaccio's vertelling uitgebreid met een religieuze moralisatie. Onze Middelnederlandse redacties, bewerkt naar Petrarca's Epistola, eindigen dan ook alle met de toepassing van het verhaal op het godsdienstig leven van de mens. Ik citeer de passage, zoals die, naar de Latijnse tekst vertaald, voorkomt in de redactie, die Verdam heeft uitgegeven.

Dese hystorie hebbe ic voergenomen in schrifte te laten, nyet daer om so seer dat ic die vrouwen van onsen tyden waen te vermanen tot navolghinge der lijdsamheit deses wives, die, als my duncket, nauwe navolgelic en is, mer op dat ic verwecken moghe die dit lesen sullen to verwonderen deses wives stantafticheit, ende dat sie des gelijcs wat pinen onsen heren Gode te bewisen, dat dit vrouwenaem oeren manne heeft bewijst. Want al ist als sunte Iacob seecht, dat onse here God nyemant en becoert int quade, nochtant so proeft hi ons ende oeffent dicwile mit groten swaren saken; nyet op dat hi onsen moet moghe weten, dien hi wiste aleer wi geboren worden, mer op dat onse crancheit ons mit openen bewisingen kenlic moghe warden. Men mach wal onder die stantaftige manne mede scriven dien, so wie hi is, die voer onsen heren Gode dat lydet sonder murmurieren, dat dit geboren lantwijf2) voer oeren sterfliken man heeft geleden.3)

Om deze strekking van de inhoud zal de Kerk het verhaal van Griseldis, zoals Petrarca het meedeelt, sterk gepropageerd hebben en dit is de populariteit van de geschiedenis ongetwijfeld ten goede gekomen.

Het blijkt dus, dat Petrarca voor de verspreiding van de Griseldis in ons land en de interpretatie daarvan een belangrijke rol heeft gespeeld.

 

Incunabelen. - Evenals de handschriften geven ook de oude drukken in ons land aanwijzingen voor de bekendheid met bepaalde werken van Petrarca. Hier volgt een overzicht van de incunabelen en post-incunabelen in Noord- en Zuid-Nederland verschenen, die in verband met Petrarca staan.4)

Er dient gewaarschuwd, dat een editie Opera, die Campbell opgeeft (‘Daventriae,

[p. 22]

sans nom d'imprimeur, 1494’), een uitgaaf, die al de bekende drukken in ouderdom zou overtreffen, niet authentiek is.1)

Eén van onze oudste drukken is waarschijnlijk Francisci petrarche de salibus virorum illustrium ac faceciis, - in één band verenigd met een Aesopus-vertaling door Valla, vermoedelijk in 1472, te Haarlem (?), verschenen.2) Wij vinden hier een brokstuk uit Petrarca's werk De rebus memorandis. Het is ontleend aan lib. II, tract. III, een afdeling, die in het volledige werk het opschrift draagt: Tractatus tertius est de alia parte eloquentiae: quae dicacitas sive facetitas sive sales possunt appellari. Aan het einde staat nog een stuk: De laude litterarum et honestorum studiorum. Dit zijn fragmenten uit lib. I, tract. II: De studio et doctrina aliquorum illustrium virorum. Als slot is gekozen de uitspraak van Robert van Napels: ‘- iuro dulciores et multo chariores mihi litteras esse quam regnum. Et si alterutro carendum sit: equanimius me diademate quam litteris cariturum.

Campbell vermeldt als Incun. 247 (anoniem): Le Vite de pontifici e imperatori Romani (1478). Vroeger heeft men een werk met deze titel aan Petrarca toegeschreven. De latere opvatting hieromtrent blijkt uit het feit, dat de bibliograaf Ferrazzi deze Vite geheel buiten beschouwing laat, ‘perchè universalmente ritenute apocrife’.3) Iedere aanwijzing, dat het vermelde exemplaar van Nederlandse oorsprong is, schijnt echter te ontbreken.4)

Een Nederlandse incunabel, die ten onrechte aan Petrarca's naam verbonden wordt, is Teghen die strael der minnen. (Gouda ± 1484).5) De aanhef luidt: ‘Hier beghint die histori welke bescrijft franciscus petrarcha poeta laureatus in latijn.’

Volgens Prof. Vittorio Rossi uit Rome gaat deze vertaling terug op een Latijns manuscript, dat zich in het British Museum bevindt.6) Deze geleerde kenschetst de codex als ‘pseudo-petrarchesco.’ De inhoud van het verhaal is als volgt. Marina is gehuwd met de oudere koopman Aronus, die een lange reis gaat ondernemen. Tijdens zijn afwezigheid vat zij liefde op voor een jonge rechtsgeleerde, Dagianus. Deze weigert echter haar verlangen te voldoen, eer de tijd van zijn vasten-gelofte verstreken is. Hij vraagt haar dringend, de helft van zijn vastendagen over te nemen. Marina stemt toe, doch juist door deze periode van ontzegging en inkeer wordt de wil tot zondigen in haar gedood. Op deze wijze bereikt Dagianus, dat zij haar echtgenoot trouw blijft.

Het verhaal is een geestelijke parabel: de wankeling van Marina, gevolgd door haar behoud, is het beeld van de menselijke ziel, die dwaalwegen zoekt, maar door Christus wordt teruggevoerd tot God. Het is een voorbeeld van een laat-middel-

[p. 23]

eeuwse novelle, door de Nederlandse vertaler van een religieuze interpretatie voorzien. De toeschrijving aan Petrarca is echter onjuist.

Van Petrarca's roem als moralistisch auteur getuigt de omstandigheid, dat ook stukken uit De remediis tot de oudste drukken behoren.1) Een monnik uit een klooster in Geertruidenberg, Adrianus Carthusiensis, heeft een excerpt van dit werk vervaardigd, dat ongeveer één derde van de oorspronkelijke omvang heeft. De tekst is niet in capita ingedeeld en de figuren uit de dialogen hebben andere namen gekregen. Tegen 1470 zijn een paar edities hiervan verschenen, die door de bibliografen aan Duitse uitgevers worden toegeschreven. Omstreeks 1485 echter heeft een drukker te Leuven - zelf van Duits origine - een herdruk ter perse gelegd: Incipit liber de remediis utriusque fortune prospere et adverse. Copulatus per quendam Adrianum Cartusiensem et sacre theologie professorem..... Impressusque in alma universitate Louaniensi in domo magistri Johannis de westphalia.

Verder heeft men brokstukken uit De remediis herkend in een werk, dat vroeger onder de titel De vera sapientia voor een afzonderlijk geschrift van Petrarca gehouden werd. Thans is echter aangetoond, dat wij hier met compilatie-arbeid te doen hebben.2) De eerste dialoog bevat namelijk een stuk uit De remediis,3) terwijl de rest van de tekst grotendeels overgenomen is uit het tractaat De sapientia van Nicolaus Cusanus. Ten onrechte is de gehele verhandeling toen op naam van Petrarca geplaatst en als zodanig opgenomen in de oudste edities van zijn werken te Bazel en Venetië.

Te voren was dit tractaat toen reeds een paar keer afzonderlijk gedrukt. Het is te zamen uitgegeven met een vertaling van Plutarchus' Apophthegmata, door Filelfo vervaardigd: Dicteriae, e graeco in latinum per Fr. Philelphum traductae. - Francisci petrarche poete laureati de vera sapientia dialogi. Nadere aanwijzingen ontbreken; Campbell vermoedt echter, dat deze druk omstreeks 1473 in Utrecht bij Nic. Ketelaer en Ger. van Leempt het licht heeft gezien.4)

Enige jaren later verscheen het opnieuw: Francisci petrarche poete laureati de vera sapientia. Campbell schrijft deze editie van omstreeks 1485 toe aan de pers van Pieter van Os te Zwolle. Het werd hier dus gaarne gelezen blijkens het feit van deze drukken.

Eén authentiek werk van Petrarca is inderdaad het allereerst op Nederlandse bodem gedrukt, namelijk: Francisci petrarche Poete laureati rerum memorandarum liber primus, etc. (Volgt de complete tekst in vier boeken) - Eiusdem francisci petrarche epistola de studiorum suorum successibus ad posteritatem. Deze druk verscheen in 1484 of 1485, waarschijnlijk bij Rodolphus Loeffs, te Leuven. In Noord-Nederland was te voren reeds een fragment uit dit werk gedrukt. (p. 22).

Belangrijk is, dat deze Leuvense editie tevens de oudste druk bevat van de

[p. 24]

Epistola ad posteritatem. De voorstelling, die men zich van Petrarca vormde, moet aan diepte gewonnen hebben, nu men door deze autobiografie meer feiten uit zijn leven en nieuwe trekken van zijn persoonlijkheid leerde kennen.

Ook de edities van De contemptu mundi hebben er toe bijgedragen, de kennis van Petrarca's innerlijk leven te vergroten. Door dit werk krijgt men een blik op de verhouding van de dichter tot Laura. Bij Gerardus Leeu, Goudenaar van origine, verscheen dit werk in 1489 te Antwerpen onder de titel: Liber de secreto conflictu curarum suarum.1) Er is een voorrede aan toegevoegd van Jacobus Canter Frisius, (geb. ± 1471), beroemd geleerde en gelauwerd dichter, een vriend van Erasmus. Daar hij één van onze oudste elogia op Petrarca gegeven heeft, en tevens dit bepaalde geschrift speciaal prijst, citeer ik een passage uit Canter's Epistola:

Est namque in eis quod ad vitam prosit: est etiam quod ad orationem. Namque ipsorum auctor (ut noscas hominem) is est, qui hac posteriori etate linguam latinam ceu in pulvere iacentem erexit: is qui priscum illum loquendi nitorem nostro evo primus restituit. Secuti sunt eum fateor eloquentiores: verum ei plurima gratia debetur qui rem ad yma prope fundamenta collapsam diligentia sua instauravit. Collauda igitur hominem multa laude dignissimum. et has meditationes eius non inutiles oculis atque animo intentus lege.

De lectuur zal dubbel profijt opleveren: men vindt er iets voor de praktijk van het leven en iets voor zijn taalkundige ontwikkeling. Met nadruk wijst Canter op Petrarca's betekenis voor de herleefde Latiniteit. Wel is zijn taal door latere auteurs overtroffen,2) maar hij was toch de eerste, grote baanbreker. Waarschijnlijk was deze editie vooral bestemd voor de leerlingen van de Latijnse scholen.

Ook in Noord-Nederland is een editie van De contemptu mundi verschenen. (Deventer, bij Jacobus van Breda, 1498). De voorrede van Jacobus Canter begeleidt hier eveneens de tekst.

De geschiedenis van Griseldis was, zoals wij zagen, reeds vroeg populair. In Deventer zijn omstreeks 1500 een Latijnse editie en ook een Hollandse vertaling verschenen, namelijk: Epistola de historia Griseldis (omstreeks 1498, door Campbell toegeschreven aan de pers van Richard Paffroet - ook wel Pafraet genoemd, en Die Hystorie vander goeder vrouwen Griseldis. (Deventer, Jacob van Breda, vermoedelijk omstreeks 1500).3)

Verder kunnen twee Dietse drukken van de Septem psalmi poenitentiales van Petrarca genoemd worden. Er bestaat een editie zonder nadere aanwijzing, (vroeger is deze wel aan de pers van een uitgever te Brugge toegeschreven), en een druk te Zwolle in 1506 door Pieter van Os van Breda uitgegeven, samen met stichtelijk werk van andere auteurs.

Het is weer Deventer, waar ook enige oude drukken van het Bucolicum carmen

[p. 25]

verschenen zijn. Uit 1499 dateert een editie, die naar alle waarschijnlijkheid van Richard Paffroet (Pafraet) afkomstig is: Bucolica Francisci petrarchi.1)

Een andere drukker in Deventer, Jacobus van Breda, heeft het werk in 1508 eveneens ter perse gelegd: Francisci Petrarche poete laureati bucolicum carmen opera eruditissimi viri Servacii Agrippini diligenter recognitum et accuratius explanatum. Bovendien treft men in deze editie aan: Francisci Petrarche vita per Servatium Agrippinum breviter collecta. Dit is de oudste biografie van de dichter, die in ons land verschenen is. Ik citeer wat deze auteur, Servatius Aedicollius, over Petrarca in Vaucluse meedeelt:

Inde avinionem regressus et tedio curie affectus solitarium locum exquisivit quindecim passuum milibus ab avinioni distantem in quo erat fluvius amenissimus Sorgice, et celi serenitas. hic carmen bucolicum et de solitaria vita scripsit affricamque aggressus est. ita enim opus de scipionis bello inscripsit. hic etiam captus amore laurete2) quam ipse ampliato nomine lauream vocavit in cuius laudem multos et carmina et rhithmos latino et vernaculo sermone composuit nomenque puelle ut laurea coronaretur incitavit.

Waarschijnlijk heeft Aedicollius gebruik gemaakt van de Vita Petrarchae van Squarciafico,3) in de editie van Petrarca's Latijnse werken, die in 1501 te Venetië het licht zag. Squarciafico noemt als zijn bronnen verschillende vroegere biografieën, - die van Vergerio, Sicco Polentone, Leonardo Bruni Aretino, Filelfo, en dan de geschriften van Petrarca zelf.4)

Servatius Aedicollius heeft het Bucolicum carmen ook van een commentaar voorzien. Daar dit werk met zijn allegorische inkleding zeer duister is, was het een goede gedachte van de uitgever op deze wijze de verspreiding van zijn editie te bevorderen. Als staal volge hier de inleiding bij de ecloga Laurea occidens:5)

Quid, Silvane, huic aegloge nomen est laurea occidens que inter alias obscurior magis est quam prolixior[?] quod in hac auctor ambigua circuitione multorum poetarum meminit qui lauro insignes tam apud grecos quam apud latinos fuerunt. allegorice autem studium poeticum suo seculo occidisse conqueritur et obitum laurete amice cuius nomen petrarche animum usque adeo ad poeticum studium applicuit ut varia tandem lectione atque exercitio laurea coronari meruerit. Fingit igitur varias se regiones peragrasse gratia lauri inveniende multosque super ea re pastores consuluisse quo ve pacto laurus iam occidens revirescere posset quam in calce vehementi tempestatis turbine cecidisse lamentatur amicam scilicet deplorans ut deinceps ostendemus.
[p. 26]

Enkele jaren later, in 1512, verschijnt het Bucolicum carmen opnieuw, eveneens te Deventer, thans bij Albert Pafraet.1) De levensbeschrijving en het commentaar door Servatius Aedicollius Agrippinus zijn ook hier opgenomen. Bovendien bevat de inhoud nu een lofdicht van de Humanist Murmellius en verder Petrarca's hymne Carmen de diva Magdalena.2)

Murmellius overziet in zijn gedicht de ontwikkeling van de ecloga in de klassieke literatuur. Hij herinnert aan Petrarca's verblijf in Vaucluse, constateert zijn betekenis voor de herleving van de letteren en hoopt, dat de studiosi hem daarom als hun leidsman zullen eren. Blijkens het opschrift van Murmellius' epigram was de editie vooral bestemd voor de leerlingen van de Humanistenscholen. Petrarca wordt hier voor het eerst ingeschakeld in de reeks van bucolische auteurs. Ik citeer dit oude lofdicht in zijn geheel:

Ioannis Murmellij ad iuventutem bonarum artium studiosam epigramma.
 
Dulcia bucolice luserunt carmina muse
 
Moschus et agresti nobilis ore Bion
 
Plus meruit laudis sicule telluris alumnus
 
Quem pius ausonia provocat arte Maro
 
Arguto resonat Calphurni phistula cantu.
 
Cui culto magnus carmine venit honor
 
Pastorum numeros cecinit Petrarcha nitenteis
 
Propter aquas Sorge pulchraque serta tulit
 
A populi turbis in clausa valle remotus
 
Romana meritum cepit in urbe decus
 
Dispersasque novem Gothica feritate sorores
 
Primus in antiquos hic revocavit agros.
 
Debetur vati multum studiosa iuventus
 
Qui bene tam meritus carmina culta dedit
 
Debes huic etiam multum aspirante Minerva
 
Qui tibi depromsit condita sensa viro
 
Is simul Herculeam musarum venit in aedem
 
Colle peragrato te quoque ducet eo.

Boven de hymne aan Maria Magdalena, waarvan ik het begin laat volgen, leest men:

Sequitur carmen Francisci Petrarche ad divam Magdalenam compositum in spelunca3) in qua felix illa olim peccatrix triginta et eo amplius annis penitentiam suam egit.
 
Dulcis amica Dei, lachrymis inflectere nostris
 
Atque humiles attende preces, nostraeque saluti
 
Consule; namque potes, nec enim tibi tangere frustra
[p. 27]
 
Permissum, gemituque pedes perfundere sacros
 
Et nitidis siccare comis, ferre oscula plantis,
 
Inque caput Domini preciosos spargere odores.
 
Nec tibi congressus primos a morte resurgens,
 
Et voces audire suas et membra videre,
 
Immortale decus, lumenque habitura per aevum,
 
Ne quicquam dedit aetherei rex Christus Olympi. etc.1)

Het is niet zo vreemd, dat Murmellius deze hymne van Petrarca tot zijn leerlingen brengt. Hij behoort zelf tot de oudere generatie van onze Humanisten, die nog volkomen op de bodem van het Christendom staan, zoals hun religieuze Latijnse poëzie bewijst, terwijl zij anderzijds reeds leven in de nieuwe openbaring van de klassieke geesteswereld. Juist door dit stichtelijk element staat iemand als Murmellius dichter bij Petrarca dan verschillende latere Humanisten.

Blijkens deze drukken van het Bucolicum carmen, die zo kort na elkaar verschenen, heerst er dus in het begin van de 16de eeuw belangstelling voor dit werk. De Humanisten hebben in deze herderspoëzie vooral de wedergeboorte van een klassieke dichtvorm bewonderd. Het epigram van Murmellius, die Petrarca naast de bucolische dichters van de Grieken en Romeinen plaatst, wijst ook in deze richting. In het tijdperk, dat de Oudheid herleefde, kan Ecl. X: Laurea occidens, de Humanisten speciaal geboeid hebben door de liefde voor de bonae litterae, die er uit spreekt, en door het overzicht van beroemde klassieke dichters, dat Petrarca ingevlochten heeft.

Juist aan deze ecloga Laurea occidens2) zijn twee letterkundige judicia ontleend, die in verschillende edities van de betreffende auteurs geplaatst zijn. In Nederland is de eerste druk verschenen van een hexameter-berijming van de stof der Evangeliën door Juvencus Hispanus Presbyter, één der oudste christelijke dichters uit de 4de eeuw: Quattuor evangelia heroicis versibus descripta; - Deventer, ± 1497 (Richard Pafraet); ± 1500 en 1519 (Albert Pafraet). Hierin vindt men nu Petrarca's getuigenis over de dichter Juvencus geciteerd:

 
...........tum pinea late
 
Sylva virens dulcesque oleae gremioque decorum:
 
Clara fovens roseo puerum stat limine virgo.
 
Hic matrona fuit hortis quae lecta remotis
 
Vimineis calathis templo aurea poma sacravit.
 
Mira loquar supraque fidem: sed carmina vidi:
 
Hic hominis: pariterque aquilae: bovis atque leonis
 
Hispanum nostra modulantem voce iuvencum.3)
[p. 28]

In de editie van 1519 is het elogium van Petrarca zelfs aan het hoofd van de serie judicia geplaatst, - misschien een bewijs van zijn stijgende bekendheid.1)

Op gelijke wijze vindt men Petrarca's verzen over Terentius uit diezelfde ecloga in verschillende edities van diens Andria geciteerd. Deze uitgaven zijn eveneens te Deventer verschenen en wel bij Albert Pafraet, in 1518, 1520 en 1523.2) Hier luidt het:

Franciscus Petrarcha in Laurea occidente periphrasticos sic Terentium describit:
 
Hic alienigenam servum quem carcer honestus
 
Fecerat ingenuum: multaque ornaverat arte:
 
Audivi cantare hominum moresque dolosque:
 
Atque metus curasque senum et iuvenilia furta:
 
Lenonumque artes: iam tempore murmuris afri
 
Oblitum: atque italo texentem pectine carmen.3)

Het blijkt dus, dat Petrarca zich autoriteit verworven heeft op het gebied van de klassieke letterkunde, speciaal door de Ecloga Laurea occidens.

Ten slotte zij hier nog een stuk vermeld, dat ten onrechte op naam van Petrarca staat. Het is gedrukt in een editie van Lucianus, door Jacob van Breda te Deventer ± 1497 uitgegeven: Dyalogus Lucani [sic] philosophi. quomodo solos nudus per acheronta transvehi potest: Una cum recommendatione heremi Francisci petrarche. Dit laatste stuk, dat hier ruim vijf bladzijden beslaat, komt elders ook voor, en dan meestal onder de titel De vita solitaria. De werkelijke auteur is Petrus Damianus, schrijver van een tractaat Laus eremeticae vitae.4) Maar een werk van Petrarca met dezelfde strekking, dat zeer geliefd was bij de kloosterlingen, heette ook De vita solitaria.5) Hierdoor is misschien de onjuiste toeschrijving aan Petrarca te verklaren.

Maakt men nu aan de hand van al deze drukken6) de balans op voor dit tijdvak, dan kan men concludeeren, dat de incunabelen van Petrarca's stichtelijke geschriften zijn roem als moralistisch auteur verbreid hebben, terwijl het werk De rebus memorandis de aandacht vestigt op zijn hoedanigheid van historisch compilator. De kennis omtrent zijn lotgevallen en zijn innerlijk leven moet bevorderd zijn door de edities van De contemptu mundi en de Epistola ad posteritatem. Verder blijkt, dat het Bucolicum carmen zich na 1500 bekendheid verwerft, waarschijnlijk omdat de Nederlandse Humanisten daarin klassieke elementen gingen bewonderen. In aansluiting hierbij verovert Petrarca zich langzamerhand bij de mannen der wetenschap autoriteit als Latinist en ‘instaurator litterarum’.