Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het xv. Capittel.

Eliphaz beschuldicht Iob van ydelheyt, vers 1, etc. van godtloosheyt, 4. van vermetenheyt in sijne propoosten, 7. tegen sijne vrienden, 9. ja tegen Godt selve, 11. om dat hy sijne eygene gerechticheyt voorspreken wilde, 14. hy bewijst tegen Iob, uyt de ervarentheyt, ende de getuygenissen der wijse Voorvaderen, 17. dat Godt de godtloose straft, 20. om hare boosheden, 25. in de welcke sy vergaen, 29.

1

DOe antwoordde Eliphaz de Temaniter, ende seyde:

2

Sal een Ga naar margenoot1 wijs man Ga naar margenoot2 windige wetenschap voor antwoorde geven, ende sal hy sijnen Ga naar margenoot3 buyck vullen met Ga naar margenoot4 Oosten wint?

3

Bestraffende door woorden, [die] niet en baten, ende door redenen, met de welcke hy geen profijt en doet?

4

Ia ghy vernieticht Ga naar margenoot5 de vreese, ende Ga naar margenoot6 neemt Ga naar margenoot7 het gebedt voor het aengesichte Godes wech.

5

Want uwe Ga naar margenoot8 mont Ga naar margenoot9 leert Ga naar margenoot10 uwe ongerechticheyt: ende ghy hebt de tonge der archlistigen verkoren.

6

Uwe mont verdoemt u, ende niet ick: ende uwe lippen getuygen tegen u.

7

Zijt ghy Ga naar margenoot11 de eerste een mensche geboren? ofte zijt ghy voor Ga naar margenoot12 de heuvelen Ga naar margenoot13 voortgebracht?

8

Ga naar margenoota Hebt ghy den verborgenen raet Godts Ga naar margenoot14 gehoort, ende hebt ghy de wijsheyt Ga naar margenoot15 nae u getrocken?

9

Wat weet ghy, dat wy niet en weten? [wat] verstaet ghy, dat by ons niet en is?

10

Ga naar margenootb Onder ons is oock een grijse, ja een stock-oude, Ga naar margenoot16 meerder van dagen dan uw' vader.

11

Zijn de Ga naar margenoot17 vertroostingen Godts u te Ga naar margenoot18 kleyn? ende Ga naar margenoot19 schuylter eenige sake by u?

12

Waerom Ga naar margenoot20 ruckt u herte u wech? ende Ga naar margenoot21 waerom wencken uwe oogen?

13

Dat ghy Ga naar margenoot22 uwen geest keert tegen Godt, ende [sulcke] redenen uyt uwen mont laet uytgaen.

14

Ga naar margenootc Wat Ga naar margenoot23 is de mensche dat hy suyver soude zijn? ende die geboren is van eene vrouwe, dat hy rechtveerdich soude zijn?

15

Ga naar margenootd Siet op sijne Ga naar margenoot24 Heyligen Ga naar margenoot25 en soude hy niet vertrouwen: ende Ga naar margenoote Ga naar margenoot26 de hemelen en zijn niet suyver in sijnen oogen.

16

Hoe veel te meer is Ga naar margenoot27 een man grouwelick, ende stinckende, die Ga naar margenoot28 het onrecht indrinckt als water?

17

Ick sal u Ga naar margenoot29 wijsen, hoort my toe: Ga naar margenoot30 ende 't gene ick gesien hebbe, dat sal ick vertellen:

18

'Twelck de wijse verkondiget hebben; ende men voor Ga naar margenoot31 hare vaderen niet verborgen en heeft:

19

Den welcken alleene het lant Ga naar margenoot32 gegeven was; ende Ga naar margenoot33 door welcker midden niemant vreemts door en ginck.

20

Ga naar margenoot34 T' allen dagen Ga naar margenoot35 doet de godtloose hem selven weedom aen: ende Ga naar margenoot36 [weynige] jaren in getale zijn voor den tyran Ga naar margenoot37 wech-geleyt.

21

Het geluyt Ga naar margenoot38 der verschrickingen is in sijnen ooren; Ga naar margenootf in Ga naar margenoot39 de vrede selve komt de verwoester hem over.

22

Hy en gelooft niet uyt de Ga naar margenoot40 duysternisse weder te keeren: Ga naar margenoot41 maer dat hy beloert wort ten sweerde.

23

Ga naar margenoot42 Hy swerft henen ende weder om broot, waer het zijn mach: hy weet Ga naar margenoot43 Ga naar margenootg dat by sijne hant gereet is Ga naar margenoot44 de dach der duysternisse.

24

Anxt, ende benaeuwtheyt verschricken hem: sy Ga naar margenoot45 overweldicht hem, gelijck een Coninck bereydt ten Ga naar margenoot46 strijde.

25

Want Ga naar margenoot47 hy streckt tegens Godt sijne hant uyt, ende tegens den Ga naar margenoot48 Almachtigen stelt hy sich geweldelick aen.

26

Hy loopt tegens Ga naar margenoot49 hem aen met Ga naar margenoot50 den hals, met Ga naar margenoot51 sijne dicke hooch-verhevene schilden.

27

Om dat hy Ga naar margenoot52 sijn aengesichte met

[Folio 238r]
[fol. 238r]

sijn vet bedeckt heeft; ende rimpelen gemaeckt om Ga naar margenoot53 de weeck-darmen.

28

Ende heeft bewoont verdelchde Ga naar margenoot54 steden, [ende] huysen, diemen niet en bewoonde, die gereet waren tot [steen] hoopen te worden.

29

Hy en sal niet Ga naar margenoot55 rijck worden, ende sijn vermogen en sal niet bestaen: ende Ga naar margenoot56 hare volmaecktheyt en sal haer niet uytbreyden op der aerde.

30

Hy en sal vande Ga naar margenoot57 duysternissse niet ontwijcken, de Ga naar margenoot58 vlamme sal sijne scheute verdroogen: Ga naar margenooth hy sal Ga naar margenoot59 wijcken door Ga naar margenoot60 het geblaes sijns monts.

31

Hy en betrouwe niet op Ga naar margenoot61 ydelheyt, [waer door] hy verleydt wort: want Ga naar margenoot62 ydelheyt sal sijne Ga naar margenoot63 vergeldinge wesen.

32

Ga naar margenooti Als Ga naar margenoot64 sijnen dach noch niet en is, Ga naar margenoot65 salse vervult worden: want sijnen tack en sal niet groenen.

33

Ga naar margenoot66 Men sal sijne onrijpe druyven afrucken, als eenes wijn-stocks, ende sijn bloeysel afwerpen, als eenes olijf-booms.

34

Want de vergaderinge der Ga naar margenoot67 huychelaren wort eensaem, ende Ga naar margenoot68 het vyer verteert de Ga naar margenoot69 tenten der geschencken.

35

Ga naar margenootk Ga naar margenoot70 Sy ontfangen moeyte, ende baren Ga naar margenoot71 ydelheyt, ende haren Ga naar margenoot72 buyck richtet bedroch aen.

margenoot1
T.w. daer voor ghy u selven uytgeeft.
margenoot2
Hebr. wetenschap des wints. Dat is, die niet vast, nochte seker en is, maer vergaende, ende verwaeyende. Vergel. bov. 7.7. ende de aenteeckeninge.
margenoot3
D. sijn binnnenste, ofte verborgenste, te weten, sijnen sin, herte, ende gemoet: alsoo ond. vers 35. ende c. 20.20. ende 32.19. Prov. 20.27. ende 22.18. gelijck in den buyck de dermen met ander ingewant besloten, ende verborgen zijn, alsoo zijn in de ziele de gedachten, de wille, ende bewegingen.
margenoot4
D. met woorden, ende redenen, die niet alleene ydel ende licht zijn, als de wint, maer ooc schadelick, als in dat lant de ooste wint. Siet Gen. 41.6. Exod. 10.13. ende d'aenteeckeningen.
margenoot5
T.w. Godes, mits die door uwe propoosten uyt de herten der menschen te verdrijven, ende in de selve te verswacken de genegentheyt, om hem in den noot aen te roepen. Hy schijnt te sien op het gene, dat Iob geseyt hadde, boven 9.22.
margenoot6
Ofte, vermindert, verhindert.
margenoot7
Ofte, aensprake. Verst. eene aensprake, ofte gebedt, het welck met een nederich gemoet, in den noot tot Godt uytgesproken wort, om voor hem sijne klachten uyt te storten, ende van hem hulpe te versoecken.
margenoot8
Het wordeken mont, gelijck oock tonge in dit vers, ende lippen in 't volgende, beteeckenen de propoosten, woorden, ende redenen, die door de mont, tonge, ende lippen uytgesproken worden. Alsoo ond. 16.5. Psal. 5.10. Prov. 2.10. ende 14.3. ende 15.2. ende 18.7. ende 21.6, etc.
margenoot9
D. geeft getuygenisse van de verkeertheyt uwes herten, door de welcke ghy dese vreemde propoosten drijft. And. uwe ongerechticheyt leert uwen mont: D. de boosheyt uwes herten doet u sulcke propoosten spreken.
margenoot10
T.w. waer door ghy in 't spreken aengenomen hebt de maniere van doen der snoode schalcken, die met eenen schijn, soo wel van woorden, als van redenen, weten eene sake te bewimpelen, verduysteren, ende om te keeren.
margenoot11
D. de outste van alle menschen, sulcx dat ghy meer weten soudt dan yemant, ende dat een yeder voor u soude moeten wijcken, als voor de outste, de wijste, ende aensienlickste.
margenoot12
D. van eeuwicheyt geweest, ofte eer de werelt geschapen was. Vergel. Psal. 90.2. Prov. 8.25.
margenoot13
Het Hebr. woort is gebruyckt van de ordinare geboorte des menschen, Psal. 51.7. ende van de wonderbare geboorte des eenich-geboren van den Vader, die de wijsheyt Godts is, Prov. 8.24, 25.
margenoota
Rom. 11.34.
margenoot14
T.w. dat ghy alle hemelsche, ende Goddelicke verborgentheden soudt weten, meer dan een ander. Den raet Godts hooren, heet Ieremias, in den raet Godts staen, capit. 23.22.
margenoot15
T.w. alsoo, dat ghyse alleen by u soudt hebben, ende niemant anders.
margenootb
Iob 32.7.
margenoot16
D. bedaechder, ofte ouder van jaren. Hy siet op het gene, dat Iob geseyt heeft, bov. 12.12.
margenoot17
T.w. die wy u voorgehouden hebben; maer die Iob verachtede, ond. 16.2.
margenoot18
D. te slecht, ende te onweerdich om uwen persoone voorgestelt te worden.
margenoot19
D. isser eenige meerdere wetenschap by u, die wy niet en vatten; ofte voordeel, om der oudere vermaningen te mogen verwerpen? ofte oock eenige snootheyt, achter de welcke wy niet en konnen geraken, waer door ghy onse redenen soo onweerdelick veracht? Ofte: isser yets dat [deselve] T.w. vertroostingen, by u bedeckt?
margenoot20
T.w. om Godt soo te tergen, u selven te rechtveerdigen, ende ons te versmaden.
margenoot21
Tot teecken van hoochmoet. Anders, waer op micken uwe oogen? D. waer henen siense? wat soeckense? wat hebt ghy vooren, dat ghy met een soo verwaent opset, ende opsicht ons bejegent? ende schijnt onse propoosten gantsch te verachten?
margenoot22
D. u gemoet, door onverduldicheyt ontstelt, ende door gramschap met quade redenen laet uytvaren tegen Godt. And. Dat uwen geest knotert tegen Godt, ende [sulcke] redenen uyt uwen mont voortbrengt.
margenootc
1.Reg. 8.46. 2.Chron. 6.36. Iob 14.4. Psal. 14.3. Prov. 20.9. Eccles. 7.21. 1.Ioh. 1.8, 10.
margenoot23
De sin is, dat hy gantsch niet en is, ende geen stoffe en heeft, om sich voor suyver, ende rechtveerdich uyt te geven. De vrage loochent sterckelick. siet Gen. 18. op vers 17.
margenootd
Iob 4.18.
margenoot24
D. de goede Engelen, die boven 1. vers 6. worden genaemt Godes sonen. item c. 4. vers 18. sijne knechten, ende 1.Timoth. 5.21. de uytverkorene Engelen. Sy worden Heylige genaemt, om datse volkomelick Godts wille doen, Psal. 103.20. Mat. 6.10. ende volgens hem volkomelick lief hebben.
margenoot25
Siet bov. 4. op vers 18.
margenoote
Iob 4.18. ende 25.5.
margenoot26
Dat is, de voorgemelde goede Engelen, welcker woonstede in de Hemelen is: waerom sy oock Engelen der hemelen genaemt worden, Matth. 24.36. ende worden geseyt aldaer het aengesichte des hemelschen vaders te aenschouwen, Mat. 18.10.
margenoot27
Ofte, een mensche. Siet bov. 12. op vers 10. maer het schijnt dat Eliphaz hier liever het woordeken man gebruyckt heeft, om Iob daer mede een nepe te geven.
margenoot28
D. met sulcken lust, ende overmaticheyt de boosheyt doende, gelijck de menschen, ende beesten dorstich zijnde, seer begeerich zijn om te drincken. Vergel. ond. 34.7. ende Pro. 26.6.
margenoot29
T.w. dat het waer is, 'tgene ick geseyt hebbe, dat de godtloose alleene van Godt uytgeroeyet worden. Siet bov. 4. vers 7, 8.
margenoot30
Anders: want ick heb't gesien, daerom sal ick't vertellen.
margenoot31
Verst. der wijsen vaderen. De sin is, dat de wijse sulcks van hant te hant ontfangen, ende van hare voor-ouderen gehoort hadden.
margenoot32
Te weten, van de volckeren des lants, om dat te regeren door hare wijsheyt, ende groot aensien, want den sulcken wiert in die voorige tijden de regeringe der landen toevertrouwt, ende overgegeven.
margenoot33
D. door welcker lant geene vreemde volckeren vyandelick en passeerden. De sin is, dat de wijse soo wel geregeert hebben, dat hare landen door geene buyten-volckeren en zijn beroert geweest. ofte, geen vremde, D. die eenige andere ofte vreemde leere in haer lant en brachten, als de wijse out-vaders leerden.
margenoot34
D. den gantschen tijt sijns levens. Hier begint Eliphaz te verhalen het gene de oude, ende wijse mannen voor eene leeringe nagelaten hadden, seer over een komende met het gene, dat hy voorgedragen heeft, bov. 5.3, etc.
margenoot35
De sin is, hoewel de boose uyterlick welvaren in dese werelt, datse nochtans ongeluckich zijn, van wegen de inwendige onruste hares gemoets.
margenoot36
Hebr. een getal der jaren: in plaetse van, jaren des getals. dat is, weynige, die licht konnen getellet worden. Als Gen. 34. vers 30. siet de aenteeck. De boose heeft tweederley plage: de eene, dat hy in sijn tijdelick geluck nemmermeer gerust en is: de andere, dat sijnen voorspoet niet lange en duert. Andere setten het laetste van dit versken over aldus: Ende het getal der jaren, te weten, sijnes levens, is voor den tyran verborgen.
margenoot37
Te weten, in Godes eeuwigen raet, die voor den menschen verborgen is.
margenoot38
T.w. die hem sijne conscientie sal aenjagen, hem voorstellende sijne boosheden, ende dreygende met Godts rechtveerdich oordeel. Vergel. Levit. 26.36. ende Deut. 28.65.
margenootf
1.Thessal. 5.3.
margenoot39
Dat is, in 't midden van sijnen welstant, ende ruste. siet van het woort vrede, Genes. 37. op vers 14.
margenoot40
Dat is, lijden, ende tegenspoet. Siet Genes. 15. op vers 12. alsoo ond. in't volgende, ende 30. vers.
margenoot41
D. hy gelooft, dat hem lagen geleyt worden, om hem een geweldige doot aen te doen.
margenoot42
Dat is, hy is in geduerige onruste, ende woelinge, om de kost, ende de versorginge des lichaems: hier en tusschen overtuycht hem oock sijn gemoet, dat sijn verderf nae by is.
margenoot43
D. dat hem voorhanden is, ende staet te verwachten.
margenootg
Iob 18.12. Psal. 109.10.
margenoot44
D. de tijt des lijdens. Vergel. ond. 30.16. ende de aenteeckeninge daer op.
margenoot45
T.w. de benauwtheyt.
margenoot46
Men houdt dat het hebreeusch woort chidor, het welcke nieuwers meer dan hier gevonden en wort, seer het selve is, als caddur, beteeckenende eenen bal, Iesa. 22.18. ende dat chidor anders niet en soude beteeckenen, dan een heyr, soo in order gestelt, dattet in rondicheyt de forme van eenen bal, ofte ey hadde, gelijckse dan in die tijden plachten hare heyren te ordineren.
margenoot47
D. door een trotsich opset, ende moetwillich bedrijf, stelt hy sich met alle sijnen macht tegen Godt, hem tergende door allerley grouwelen, ende de menschen, doch voornemelick de vroome, door veelderley overlast verdruckende, sonder Godt eenichsins te ontsien; wiens oordelen hy meynt door louter gewelt van sich te sullen afkeeren. Vergel. Levit. 26.21. Num. 15.30. ende d' aent.
margenoot48
Siet van desen Name Godts, Gen. 17. op vers 1.
margenoot49
Namelick Godt.
margenoot50
T.w. opgeheven, ende uytgestreckt, gelijck de stoute, verwaende, ende hoochmoedige te doen plegen.
margenoot51
D. met sijne wapenen, ende gewelt, ende alle sijne uyterlicke middelen. Hebr. Met de dickte, [ende] hoochten, ofte, ruggen sijner schilden.
margenoot52
D. sijn lichaem door leckernye, gulsicheyt, ende allerley overdaet opgemest heeft, niet anders dan den buyck besorgende: vergel. Psal. 17.10. ende 73.10.
margenoot53
Het Hebr. woort beteeckent de darmen, die by den Latijnen Ilia genaemt worden, ende van ons overgeset worden weeckdarmen, Lev. 3. vers 4. Siet aldaer de aent.
margenoot54
Te weten, die door sijne macht weder oprichtende, ende herbouwende, om sich eenen name te maken, ende sijn gewelt ten toone te stellen. siet bov. 3. vers 14.
margenoot55
Te weten, voor eenen langen tijt: want sijne goederen en sullen hem niet beklijven: gelijck de volgende woorden verklaren.
margenoot56
D. der boosen heerlickheyt, rijckdom, ende verheven staet, waer door sy scheenen volmaeckt te wesen.
margenoot57
T.w. der elenden, ende katijvicheden, als hy eenmael in dese sal gekomen zijn. Siet boven op vers 22.
margenoot58
T.w. der tegenheden, ende plagen. Alsoo Iesa. 29.6. ende 43.2. Ier. 48.45. Thren. 2.3.
margenooth
Iob 4.9.
margenoot59
D. vergaen, ende te niete worden: ofte, hy sal moeten afhouden van hem, tegen den welcken hy hem gestelt hadde. Siet bov. vers 25.
margenoot60
D. door Godes toorn. Siet bov. 4.9. ende de aenteeck.
margenoot61
D. op alle dingen die lichtelick vergaen, als eere, staet, rijckdom, sterckten, steden, menschen, etc. Alsoo is het woort ydelheyt genomen, Psal. 62.10. ende 119.37. ende 144.4. Prov. 31.30. Rom. 8.20.
margenoot62
Dat is, verdriet, onderganck, verderf, ende nieticheyt; want dit sal de belooninge wesen van alle de voorgaende ydelheyt; bestaende in eere, rijckdom, gewelt, etc. datse hem niet en sal konnen verlossen uyt de hant Godes, ja ten verderve dienen sal. Siet van dese beteeckenisse des woorts ydelheyt, bov. 7. vers 3.
margenoot63
Hebr. veranderinge, verwisselinge.
margenooti
Iob 22.16. Psal. 55.24.
margenoot64
T.w. den dach sijnes doots, als 1.Sam. 26.10. Psal. 37.13. tot den welcken hy natuerlicker wijse, hadde konnen geraken. De sin is, dat de godtloose, als hy in 't beste sijnes levens is, ende in goeden welstant nae den lichame, haestelick, ende door eenich onverwacht ongeluck sal vergaen, ofte uyt-geroeyt worden. Vergel. ond. 18.20. ende de aenteeck.
margenoot65
Te weten, de voor-verhaelde vergeldinge.
margenoot66
And. [Godt] sal sijne ontijdige druyven afrucken. Dese gelijckenissen leeren, dat de verwachtinge der godtloosen, daer mede sy hen, ende andere bedriegen, gantsch te niete worden sal. Siet bov. 8.13.
margenoot67
Siet bov. 8. op vers 13.
margenoot68
T.w. der tegenheden, elenden, ende plagen. Alsoo wort het woordeken vyer gebruyckt, Psal. 66.12. Iesa. 9.19. ende 26.11. Ezech. 30.8, etc. gelijck het woordeken vlamme, bov. vers 30.
margenoot69
D. daer in geschencken ontfangen zijn, ende die door middel van onbehoorlicke geschencken opgebouwet zijn, ende onderhouden worden.
margenootk
Psal. 7.15. Iesa. 59.4. Hos. 7.6.
margenoot70
Vergel. bov. 4.8.
margenoot71
Ofte, ongerechtieheyt, ondeucht, onrecht.
margenoot72
D. haer herte. siet bov. op vers 2.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken