Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het xxxviij. Capittel.

Hizkia seer kranck zijnde, wort door den Prophete Iesaia de doot aengeseyt, vers 1. maer op sijn klaechlick gebedt, verkrijcht hy verlenginge van vijftien jaren, 'twelck Godt door een bysonder wonderteecken bevesticht, 4, etc. Hizkie gebedt ende lofsanck tot Godt, 9, etc. verg. 2.Reg. cap. 20. ende 2.Chron. 32.24.

1

Ga naar margenoot1 IN die dagen wert Hizkia kranck tot stervens toe, ende de Prophete Iesaia de sone van Amoz quam tot hem, ende seyde tot hem: Alsoo seyt de HEERE, Geeft bevel aen uwen huyse, want ghy sult

[Folio 19v]
[fol. 19v]

sterven, ende niet leven.

2

Doe keerde Hizkia sijn aengesichte om nae den wandt: ende Ga naar margenoot2 hy badt tot den HEERE.

3

Ende hy seyde, Och HEERE, gedenckt doch, dat ick voor u aengesichte in waerheyt, ende met een volkomen herte gewandelt, ende Ga naar margenoot3 dat goet in uwe oogen is Ga naar margenoot4 gedaen hebbe: ende Hizkia Ga naar margenoot5 weende gantsch seer.

4

Doe geschiedde het woort des HEEREN tot Iesaia, seggende:

5

Gaet henen, ende segt tot Hizkia, Soo seyt de HEERE de Godt uwes Vaders Davids, Ick hebbe u gebedt gehoort, ick hebbe uwe tranen gesien: siet ick sal vijftien jaer Ga naar margenoot6 tot uwe dagen toe-doen.

6

Ende Ga naar margenoot7 ick sal u uyt de hant des Conincks van Assyrien verlossen, mitsgaders dese stadt, ende ick sal dese stadt beschermen.

7

Ende dit sal u een teecken zijn van den HEERE, dat de HEERE Ga naar margenoot8 het woort, dat hy gesproken, heeft doen sal.

8

Ga naar margenoot9 Siet, ick sal de schaduwe der graden, die met de Sonne in de graden van Achaz [sonne-wijser] nederwaerts gegaen is, tien graden achterwaerts doen keeren: Dies is de Sonne tien graden te rugge gekeert, in de graden die sy nederwaerts gegaen was.

9

[Dit] is de schrift van Hizkia, Coninck van Iuda, doe hy sieck geweest, ende van sijne sieckte Ga naar margenoot10 genesen was.

10

Ga naar margenoot11 Ick seyde, Ga naar margenoot12 Van wegen de af snijdinge mijner dagen, Ga naar margenoot13 sal ick tot de poorten des grafs henen-gaen, Ga naar margenoot14 ick worde berooft van het overige mijner jaren.

11

Ick seyde, Ick en sal Ga naar margenoot15 den HEERE niet [meer] sien, den HEERE Ga naar margenoot16 in den lande der levendigen: ick en sal de menschen niet meer aenschouwen Ga naar margenoot17 met de inwoonders der werelt.

12

Ga naar margenoot18 Mijns levens-tijt is Ga naar margenoot19 wechgetogen, ende van my wechgevoert, gelijck Ga naar margenoot20 eenes herders hutte: ick hebbe mijn leven Ga naar margenoot21 afgesneden, gelijck een wever Ga naar margenoot22 [sijn webbe]: Ga naar margenoot23 Hy sal my afsnijden, [als] van Ga naar margenoot24 den drom, Ga naar margenoot25 van den dach tot den nacht sult Ga naar margenoot26 ghy my Ga naar margenoot27 ten eynde gebracht hebben.

13

Ick stelde Ga naar margenoot28 my voor Ga naar margenoot29 tot den morgenstont toe: gelijck een Leeuw, alsoo sal Ga naar margenoot30 hy alle mijne Ga naar margenoot31 beenderen breken: Ga naar margenoot32 van den dach tot den nacht sult ghy Ga naar margenoot33 my ten eynde gebracht hebben.

14

Gelijck een Crane [of] swaluwe, alsoo piepede ick; Ga naar margenoota ick Ga naar margenoot34 kirrede als een duyve: mijne oogen Ga naar margenoot35 verhieven haer om hooge; ô HEERE, Ga naar margenoot36 ick worde onderdruckt, Ga naar margenoot37 weest ghy mijn borge.

15

Ga naar margenoot38 Wat sal ick spreken? gelijck hy het my heeft toegeseyt, alsoo heeft hy het gedaen: ick sal [nu] Ga naar margenoot39 al soetkens voorttreden Ga naar margenoot40 alle mijne jaren, Ga naar margenoot41 van wegen de bitterheyt mijner ziele.

16

Heere, Ga naar margenoot42 by dese dingen leeftmen, ende in allen desen is het leven Ga naar margenoot43 mijnes geestes: want ghy hebt my Ga naar margenoot44 gesont gemaeckt ende my genesen.

17

Siet, Ga naar margenoot45 in vrede is my de bitterheyt bitter geweest, Ga naar margenoot46 maer ghy hebt mijne ziele lieflick omhelst, datse in Ga naar margenoot47 de groeve der verteeringe niet en quame: want ghy hebt Ga naar margenoot48 alle mijne sonden Ga naar margenoot49 achter uwen rugge geworpen.

18

Want Ga naar margenoot50 het graf en sal u niet loven, Ga naar margenoot51 de doot en sal u [niet] prijsen: die in den cuyl nederdalen, en sullen op uwe waerheyt niet Ga naar margenoot52 hopen.

19

De levende, de levende, die sal u loven, gelijck ick heden [doe], de vader sal de kinderen Ga naar margenoot53 uwe waerheyt bekent maken.

20

De HEERE Ga naar margenoot54 was [gereet] om my te verlossen: daerom sullen wy op mijn snarenspel spelen, alle de dagen onses levens, in den huyse des HEEREN.

21

Iesaia nu hadde geseyt, Ga naar margenootb Laetse nemen eenen clomp vygen, ende tot een plaester Ga naar margenoot55 op het geswel maken, ende hy sal genesen.

22

Ende Hizkia hadde geseyt, Ga naar margenoot56 Welck sal het teecken zijn, Ga naar margenoot57 dat ick ten huyse des HEEREN sal opgaen?

margenoot1
Dat hier verhaelt wort, is geschiet korts na dat het leger der Assyriers van Godt door den Engel verslagen was.
margenoot2
Sijn gebedt volgt hier stracx, van vers 3. Siet 2.Reg. 20.1. etc.
margenoot3
Dit is als een getuygenisse van een goede conscientie, berustende alleen op de barmherticheyt Godes, sonder eenige presomtie van eygene gerechticheyt. siet ond. vers 17. ende Ecclesiasticus 48.25, 26.
margenoot4
Siet 2.Reg. 18.3. etc.
margenoot5
Hebr. weende een groot geween.
margenoot6
D. tot de dagen uwes levens.
margenoot7
Godt de Heere belooft desen Coninck, boven de verlanginge sijnes levens, oock ruste ende vrede in sijn Coninckrijcke, ende bescherminge tegen de machtige Assyriers, die wederom een heyrleger hadden mogen op de beenen brengen, om hem te bekrijgen, ende Ierusalem te belegeren.
margenoot8
Of, dese sake.
margenoot9
Siet de aent. op dit 8. vers passende, 2.Reg. 20. versen 9, 10, 11.
margenoot10
Hebr. levendich geworden was. als vers 21.
margenoot11
D. Ick dacht, ende overleyde by my selven aldus.
margenoot12
Ofte, in de afsnydinge mijner dagen. D. doe mijne dagen afgesneden ofte verkort wierden: of, doe my verkondigt wiert, dat mijne dagen haest souden afgesneden worden, Dat is, dat ick haest sterven soude. het is een gelijckenisse genomen van de wevers, die hare webbe afgeweven hebbende, so snyden sy de selve af.
margenoot13
D. ick moet haest sterven.
margenoot14
D. Het overschot mijner jaren wort my benomen, of men doet my ontbeeren het overschot, of het resterende mijner dagen, D. datter te kort komt aen mijne jaren: T.w. dier jaren, die ick, nae den loop der nature, noch konde leven: Ofte, noch behoorde te leven, gelijck ick my selven hadde ingebeelt.
margenoot15
D. voor den Heere verschijnen in het Heylichdom, ende by den gantschen Godts-dienst, die gedaen wiert als de godtsalige in den Tempel te samen quamen.
margenoot16
D. in deser werelt, of, in dit leven. siet dese maniere van spreken oock Iob 28.13. Psal. 27.13. met de aent. als oock Psal. 142.6. ende ond. 53.8.
margenoot17
D. by de gene die in de werelt woonen, by de menschen die nu leven. siet Psal. 27.13. ende 116.9.
margenoot18
Of, mijn leeftijt. And. mijne wooninge, miinen verblijf-tijt. Hebr. dor. siet Psal. 12. op vers 8.
margenoot19
Of, wech-geruckt.
margenoot20
Die niet vaste noch stedich op eene plaetse en blijft, maer van d'eene plaetse op d'andere gebracht wort, nae gelegentheyt van saken. siet Iob 27.18.
margenoot21
Of, afgeknipt, afgescheurt, afgebroken. De sin is, Ick hebbe den Heere, door mijne sonden, daer toe oorsake gegeven, dat hy mijn leven voor den natuerlicken tijt, wil afsnijden.
margenoot22
T.w. als hyse afgeweven heeft.
margenoot23
T.w. de Heere. hier is veranderinge van persoone, want hy spreeckt van Godt somwijlen inde derde persoone, somwijlen tot Godt, in de tweede persoone.
margenoot24
Dit woort beteeckent oock by de Hebreen, een hayr-bant. Cant. 7.5. siet de aent. aldaer. And. als eenen dunnen draet.
margenoot25
D. haest, in corter tijt, eer de dach passeert, ende het avont wort. alsoo oock vers 13.
margenoot26
ô Heere.
margenoot27
Of, af-weven, ende dan af-snyden. alsoo oock vers 13.
margenoot28
T.w. in mijne gedachten. D. Ick dachte. And. Ick rekende tot den morgen, dat hy als een leeuw alle mijne beenderen soude breken. Ofte aldus: ick stelde my hem voor tot den morgen toe, als een leeuw, dat hy alsoo alle mijne beenderen soude breken. etc.
margenoot29
T.w. mach ick leven, of, mochte ick doch tot morgen leven! het volgende nemen andere aldus: [Doch] hy brack gelijck een leeuw, alle mijne beenderen.
margenoot30
T.w. Godt. of, sy T.w. de sieckte, of, de elende. Siet Iob 10.16.
margenoot31
Siet Iob 7. op vers 15.
margenoot32
D. noch heden, eer de nacht komt.
margenoot33
D. mijn leven, mijne jaren.
margenoota
Ies. 59.11.
margenoot34
Of, korrede, steende.
margenoot35
T.w. nae den hemel, ofte tot Godt dien ick aenriep. And. wierden uytgemergelt, ofte, uytgeschept. D. de krachten mijner oogen wierden verdorven. Of, sy besweken, T.w. van opwaerts ten hemel te sien.
margenoot36
Hebr. my is onderdruckinge. T.w. door dese mijne kranckheyt, die my met gewelt soo onderdruckt, dat ick mijnen loop niet en sal kunnen eyndigen, ten zy dat ghy, Heere, u over my ontfermt.
margenoot37
D. stelt u tusschen my ende mijne kranckheyt, gelijck sich een borge stelt tusschen den schult-heere ende den schuldenaer, om hem te bevryden dat hy niet in de gevanckenisse geworpen en worde. siet Psal. 119. vers 122. And. weest my lieflick. and. weeft my af, D. streckt mijn leven uyt tot dat ick out ende crachteloos worde, ende door natuerlicke swackheyt sterve, en snijt den draet mijnes levens niet af eer hy ten eynde geloopen is. Een maniere van spreken van de wevers ontleent.
margenoot38
D. hoe sal ick Godt genoechsaem kunnen dancken voor sijne groote genade. Hy heeft my wel de doot laten aenseggen: maer als ick hem badt, heeft hy my het leven wederom genadelick geschoncken: And. wat ick sprack, dat seyde hy my toe, T.w. door den Prophete Iesaiam, vers 5. De sin is, Als ick den Heere badt, dat hy woude mijn borge blyven, of, dat hy my woude af-weven (vers 14). D. dat hy my noch meer jaren woude leven laten, hy heeft het my stracx toe-geseyt.
margenoot39
Of, al sachtkens. Siet Psal. 42. op vers 5. Eenige meynen dat het beteeckent eenen sachten voortganck, gelijck wanneer een moeder haer kindeken voort-leydt, Ende dat dit hier de sin zy, Mijne voor-gaende benaeuwtheyt, sal my hier na bedachtsamer doen wandelen. Alsoo wort ter contrarie rassicheyt, gestelt voor onbedachtsaemheyt, of, onvoorsichticheyt, Ies. 32.4.
margenoot40
D. mijn leven lanck.
margenoot41
Dewijle ick die doodelicke ende bittere smerten dier pijnelicke sieckte hebbe uytgestaen.
margenoot42
Of, in, of, door dese dingen, ofte, als eenige, woorden. D. door uwe goedertierenheyt, beloften, ende versegelinge uwer beloften ende weldaden.
margenoot43
D. mijner ziele. ende het leven mijner ziele, D. een vrolick ende gerust leven.
margenoot44
Of, verquickt, ende levendich gemaeckt. Hebr. my levendich maken. ofte, in't leven behouden. het welcke nae de aert van de hebreeusche tale, so veel is, als, ghy hebt my in't leven behouden, ofte, genesen. D. ghy hebt my mijn voorige sterckte weder gegeven, die ick geheelick verloren hadde in die sware sieckte. Andre verduytschen dit duyster vers ken aldus, die sullen leven, voor de welcke (of, over de welcke) de Heere is, D. welcker beschermer de Heere is, ende alle die daer in zijn, (of, ende alle die in die saken zijn, D. die in sulck eenen staet leven, dat sy Godt met haer hebben) die sullen het selve leven verkrygen dat nu mijn geest heeft. Op dat dit blijcke, maeckt my gesont, ende geneest my.
margenoot45
T.w. na dat ghy my vrede gegeven hadt, namelick door het verdelgen der Assyriers, so quam my eene bitterheyt, te weten, dese sware sieckte. And. op den vrede, D. stracx na den vrede. And. tot vrede, D. op dat het ten besten dienen soude, quam my eene bittere bitterheyt over, T.w. die sware kranckheyt.
margenoot46
And. maer het heeft u behaecht, mijne ziele, D. my [te verlossen] uyt de groeve der verteeringe.
margenoot47
D. het graf, daer in het doode lichaem van de wormen opgegeten ende verteert wort.
margenoot48
Door de welcke ick dese kranckheyt ende andre straffen verdient hebbe. hadde hy niet gesondicht, so en soude hy geene kranckte hebben gehadt, noch gestorven zijn: Want de doot met alle aenclevende elenden haren oorspronck hebben uyt de sonde. Daerom spreeckt Christus, Sone uwe sonden zijn u vergeven, staet op, etc.
margenoot49
D. ghy hebtse my vergeven, also datse niet meer voor uwe oogen komen en sullen.
margenoot50
D. de doode in het graf en konnen uwen lof niet verkondigen hier in deser werelt by de levende. Siet Psal. 6.6. ende 30.10. ende 88.11. ende 115.17.
margenoot51
D. de doode. And. de helle, D. die in de helle, ofte in het graf zijn.
margenoot52
Of, wachten, of, vertrouwen.
margenoot53
Of, van uwe waerheyt kennisse doen hebben. Het Hebr. woordeken el wort oock voor eth gevonden. Ende uwe waerheyt, D. dat ghy my hebt gesont gemaeckt, gelijck ghy my belooft hebt.
margenoot54
Of, is gecomen om my te verlossen, of, sal my verlossen, of, heeft my verlost.
margenootb
2.Reg. 20.7.
margenoot55
Of, op de sweere, T.w. des Conincks Hizkia.
margenoot56
Dit en versocht hy niet door ongeloove, of mistrouwen op de beloften Godes, maer op dat sijn geloove daer door mochte versterckt worden, also die belofte geheelick scheen te stryden met Godes dreygement, vers 1.
margenoot57
D. dat ick sal gesont worden, ende in het huys des Heeren gaen, om hem in het midden sijner Gemeynte voor mijne gesontheyt te loven ende te dancken. Dit is geschiet ten derden dage, nae de belofte Godes door Iesaiam. 2.Reg. 20.5.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken