Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het vj. Capittel.

1 Om de murmureringe der Griecksche tegen de Hebreen worden vande Gemeynte seven Diakenen verkoren. 6 ende vande Apostelen door oplegginge der handen bevestight. 7 Vele begeven haer tot de Gemeynte, oock Priesters. 8 Stephanus een uyt de Diakenen doet vele mirakelen: ende die van de Synagoge der Libertinen ende andere staen tegen hem op. 10 wiens geest ende wijsheyt als sy niet en konden tegenstaen, trecken sy hem voor den Raedt. 13 ende maken valsche getuygen uyt, ende die beschuldigen hem van lasteringe tegen den tempel ende de Wet. 15 Sijn aengesicht blinckt gelyck eenes Engels.

1

ENde Ga naar margenoot1 in de selve dagen, als de Discipelen vermenichvuldighden, ontstondt een murmureringe Ga naar margenoot2 der Griecksche tegen de Hebreen, om dat hare weduwen in de dagelijcksche Ga naar margenoot3 bedieninge Ga naar margenoot4 versuymt wierden.

2

Ende de twaelve riepen de menichte der Discipelen tot haer, ende seyden, Ga naar margenoota Het en is niet Ga naar margenoot5 behoorlick dat wy het woordt Godts Ga naar margenoot6 na-laten, ende de Ga naar margenoot7 tafelen dienen.

3

Ga naar margenootb Ga naar margenoot8 Siet dan om, Broeders, na seven mannen uyt u, die [goet] getuygenisse hebben, vol Ga naar margenoot9 des heyligen Geests ende der wijsheyt, welcke wy mogen Ga naar margenoot10 stellen over dese noodige saecke.

4

Maer wy sullen Ga naar margenoot11 volherden in den gebede, ende in de bedieninge des woorts.

5

Ende Ga naar margenoot12 dit woort behaeghde Ga naar margenoot13 alle de menichte: ende Ga naar margenoot14 sy vercoren Ga naar margenoot15 Stephanum, eenen man Ga naar margenootc vol Ga naar margenoot16 des geloofs ende des heyligen Geests, Ga naar margenootd ende Ga naar margenoot17 Philippum, ende Prochorum, ende Nicanorem, ende Timonem, ende Parmenam, ende Ga naar margenoot18 Nicolaum, Ga naar margenoot19 eenen Iode-genoot van Antiochien.

6

Welcke sy Ga naar margenoote voor de Apostelen stelden: ende Ga naar margenoot20 [dese], als sy gebeden hadden, Ga naar margenootf Ga naar margenoot21 leyden haer de handen op.

7

Ga naar margenootg Ende het woort Gods Ga naar margenoot22 wies, ende het getal der Discipelen vermenichvuldighde te Ierusalem zeer: ende een groote schare der Ga naar margenoot23 Priesteren wiert den Ga naar margenoot24 geloove gehoorsaem.

8

Ende Stephanus vol Ga naar margenoot25 geloofs ende Ga naar margenoot26 krachts, dede wonderen ende groote teeckenen onder het volck.

9

Ende daer stonden op, sommige die waren van de Ga naar margenoot27 Synagoge, genaemt der Ga naar margenoot28 Libertinen, ende der Ga naar margenoot29 Cyreneers, ende der Ga naar margenoot30 Alexandrinen, ende der gene die van Cilicia ende Asia waren, ende Ga naar margenoot31 twisteden met Stephano:

10

Ga naar margenooth Ende sy en konden niet Ga naar margenoot32 wederstaen de wijsheydt ende den Geest, door welcken hy sprack.

11

Ga naar margenooti Doe Ga naar margenoot33 maeckten sy mannen uyt, die seyden, Wy hebben hem hooren spreken lasterlijcke woorden tegen Mosem ende Godt.

12

Ende sy beroerden het volck, ende de Ouderlingen ende de Schriftgeleerde: ende [hem] aenvallende grepen sy hem, ende leydden [hem] voor den Raedt.

13

Ende Ga naar margenoot34 stelden valsche getuygen, die seyden, Dese mensche en houdt niet op lasterlijcke woorden te spreken tegen Ga naar margenoot35 dese heylige plaetse, ende de Wet.

14

Want wy hebben hem hooren seggen, dat Ga naar margenoot36 dese Iesus de Nazarener dese plaetse sal Ga naar margenoot37 verbreken, ende [dat] hy Ga naar margenoot38 de zeden veranderen sal, die ons Moses overgelevert heeft.

15

Ende alle die in den Raedt saten, de oogen op hem houdende, sagen sijn aengesichte Ga naar margenoot39 als het aengesicht eenes Engels.

margenoot1
N. als de Apostelen inde gevangenisse geworpen waren geweest.
margenoot2
Gr. Hellenistai. Dese waren Ioden van afkomste ende religie, maer wierden Griecksche genaemt, om datse inde verstroinge inde Griecksche ofte heydensche landen geboren waren: ende om datse de Griecksche tale ende oversettinge des Bibels gebruyckten, die daer na bekeert zijn tot de Christelicke Religie. Siet Actor. 9.29. ende 11.19, 20. Doch d'andere Ioden die den Hebreeuschen Bibel gebruyckten, wierden Hebreen genaemt. Siet oock 2.Cor. 11.22.
margenoot3
Gr. Diakonia: klagende namelick, ofte, dat hare weduwen tot den dienst der armen niet mede gebruyckt en wierden: ofte dat hare arme weduwen so wel niet versorght en wierden als de weduwen der Hebreen.
margenoot4
Gr. overgesien.
margenoota
Exod. 18.17.
margenoot5
Gr. behagelick, dat is, een sake die ons niet en kan behagen.
margenoot6
N. om dat wy verhindert zijnde door de bedieninge der arme, het prediken van Godts woort, waer toe wy voornamelick geroepen zijn, soo dickwils ende soo bequamelick niet en konnen waer nemen.
margenoot7
N. aen welcke het gelt ende de spijse tot onderhout der armen gebracht ende uytgedeelt wierdt, ofte oock de vriendlicke maeltijden na het Avontmael onder de Christenen ghehouden wierden. Actor. 2.46.
margenootb
Deuter. 1.13. Actor. 1.21. ende 16.2. 1.Timoth. 3.7.
margenoot8
D. kiest seven mannen uyt tot dien dienst.
margenoot9
Dat is, der gaven des Heyligen Geests noodigh om sulcken dienst met getrouwicheyt ende voorsichticheyt uyt te voeren.
margenoot10
D. instellen.
margenoot11
D. geduerigh ende sterck aenhouden. Actor. 1.14.
margenoot12
Ofte, dese sake. Hebr.
margenoot13
Gr. voor alle de menichte.
margenoot14
De verkiesinge geschiedde by de Gemeynte, ende de instellinge ofte bevestinge by de Apostelen, vers 6.
margenoot15
Dese name, als oock de ses volgende, zijn alle Griecksche namen: Waeruyt eenige besluyten, dat om de klachten van de Griecksche te beter wech te nemen, goet gevonden is de Diakenen te verkiesen uyt de Griecksche Ioden.
margenootc
Actor. 11.24.
margenoot16
Ofte, getrouwicheyt, die in dit ampt voornamelick vereyscht wort.
margenootd
Actor. 21.8.
margenoot17
Van desen siet breeder, Act. cap. 8. ende 21.
margenoot18
Sommige oude Leeraers meynen dat dese is geweest de selve Nicolaus, daer van men leest Apocal. 2.15. Doch dit is onseker.
margenoot19
Gr. Proselytos. D. een aenkomelinck uyt de Heydenen tot de Ioodsche Religie. Siet Matth. 23.15.
margenoote
Actor. 1.23.
margenoot20
Nam. Apostelen. Siet diergelijcke Actor. 8.17.
margenootf
Actor 8.17. ende 13.3. 1.Tim. 4.14. ende 5.22. 2.Tim. 1.6.
margenoot21
Dese maniere van oplegginge der handen was by de Ioden gebruyckelick, als sy yemandt segenden. Gen.48.14. als sy de beesten souden opofferen, om daer mede de selve Gode als toe te eygenen. Lev. 1.4. ende in het inhulden in ampten. Num. 27.18. Deut. 34. vers 9. De selve maniere heef oock Christus gebruyckt in't segenen. Matth. 19.13. ende de Gemeynte in't instellen van Kercken-dienaren, om daer mede de selve Gode tot sijnen dienst toe te eygenen, ende den segen Godts toe te wenschen. Siet 1.Tim. 5.22. Oock de Apostelen in't geven der extra-ordinarise gaven des heyligen Geests. Actor. 8.17.
margenootg
Actor. 19.20.
margenoot22
D. nam toe, ten aensien vande veelheyt so der plaetsen daer het gepredickt wierdt, als der persoonen die het aennamen. Act. 12.24.
margenoot23
N. der gemeene Priesteren die seer vele onder de Ioden waren. Esdr. 2.36. waer van een goet deel bekeert wierden: want meest alle de Over-priesters waren ende bleven de heftichste vyanden der leere des Euangeliums.
margenoot24
D. de Leere des geloofs Gal. 1.23.
margenoot25
Hier wordt 't woort geloove anders genomen als in't voor gaende Vers: namelick soo voor kennisse ende toestemminge der leere, als voor een vast betrouwen op de Euangelische beloften.
margenoot26
D. der uytnemende gaven des Heyligen Geests, waer door hy krachtelick onder de menschen werckt.
margenoot27
Binnen de groote stadt van Ierusalem waren vele Synagogen ende Scholen, die alle met hare bysondere namen onderscheyden wierden, gelijck hedendaeghs by ons de Collegien in de Universiteyten.
margenoot28
Dit is geweest, soo het schijnt, een Synagoge van Italiaensche Ioden. Want de Italianen ende Latijnen noemen Libertinen de gene die slaven geweest zijnde, in vryheydt zijn gestelt. Pompejus de stadt van Ierusalem vermeestert hebbende, hadde vele Ioden tot slaven wechgevoert nae Roomen, welcker naekomelingen, gelijck Philo getuyght, van den Keyser Tiberio meest alle in vrijheyt gestelt zijn, ende is haer toegelaten een deel van de stadt Roomen over den Tyber te bewoonen, ende daer Synagogen te timmeren. Soo dat dese Ioden, zijnde Libertinen, schijnen te Ierusalem mede een Synagoge gehadt te hebben, nae hare gelegentheyt genoemt.
margenoot29
D. Ioden die in Aphrica woonden in de stadt Cyrene, gelegen in Libya.
margenoot30
D. Ioden die te Alexandrien in Egypten woonden, ende die te Ierusalem waren.
margenoot31
D. disputeerden met Stephano over het stuck van de Religie.
margenooth
Exod. 4.12. Iesai. 54.17. Luc. 21.15.
margenoot32
Dat is, niet overwinnen. Siet Matth. 10.19. Luc. 21.15.
margenooti
Matth. 26.59.
margenoot33
Gr. wierpen sy daer onder. als sy met waerheyt niet en vermochten, keeren sy haer tot de valscheyt. Siet diergelijcke Matth. 26.59.
margenoot34
Namel. tegen hem in den Raedt.
margenoot35
N. Ierusalem, ofte den Tempel, ofte beyde.
margenoot36
Stephanus hadde niet geseght, dat Iesus selve dat doen soude, maer dat door sijn oordeel ende bestieringe dit van de Heydenen soude gedaen worden, Luc. 19.43.
margenoot37
Dit is oock alsoo geschiet ontrent 40 jaren daer nae door de Romeynen. Soo hadde hy dan anders niet als de waerheydt geseght.
margenoot38
Dat is, de wet der ceremonien, ende die eygentlick de politie der Ioden aenginck, 't welck oock de waerheyt was.
margenoot39
Dat is, blinckende, ofte stralen van hem gevende. Want met soodanige aengesichten plachten de Engelen te verschijnen. Matth. 28.3.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken