Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel Heinsius (1965)

Informatie terzijde

Titelpagina van Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel Heinsius
Afbeelding van Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel HeinsiusToon afbeelding van titelpagina van Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel Heinsius

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (2.86 MB)

Scans (24.31 MB)

XML (1.33 MB)

tekstbestand






Editeurs

L.Ph. Rank

J.D.P. Warners

F.L. Zwaan



Genre

poëzie

Subgenre

gedichten / dichtbundel
lofdicht(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel Heinsius

(1965)–Daniël Heinsius–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende
Regelnummers proza verbergen
[pagina 320]
[p. 320]

Vytlegginge
van sekere werreltsche historien, woorden, ende manieren van spreken, die in desen Lofsanck gebruyckt worden.

1D En auteur heeft desen Lofsanck sooGa naar eind(1) 2geschreven, dat hy by wijle heeft willen 3gebruycken eenige poëtische woorden, 4in plaetse van andere, die gemeenderGa naar eind4 5sijn. Gelijck, als hy de zee Tethys, het waterGa naar eind5 6Achelous heeft genaemt. Het welcke niemant 7en kan berispen, dan die de oude Leeraers, die 8hy, als wesende de geleerste ende godsalichste 9navolgers van de Propheten ende Apostelen, 10oock daer in heeft willen volgen, niet gesien 11nochte gelesen en heeft. Onder de welcke 12S. Augustinus geensins de minste, ende dieGa naar eind12/13 13geen poesie en schreef, in zijn boeck Van het 14gevoelen der Christenen aengaende de leere, het 15woort Tethys insgelijcks voor de zee gebruyckt 16heeft. Iae dat meer is, S. Ambrosius in zijn derdeGa naar eind(16) 17Van het geloof, heeft zijn eerste capittel tegen 18dit volck geschreven, Die, segt hy, niet wetendeGa naar eind18 19te vinden om te berispen in het geloof, berispen 20wat in de woorden. Ende toont dat den Heyligen 21Apostel Paulus Actor. 17, 28, wel heeft durvenGa naar eind(21) 22gebruycken de woorden van den poeët Aratus, 23sprekende met die van Athenen. Ende dat deGa naar eind23 24Propheten selve, na de oude oversettinge, poetischeGa naar eind24 25woorden gebruyckt hebben. Voor exempel, 26Gigantes, Vallis Titanum, ende by Esaias endeGa naar eind(26) 27Ieremias, Sirenes, filiae Sirenum, het welcke 28woorden sijn ontleent van de poeten. Heeft den 29auteur het woort Cocytus gebruyckt, sprekende 30van de Hel, ende hare poelen, hy sal seggen, dat 31het selve in de oude oversettinge noch wort gelesen 32Iobi 21,33. Heeft hy het woort Pytho,Ga naar eind(32) 33voor den duyvel, dat is, het rechte serpent gebruyckt, 34sal voortbrengen verscheyden plaetsenGa naar eind34 35uyt de Heylige Schriftuere, daer het selve is gedaen. 36Als Deuteronom.18,11. 1 Reg. 28,3, endeGa naar eind(36) 377. Gelijck oock 2 Reg. meermaels. Esai.8,19. 3819,3. 29,4. Actor.16,16. In welcke plaetsen, 39dat woort niet alleen van waerseggers, maer 40oock voor den boosen geest, van de oversetters 41wort genomen. Gelijck in de leste plaetse oockGa naar eind41 42selve den Grieckschen text heeft, πνεῦνα Πύθωνος,Ga naar eind(42)Ga naar eind42 43de geest van Pytho. Waer uyt genoechsaem 44blijckt, dat den Heyligen Geest de leere van de 45Heydenen verworpen heeft, maer niet de woorden. 46Dit sy dan alleenelick voor de gene, die 47sonder wetenschap oordeelen, ende gevoelen naGa naar eind47 48haer oordeel, gelijck zy oock oordeelen nae 49haer verstant.Ga naar eind49

50Pag. 242. a Die met den blixem speelt.]

51Den auteur heeft uytgedruckt het GrieckscheGa naar eind51 52woort τερπιϰέραυνος, van den poëet HomerusGa naar eind(52) 53gebruyckt, dat is, die met den blixem speelt, 55ofte, sich vermaeckt ende schrijft het selve metGa naar eind55 56meerder reden den levenden ende eenigen God 57toe.

58Pag. 248.a Neptunus.

59De namen van dese Goden zijn boven in het 60korte verklaert. Den auteur segt, dat doe de 61Heere Iesus in het vlees quam, sijnde den rechten 62ende waren God met den Vader, alles dat hy gemaeckt 63hadde, aen afgoden verdeelt was: niet 64anders als het goet gedeelt wort van yemant die 65overleden is, ofte buyten lande sijnde, voor doot 66wort gehouden. Aen Iupiter, die de God by haer 67was van den hemel, hadden zy den hemel gegeven, 68aen Neptunus de God van de zee, de zee, 69aen Pluto, de God van de hel, de hel. Soo datter 70niet overgebleven en was van alles dat gemaeckt 71was, voor den schepper van alles. Ende dese gansche 72plaetse heeft den auteur getrocken uyt zijneGa naar eind(72) 73Tragoedie, genaemt Infanticidium, ofte Van 74de moort der onnooselen, die Herodes ombracht; 75noch niet uytgegeven.

76Pag. 248.b Den oppersten van al.Ga naar eind(76)

77Iupiter, wiens schandelicke wellusten ende 78hoereryen, van Homerus ende ander poëten beschreven 79worden. Waer uyt de Vaders, Tertullianus, 80Cyprianus, Arnobius, Lactantius, Minutius 81Felix, Cyrillus, Nazianzenus, Theodoretus, 82ende meer andere, tegen de Heydenen bewijsen, 83dat het geen God sijn en kan, die als een overspeelder 84van zijn eygen dienaers wort beschreven.

86Pag. 250.a Verandert in een stier.]Ga naar eind(86)

87Doen hy Europam vrijde. Siet Ovid. 2 Metamorph. 88Moschum in zijn Europa, Apollodorum 89in zijn 3. Hyginum, ende andere.

90Pag. 250.b oft' in een witte swaen.]Ga naar eind(90)

91De poëten seggen, dat Iupiter sich veranderde 92in een swaen, als hy Leda de moeder van Helena 93vrijde.

94Pag. 250.c Al wat de werrelt straft.]

95Vyt de Tragoedie alreede verhaelt, daer denGa naar eind(95) 96auteur segt,

 
Quodcunque lex coercet, aut damnat pudor;
 
Virtus Deorum est.

99Ende,

100[regelnummer]
Quod quisque peccat, Graia gens caelo dedit,Ga naar eind(100)
 
Colitque in aris. Roma suscepit nefas,
 
Misitque in omnes: velaque errori suo
 
Pedemque laxat. Qua triumphatas videt
 
Sol ire gentes, & Quiriti limitem
[pagina 321]
[p. 321]

Tenslotte de aantekeningen van mythologische aard, die in de uitleggingen van de Christushymne geen plaats konden krijgen wegens hun heidens karakter.

werreltsche: wereldse, profane.

[pagina 322]
[p. 322]
 
Vnaque terris figit extremum mare,
 
Arae sequuntur, templaque, & magni Dei
 
Gentis Latinae. sacra victoris sui
 
Vnaque habenas barbarus discit puer.
5[regelnummer]
Qua ferus Ister claudit errantes viros,
 
Cultorque Mithrae Tigris, & fluctu minor
 
Inobsequentes volvit Euphrates aquas,
 
Pontisque Araxes immemor terram premit;
 
Vbique Roma est. illa quos fecit Deos,
10[regelnummer]
Indixit orbi.

11Pag. 250.d Vergetende de Son.

12Want de Persianen hadden de Son voor God, 13die zy Mithram noemden.

14Pag. 250.e En daer Araxes loopt.

15Een rivier in Armenien. Den auteur noemt de 16selve hier, bruggeloos, om hare snelheyt ende onstuymigheyt, 17die geen bruggen en konde verdragen. 18Ende heeft gelet op het gene dat Virgilius 19geseyt hadde van de selve, pontem indignatusGa naar eind(19) 20Araxes. Dat is,

 
Araxes wilt en onversaecht,
 
En die geen bruggen en verdraecht.

23Pag. 250.f onbeleeft.

24Den auteur noemt de Scythen onbeleeft, om 25dat zy van de Griecken genaemt worden ἄξενοι, 26dat is, onbeleeft, ende vyanden van alle gasten 27ende vreemdelingen.

28Pag. 250.g en op de wagens leeft.

29De poëten ende andere auteuren, schrijven dat 30de Scythen op wagens leven, ende alsoo haer eygen 31huysen voortmennen, als zy verhuysen. Ende 32daerom worden zy van de Griecken ἁμαξόβιοιGa naar eind(32) 33dat is, volckeren die op wagens leven, genaemt.

34Pag. 250.h Loopt naer Eleusis toe.]

35Eleusis was een stat in het ambacht van Athenen,Ga naar eind35 36daer Ceres by nachte wiert geviert, ende 37dese feesten ofte heylige nachten wierden sacra 38Eleusinia genaemt, daer die van Athenen soo veelGa naar eind38 39van hielden, dat zy Hercules geweygert hebbenGa naar eind(39) 40toeganck tot de selve: ende wierden soo heymelick 41ende met sulcken verstant van swijgen geviert,Ga naar eind41 42datmen van de gene die swijgen, ende yet 43seer verbergen, het spreeckwoort gebruyckt: 44Die van Athenen houden de feesten van Eleusis.Ga naar eind(44) 45Ende daerom noemtse onsen auteur in zijn Tragoedie, 46daer boven van gesproken is, furorem 47tacendi, dat is, de raserye ofte dulheyt van swijgen. 48Ende dit is de ketterye van Eleusis, daer TertullianusGa naar eind(48) 49in zijn boeck tegen de Valentinianen af 50spreeckt, ende segt, al dat zy swijgen, is schande te 51verhalen. Siet by den selven, de reden.

52Pag. 250.i neemt toortsen in haer hant.

53De voorgemelde nachten van Eleusis wierden 54geviert ter eeren van Ceres: die haer dochter 55Proserpina met brandende toortsen gesocht hadde, 56na dat zy van Pluto wech was gevoert: ende 57daerom wierden inde selve oock toortsen ontsteken,Ga naar eind57 58ende met de hant geschut. Daer vanGa naar eind58 59men heeft by Senecam in Hippolyto, Euripidem,Ga naar eind(59) 60Claudianum, andere.

61Pag. 250.k En soeckt Osiris vast.]

62Want Osiris was de selve by die van Egypten,Ga naar eind(62)Ga naar eind62 63die Bacchus was by de Griecken, de welcke verscheurt 64zijnde van Typhon zijn broeder, aldereerst 65van Isis wiert gesocht. Het welcke de Egyptenaers 66met groot geluyt ende afgoderye nabootsten.

68Pag. 250.l Het wijtberoemde kalf.]Ga naar eind(68)

69Den auteur verstaet Apis. Alsoo noemden 70die van Egypten het kalf dat zy aenbaden, ende 71dat de Israëliten na maeckten Exod. 32,4.

72Pag. 250.m geteyckent met zijn bont.]

73Om dat het kalf dat zy aenbaden, ende Apis 74noemden, een witte plecke (gelijck Plinius getuygt)Ga naar eind(74) 75op zijn rechter zijde hadde: by na gelijck 76de hoorens van de mane, als zy begint te 77wassen.

78Pag. 250.n Den wreeden crocodyl.]Ga naar eind(78)

79Een wel bekent dier in den Nijl, riviere van 80Egypten. Het welcke de Egyptenaers aenbaden. 81Den auteur noemt hem wreet, om dat hy 82wel somtijts kinders heeft verslint, van de gene 83selfs die hem aenbaden. Siet onder andere Maximum 84Tyrium in zijn 38 gespreck.

85Pag. 250.o Op Aarons schoonen rock.]Ga naar eind(85)

86Den auteur verstaet de kleedinge van Aaron, 87daer van gesproken wort Exodi 2, 8. daer de 88Heere Moses last geeft aen het 2, ende 3 v. datGa naar eind88 89hy Aaron soude laten maecken sulcke kleederen, 90als hem souden behoeven tot den dienst. MaerGa naar eind90 91insonderheyt, sprekende van den rock, verstaet 92hy den langen rock, die tot de voeten van Aaron 93quam, vol oogen, gelijck het servetwerck is, datGa naar eind93 94wy partrijs oogen noemen, daer eenen anderen, 95veel korter over wiert getrocken, Meghil Ephod 96genaemt, daer granaten ende klocxkens aen hingen. 97Siet S. Hieronymus in het boeck Van AaronsGa naar eind(97) 98gewachGa naar voetnoot1.Ga naar eind98

99Pag. 254.a Stont Tityrus en keeck.]

100Tityrus ende Corydon, zijn by de poëten,Ga naar eind(100) 101Theocritus ende Virgilius, namen van herders, 102die den auteur hier voor alle herders gebruyckt, 103gelijck Lucae aen het tweede 8, 9, 10, 11, ende 104van daer voort, geseyt wort, dat de engelen aldereerst 105de herders te kennen gegeven hebben 106de geboorte van het kint, ende dat zy na Bethlehem 107gegaen zijn, ende het kindeken besocht 108hebben.

[pagina 324]
[p. 324]

1Pag. 254.b Niet Daphnis oude pijn.]

2Oock eenen naem van eenen herder: van 3wiens doot ende droefheyt men segt, dat alder 4eerst Herders liedekens gemaeckt zijn. Soo dat 5het by Theocritus een spreeckwoort is, τὰGa naar eind5 6Δάφνιδος ἄλϒεα: De pijnen ofte droefheyt vanGa naar eind(6) 7Daphnis, als de herders by de selven van grooteGa naar eind7 8swarigheyt willen spreken.

9Pag. 254.c Melibeus.]

10Oock insgelijcks een naem van eenen herder.Ga naar eind(10)

11Pag. 254.d Romulus wolvin.]

12Die de history-schrijvers ende poëten seggen, 13dat Romulus ende Remus opgebrocht ende gevoet 14heeft, als dan Livius, Dionysius, Plutarchus,Ga naar eind(14)Ga naar eind14 15Virgilius, Ovidius, Propertius, en meer andere 16getuygen.

17Pag. 256.a Gelijck de schoone ster.]

18Den auteur schijnt inden sin gehat te hebben 19de gelijckenisse Reg. 2,4, Gelijck het licht van deGa naar eind(19) 20morgen smorgens schijnt sonder wolcken, ende gelijck 21door den regen het kruyt spruyt uyt der eerden. 22Al ist dat zy hier anders wort gebruyckt.

23Pag. 258.a Van Pleias staet gevest.]

24Pleias is de seven sterre.

25Pag. 258.b Orion heeft van hem.]Ga naar eind(25)

26Een teycken in den hemel ontrent een ander,Ga naar eind26 27genaemt Taurus.

28Pag. 258.c staet met den blooten degen.]

29Om dat de poëten seggen, dat Orion met eenGa naar eind(29) 30bloot geweer inden hemel staet, ende dreycht.Ga naar eind30

31Pag. 258.d De wagen.]

32Het hemels teycken, dat genaemt wort in 33Latijn Vrsa major, vanden Griecken ἅμαξα, dat 34is, de wagen.

35Pag. 258.e Die vanden kouwen vloet.]

36Den auteur heeft Homerus gevolgt, die van 37dit hemels teycken alsoo spreeckt:

 
Αρϰτόν θ᾽, ἣν ϰαὶ ἅμαξαν ἐπίϰλησιν ϰαλέουσι:Ga naar eind(38)
 
Μούνηδ᾽ ἄμμορός ἐστι ῥοάων᾽ Ωϰεανοῖο.
40[regelnummer]
En Arctos die men oock den wagen dickwils heet,
 
Die van den kouwen vloet van Tethys niet en weet.

42Pag. 258.f van Tethys.]

43Dat is, van de zee. Want de poëten seggen, 44dat Tethys is de huysvrouw van Oceanus.Ga naar eind(44)

45Pag. 260.a zijnen rock van purper, met de sterren 46Gestickt en geborduert.]

47Den auteur verstaet den rock die de Keysers 48ende Velt-oversten van de Romeynen aentrocken, 49als zy triumpheerden, die zy noemden Togam 50palmatam, ende was van purpur met sterrenGa naar eind(50) 51geborduert.

52Pag. 260.b den Ister en den Rijn Doen vallen 53voor hem neer.]

54Dat is, Germania. Want den Ister oock, gelijck 55wy weten, daer spruyt. Wy weten oock,Ga naar eind(55 e.v.) 56dat den Keyser Augustus door Drusum zijnen 57schoonsoon weynig voor dien tijt, de eerste victorie 58van Germania verkregen hadde, die daer 59na Tiberius ende Germanicus vermeerdert hebben. 60Al ist dat my dunckt, datmen dit bequamelick 61verstaen mach van de palen van hetGa naar eind61 62Roomsche Rijck: het welcke, van Augustus tot 63Trajanum toe, zijn volkomen groote heeft gehat. 64Waer van de selve Augustus de palen aldereerst 65gestelt heeft, in het Oosten Euphrates, in 66het Westen den Ocean, in het Noorden den 67Ister ende den Rijn.

68Pag. 260.c Tot op Tarpejus berg.]Ga naar eind(68)

69Een van de seven bergen van Roomen, die 70anders genaemt wort Mons Capitolinus. Op de 71welcke de Velt-heeren klommen, als zy triumpheerden.

73Pag. 260.d Dat Sina zy verheugt.]

74Den vermaerden berg in de woestijne ofte 75wildernis van Pharan in Arabien, daer de Wet 76op gegeven is, ende daer de Heere met Moses 77op sprack, bannende van den selven al het volck 78om de tegenwoordigheyt van zijne majesteyt. 79Exodi 19, ende 20.

80Pag. 260.e Dat nu Iordanes vry.]

81Een riviere in Iudaea, daer de arcke des verbonts 82door gegaen is, Iosue 4, 11. ende daer de 83Heere Christus, sijnde de rechte arcke des verbonts, 84in wort gedoopt. Matth. 3, 15.Ga naar eind84

85Pag. 260.f En Basan sich vertoog.]

86Het lant van de koninck Og, dat ten deele gevallenGa naar eind86 87was aen de halve stam van Manasse, ende 88den berg gelegen in het selve: dickwils inde 89H. schriftuere vermaent. Gelijck Psalm 68Ga naar eind(89)Ga naar eind89 90wort geseyt, dat den berg Basan, eenen berg 91Godes is, ende vol hooge klippen.

92Pag. 260.g dat Sion zich verbly.]

93Den verkoren berg Godes, binnen het oude 94Ierusalem, daer het paleys van David op stont, 95ende zijn graf: gelijck de Roomsche Keysers op 96den berg, genaemt, Mons Palatinus, woonden.

97Pag. 260.h Haer palmen rijsen op.]

98Want Idumeen was vol palmen, de welckeGa naar eind(98) 99oock by de Romeynen de victorie beteyckenden, 100ende wierden inde victorien gebruyckt: ge-

[pagina 326]
[p. 326]

1lijck het woort palma, selve wort genomen, voor 2de victorie.

3Pag. 260.i Die Coesar met zijn hant.]

4Het was gebruyckelick by de Romeynen, dat 5den Velt-oversten, na de triumphe, op het Capitolium 6op zijn knien kroop, ende daer wachte 7tot dat hem gebootschapt wiert, dat de gevangenen 8om gebracht waren, het welcke doen gebeurde. 9Soo haest als hy de bootschap ontfangen 10hadde, ginck hy ende leyde eenen lauwertack 11in den schoot van Iupiter, die daer geviert 12wiert.

13Pag. 270.a van Amphetrite self.]Ga naar eind(13)

14De huysvrouw van Neptunus, dochter van 15Oceanus ende Doris, die van de poëten wort gebruycktGa naar eind(15) 16voor de zee, gelijck oock hier.

17Pag. 270.b ghy sult de groote vlagen 18Gekomen van de maen.]

19Den auteur verstaet de sieckte die men in het 20Latijn noemt morbum Lunaticum, dat is, de sieckte 21van de maen, ofte morbum comitialem: die wy deGa naar eind(21) 22vallende sieckte noemen. Siet Matth. 2, 4, endeGa naar eind(22) 2317, 38.

24Pag. 272.a en Achelous nat.]Ga naar eind(24)

25Eenen naem van een oude rivier, van de welckeGa naar eind25 26de poëten al het water soo genaemt hebben, 27gelijck Aristophanes, Virgilius, andere, ende gelijck 28den auteur selve hier doet. Die hier by verstaet 29het mirakel gedaen in Cana Galilaea. Iohan. 303.

31Pag. 278.a Den ouden Atlas.]

32Eenen koninck in Mauritania, die de poëtenGa naar eind(32) 33seggen dat in den berg verandert is, ende noch 34op zijn schouweren den hemel draecht.

35Pag. 278.b tot aen Cocytus poel.]Ga naar eind(35)

36Een helsche rivier, die haren naem heeft, van 37het gehuyl ende misbaer, dat daer gemaeckt 38wort.

39Pag. 278.c De dolle Cerberus.]

40Den dryhoofdigen hont, die de poëten seggen, 41dat de deuren van de Hel bewaert.

42Pag. 278.d Tisiphone bebloet.]

43Om dat de poëten seggen, dat in de Hel dry 44Furien, dat is Godinnen van de rasery zijn, die 45de boose plagen. Tisiphone, Alecto, Megaera.Ga naar eind(45)

46Pag. 278.e Phlegethon.]

47Een helsche rivier, alsoo genaemt, om dat zy 48altijt brant, van het Griecksche woort φλεγέθειν.

50Pag. 278.f Gelijck als Etna schiet.]

51Den vermaerden berg in Sicilia, die altijt 52brant.

53Pag. 278.g Een grondeloose zee.]

54Den hoogvliegenden Pindarus en gaet nergens 55soo hoog, als in zijne beschrijvinge van den 56berg AEtna, ende van Typheus, die daer onder 57ligt, in zijn eerste liet van zijn tweede boeck, genaemt 58Pythionica, dat qualick genaemt wortGa naar eind(58) 59Pythia. Ende daerom hebben de oude (onder 60andere Macrobius in zijn 5 boeck Saturn. in hetGa naar eind(60) 6117 cap.) de plaetse Pindari met die van Virgilio,Ga naar eind61 62daer uyt genoechsaem genomen, overleyt, endeGa naar eind62 63tegen den anderen gestelt. Gelijck oock in onsen 64tijt gedaen is van den grooten Iulius Scaliger. 65Pindarus segt onder andere, dat uyt de binnensteGa naar eind(65) 66hoecken van den brandenden berg, fonteynen viers 67gespogen worden. ende datter gantsche rivieren van 68vlammen uyt komen, die eenen vloet van swarten 69roock daer uyt gieten. Welcke treffelicke hoogeGa naar eind69 70woorden, den auteur uytgedruckt heeft, endeGa naar eind70 71durven na komen, jae vermeerderen ten deele 72het gene van Pindarus geseyt was, sprekende 73niet alleen van rivieren ende fonteynen, maer 74van een gantsche, jae een grondeloose zee van 75vlammen.

 
Gelijck als Etna schiet uyt hare diepe kolcken,
 
Een grondeloose zee van vlammen in de wolcken.

78Pag. 278.h Indien Typheus roert.]

79Typheus ofte Typhon, een reus alsoo genaemt,Ga naar eind(79) 80geboren uyt Terra, die willende den Hemel 81bevechten, soo de poëten seggen, van Iupiter 82geworpen is onder den berg Inarime: ofte, 83gelijck Pindarus, Strabo, Ovidius, den auteur,Ga naar eind(83)Ga naar eind83 84onder den berg Etna. Seggen daer by, dat soo 85dickwils als hy hem roert, gants het eylant beeft. 86Het welcke anders te verstaen is. Want het selve 87woort beteeckent, eenen stercken draey-wint,Ga naar eind(87) 88die het sulpher, dat in den berg licht, ontsteeckt, 89ende om dat dit selve niet sonder groot geluyt 90en geschiet, segt den auteur, dat Typheus eenen 91schreeu geeft.

92Pag. 278.i Trinacria.]

93Het eylant, anders Sicilia genaemt, by Italien.Ga naar eind(93)

94Pag. 308.a Gelijck Bellerophon.]

95Een sone van Glaucus, die de poëten seggen,Ga naar eind(95) 96dat het vliegende peert Pegasus getemt, ende 97daer mede gesocht heeft na den hemel te vliegen, 98door hoogmoet ende grootsheyt.

99Pag. 308.b Pegasus.]

100Het vliegende peert van Bellerophon, alreede 101verhaelt.

[pagina 328]
[p. 328]

1Pag. 308.c Gelijck als Phaëton.]Ga naar eind(1)

2De sone van Apollo ende Clymene, die de 3poëten seggen, dat op den wagen van Apollo 4zijn vader, heeft versocht te sitten, ende van zijn 5peerden afgeworpen is geweest, vallende uyt 6den hemel op de eerde.

7Pag. 316.a o grooten Pelekaen.]Ga naar eind(7)

8De oude seggen, dat de Pelekaen van sulcker 9aert is, dat hy hem selven de borst open bijt, ende 10met het bloet dat daer uyt loopt, zijne jongen 11spijst. Andere seggen, gelijck oock EpiphaniusGa naar eind(11) 12in zijn boeck genaemt Physiologus, dat de jongen 13van den Pelekaen, doot gekoestert zijnde van de 14moeder, door een al te groote liefde, wederom 15tot het leven door het manneken gebrocht worden, 16dat zijn sijde wont, ende met het bloet, dat 17daer uytvloeyt, haer weder verweckt. Het een,Ga naar eind17 18ende het ander, past wonder op den Heere Iesus, 19ende daerom wort oock dese gelijckenis hondertmael 20gelesen by de oude Theologanten, jaeGa naar eind(20)Ga naar eind20 21in alle oude huysen ende kercken, daer de Heere 22aen het kruys hangt, sietmen eenen Pelekaen by 23hem geschildert ende gemaeckt staen. Al ist datGa naar eind23 24de gene, die de natuere van den Pelekaen te 25recht kennen, dat op geenderley maniere en kon 26nen voor waerschijnlick houden. De Pelekaen 27is de vogel, die van Plinius Platea, van CiceroGa naar eind(27) 28Plateala, van Plinius, Hieronymus, Eucherius, 29Onocrotalus, van ons Lepelaer genaemt wort; hierGa naar eind(29) 30te lande wel bekent ende gemeen: met eenen 31platten beck, (daer hy oock de naem van heeft) 32ende oversulcks onbequaem om zijn lijf te doorbooren, 33daer hy nochtans scherp geschildert 34wort. Ende dit schijnt daerom veel eer een eygenschap 35te zijn van eenen anderen vogel in 36Egypten, de oude beter als ons bekent. Van den 37welcken de Vaders dese eygendommen genomenGa naar eind37 38hebben, ende soo veel over al van schrijven.

 

Eynde vande tweede uytleggingen.

eind(1)
Het metonymisch gebruik van godennamen bij Heinsius in zijn lofzang op Christus lijkt de annotator gewettigd op grond van de overweging dat ook de oud-christelijke schrijvers deze niet geschuwd hebben.
Als voorbeelden worden genomen Augustinus en Ambrosius.
In het door Scriverius geciteerde boek van Augustinus: Van het gevoelen der Christenen aengaende de leere, waarmee toch wel bedoeld zal zijn: De Doctrina christiana, is deze metonymie mij niet bekend. Wel in zijn: De mirabilibus sacrae scripturae, I, cap. 22 (P.L. 35, 2167). Het gebruik van Thetys als metonymie is overigens al heidens (Lucanus, Pharsalia, I, 413; Seneca, Herc. Fur., 886 etc.). Zie ook Porphyrius bij Eusebius, Praep. Ev., III, 11.
eind4
gemeender: gewoner.
eind5
Gelijck, als: Bijv. als.
eind12/13
ende die geen poesie en schreef: vgl. echter Inleiding, p. 197206-207.
eind(16)
Wat Ambrosius betreft, zie: De Fide ad Gr., III, cap. 1, par. 3 en 4 (P.L. 16, 589 v.). Ook in de volgende regels volgt de annotator Ambrosius op de voet.
eind18
dit volck: deze mensen (deze berispers); niet: niets.
eind(21)
Handelingen XVII:28: Want in Hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht. Met deze Griekse dichters zijn Aratus (Phaen. 5) en Cleanthes (Hymne aan Zeus, 4) bedoeld.
eind23
sprekende....Athenen: in zijn gesprek met de Atheners.
eind24
de oude oversettinge: de Vulgaat.
eind(26)
Zowel Gigantes als Titanes is vertaling van Rephaïm of Raphaïm, voorisraëlitische bewoners van Palaestina van rijzige gestalte cf. e.g. voor Giganten ook Gen. XIV:5 en Jos. XII:4 in LXX.
Sirenes (Hieronym. Jer. 2, 10, 22: Sirenae, monstra quaedam et daemonum phantasmata) Jesaja 43:20 (apud Tert. Marc. 3, 5): benedicent me bestiae agri, Sirenes (dracones: Vulg.) et filiae passerum.
Jeremia L:39. θυϒατέρες Σειρήνων, cf. Job. XXX:29: ἀδελφὸς γέγονα Σειρήνων, ἑταῖρος τῶν στρουθῶν. De modernen vertalen Sirenes met ‘jakhalzen’.
Vallis Titanum: II Sam. V:18 en 22.
eind(32)
Pytho: oorspronkelijk de draak die het Delphische orakel behoedde (Strabo, IX, 3, 12), in de genoemde plaatsen uit de Bijbel een waarzeggende geest. We geven één voorbeeld uit de Vulgaat: Hand. XVI:16: Factum est autem, euntibus nobis ad orationem, puellam quamdam habentem spiritum pythonem obviare nobis,....
eind34
sal: hij zal.
eind(36)
1 Reg. 28,3, ende 7: lees: 1 Sam. XXVIII 3 en 7.
eind41
genomen: gebruikt.
eind(42)
Variant: πνεῦμα Πύθωνα.
Deze gehele aantekening komt hier op neer dat naar de mening van de annotator de Bijbel weliswaar het heidendom verwerpt, maar dat de Heilige Geest, als schrijver van de Bijbel, wel heidense uitdrukkingen tolereert. De latere tegenstander van Heinsius, Balzac, verwijt de dichter desondanks het gebruik van heidense beeldspraak in zijn Herodes Infanticida.
eind42
selve....text: de Griekse tekst zelf.
eind47
gevoelen na haer oordeel: denken overeenkomstig hun (geringe) oordeelskracht.
eind49
verstant: begrip.

eind51
uytgedruckt: weergegeven.
eind(52)
Τερπιϰέραυνος: Hom. Il., I, 419 en andere plaatsen.
eind55
met meerder reden: met meer reden.

eind(72)
Uit het drama van Heinsius (uitg. 1632, p. 15):
 
Jupiter coelum tenet,
 
Neptunus undas, tertiam frater domum.
 
Nihil relictum est, cuncta divisit furor.

eind(76)
Over de schanddaden van Jupiter: Tertullianus, Apol., XXI (P.L. I, 454); Ad nationes, I, 10 (P.L. I, 646); Cyprianus, Ep. I, 8 (P.L. 4, 215); Arnobius Adv. Gent. IV, c. 35 i.f. (P.L. 5, 1073); Lactantius, Inst. Div. I, cap. XI (P.L. 6, 165) enz.

eind(86)
Zeus in een stier veranderd: Ov. Met. II, 836-III, 2, speciaal vers 850; Apollodorus, Bibl. III, 1, 1.; Hyginus, Fab. 178, 1. Moschus II, 77 e.v.

eind(90)
Leda en de zwaan: Prop. I, 13, 29; Ov. Met. VI, 109. Kritiek op dit verhaal bij Tertullianus, De spectaculis, 8: De cycno love non erubescunt.

eind(95)
O.c., p. 14 vv. Al wat de wet aan banden legt of het schaamtegevoel veroordeelt, is de deugd der goden.
eind(100)
Wat ieder misdrijft, schreef het Griekse volk toe aan de hemel en vereert het op altaren. Rome heeft de zonde overgenomen en heeft haar uitgezonden over de hele wereld: Rome viert zo aan zijn dwaalleer de vrije teugel. Waar ook maar de zon de onderworpen volkeren ziet gaan en waar zee en land tezamen aan de uiterste uiteinden voor de Romeinen de grenzen bepalen, daar volgen op de voet altaren en tempels en de grote goden van de Latijnse stam. De barbaarse knaap leert de religieuze dienst van zijn overwinnaar tezamen met zijn teugels kennen. Waar de woeste Donau de Nomaden omsluit en waar de Tigris, vereerder van Mithras, en waar de Eufraat, minder snel stromend, zijn niet gehoorzamende wateren voortwentelt, en de Araxes, die geen brug kent, over de aarde stroomt, daar is overal Rome. De goden, welke zij gemaakt heeft, heeft ze opgelegd aan de wereld.

eind(19)
Verg. Aen. VIII, 728. Een gevleugeld woord; zie Seneca, Nat. Quaest. VI, 17, 1 en Quintilianus, Inst. Or. VIII, 6, 11.

eind(32)
Voor ἁμαξόβιος (op wagens levend): Justinus Martyr, Dial. cum Tryph. 117, 5. (P.G. 6, 748 B).

eind35
ambacht: rechtsgebied.
eind38
daer.... soo veel van hielden: die.... zo hoog stelden.
eind(39)
Voor het verband van Hercules en Eleusis, over zijn al dan niet ingewijd zijn aldaar, zie O. Gruppe, i.v. Heracles, P.W.R.E., Suppl. III, kol. 929. Voor de mysteriedienst zie ook Heinsius' tragedie, p. 13.
eind41
verstant van swijgen: kunst van zwijgen.
eind(44)
De spreekwijze luidt: Ἀττιϰοὶ τὰ Ἐλευσίνια (sc. ϰαθ᾽ ἑαυτούς), ziende op de beslotenheid van de congregatie. Duris van Samos, Fr. 95 Jacoby (Fragm. Graec. Hist. II A, p. 157).
eind(48)
Tertullianus, Adv. Valent. 1 (P.L. 2, 573-574): Quod tacent pudor est.

eind57
inde selve: in die (nachten).
eind58
Daer van men heeft: Waarvan men geschreven vindt.
eind(59)
Seneca, Hippolytus, 106 vv.; Hercules Furens, 301 v.; Euripides, Cretes frgm. 47213: μητρί τ᾽ὀρείῳ δᾷδας ἀνασχών. Dit ter eere van Cybebe (Cybele)!; Claudianus, De rapt. Proserp. 36, 332 vv.

eind(62)
Osiris en Typhon broers: een zeldzaamheid. Zie Manetho bij Syncellus (18 C), een Byzantijns chronograaf; Eusebius, Chron. Arm. 93 (ed. Maï).
eind62
de selve: dezelfde.

eind(68)
Parallel Ex. XXXII:4 en de Apisdienst in Egypte.

eind(74)
Plinius, Nat. Hist. VIII, 46, 71 (par. 186).

eind(78)
Maximus Tyrius, dialoog 8, sectio 5, verhaalt van een kind dat met een jonge krokodil speelde en later door het dier werd verslonden. De moeder van het kind bleef de krokodil aanbidden. In 1614 verscheen de tweede druk van Heinsius' uitgave van Maximus Tyrius.

eind(85)
Ex. XXVIII:8 (niet: 2, 8, maar 28): En de kunstige riem zijns efods, (cf. r. 95), die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. Zie ook vs. 4: .... en een rok vol oogjes.
eind88
aen: in.
eind90
als hem souden behoeven: als voor hem nodig zouden zijn.
eind93
servetwerck: tafellinnen.
eind(97)
Hieronymus, Ep. 64, ad Fabiolam de veste sacerdotali (P.L. 22, 607-622). Hieronymus verwijst in deze brief naar het hem door de schrijver cadeau gezonden geschrift van Epiphanius over de edelstenen van Aärons gewaad (P.G. 43, 294-302).
voetnoot1
Lees: gewaet.
eind98
gewach (?): gewaad.

eind(100)
Men zie voor Tityrus: Theocritus, Id. III, 2; Verg. Ecl. I, 1. Voor Corydon: Ecl. II, 1; Lucas II:8 vv.

eind5
spreeckwoort: zegswijze, uitdrukking.
eind(6)
Theocr. Id. V, 20.
eind7
by de selven: bij hem (Theocritus).

eind(10)
Verg. Ecl. II.

eind(14)
Livius, I,4-7,3; Dionysius van Halic., Ant. Rom. I, 72; 76; 79-87; Plut. Romul. I, 2 en 7-10; Verg. Aen. VIII, 630 vv.; Ov. Fasti, III, 1-70; IV, 801 vv.; V, 451-484; Prop. III, 9, 50 v.
eind14
als dan: zoals dan.

eind(19)
II Sam. XXIII:4.

eind(25)
Orion en de Pleiaden: Hom. Il., XVIII:486.
eind26
ontrent: bij

eind(29)
Eur., Ion, 1153.
eind30
bloot geweer: getrokken zwaard.

eind(38)
Hom. Il., XVIII, 487 en 489. Het Grieks van de verzen 487 en 489 luidt aldus:
487 Ἄρϰτον θ᾽, ἣν ϰαὶ Ἅμαξαν ἐπίϰλησιν ϰαλέουσι,
489 Μοῦνη δ᾽ ἄμμορός ἐστι ῥοάων Ὠϰεανοῖο.
Het vers is afkomstig uit de beschrijving van Achilles' schild. Vs. 489 luidt eigenlijk: οἴη δ᾽ ἄμμορός ἐστι λοετρῶν Ὠϰεανοῖο. Ook hier weer een vrij Scriverius-citaat.

eind(44)
Tethys en zijn vrouw Oceanus: Ov. Fasti, V, 81.

eind(50)
Togam palmatam: Servius op Vergilius Aeneis, XI, 334 en Juvenalis, Sat. X, 38.

eind(55 e.v.)
Drusus' krijgsbedrijven in Germanië: 13 v. Chr.-9 v. Chr. Drusus drong in 11 v. Chr. tot de Weser, in 9 v. Chr. tot de Elbe door.
eind61
palen: grenzen.

eind(68)
Men vergelijke voor Tarpejus berg: Verg. Aen. VIII, 652.

eind84
wort: werd.

eind86
ten deele: ten deel.
eind(89)
Ps. LXVIII:16: De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.
eind89
vermaent: vermeld.

eind(98)
Idumeen; Marc. III:8.

eind(13)
Amphitrite: (men corrigere in het lemma: Amphitrite) zeegodin; bij Hesiodus, Theogonie, 243 en 254, dochter van Nereus en Doris. Bij Apollodorus, Bibliotheca, I, 2, 2 een dochter van Oceanus en Thetis.
eind(15)
Amphitrite voor zee b.v. Euripides, Cycl. vs. 702.

eind(21)
Morbus comitialis: de ziekte die bij haar optreden (epilepsie) aan de comitia een einde maakte (Celsus III, 23).
eind(22)
Zie Matth. XVII:14 vv. (niet: XVII:38). Matth. IV:24.

eind(24)
Achelous: zie Bacchushymne, p. 134, noot op vs. 251.
eind25
van de welcke: naar welke.

eind(32)
Atlas, koning van Mauritanië en bezitter van de tuin der Hesperiden, werd door Perseus met behulp van het Medusahoofd in een berg veranderd (Ov. Met. IV, 631 vv.). De berg Atlas voor het eerst bij Her. IV, 184.

eind(35)
Cocytus: naam afgeleid van ϰωϰύειν: weeklagen. Hom. Od. X, 513.

eind(45)
De drie Furiën met name genoemd bij Apollodorus, Bibl. I, 1, 4. Hier Tisiphone bebloed, meestal als epitheton: pallida: bleek (verg. Aen. VI, 370 v.: ultrix: de wreekster).

eind(58)
De geijkte opening van Pindarus' zegezangen is de verzameling der Olympische Oden; op het tweede plan volgen de Pythische. Waarom Scriverius Pythia minder juist vindt dan Pythionica, zegt hij niet, maar het is wel duidelijk: immers in de betiteling Pythia is het begrip overwinning weggelaten. S. ziet hier op Pindarus, Pyth. Ode, I, 40 vv.
eind(60)
Scriverius haalt Macrobius aan (Sat. V, 17, 9). De met Pindarus te vergelijken Vergiliusplaats treffen we aan in Aen. III, 570 vv. S. heeft hier belangstelling voor klassieke tekstvergelijking, hetgeen ook uit het volgende blijkt. Hij noemt in r. 64 de oude Scaliger die in zijn Poetices, V, cap. 4, zijn lieveling Vergilius met enig succes verdedigt tegen een aanval op Vergilius gedaan door Favorinus bij Gellius, Noctes Atticae, XVII, 10, 9, welke passage vrijwel letterlijk bij Macrobius (l.c.) terugkeert.
eind61
met: samen met.
eind62
overleyt: overlegd; ende....gestelt: en met elkaar vergeleken.
eind(65)
De proza-Pindarusvertaling van Scriverius laat ten onrechte de tijdsbepaling van Pindarus weg: Pindarus gaat bij zijn beschrijving van dit vulkanisme namelijk uit van een kunstmatige verdeling dag-nacht. Overdag zijn er stromen rook, des nachts is er een vuurkolom.
eind69
hooge: verheven.
eind70
uytgedruckt: weergegeven.

eind(79)
Typheus zoon van Gaia en Tartaros, Hes. Theog., 821 vv. Voor de berg Inarime: Verg. Aen. IX, 713; Claudianus, XXVII, 18. De kunstmatige naam berust op de voor-aziatische lokalisatie van εἰν Ἀρίμοις, bij Hom. Il., II, 783 en Hes. Theog. 304.
eind(83)
De gewone Etnatraditie bij Pindarus, l.c., Strabo, V, 4, 9, Ov. Met. V, 321 vv. Niet genoemd Aeschylus, Prometheus, vs. 365.
eind83
den auteur: Heinsius.
eind(87)
De naturalistische verklaring van de wervelwind reeds bij Scholion Hesiodus' Theogonie, vs. 304.

eind(93)
Trinacria: oude naam van Sicilië, genoemd naar de driehoekige vorm van het eiland, of naar de drie voorgebergten.

eind(95)
Voor de Pegasusgeschiedenis: Pind. Olymp. Ode, XIII, 63-92; Apoll. Bibl. II, 32; Hyg. Fab. 57.

eind(1)
Phaeton, zoon van Apollo en Clymene, Ov. Met. I, 756. Het hele verhaal: Met. II, 1-400.

eind(7)
De pelikaan: zie D'Arcy Wentworth Thompson: A Glossary of Greek birds (Oxford, 1936), p. 231 vv.
eind(11)
Epiphanius: Physiologus, cap. 8 (P.G. 43, 523-526). De volgende regels van deze annotatie zijn een vertaling naar Epiphanius, ook de parallel met Christus. In deze pelikaangeschiedenis is het besprenkelen met het bloed belangrijker dan het spijzigen met het bloed.
eind17
verweckt: opwekt.
eind(20)
Oude Theologanten: Thomas van Aquino, die in zijn Sacramentshymne (Adoro Te) met nadruk gewaagd van ‘heilige pelikaan’. Van Thomas af is de pelikaan het symbool van de eucharistie.
eind20
Theologanten: theologen.
eind23
gemaeckt: uitgebeeld.
eind(27)
Plinius' platea: Nat. Hist. X, 40, 56, par. 115. Cicero, Nat. Deor. II, 49 (platalea).Ga naar voetnoot*
voetnoot*
Men corrigere in (28): Platalea.
eind(29)
Voor Onocrotalus: Plinius, Nat. Hist. X, 47, 66, par. 131. Hieronymus: Comment. in Soph. liber, cap. 2 (P.L. 25, 1368 B). H. noemt twee soorten. Eucherius: Instr. ad Salonium, lib. II, cap. 11 (P.L. 50, 820 C). Onocrotalus betekent ‘ezelklepperaar’.
eind37
eygendommen: eigenschappen.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken