Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Gedichten (2 delen) (1991)

Informatie terzijde

Titelpagina van Gedichten (2 delen)
Afbeelding van Gedichten (2 delen)Toon afbeelding van titelpagina van Gedichten (2 delen)

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (9.26 MB)

Scans (63.55 MB)

XML (4.98 MB)

tekstbestand






Editeur

A.E. Jacobs



Genre

poëzie

Subgenre

studie
verzameld werk
gedichten / dichtbundel


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Gedichten (2 delen)

(1991)–Joannes Six van Chandelier–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

[Dichtbosch, het eerste deel]

[119] Het boek, aan den leeser (p. 205)

toelichting Dit is het eerste van drie poëticale gedichten die het eerste Dichtbosch openen. Mevrouw Schenkeveld wijst in haar analyse van deze gedichten op de verwantschap van dit het boek, aan den leeser met de

[pagina 219]
[p. 219]

  elegie waarmee Ovidius' derde boek Tristia opent (Schenkeveld-van der Dussen, 1983 a, p. 293-295). Het gedicht staat op p. 145-147 van Six' bundel.
 
annotatie  
 
1 een boschmaagd: een bosnimf (dwz. een nimf uit het bos, maar in dit geval eerder: een nimf die een Dichtbosch is)
  van zoo een droogen geest: van een dito droge geest (van een bosgeest, een faun, maar dan wel een koele). Six speelt ook met het woord geest in de betekenis dichter, literator en laat zich door zijn boek dus voorstellen als een niet erg warmbloedig poëet.
2 Meer ... geweest: Die zich meer met handel in gedroogde kruiden inlaat dan hij zich ooit met boeken heeft beziggehouden (vgl. ook droogen, r. 1)
3 uw druk: uw drukkunst
  gebuurende aan het Spaaren: die beoefend wordt niet ver van het Spaarne. Wil Six in het woord druk ook iets oproepen van de traditionele rivaliteit tussen Haarlem en Amsterdam (‘de stad die u drukt’)?
4 De vindster van die konst: het Spaarne (Haarlem), dat die kunst heeft uitgevonden (Laurens Coster was immers Haarlemmer)
  dees blaaren: deze bladzijden, waaruit ik, boek, besta
5 Haar reed gerief: Het gemak dat het bestaan van de drukkunst biedt (wnt xii, iii, 999, deze plaats)
  dat min, dan ouders pennen, kost: dat minder kost dan (onze) ouders aan pennen uitgeven. De ouders van de boeken zijn de schrijvers en dichters.
6 Queekt: Brengt ... in het licht
  werlden: ‘hele werelden’
  schaapenleer: schapeleren of schapeperkamenten band
7-8 Haar ... tienen: Voor wie zich met genot aan de poëzie als zijn concubine wil wijden zijn de kosten zo laag (‘is de investering zo profijtelijk’) dat de vrucht van die omgang in tientallen, in plaats van in het enkelvoud van een enig kind volgt (enig kind dat hij zou hebben verwekt als hij alleen maar met een pen schreef)
9 Dacht wel myn Vaader ooit: Heeft mijn vader (Six) wel ooit gedacht (nl. toen hij nog op school zat)
9-10 dat ... verdriet: dat hij mij, na de school te hebben verlaten, nog zou voortbrengen, als onverwacht gevolg van de langdurige en moeizame studie aan de Latijnse school
11 De ... passen: De kinderen die zich verzetten tegen de schooluren en de plak
12 om die eens t'ooverwaschen: om die klok, en plak eens te ontgroeien
13-14 De ... geplukt: dwz. Hij (Six) had nog maar vier lentes in vrijheid (nl. na de afsluiting van zijn schooltijd) meegemaakt
14 hy viel in swaarder band: of hij rackte in zwaarder gevangenschap
15 hy had geen twintigh jaaren: hij was nog geen twintig jaar. De leerlingen verlieten de Latijnse school omstreeks hun vijftiende (vgl. Fortgens, 1958, p. 9-10). ‘Geen twintig jaar’ zal hier dus ‘negentien jaar’ betekenen.
16 sy riedt hem om te paaren: gaf zij (de liefde) hem de wens in te gaan minnen en trouwen

[pagina 220]
[p. 220]

17 in 't dwaalende oogh: in zijn rondziende oog
18 Die ... toogh: Die hem voor het eerst het wambuis (het kledingstuk van een jongen) van zijn onervaren (‘groene’) schouders nam, dwz. Die hem de kindertijd achter zich deed laten
19 in 't bedryven: bij het dingen naar de hand van een meisje
20 Noch: Toch
  schaamte: verlegenheid
  die de tonge doet verstyven: dwz. die de minnaar het spreken belet
21 Dies: Daarom
  een pen: een schríftelijke wijze van communiceren
  't roosen: het blozen, het kleuren
22 swarte sluijers: metaforisch voor de zwarte letters die 's minnaars verlegenheid niet laten doorschemeren
22 in 't spreeken van belangh: bij het spreken over ‘zwaarwegende zaken’ (van de liefde)
23 Het ... draagen: Het vereiste een fraaie inhoud (stof nog in aansluiting bij sluijers, r. 22) om zijn verlangens kenbaar te maken
24 waarschynelykst: met de meeste kans geloofd te worden
  zou: zou kunnen
25 verworpen: weggeworpen
26 een sleipsteen: nl. om zijn pen, zijn stijl van schrijven, op te wetten
  nut: nuttig, van dienst
  uit een boek: nl. uit de hoek waar het boek, de slijpsteen, was weggeworpen
28 mynen: delven
29 als: omdat zij ... zijn
31 De ballingh om de kunst van geile minnevellen: Hij die balling was wegens zijn dichterschap van wellustige verzen. Ovidius is (om niet geheel duidelijke redenen) naar Tomi aan de Zwarte zee verbannen. Six houdt het erop dat zijn geile minnevellen (zijn Ars amatoria en Amores) tot zijn verbanning hebben geleid.
32 Met Theokryt: Evenals Theocritus. Mevrouw Schenkeveld kan Theocritus niet in verband brengen met Six' minnepoëzie. Zij vraagt zich af of Six hier niet het oog heeft op Theocritus a Ganda, dwz. op Daniel Heinsius in zijn rol van dichter van erotische emblematiek (Schenkeveld-van der Dussen, 1983 a, p. 294, noot 10).
  in te stellen: op te stellen, te formuleren
33 wat ter taal: eenmaal wat thuis in de taal
  wat vryer in 't gevry: wat meer op zijn gemak bij het dingen naar de hand van zijn geliefde
34 wat styls van Poësy: wat poëtisch werk in stijl (zonder dat het voor de minnaar wat uithaalde, impliceert Six)
35 Lyk: Net zoals
  voorts vryer: naderhand vrijgezel
36 Zoo: expletief, vat Lyk op
37 't zy hy dicht, of rymt: of hij nu dicht of (slechts) rijmwerk maakt
  de vryster blyft uit 't hoofd: een geliefde heeft hij niet meer op het oog (en komt in zijn poëzie niet meer voor)

[pagina 221]
[p. 221]

38 Ook hoeft van niemand myn hoedaanicheit gelooft: Niemand behoeft ook mijn (des boeks) waarde aan te prijzen. Met Ook impliceert Six, dat hij in de voorgaande regels niet vist naar complimentjes voor zijn eigen hoedaanicheit, zijn kuise ongehuwde staat, die geen gedachten aan een vryster toelaat.
39 Ik ... looven: Zelfs als men iets (in mij) kan loven, wil ik (boek) naar geen lof dingen
40 oogh: oogmerk. Het oogmerk van Six' boek wordt genoemd in r. 61.
  verdooven: aan het zicht onttrekken
41 Vraagt nu een groot verstand: Is er nu een ‘wijze’, die de vraag stelt: ...? (Six' antwoord aan deze denkbeeldige vragensteller volgt eerst in r. 55 e.v.)
41-44 wat komt ge dan in 't licht [...] Dan om: ‘Als je dan niet geprezen wilt worden, om welke andere reden verschijn je dan eigenlijk, boek, ... dan om ...?’
42 in geevels van gedicht: op het frontispice vóór de gedichten
43 Op 't pothuis en de bank van boekverkoopers: In het pothuis en op de toonbank van de boekhandelaars. Een pothuis is een kleine uitbouw aan de voorzijde van een gebouw, vaak in gebruik als winkeltje (vgl. wnt xii, ii, 3749).
44 de gaande lui: de komende en gaande man, het langslopende publiek
  te lokken om te kyken: de vragensteller veronderstelt dus dat het boek alleen maar het oogmerk heeft op te vallen
45 't is immers geen droogist?: is dat immers niet een kruidenhandelaar?
46 kaarle: kerel. In de klankvorm (vgl. ook meug'lik) laat Six de wijze van spreken van het publiek blijken.
47 Hy ... deursoeken: Het moet zeker zo zijn, dat hij meer leest en naspeurt dan ik
48 wat: heel wat
49 mach er [...] zyn: geldt als
50 Wat [...] al geesten: Hoevele grote dichterlijke talenten
51 in 't Latyn: waaruit 's sprekers ongeletterdheid blijkt
  van: over
52 deftigh: edel, verheven
  uitstrooijen: te praten, praatjes rond te strooien
53 Van Metteformis van Ovidius gemaakt: Van de door Ovidius gemaakte ‘Metteformis’ (de Metamorphoses)
54 heur werk: dat hun werk
  by dat: vergeleken met dat boek (dat van Six)
  noch hand noch vinger raakt: in het niet valt(?)
55 O aaverechtsen tyd: Ach, geheel verkeerde tijd! (Het boek herneemt het woord)
  Apelles: de Antieke schilder, hier met name genoemd, wegens zijn vermaarde reactie op de kritiek van een schoenmaker op zijn schilderwerk: ‘Schoenmaker, blijf bij je leest’.
56 te wys dan om te leeren: toch te wijs om u de les te laten lezen
57-58 Virgilius ... kykt: het is mij niet gelukt vast te stellen, waarop Six doelt in deze regels. Na Apelles lijkt hier ook Vergilius het zwijgen te worden opgelegd, evenals(?) Octavia. Bedoelt Six het wel aan Seneca toe-

[pagina 222]
[p. 222]

  geschreven treurspel Octavia? Het lijkt echter niet onmogelijk te interpreteren: ‘Vergilius mag verzwijgen dat Octavia tenondergaat’. In r. 58 zal se betrekking hebben op Octavia en syn op Virgilius. Six lijkt Statius als bron voor het bedoelde te noemen: kykt zal ‘doelt’ betekenen. Van Statius in verband met Vergilius weet ik slechts dat hij de Aeneis als bewonderd voorbeeld voor zijn Thebais noemt (Thebais xii, 816). Octavia gold ook als een beschermvrouwe van Vergilius.
59 Maar ... preeken: Maar kan men, als een Zoïlus, nu zo maar van de kansels prediken (dwz. met grote stelligheid een al te kritisch oordeel doen horen)
60 In ... spreeken?: In plaats van de vanouds toegepaste methode (van beoordeling van een schrijver): laat mij, boek, voor mijn vader spreken (dwz. In plaats van dat men mij, naar oud gebruik, voor mijn vader, de dichter, laat spreken en pas daarna kritiek uitspreekt)
61 Op dat ik wyser werd: Zodat ik verstandiger kan worden (nl. door de kritische opmerkingen van lezers)
  vermaake, en imand sticht: het bekende ideaal van de dichter (vgl. Horatius' Ars poetica, 333-346)
62 Niet juist: Niet zozeer
  kan: vermag
63 Ons: kennelijk bedoelt het boek: Mijn vaders en mijn
  weeten: kennis
  is ... weeten: is, al hebben sommige anderen die kennis niet, toch maar een weetje
64 Maar ... Poeëten: Maar het is nu juist aan de schilders en dichters om te delen wat ze hebben (al is het ook maar een weetje). Het noemen van juist deze combinatie van schilders en dichters zal zijn ingegeven door Horatius' vermaarde ‘Ut pictura poesis’ (Ars poetica, 361).
65 wat hy deilt: dat wat hij aan u uitdeelt (vgl. meededeilsaamheit), hetgeen hij schrijft
  weinigh naa 't begin: heel anders dan hetgeen hij eerst schreef (nl. zijn minnepoëzie, vgl. r. 31-34)
66 lagh [...] te min: bleef ... op een te laag peil (met woordspel: hield ... zich met ‘min’, liefde, bezig)
  geneight tot minnen: die toen op de liefde gericht was
67 is verworpen met dat kooten: is, samen met dat geflikflooi, afgeschaft (vgl. wnt vii, ii, 5467). ‘Koten’ is ook een kinderspelletje.
68 Wat grooter: Toen hij (zo) wat was opgegroeid
  voeghde sich [...] by: volgde ... na, volgde ... in het voetspoor van
69 O ... Hardy: Six doelt op het gedicht Au sieur Hardy, dat Théophile de Viau (1590-1626) ter ere van Alexandre Hardy (± 1570-1632) heeft geschreven. Viau prijst Hardy daarin, omdat hij zich verre houdt van gekunstelde liefdespoëzie. Het gedicht is voor het eerst gepubliceerd in 1620 of 1621 (Viau iii, 1958, p. 204, noot 1 en p. 206-207; vgl. Schenkeveld-van der Dussen, 1983 a, p. 294, noot 11).
71 't lierspel der Thebaanen: het lierspel dat de Thebanen te horen kregen (dat van Pindarus)
72 met Venusynsche swaanen: met de zwanezangen (welluidende poëzie) van de in Venusia geboren Horatius

[pagina 223]
[p. 223]

73 zy uw: moge aan u ... zijn
74 Gemiddelt, hoogh, en laagh naa 't voorgevallen deel: Dat, naar gelang het (beschreven) voorgevallene het eist, in gemiddelde, hoge en lage stijl geschreven is. Six bedoelt dat in zijn poëzie de drie genera dicendi (medium, grande en humile) vertegenwoordigd zijn (Schenkeveld-van der Dussen, 1983 a, p. 294).
75 onverwacht: zonder dat hij (die iemand) dat vooraf wist
  werd: wordt
76 Men ... heweesen: (daar houde men voor ogen) dat er (door mijn vader) geen dank wordt verwacht voor die spontane gunst. wnt xxiii, 796 verklaart dit vrypostelyk echter als ‘edelmoedig, welwillend’ en merkt op dat alleen Six deze variant van vrijpostig gebruikt.
77 onverwacht of weetende: zonder dat diegene het verwachtte of terwijl hij het wèl verwachten kon
78 Hy heeft: dwz. Dan moet hij beseffen, dat hij ... heeft
  grof: ‘volk kerfjes’
79-80 Waar ... tongen: Op de plaatsen waar niemand gelaakt of geprezen wordt en waar gezongen wordt tot stichting, daar moet men alleen reine woorden willen horen en geen nijdige woorden willen spreken (wnt ix, 1996-1997, deze plaats)
 
correctie Op p. 146 van de bundel Poësy staat in r. 54 van dit gedicht Id. In de lijst met Drukfeilen achterin de bundel is dit verbeterd tot Ik.


Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken