Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Parnas, of de zang-godinnen van een schilder (1724)

Informatie terzijde

Titelpagina van Parnas, of de zang-godinnen van een schilder
Afbeelding van Parnas, of de zang-godinnen van een schilderToon afbeelding van titelpagina van Parnas, of de zang-godinnen van een schilder

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (1.10 MB)

XML (0.46 MB)

tekstbestand






Genre

poëzie

Subgenre

gedichten / dichtbundel


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Parnas, of de zang-godinnen van een schilder

(1724)–Willem van Swaanenburg–rechtenstatus Auteursrechtvrij

Vorige Volgende
[pagina 188]
[p. 188]

Herders-klagt, Aan den Heer J.F.M.
of Damont in den rouw, om 't missen van zyn vriend.

 
Kunt gy het wollig Vee, ô Coridon! nog leijen
 
Langs Scaldus groenen zoom, en lekk're klaverwei?
 
Terwyl uw Damon dwaalt door woeste Berg en Hei,
 
En 't zandig Duin, vermoeit door overmatig schreijen.
 
Kunt gy, ô Coridon! nog Tovervaerzen maalen?
 
En, op een Harders Luit, uitkweelen 't zoetste zoet,
 
't Geen u de lieve rust in huis gevoelen doet?
 
Daar Damons ziel, gezweept, gaat langs de velden dwaalen.
 
Kunt gy, myn Coridon, met uw gesleepen ving'ren,
 
Den naam van Cloris nog gaan znyen in den bast
 
Diens breeden Olms, die met zyn vuist de wolken tast?
 
Daar Damons ziel, gezweept; moet langs de klippen sling'ren.
 
Spreek, Herder, spreek, vlegt gy nog bloemen met uw handen?
 
Penseelt gy nog een Roos, voor Cloris helder wit?
 
Of tast gy naar de Kars, die op haar boezem zit?
 
Daar ik, helaas! moet om een lonkje watertanden.
[pagina 189]
[p. 189]
 
Kan 't zyn, ô Goôn! kan 't zyn, heeft Damon dan geen vrinden!
 
En is zyn Coridon zyne oude eeden wars?
 
Die hy my voortyds zwoer, eêr 't noodlot, nog zo bars,
 
My in zyn lommer deed' al myn vernoegen vinden.
 
Wat plagten wy te zaam niet meenig Digt te neuren,
 
By 't ruisschen van een Bron, van Cloris godd'lykheit?
 
En 't Nectar, dat haar tong langs purp're randen spreit?
 
Maar nu, nu mag, helaas! die vreugt my niet gebeuren.
 
Nu viert myn Coridon God Bacchus lekk're teugen,
 
En leunt met zynen mond op tepelen vol wyn,
 
Daar Damon, heel benart, tot ligting van zyn pyn,
 
Een weinig water lept, dat naauw de dieren meugen.
 
Lag vry, ô Coridon! met uwe Metgezellen,
 
Wiens Velden ryk bevragt van Ooijen zonder tal,
 
Des avonds vette melk, voort sleepen naar den stal;
 
Ik zal met droef geween, myn ziel te vreden stellen.
 
'k Misgun u niet de vreugt, die u de Goden schenken,
 
Neen, Coridon, ô neen! het maakt myn droefheit bly,
 
Dat gy welvarend' zyt; maar ach! was ik, als gy,
 
Ik zou zomtyts nog eens om Damons vriendschap denken.
 
Dien Sukkelaar, die zwerft, ontbloot van hut en haaven,
 
De woeste paden door, en vind geen trouwen vrind,
 
Geen Coridon, als u, die hem, wel eêr bemind,
 
Nu laat in 't eenzaam Bos, door rouw, te barsten draaven.
 
Ach! ging een zugtje meê van Coridons meêleijen!
 
Zei hy maar eens! wie weet, waar of nu Damon is?
 
Ach! had hy uit myn kuip een weinig lafenis!
 
Wat zou 't myn veege ziel niet wonderlyk verblyen!
[pagina 190]
[p. 190]
 
Al ben ik nog zo ver van u door plaats geweeken,
 
'k Zou 't voelen aan myn hart, zo 't uwe niet verhart,
 
My minde als 't eertyds deed, door 't deelen in myn smart,
 
En toonen het voor elk, door 't hooft om hoog te steeken.
 
Maar neen, het is vergeefs, ô Damon! zulks te hoopen;
 
Want als 't geluk verstuift, zo blyft ons niemant trouw,
 
En 't geen het hardste treft in 't midden van den rouw,
 
Is, dat de vrinden zelfs het eerste en verste loopen.
 
Ik val de Goôn ten voet, in 't midden van myn rampen,
 
Die waaren steeds om ons, schoon dat ons alles vlugt.
 
Hou moed, myn bange krop, al lang genoeg gezugt:
 
Want 't water, dat nu zinkt, zal haast naar boven dampen!

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken