Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Dagboek (1970)

Informatie terzijde

Titelpagina van Dagboek
Afbeelding van DagboekToon afbeelding van titelpagina van Dagboek

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (3.19 MB)

XML (1.17 MB)

tekstbestand






Editeurs

Anna Jacoba Böeseken

Leo Fouché

Vertaler

J.P. Smuts



Genre

non-fictie

Subgenre

non-fictie/dagboek
non-fictie/koloniën-reizen


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Dagboek

(1970)–Adam Tas–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

December, 1705Ga naar voetnoot151.

Maandag den 7e.

Maandag den 7e. S'morgens warm weer. Op dato is ons volk met snijden van rogge en Ciciliaansche Tarwe bezig geweest. Tegens den middag ben ik na Stellenbosch gereden. Nadat ik aan 't huijs van Hans de Smit met eenige vrunden hadde gesprooken ben ik weder t' huiswaard gekeert. Dezen middag zijn de Juffrouwen van der Bijl en van der Heijden hier ten eeten geweest, des namiddags quamen hier mede Juffw. Coetsé met haar dogter Griet;Ga naar voetnoot152. Eenigen tijd daarna quam den land-drost hier nevens de Messrs. van der Bijl

[pagina 109]
[p. 109]

one of the free burghers deliver corn to the Honourable Company, he would not receive more than 8½ florins for a muid, this being the standing price.

‘Certified correct.

(Sgd.) A. Poulle.

Sworn clerk.’

December, 1705.

Monday the 7th.

Monday the 7th. Warm morning. This day our labourers were busy cutting rye and Sicilian wheat. Towards midday I rode to Stellenbosch. After I had spoken to some friends at the home of Hans, the smith, I returned home. Mrs. van der Bijl and Mrs. van der Heijden had dinner with us, and in the afternoon Mrs. Coetsé and her daughter Griet arrived. Sometime later the landdrost came with Messrs. van der Bijl and van der Heijden. After some talk Mr. van der Bijl and Mr. van der Heijden took their leave, but the landdrost

[pagina 110]
[p. 110]

en van der Heijden. Na en wijnig keuvelens is Mr. van der Bijl en van der Heijden vertrokken, dog den Land-drost bleef hier tot dat het donker wierde; toen is hij mede vertrokken, nadat nonje Coetzé een wijnig te vooren met haar moeder was gaan stappen.

Dingsdag den 8e.

Dingsdag den 8e. S'morgens was het mistig weer dog ten duurde niet lang of de zon brak door. Met snijden van Siciliaansche Tarwe en Rogge zijn onze slaven en de Hottentots weder bezig geweest. Dezen morgen ten 6 uuren is Zuster LouwGa naar voetnoot153. met haar twee rijs gezellinnen van hier na Juffw. Elbertsz gereeden, om vandaar na Monsr. van der Heijden en verder na de Caab te vertrekken. Ik ben desen voormiddag na 't snijden der rogge wezen zien; op dato is 't snijden van de rogge en 't Siciliaanse Coorn ten einde gebragt, zo dat de Hottentots weder na Juffw. Elbertsz staan te vertrekken.Ga naar voetnoot154.

Woonsdag den 9e.

Ga naar margenoot+ Woonsdag den 9e. S'morgens tamelijk warm weer. Dezen morgen quam broer Jacobus van Brakel hier; hij verhaalde mij eenig nieuws, onder anderen dat den gouverneur vier menschen aan de Caab zoude vervolgen en drukken, zoo veel hij konde, namelijk Husing, Meerland, van der Heijden, en Tas, dat waren de voornaamste aanlijders van 't quaad dat hem berokkent was, en 't konde die menschen wel eens overkomen dat eenige oproermakers en Roovers in den Amsterdamsen oproer overquam, die van de waag uijt een venster wierden opgehangen,Ga naar voetnoot155. een droevige gelijkenis dat men mannen van eere, die de gemeente met kragt soeken voor te staan, bij schelmen en oproermakers wil gelijk stellen. Wijders meende den gouverneur in 't kort aan Stellenbosch te

[pagina 111]
[p. 111]

stayed till dark, and then he also left, Miss Coetzé and her mother having gone off a little while before.

Tuesday the 8th.

Tuesday the 8th. Misty morning, but it was not long before the sun came through. Our slaves and Hottentots were again busy cutting Sicilian wheat and rye. This morning at six o'clock sister Louw with her two travelling companions set off from here to Mrs. Elberts, intending to go on from there to Mr. van der Heijden and then on to the Cape. This forenoon the cutting of rye and Sicilian wheat was completed, so the Hottentots are about to leave again for Mrs. Elberts.

Wednesday the 9th.

Wednesday the 9th. Warmish morning. This morningGa naar margenoot+ brother Jacobus van Brakel came here. He told me various items of news, among others that the Governor intended oppressing and persecuting to the utmost four men at the Cape, namely Husing, Meerland, van der Heijden and Tas, being the principal instigators of the mischief, which has been occasioned him, and that they may one day suffer the same fate as certain rioters and robbers in the riots at Amsterdam, who were hanged from a window of the weigh-house. This is a sorry parable, to compare with rogues and rioters men who earnestly seek to promote the interests of the community. Further the Governor intended shortly to appear at

[pagina 112]
[p. 112]

verschijnen, en eenige menschen aldaar wat te Capittelen, of wat lesjes voor te leesen. Men maakt in ons land de kinderen met een bulbak bang, maar mannen die in eer en deugd leeven, en zig geens misdrijfs bewust zijn, hebben voor niemand te schroomen. Ook hadde zekere vrouw (T.D.)Ga naar voetnoot157. gepraat dat den gouverneur wel eenige menschen bij de Cop mogte vatten, waar op geantwoord was, dat ze dan den gouvernr. wel eens den hals konden breeken, dog hij heeft 't op niemand met meer ijver gemunt als op Oom Huzing. Ondertusschen kan hij de man niet in 't minste deeren. Hij hadde ook gezegt datter drie zaaken door hem waren verricht die hem 't meeste quaad soude doen, 't eerste was dat hij wegens 't slagtenGa naar voetnoot158. met oom Huzing een Contract hadde aangegaan, ten tweeden dat hij hadde laten ruijlen, het derde dat hij aan Pheijffer alleen de wijnpagt hadde gegeven, zoodat hij thans vervaarlijk in 't nauw is, niet wetende waar hij 't sal soeken. Ondertusschen is hij bezig met volk op zijn hand te krijgen. De Juffr. voorengemt. hadde ook gezegd dat den gouverneur seer verwonderd was dat DiepenauwGa naar voetnoot159. hem was afgevallen, en dat hij zulx van die vent niet was verwagtende geweest. Na verloop van tijd sullen hem wel meer saaken onverwagt voorkomen. De goede God geef' er zijn zeegen toe, want het gaat hier thans soo uijtsporig grof dat 'et kant nog wal raakt. Nadat broer van Brakel hier wat ontbeeten en eenige glaasjes wijn gedronken hadde, is hij na Juffr. Elberts gereeden. Op dato is ons resteerend Coorn ten bedrage van 16 mudde in de moole gebragt. Des namiddags zijn onse slaven met het rijpste Coorn af te snijden beezig geweest; des avonds quam Mr. van der Heijden hier, om mij te spreeken; ik hebbe hem het voorenstaande nieuws medegedeeld. Na 't smooken van een pijp Tabak is hij vertrokken.

Donderdag den 10de.

Donderdag den 10de. S'morgens warm weer. Zeer vroeg in den morgenstond zijn onse twee wagens met zout geladen weder t' huijs gekeert, zodat Mr. Diemer geen goet profeet is, alzoo hij hadde gezegt

[pagina 113]
[p. 113]

Stellenbosch for the purpose of rebuking some of the inhabitants and reading them a lesson. In our mother country they scare the children with a bogey, but men who lead honourable and virtuous lives, and are unconscious of any misdemeanour, have no one to fear. Also a certain woman (T.D.) had been saying that the Governor might seize hold of certain people, to which she received the reply that the same could break the Governor's neck. But there is no man against whom his hostility is more strongly directed than uncle Husing, but meanwhile he is not able to do him the slightest harm. He also averred that he had done three things which could cause him the greatest mischief; the first that he concluded a contract with uncle Husing with regard to slaughtering, the second that he had granted the right to barter, and the third that he had given the wine contract to Pfeiffer alone, with the result that he is now very much in a tight corner and does not know where to turn. Meantime he is trying to win favour with the people. The aforesaid lady had also stated that the Governor was greatly surprised that Diepenauw had defected, and that he had not expected it of him. No doubt he will in due course experience more surprises. May God grant his blessing hereto, as the state of affairs has become so outrageous that it is beyond all reason. When brother van Brakel had partaken of breakfast and drunk a glass or two of wine, he set off to ride to Mrs. Elberts. This day the rest of our grain, amounting to 16 muids, was taken to the mill. In the afternoon our slaves were busy cutting the ripest corn. In the evening Mr. van der Heijden came to speak to me. I retailed him the above news, and after smoking a pipe of tobacco, he took his leave.

Thursday the 10th.

Thursday the 10th. Warm morning. Very early in the morning our two wagons with loads of salt returned home, proving that Mr. Diemer is no good as a prophet as he had declared that I would ob-

[pagina 114]
[p. 114]

dat ik geen zout zoude bekomen, dog onze knegt Jacob heeft mij gezegt, dat de vragten zout hem door Jan Kuperman zijn bijgezet, hoewel niet en twijffelt of hij zoude uijt d'een of andere pan ook wel zout hebben bekomen. Wijders word mij vertelt als dat den Land-drost met sijn rakkers in de Groene Cloof de menschen 't zout haalen heeft zoeken te beletten, en dat niemand zout mogte haalen zonder een ordonnantie van den gouverneur te hebben, en dan moesten de zout haalders nog een vragt voor d'E. Compe. na de Caab rijden, al weder een uijtvinding om de Vrijburgers maar te plagen.Ga naar voetnoot160. Desen namiddag is Coert Helm hier geweest van wien een partij kalk hebbe gekogt.

Vrijdag den 11e.

Vrijdag den 11e. S'morgens betogen lugt. Deese morgen hebbe van Coert HelmGa naar voetnoot161. 8 tonnen Calk laaten haalen; ook hebbe heede met hem afgereekent en bij afreekening aan hem betaalt g. 14: -. Te dezer tijd quam hier Laurens de metselaar of klipbreeker. Denzelven vertelde mij dattet rijst scheepje van Batavia aan de Caab was gekomen met tijding als dat des gouverneurs broer Adriaan, die Extraords. Raad van India is, voor opperhoofd na Amboina of elders was vertrokken, en Hendrik was Winkelier op Malacca geworden.Ga naar voetnoot162. Ook was de Jonge CorssenaarGa naar voetnoot163. overleeden, en zijn wede. reets weder hertrouwt aan een ondercoopman. Tegens den avond quam Mr. van der Heijden hier, die mij verhaalde hoedanig hij op Drakenstijn was gevaren.Ga naar voetnoot164. Mij is heden ook vertelt dat pater Bek na

[pagina 115]
[p. 115]

tain no salt. However, our man Jacob told me that the loads of salt had been put his way by Jan Kuperman, though he has no doubt that he would in any event have obtained salt from one pan or another. I am further informed that the Landdrost and his rascals have sought to forbid the people to fetch salt in Groene Kloof, and that none may fetch salt without an order from the Governor, and in addition those who go to fetch salt have to carry one load besides for the Cape for the Company, yet another measure contrived to vex the free burghers. This afternoon Coert Helm was here, from whom I bought a quantity of lime.

Friday the 11th.

Friday the 11th. Cloudy morning. I had 8 barrels of lime fetched from Coert Helm's this morning, also settled with him this day and paid him in quittance 14 florins. At the same time the bricklayer or stone mason Laurens came here. He told me that the rice vessel from Batavia had put in at the Cape with tidings that the Governor's brother Adriaan, who is Councillor Extraordinary of India, had left for Amboyna or some other place to take up the post of Commander, and that Hendrik had become Comptroller at Malacca; also that young Corssenaar had died and that his widow had already been remarried to an Under Merchant. Towards evening Mr. van der Heijden came here and told me how he had fared at Drakenstein. I also learnt this day that father Bek has gone to the Cape with the nominations for elder and deacons; the church council having nominated Jacob van der Heijden for elder, and Mahieu and Tas for deacons. Without doubt the sermon maker will for this suffer an affront from the Governor, who has conceived a grievance against the first and the last, which has already turned to hate. In the evening, while at table, brother Harmanus arrived here.

Saturday the 12th.

Saturday the 12th. Warm morning. This day our rye was carted home, being 2,500 sheaves. They tell me that the Governor was to have gone to Vergelegen on Tuesday. It is to be hoped that he will before long go even further from the Cape. In the meantime we

[pagina 116]
[p. 116]

de Caab is met de nominatie van ouderling en diaconen. Tot ouderling was door den kerkenraad aangesteld Jacob van der Heiden, en tot Diakenen Mahu en Tas.Ga naar voetnoot165. Ongetwijffeld zal den preekmaker hier over affronten lijden van den gouverneur, omdat die teegens de eerst en laast gende: een wrok heeft opgevat, die reets in een haat is veranderd. Des avonds aan Tafel zittende quam broer Harmanus hier.

Saturdag den 12de.

Saturdag den 12de. S'morgen warm weer. Op dato is onse rogge bij huijs gereeden, zijnde 2,500 gerven. Men vertelt mij als dat den gouverneur dingsdag na Vergeleegen zoude zijn gereeden; men mag hoopen dat hij in 't cort nog verder van de Caab zal geraken. Ondertusschen hoopt men op goede tijding uijt het Vaderland, de goede God verleen' er zijn zeegen toe. Heden is ons coorn in meel veranderd weder uijt de moole gehaald.

Zondag den 13e.

Zondag den 13e. S'morgens was het zeer warm. Op heden ben niet ter kerk geweest, aangezien de preekmaker op Drakenstijn moeste dienst doen, en leezen hebbe ik zelf geleerd. Deeze morgen is Jacob onze knegt om Hottentots na van der Heijden geweest, dog hij heeft niet opgedaan, omdat de Hottentots daar nog wel agt dagen werk hebben met coorn te snijden. Des voormiddags ben ik aan 't huijs van Mr. van der Bijl geweest met wien wat gekeuvelt hebbe van verschijde zaaken die praatenswaardig zijn. Ten halv elven ben ik weder na huijs gestapt. Op dato is mijn vrouw haar sweerende borst doorgebrooken, zijnde daar uijt veel materi geloopen.Ga naar voetnoot166. Des namiddags quamen hier de nonjes Truijtie van der Bijl en du Toit; na dat

[pagina 117]
[p. 117]

are hoping for good tidings from home, and hereto may God grant His blessing. Our corn was this day turned into flour and brought back from the mill.

Sunday the 13th.

Sunday the 13th. Very hot morning. I did not go to church to-day as the preacher was officiating at Drakenstein, and I have learnt to read myself. Our man Jacob went to van der Heijden this morning to obtain the services of some Hottentots, but he had no success as the Hottentots have still a good eight days' work there with cutting of wheat. This forenoon I went to Mr. van der Bijl's with whom I discussed various matters which do bear talking of, and at half past ten I returned home. This day the abscess on my wife's breast opened, and a good deal of matter was discharged. In the afternoon Miss Truitje van der Bijl and Miss du Toit came here, and after they had enjoyed a drink of tea, read some verses and had something to eat, they took their leave. Towards evening Mr. Appel arrived with

[pagina 118]
[p. 118]

ze thee gedronken, eenige Liederen geleezen,Ga naar voetnoot167. en wat gesnakt hadden, zijn ze weder vertrokken. Tegens den avond quam Mr. Appel hier met Schalk Willemsz.Ga naar voetnoot168. Appel verhaalde mij als dat Arij de knegt van Oom Huzing neevens een borst gent. Lambert Besemboutie,Ga naar voetnoot169. Michieltie die thans op de plaats van Zuster Tas woond,Ga naar voetnoot170. alsmede Jan Beukes, ooms geweesen knegt, en een Slaaf en Hottentot van Andries de Bakker aan 't strant waren geweest om te visschen, dat ze met elkanderen in 't water gingen, dat Jan Beukes,Ga naar voetnoot171. Michieltie, de Slaaf en Hottentot van Andries de bakker weder uijt het water waren gegaan, dog dat Arij neevens Lammert wierden vermist, dewelke ongetwijffelt zijn verdronken, dog hadden geen gewag gemaakt, dat de andere gehoord hadden; een droevig ongeluk.

Maandag den 14de.

Maandag den 14de. S'morgens warm weer en stil. Op dato sijn onse slaven met coorn te snijden beezig geweest. Des namiddags wierd ik ten huijse van Mr. van der Bijl geroepen. Mr. van der Heiden was ook daar. Ik ben ten eersten derwaarts gegaan; zij verhaalde mij niet alleen als dat Arij Ooms knegt verdronken was, maar dat hij op 't strand was gespoeld. Voorts gaven zij mij te kennen datter gecommits. &c. soude heen rijden, om hem te bezigtigen. Ik ben dan hier op met Mr. du Toit en van der Heijden derwaards gereeden. Op de post van Suster Tas komende, heb ik aldaar ordre gegeven om Arij na gedaane bezigtiging met de osse wagen af te haalen en op Meerlust te brengen. Toen ben ik met de voorsz.: Messrs. gecommitts: en de boode na 't Strand gereeden. Wij vonden de doode op 't strand leggen niet verre van Laurens Rivier; hij lag op sijn rug naakt uijtgestrekt, en 't hembd was wel vast om 't hoofd bewoelt; ook waren de armen na 't hoofd gebooden. Nadat het hembd aan de ar-

[pagina 119]
[p. 119]

Schalk Willemsz. Appel recounted to me that Arij, the man-servant of uncle Husing, with a fellow called Lambert Besomshank, and Michieltie, who is now living on my sister Tas's farm, as well as Jan Beukes, former man-servant of my uncle, and a slave and Hottentot of Andries, the baker, were at the shore to fish, that they went into the water together, that Jan Beukes, Michieltie, the slave and the Hottentot came out of the water again, but that Arij and Lammert were missing and have undoubtedly been drowned. The others had heard no shouts of alarm. It is a sad accident.

Monday the 14th.

Monday the 14th. Still, warm morning. This day our slaves have been busy cutting corn. In the afternoon I was summoned to the home of Mr. van der Bijl. Mr. van der Heijden was also there, and so I went there at once. They not only told me that Arij, uncle's man-servant, had been drowned, but that his body had been washed up on the beach, and further advised me that those commissioned, etc. were to ride to that spot to view him. Thereupon I rode thither with Mr. du Toit and van der Heijden. Having come to sister Tas's place, I gave orders for Arij to be fetched by ox-wagon after the viewing and to be brought to Meerlust. Then I rode to the beach with the aforementioned commissioners and the court messenger, and found the dead man lying on the shore, not far from the Laurens River. He was lying on his back, naked, with his shirt

[pagina 120]
[p. 120]

men en aant 't hoofd door Mr. van der Heijden met een mes was los gesneeden, heeft men de man over zijn geheel lijf gaaf en wel bevonden, alleenlijk waren zijn ooren door de krabben een wijnig beschadigt; ook waren zijn ellebogen door 't schuren wat root. Wij droegen den dooden bij armen en beenen wat hoger op; toen quamen vier jongens van Oom Huzing die daar soolang op pasten tot de osse wagen quam. Hierop ben ik met de gecommitts: weder weg gereeden na 't huijs van Mr. van der Heijden, alwaar ik vond Jan Beukes die van de Caab was gekomen, alwaar hij de tijding van s' mans dood hadde gebragt. Ik hebbe ondertusschen ordre gesteld om voor den dooden man een kist te maken, en hebben Jan Beukes na planken gevraagd; ondertusschen zoude Claas de Timmerman, thans bij van der Heiden werkende, op morgen de kist maken, en overmorgen zoude den doode aan Stellenbosch ter aarde werden bestelt. Nadat we ten huijse van Mr. van der Heiden wel gegeeten en gedronken hadden, hebben we ons aldaar ter nagtrust begeeven.Ga naar voetnoot172.

Dingsdag den 15de.

Dingsdag den 15de. S'morgens tamelijk weer en seer warm. Desen morgen ben ik nevens Mr. du Toit en de bodeGa naar voetnoot172. (a) na huijs gereeden, des namiddags ben ik na Stellenbosch gereeden en hebbe de vrouw van Hans de Smit verzogt of den doode op morgen daar ten huiseGa naar voetnoot172. (b) mogte werden uijtgedragen, die zulx heeft toegestaan. Ondertusschen nam ik aan, 't nodige zoo van wijn als vleesch daar op morgen te sullen laaten brengen voor de dragers en de geene die 't lijk zouden volgen; vandaar ben ik na de CosterGa naar voetnoot173. geweest om een graf te laten maken; en eenige vrunden te nodigen om 't lijk te dragen, toen ben ik weder na huijs gereeden.

[pagina 121]
[p. 121]

wound tight about his head, and his arms stretched upwards. When Mr. van der Heijden had cut the shirt away from the head and arms with his knife, we found no injury or blemish on any part of his body, only the ears were a little injured by the crabs and his elbows somewhat red from chafing. We carried the corpse by the arms and legs a little higher up, and then came four boys of my uncle Husing's who for the time stood guard until the ox-wagon came. Thereupon I rode off again with the commissioners to the home of Mr. van der Heijden, where I found Jan Beukes, who had returned from the Cape, whither he had carried the news of the man's death. Meantime I had given orders for a coffin to be made for the dead man, and asked Jan Beukes for some boards. Claas, the carpenter, who is at present working at van der Heijden's, is to make the coffin to-morrow, and the day after the dead man is to be buried at Stellenbosch. After we had eaten and drunk at the home of Mr. van der Heiden, we spent the night there.

Tuesday the 15th.

Tuesday the 15th. Fair morning and very hot. I rode home this morning with Mr. du Toit and the court messenger. In the afternoon I rode to Stellenbosch and asked the wife of Hans, the smith, whether the dead man might be buried from their house to-morrow, to which she agreed. Meantime I made arrangements for the necessary supplies of wine and meat for the bearers and those who would follow the body, to be brought there against the morrow, and then went to the sexton to arrange for a grave to be dug, and then proceeded to invite certain friends to act as bearers. Thereupon I rode home.

[pagina 122]
[p. 122]

Woensdag den 16de.

Woensdag den 16de. S'morgens Z.Ot. wind, die tamelijk hard opblies. Desen morgen quam hier ten huijse een slaaf van br: Menssink met 6 mudden soo rogge als tarwe die mij zeijde dat hij aan de molen was geweest, dog dat de molenaar hadde gesegt, in 8 dagen hem niet te connen helpen, om datter geen water en veel coorn in de molen was.Ga naar voetnoot174. Hier op ben ik na de mole geweest, dog de molenaar zij mij 't zelve; ook is Jan Beukes hier geweest, zeggende dat de wagen met het lijk reets op weg was om na Stellenbosch gebragt te werden. Tegens de middag hebbe ik een ½ aam daar in 5 emmers wijn na Stellenbosch gesonden, alsmeede een Caabse ham, 3 bouten gebraden vleesch van een vette hamelGa naar voetnoot175. en 3 brooden; daar konnen ze haar vrolijk mede maaken. Heden is ons volk met coorn te snijden weeder beezig geweest. Onze knegt Jacob s'avonds van de begraffenis weeder t' huijs komende, zijde mij datter vrij wat volk was geweest en datter nog een gedeelte van de Cost was overgeschoten, de wijn was uijtgeraakt, zodat Arij nog met goed fatsoenGa naar voetnoot176. is begraven. Dezen avond zijn elf Hottentots hier gekomen van Pieter RochefortGa naar voetnoot177. om coorn te snijden.

Op dato ontfang' een bf: van broer J. van Brakel die mij schrijft dat de brief die onder Motje berustende was, door hem was opgeëijscht dog dat hij tot antwoord had bekomen dat ze verbrand was, fraaij.Ga naar voetnoot178.

[pagina 123]
[p. 123]

Wednesday the 16th.

Wednesday the 16th. In the morning S.E. wind, which came to blow fairly hard. This morning a slave of brother Mensink came with 6 muids of rye and the same quantity of wheat, and told me that he had been to the mill, but that the miller had told him that he could not oblige him these 8 days as there was no water and a large quantity of corn waiting to be milled. Hereupon I went to the mill, but the miller told me the same. Jan Beukes also came and informed me that the wagon with the body was already under way to Stellenbosch. Towards noon I dispatched 5 buckets of wine in a half-aum barrel to Stellenbosch, likewise a Cape ham, 3 quarters of roast mutton from a fat wether and 3 loaves, with which they make themselves merry. To-day our labourers were again busy cutting corn. In the evening our man Jacob returned home from the funeral, reporting that there had been a fair attendance, and that there was some of the food left over, but the wine had given out, so that Arij has been accorded a decent burial. This evening eleven Hottentots arrived here from Pieter Rochefort to cut wheat.

This day I received a letter from brother J. van Brakel, informing me that he had demanded back the letter which had been in Aunt's keeping, but had received a reply that it had been burnt. A fine affair.

[pagina 124]
[p. 124]

Donderdag den 17de.

Donderdag den 17de. S'morgens goed weer. Dezen morgen is ons volk nevens de Hottentots met coorn te snijden beezig geweest. Des namiddags ben ik ten huijze van Mr. van der Bijl geroepen, alwaar iemand was die mij wilde spreeken. Mr. Greevenbroek en broer Harmanus wierden ook daar geroepen. Naar dat de zaaken aldaar verricht waren ben ik weder 't huijs gekeerd.Ga naar voetnoot179. Teegens den avond quam Dirk de Coster hier, aan wien ik voor 't graf van Arij, 't doodkleed, en 't aanspreekeGa naar voetnoot180. hebbe betaalt: 7 Rxs. zijnde, 't geen daartoe staat, waar van bij mij t' mijner verantwoording quitantie is genomen. Dezen avond zijn hier nog een gedeelte Hottentots van Mr. van der Heiden gekomen om Coorn te snijden.

Vrijdag den 18de.

Vrijdag den 18de. S'morgens warm weer. Op dato zijn onse slaven nevens de Hottentots weder bezig geweest met coorn te snijden. Desen voormiddag is mij vertelt als dat den anderen drinkeling Lambert Besemboutie gisteren zoude opgespoeld zijn, en gevonden op dezelve plaats daar Arij is gevonden, denselven was meede soo men zeijde wijnig beschadigt; de Gecommitte: zijn met den Secretaris aan 't strand geweest om hem te bezigtigen. Des namiddags heeft Christoffel Hazewinkel hier gezonden om een ½ aam wijn, 't welk met een zijner slave hebben laaten volge. Op dato is broer Harmanus weder van hier na zijn buijten post vertrokken.

Saturdag den 19de.

Saturdag den 19de. S'morgens taamelijk weer. Met coorn te snijden zijn onse slaven en Hottentots weder beezig geweest. Deese morgen wierde mij verhaalt dat Jan PretoriusGa naar voetnoot181. met nonje Coetzé zoude trouwen. Des namiddags quam Mr. Appel hier ten huize die mij

[pagina 125]
[p. 125]

Thursday the 17th.

Thursday the 17th. Fine morning. This morning our labourers, in addition to the Hottentots, were busy cutting corn. In the afternoon I was summoned to the home of Mr. van der Bijl, where there was someone who wished to speak to me. Mr. Greevenbroek and brother Harmanus had also been summoned. When this business had been dispatched, I returned home. Towards evening Dirk, the sexton, came here, to whom I disbursed, for Arij's grave, the shroud and the address, 7 rixdollars, being the dues payable, for which a receipt was taken for my account. This evening another party of Hottentots came from Mr. van der Heijden's to cut corn.

Friday the 18th.

Friday the 18th. Warm morning. This day our slaves, as well as the Hottentots, have again been busy cutting corn. During the forenoon I was told that the other drowned man, Lambert Besomshank, had been washed up yesterday and found at the very same spot where Arij had been found. His body also showed little sign of injury, so they said. The commissioners with the secretary had been to the beach to view him. In the afternoon Christoffel Hazewinkel sent here for a half aum of wine, which I dispatched with one of his slaves. This day brother Harmanus left here again for his out-station.

Saturday the 19th.

Saturday the 19th. Fair morning. Our slaves and the Hottentots have again been busy cutting corn. This morning I was told that Jan Pretorius is to marry Miss Coetzé. In the afternoon Mr. Appel ar-

[pagina 126]
[p. 126]

onder anderen wist te vertellen, als dat Mr. Wessel Pretorius en Hans Jacob Contreman tot heemraadenGa naar voetnoot182. waaren aangestelt inplaats van Messrs. du Toit en van der Bijl. Des avonds quam Dirk de Coster hier van de Caab, dog hij bragt geen nieuws vandaar dat meldenswaardig is. 't Heeft teegens den avond mooijties gereegend.

Zondag den 20en.

Zondag den 20en. S'morgens betoogen lugt. 't Geleek zeer wel na reegen weer. Deze voormiddag zijn onze slaven neevens de Hottentots met coorn te snijden beezig geweest. 't Heeft dezen morgen nog al een wijnig gereegent. Des voormiddags ben ik na Stellenbosch gewandeld; ik hebbe Hans de Smit gevraagd of hij in 't kort ook na de Caab zoude rijden; ik wilde hem een brief mede geven. Nadat ik met Messrs. du Toit, Pretorius en Pleunis hadde gesprooken, ben ik weder na huijs gestapt. Des namiddags zijn elf Hottentots voor 't coorn snijden betaalt; zij stonden van hier na Mr. Rochefort te vertrekken. Kort hier op quam den Land-drost hier met het paard van Hans Hendk. HattingGa naar voetnoot183. 't gunt hij denzelven afgekneevelt heeft; nadat hij hier een pijp Tabak hadde gesmookt en eens gedronken, ben ik op zijn verzoek met hem na 't huijs van Mr. van der Bijl gewandeld. Nadat we aldaar een wijltje waren geweest quam Mr. Pretorius ook daar, als mede cort daar aan Mr. van der Heiden; des avonds ben ik na huijs geslentert. Op morgen staat er een Naambrief van Nieuwe heemraaden gemaakt te werden; dit zal maar propter WelstantiamGa naar voetnoot184. zijn, omdat men reets weet wie 't zijn of worden zullen. Ik hadde 't desen avond van geen hooren zeggen. Op dato ontfangen een brief van Suster Louw.

Maandag den 21e.

Maandag den 21e. S'morgens warm weer. Heden zijn onze slaven met en beneevens de Hottentots met coorn te snijden weder beezig geweest. Des namiddags ben ik na Stellenbosch gereeden; ik hebbe aan Hans de Smit een brief gegeven aan Oom Huzing waarin een beslooten lag aan Zuster Tas; ook hebbe aan Hans de Smit een as-

[pagina 127]
[p. 127]

rived, and told me among others that Mr. Wessel Pretorius and Hans Jacob Contreman had been made councillors in the place of Messrs. du Toit and van der Bijl. In the evening Dirk, the sexton, arrived here from the Cape, but brought no news worth mentioning. Towards evening we had a pleasant shower.

Sunday the 20th.

Sunday the 20th. Dull morning with promise of rainy weather. This morning our slaves and the Hottentots have been busy cutting corn. During the morning we had a little rain. In the forenoon I walked to Stellenbosch; I inquired of Hans, the smith, whether he intended riding to the Cape in the near future as I had a letter I wished to send along with him. After I had spoken to Messrs. du Toit, Pretorius and Pleunis, I walked home. In the afternoon I paid off eleven Hottentots for the corn cutting. They were about to go on from here to Mr. Rochefort. Shortly after the Landdrost arrived with the horse which he had obtained from Hans Hendrik Hatting by blackmail. After he had smoked a pipe and drunk a glass, I accompanied him at his request to the home of Mr. van der Bijl, and after we had been there a while, Mr. Pretorius also arrived and shortly after Mr. van der Heijden. In the evening I sauntered home. To-morrow a list of nominations for new councillors is to be drawn up; this is merely for the sake of appearances as it is already known who they are, or are to be. I had it this evening, and not from hearsay either. This day I received a letter from sister Louw.

Monday the 21st.

Monday the 21st. Warm morning. To-day our slaves as well as the Hottentots were busy cutting corn again. In the afternoon I rode to Stellenbosch. I gave Hans, the smith, a letter for my uncle Husing, enclosing one addressed to sister Tas. I also gave Hans, the smith,

[pagina 128]
[p. 128]

signatie gegeven om van Oom Huzing voor mijn Reekg: te ontfangen ƒ.205. - zijnde 'tgeen zijn reekg: 't mijnen laste comt te bedragen. Nadat ik mijn zaaken aldaar verrigt hadde, ben ik na huijs gereeden. Aan Zuster Louw hebbe met Mr. van der Heiden een brief gesonden nevens 't mandtie met haar goed, dat hier een wijl gestaan heeft. Op dato heeft Nonje Coetzé en de Jonge borst de Lange beide haar belijdenis gedaan.Ga naar voetnoot185. Op dato voor Oom Husing maalgeld verschooten ƒ5. 11.Ga naar voetnoot185. (a)

Dingsdag den 22e.

Dingsdag den 22e. S'morgens warm weer. Onze slaven en Hottentots zijn deese morgen met coorn te snijden nog beezig geweest. Vroeg in den morgenstond is Mr. Grevenbroek al in de wapenen geweest om met den preeker Bek om te rijden. Hij was ten vijf uuren al gelaartst en gespoort, dog die niet en quam was Bek; ondertusschen heeft Greevenbroek den geheelen voormiddag met zijn swaard op zijde gegord, voor onze deur zitten schilderen,Ga naar voetnoot185. (b) zijnde zijn paard gezadeld en getoomd aan een paal vast gebonden. Nadat we nu 't middagmaal hadden gehouden is Grevenbroek te paard gesteegen en na den preeker gereeden; dat is een braaf ouderling die past op zijn predikant als een hond die Schut gent: word, 't is geen wonder dat de paap sulken ouderling prijst, hoewel hij 'er seer wijnig agting voor overig heeft. Men vertelt mij dat Greevenbroek onverrigter zaaken met zijn paard is terug gekeert, zoodat hij mag reekenen deesen dag op verlooren schildwagt te hebben gestaan. Nu heeft de paap met hem afgesprooken om morgen te rijden. Zo Grevenbr: de paap nu in ordre betalen wilde, moest hij sig morgen schuijl houden. Ik ken er meer als een die de coek op dusdanigen wijse zouden bakken alleen maar om die van zigzelfs hooggevoelende Tempeliers zulke kneepenGa naar voetnoot185. (c) te verleeren. Op dato is de coster met zijn catGa naar voetnoot186. hier geweest, dog zij vertrokken ten eersten van hier na 't huijs van Mr. van der Bijl.

Woensdag den 23e.

Woensdag den 23e. S'morgens betoogen lugt. Desen morgen isser een begin gemaakt met coorn bij huijs te rijden. Heden s'morgens

[pagina 129]
[p. 129]

an order to receive from uncle Husing f.205 for my account - this being the amount of my charge against his account. After I had discharged my business there, I rode home. I dispatched a letter to sister Louw by Mr. van der Heijden, also the basket with her belongings, which has been standing here for some time. This day Miss Coetzé and the youth de Lange made confession of their faith. To-day I advanced for uncle Husing an amount of f.5.11 for mill dues.

Tuesday the 22nd.

Tuesday the 22nd. Warm morning. Our slaves and Hottentots were this morning still busy cutting corn. Early in the morning Mr. Greevenbroek was accoutred to ride about with the preacher Bek. As early as five o'clock he was booted and spurred, but Bek failed to appear. Meantime Greevenbroek, his sword girded to his side, sat sentinel at our door the whole forenoon, with his horse, saddled and bridled, tied to a post. After we had had our midday meal, Greevenbroek mounted his horse and rode to the preacher. He is an excellent elder, who waits on his minister like a dog called ‘Watch’. It is no wonder that the pastor praises an elder of his quality, though he is treated with little regard. They tell me that Greevenbroek returned with his horse without effecting his purpose so that he may regard to-day to have been wasted in standing guard to no purpose. Now the minister has arranged with him to ride about on the morrow. If Greevenbroek wishes to pay the minister in his own coin, he should remain in hiding to-morrow. I know of more than one who would play such a trick, if only to teach these vain brethren of the Temple a lesson. This day the sexton was here with his ‘Cat’, but left again at once for the home of Mr. van der Bijl.

Wednesday the 23rd.

Wednesday the 23rd. Overcast morning. A start was made this morning with carting corn to the house. Early this morning Mr.

[pagina 130]
[p. 130]

vroeg is Mr. Greevenbroek al weder gelaarst en gespoord geweest, en zijn paard gezadeld en getoomt. Nadat hij ruijm drie uuren na de paap hadde gewagt, is denzelven eindelijk gekomen. Hij wilde niet afklimmen, zoodat Greevenbroek te paard steeg en zij met elkanderen wegreeden. Des namiddags quam hier ten huijze de vrouw van Nicolaas Cleef,Ga naar voetnoot187. die hier drie pr. koussen kogt. Nadat ze hier een poos gezeeten en thee gedronken hadde is zij vertrokken. Zij reed te paard als een man, aan ieder zijde een been. Des avonds omtrent 6 uuren quam den preeker Bek hier geassisteert met zijnen ouden grijsen ouderling Greevenbroek.Ga naar voetnoot188. Hij nodigde ons ten avondmaal teegens aanstaande Vrijdag. Hij maakte zijn aanspraak vrij wat corter als voor deesen. Na dat hij een pijp Tabak a twee gesmookt, en eenige glaasjes wijn hadde gedronken, is hij gaan stappen. Des namiddags is ons volk met coorn op hoopjes te leggen beezig geweest.

Donderdag den 24e.

Donderdag den 24e. S'morgens tamelijk weer. Ons volk is met coorn bij huijs te rijden beezig geweest, alsmede met het restantie coorn af te snijden. Men vertelt mij heeden als dat des Gouverns: vrouw uijt mismoedigheid zig zelf heeft willen verdrinken; ten dien eijnde was zij in de fontijn achter 't huijs aan de Caab gesprongen dog Juffrw: Berg was aldaar, dewelke toegeschoten quam om haar te helpen trekkende haar uijt het water, tegen dewelke zij zeer jammerlijk hadde geklaagt, dat haar 't leven zoo bang viel, omdat ze da-

[pagina 131]
[p. 131]

Greevenbroek was again booted and spurred, and his horse saddled and bridled. After he had waited three full hours for his grace, the latter at last arrived, but would nog alight, and they rode off in company. In the afternoon the wife of Nicolaas Cleef came and bought three pairs of stockings from us. After sitting here for a while and drinking tea, she took her leave; she rides on horseback like a man, one leg on either side. In the evening at about six o'clock preacher Bek, attended by his aged greybeard of an elder Greevenbroek, arrived here. He bid us to the Lord's Table next Friday, but his homily was somewhat more brief than before. After he had smoked a pipe or two, and drunk some glasses of wine, he went his way. In the afternoon our labourers were busy stooking corn.

Thursday the 24th.

Thursday the 24th. Fair morning. Our labourers were busy carting the corn to the homestead, and cutting what corn was still standing. They tell me this day that the Governor's wife had, in a fit of despondency, tried to drown herself by jumping into the fountain behind the house at the Cape; however, Mrs. Berg was on the spot, and ran to help her, pulling her out of the water, to whom the Governor's wife lamented bitterly that her life had become one of terror for her on account of the many scandalous acts she must daily hear and

[pagina 132]
[p. 132]

gelijx zoo veel uijt sporigheeden moest hooren en zien; zeldzaam voorval, waaruijt vrij wat nabedenken valt.Ga naar voetnoot189. Tegen den avond Oom ArnoldusGa naar voetnoot190. hier gekomen van de Caab, hij hadde geen nieuws te vertellen.

Vrijdag den 25e. Kersdagh.

Vrijdag den 25e. Kersdagh. S'morgens N.Wt. wind met betogen lugt. 't Begon teegens de kerktijd wakker te reegenen, zodat men genoodzaakt was thuijs te blijven,Ga naar voetnoot191. 't gunt mij leet is, want men den geheele dag door 't gestadig hard regenen in huijs als gebannen is geweest, welk hard regenen heeft veroorzaakt dat de rivier zeer hoog is geloopen, ja bijna zoo hoog als 't water de geheelen regentijd is geweest. 't Heeft den gantschen nagt vervaarlijk gereegend en gewaijt, zodanig dat het water aan dees zijde van de brugGa naar voetnoot192. heeft gestroomt als een andere Rivier. Voorts heeft het water de geheele wijngaard door gestroomd. Zijnde de wal daardoor op verschijde plaatsen doorgebrooken. Op dato hebbe een brief ontfangen van Suster Tas; schrijft mij dat Oom Huzing aan Hans de Smit ƒ205. - voor mijn Reekg: heeft betaalt, ook zend ze 4 lb. Coffij boonen @ 6 st. 't lb: alsmeede dat Oom voor mij aan Claas MeijboomGa naar voetnoot193. 200 m: Tarwe hadde verkogt @ ƒ19. - de mudde. God geeve dat het weer mag bedaaren anders zal 't coorn op 't veld last lijden. Eijndelijk word mij gesr: als datter aan de Caab 4 Slagters zijn aangesteld om voor de Compe. en voor de vrijluijden te slagten; van de Compe. sullense 14 duijtenGa naar voetnoot193. (a) pr. pond trekken, en van de Vrijburgers 2 strs:, daar en boven zal niemand buijten de voorne: vier aangestelde slagters vermogen vlees te vercoopen. De slagters zijn de volgende Michel de Switsersche beenhakker, Overholster, Willem Basson,Ga naar voetnoot194. en Anthonij een metselaar, zijnde onlangs uijt het Vaderland gekomen.Ga naar voetnoot195. Nu heeft den gouvernr. het na zijn zin, hij heeft het

[pagina 133]
[p. 133]

witness. A singular affair, which gives reason for not a little thought. Towards evening uncle Arnoldus arrived here from the Cape, but he had no news to give us.

Friday the 25th. Christmas day.

Friday the 25th. Christmas day. In the morning N.W. wind and overcast sky. About the time when the church service was due to start, it began to rain hard, so that we were obliged to stay at home. This was disagreeable, as we were shut up in the house all day on account of the continual heavy rain. The heavy rain caused the river to rise considerably, indeed almost as high as it has been during the whole wet season. It continued to rain and blow so hard the whole night that the water on this side of the bridge has run like a second river; further the water has flooded the whole vineyard, causing the wall to be broken in several places. This day I received a letter from sister Tas in which she informs me that uncle Husing has paid over f.205 to Hans, the smith, for my account; she also sends me 4 lbs. of coffee beans at 6 stivers the lb.; further uncle Husing has sold on my behalf 200 muids of wheat to Claas Meiboom at 9 florins the muid. God grant that the weather may moderate, otherwise the corn on the lands is likely to suffer. Lastly I am informed that 4 butchers have been appointed at the Cape to do the slaughtering for

[pagina 134]
[p. 134]

kunsje nu uijtgevonden om zijn schapen en van meer andere van zijn volk aan den man te helpen. Men schrijft mij ook dat Oortmans, Eems, en Bouman burgerraaden zijn. Thans is de Caab verzien van drie burgerraaden, 't geen falivouwers en foxswanssers zijn.Ga naar voetnoot196.

Saturdag den 26e.

Saturdag den 26e. de tweede Kersdag.Ga naar voetnoot197. S'morgens woeij de droevige N.Wt. wind met reegen verzeld nog even hard. 't Water was zoo hoog als ik geloof dattet ooijt is geweest; ook is de lugt thans soo dik dattet er al weder op aan zal reegenen. God de Heere bewaare ons voor groote schade. Men sal door dit ongehoorde weer zeekerlijk van ongelukken hooren. 't Is veel ligt nooijt gebeurd, dat het in 't hartie van de Zomer zoo vervaarlijk heeft gereegend. De dam van onze wijngaard is de voorige nagt ook doorgebrooken. Men heeft heeden verschijde coorn gerven in de rivier sien drijven, alsmede verschijde sware stukken hout, wortels van boomen als andersints; ook is 't geraamte van Bileams Ezel zoogent: een wijnig van onse deur afgeleegen hebbende, de gepasseerde nagt weg gespoeld. 't Begon teegens den middag vervaarlijk hard te waijen uijt den NWen, veel feller als 't de voorige nagt heeft gewaijt. Des namiddags begon het met een felle stooker uijt den NWe: weder verschrickelijk te reegenen. De rivier was deese namiddag vrij wat gevallen, zodat men weder over de brug konde gaan, dog 't is te vreezen dat ze door de geduursaame reegen weder hoger zal loopen. 't Is desen dag op ons werf en overal zo vogtig geweest, dat men nauwlijx een voet konde verzetten of men moest zig nat maaken. God de Heere hoop ik zal ons voor ongelukken bewaaren. Door de gestadige reegen deesen namiddag gevallen, is de rivier tegen den avond weder seer hoog geloopen. Deze namiddag is Jacob onse knegt na Stellenbosch gereeden om van Hans de Smit 4 lb Coffij boonen te haalen door denselven van de Caab gebragt. t' Huijs komende verhaalde hij dat

[pagina 135]
[p. 135]

the Company and the burghers, and they are to receive 14 farthings per pound from the Company and 2 stivers from the burghers; moreover, no one shall be allowed to sell meat except the aforesaid four butchers; the butchers are Michel, the Swiss bonechopper, Overholster, Willem Basson and Anthony, a mason, who has but recently arrived from home. Now the Governor has arranged matters to his liking; he has contrived a way of disposing of his own sheep and of others of his following. I also learn from a letter that Oortmans, Eems, and Bouman are councillors; the Cape now has four councillors, three men who are hypocrites and lickspittles.

Saturday the 26th.

Saturday the 26th. Boxing day. In the morning the dreary N.W. wind, accompanied by rain, was still blowing as hard as ever. The water was as high as I believe it has ever been, and the sky is so thick that more rain appears likely. The Lord God preserve us from a great disaster. We are sure to hear of accidents as a result of this unprecedented weather. It is most unlikely that it has ever happened before that such a frightful rain has been experienced in the heart of summer. The dyke of our vineyard was also broken last night. Several sheaves of corn have been seen floating in the river to-day, also diverse logs of wood, roots of trees, etc. What they call the skeleton of Bileam's ass, which had lain a little distance from our door, was also washed away during the night. Towards noon it began to blow frighteningly hard from the N.W., much more fiercely than it did blow during the night, and in the afternoon, with a prodigious gust from the N.W., another terrific downpour started. The river had dropped somewhat this afternoon, so that it was again possible to cross the bridge, but it is feared that, with the incessant rain, it will run higher again. It was so wet to-day in our yard and everywhere, that is is scarce possible to take a step without getting wet. I trust that the Lord God will preserve us from mishap. Because of the continual rain during the afternoon the river was again running very high towards evening. This afternoon our man Jacob went to Stellenbosch on horseback to fetch from Hans, the smith,

[pagina 136]
[p. 136]

Greevenbroek ten huijze van den Preeker Bek was, en dat hij Vrijdag nagt in de kerk op Cussens hadde geslapenGa naar voetnoot198. zonder dien avond iets te nuttigen; groote vroomheid en godsdienstigheid van den ouden Lubbert, so men 't niet liever eijgenzinnigheijd mag noemen, dog heden was hij ten huijse van de paap, en zoude dezen nagt daar ten huijze verblijven. In 't vallen van den avond quam Mr. van der Bijl hier, die mij verhaalde alsdat zijn vrouw en kinderen de vorige nagt in de Schuur hadden verblijf genoomen, uijt vreese voor 't water. S'avonds begon 't weer iets te bedaaren; laat in den avond begon het water eerst weder te vallen.

Zondag den 27e.

Zondag den 27e. S'morgens aangenaam weer met zonneschijn. De Rivier was deese morgen reeds vrij wat gevallen. Dezen voormiddag reeden twee slaven te paard over onse werf de eene van Mr. Appel en de andere van paap Calden. De slaaf van Calden verhaalde datter een stuk Coorn van zijn meester in een Valleij staande was weg gespoeld; om die reedenen reed die slaaf na de Caab, om den gevijnsden Tempelier te waarschuwen. Van Appel was ook vrij wat Coorn door 't water weg geraakt, droevige zaaken.Ga naar voetnoot199. Men vertelt mij ook als datter van Mr. Guilliam du Toit een menigte van Coorn gerven zijn weggedreeven door 't hoog water. Dezen voormiddag is Arnoldus met Jacob onse knegt te paard gereeden na Coetzé. Tegens den middag quam Mr. Greevenbroek thuijs. Hij zijde twee nagten in de kerk te hebben geslapen, malle fratsen. Des namiddags was het water zeer aan 't vallen. Deze twee daagze reegen in 't hartie van de droogen tijd, zal veel menschen wel lang in geheugen blijven, aangesien het een overzeldzaame zaak is, voor dezen veelligt nooijt zoo gebeurd.Ga naar voetnoot200. Mij is ook verhaald dat Mr. Mahu de krankebedroever door de sware regen groote schade aan zijn nieuw getimmerde huijs

[pagina 137]
[p. 137]

the 4 lbs. of coffee beans, which he had brought back from the Cape. On his return he told me that Greevenbroek was at the home of preacher Bek, and that he had spent Friday night sleeping on pillows in the church, having had nothing to eat or drink that evening, which evidences piety and godliness on the part of the old impostor, if one may not rather call it obstinacy. To-day he is at the house of the preacher, and is to spend the night there. As evening fell Mr. van der Bijl arrived, and told me that his wife and children had spent the previous night in the barn for fear of the water. In the evening the weather began to moderate somewhat, and it was late at night before it began to rain again.

Sunday the 27th.

Sunday the 27th. In the morning the weather was pleasant and the sun shining. By this morning the river had dropped a good deal. This forenoon two slaves on horseback rode through our steading, one belonging to Mr. Appel and the other to the clergyman Calden. Calden's slave reported that a section of his master's corn, which stood in a valley, had been washed away, and for this reason he was riding to the Cape to advise the hypocritical old Templar thereof. Appel had also lost a good deal of corn as a result of the water. It is a melancholy business. I am told that a large quantity of sheaves of corn of Mr. Guilliam du Toit has been washed away by the flood. This forenoon Arnoldus and our man Jacob rode on horseback to Coetzé's. Towards midday Mr. Greevenbroek came home, stating that he had slept two nights in the church, a silly whim. In the afternoon the water was dropping fast. Many will long remember

[pagina 138]
[p. 138]

heeft geleeden. Hij begroot het wel op ƒ1000, dog dit zal door hem bij vergrooting gezegt zijn. Men zegt datter een schoorsteen a twee neevens een bakoven zoude ingestort zijn. Wie weet wat dit nieuwe huijs dat soo langen tijd al onder handen geweest is, nog zal costen eer het voltoijd is. 't Huijs is op zodanige langwerpige wijse getimmerd, als de man die 't laat timmeren, in al zijn zaaken tot spreeken in cluijs langwerpig is.

Maandag den 28e.

Maandag den 28e. S'morgens was het stil aangenaam weer. Men heeft mij deesen voormiddag vertelt, als datter op Vergeleegen des Gouverneurs wijdlufte hofsteede door 't voornde: reegenweer een groot hok was ingevallen, 't welk 4 a 5 Hottentots 't leeven zoude gekost hebben; ook zouden eenige schaapen omhals zijn geraakt. Des namiddags aan 't huijs van Hans Contreman geweest zijnde, wierde mij verhaald als datter thans aan de Caab, door eenige quaadaardige of liever onkundige menschen op een vervloekte galbittere manier van Oom Husing wierde gesprooken. Onder andere wierde van hem gesegt dat hij een landverrader en bederver der ingeseetenen was, en terwijl datter nu nieuwe slagters aangesteld waaren, wierd er zeer geschimpt op de meenigte van zijn vee, waar van gezegt wierde dattet de kraijen nog zouden opvreeten, en dat hij nog een arm man zoude worden en diergelijke hondsvots of schobbejaks Taal meer. Wijders wierde van hem gesegt, dat Oom een quaad doender of quaadstooker aan de Caab was, en van mij zeijde men dat ik sulx aan Stellenbosch was, alle welke lasterlijke uijtstrooijsels en tastelijke onwaarheeden alleen uijt den kooker van den gouvernr: komen, om de menschen tegens Oom Huzing en mij op te hitzen, immers zoude die eervergeeten vend ons gaarne van kant helpen zoo 't hem anders doenlijk was. Die vervloekte Tijran heeft de Ingeseetenen zederd eenige jaaren op een ongehoorde manier gedrukt en geplukt, datze bijna baloorig zijn geworden, nu soekt die onbeschaamden schendbrok de schuld van zijn hals af te schuijven en mannen van eeren op dusdanigen manier een smette aan te wrijven. O Tijden! O Zeden! dog de regtvaardige God mag men hoopen zal 't quaad eens op des bazen kop doen nederdaalen, en niet toelaten dat de Vroomen langer onderdrukt worden.Ga naar voetnoot201.

De gepasseerde nagt is ons coorn op het land over end gezet om te drogen, ook is er een partij Coorn van de halve Coornhoop afgenoomen om te droogen, dezelve zal vervolgens in 't geheel werden af-

[pagina 139]
[p. 139]

these two days of rain in the middle of the dry season, as this is a most uncommon occurrence, which has likely never occurred before. I was also told that Mr. Mahieu, the sick-comforter, has suffered great damage caused to his new house by the heavy rain, which he estimates at ƒ.1000, but he is probably guilty of exaggeration. They tell me that a chimney or two, besides an oven, has fallen in. Who knows what this new house, which has already been under construction for such a long time, will cost before it is finished. The house is as tedious in the manner of its construction as the man, who is having it built, is tedious, in all matters, even in his manner of speech.

Monday the 28th.

Monday the 28th. Calm, pleasant morning. I was told this forenoon that at Vergelegen, the spacious homestead of the Governor, a large outbuilding collapsed as a result of the rain aforesaid, which cost the lives of 4 or 5 Hottentots, while some sheep also perished. This afternoon I was at the home of Hans Contreman, where I was told that some malicious or rather ignorant persons were speaking of uncle Husing in a damnably bitter manner. Among other things it was said of him that he was a traitor and corrupter of the citizens, and now that new butchers have been appointed, they mightily rail upon the multitude of his cattle, saying that they will yet be eaten by the crows, and that he will yet become a poor man, and more such lewd and scurrilous talk. It has further been said of my uncle that he is a malefactor or mischief-monger at the Cape, and of me they have said that I am another such at Stellenbosch, all of which libellous accusations and palpable falsehoods obviously emanate from the Governor alone and are intended to incite the people against uncle Husing and me; indeed, the infamous wretch would gladly make away with us if he could; the damned tyrant has for years oppressed and fleeced the burghers in an unheard of manner, with the result that they have become almost refractory, and now the impudent slanderer seeks to shift the blame from himself and to besmirch honourable men in such a manner. O tempora! O mores! Yet we may hope that the God of righteousness will one day bring

[pagina 140]
[p. 140]

genoomen. Dezen avond is hier ten huijse een ledig half aam gebragt van den Land-drost, ten einde om 't hem met wijn gevuld weder toe te zenden. Mij wierde vertelt dat den Land-drost met de gecommitts: was buijten gekomen; de Gecommitts: waren Mr. Verzeijl en Abm: Overneij.Ga naar voetnoot202.

Dingsdag den 29e.

Dingsdag den 29e. S'morgens aangenaam weer. Dezen morgen quam Mr. Verzijl hier, kort hierna Mr. van der Bijl en Mr. Elberts, met wien ik na Stellenbosch ben gereeden. Wij namen 't halfaam wijn meede voor den Land-drost. Nadat we een wijl op Stellenbosch waren geweest, zoude de molen verpagt werden, dog men zag op de verpagtplaats wijnig menschen. Nadat de molen door de boode opgevijlt wierde, is het trekgeld door Mr. Appel getrokken op ƒ1000. - zoodat de Heemraden de molen weder aan haar hebben gehouden.Ga naar voetnoot203. Wijders wierde door den Land-drost een brief geopent, waar uijt men vernam dat Jan Elbertsz en Hans Conterman tot heemraaden waren aangesteld in plaats van Ms. du Toit en van der Bijl. Hierop wierde de nieuwe heemraaden geluk gewenscht. Ondertusschen ben ik met den Land-drost na huijs gereeden; denzelven bleef neevens Mr. Verzijl bij mij ten eeten. Des namiddags quam Mr. Overneij ook hier. Tegen den avond zijn we met elkanderen na 't huijs van Mr. van der Bijl gewandeld. Na een uur a twee zittens aldaar stapten we weder na huijs. Nadat we met elkanderen gegeeten en gedronken hadden, begaven de Vrunden zig ter nagtrust.

voetnoot151.
Die teks van die Dagboek wat die leser tot nou toe onder oë gehad het, was die Haagse handskrif, wat nie verder as 14 Augustus gevoer is nie. Die vervolg wat nou begin, is 'n weergawe van die Kaapse handskrif uit die v. Dessin-versameling, no. 12, S.A. Biblioteek: gehouden dagregister van den landbouwer adam tas. Hierdie handskrif is eweneens 'n kopie, waarskynlik offisieel, gemaak tydens die vervolging van Tas. Sien Inleiding II, bls. 16-31.
voetnoot152.
[‘Juffrouw’ staan gelyk aan ons hedendaagse ‘mevrou’. Juffr. Van der Bijl was Hester Terwinkel, juffr. Van der Heyden was Abigail Vroom. Albei was tweede vroue en albei was nog jonk. Juffr. Coetzé (Sara van der Schulp) het tot die ouer geslag behoort; sy was al omstreeks 1679 met Dirk Coetzé (of Coetsee) getroud, nog voordat hulle van die Kaap na Stellenbosch getrek het. Sy was nou 'n vrou van ongeveer 45 jaar en moeder van tien kinders. Die gesin het op ‘Coetzenburg’ gewoon. Die oudste dogter, Griet, (Margareta, ged. 10 Febr. 1686) was nou amper twintig jaar oud. Sy is in 1717 getroud met Matthijs Krügel, boer van ‘Stellengift’ in Drakenstein. Die rede waarom al hierdie dames die Tasse kom besoek, is dat daar die Sondag tevore, 6 Desember, 'n doop plaasgevind het, dié van klein Sara Tas. Maar eers op 1 Februarie noem Tas haar in sy Dagboek (sien voetnoot 258). (A.M.H.)]

voetnoot153.
[Suster Louw (sien voetnoot 124) is hier op pad na haar huis in Rondebosch; haar pad loop dus van die een plaas na die ander: Oude Libertas (Tas) - Vredenburg-Vlottenburg (Elberts) - Welmoed (Van der Heyden). (A.M.H.)]
voetnoot154.
Behalwe hulle eie slawe het die boere gedurende die oestyd Hottentotte gebruik wat van plaas tot plaas gegaan het om die graan so vinnig moontlik te help maai. Volgens Kolbe (bl. 117) was dit noodsaaklik omdat die suidoostewind baie skade aangerig het vóór die oes.

margenoot+
de vier nevenstaande persoonen segt den gouvrnr. dat over hem na 't Vaderland gesc. hebben, dog zij waren zoo voorzigtig geweest datze hare namen niet hadden geteekend. Loopjes de man is bang, hij heeft een knagend geweeten.Ga naar voetnoot156.
voetnoot156.
[Dit is opvallend watter prominente plek die woord gewete of conscientie in die gedagtes van hierdie ‘mannen van eere’ (Tas en sy vriende) inneem. Aan die een kant sien hulle 'n Goewerneur wat as 'n tiran volgens die klassieke patroon belas is met 'n knaende gewete (dit was altyd 'n gemeenplaas in die Grieks-Romeinse geskiedskrywing, aan hierdie manne welbekend, vide die Contra Deductie), aan die ander kant staan hulle self, sans peur et sans reproche, as manne wat gewillig is om lyf en goed te waag om der wille van hul gewete. Nêrens sien ons dit mooier as in die gesprek wat Tas weergee onder 18 Februarie 1706 tussen Gieliam du Toit en Willem Adriaan van der Stel nie. Onder 12 Januarie 1706 noem Tas die Goewerneur tweemaal ‘den Tijran’, en plaas Willem Adriaan daarmee doelbewus in die kategorie van historiese figure soos Dionysius van Sirakuse, Nero en Domitianus. (A.M.H.)]
voetnoot155.
'n Verwysing na die sogenaamde ‘Aansprekersoproer’ te Amsterdam wat in Januarie 1696 plaasgevind het teen 'n reëling van die stadsbestuur in verband met begrafnisse. Ontevrede werknemers van begrafnisdienste het die volksmenigte tot oproer aangehits. Hulle het die oorhand gekry oor die soldate en 'n paar huise is geplunder. Na hewige gevegte is die rus herstel. Die belhamels is gevang en twaalf van hulle is opgehang. (Vgl. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, V, bl. 399 en volgende.)

margenoot+
The Governor claims that the four persons mentioned herein have written home concerning him, but were too discreet to sign their names. HUMBUG! The man is afraid: he has gnawing conscience.
voetnoot157.
[Die letters T.D. staan vir Ten Damme. Tas bedoel hier Helena Gulik of Gulix (Guliks), vrou van die opperchirurgyn, Willem ten Damme. Ons ken haar as getroue raadgeefster van die Goewerneur. Tog was sy goed bevriend met ons skrywer, want by die doop van sy seun Joan het sy saam met Husing as getuie gestaan (sien voetnoot 59). (A.M.H.)]
voetnoot158.
[Die gekursiveerde woorde is deur die skrywer van die handskrif tussen die reëls bygeskryf. A.J.B.]
voetnoot159.
[Een van die welvarendste boere aan die Kaap, besitter van land gent. ‘Sonneblom onder de Wintberg’ en o.s. die plase ‘De Mosselbank’, ‘Klipheuvel’ en ‘De Eensaamheijt’. Sien Kaapse Grondbriewe, 18 September 1698, bl. 274; 26 September 1704, bl. 31 en 90-91 en Grondbriewe Stellenbosch en Drakenstein, bls. 340-346. (A.J.B.)] Vgl. ook voetnoot 4 van hierdie publikasie.

voetnoot160.
Sien Leibbrandt Letters Received, 1695-1708, bl. 370, waarin Starrenburg se brief aan die Goewerneur oor hierdie saak.

voetnoot161.
[Coert Helm staan opgcteken in die Stellenbosse Huweliksregister onder 1701, 13 Febr., as ‘Coenraad Helm van Minden, jongman, met Adriaantje Gabriels van de Caab, wed. van Pieter Gerritse, Boshouwer’. In 1713 staan hy borg vir 'n lening wat Jac. v.d. Bergh by die kerkraad gemaak het; in 1716 is hy gewone arbeider tydens die bou van die Drostdy en in 1722 woon hy volgens 'n kaart van daardie jaar in die buurt van ‘Blaauwklip’ of ‘Brandwacht’. (Kaart v.d. Graaf-versameling, K.A.) Vgl. ook Hoge, Personalia, bl. 144. (A.M.H.)]
voetnoot162.
Tas was goed ingelig. [Op 24 Augustus het die Raad van India besluit om Adriaan as Goewerneur na Amboina te stuur, terwyl Hendrik in 1705 as Winkelier na Makassar (nie na Malacca soos Tas hierbo skryf nie) gestuur is. (A.J.B.)]
voetnoot163.
Hier word Samuel Corssenaar, wat vroeër as assistent aan die Klapmuts diens gedoen het, bedoel. (Vgl. Letters Despatched, bl. 132, en Crim. en Cic. Regtsrollen, 1701-1708, 27 Maart 1706. [Samuel Corssenaar se weduwee was Anna Cornelia de Beer. Sy was in 1705 maar net 21 jaar oud. (A.M.H.)]
voetnoot164.
Van der Heiden het vermoedelik ondersteuning en ondertekenaars onder die boere gaan soek.

voetnoot165.
[In die allereerste jare onder ds. Van Loon het die kerkraad van Stellenbosch nog slegs een ouderling en een diaken getel; so sien 'n mens dit bv. nog in die verflenterde notule van 28 Maart 1701. Maar die volgende bewaarde bladsy (28 Okt. 1704) toon nie alleen ds. Beck as nuwe predikant nie, maar ook twee ouderlinge (Guill. du Toit en J.G. de Grevenbroek) en twee diakens (Jan Mahieu en Arend Gildenhuys). Dit het verder die vaste getal gebly, dwarsdeur die 18de eeu; en dit het so gewerk dat almal vir twee jaar gedien het en daar elke jaar één ouderling en één diaken uit die diens getree het. Die nuwe ouderling vir die nuwe jaar kon deur die kerkraad self gekies word, maar vir die diakenskap moes twee nominasies aan die Goewerneur en Raad gestuur word, waaruit hulle dan één aangewys het. (Vgl. A.L. Geyer, Die Stellenbosse Gemeente in die 18de Eeu, bl. 21 en bl. 36.) In hierdie geval is dit merkwaardig dat Willem Adriaan en sy Raad die verkiesing van Jacobus van der Heiden tot ouderling goedgekeur het, en Adam Tas verkies het as diaken bo Mahieu, wat hulle goedgesind en gedienstig was. Die verkiesing het altyd plaasgevind by die laaste kerkraadsvergadering van die jaar (Desember), en die bevestiging vroeg in die nuwe jaar: in hierdie geval 17 Januarie 1706. Daar bestaan dus 'n eienaardige teenstrydigheid tussen hierdie gegewens en die Dagboek. Uit die Dagboek is dit absoluut seker en duidelik dat Adam Tas in die jaar 1705 nie in die kerkraad gedien het nie; maar in die Resolusies van die kerkraad staan op 7 Desember 1704 duidelik dat Adam Tas met ‘eenparigheid van stemmen’ naas Wessel Pretorius tot diaken genomineer is vir die volgende termyn (1705-1706), en inderdaad, ons vind sy naamtekening groot en sierlik onder die notule van 6 Desember 1706. Dit was juis by die geleentheid waar die nuwe name vir 1706 aangewys moes word; maar daardie gedeelte van die bladsy is ongelukkig verlore, en die Dagboek (tweede fragment) begin presies op die Maandag na hierdie Sondag! Die vraag is, hoe kon Adam Tas in Desember 1705 as nuwe diaken genomineer word as hy toe reeds 'n jaar lank lid van die kerkraad was? Hy was toe in die middel van sy termyn van twee jaar. In die notule van 19 Desember 1706, wat bewaar gebly het, word hy en Wessel Pretorius genoem ‘d' afgaande diaconen’; hul termyn was nou uitgedien. Heeltemal reg, maar die Dagboek vertel 'n heeltemal ander storie! Hier is 'n raaisel waarvoor ek geen oplossing het nie. (A.M.H.)]

voetnoot166.
Volgens Kolbe het verswerings aan die bors dikwels onder Kaapse vroue voorgekom en baie lyding veroorsaak. (Kolbe, bl. 325 e.v.)

voetnoot167.
[Let daarop dat die liedere nie gesing is nie, maar gelees, d.w.s. voorgelees is. Ongetwyfeld word hier stigtelike liedere bedoel. Moontlik is uit Willem Sluiter se bundel voorgelees. Vgl. bv. Sara Tas se brief van 24 April 1722 aan Mensink (voetnoot 56) waarin sy o.m. skryf: ‘ik hebbe UE. twee boeken gesonden van de Hr. Sluiter; sy binden se nu in twee boeken. Schipper Schoon heeft se meegenomen...’ Die Eybergse predikant Willem Sluiter (1627-1673) se bundel ‘Zomer en Winter Leven’ en ander versamelde gedigte (meesal gesange) was dus toe al reeds bekend aan die Kaap, en het eeue lank bekend en bemind gebly. (A.M.H.)]
voetnoot168.
[Dit was Schalk van der Merwe, seun van Willem Schalk, die stamvader. Schalk, wat self een van dertien kinders was, en sy vrou, Anna Prevot, het op hul plaas ‘De Hoop’ 'n gesin van sewentien kinders grootgemaak wat op húl beurt ook weer almal getrou en talryke nakomelinge gehad het. Schalk se ouer suster Sophia was die vrou van ‘den Oudnoorsen landdrost’ Pieter Robberts (sien voetnoot 103). (A.M.H.)]
voetnoot169.
Lambert, wat die bynaam Bezemboutje gekry het, was een van die 45 deelnemers aan die berugte ruiltog van 1702. (Vgl. Korte Ded., bl. 117).
voetnoot170.
[Dit was die plaas ‘Vogelzang’, naby die Valsbaaise kus, tussen Faure en Somerset-Wes geleë, wat in 1702 in vrye erfpag aan Sara Tas toegeken was (OSF I, 155). Dit was natuurlik maar net 'n veepos, met 'n voorman en 'n paar Hottentotte; juffrou Tas het in Kaapstad gewoon. (A.M.H.)]
voetnoot171.
[Stamvader van die familie in S. Afrika, in Augustus 1705 getroud met Jacomina Visser. Die jong egpaar het juis omstreeks hierdie tyd, in die winter van 1705, hulle intrek geneem op die plaas ‘Kuiken Vallei’ (nou ‘Raithby’, Helderberg), wat Beukes van Arie van Wijk gekoop het. In 1708 het hulle daarvandaan verhuis na die buurt van Vlaggeberg (Eersterivier), waar hulle 'n nuwe plaas aangelê het wat in 1715 onder die naam ‘Onrust’ (OSF I, 229) aan Jan Beukes toegeken is en waar hy tot sy dood bly woon het. (A.M.H.)]

voetnoot172.
[Hierdie aantekening oor die dood van Arie tref die leser deur die rustige noukeurigheid waarmee Tas dit alles boekstaaf. 'n Minder geoefende hand sou 'n onsamehangende warboel van die saak gemaak het; Adam Tas se relaas van die gebeure is duidelik, logies en presies en sou in enige hof as eersteklas getuienis kon dien. Let ook op die saaklikheid waarmee hy al die nodige reëlings tref vir die vervoer van die lyk, die begrafnis ens. Wie hierdie Arie was, is onbekend. (A.M.H.)]

voetnoot172. (a)
[Die bode van die Hof van Heemrade was in hierdie tyd 'n sekere Jasper Gommers (aangestel Junie 1702). Hy was een van die ongure karakters van wie ons lees dat hy jare lank ‘in hoererije en onkuijsheit’ met 'n ander man se vrou geleef het, vier kinders by haar verwek en die kinders skromelik verwaarloos het, sodat hy self uiteindelik onder arres geplaas is, die vrou na Holland gedeporteer is, en die verwaarloosde kinders onder die sorg van die kerkraad geplaas moes word. (C. 510, II, bl. 711 v.; Res. Kerkraad, Stellenbosch, 31 Jan., 14 Feb. 1712.) (A.M.H.)]
voetnoot172. (b)
[Hans Conterman se woonhuis was in Kerkstraat, naby die kerk en kerkhof van daardie tyd. Alle inwoners van die dorp en distrik moes destyds op die dorpskerkhof begrawe word, want die koster en die diakonie moes hiervan die inkomste geniet. Ses gulde moes aan die kerkraad en drie aan die koster of kerkhofmeester betaal word ‘voor het kuylen van de lijken’. Sien Kerk van Stellenbosch, bl. 7 met verwysing. Die notule van Landdros en Heemrade uit daardie tyd bevat gereeld die naamlyste van diegene vir wie die koster hierdie kerkhofgelde ontvang het. (A.M.H.)]
voetnoot173.
Dirk Simonsz. Vgl. voetnoot 100.

voetnoot174.
[Die groot beswaar van die meul wat omstreeks 1700 gebou is (sien voetnoot 56 (a)) was, dat die stroom, wat deur 'n lang en kosbare gemesselde geut aangebring is, dit van onder moes aandrywe. Nadat daar jare lank met die ou meul gesukkel is, het landdros Adriaan van Schoor en sy Heemrade in die resolusie van 3 Feb. 1749 besluit om 'n totaal nuwe meul op te rig en dan veral een ‘daar het water het molenrad van boven zoude kunnen voort dryven, sonder so een van onderhoud veel kostende dam in de Revier gelijk bij de tegenwoordige molen (welkers rat slechts van onderen wordt gedreven) staat nodig te hebben’. Sodra die Eersterivier 'n bietjie swak begin word het, was selfs die opdamming en die geut nie meer voldoende om altyd te verseker dat die meulrad aan die gang gehou word nie. En hierdie ongerief - afgesien van die maalgeld wat betaal moes word - was een van die redes waarom steeds meer boere hul eie koringmeule gebou het, hoewel dit verbode was. (A.M.H.)]
voetnoot175.
Die woord bout, wat by ons alleen gebruik word om die agterste vierendeel aan te dui, dui hier ook die voor-vierendeel aan.
voetnoot176.
[Tussen die reëls kan 'n mens hier lees dat Adam Tas en die kneg Arie nie tot dieselfde stand behoort het nie. Adam Tas is heer, Arie maar net kneg, 'n blanke plaasarbeider. Vir hom en sy gelykes sal Tas alles doen wat hy kan, maar hy gaan nie met hulle op gelyke voet om nie. Daarom word die begrafnis ook uitsluitlik bygewoon deur die gewone ‘volk’, soos ‘onze knegt Jacob’. Adam Tas was nie daar nie, en die grote Husing, in wie se diens Arie was, nog minder. (A.M.H.)]
voetnoot177.
[Pierre Rochefort, 'n Franse vlugteling van gegoede familie uit Grenoble, Dauphiné, het sedert sy aankoms aan die Kaap in 1687 in maatskappy met 'n ander vlugteling, Gerrit (waarskynlk Gérard) Hanseret, op die plaas ‘Vlottenburg’ geboer. Eers twintig jaar later is dit amptelik aan hulle twee toegeken (OSF I, 186), en wel met die naam ‘Vlottenburg’. Rossefort, soos die naam hier gespel word, was vrygesel, en is omstreeks Junie van die jaar 1711 oorlede (Kerkraad Res. Julie 1711). Hy het van 1707 tot 1708 as diaken gedien. (A.M.H.)]
voetnoot178.
Die toespeling is hier ongetwyfeld gemaak op DIE brief, naamlik die brief aan die Bewindhebbers met die klagtes van die burgers. Die Klagskrif is onmiddellik na die verpagting opgestel, dus begin September. (Bogaert, bl. 494.) Ons weet dat die brief lank in die huis van Husing was (Sien Interrogatoriën van Tas en Van der Heiden e.a.) Met Motje moet Husing se vrou bedoel wees - sy was Tas se tante. Dat die brief werklik ver- brand was, hoef ons nie te glo nie, want nog in Maart van die volgende jaar, toe die hele saak reeds bekend was en Tas in die gevangenis gesit het, het Husing weer voorgegee dat hy al die papiere wat hul aan die Bewindhebbers sou stuur, verbrand het. Op 2 Maart 1706 vertel hy dat hy aan Van der Heiden en Diemer sou gesê het: ‘Ik heb al de papieren die na 't Vaderland van ons stonden af te gaan, verbrand, ik hebber den duivel van, ze mochten mijn huis ook eens visiteeren’. En tog, 'n maand later, op 4 April was die brief veilig aan boord van die retoervloot. Husing het dus waarskynlik hierdie plan uitgedink om dit teen alle pogings van die Goewerneur om dit in hande te kry, te beveilig.
voetnoot179.
Waarskynlik het hulle iemand gespreek wat 'n verklaring in verband met die Klagskrif wou aflê.
voetnoot180.
[Elke kerkraad het destyds minstens een doodskleed in voorraad gehad vir gebruik by die begrafnis van armes wat dit nie kon bekostig om so iets te koop nie. So lees ons dat die kerkraad van Stellenbosch op 10 Mei 1708 besluit ‘een nieuw doodkleed te koopen, als wanneer 't oude 3, en 't nieuwe 6 guldens aan d' Diaconie soude inbrengen’. Met ander woorde, vir die huur van die ou kleed sou dan voortaan drie, en vir die huur van die nuwe ses gulde betaalbaar wees. Die ‘aanspreek’ van die gemeentelede vir 'n begrafnis, dit wil sê die persoonlike kennisgewing aan dese en gene, was ook destyds een van die vaste pligte van elke koster. Om die behoeftiges van doodkiste te voorsien, het die kerkraad ook 'n voorraad planke aangehou. Sien Res. Kerkraadsnotule, 10 Mei 1708. (A.M.H.)]

voetnoot181.
[Daar was in 1706 slegs een Jan Pretorius van volwasse leeftyd aan die Kaap, en dit was Johannes Pretorius, ged. 1680, tweede seun van die stamvader Johannes Pretorius en jonger broer van Wessel, wie se naam dikwels deur Tas genoem word. Hierdie Jan Pretorius was egter met Helena Vosloo getroud (sien De Villiers-Pama). Ons moet dus aanneem dat die verlowing met ‘nonje Coetsee’ afgebreek is. (A.M.H.)]

voetnoot182.
Die heemrade wat uiteindelik deur die Goewerneur aangestel is, was Hans Conterman en Jan Elberts. (St. Heemraden, 1702-1709, Brief van Goewerneur, 4 Januarie 1706.)

voetnoot183.
[Volgens Hoge Hans Heinrich Hatting van Speyer (Spier), wat in 1698 getroud is met Marie de Lanoy, Franse vlugteling, wed. van Ary Lécrevin (Lekkerwyn). Volgens C. Graham Botha (Kaapse Hugenote, bl. 90) is sy in 1704 oorlede en het Hatting agtergebly met twee kindertjies. In hierdie tyd het Hatting nog geboer op die plaas ‘La Roche’ in Drakenstein. In 1705 vertrek hy na ‘Goede Hoop’ en in 1712 na ‘Spier’, Stellenbosch, waar hy bly woon het tot sy dood. Hy was in die wandel bekend as Hans Hendriks (Stell. Kerkraad, 27.10.1704). In die Drakensteinse Doopboek staan sy naam as Hance Handris (3 Mei 1699). (A.M.H.)]
voetnoot184.
[Miskien was dit 'n gangbare ‘grappie’ van die tyd; anders het Tas dit self bedink. Die woord welstand (hier in die betekenis ‘wellewendheid’, ‘fatsoenlikheid’) word kamtig gelatiniseer tot welstantia na analogie van woorde soos constantia, distantia e.a., en dan word dit met die voorsetsel propter, dit is ‘ter wille van’, tot die speelse uitdrukking wat ons hier vind. 'n Afrikaanse ekwivalent is fatsoenshalwe. (A.M.H.)]

voetnoot185.
[Dit was die gangbare en korrekte uitdrukking vir wat later bekend sou word as ‘aanneming’ of ‘voorstelling’. (A.M.H.)]
voetnoot185. (a)
[Verschieten en verschot is nog altyd gangbare Nederlandse vorms vir wat ons in Afrikaans noem voorskiet en voorskot. (Vgl. omgekeerd Ndl. voorzichtig en Afr. versigtig. (A.M.H.)]

voetnoot185. (b)
[Oorspronklik ‘skildwag staan’, later gebruik in die betekenis ‘wagtend op en neer loop, wag’. (A.M.H.)]
voetnoot185. (c)
[Afr.: ‘streke’. Vgl. ‘de kneepjes van 't vak’, dit is ‘die kunsies van die vak’. Vgl. Engels ‘the tricks of the trade’. (A.M.H.)]
voetnoot186.
[Dit is seker nie ‘his cat’ soos Paterson dit in die oorspronklike uitgawe vertaal het nie. Dit kan slegs 'n verwysing wees na die vrou van die koster. Waarskynlik was haar naam Catharina. Vgl. ‘Kaatje’. (A.M.H.)]

voetnoot187.
[Nicolaas Cleef was 'n Duitse immigrant van Grosz-Salze wie se plaas ‘De Groote Salze’ in 1699 formeel aan hom toegeken is. (OSF I, 105.) In 1684 is hy getroud met Barbara le Fèbre van Fleurbaix. In 1693 kom hul name vir die eerste keer in die Stellenbosse doopregister voor. Hulle het agt kinders gehad. In die Stellenbosse Doopboek van 28 September 1704 staan: ‘Pieter, soon van Niklaas Kleef en Barbara le Febre, getuijgen Niklaas Kleeff, de jonge en Anna Catharina Kleeff’. Niklaas de jonge was 'n ouer seun, in 1688 gebore. Anna Catharina was 'n dogter, geb. 1686, getroud met Hans Conterman. Die jongste seun, Johannes, is in 1707 gebore. Cleef is in 1708 oorlede en sy weduwee is kort daarop hertroud met Roelof Jonasz, wie se naam as klippebreker in die kerklike stukke genoem word. (A.M.H.)]
voetnoot188.
[J.G. de Grevenbroek, oud-sekretaris van die Politieke Raad, was nou 'n man van ongeveer sestig jaar (geb. 1644): trouhartig, dienswillig en 'n Christenmens in wie daar geen bedrog was nie. Maar eienaardig was hy wél; sy groot geleerdheid, gepaard met die stille afgesonderdheid van sy plaaslewe as vrygesel, het hom skynbaar al hoe meer eksentriek laat word. Prof. B. Farrington, wat in 1933 die Latynse teks van die Descriptio in Engels vertaal het (Van Riebeeck-Vereniging, no. 14), spreek van De Grevenbroek se ‘curious personality’ en verklaar ronduit: ‘Gr. is a character’. Hierdie ‘malle fratse’ waarvan Tas met soveel smaak vertel, bevestig dit ten volle. (A.M.H.)]

voetnoot189.
Vgl. Kolbe vir 'n uitvoerige beskrywing van hierdie gebeurtenisse: bl. 593.
voetnoot190.
[Dit was waarskynlik Arnoldus Kruysman of Kreutzmann van Meurs. Vgl. Hoge, Personalia, p. 220. Hy was getroud met Maria (of Martha) Vosloo. (De V.-Pama, bl. 1083, gee sy naam foutief aan as Krynauw). Vanaf 1710 tot 1716 was hy heemraad van Stellenbosch. Gedurende die jare 1718 en 1719 was hy eienaar van ‘Elsenburg’. In die transportaktes van ‘Elsenburg’ (T 1226, 7) word hy vermeld as Ary Kruysman. Later het hy in Drakenstein geboer. Hy is in 1722 oorlede. Dit is bevreemdend dat Adam Tas hom Oom noem, want hy was beslis nie ouer as Tas nie, eerder jonger. Hy was ook op geen enkele manier aan Tas verwant nie. Onder die destydse inwoners van Stellenbosch, beide dorp en distrik, was egter niemand met die naam van Arnoldus nie, behalwe Kruysman. (A.M.H.)]

voetnoot191.
Aangesien dit nagmaal was, kan 'n mens verstaan dat Tas hier aanteken dat dit hom ter harte gegaan het dat hy nie na die kerk toe kon gaan nie.
voetnoot192.
[Ongetwyfeld verwys Tas hier na ‘de steenen brug’ oor die Plankenburgrivier (deur Kolbe genoem die Modder Rivier) aan die voet van die Papegaaisberg op die grens van sy plaas, op die plek waar al die jare die ou brug was wat die hoofpad van die Kaap na Stellenbosch gedra het. Kolbe vertel dat die eerste stewige brug deur Jurgen (Jan Joris) Grimp op eie koste gebou is. In die jaarlikse instruksies aangaande die onderhoud van paaie en brûe soos opgestel deur Landdros en Heemrade, word gereeld gesê watter inwoners verantwoordelik sou wees vir die onderhoud van ‘de gemeene weg van de kerk tot over de steen brugge’ (1692) en dan volg daar meestal so iets soos ‘de wegen van Adam Tas tot onder de Cloof, mitsgaders van Tas zijn wooning en onder de driften van d'wed. Elbertse’ (1706). ‘Aan dees zijde van de brug’ beteken aan die Libertas-kant van die Plankenburg, waar die rivier maklik oor sy walle kon stoot. (A.M.H.)]
voetnoot193.
[Nicolaas Meijboom, geb. 1666 te Meppel, was lank burger van Amsterdam en het daarna inwoner van Drakenstein geword. Sy vrou en drie kinders het in 1702 na die Kaap gekom om hulle hier by hom aan te sluit. (A.M.H.)]
voetnoot193. (a)
[Daar was twintig stuiwers op 'n gulden en agt duite op 'n stuiwer. (A.H.M.)]
voetnoot194.
[Willem Basson (1670-1713) was boer op die plaas ‘Frederiksberg’ naby ‘Babylons Toren’ aan die voet van Simonsberg. (A.M.H.)]
voetnoot195.
Oor hierdie kwessie sien aanhangsels III en V, par. 5. Die vier nuwe slagters was bekende handlangers van die Goewerneur. Bogaert (bl. 486) vertel dat Michel Ley die Goewerneur se ‘makelaar in schapen’ was en gehelp het om die wynpag in die hande van Phijffer te laat kom. Oor Basson en Overholster sien Bogaert, bl. 492. Van die vierde, Anthonie Abramsz, skryf Bogaert dat ‘het gerucht wil dat hij deze gunst aan zijne vrouwe verschuldigt was’ (bl. 492).

voetnoot196.
Nicolaas Oortmans, Meester in die Regte, is deur die Goewerneur na die Kaap gebring met die oog op bevordering. Later kla Oortmans by die Bewindhebbers dat Van der Stel hom bedrieg het en land wat hy aan hom beloof het, aan 'n vrou gegee het. In dieselfde brief vertel hy hoe die Goewerneur geprobeer het om hom met nuwe beloftes van grond om te koop om die getuigskrif ten gunste van hom (Van der Stel) te onderteken. (Sien Den Haag: Kol. Arch. 4035, 12 April 1717.) Guilliam Heems en Hendrik Bouman was die Goewerneur baie goed gesind.

voetnoot197.
[Destyds is op tweede Kersdag, net soos op tweede Paasdag en op tweede Pinksterdag, altyd kerk gehou. Vanweë die geweldige reëns is hierdie slag van kerkgang geen sprake nie. Origens tref dit ons dat Tas nie die geringste melding maak van enige vorm van huislike kersfeesviering nie. (A.M.H.)]

voetnoot198.
[Dit is duidelik dat ouderling Grevenbroek daardie nag in die kerkgebou gaan slaap het omdat hy bang was vir stormskade aan die gebou en dit sy voorneme was om by die eerste teken van onheil dadelik alarm te slaan. Daar was 'n klok wat hy kon lui. Dit was nie so ‘eijgenzinnig’ as wat Tas te kenne wil gee nie. Hierdie eerste kerkie van Stellenbosch was wel ‘fraai’, maar allermins stewig gebou. Die wes-muur met voorgewel het in 1691 al byna ingestort, en in dieselfde jaar moes die klok ook laer gehang word ‘om de swackheijd der balcken en torens’. (Sien Kerk van Stell. bls. 25-27.) Daar was dus alle rede om bedug te wees vir die gevolge van so 'n uitsonderlike stortreën soos dié wat op Kersdag 1705 geval het. (A.M.H.)]

voetnoot199.
Oor hierdie weggespoelde koring het 'n kwaai rusie ontstaan tussen ds. Kalden en Ferd. Appel, wat uitgeloop het op geregtelike vervolging. Appel het beweer dat Kalden hom belet het om sy eie koring wat op Kalden se land gespoel het, te kom weghaal en het vervolgens gesê: ‘dat zijn Eerw. daerinne met hem Kalden handelde als een schurk, dat hij door zijn Eerwa. gedoente als geruineerd en groote schaade was toegebragt door 't eygenen van zijn Appels koorn, 't welk een predikant niet betaamde, verder dat hy Appel op alle bedenkelijke wijze en maniere van zijn Eerwe. daar af refensie (wraak) zoude neemen, onder diergelijke blasphameuze woorden meer’ (Minuten Justit. Attestatiën, 1706).
voetnoot200.
Dit moet 'n geweldige storm gewees het. In die Dagregister word dit beskryf as 'n ‘geweldig tempeest’ en word die stortvloed van reën wat geval het, beskryf. Later word bereken dat een derde van die oes vernietig is.

voetnoot201.
Hierdie uitbarsting toon aan hoe sterk die gevoelens alreeds teen die Goewerneur was. Kolbe gee 'n lewendige beskrywing van die tyd toe die hele bevolking in twee vyandelike kampe verdeel was: dié wat teen, en dié wat ten gunste van die Van der Stels was.

voetnoot202.
Die ‘gecommitreerdens’ was amptenare wat uitgestuur is ‘tot het op neemen deeser landen vrije ingezetenen goederen en verdere effecten van beestiaalen, haar gezaaijde en ingezamelde granen na de jaarlijxe uzantie.’ (Dagregister, 28 Desember 1705.) Volgens dié opgawes moes die boere hul tiendes aan die Kompanjie lewer.

voetnoot203.
Dit wil sê dat die meul nie verpag is nie, aangesien die hoogste bod (ƒ1000) nie hoog genoeg geag is nie. Die ‘trekgeld’, ook bekend as ‘strijkgeld’ of ‘plokgeld’ was 'n premie wat uitgereik is aan die meesbiedende op die veiling.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken

Over het gehele werk

landen

  • Zuid-Afrika


Over dit hoofdstuk/artikel

datums

  • december 1705

  • 7 december 1705

  • december 1705

  • 7 december 1705

  • 8 december 1705

  • 9 december 1705

  • 8 december 1705

  • 9 december 1705

  • 10 december 1705

  • 11 december 1705

  • 12 december 1705

  • 13 december 1705

  • 14 december 1705

  • 15 december 1705

  • 16 december 1705

  • 17 december 1705

  • 18 december 1705

  • 19 december 1705

  • 17 december 1705

  • 18 december 1705

  • 19 december 1705

  • 20 december 1705

  • 21 december 1705

  • 20 december 1705

  • 21 december 1705

  • 22 december 1705

  • 23 december 1705

  • 22 december 1705

  • 23 december 1705

  • 24 december 1705

  • 25 december 1705

  • 26 december 1705

  • 27 december 1705

  • 28 december 1705

  • 29 december 1705