Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingen (1932)

Informatie terzijde

Titelpagina van De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingen
Afbeelding van De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingenToon afbeelding van titelpagina van De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingen

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (7.70 MB)

XML (4.06 MB)

tekstbestand






Editeurs

C.C. van de Graft

C.R. de Klerk

L.C. Michels

B.H. Molkenboer

H.W.E. Moller

J. Prinsen J.Lzn

Leo Simons

J.F.M. Sterck

A.A. Verdenius

C.G.N. de Vooys



Genre

proza
poëzie

Subgenre

verzameld werk
epos
gedichten / dichtbundel
pastorale


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingen

(1932)–Joost van den Vondel–rechtenstatus Auteursrecht onbekend

Vorige Volgende
Regelnummers proza verbergen
[pagina 308]
[p. 308]

Het vierde boeck.aant.aant.

Inhoudt.

1 Van den Biehof, en zijn toestel. De stof en gestalte der bykorven. Der byen oproerGa naar voetnootr. 1 2 en oorloogh. In het kort van het hovenieren, en de loflijcke gaeuwigheit van eenen oudenGa naar voetnoot2 3 Tarenter. Der byen gemeen beste, haer aenwas, voedtsel, vaderlant, wetten, oorlooghsGa naar voetnoot3 4 en vredeverbont, arbeit en rust. Haer voorzichtigheit, weerwijsheit, geslacht, oude, eer-Ga naar voetnoot4 5 biedigheit neffens haere Koningen, vernuftigheit, spitsvondigheit, en eenerhande vonckenGa naar voetnoot5 6 van reden. Het honighwerck, en zijn twee saizoenen, lente en herfst. Haer zieckten enGa naar voetnoot6 7 raet hier tegens. Herteelinge der gestorve byen, uit eenen verrotten os; een vont, dienGa naar voetnoot7 8 men Aristeus toeschrijft, aen wiens wedervaren hier de fabel van Orfeus gehecht wort. 9 Slotrede van dit werck.
10[regelnummer]
Hy stelt den Biehof toe, ontvouwt der Byen aert,
 
En 't Recht van vorst en volck, die naulix reden derven:Ga naar voetnoot11
 
Hy toont ons 't honighwerck, en hoe men nekter gaêrt,
 
Oock nieuwe Byen wint, indienze ontijdigh sterven.

14 Ick zal voort achter een mijn werck met den hemelschen honighGa naar margenoot+Ga naar voetnoot14 15 voltoien, die ons met den dauw toevloeit: o Mecenas, begunstigh 16 oock dit deel. Ick zal u van die kleene dieren wat wonders ver- 17 toonen; en de manhaftige Vorsten en volcken oock de manierenGa naar voetnoot17-18 18 oefeningen en oorlogen van al het geslacht der Byen vervolgensGa naar voetnoot18 19 ontvouwen. Ick neem wel een gering werck voor, doch is 'erGa naar voetnoot19 20 geen geringe eere aen vast, indien de Goden my niet ongun- 21 stigh zijn, en Apollo naer mijn gebedt luistere.

22 Voor eerst moet men voor de Byen een verblijf en legerplaetsGa naar margenoot+Ga naar voetnoot22 23 zoecken, die voor den wint beschut zy (want de wint beletze het 24 aes t'huis te brengen) en daer schapen noch dertele bocken opGa naar voetnoot24 25 de bloemen huppelen, of de vaerze den dauw des velts afstrijcke, 26 en het piepende gras vertrede. Ly ontrent de volle korven geeneGa naar voetnoot26 27 gespickelde en glibberige haeghdissen, spechten en andere vo-Ga naar voetnoot27 28 gels, of Progne, die noch de lidttekens van haer moordadigeGa naar voetnoot28 29 handen in de borst draeght: want zy bederven het alles wijdt enGa naar voetnoot29 30 zijt; vangen de byen met den beck, in de vlught, om 'er hun 31 wreede jongen leckerlijck mede te azen. Maer zet de korvenGa naar voetnoot31

[pagina 309]
[p. 309]

Het Vierde Boeck.

 
Ick zal voort achtereen mijn lantwerck gaen voltreckenGa naar voetnootvs. 1
 
Met honigh, en den dauw, die ons uit 's hemels pleckenGa naar voetnoot2
 
Gezegent toevloeit: ô MECEEN, begunstigh blyGa naar voetnoot3
 
Dit deel oock. 'k zal u van die kleene dieren vry
5[regelnummer]
Wat vreemts vertoonen, en manhafte mogentheden,Ga naar voetnoot5
 
En volcken, en hun werck, en oefeninge, en zeden,
 
Oock d'oorlogen van al dit brommende geslacht
 
Ontvouwen op een ry. ick neem wel, zoo men 't acht,Ga naar voetnoot8
 
Een slecht onnozel werck ter hant: maer wil men 't weegen,Ga naar voetnoot9
10[regelnummer]
Hier is niet weinige eer en glorie in gelegen,
 
Indien de Goden my niet wars zijn, en met eenGa naar voetnoot11
 
De Godt Apollo luistre en lette op mijn gebeên.
 
Men moet eerst een verblijf en legerstant opspeuren
 
Voor 't byenleger, daer geen winden haer versteuren,Ga naar voetnoot14
15[regelnummer]
[Want wint beletze 't aes te brengen in haer kas,]Ga naar voetnoot15
 
En daer geen dertel bock, noch schaep in bloem en gras
 
Ophupple, geene vaers den dauw des velts afstrijcke,
 
Noch 't piepend gras vertrê. gedoogh omtrent de rijcke
 
En volle korven geen haeghdissen, gladt van huit,
20[regelnummer]
En spickligh, geenen specht, noch vogel, noch geluitGa naar voetnoot20
 
Van Progne, in welcker borst 't lidteken is geblevenGa naar voetnoot21
 
Van haer bebloede hant: want zy, op roof bedreven,
 
Bederven wijt en zijt het alles, beemt, en lucht,
 
En vangen met den beck de byen in haer vlucht,
25[regelnummer]
Om met dees leckerny het wreede broeinest t'azen.Ga naar voetnoot25
[pagina 310]
[p. 310]

32 ontrent klare bronnen en meeren, met groen mosch geboort; en 33 daer een smalle beeck door de weiden vloeie, en de dadel ofGa naar voetnoot33 34 breede en wilde olijfboom den toegangk overschaduwe: op dat 35 de nieuwe Koningen, wanneerze in hun lente eerst met de zwar-Ga naar voetnoot35 36 men te velde trecken, en de jongen ten korf uitgelaten, zich gaen 37 vermeiden, de naburige oever hen uit de hitte noodige, en deGa naar voetnoot37 38 boom gereet sta, om hen onder zijn loof t'ontfangen. Het zyGa naar voetnoot38 39 hier een staende of loopende water ontrent is, smack 'er willige 40 tacken en groote steenen in, op dat, zoo ze by geval, daerze 41 nederzaten, door een schichtige buy verstroit, of in het waterGa naar voetnoot41 42 gedompelt wierden, zy hier, gelijck op bruggen, mogen rusten,Ga naar voetnoot42 43 en met uitgespreide wiecken zich in den zomerschen zonneschijn 44 baeckeren. Plant hier rontom groene kassie, welrieckende tym,Ga naar voetnoot44 45 en menighte van yzope, sterck van reuck, en laet'er een frisscheGa naar voetnoot45 46 bron over de fiolen vloeien.

47 Het zy ghy holle bykorven van schorssen naeit, of van taeieGa naar margenoot+Ga naar voetnoot47-48 48 teenen vlecht; maeck enge deuren: want de koude stremt, de 49 hitte smilt den honigh; en dewijl de byen van deze beide lastGa naar voetnoot49 50 lijden, zoo klevense en stoppen niet te vergeefs d'enge spletenGa naar voetnoot50 51 en naden van haer huizen vlijtigh met wasch toe en meirgras enGa naar voetnoot51 52 bloemen; en vergaderen hierom lijmachtigh slijm, dat vaster kleeftGa naar voetnoot52 53 dan lijm en Frygiaensch peck, dat op Ida valt.Ga naar voetnoot53

54 Oock groevenze menighmael (is anders het zeggen waerach-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot54 55 tigh) putten onder d'aerde, om daer te schuilen, en werden diepGa naar voetnoot55 56 in uitgehoolden puimsteen en vermolsemde boomen gevonden.Ga naar voetnoot56 57 Ghy zult nietemin haer hutten dun met slijm bestrijcken en rontomGa naar voetnoot57

[pagina 311]
[p. 311]
 
Maer zet de korven by de bronnen, klaer als glazen,Ga naar voetnoot26
 
By meeren, groen geboort met mosch, en daer een beeck,
 
Die smal is, heenevloey' door eene klaverstreeck,
 
De breede en wilde olijf, of dadel, dicht geladen,
30[regelnummer]
Den toegangk overdeck', beschaduw' met zijn bladen,
 
Op dat de koningen, noch jongk in hun beroep,Ga naar voetnoot31
 
Wanneer zy in de lent met hunnen zwarm en troep
 
Te velde trecken, en de jongen, uit de korven
 
Gelaeten, in de lucht zich eens vermeiden dorven,Ga naar voetnoot34
35[regelnummer]
Zich laeten noodigen van d'oevers uit den brantGa naar voetnoot35
 
Der zonne, hier omtrent, en daer de boom geplantGa naar voetnoot36
 
En reedt sta hen in 't loof met lust te wellekoomen.Ga naar voetnoot37
 
Zoo hier een staende meer, of water, zacht in 't stroomen,
 
Omtrent sta, smack'er dan wat wilgetacken in,
40[regelnummer]
Of groote steenen, op dat zy, naer heuren zin,
 
Gelijck op bruggen, hier wat rusten, zoo 't gebeure,
 
Dat, daerze zitten, haer een dwarling schichtigh steure,Ga naar voetnoot42
 
Verstroie, of dompele in het water, en den vloet,
 
En zy, voor guure buy en dwarrelwint behoedt,
45[regelnummer]
De vleugels wijt en breet ontvouwende, onder' blaeckeren
 
Des zomerzonneschijns, zich zelfs hier mogen baeckeren.Ga naar voetnoot46
 
Plant groene kassie en den tijm, van zoeten geur,
 
Oock yzoop, sterck van reuck, by menighte hier veur,
 
En laet een versche bron door violieren zwaeien.Ga naar voetnoot49
50[regelnummer]
Indienge een' hollen korf van eene schors wilt naeien,
 
Of teene korven vlecht; de deur zy enge: want
 
De honigh stremt van koude, of smilt van hitte en brant.
 
De honinghby, die last van hitte en kou moet lijden,
 
Kleeft hierom d'enge spleet, en stopt aen alle zijden
55[regelnummer]
De naeden van haer huis, oock niet vergeefs, met wasch
 
En bloemen vlijtigh toe, en veltgroen lentegras:Ga naar voetnoot56
 
Hierom vergaertze slijm, dat taey als lijm kan kleven,Ga naar voetnoot57
 
En peck, den Frygiaen op Idaes kruin gegeven.
 
De byen groeven [is het zeggen anders waer,]
60[regelnummer]
Oock dickwijl putten diep in d'aerde, om voor gevaer
 
Te schuilen, en men heeft de zwarmen dick vernomenGa naar voetnoot61
 
In hollen puimsteen, en vermolssemt hout en boomen.
 
Bestrijck al evenwel de hutten dun met slick,
 
En houze rondom dicht, en leg'er, doch niet dick,
[pagina 312]
[p. 312]

58 dicht houden, en dunne bladers daer op leggen. Laet hier geenGa naar margenoot+Ga naar voetnoot58 59 ypen bystaen, nochte bra hier geen roode kreeften: schuw diepeGa naar voetnoot59 60 poelen, en vuilen stanck van mesthoopen, of holle steenrotsen, 61 daer de weergalm der stemme op afstuit.

62 Voorts wanneer de goude zon den winter onder d'aerde ge-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot62 63 jaeght, en met haer zomerlicht den hemel ontsloten hebbe, dan 64 gaenze zich terstont in bosschen en beemden vermeien, maeienGa naar voetnoot64 65 purpere bloemen, en licken luchtigh de lippen der beecken: hierGa naar voetnoot65 66 na koesterenze blijdelijck (ick weet naulix met hoe groot eene 67 lieflijckheit) haer gebroetsel, in het nest: hier na bouwenze kun- 68 stigh de raten van nieuw wasch, en storten klevenden honigh uit. 69 Hier na, wanneer ghy, in den helderen zomer, den zwarm ten 70 korf uit, naer den gestarrenden hemel ziet vliegen, en u ver- 71 verwondert, hoe de wint deze duistere wolck voortdrijve; slaze 72 dan gade: Zy zoecken altijt zoet water, en dicht loof. Stroy hierGa naar voetnoot72 73 sap van gestooten melissenkruit en cerinte, dat in het wilt op-Ga naar voetnoot73 74 wast; en klinck op een becken: sla hier ontrent geluit met vrouwGa naar voetnoot74 75 Cybeles cymbalen. Zy zullen op die heilzame rustplaets strijcken,Ga naar voetnoot75 76 en zich, naer heure wijze, in het binnenste van de kribben ver-Ga naar voetnoot76 77 bergen.

78 Maer indienze oorloogh in 't hooft hebben (want menighmaelGa naar margenoot+ 79 steeckt 'er een bijster onweder van tweedraght om twee KoningenGa naar voetnoot79 80 op) zoo kan men terstont de gemoeden en harten der gemeente,Ga naar voetnoot80 81 die van wraecklust sidderen, lang te vore ontstelt zien: dan hitstGa naar voetnoot81 82 de schorre krijghsklaroen de tragen aen, en men hoort een ge-

[pagina 313]
[p. 313]
65[regelnummer]
Wat groene bladers op. schuw ypen, die heur schaden.
 
Laet hier geen' rooden kreeft op gloênde koolen braden.
 
Schuw diepe poelen. ban den stanck des misthoops uit.
 
Schuw holle steenrots, daer de galm der stemme op stuit.Ga naar voetnoot68
 
Hierna wanneer de zon met haer vergulde straelen
70[regelnummer]
Den winter drijf beneên het aerdtrijck, en zijn paelen,
 
En met haer zomerlicht den hemel opensluit,
 
Dan maeit dit heir, in bosch, en beemt, en onder 't kruit,Ga naar voetnoot72
 
De purpre bloem, en lickt de lippen van de beecken:
 
Dan poogenze met vreught haer teêr gebroet te queecken,Ga naar voetnoot74
75[regelnummer]
Te koesteren [ick weet oock naulijx met wat min,]Ga naar voetnoot75
 
In haer gevlochten nest: dan bouwenze, eens van zin,Ga naar voetnoot76
 
De raten van nieuw wasch, en storten vast en gieten
 
Den honigh uit, die taey en klevigh valt in 't schieten.Ga naar voetnoot78
 
Wanneer gy nu hierna, by heldre zomerlucht,
80[regelnummer]
Den zwarm uit zijnen korf ziet vliegen met een vlught
 
Ten hemel, en u vast verwondert hoe, door 't zwevenGa naar voetnoot81
 
Des wints, die donckre wolck zoo lucht wort voortgedreven,Ga naar voetnoot82
 
Dan slaze vlijtigh ga. de byezwarm bemint
 
Zoet water, en dicht loof. dan stroy hier vry cerint,
85[regelnummer]
Dat in het wilde wast, en sap van kleen gestootenGa naar voetnoot85
 
Melissenkruit, en klinck, als Cybeles genootenGa naar voetnoot86
 
En offerpriesters, op een becken, of cymbael.
 
De byen zullen, door gerammel van 't metael
 
Op zulck een rustplaets, haer zoo heilzaem, daetlijck strijcken,
90[regelnummer]
En in de kribbe en cel, naer heure wijze, wijcken.Ga naar voetnoot90
 
Maer zoo haer oorlogh lust en krijgh, [want menighwerf
 
Ontsteeckt 'er onder haer een vechtstorm op, om 't erfGa naar voetnoot92
 
En koningklijck bezit van twee verscheide heeren,]Ga naar voetnoot92-93
 
Dan kan men 't hart van dees gemeente kennen leeren,
95[regelnummer]
Dat strax van wraecklust brant en siddert, heel ontstelt,Ga naar voetnoot95
 
Voor 't aengaen van 't gevecht: dan wort de traege in 't velt
[pagina 314]
[p. 314]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

83 klanck, gelijck of men de trompet stack: dan zettenze zich met 84 een ontsteltenisse in 't gelidt, schitteren met de vleugelen, wet- 85 ten den angel met den beck, stellen zich schrap, vergaderen 86 dicht by een, rontom den Koningk en zijne tent, en braveerenGa naar voetnoot86 87 den vyant met luider keele. Wanneer de lente helder opluickt, 88 en de lucht klaer is, dan berstenze te poorte uit, en horten tegensGa naar voetnoot88 89 een, dat 'er al de lucht af bromt: zy mengen zich in eenen dicken 90 drom onder een, en tuimelen haestigh van boven neder, zoo 91 dicht, gelijck een hagelbuy uit de lucht valt, of d'eeckels uit denGa naar margenoot+ 92 geschudden eickelboom. Deze soldaten, met hunne vleugelenGa naar voetnoot92 93 midden onder de slaghordens uitmuntende, toonen hoe groot 94 een hart in dat kleine lichaem steeckt; en op malkanderen aen- 95 dringende, weten van geen wijcken, tot dat d'overwinner te 96 maghtigh, een van beide persse den rugh te bieden. Deze felleGa naar margenoot+Ga naar voetnoot96 97 beroerte en dit vervaerlijcke gevecht kan men stillen met eenGa naar voetnoot97 98 hant vol zants onder den hoop te worpen.

99 Maer wanneer ghy beide de Veltoversten uit den slagh hebt 100 geruckt, zoo sla den slimste doot, op dat zijn quistige aert u nietGa naar voetnoot100 101 hindere, en laet den beste het verdadighde hof regeeren. D'eenGa naar voetnoot101 102 glinstert met zijn goude spickelen: (want men vint tweederhandeGa naar margenoot+ 103 slagh) dees is de beste, en munt met zijn hooft en roode enGa naar voetnoot103 104 blinckende schubben uit: d'ander is schrickelijck luy, en sleept 105 slaphartigh het breede achterlijf na. Beide d'onderdanen zijn zooGa naar voetnoot105 106 van leest, gelijck hun Koningen: want d'eene troep ziet vreesse-

[pagina 315]
[p. 315]
 
Van 's krijghsklaeroen gedaeght. men hoort het oorloghsteken,Ga naar voetnoot97
 
Gelijck een' wapenklanck, en velttrompetten steecken.
 
Zy zetten zich ontstelt eendraghtigh in 't gelidt.
100[regelnummer]
De vleugels schitteren. dan wetten scherp gebit
 
En beck den angel scherp. zy stellen zich in orden,Ga naar voetnoot101
 
Vergaêren dicht by een, om hantgemeen te worden,
 
Rondom den koning, en zijn' stoet, en legertent,
 
Braveeren met haer keel den vyant. als de lent
105[regelnummer]
Nu opluickt, en de lucht opheldert voor de vorsten,Ga naar voetnoot105
 
Dan voort ter poorte met gedrommel uitgeborsten,Ga naar voetnoot106
 
En tegens een gehort, dat hier de lucht af bromt.
 
Men zietze in eenen drom oock dicht in een gedromt.Ga naar voetnoot108
 
Zy tuimelen om laegh, zoo dicht als hagelsteenen
110[regelnummer]
In eene hagelbuy, of eeckels dicht uit eenen
 
Geschudden eeckelboom. dit krijghsvolck, trouw verknocht,Ga naar voetnoot111
 
Met hunne vleugelen in 't harte van den toght,Ga naar voetnoot112
 
Uitmuntende, bewijst door een uitmuntend tekenGa naar voetnoot113
 
Dat in zoo klein een lijf zoo groot een hart kan steecken.
115[regelnummer]
Zy dringen tegens een van alle kanten aen,
 
En weeten van geen vlught, tot dat, na 'et heftigh slaen,
 
De triomfeerder, al te maghtigh, boven drijve,
 
Zijn vyant, uit het velt geslagen, onder blijve.
 
Al dees beroerte, daerze in 't harnas staen gekant,Ga naar voetnoot119
120[regelnummer]
Wort lichtelijck beslecht met eene hant vol zantGa naar voetnoot120
 
Te smijten in den hoop der vechtende oorloghsknechten.
 
Maer als gy d'oversten, van weêrzijde onder 't vechten,
 
Hebt uit den slagh geruckt, ontziel den slimsten vry,Ga naar voetnoot123
 
Op dat zijn quistige aert u niet tot scha gedy,Ga naar voetnoot124
125[regelnummer]
En laet den besten het verdaedight hof regeeren.
 
De beste van die twee munt uit in 't triomfeerenGa naar voetnoot126
 
Met goude spicklen [want men vint tweevoudigh slagh,]
 
En hooft, en roode schub, en glanssen in den dagh:Ga naar voetnoot128
 
Maer d'ander schricklijck, sleept, slaphartigh, traegh, en zachter,Ga naar voetnoot129
130[regelnummer]
Het achterste van 't lijf, dat breet valt, na, van achter:
 
Doch d'onderdaenen zien van weêrzijde als hun vorst:Ga naar voetnoot131
 
Want d'eene bende ziet te vreesselijck bemorst,Ga naar voetnoot132
[pagina 316]
[p. 316]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

107 lijck morssigh; gelijck een reizend gast, die droogh en dick be-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot107-108 108 stoven aenkomende, met zijnen droogen mont op d'aerde spuwt: 109 d'ander glinstert en flickert met eenen gouden glans, en het lijf 110 is eenparigh gespickelt. Dees aert is de beste: hier uit zult ghy,Ga naar voetnoot110 111 in het rechte saizoen, zoeten honigh perssen; en niet zoo zeerGa naar voetnoot111 112 zoeten als zuiveren honigh, bequaem om zuren wijn te verzoeten.

113 Doch wanneerze te wilt vliegen en de zwarmen zich in de luchtGa naar margenoot+Ga naar voetnoot113 114 vermeien, de raten versloffen, en in de cellen hun werck verzui-Ga naar voetnoot114 115 men; dan zult ghy hun ydele wufte en speelziecke zinnen in-Ga naar voetnoot115 116 toomen, en het kost kleene moeite dit te beletten: treck den 117 Koningen de vleugels uit: als deze inblijven, zal niemant hooghGa naar voetnoot117 118 durven vliegen, of met den standert uit den leger trecken. LaetGa naar voetnoot118 119 bedden met geurige goutbloemen hen aenlocken, en de Bithy-Ga naar voetnoot119 120 nische Priaep, een moloch voor dieven en vogelen, hen met zijnGa naar voetnoot120 121 willige snoeimes beschutten. Oock moet een byhouder thijm enGa naar voetnoot121 122 pijnboomen op de hooge bergen halen, en rontom de korvenGa naar voetnoot122 123 planten, dat hy van arbeitzaemheit eeltige handen krijge: hy moet 124 vruchtbare meien in d'aerde zetten, en die lieflijck begieten.Ga naar voetnoot124

125 En nu zoude ick mijn reis ten einde, het zeil strijcken, en denGa naar margenoot+Ga naar voetnoot125 126 steven naer lant toe wenden, ten waer my te zingen stont, hoe menGa naar voetnoot126 127 de vruchtbaere hoven bouwen, en Lukanische roozengaerden,Ga naar voetnoot127

[pagina 317]
[p. 317]
 
Gelijck een reizend gast aenstappende elck doet gruwen,
 
En, droogh en dick van stof, op d'aerde slijck zal spuwen,Ga naar voetnoot134
135[regelnummer]
Uit zijnen droogen mont: maer d'andre bende straelt
 
Met eenen gouden glans, en 't lijf is overmaeltGa naar voetnoot136
 
Eenpaerigh overal met spickelen, en stippen.
 
Dees aert is d'allerbeste, en zal uw kiesche lippen,Ga naar voetnoot138
 
Wanneer gy honigh perst, vernoegen in 't saizoen
140[regelnummer]
Met zoeten, doch veel eer met zuivren honigh voên,Ga naar voetnoot140
 
Bequaem om wrangen wijn te helpen, te verzoeten.Ga naar voetnoot141
 
Maer vliegenze te wilt, en wijder dan zy moetenGa naar voetnoot142
 
Vermeien in de lucht; verzuimenze de raet
 
Te bouwen, en de cel te vullen op haer maet;Ga naar voetnoot144
145[regelnummer]
Dan moet gy haer speelziecke en wufte vlught verminderen,
 
En 't kost een kleine moeite en arbeit dit te hinderen.Ga naar voetnoot146
 
Men treck' den koning flucks de vleugels uit. indien
 
Dees inblijf, niemant zal de honinghbyen zien
 
Te verre uitvliegen, dau en bloem en kruiden lecken,
150[regelnummer]
Noch met de standertvaen te wijt te velde trecken.
 
Laet heele bedden met de goutbloem dicht beslaen,Ga naar voetnoot151
 
En locktze met dien geur van alle kanten aen.
 
De Frygische Priaep, een moloch voor de veugelen,Ga naar voetnoot153
 
En dieven, waecke om haer, en, om gewelt te teugelen,Ga naar voetnoot154
155[regelnummer]
Hou, met zijn snoeimes van geil wilgenhout, de wacht.Ga naar voetnoot155
 
Een byeman moet tijm en pijnboomloof met krachtGa naar voetnoot156
 
Gaen haelen op 't geberghte, en om de korven planten,
 
Dat eelt de handen deck', gelijck twee taeie wanten,Ga naar voetnoot158
 
Van zijne arbeitzaemheit. hy zet 'er mey en plant,
160[regelnummer]
Begietze liefelijck, wanneer de zomer brant.
 
En zekerlijck 't en waer ick, mijne reis ten ende,
 
Het zeil nu streeck', den boegh recht uit naer 't lant toewendde,
 
Ick zong u noch misschien hoe men met beter aertGa naar voetnoot163
 
De vruchtbre hoven bouwt, en Pestums roozengaert,
[pagina 318]
[p. 318]

128 die tweemael 's jaers dragen, vercieren moet; hoe d'endyvi liefstGa naar voetnoot128 129 aen vochtige beecken, en groene petercelie langs den oever wast, 130 en de kromme komkommer zoo dick onder het gras groeit: oockGa naar voetnoot130 131 wil ick de tydeloozen, die spade bykomen, niet verzwijgen, nochteGa naar voetnoot131 132 gekringkelt beereklaeuw, groen veil en myrten, die den water-Ga naar voetnoot132 133 kant zoecken: want my gedenckt, dat ick, onder de hooge torensGa naar margenoot+ 134 van Tarentum, daer de zwarte Galezus het goutgeele gewas be-Ga naar voetnoot134 135 watert, eenen Cilicischen ouden man zagh, die een weinigh lantsGa naar voetnoot135 136 erfde, dat men niet beploegen, nochte beweiden, nochte met 137 wijn beplanten moght. Dees evenwel hier, onder distels en dorens, 138 een luttel warmoes, witte lelien, yzerkruit en eetbaer mankopGa naar voetnoot138 139 pluckende, was in zijnen zin zoo rijck, als een Koningk: en 'savontsGa naar voetnoot139 140 spade t'huis komende, deckte zijn tafel met ongekochte spijze. 141 Hy pluckte roozen vroegh in de lente, en appels in den herfst:Ga naar voetnoot141 142 wanneer's winters de rotsen van koude borsten, en het water inGa naar voetnoot142 143 den stroom bevroos, dan sneedt hy zacht beereklaeuw, en be-Ga naar voetnoot143 144 strafte den zomer en westen wint, die te traegh en langkzaemGa naar voetnoot144 145 aenquamen. Hierom had dees vroegh overvloet van jonge byenGa naar voetnoot145 146 en zwarmen, en perste den eersten honigh uit de raten, dat het 147 schuimde. Hy had veel lindeboomen en pijnboomen: en zoo 148 menigh boom, als 'er in de lente bloessem droegh, zoo menigh 149 stont 'er in den herfst met ooft geladen. Hy stelde de grootsteGa naar voetnoot149-152 150 olmen op een ry, en den harden peerelaer, en den doren, die nuGa naar voetnoot150 151 pruimen voortbrengt, en den andorenboom, die het gelagh be-Ga naar voetnoot151

[pagina 319]
[p. 319]
165[regelnummer]
Die tweemael's jaers de roos op haeren steel ziet gloeien,Ga naar voetnoot165
 
En hoe endyvi liefst aen beecken plagh te groeien,Ga naar voetnoot166
 
De Peterseli graêgh langs vochtige oevers wass',
 
Hoe een komkommer krom en dicker groeie in 't gras.
 
Ick wil geen tijdeloos, al komtze spa, verzwijgen,
170[regelnummer]
Noch kringkligh beereklaeu, groen eiloof, steil in 't stijgen,Ga naar voetnoot170
 
En myrten, gaerne met den waterkant belent:Ga naar voetnoot171
 
Want my gedenckt hoe, by de torens van Tarent,
 
Daer langs Galezus met zijn' bruinen waterzegenGa naar voetnoot173
 
Het goutgeel gras besprengt, ick by geval bejegenGa naar voetnoot174
175[regelnummer]
Een' van Cilicie, die grijs wat lants bezat,Ga naar voetnoot175
 
Dat onbeploeghbaer was, en daer geen vee in tradt
 
Te weide, geene ranck de muskadel wou draegen.Ga naar voetnoot177
 
Dees grijze nietemin pluckte, onder doornehaegen,
 
En distels, hier ter stê, zijn warmoes, yzerkruit,
180[regelnummer]
Oock witte lelien, en mankop, dat'er spruit,
 
En was in zijnen zin een koning, op die wijze.
 
Hy deckte, 's avonts spa, met ongekochte spijze
 
Den disch, zoo menighmael hy t'huis quam afgeslooft.
 
De lent broght roozen voort, de herfsttijt weeligh ooft.
185[regelnummer]
Wanneer de rotsen in den kouden winter borsten.
 
Het water in den stroom bevroos met harde korsten,
 
Dan sneet hy beereklaeu, en riep den zomer in,
 
En westenwint, te traegh gereet naer zijnen zin.Ga naar voetnoot185-188
 
Dees had hierom heel vroegh een' schat van jonge byen
190[regelnummer]
En zwarmen, perste voor alle andren leckernyenGa naar voetnoot190
 
Van honingh uit de raet, zoo dat het schuimde op 't lant.
 
Hy had zijn lindebosch en pijnboombosch geplant.
 
Zoo menigh boom de lent met bloeisel cierde en bladen,
 
Zoo menigh stont 'er in den herfst met ooft geladen.
195[regelnummer]
De grootste boomen plant en poot hy op een ry,
 
Den harden peerelaer, den doren aen zijn zy,
 
Die hem nu pruimen geeft. hy poot 'er den andoren,
 
Belomraer van 't gelagh, daer zich de vreught laet hooren.Ga naar voetnoot198
[pagina 320]
[p. 320]

152 schaduwt: doch ick, binnen enger palen besloten, ga dit voorby,Ga naar voetnoot152 153 en laet anderen na my hier van zingen.

154 Nu welaen, ick wil u beknopt verhalen welck eenen aert JupijnGa naar margenoot+Ga naar voetnoot154 155 de Byen tot een vergeldinge gaf, naerdienze het schel geluit derGa naar voetnoot155Ga naar voetnoot155-157 156 Kureten en hun klinckende cimbalen volgende, den Koningk des 157 hemels in het Kreetsche hol opvoedden. Zy alleen hebben ge-Ga naar voetnoot157 158 meenschap van kinderen, en een gemeene stadt, brengen haerGa naar voetnoot158 159 leven onder bestendige wetten over, en kennen alleen haer vader-Ga naar voetnoot159 160 lant, en eigen huis: en ziende den winter te gemoet, arbeiden in 161 den zomer, en leggen voorraet op, tot het gemeen beste: wantGa naar voetnoot161 162 zommigen passen kost te halen, en vliegen om aes uit: zommigenGa naar voetnoot162 163 leggen, binnen den korf, den eersten gront van de raten, met 164 Narcissetranen, en taey boomlijm; daer na hangenze 'r het klevendeGa naar voetnoot164 165 wasch aen: zommigen voeden d'aenkomende jongen, de hoop 166 van haer geslacht, op: zommigen stuwen den klaren honigh, enGa naar voetnoot166 167 vullen de kamers met louteren nektar: zommigen viel de schilt- 168 wacht aen de poorte by lotinge toe, en letten by beurte op wint enGa naar voetnoot168 169 weder; of nemen anderen, in het inkomen, den last af; of keeren,Ga naar voetnoot169 170 in eenen troep, de bommels, dat vuigh gedierte, van de korvenGa naar voetnoot170 171 af: men is 'er vierigh in 't werck, en de geurige honigh rieckt naerGa naar voetnoot171 172 tijm: en gelijck, wanneer de Reuzen zich haesten, om van gesmij-Ga naar voetnoot172 173 dige kluften den blixem te smeden; zommigen dan het vier op-Ga naar margenoot+ 174 blazen: zommigen het kissende koper in den koelback koelen;Ga naar voetnoot174 175 d'aenbeelden in Etna vast klincken en rammelen; de smedenGa naar voetnoot175

[pagina 321]
[p. 321]
 
Doch ick van enger perck bepaelt, ga dit voorby:
200[regelnummer]
Een ander zing' wien 't lust, van deze stof na my.Ga naar voetnoot200
 
Welaen dan, 'k wil u nu ontvouwen en opzingenGa naar voetnoot201
 
Wat aert de byen van Jupijn ten loon ontfingen,
 
Dewijlze, 't schel geluit der klinckende cymbael
 
Van zijn' Kretenzer rey navolgende, altemaelGa naar voetnoot204
205[regelnummer]
Den vorst des hemels in 't Dikteesche hol opvoedden.
 
Zy hebben onderling gemeenschap van haer goedenGa naar voetnoot206
 
En kindren, oock alleen een stadt in 't algemeen.Ga naar voetnoot207
 
Zy slijten haeren tijt, en leven doorgaens heenGa naar voetnoot208
 
By vaste wetten, die bestendigh zijn. zy wennenGa naar voetnoot209
210[regelnummer]
Haer eigen vaderlant en eigen huis te kennen,
 
En, ziende in tijts den vorst des winters te gemoet,
 
Bearrebeiden in den zomer overvloetGa naar voetnoot212
 
Van voorraet, opgeleght tot dit gemeene beste.
 
d'Een vlieght om lijftoght uit, haelt kost, en geen de leste:Ga naar voetnoot214
215[regelnummer]
Een ander yveraer leght in den korf den grontGa naar voetnoot215
 
Der raet met boomlijm en Narcisdauw in den mont.
 
Dan wort het klevend wasch aen dezen gront gehangen.
 
d'Een voedt d'aenkomende gebroetsels met verlangen,Ga naar voetnoot218
 
De hoop van haer geslacht: een ander stuwt al vast
220[regelnummer]
Den klaeren honigh op, en vult met haeren lastGa naar voetnoot220
 
De cel met nekter op. d'een moet de poort bewaerenGa naar voetnoot221
 
By lotinge, en zy let of 't weder op wil klaeren,
 
En past op weêr en wint, of neemt in dat besteckGa naar voetnoot223
 
Den innekomenden den last van haeren neck,
225[regelnummer]
Of houdt in eenen troep de bommels, vuige dieren,Ga naar voetnoot225
 
Ten korf uit. 't is hier drock. de honigh, onder 't zwierenGa naar voetnoot226
 
Der byen, rieckt naer tijm: en even onversuftGa naar voetnoot227
 
Als reusen in hun smis, van taeie kluft by kluftGa naar voetnoot228
 
Den gloênden blixem smeên, de zommigen vast woelenGa naar voetnoot229
230[regelnummer]
Om 't kissend koper in den koelback te verkoelen.
 
Het anbeelt klinckt in 't hol van Etna dagh en nacht.Ga naar voetnoot231
[pagina 322]
[p. 322]

176 onderling uit alle hun kracht slagh houden, en het yzer met deGa naar voetnoot176 177 tang om en wederom keeren: niet anders drijft d'aengebore ge- 178 winzucht (magh men kleene by groote zaecken gelijcken) d'Atti-Ga naar voetnoot178 179 sche Byen, elck in haer werck, voort. D'outsten bewaren deGa naar voetnoot179 180 muren, vestigen de raten, en bouwen kunstige huizen: maer deGa naar voetnoot180 181 zwacke jongen keeren 's avonts spade weder, met veel tijms aenGa naar voetnoot181 182 de beenen; zoecken gestadigh haer aes op haeghappelboomen,Ga naar voetnoot182 183 graeuwe willigen, kassie, root saffraen, vette linden en bruineGa naar voetnoot183 184 Maybloemen. Zy rusten te gelijck: zy vallen te gelijck aen het 185 werck: 's morgens vroegh tyenze de poort uit: nergens zittenzeGa naar voetnoot185 186 ledigh. Wanneer d'avont haer endelijck weder vermaent uit velt 187 en weide te scheiden, dan keerenze naer huis; dan sterckenze 'tGa naar voetnoot187 188 lijf. Men hoortze dan rontom de korven brommen en morren.Ga naar voetnoot188 189 Wanneerze zich in haere slaepkamer vlyen, dan zwijgenze al den 190 nacht, en de slaep streelt de vermoeide leden. Zy zullen, indienGa naar voetnoot190 191 het regenen wil, niet verre uit haer hol vliegen, nochte zoo 'erGa naar voetnoot191 192 wint opsteecke, zich in de lucht begeven; maer dicht onder haerGa naar voetnoot192 193 stevesten veiligh haer water zoecken, en niet verre van honckGa naar voetnoot193 194 vliegen: oock dickwils, gelijck hobbelende schuiten, by onge-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot194 195 stuimigh weder, ballast innemen, kaikens aenvatten, en zich hierGa naar voetnoot195 196 mede in d'ydele lucht ophouden.Ga naar voetnoot196

197 Ghy zoudt u verwonderen over de manier der Byen, die geenGa naar margenoot+Ga naar voetnoot197 198 vermaeck scheppen in het paren, nochte zich door traegheit totGa naar voetnoot198 199 geilheit overgeven, of jongen baren, maer die met den mont uitGa naar voetnoot199 200 loof en geurige kruiden teelen. Zy bestellen zelfs eenen KoningkGa naar voetnoot200

[pagina 323]
[p. 323]
 
De smeden onderling slagh houden naer hun maght,
 
Het yzer met de tang vast om, en weêrom keeren:
 
Een ingebore zucht drijft dus, om zich t'erneeren,Ga naar voetnoot234
235[regelnummer]
[Indien men 't kleen by 't groot gelijcke met verlof,]Ga naar voetnoot235
 
De byen van Hymet, in 't honighwerck niet slof,Ga naar voetnoot236
 
Met kracht en yver aen. alle outste slotsoldaetenGa naar voetnoot237
 
Bewaeren hunnen muur, bevestigen de raeten,
 
En bouwen 't huis met kunst: de zwacke jeught alleen
240[regelnummer]
Keert 's avonts spade weêr, en met veel tijms aen 't been.
 
Zy snuffelt vast naer aes, op 's lants haeghappelboomen,Ga naar voetnoot241
 
Op graeuwe willigen, en vette linde, aen stroomen,
 
Op bruine maybloem, en op kassie, en saffraen.
 
Zy rusten te gelijck: zy vallen teffens aen,Ga naar voetnoot244
245[regelnummer]
Gaen 's morgens uit de poorte, en zitten nergens ledigh.
 
Als d'avont endelijck den aftoght blaest, om vredighGa naar voetnoot246
 
Te keeren uit de weide, en 't velt, dan gaenze t'huis,Ga naar voetnoot247
 
Dan sterckenze het lijf. men hoort dan een gedruis,
 
Gedommel, en gebrom rondom de honighkorven.Ga naar voetnoot249
250[regelnummer]
Wanneerze in haere cel ten slaep zich vlyen, dorvenGa naar voetnoot250
 
Zy geen geluit slaen, en zoo gaen de nachten heen:
 
Dan streelt de zachte slaep haere afgeslaefde leên.
 
Zy houden zich by honck, indien men vrees' voor regen:
 
En zoo 'er wint opsteeck,' men zietze niet gestegen
255[regelnummer]
Ten hemel in de lucht: zy zoecken dan haer bestGa naar voetnoot255
 
Het water veiligh dicht by huis, om haer stevest.
 
By ongestuimigh weêr bevrachtenze van buitenGa naar voetnoot257
 
Zich zelfs met ballast, recht als hobbelende schuiten,Ga naar voetnoot258
 
En vatten kaikens aen, om, onder haere vlught,
260[regelnummer]
Zich hiermede in 't gewight te houden in de lucht.Ga naar voetnoot260
 
Gy zoudt u menighmael verwondren om de byen,
 
En haer manieren, noit verslingert op het vryen,Ga naar voetnoot262
 
Of paeren, noch die oock door traegheit immermeerGa naar voetnoot263
 
Op snoeplust zijn gestelt, noch baeren, maer veel eerGa naar voetnoot264
265[regelnummer]
Aenteelen met den mont uit loof en geur van kruiden.Ga naar voetnoot265
[pagina 324]
[p. 324]

201 en kleene burgers, en stichten hoven en een wassen Rijck. In hetGa naar margenoot+Ga naar voetnoot201 202 omvliegen quetzenze dickwils de vleugels in scherpe rotsen, enGa naar voetnoot202 203 geven den geest onder haren last: zoo byster zijnze op bloemen 204 verleckert, en zulck eenen roem stellenze in honigh voort teGa naar voetnoot204 205 brengen. Hoewel haer leven eng bepaelt is (want het duurt nietGa naar voetnoot205 206 langer dan zeven zomers) nochtans sterft het geslacht niet uit: 't 207 geluck des stams houdt vele jaren stant, en berekent het vijfdeGa naar voetnoot207 208 gelidt. Daerenboven dragen Egypten, nochte het groote Lydie, 209 nochte Perssen, en Meden hunnen Koningk, zulck een eerbiedig-Ga naar voetnoot209 210 heit toe. Zoo lang de Koningk behouden is, blijvenze eensgezint;Ga naar voetnoot210 211 hem missende, zoo leit het verbont in stucken: dan roovenze den 212 vergaderden honigh, en vernielen de raten. Hy heeft het beleitGa naar voetnoot212 213 over haren arbeit: al te zamen aenbiddenze omringenze en be- 214 stuwen hem dicht al brommende; dragen hem dickwils op deGa naar voetnoot214 215 schouders; stellen haer lijf in noot en oorloghsgevaer, en staenGa naar voetnoot215 216 naer quetzuren en een heerlijcke doot. Zommigen op den aert der 217 Byen staroogende, die tot eenen leerzamen spiegel streckt, zeiden,Ga naar voetnoot217 218 datze met een goddelijck vernuft en hemelschen geest begaeft 219 zijn: want de Godtheit gaet overal waeren door hemel aerde enGa naar voetnoot219 220 zee: hier uit scheppen menschen en vee en allerhande dieren,Ga naar voetnoot220Ga naar voetnoot220-224 221 elck voor zich, hun levens oirsprongk: en de bant des lichaems 222 bezwijckende, zoo keerenze en gaen al te zamen weder derwaert; 223 want het deel, dat hemelsch is, sterft niet, maer vlieght levendigh 224 weder naer de starren, en neemt om hoogh den hemel in.Ga naar voetnoot224

[pagina 325]
[p. 325]
 
Zy zetten zelve een' vorst, en kleene burgerluiden,Ga naar voetnoot266
 
En stichten hoven, en een wassen rijck, wel vast.Ga naar voetnoot267
 
In 't ommevliegen lijdt de honighby veel last.
 
Zy quetst den vleugel dick op scherpe rots, en klippen,
270[regelnummer]
En, onder haeren last, komt haer de geest t'ontglippen:
 
Zoo bijster zijnze op geur verleckert, en op bloem,
 
En stellen in de winst des honighs al haer' roem.Ga naar voetnoot272
 
Al is haer leven eng bepaelt in tijt en uuren,
 
[Want langer kan het niet dan zeven zomers duuren,]
275[regelnummer]
Noch sterft de stam niet uit. de stam, in 't rijck bezit,Ga naar voetnoot275
 
Houdt veele jaeren stant, en bloeit in 't vijfde lidt.Ga naar voetnoot276
 
Het groote Lydisch rijck, Egypten, Parth, en Meden
 
Den koningk minder eer bewijzen in hun steden,
 
Als onze honighzwarm. zoo lang de koning leeft
280[regelnummer]
Zijnze alle oock eensgezint: maer zoo hy haer begeeft,
 
Dan breeckt het rijxverbont, dan roven d'onderzaeten
 
Den honigh overhoop, vernielen cel, en raten.Ga naar voetnoot282
 
Hy heeft 't beleit alleen van haeren arrebeit.
 
z'Aenbidden uit ontzagh haer konings majesteit,
285[regelnummer]
Omringen hem heel dicht, bestuwen hem met brommen,
 
En draegen op haer schoft het hooft der honighdommen.Ga naar voetnoot286
 
Zy gaen op lijfsgevaer met hem in oorloghsnoot,
 
En staen gequetst, vol moedts, naer een befaemde doot.Ga naar voetnoot288
 
Men vondt'er die den aert der byen gadesloegen,
290[regelnummer]
Die elck ten spiegel dient, om zich hier naer te voegen,Ga naar voetnoot290
 
En rechtuit spraecken dat dees aert, die heerscht, en slaeft,Ga naar voetnoot291
 
Met rijp vernuft en geest van boven is begaeft:
 
Want eene godtheit gaet alom onzichtbaer waeren,
 
Door hemel, aerde, en lucht, en zee, en wilde baren,
295[regelnummer]
En hieruit scheppen mensch, en vee, en ieder dier,
 
Een iegelijck voor zich, hunn' oirsprong, ziel, en zwier.Ga naar voetnoot296
 
Als 's lichaems bant bezwijckt vergaenze in d'eerste stoffen:Ga naar voetnoot297
 
Want merck, het hemelsch deel wort van geen doot getroffen,
 
Maer vlieght weêr levende in den starrelichten boogh,Ga naar voetnoot299
300[regelnummer]
En neemt onsterfelijck den hemel in om hoogh.
[pagina 326]
[p. 326]

225 Wanneer ghy het heerlijcke hof en den opgeleiden honigh metGa naar margenoot+Ga naar voetnoot225 226 zijne schatten opent, zoo besproey eerst de lucht met eenen montGa naar voetnoot226 227 vol waters, en beroockze met een test. Tweemael gevenze honigh:Ga naar voetnoot227-232 228 tweemael is het honigh-oeghst; zoo dra Taygete, een Zeilstar, deGa naar voetnoot228 229 weerelt haer schoon aenschijn toont, en de golven des Oceaens 230 verachtelijck met den voet stoot: of de zelve star voor het water- 231 zuchtigh gestarrente der Visschen wijckende, des winters treurigerGa naar voetnoot231 232 van den hemel in de baren zinckt.

233 Zy zijn boven maete de gramschap onderhevigh: gequetstGa naar margenoot+Ga naar voetnoot233 234 zijnde, vergiftigenze u met haren prickel, steecken heimelijck zooGa naar voetnoot234 235 fel, dat d'angel vast in d'aderen blijft zitten, en sterven in haere 236 wraeckgierigheit.

237 Doch vreest ghy voor een' harden winter; wilt ghy tegens denGa naar margenoot+ 238 toekomenden tijt sparen, en u over haere ellende en jammerlijckenGa naar voetnoot238 239 staet ontfarmen; zoo ontzieze niet met tijm te beroocken, en hetGa naar voetnoot239 240 onnutte wasch af te snijden: want dickwils at, eer men 't merckte,Ga naar voetnoot240 241 een gestarrende haeghdis de raten: een mot quam by doncker inGa naar voetnoot241 242 de cellen snoepen: de vuige bommel zat en verteerde een andersGa naar voetnoot242 243 kost: of de felle horsel mengde zich met eenen scherper angel hierGa naar voetnoot243 244 onder: of een vervloeckte honighworm quam 'er in: of Arachne,Ga naar voetnoot244 245 van Minerve gehaet, spon haer breet spinneweb in de deur. HoeGa naar voetnoot245-246 246 de korven meer van onnut wasch gezuivert zijn, hoeze naerstiger 247 zullen aenhouden, om d'afbreuck van haer jongen te boeten,Ga naar voetnoot247 248 schuren van bloemen te vlechten, en de vacken te beleggen.Ga naar voetnoot248

[pagina 327]
[p. 327]
 
Wanneer gy't heerlijck hof, en d'opgeleide schatten
 
Des honighs opent, pas een' mont vol nats te vatten,Ga naar voetnoot302
 
Besproey dan al de lucht: beroockze met een test.
 
Zy levren tweemael u den honigh in haer nest.
305[regelnummer]
De honighooghst beloont u tweemael alle jaeren,
 
Zoo dra Taigete, een star, waernaer de zeeliên vaeren,
 
Voor d'aerde en 't aerdtsche volck haer aenschijn klaer ontbloot,Ga naar voetnoot307
 
De golf des oceaens veracht met voeten stoot:Ga naar voetnoot308
 
Of als de zelve star, de waterzucht der VissenGa naar voetnoot309
310[regelnummer]
Ontwijckende, bedroeft, by 's winters duisternissen,Ga naar voetnoot310
 
Uit 's hemels goude poorte in zee te water gaet.
 
Haer toorne en wraeckzucht houdt noch regel, nochte maet:
 
Want quetst gy haer, zy zal u pricklende vergeven,Ga naar voetnoot313
 
En vreeslijck steecken, dat zelf d'angel vast blijf klevenGa naar voetnoot314
315[regelnummer]
In d'aderen, en zy van wraeck sterf, heel verwoet.
 
Indienge een' harden vorst en winter ziet te moet,
 
En wiltge opleggen voor 't genaecken van de smerte,Ga naar voetnoot317
 
En gaet u haere elende en droeve staet ter harte;
 
Beroockze vry met tijm: besnoey 't onnutte was:
320[regelnummer]
Want dickwijl, eer men 't merckt, knaeghde een haeghdis de kas
 
En raeten, of een mot quam in de cellen snoepenGa naar voetnoot320-21
 
By nacht: de bommel, traegh van aert, quam met haer troepen
 
En slickte een anders kost: de felle horsel dorfGa naar voetnoot323
 
Haer scherpen angel oock wel steecken in de korf.
325[regelnummer]
Een booze honighworm berooft wel 't huis van binnen.
 
Arachne, in Pallas haet, komt breet haer webbe spinnenGa naar voetnoot326
 
In 't midden van de deur. hoe gy den korf meer vaeghtGa naar voetnoot327
 
Van vuil onoirbaer was, hoe uwe by meer draeght,Ga naar voetnoot328
 
Om d'afbreuck van haer nest te boeten, en zy deckt 'erGa naar voetnoot329
330[regelnummer]
De schuur van bloemen, en beleght het vack met nekter.Ga naar voetnoot330
[pagina 328]
[p. 328]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

249 Maer indien de byen (dewijlze met ons de gebreken dezesGa naar margenoot+ 250 levens onderworpen zijn) van zieckten quijnen, het welck ghy aen 251 zekere tekens kunt mercken; terstont zienze 'r anders uit: hetGa naar voetnoot251 252 hooft wort mismaeckt en ysselijck mager: zy brengen de dooden,Ga naar voetnoot252 253 die d'oogen loken, buiten 's huis, en volgen in rouw het lijck 254 achter aen: of hangen aen den ingangk, met de voeten aen een 255 gevlochten: of houden zich al te zamen binnen 's huis, met geslote 256 deuren, en verslapt van honger, verstijft van koude: dan latenze 257 zich luider hooren, en brommen eenpaerigh; gelijck de koudeGa naar voetnoot257 258 zuiden wint zomtijts in het bosch ruischt: gelijck de zee ruischt, 259 wanneer de baren hol gaen: gelijck het verslindende vier in den 260 gesloten oven barrent. Dan zoude ick u raden haer met galbaenGa naar margenoot+Ga naar voetnoot260 261 te beroocken, en door riete pijpen met honigh te bedruipen, omGa naar voetnoot261 262 haer graegh te maecken, en de druiloorigen op den gewoonenGa naar voetnoot262 263 kost te noodigen. Oock is het dienstigh hier gestoote galnotenGa naar voetnoot263 264 onder te mengen, gedrooghde roozen, wijn wel sterck opgezoden,Ga naar voetnoot264 265 of Psythische rozijnen, Cekropischen thijm, en centauren, sterckGa naar voetnoot265 266 van reuck; oock een bloem, die in de beemden wassende, licht 267 te vinden is, en by de huislieden sterrekruit genoemt wort: wantGa naar voetnoot267 268 uit den wortel spruiten vele steelen: z' is geelachtigh van kleur, 269 doch glinstert midden in haer dichte bladen, gelijck purper vanGa naar voetnoot269 270 een bruine fiool. Men verciert menighmael d'altaren der Goden 271 met deze kranssen: z' is wrang van smaeck: de huislieden pluckenze 272 in gemaeide dalen, en by den oever van den krommen Mella.Ga naar voetnoot272 273 Koock den wortel van dit kruit in geurigen wijn, en zet dit voedtsel 274 met volle manden voor de bykorven.

275 Maer tegens dat iemant haestigh al zijn byen moght verliezen,Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot275-276 276 en geen middel wist om nieuwe jongen te winnen; zoo is het nu

[pagina 329]
[p. 329]
 
Maer zoo de byen, die de jammernis en pijn
 
Van 't leven hier, als wy, oock onderworpen zijn,
 
Door zieckte aen 't' quijnen slaen, het welck men kan gewennenGa naar voetnoot333
 
Aen zekre tekens klaer te mercken, en te kennen,
335[regelnummer]
Dan trecken zy terstont een ander aenzicht aen.Ga naar voetnoot335
 
Het hooft ziet gansch mismaeckt, het lichaem ongedaen.Ga naar voetnoot336
 
Zy brengen 't lijck, wanneer 't zijn oogh luickt, ongeluckighGa naar voetnoot337
 
Ten huize uit, treên in rouw van achter, droef en druckigh,Ga naar voetnoot338
 
Of hangen aen de deur gevlochten, been aen been,
340[regelnummer]
Of houden zich in huis al treurende by een
 
Met toegeslote deur, verstijft van kou, bevroren,
 
Verslapt van hongersnoot: dan laet de by zich hooren,
 
Veel luider, en zy bromt eenpaerigh, mort, en raest,Ga naar voetnoot343
 
Gelijck de Zuidenwint bywijl in bosschen blaest;
345[regelnummer]
Gelijck het zeeschuim ruischt, wanneer 't komt aengestoven;
 
Gelijck verslindend vier, in een' gesloten oven.
 
Dan raede ick dat gy milt haer toeroockt met galbaen,
 
En door een riete pijp met honigh zoudt bestaenGa naar voetnoot348
 
Te druppen, om haer graêgh te maecken, en de blooden,
350[regelnummer]
En suffenden op dien gewoonen kost te nooden.Ga naar voetnoot350
 
Het is oock dienstigh dat gy galnootpoeder brengt,
 
En d'opgedrooghde roos met galnootpoeder mengt,Ga naar voetnoot352
 
Centauren, sterck van reuck, of Psythische rozijnen,
 
Cekropsche tijm, en oock heel sterckgezode wijnen,
355[regelnummer]
Een bloem oock, in een' beemt gegroeit, en lang beroemt,Ga naar voetnoot355
 
Licht vindbaer, die op 't lant wort starrekruit genoemt:
 
Want uit den wortel steel by steel heel groeizaem spruiten.
 
Z'is geel van kleur, doch blinckt, hoe dicht de bladers sluiten,
 
Als een viool van bruine en donkre purperverf.
360[regelnummer]
Men ciert d'altaeren van de Goden menighwerf
 
Met kranssen van dees bloem. z'is wrang van smaeck, te haelen
 
By huisliên op het lant, in hun gemaeide dalen,
 
En langs den oever, die den krommen Mella stuit.Ga naar voetnoot363
 
Men koockt in wijn, vol geurs, den wortel van dit kruit,
365[regelnummer]
En zet de manden met dit voedtsel voor de korven.
 
Maer of de byen van den byenhouder storven,Ga naar voetnoot366
 
Die geenen middel weet met jonge en wackre bienGa naar voetnoot367
[pagina 330]
[p. 330]

277 tijt den gedenckwaerdigen vont des Arkadischen meesters Aris-Ga naar voetnoot277 278 teus t'ontvouwen, en hoe dickwils het verrotte bloet van geslageGa naar voetnoot278 279 ossen byen voortbroght. Ick zal die gansche naemhaftige historieGa naar margenoot+Ga naar voetnoot279 280 hooger ophalen, en beknopt van haren eersten oirsprongk be- 281 ginnen.

282 Want daer de geluckige burgery te Kanopus, van AlexanderGa naar voetnoot282 283 vergroot, aen den Nyl woont, die met zijnen watervloet het lantGa naar margenoot+ 284 bewatert, waer over men met beschilderde schuiten vaert; en daer 285 Persen, met den pijlkoker gewapent, aengrenst, en het groeneGa naar voetnoot285 286 Egypten met een zwart slib gemest wort, door den vliet, die vanGa naar voetnoot286 287 den zwarten Moorjaen nederstroomende, door zeven monden 288 uitbruist; al dit gewest stelt zijn welvaert in deze onfeilbaere kunst.Ga naar voetnoot288 289 Eerst kiest men tot dit werck een klein erf, deckt dit met luttel 290 pannendacks, en sluit het met naeuwe wanden, waer in vierGa naar voetnoot290 291 vensters naer de vier winden uitzien, en die over dwers van deGa naar voetnoot291 292 zon beschenen worden. Dan zoeckt men eenen tweejarigen stier, 293 wiens horens alreede krommen. Men stopt met gewelt beide zijn 294 neusgaten, beneemt den muil den ademtoght, slaet hem met 295 stocken doot, en spreit het geplette ingewant over d'ongevildeGa naar voetnoot295 296 huit. Aldus latenze dit dier op gebroke tacken, thijm en versche 297 kassie, in de beslote plaetse leggen. Dit beschickt men, wanneerGa naar voetnoot297 298 de westen wint eerst op het water begint te blazen; eer de beemdenGa naar voetnoot298 299 op een nieuw beginnen te bloeien; eer de snaterachtige zwaluweGa naar voetnoot299 300 haer nest onder dack welft. Ondertusschen begint het gekneustGa naar voetnoot300 301 gebeente en warme bloet te broeien, en daer schijnt een wonder-Ga naar voetnoot301-303 302 lijck gedierte te grimmelen; eerst stompe beenen, voort snorrende

[pagina 331]
[p. 331]
 
Zijn dootse korven weêr te vullen, te voorzien,Ga naar voetnoot368
 
Zoo wil de tijt dat wij d'aenmerckens waerde vondenGa naar voetnoot369
370[regelnummer]
Van een' Arkadischen biehouder nu doorgronden,
 
En oock hoe menighmael 't geslaghte runderbloet
 
Aen 't rotten, byen hebb' by menighte uitgebroet.
 
'k Zal dees naemhaftige geschiedenis ophaelen,
 
En van haer' oirsprong u beginnen af te maelen:
375[regelnummer]
Want daer de burger woont, ter stede, die vergrootGa naar voetnoot375
 
Van Alexander, aen den Nyl leght, uit wiens schoot
 
Al 't lant bewatert wort, en daer bemaelde sloepen
 
Den stroom bevaeren; en daer Persiaensche troepen,
 
Gewapent op den rugh met pylekokers, dicht,
380[regelnummer]
Aangrenzen, en het groene Egypten door 't gewight
 
Van 't zwarte springvloetslib ziet mesten velt, en boomen,
 
Door 't water, dat, heel hoogh uit Moorenlant aen 't stroomen,Ga naar voetnoot382
 
Door zeven monden bruischt; al dit geweste grontGa naar voetnoot383
 
En bouwt zijn zegeninge op dien onfaelbren vont.Ga naar voetnoot384
385[regelnummer]
Men kiest eerst luttel erfs, om 't werreck te voltrecken,Ga naar voetnoot385
 
En past dit met wat dacks van pannen t'overdecken,
 
Met eenen naeuwen wandt te sluiten dit gesticht,Ga naar voetnoot387
 
Waerin vier vensters naer vier winden haer gezicht
 
De zon toekeeren, die hier heet komt innestraelen.
390[regelnummer]
Dan past men eenen stier, twee jaeren out, te haelen,
 
Wiens horens krommen. dan de neuslucht met geweltGa naar voetnoot391
 
Gestopt, den muil de lucht benomen, hem gevelt
 
Met stocken, dat hy sterf, die nog een weinigh lilde.Ga naar voetnoot393
 
't Gepletterde ingewant dan over d'ongevilde
395[regelnummer]
En raeuwe huit gespreit van dezen dooden stier.
 
Dan versche kassigeur geslingert onder 't dier,Ga naar voetnoot396
 
En tijm, en telgh by telgh, gebroken van die heggen.
 
Zoo laetenze in die plaets den stier besloten leggen.
 
Dit wort beschickt, wanneer de westenwint eerst speelt,
400[regelnummer]
En met zijn' adem in 't begin het water streelt,
 
Eer noch de beemt beginn' te bloeien, versch bewatert,Ga naar voetnoot401
 
De zwaluw 't broeinest welve, en onder 't rietdack snatert.
 
Terwijl 't gekneust gebeent en warme bloet geraeckt
 
Aen 't broeien, schijnt het of een vreemt gediert genaeckt,
405[regelnummer]
En grimmelt onder een. men ziet eerst groote beenen,
[pagina 332]
[p. 332]

303 veders onder een gemengt; en allengs stijgenze in de dunne lucht, 304 tot datze, gelijck een zomervlaegh, die uit de wolcken stort, uit-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot304 305 bersten; of gelijck een lichte pijl uit den boogh des PersiaensGa naar voetnoot305 306 vlieght, wanneer hy slagh levert.

307 O Zanggoddinnen, wat Godt holp ons aen deze kunst? wie 308 broght dezen nieuwen vondt eerst op de baen? Men zeit, datGa naar margenoot+Ga naar voetnoot308 309 Aristeus, een herder, Peneus en Tempe verlatende (overmits zijnGa naar voetnoot309 310 byen van honger en zieckte storven) heel treurigh en klaghtighGa naar voetnoot310 311 aen den oirsprongk des gewijden vliets stont, en aldus zijn moederGa naar voetnoot311 312 aensprack: moeder Cyrene, die u op den gront van dit loopendeGa naar voetnoot312 313 water houdt; o moeder, waerom broght ghy my, die by het nootlotGa naar voetnoot313 314 niet gezien ben, uit den doorluchtigen stamme der Goden (trouwenGa naar voetnoot314 315 zoo de Thymbreesche Apollo, naer uw zeggen, mijn vader is) terGa naar voetnoot315 316 weerelt? Of waer is uw liefde te mywaert gebleven? WaeromGa naar voetnoot316 317 zeit ghy my den hemel toe? naerdien ick, schoon ghy mijn moederGa naar voetnoot317-318 318 zijt, oock d'eere in dit sterflijcke leven moet missen, die ick door 319 vee, en vruchten, met zulck een wackerheit en opmerckinge,Ga naar voetnoot319 320 zonder iets onbezocht te laten, verdiende? Welaen dan, neemtGa naar voetnoot320Ga naar voetnoot320-321 321 ghy zulck een verdriet in mijnen roem, ruck met uw eige hant de 322 weelige bosschen uit: steeck de stallen in lichten brant: verdelghGa naar voetnoot322 323 den oegst: verbrant het gewas, en houw met de bijl den wijnstock 324 in stucken.Ga naar margenoot+

325 Maer de moeder hoorde zijn klaght, onder in de kamer desGa naar voetnoot325 326 diepen strooms, daer de Stroomgodinnen, rontom haer, MilesischeGa naar voetnoot326 327 vellen, waer aen geen zeegroen gespaert was, kemden; namelijckGa naar voetnoot327

[pagina 333]
[p. 333]
 
Hoort veders snorren, en zich mengen, en met eenen
 
Besteigerenze allengs de hooghten in de lucht,
 
Tot dat zy endelijck, gelijck een zomervlught
 
En vlaegh uit eene wolcke, uitspatten voor elx oogen:
410[regelnummer]
Of als een lichte pijl uit Persiaensche boogen
 
Om hoogh vlieght, als de Parth nu toestreeft met den schicht.Ga naar voetnoot404-411Ga naar voetnoot410-411
 
O Zanggodinnen, melt wat Godt broght dit in 'tlicht?
 
Wat geest heeft deze kunst, dien vont eerst nieuw gevonden.Ga naar voetnoot413
 
Aristeus, zoo men zeght, een herder, lant en grondenGa naar voetnoot414
415[regelnummer]
Van Tempe, en Peneus, die gevloten komt door 't dal,
 
Verlaetende, naerdien zijn byen overal
 
Van honger, kommer, en van zieckte, en evel storven,Ga naar voetnoot417
 
Stont treurigh klaegende, om de scha van zijne korven,
 
Omtrent den oirsprong van den godtgewyden vliet,Ga naar voetnoot419
420[regelnummer]
En sprack zijn moeder aen, uit onlust en verdriet:
 
Cyrene moeder, die dit water hebt gekoren,Ga naar voetnoot421
 
O moeder, waerom ben ick, uit uw' schoot geboren,Ga naar voetnoot422
 
By 't nootlot ongezien, en uit der Goôn geslacht,
 
Zoo my Apol, gelijck gy zeght, heeft voortgebraght
425[regelnummer]
In 't licht der weerelt? of waer is uw gunst gebleven
 
Te mywaert? waerom my in 's hemels troon verheven
 
Met uw belofte en mont; naerdien ick, uit uw bloetGa naar voetnoot427
 
En schoot gesproten, d'eer in 't sterflijck leven moet
 
Ontbeeren, die ick heb verdient door vee, en vruchten,
430[regelnummer]
Met zulck een wackerheit, en aendacht, die noit vlughtenGa naar voetnoot430
 
Den arbeit, die natuur en alle ding doorgront?Ga naar voetnoot431
 
Welaen dan, neemt gy zulck een' onlust in mijn' vontGa naar voetnoot432
 
En glori, ruck vry met uwe eige hant de bossen
 
De schoone boomen uit: steeck stal en schuur, vol ossen,
435[regelnummer]
En vee in lichten brant: verdelgh verbrant al 't zaet,Ga naar voetnoot435
 
En houw den wijnstock met de byle om, waer die staet.
 
De moeder hoort zijn klaght, die quam in 't water, binnen
 
De kamer van den stroom, daer blancke Stroomgodinnen
 
Rondom haer bezigh zijn met kam, en scherpe kaerdt,Ga naar voetnoot439
440[regelnummer]
Om wol, waeraen geen verf noch zeegroen is gespaert,
 
't Miletisch vellewerck, te havenen, te kemmen,Ga naar voetnoot441
[pagina 334]
[p. 334]

328 Drymo, Xantho, Ligea, en Fyllodoce, die het glimmende hair overGa naar voetnoot328 329 den blancken neck lieten zwaeien; Nesaee, Spio, Thalie, Cymodoce, 330 Cydippe, en de blonde Lykorias (d'een noch maeght, d'andere 331 toen d'eerste reis van kint bevallen) Klio, en haer zuster Beroë;Ga naar voetnoot331 332 beide dochters van den Oceaen; beide met gout, beide met ge-Ga naar voetnoot332-333 333 spickelde rheesvellen omgort; Efyre, Opis, Asie, Deiopeie, en 334 de snelle Arethuse, die endelijck haer pijlen nederleide. Klymene 335 vertelde, onder dit gezelschap, Vulkaens ydele bekommeringe, deGa naar voetnoot335 336 schalckheit van Mars en zijn zoete sluickery, en overrekende alleGa naar voetnoot336 337 der Goden vryaedjen, sedert het begin der weerelt. TerwijlzeGa naar margenoot+ 338 vast naer dit gezangk luisterende, haer spinrocken sponnen, quamGa naar voetnoot338 339 Aristeus jammerklaght weder de Moeder ter ooren, en al wat 'erGa naar voetnoot339 340 in het glazen vertreck was zat stom: doch Arethuse, eer danGa naar voetnoot340 341 d'andere gezusters opziende, en met haer blonde hooft boven uitGa naar voetnoot341 342 het water opborrelende, riep van verre: o Cyrene zuster, ghy zijtGa naar voetnoot342 343 niet vergeefs om dit byster gekerm verschrickt; hier staet AristeusGa naar voetnoot343 344 zelf, voor wien ghy meest bekommert zijt, en schreit deerlijck aenGa naar voetnoot344 345 het water van zijnen vader Peneus, en noemt u onbarmhartigh.Ga naar voetnoot345 346 De moeder hierom op een nieuw in haer hart ontstelt, zeit: wel-Ga naar voetnoot346 347 aen, breng hem, breng hem by ons: hy magh onbeschroomt zijnenGa naar voetnoot347 348 voet binnen den goddelijcken drempel zetten: met een beveeltze, 349 dat de stroom zich wijt genoegh ontsluite, op dat de jongelingk 350 dat langs afstijge: en het water gingk berghswijs rontom hemGa naar voetnoot350

[pagina 335]
[p. 335]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

 
Met naeme Drymo, Xanth, Ligea, snel in 't zwemmen,
 
En Fylodoce, die de vlechten, zonder vleck,Ga naar voetnoot443
 
Ziet blincken in den zwaey, om haeren blancken neck,Ga naar voetnoot444
445[regelnummer]
Neseë, Cymodoce, en Spio, en Thalye,Ga naar voetnoot445
 
Likorias, heel schoon, Cydippe, d'eene een vryeGa naar voetnoot446
 
En onbesmette maeght, en d'andre hier ter stê
 
Nu eerst van kint verlost, en Klië, en Beroë,Ga naar voetnoot448
 
Twee zusters, dochters van den Oceaen gerekent,
450[regelnummer]
Omgort met vellen, schoon gespickelt, en getekent
 
Met vlacken, en verciert met riet om 't natte haer;Ga naar voetnoot451
 
En Asie, en Efyre, en Dejopeia, klaerGa naar voetnoot452
 
Van oogen; Opis mede, en Arethuze, in 't ylenGa naar voetnoot453
 
De snelste, en die nu hier den koker met de pijlen
455[regelnummer]
In 't ende nederley. Klymeen verhaelde vast,Ga naar voetnoot455
 
By dit gezelschap, hoe Vulkaen den boel verrast,Ga naar voetnoot456
 
De schalckheit van Godt Mars, zijn zoete sluickeryen,
 
En hoe van 's weerelts wiegh de Goden slaen aen 't vryen.Ga naar voetnoot458
 
Terwijlze al spinnende hier luistren naer dien toon,
460[regelnummer]
Vernam Klymene weêr de klaght van haeren zoon:
 
En al de zusters en getrouwe spingenooten,
 
In 't helder glazen huis, verstomden, en verschooten.Ga naar voetnoot462
 
Maer Arethuze, die voor elck naer boven schiet,
 
En met het blonde hooft opborrelt uit den vliet,
465[regelnummer]
Riep haer van verre toe: Cyrene, waerde zuster,
 
Gy zijt niet zonder reên ontstelt, en ongeruster
 
Om dit bedruckt gekerm: hier staet uw zoon, vol smart,
 
Uw Aristeüs zelf, die diep u leght in 't hart.
 
Hy schreit hier aen de zy van zijnen vader smartigh,Ga naar voetnoot469
470[regelnummer]
Den stroomgodt Peneus, en hy noemt u onbermhartigh.
 
De moeder, op een nieuw in haeren geest ontstelt,Ga naar voetnoot471
 
Zeght daetelijck: welaen, men breng' men breng' den heltGa naar voetnoot472
 
Hier onder: want hy magh wel zonder vreeze binnen
 
Den drempel stappen van de natte Vlietgodinnen:
475[regelnummer]
Met een' gebietze dat de stroom zich openzett',
 
Op dat de jongeling vry intrede in dit wedt.Ga naar voetnoot476
 
De stroom zet berreghswijs zich om hem overende,
[pagina 336]
[p. 336]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

351 overendt staen, en ontfingk den zoon in den ruimen boezem,Ga naar margenoot+ 352 binnen den stroom: en nu gingk hy zich verwonderen over zijn 353 moeders hof, en het vochtige Rijck, en de meeren, van spelonckenGa naar voetnoot353 354 besloten, en de ruischende wouden; en om den geweldigen stroomGa naar voetnoot354 355 der wateren verbaest, bezagh 'er alle de vlieten, die onder denGa naar voetnoot355-356 356 grooten aerdtkloot, op verscheide plaetsen, verborgen leggen; 357 Fasis, en Lykus, en de bron, waer uit de diepe Enipeus eerstGa naar voetnoot357 358 komt springen; waer uit vader Tyberijn opborrelt, en Anio, enGa naar voetnoot358 359 Hypanis, die van kaien klatert, en de Mysische Kaikus, en d'Eri-Ga naar voetnoot359 360 daen, met een paer vergulde stiershorens op het hooft, bovenGa naar voetnoot360 361 wien geen stroom geweldiger, over het weelige gewas, in deGa naar voetnoot361 362 purperen zee nederbruist.

363 Na dat hy in d'overwelfde puimsteene kamer quam, en Cyrene 364 d'oirzaeck van haer zoons droefheit verstont, die licht te troosten 365 was; zoo gaven de Gezusters hem geschicktelijck het hantwater,Ga naar voetnoot365 366 en den ruigen hantdoeck: zommigen deckten de tafel met bancket,Ga naar voetnoot366 367 zetten 'er volle bekers op, en beroocken d'altaren met Arabisch 368 wieroock, en de moeder zeit: neem dien kop met MeonischenGa naar voetnoot368 369 wijn; laet ons den Oceaen toedrincken; en met een aenbadtzeGa naar voetnoot369 370 den Oceaen, aller dingen vader, de Nymfen, haer zusters, Voogh-Ga naar voetnoot370 371 dessen over hondert bosschaedjen, over hondert vlieten. Driemael 372 begootze de brandende Vesta met klaren nektar: driemael vlooghGa naar voetnoot372 373 de heldere vlam boven in het dack; een voorteken, waer medeGa naar voetnoot373 374 zy hem moedighde, en toen aldus aenhief:Ga naar voetnoot374

[pagina 337]
[p. 337]
 
En wellekomt den zoon by deze waterbende,Ga naar voetnoot478
 
In dezen ruimen schoot, daer hy verwondert ziet
480[regelnummer]
Zijn moedershof, en 't rijck van haeren watervliet,Ga naar voetnoot480
 
De meeren, dicht omringt van holen, en het ruisschen
 
Der bosschen, zich verbaest om 't klateren en bruisschenGa naar voetnoot482
 
Van dezen grooten stroom der wateren, met een
 
De vlieten ziet, die om den grooten aerdtkloot heen
485[regelnummer]
Op veele plaetsen diep en weghgescholen doocken;Ga naar voetnoot484-485
 
Eerst Fasis, Lykus mê, de bron, die doorgebrokenGa naar voetnoot486
 
Uit d'ader van den vliet Enipeus eerst ontspringt,
 
Daer vader Tyberijn door 't zant naar boven dringt,Ga naar voetnoot488
 
En Anio, met een stroom Hypanis, gezwollenGa naar voetnoot489
490[regelnummer]
Van water, dat de rots en kaien voort komt rollen:
 
Kaïkus mê, bekent by elcken Mysiaen,Ga naar voetnoot491
 
En die vergulde en trots gehorende Eridaen,
 
Die, stercker dan een stroom en waterval van sluizen,Ga naar voetnoot493
 
Door 't weelige gewas, in 't roode meer komt bruizen.Ga naar voetnoot494
495[regelnummer]
Na dat hy in 't gewelf van lichten puimsteen quam,
 
Cyrene d'oirzaeck van haar zoons verdriet vernam,
 
Die licht te troosten was, zoo wert 't hantwater, mede
 
De ruige hantdoeck hem gebroght, naer heure zede,Ga naar voetnoot498
 
Van zijne zusteren. een deel deckt met bancketGa naar voetnoot499
500[regelnummer]
En leckerny den disch: een ander vaerdigh zet
 
Den vollen beker op de tafel: andren smoocken,
 
Bewieroocken 't altaer met Arabijnsche roocken.Ga naar voetnoot502
 
De moeder zeght: aenvaert dien gouden kop, vol wijn,
 
Geperst uit druiven van Meonie om bly te zijn.Ga naar voetnoot504
505[regelnummer]
Laet ons den Oceaen toedrincken al te gader.
 
z'Aenbadt den Oceaen, der dingen bron en vader,
 
Haer zusters, nymf by nymf, vooghdessen over al
 
Het lant, en bosch, en stroom, elck hondert in getal.Ga naar voetnoot508
 
De haert ontfangt den dranck tot drymael, als een' zegen.
510[regelnummer]
De vlam quam drywerf klaer in 't dack om hoogh gestegen;
 
Een helder voorspoock, om zijn' moedt te houden staen.Ga naar voetnoot511
[pagina 338]
[p. 338]

375 In de Karpatische zee onthoudt zich de blaeuwe Proteus, eenGa naar voetnoot375 376 waerzegger, die met zijn zeepaerden voor den wagen gespannen,Ga naar voetnoot376 377 over de groote vlackte henevaert. Dees bezoeckt nu de havens 378 van Emathie, en Pallene, zijn vaderlijcke stadt. De Nymfen enGa naar voetnoot378 379 zelf de stockoude Nereus eeren hem: want die waerzegger weetGa naar voetnoot379 380 al wat 'er is, wat was, en namaels gebeuren zal; dit beliefde Nep-Ga naar voetnoot380 381 tuin zoo, wiens onbeschoft watervee en wanschape zeekalversGa naar voetnoot381 382 hy onder zee te weide drijft. Ghy moet dezen, o mijn zoon, eerstGa naar margenoot+Ga naar voetnoot382 383 met stricken zien te vangen, op dat hy u al d'oirzaeck der byën-Ga naar voetnoot383 384 zieckte ontvouwe, en hier tegens raet geve: want ongedwongen 385 zal hy u niet leeren, nochte ghy kunt met bidden iet verwerven.Ga naar voetnoot385 386 Vang en verstrick hem met gewelt; zoo zult ghy endelijck hem 387 zijn ydel bedrogh verleeren. Ick zelf wil u, wanneer de zon op deGa naar voetnoot387 388 middagh steecke, het gras dorst lijde, en de schaduwe het vee 389 allermeest verquicke, in de geheimkamer des ouden gryzertsGa naar voetnoot389 390 leiden, daer hy vermoeit van het water, zich versteecke en neder-Ga naar voetnoot390 391 legge, op dat ghy hem al slapende met gemack daer betrappenGa naar voetnoot391 392 mooght. Maer wanneer ghy hem vast en in uwe stricken hebt, 393 dan zal hy u in verscheide gedaenten en schijn van dieren be-Ga naar voetnoot393 394 guighelen; zich gezwint in een schrickelijck zwijn, gevlacktenGa naar voetnoot394 395 tiger, geschubden draeck, en rosse leeuwin veranderen; of zooGa naar voetnoot395 396 luide kraecken als een vlam, en zoo uwe stricken ontglippen; of 397 in dun water gesmolten, u door de vingers druppen. Maer mijnGa naar voetnoot397 398 kint, hoe hy zich meer in allerhande gedaenten herscheppe, zoo 399 veel te stijver hou hem vast in uwe stricken, tot dat zijn lichaem 400 die zelve gedaente aentrecke, waer in ghy hem eerst zaeght inGa naar voetnoot400

[pagina 339]
[p. 339]
 
Toen hief Cyrene op 't leste aldus heel minzaem aen:
 
De blaeuwe Protheus, in 't waerzeggen wel ervaeren,
 
Houdt in 't Karpatisch meer zich in de woeste baren,Ga naar voetnoot514
515[regelnummer]
Die, met zijn zeepaert voor den wagen in 't gareel,
 
De groote zee bevaert, en nu bezoeckt hy 't deelGa naar voetnoot516
 
Van 't oude Emathie, en zijn vaders stadt, en paelen.Ga naar voetnoot517
 
Stockoude Nereus, en de nymfen hem onthaelen,Ga naar voetnoot518
 
Die weet en spelt wat is, wat was, en worden zal.
520[regelnummer]
't Geviel den Zeevooght dus, wiens zeekudde overalGa naar voetnoot520
 
In zee te weiden gaet, oock 't zeekalf, dat wanschapen,
 
Geweit van Proteus staf, vertraeght door 't eeuwigh slaepen.Ga naar voetnoot522
 
Gy moet, mijn zoon, hem eerst verstricken met een touw,
 
Dat hy de bieplaegh en haere oirzaeck u ontvouw',
525[regelnummer]
En raet hier tegens geef: want hy zal u niet leeren
 
Ten zy door dwang, noch gy verwerft iet door begeeren
 
En bidden. vang verstrick hem listigh met gewelt.
 
Verleer hem dus 't bedrogh, waerop hy is gestelt.
 
Ick wil u zelf, wanneer de zon des middagh steecke,Ga naar voetnoot529
530[regelnummer]
Het gras van dorst versmacht', de schaduwe, in die streecke,Ga naar voetnoot530
 
Het vee geheel verquick', geleiden binnen 'slotsGa naar voetnoot531
 
In dees geheimniszael des grijzen watergodts,
 
Daer hy, vermoeit van 't schuim, zich neêrlegge, en verschuile,
 
Dat gy den slaependen gemacklijck in dien kuile
535[regelnummer]
Met list betrappen mooght. maer als gy hem nu vast
 
In uwen strick beknelt, dan zal die looze gast
 
U in verscheiden vorm en schijn van veele dieren
 
Beguichlen, zich gezwint in 't everzwijn, dat vierenGa naar voetnoot538
 
Uit oogh en tanden schiet, in 't schubbigh draeckevel,Ga naar voetnoot539
540[regelnummer]
Gevlackten tyger, en leeuwinne, ros en fel,
 
Verandren, of zoo luid gelijck een fackel kraecken,
 
En zoo uit uwen strick ontglippen, en geraecken,
 
Of, smiltende in een bron, u druppen door de hant.Ga naar voetnoot543
 
Maer, nu mijn zoon, hoe hy zich meer en meer vermant
545[regelnummer]
In veele vormen en gedaenten te verzetten,Ga naar voetnoot544-545
 
Zoo veel te stijver hou hem vast in uwe netten,
 
Tot dat zijn lichaem die gedaente en 't wezen draeght,
 
Waerinne gy hem eerst in slaep gevallen zaeght.
[pagina 340]
[p. 340]

401 slaep vallen. Zoo sprackze, en goot eenen helderen geur vanGa naar voetnoot401 402 Ambrosie uit, waer mede zy al haer zoons lichaem overstreeck,Ga naar voetnoot402 403 wiens locken hier door een zoete lucht van zich gaeven, en wiens 404 leden een levendige kracht gevoelden.Ga naar voetnoot404

405 Ter zijde in eenen uitgekabbelden bergh staet een geweldigeGa naar voetnoot405 406 spelonck, daer de wint doorgaens buldert, en de zee eenenGa naar voetnoot406 407 krommen boezem maeckt; daer de zeeman eertijts voor onweder,Ga naar voetnoot407 408 dat haestigh opquam, veiligh moght leggen. Proteus weet zich in 409 dit hol met een vreesselijcke steenrots op te sluiten. De Vliet-Ga naar voetnoot409 410 godin verborgh haren zoon by dezen donkeren schuilhoeck, en 411 verdween zelf al stil in eenen nevel.

412 De hitte der Hontsdagen, die de lucht nu ontstack, briet denGa naar margenoot+Ga naar voetnoot412 413 dorstigen Indiaen, en de zon, nu ten middewege aen den hemel,Ga naar voetnoot413 414 stack op het hooft, dat de kruiden verdorden, en koockte metGa naar voetnoot414 415 haer stralen de kil der holle vlieten, datze tot op het warmeGa naar voetnoot415 416 slijm toe verzoden; wanneer Proteus, volgens zijn gewoonte, uitGa naar voetnoot416 417 het water naer zijn hol toegingk; het natte gebroetsel der wildeGa naar voetnoot417 418 zee, rontom hem hene huppelende, zout zeewater overal spuite,Ga naar voetnoot418 419 en veelerhande zeerunders op het strant in slaep vielen. HyGa naar voetnoot419 420 gingk (gelijck wel eer een stalwachter op het geberghte, wanneerGa naar voetnoot420 421 hy de kalvers uit de weide naer huis drijft, en de lammers met 422 blaten de wolven tergen) midden op een steenklip zitten, enGa naar voetnoot422 423 overtelde zijn kudde. Aristeus deze gelegentheit voorkomende,Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot423 424 leedt naulix dat de grijze zijn vermoeide leden nedervlijde, vielGa naar voetnoot424 425 hem met luider kele op het lijf daer hy lagh, en knevelde denGa naar voetnoot425 426 Zeegodt zijn handen. D'ander daerentegen, die zijn kunst nietGa naar voetnoot426

[pagina 341]
[p. 341]
 
Zoo sprackze, en goot een' geur ambrosy daer beneden,Ga naar voetnoot549
550[regelnummer]
Waermê zy haeren zoon bestreeck zijn lijf, en leden.
 
De haerlock gaf terstont een lucht, en zoeten geur,
 
En 't lichaem voelde een ziel en kracht de leden deur.Ga naar voetnoot552
 
Ter zyde in eenen bergh, gekabbelt van de vloeden,
 
Gaept een geweldigh hol, daer wint en stormen woeden,
555[regelnummer]
En eeuwigh bulderen, de zee in eene boght
 
Zich kromt, waerin by storm de zeeman dickwijl moght
 
Verzekert schuilen, als hem 't onweêr quam bestoocken.Ga naar voetnoot557
 
De Zeegodt Proteus weet, in dees spelonck gedoken,
 
Zich op te sluiten in een yslijck rotsgevaert.
560[regelnummer]
De Vlietgodin verstack den zoon, heur lief en waert,
 
In dezen donckren hoeck en duisternis gedolven.Ga naar voetnoot560-561
 
Zy zelf verdween in mist, die neêrviel op de golven.
 
De gloet der Hontstarre, en haer vier, dat al de luchtGa naar voetnoot563
 
Ontstack, briet Indus kust, en haer versmachte vrucht;Ga naar voetnoot564
565[regelnummer]
De zon, ten midwegh aen den hemel opgestegen,
 
Stack den Moorjaen op 't hooft, dat kruit en gras verlegenGa naar voetnoot566
 
Aen 't quijnen sloegen, en de vlietkil, hol en bloot,Ga naar voetnoot567
 
Van haere straelen koockte, en tot op 't slijm verzoodt;
 
Als Proteus naer zijn hol, ter zee uit, aen quam streven,
570[regelnummer]
Gelijck hy is gewoon. de zeegedroghten levenGa naar voetnoot570
 
En hupplen om hem heene, en spuiten overal
 
Het zoute pekelschuim. een vreemt en groot getalGa naar voetnoot572
 
Zeerundren valt op strant in slaep, zoo voor als achter.Ga naar voetnoot573
 
Hy ging [als op 't geberght weleer een veestalwachter,
575[regelnummer]
Die zijne kalvers uit de weîde t'huiswaert jaeght,
 
Als 's avonts 't lam den wolf met blaeten terght, en plaeght,]
 
In 't midden op een rots aen zee, zich nederschicken,
 
En overzagh zijn kudde. om op zijn wit te mickenGa naar voetnoot578
 
Nam Aristeüs dees gelegenheit en tijtGa naar voetnoot579
580[regelnummer]
Oock waer. hy wacht nau dat de grijzaert nedervlijt
 
Zijne afgematte leên, en komt, van lust gedrongen,Ga naar voetnoot581
 
Den Zeegodt, daer hy leght, luids keels op 't lijf gesprongen,
 
En knevelt hant aen hant. de Godt hier tegens aen,Ga naar voetnoot583
 
Die zijne kunst noch kan, verkeert, om zich t'ontslaenGa naar voetnoot584
[pagina 342]
[p. 342]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

427 vergeten had, veranderde zich wonderlijck in allerleie gedaenten,Ga naar voetnoot427 428 in een vier, in een afgrijsselijck dier en vloeienden vliet; maer 429 ziende door geen bedrogh t'ontglippen, gaf het op, quam totGa naar voetnoot429 430 zich zelven, en sprack ten leste met een menschelijcke stemme: 431 o allerstoutste jongelingk, wie geboodt u naer ons huis te gaen? 432 Wat zoeckt ghy hier? Maer d'ander antwoorde: o Proteus, ghy 433 weet het wel: oock kan u niemant bedriegen: misley my slechtsGa naar voetnoot433 434 niet. Wy komen op der Goden bevel herwaert, om het orakel,Ga naar voetnoot434 435 in onze verlegenheit, raet te vragen. Aldus sprack hy: waer opGa naar voetnoot435 436 de Waerzegger ten leste zeer pijnelijck zijn gloeiende blickenGa naar voetnoot436 437 en zeegroen gezicht naer hem toe sloegh, en stijf op de tanden 438 knarssende, aldus den mont opende, om den vrager geluck teGa naar voetnoot438 439 zeggen: een Godtheit straft u in haere verbolgenheit: ghy be-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot439 440 dreeft een groot lasterstuck: d'ellendige Orfeus berockent u eenGa naar voetnoot440 441 zwaerder straf ('t en waere het nootlot dit schutte) als ghy ver-Ga naar voetnoot441 442 diende, en klaeght byster over het schaecken zijner gemalinne.Ga naar voetnoot442 443 Toen dat veege maeghdeken snel voor u door den vliet henevloot,Ga naar voetnoot443 444 zagh het die schrickelijcke waterslang niet op den oever, onder 445 het gras, voor haer voeten leggen. Maer de Boomgodinnen 446 huilden eenstemmigh, dat het over de hooge bergen heneklonck:Ga naar voetnoot446 447 de steenrotsen van Rhodope weenden, en het trotse PangeescheGa naar voetnoot447 448 geberghte, en Rhesus strijtbare landouwen, en Geten, en Hebrus,Ga naar voetnoot448 449 en d'Attische Orithye. Orfeus, zoeckende met zijn galmende vedelGa naar voetnoot449

[pagina 343]
[p. 343]
585[regelnummer]
Van dezen knevelaer, zijn wezen op veel wijzen,
 
In vier en water, en een dier, dat elck doet yzen.
 
Als Proteus hem niet ziet t'ontslippen, daer hy leght,Ga naar voetnoot587
 
Zoo geeft hy 't op, komt by zich zelven weêr, en zeght
 
Met menschelijcke stemme: ô stoutst' der jongelingen,
590[regelnummer]
Wie riedt u naer ons huis te gaen, en ons bespringen?
 
Wat zoeckt gy hier omtrent? hy antwoort met verdriet:
 
Gy, Proteus, weet het, en men magh een godtheit nietGa naar voetnoot592
 
Bedriegen: zoeckme oock niet door list in 't net te leiden.
 
Wy komen, op 't bevel der Goden, naer uw weiden
595[regelnummer]
Gedreven, om nu raet te vragen uwen mont,Ga naar voetnoot595
 
In ons verlegenheit. de Zeegodt sloegh terstont
 
De zeegroene oogen en zijn blicken, die vast brandden,Ga naar voetnoot597
 
Heel pijnelijck naer hem, en, bijtende op de tanden,
 
En 't knarssende gebit, ontsloot alzoo den mont,
600[regelnummer]
Om hem t'ontvouwen waer zijn zegen in bestont:Ga naar voetnoot600
 
Een Godtheit straft u dus in haer verbolgentheden.
 
Gy rechte een schelmstuck aen, en Orfeus, nu getredenGa naar voetnoot602
 
Van veele jammeren, berockent met zijn klaght
 
Een zwaerder straf [ten waer het nootlot en zijn kracht
605[regelnummer]
Dit schutte,] dan gy hebt verdient door eerloos blaecken.Ga naar voetnoot603-605Ga naar voetnoot605
 
Hy klaeght u zwaerlijck aen, die zijne bruit woudt schaecken.Ga naar voetnoot606
 
Toen 't veege maeghdelijn door 't water u ontvloodt
 
Vernam 't geen waterslang, die schrickelijck en grootGa naar voetnoot608
 
Den oever, in het gras, besloegh voor haere zoolen.Ga naar voetnoot609
610[regelnummer]
De Boomgodinnen voort aen 't huilen, dat de holenGa naar voetnoot610
 
En hooge bergen hier van galmden algelijck,Ga naar voetnoot611
 
Het klippigh Rodope, en 't Pangeesch berghachtigh rijck,Ga naar voetnoot612
 
En Resus strijtbaere landouw en velden kreeten,
 
Oock 't Attische Orithye, en Hebrus, en de Geten.Ga naar voetnoot614
615[regelnummer]
De droevige Orfeus, die met vedelgalm den rouw
[pagina 344]
[p. 344]

450 zijn bedruckte liefde te sussen, zong, o lieve beddegenoot, 's mor-Ga naar voetnoot450 451 gens en 's avonts, by zich zelven van u, op den eenzamen oever.Ga naar voetnoot451 452 Oock gingk hy naer den mont des afgronts, en de poort der helle,Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot452 453 en het nare en duistere bosch, en de geesten, en den vervaer-Ga naar voetnoot453 454 lijcken Koningk toe, daer niemants hart door menschengebedenGa naar voetnoot454 455 vermurwt wort: doch de dunne schimmen en zon-ontbeerendeGa naar voetnoot455 456 zielen, door dat gezangk bewogen, verhuisden uit d'ondersteGa naar voetnoot456 457 huizingen, by zoo menigh duizent als 'er vogels in de bosschenGa naar margenoot+Ga naar voetnoot457 458 schuilen, wanneer d'avont of een slaghregen van 't geberghte 459 valt; levenlooze lichamen van grootmoedige helden, mannen enGa naar voetnoot459 460 vrouwen, vryers en ongehuwde vrijsters, en jongelingen, voorGa naar voetnoot460 461 hunner ouderen oogen, op het lijckvier geleit; en die hier van 462 het zwarte slib en vuile riet des jammerpoels omringt, en van 'tGa naar voetnoot462 463 onbevaerbaere meir met zijn drabbigh water, en den Hellevliet,Ga naar voetnoot463 464 daer negenwerf omgeleit, gekeert en geschut werden: ja zelfs deGa naar voetnoot464 465 huizingen, en de bodem des vergetelstrooms, en de Razernyen,Ga naar voetnoot465 466 die heur hair met blaeuwe adderen opsnoeren, stonden stom: deGa naar voetnoot466 467 Helhont stont en gaepte met drie muilen, zonder eens te bassen,Ga naar voetnoot467 468 en het gezangk hielt Ixions radt stil. Orfeus te rugh gekeert, wasGa naar voetnoot468 469 nu alle gevaer te boven, en quam weder boven in de lucht met 470 zijn Eurydice, die hem op voorwaerde van Proserpijn toegestaen,Ga naar voetnoot470 471 van achter volghde; wanneer de reuckelooze minnaer haestigh eenGa naar voetnoot471 472 dolheit (trouwen verschoonens waert, wisten de helsche GodenGa naar voetnoot472 473 van verschoonen) overquam, dies hy stil bleef staen, en alree hetGa naar voetnoot473

[pagina 345]
[p. 345]
 
Van zijn bedruckte minne en liefde sussen wou,
 
Zong 's morgens, 's avonts spade, ô bedgenoote, al droever
 
En droever, eenzaem by zich zelven op den oever.
 
Oock ging hy naer den mont des afgronts, en de poort
620[regelnummer]
Der helle, en 't nare bosch, den schaduwdichten oortGa naar voetnoot620
 
Der geesten, en den vorst der gruwzaemheden spreecken,Ga naar voetnoot621
 
Daer niemants hart vermurwt door bidden noch door smeken.Ga naar voetnoot622
 
De dunne schimmen, en de zielen, van het licht
 
Versteecken, noch beweeght door zijn gezang en dicht,Ga naar voetnoot624
625[regelnummer]
Verhuisden uit de diepte, en onderste gewesten,
 
By duizenden, zoo sterck als vogels in hun nestenGa naar voetnoot626
 
En bosschen schuilen, als het spade en avont wort,
 
Of een slaghregen van 't geberghte nederstort;
 
De levenlooze vorm van trotse en dappre helden,Ga naar voetnoot629
630[regelnummer]
En mans, en vrouwen, en van vryers, die zich quelden
 
In 't minnen, en met een van vrysters, niet getrouwt,
 
Van jongelingen, in der oudren oogh op hout
 
En lijckvier uitgestreckt; en die men hier zagh keerenGa naar voetnoot632-633
 
Van zwarte slib, en riet, dat om de jammermeeren,
635[regelnummer]
En 't onbevaerbre veer, en drabbigh water groeit,Ga naar voetnoot635
 
Daer negenwerf de vliet en stroom der helle om vloeit:
 
Oock zelf de huizinge, en de bodem, laegh gezoncken,Ga naar voetnoot637
 
Van 's nachts vergeetvliet, en de Razerny, aen 't pronckenGa naar voetnoot638
 
Met heure hairvlecht, met blaeuwe addren opgesnoert,
640[regelnummer]
Staen stom. de helhont gaept, en staet 'er onberoertGa naar voetnoot640
 
Met zijn dry muilen, die noch morren, nochte bassen.
 
Ixions radt houdt stil, en draeit nu om geene assen,
 
Maer rust op dit gezangk. de speelman, dus te rugh
 
Gekeert, was al 't gevaer ontslopen, snel en vlugh,
645[regelnummer]
Met zijne Euridice in ons lucht om hoogh gesteegen,Ga naar voetnoot645
 
Die hy van Proserpijn had met beding herkregen.
 
Zy volghde op zijnen tredt, wanneer de minnaer ras
 
Van eene dolheit, die verschoonens waerdigh was,Ga naar voetnoot648
 
[Indien oit d'afgront iet verschoonde op iemants bede,]
[pagina 346]
[p. 346]

474 licht genaeckende, zagh, helaes! zonder eens om te dencken, vanGa naar voetnoot474 475 liefde verwonnen, naer zijn Eurydice om: toen liep al zijn moeiteGa naar voetnoot475 476 verloren, het verdragh des ongenadigen Konings lagh in stucken,Ga naar voetnoot476 477 en men hoorde driemael een naer geschrey uit den Poel vanGa naar voetnoot477 478 Avernus. Zy riep: o Orfeus, wie heeft my ellendige en u bedorven?Ga naar voetnoot478 479 Wat dolheit gingk u over? Zie, het wreede nootlot ruckt my wederGa naar voetnoot479 480 te rugh, en de slaep luickt mijn beschotene oogen: nu vaer wel:Ga naar voetnoot480 481 Ick met eenen geweldigen nacht omcingelt, wort weghgevoert,Ga naar voetnoot481 482 en helaes! niet langer uw eige, steeck mijn maghtelooze handen 483 naer u toe. Dit sprackze, en verdween haestigh uit zijne oogen, 484 gelijck een roock in de dunne lucht, en zagh hem sedert noit 484 meer, die vergeefs naer heur schaduwe greep, en noch veel teGa naar voetnoot484 485 zeggen had: nochte de helsche veerman leedt oit, dat hy het droeveGa naar voetnoot485 486 moerasch weder overvoer. Wat zou hy doen? waer hene zich 487 begeven, nu zijn ega tweemael geschaeckt was? Met welcke 488 tranen zou hy de Geesten, met wat een gekerm de Goden ver-Ga naar voetnoot488 489 morwen? Zy voer nu koudt met den Stygischen boot hene: men 490 zeit, dat hy geheele zeven maenden langk, onder een rots, in deGa naar voetnoot490 491 lucht, by den vliet Strymon, zat en schreide, en in een kille spelonckGa naar voetnoot491 492 dit besteende, zoo dat zijn jammerklaght tigers beroerde, eickenGa naar voetnoot492 493 beweeghde: Hoedanigh de treurige Filomele in populiere lom-Ga naar margenoot+Ga naar voetnoot493 494 mer kermt om het verlies van haer jongen, by een' ruwen huis-Ga naar voetnoot494 495 man beloert, en noch kael uit het nest gelicht; dies de moeder, 496 bedruckt op eenen tack gezeten, by nacht weent, haer deerlijck 497 klaeghliet herhaelt, en over al dat gewest haer bedruckt gekerm

[pagina 347]
[p. 347]
650[regelnummer]
Bevangen wiert, dies hy wat stant hiel daer ter stede,
 
En, ree genaeckende de grens van 't licht, zagh om
 
Naer zijne Eurydice, van min, helaes, te domGa naar voetnoot652
 
Verwonnen, zonder eens te dencken om 't bedongen.Ga naar voetnoot653
 
Toen sprong zijn arrebeit te rugh met wijde sprongen:Ga naar voetnoot654
655[regelnummer]
Het bondige verdragh met 's konings wreeden stoelGa naar voetnoot655
 
Lagh daetelijck in twee. men hoorde hoe de poelGa naar voetnoot656
 
Der jammeren drymael van onder yslijck schreide.
 
Zy riep: och Orfeus, och, wie heeft ons alle beideGa naar voetnoot658
 
Zoo deerelijck vernielt? wat dolheit quam u aen?Ga naar voetnoot659
660[regelnummer]
Het felle nootlot ruckt my, zonder tegenstaen,Ga naar voetnoot660
 
Nu wederom te rugh. vaer wel: nu moet ick duicken.
 
De traege slaep komt mijn beschotene oogen luicken.
 
Ick, met een' dicken nacht benevelt, wort vervoert,
 
Ben langer niet uw eige, en steeck, van smert beroert,
665[regelnummer]
Vergeefs u d'armen toe, die zwack nu niet vermogen.Ga naar voetnoot665
 
Dit sprack zy, en verdween terstont uit Orfeus oogen,
 
Gelijck een dunne roock in lucht verdwijnt heel veer,Ga naar voetnoot667
 
En sedert zaghze hem, een groote smert, noit meer,Ga naar voetnoot668
 
Die naer heur schaduwe vergeefs greep vol medoogen,
670[regelnummer]
En veel te zeggen had: noch Charon wert bewogen
 
Dat Orfeus 't jammerveer bevaeren moght hierna.
 
Wat zou hy doen? waerheen zich geven, nu zijn ga
 
Hem tweemael was ontschaeckt? met welcke jammerklaghten
 
En traenen zou hy Goôn en geestendom verzachten?Ga naar voetnoot674
675[regelnummer]
Nu voerze heen: de boot der helle ging haer' gangk.
 
Men zeght dat hy hier na, wel zeven maenden langk,
 
Gezeten in de lucht, en onder holle klippen,
 
En in speloncken dit beschreide, en aen de lippenGa naar voetnoot678
 
Van Strymon om haer steende, en trof met zijne smert
680[regelnummer]
Den harden eickenboom en tyger in het hart:
 
Hoedaenigh Filomeel, in populiere lommer,
 
Om 't missen van haer nest en jongen, treurt van kommer;
 
Dewijl een lantman fel 't gebroet bespiede om leegh,Ga naar voetnoot683
 
En lichte 't kaele nest, eer 't pluim en pennen kreegh;Ga naar voetnoot684
685[regelnummer]
Waerom de moeder droef, op eenen tack gezeten,
 
Geheele nachten weent, den rouw weet uit te meetenGa naar voetnoot686
 
Met haere jammerklaghte, en geeft aen al 't gewest
[pagina 348]
[p. 348]

498 laet hooren. Geene minne, geen huwelijck kunnen zijnen rouwGa naar voetnoot498 499 verzetten. Eenzaem gaet hy zwerven over het Noortsche ys, denGa naar voetnoot499 500 besneeuwden Tanais, en de Rifeesche ackers, die nimmer vry vanGa naar voetnoot500 501 rijp zijn; en klaeght om het schaecken van Eurydice, PlutoosGa naar voetnoot501 502 vruchtelooze gifte. De Cikonische vrouwen, van hem afgeslagen,Ga naar voetnoot502 503 slingerden, onder het offeren aen de Goden, en het wijnfeest 504 des Wijngodts, den verscheurden jongelingk wijdt en breet overGa naar voetnoot504 505 den acker hene: zijn marmeren hooft van den hals afgeruckt,Ga naar voetnoot505 506 dreef toen, midden in den Eagrischen Hebrus, voor stroom hene:Ga naar voetnoot506 507 zijn stem en koude tong riepen al stervende: och, ellendige Eu-Ga naar voetnoot507 508 rydice: al d'oevers van den stroom galmden, Eurydice.

509 Dit sprack Proteus, en sprongk van boven neder in zee, en 510 plompte in het water, dat de wieling boven zijn hooft schuimde:Ga naar voetnoot510 511 doch Cyrene hielt stant; want zy sprack eerst den saechachtigenGa naar voetnoot511 512 aen: o mijn zoon, laet varen uw droevigh hartewee: Dit is d'eenigeGa naar voetnoot512 513 oorzaeck uwer quellaedje; hierom zonden de Nymfen, waer mede 514 zy in de hooge wouden plagh ten reie te gaen, uwe byen dieGa naar voetnoot514 515 jammerlijcke plaegh over den hals. Bie haer ootmoedigh uweGa naar margenoot+Ga naar voetnoot515 516 gaven: smeeck om genade, en eer de verzoenbaere Boschgodin-Ga naar voetnoot516 517 nen; want om uwe kerckbeloften zullenze u dit quijtschelden,Ga naar voetnoot517 518 en haer gramschap varen laten. Maer ick zal u eerst geschickte-Ga naar voetnoot518 519 lijck uw gebedt leeren instellen. Kies vier van uw grootste en 520 beste stieren uit, die nu op den bergh Lyceus weiden, en zooGa naar voetnoot520 521 veel jonge koeien, die noit juck droegen. Bouw voor hun vier 522 altaren, by de hooge kercken der Godinnen: laet den gewijdenGa naar voetnoot522 523 strot uitbloeden, en het doode vee in een boomrijck woudt leg-Ga naar voetnoot523 524 gen. Wanneer het negenmael uit den oosten daeghde, zult ghyGa naar voetnoot524

[pagina 349]
[p. 349]
 
Te kennen haeren druck, om 't uitgeplondert nest.
 
Geen min, geen huwelijck kan zijne droefheit paeien.Ga naar voetnoot689
690[regelnummer]
Nu zwerft hy eenzaem, daer de Noordewinden waeien
 
Op 't ys, langs Tanaïs, en langs 't Rifeesche velt,
 
Noit vry van rijp en sneeuw; beklaegende 't gewelt
 
En 't schaecken van zijn lief, hem vruchteloos geschonckenGa naar voetnoot692-693
 
Van Pluto. 't vrouwvolck van Cikonië, heel dronckenGa naar voetnoot694
695[regelnummer]
Versteecken van zijn min, verscheuren, dol van geest,Ga naar voetnoot695
 
En slingren by den dienst der Goôn, en 's wijngodts feest,
 
Den jongling over velt, en acker, gansch in stucken.
 
Het marmerhooft, dat zij van zijnen hals afrucken,
 
Drijft, midden in de kil van Hebrus, heen voor stroom.
700[regelnummer]
Zijn stem, en koude tong roept stervende, en vol schroom:Ga naar voetnoot700
 
Eurydice, och mijn troost. alle oevers wederbaeuwen:Ga naar voetnoot701
 
Eurydice, och mijn troost, en galm op galm verflaeuwen.Ga naar voetnoot702
 
Aldus sprack Proteus, sprong in zee van boven neêr,
 
En plompte in 't water, dat de wieling keer op keer
705[regelnummer]
Hem schuimde boven 't hooft: doch 't moeders hart, CyreneGa naar voetnoot705
 
Hiel stant, en sprack hem aen, die nu vertsaeght alleeneGa naar voetnoot706
 
Aen strant stont: ô mijn zoon, laet vaeren uw verdriet.
 
Dit 's d'oirzaeck van uw leedt. de boschrey by den vliet,Ga naar voetnoot708
 
Waermê zy ging ten reie in hemelhooge wouden,Ga naar voetnoot709
710[regelnummer]
Heeft met dees byenplaegh uw snoot bedrijf vergouden.Ga naar voetnoot710
 
Welaen nu, bid en smeeck die Godtheên om gena:
 
Verzoen de boschgodin, en eerze, al leedt gy scha:
 
Want om uw kerckbelofte en offer op d'altaeren
 
Zal 't Godendom verzoent zijn gramschap laeten vaeren.
715[regelnummer]
Ick zal u eerst geschickt afrechten op gebeên.Ga naar voetnoot715
 
Verkies vier stieren van de grootste en beste alleen,
 
Die op Liceüs kruin nu weiden met genoegen,
 
En zoo veel jonge koên, die noit het ploeghjuck droegen.
 
Bouw vier altaeren, daer de hooge kerken staen,
720[regelnummer]
Voor Boschgodinnen. laet de heilge strot na'et slaenGa naar voetnoot720
 
Eerst uitbloên, en het vee, dat doot is, en geslagen,
 
In 't boomrijck tempelwoudt, en zijne schaduw draegen.
 
Na dat het negenwerf in 't heldere oosten daeght
[pagina 350]
[p. 350]
Ga naar tekstkritische notentekstkritische noten

525 Orfeus een lijckoffer van vergetenisbarende mankop opdragen,Ga naar voetnoot525 526 een zwart schaep slaghten, het woudt bezoecken, en de verzoendeGa naar voetnoot526 527 Eurydice met een gekeelde vaerze eerenGa naar voetnoot527.

528 Hy toeft niet, verricht terstont zijn moeders bevel, komt by de 529 kercken, stelt d'altaren op haer gebodt toe, en brengt 'er vierGa naar voetnoot529 530 van de grootste en beste stieren, en zoo veel jonge koeien, die 531 noit juck droegen. Na dat het negenmael uit den oosten daeght, 532 draeght hy Orfeus een lijckoffer op, en bezoeckt het woudt. HierGa naar voetnoot532 533 zienze haest een wonderlijck stuck, byen brommen in het ge-Ga naar voetnoot533 534 spreide ingewant der runderen, bersten ten buick en ribben uit,Ga naar voetnoot534 535 met eenen drang en dicken zwarm, die om hoogh aen eenenGa naar voetnoot535 536 boom dicht by een blijft hangen, gelijck een tors druiven aenGa naar margenoot+Ga naar voetnoot536 537 een taeie ranck.Ga naar voetnoot537

538 Dit zong ick van den ackerbouw, geboomte en vee, terwijl deGa naar margenoot+ 539 groote Cesar, gelijck een blixem, om hoogh aen den EufraetGa naar voetnoot539 540 oorlooghde, zeeghaftigh de gehoorzame volcken wetten voor-Ga naar voetnoot540 541 schreef, en zich een heirbaen naer den hemel baende. Ten dienGa naar voetnoot541 542 tijde voede het aengename Parthenope my Virgilius, die inGa naar voetnoot542 543 d'oefeninge van een onvermaerde ledigheit groeide; mijn Her- 544 dersvaerzen speelde, en moedigh op mijn jeught, o Tityr, van uGa naar voetnoot544 545 onder den breeden beuckeboom zong.

Einde der Lantgedichten.

[pagina 351]
[p. 351]
 
Dan offer Orfeus ziel het geene haer behaeght,
725[regelnummer]
Lijckofferen van heul, en mankop, zaet, en blaêren,Ga naar voetnoot725
 
Die door hun krachten fiux vergetenissen baeren:
 
Oock slaght het zwarte schaep: bezoeck het woudt hier toe,Ga naar voetnoot727
 
En eer Eurydice met een gekeelde koe.
 
Hy toeft niet langer, maer gehoorzaemt moeders raeden,Ga naar voetnoot729
730[regelnummer]
Genaeckt de kercken, stelt altaeren onder bladen
 
En loof toe, naer den eisch van 't moederlijck gebodt,
 
Brengt twee paer stieren, 't puick ten offer uitgelot,Ga naar voetnoot732
 
Ten outer, en een drift van twee paer jonge koeien,Ga naar voetnoot733
 
Noch met geen juck belast. na dat de zonnen groeienGa naar voetnoot734
735[regelnummer]
Wel zevenmael in 't oost, zoo droegh hy Orfeus voort
 
Lijckoffer op, bezocht het kerckwoudt aen dien oort.Ga naar voetnoot736
 
Hier zienze flux, een zaeck te zeldtsaem om gelooven,Ga naar voetnoot737
 
De byen brommen in 't gespreit gedarmte, boven
 
De runders heengespreit. zij bersten teffens warmGa naar voetnoot739
740[regelnummer]
Ten buick en ribben uit, met eenen dicken zwarm,
 
Die, hoogh aen eenen boom geslingert en gewonden,
 
Gelijck een druiventors hangt aen een ranck gebonden.
 
Dit zong ick van den bouw des ackers, plant, en vee,
 
En van het honighwerck, een ieder op zijn stê;Ga naar voetnoot744
745[regelnummer]
Terwijl de groote vorst, helt CESAR, opgetogen,Ga naar voetnoot745
 
Gelijck een blixem, aen d'Eufraet zijne oorelogen
 
Zeeghaftigh uitvoert, en het volck, hem onderdaen,Ga naar voetnoot747
 
Zijn wetten voorschrijft, zich ten hemel eene baen
 
Naer 't hof der starren baent. omtrent die tijden voestertGa naar voetnoot749
750[regelnummer]
De Parthenoopsche lucht, die brave geesten koestert,Ga naar voetnoot750
 
My, die Virgilius genoemt, in d'oefening
 
Van onvermaerde ruste en lantbespiegeling,Ga naar voetnoot752
 
Vast groeide en bloeide, stil mijn hardersvaerzen speelde,
 
En moedigh op mijn jeught, en jeughdelijcke weelde,
755[regelnummer]
O Tityr, op een' halm, van u, dus onbelaên,Ga naar voetnoot755
 
In beuckeschaduw zong, bedeckt van loof en blaên.

Het einde der Lantgedichten.

voetnootr. 1
Biehof: bijenstal; en zijn toestel: en hoe die moet worden ingericht; stof: materiaal; gestalte: vorm.
voetnoot2
het hovenieren: het tuinieren (als hogere vorm van landbouwkunde); gaeuwigheit: schranderheid.
voetnoot3
gemeen beste: staat, staatsinrichting; aenwas: aangroei, voortplanting.
voetnoot4
voorzichtigheid: gave om in de toekomst te zien (het weer vooruit te kunnen aanvoelen); oude: leeftijd; eerbiedigheit neffens: eerbied, eerbetoon jegens.
voetnoot5
spitsvondigheit (nog zonder ongunstige gevoelswaarde): slimheid; eenerhande voncken van reden: zekere sprankjes van redelik verstand.
voetnoot6
Het honighwerck: het winnen van de honig.
voetnoot7
Herteelinge der gestorve byen: de kunst om nieuwe bijen aan te kweken, als de oude gestorven zijn; vont: ontdekking.
voetnoot11
't Recht van vorst en volck: de wetten, waaronder vorst en onderdanen leven; de op recht gegronde regeringsvorm; reden: rede, menselik verstand.
margenoot+
[Randschrift:] Overgangk van het Vee tot Byen en honigh, het leste stuck, waer toe hy Mecenas en der Goden gunst verzoeckt.
voetnoot14
voort achter een: in eens doorgaande; den hemelschen honigh.... die ons met den dauw toevloeit: Naar de voorstelling der Ouden sloeg de honing, gelijk de dauw, uit de lucht neer.
voetnoot17-18
manieren en oefeningen (mores et studia): zeden (gewoonten) en bezigheden (bedrijf).
voetnoot18
vervolgens: achtereenvolgens.
voetnoot19
Ick neem wel een gering werck voor: Het onderwerp van mijn studie is wel van weinig belang, nietig (labor in tenui); Vergilius' bedoeling is: de bijen, waarover ik ga schrijven, zijn wel nietige dieren, maar...).
margenoot+
[Randschrift:] Van den Biehof.
voetnoot22
een verblijf en legerplaats (statio sedesque): een verblijf en onderdak.
voetnoot24
aes: het (gewonnen) voedsel; daer: waar.
voetnoot26
het piepende gras (herbas surgentes): het opluikende gras (piepend te verklaren uit: groeien dat het piept, dat men 't kan horen; zie Ned. Wdb. XII, 1543); Ly: duld; ontrent: in de buurt van.
voetnoot27
spechten; de Lat. tekst heeft meropes; merops: bijeneter, bijenwolf (een zangvogel die vooral bijen eet); vgl. Kiliaen i.v. biewolf.
voetnoot28
Progne (de zwaluw, vgl. blz. 144, r. 73); die.... draeght: Met het bloed dat Progne na de moord op haar zoontje Ithys aan de handen kleefde, zou zij haar borst hebben bevlekt. Daarom heeft de (huis) zwaluw een roodbruine keel; lidteken: vlek (kenteken).
voetnoot29
zy bederven het alles: zij brengen overal dood en verderf.
voetnoot31
leckerlijck: als lekkernij.
voetnootvs. 1
mijn lantwerck: mijn leerdicht over de werkzaamheden van de landman; voltrecken: voltooien.
voetnoot2
met honigh en den dauw, die: met de honig, die als dauw; plecken: gewesten.
voetnoot3
begunstigh bly: zie met welbehagen neer op.
voetnoot5
mogentheit: vorst.
voetnoot8
op een ry: in volgorde, achtereenvolgens; zoo men 't acht: volgens de heersende opvatting.
voetnoot9
een slecht onnozel werck: een gering, onbeduidend werk; weegen: overwegen.
voetnoot11
wars: ongunstig gezind.
voetnoot14
daer: waar.
voetnoot15
kas: (houten) bijenkast, bijenkorf.
voetnoot20
noch geluit van Progne: noch (het gezang van de) zwaluw.
voetnoot21
lees: Progn'in.
voetnoot25
het wreede broeinest: het wrede jonge broedsel in hun nest.
voetnoot33
de dadel; de Lat. tekst zegt alleen: palma: palmboom.
voetnoot35
de nieuwe koningen (novi reges): de nieuwe (jonge) koninginnen; de klassieke schrijvers spreken steeds van de koningen der bijen (zie bijv. ook r. 79). - in hun lente, lett. vert. van in vere suo: in de lente, hun lievelingsjaargetijde; eerst: voor het eerst (misschien bedoelt Vergilius: aan het hoofd van hun zwerm: cum prima ducent examina).
voetnoot37
zich vermeiden: zich vermeien.
voetnoot38
Het zy.... smack (Vondel volgt weer de Lat. zinsbouw op de voet): Werp in het water, stromend of stilstaand,....
voetnoot41
schichtig: plotseling opkomend; verstroit berust op een verkeerde opvatting van 't Lat. sparserit van spargere, hier: besprenkelen; verstroit dus: nat geregend.
voetnoot42
gedompelt, door de wind die opstak met het losbreken van de bui.
voetnoot44
kassie (casia): de wilde kaneel, lavendel.
voetnoot45
yzope (Lat. thymbra: bonenkruid); hysop, Mnl. isop: een lipbloemige sierplant, rijk aan etheriese olie, thuis horend in Zuid-Europa.
margenoot+
[Randschrift:] Van de Biekorven.
voetnoot47-48
Versta: maak in uw bijenkorven, hetzij ge ze maakt van aaneengehechte (holle) stukken boomschors, hetzij ge ze vlecht van tenen, nauwe ingangen.
voetnoot49
smilt: smelt.
voetnoot50
niet te vergeefs: niet zo maar, niet zonder reden.
voetnoot51
met meirgras en bloemen is de vert. van: fuco et floribus = met maagdenwas (kleefstof), uit stuifmeel van bloemen bereid; meirgras (zeegras) is hier een onjuiste vert. van fucus.
voetnoot52
lijmachtig slijm (gluten); lijmerige hars (afkomstig van bomen), zal Verg. misschien bedoelen.
voetnoot53
Frygriaensch peck: op de berg Ida in Phrygië groeiden pijnbossen, die hars leverden; valt: voorkomt.
margenoot+
[Randschrift:] Byen nestelen oock in d'aerde en holle boomen
voetnoot54
anders: altans (als 't waar is wat men beweert).
voetnoot55
putten: holen.
en werden... gevonden; het onderwerp hierbij is ze (de bijen).
voetnoot56
uitgehoolden: uitgeholde; vermolsemd: vermolmd.
voetnoot57
nietemin: ondanks de voorzorgsmaatregelen, die ze zelf al nemen; hutten (cubilia): bijenkorven; slijm: leem, slik.
voetnoot26
klaer als glazen: helder als kristal.
voetnoot31
noch jongk in hun beroep: nog onervaren.
voetnoot34
dorven: durven (mogen?).
voetnoot35
van: door.
voetnoot36
hier omtrent heeft betrekking op oevers (die hier dicht bij zijn).
Verbind: zich laeten noodigen, daer...: (daar of daarheen, waar).
voetnoot37
reedt: gereed.
voetnoot42
dwarling: dwarrelwind; steure: mocht hinderen in hun rust.
voetnoot46
zelfs: zelf.
voetnoot49
versch: fris; zwaeien: kronkelen.
voetnoot56
Zie de aant. bij de prozavert., r. 51.
voetnoot57
slijm: slijk.
voetnoot61
vernemen: waarnemen, zien.
margenoot+
[Randschrift:] Wat men in den biehof mijden moet.
voetnoot58
dunne bladers (frondes raras); de bedoeling is: wat bladeren, een niet te dikke laag (vgl. de vertaling in verzen, vs. 64-65).
voetnoot59
yp (taxus): een nog in Zuidnederl. gebruikelike benaming voor de taxisboom; als de bijen te veel de taxisboom bezochten, werd, naar men meende, de honing bitter; nochte bra hier geen roode kreeften (dubbele ontk.): kreeften werden tot pulver gebraden om als geneesmiddel te dienen; de rook zou schadelik voor de bijen zijn; schuwen: zich in acht nemen voor (zet uw bijenstal niet dicht bij een diepe poel); in diepe poelen woonden kikvorsen, vijanden der bijen.
margenoot+
[Randschrift:] Van het Biewerck in den zomer.
voetnoot62
voorts (quod superest): om verder te gaan.
voetnoot64
maeien purpere bloemen (metunt flores purpureos); maeien is hier: de oogst binnenhalen van.
voetnoot65
licken luchtigh de lippen der beecken: nippen al vliegende even van 't water der beken; de woorden hierna in r. 65, 67, 69 leiden verschillende werkzaamheden en phasen uit het bijenleven in.
voetnoot72
stroy hier: sprenkel op dit dichte loof.
voetnoot73
gestooten melissenkruit (melisphyllum tritum): fijngewreven melisse, bijenblad; ook wel wegens de geur citroenkruid genoemd, een kweekplant, uit Zuid-Europa afkomstig; cerinte (cerintha): wasbloem.
voetnoot74
klinck: sla (maak klinkende geluiden); met vrouw Cybeles cymbalen: De feesten ter ere van Cybele, de moeder der Goden, werden gevierd met luide muziek, op allerlei instrumenten, o.a. cymbalen (bekkens); de Ouden waren verdeeld over de vraag, of dit lawaai de bijen aangenaam of onaangenaam was.
voetnoot75
op die heilzame rustplaets strijcken: zich neerzetten op die verblijfplaatsen die zo tot hun welzijn zijn ingericht.
voetnoot76
naer heure wijze: in overeenstemming met haar aard; zich in het binnenste van de kribbe (in cunabula intima) verbergen; versta: diep in haar nieuwe woning kruipen (waarschijnlik in de cellen van de nieuw voor haar ingerichte bijenkorf).
margenoot+
[Randschrift:] Van den burgerkrijgh der byen.
voetnoot79
om twee Koningen: wegens het feit dat er twee koninginnen in een korf zijn.
voetnoot80
de gemeente: het bijenvolk; in de volgende regels wordt het zwermen, het uitvliegen van een zwerm jonge bijen met een nieuwe koningin, voorgesteld als een burgeroorlog; de terminologie is geheel aan de krijgstaal ontleend. Dat in deze dichterlike visie de fantasie een groter rol speelt dan de wetenschap, dat het uitzwermen niet een oorlogsdaad is, behoeft niet te worden opgemerkt.
voetnoot81
ontstelt: in hevige opwinding; vgl. ook ontsteltenisse in r. 84; ze groeperen zich met zenuwachtige drukte; daarbij bewegen ze snel de vleugels heen en weer; dit wordt uitgedrukt door: schitteren met (r. 84).
voetnoot68
stuit: weerkaatst; de echo zou de bijen doen schrikken.
voetnoot72
dit heir: het bijenleger, de bijenzwerm.
voetnoot74
queecken: grootbrengen.
voetnoot75
ick weet oock naulijx met wat min: met een niet te beschrijven tederheid.
voetnoot76
haer gevlochten nest: de strokorf; eens van zin: gemeenschappelik.
voetnoot78
valt: is (wordt); in 't schieten: onder 't uitstoten (die ze als taai en kleverig vocht afscheiden).
voetnoot81
vast: ondertussen (al maar).
voetnoot82
lucht: luchtig, licht.
voetnoot85
kleen: fijn.
voetnoot86
Cybeles genooten: de deelgenoten aan 't offerfeest ter ere van Cybele.
voetnoot90
wijcken: zich terugtrekken.
voetnoot92
ontsteeckt... op: contaminatie van steekt op en ontsteeckt; een vechtstorm: een vechtwoede.
voetnoot92-93
om 't erf... van twee verscheide heeren: omdat twee verschillende vorsten aanspraak maken op de staat en de macht.
voetnoot95
strax: aanstonds.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: In de derde druk (Unger, Bibliographie, nr. 423) en de volgende uitgaven zijn de woorden: zijn zoo van leest (r. 105-106) veranderd in: zien' er eveneens uit.
voetnoot86
braveeren: uitdagen.
voetnoot88
horten tegens een: stoten op elkaar, vallen op elkaar aan.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van hagel en geschudde eeckels. In het Randschrift bij r. 91: Gelijckenis van: Vergelijking met.
voetnoot92
Deze soldaten is een onjuiste weergave van ipsi uit uit de Lat. tekst: de koningen (koninginnen) zelf; met hunne vleugelen.... uitmuntende (alis insignibus) dient men op te vatten als: herkenbaar aan hun vleugels.
margenoot+
[Randschrift:] Hoe die krijgh beslecht wort.
voetnoot96
een van beide: een van de beide strijdende partijen; perssen: dwingen, noodzaken; den rugh bieden: wijken.
voetnoot97
beroerte: beroering, ontstuimigheid; met een handvol zants; in deze nuchtere woorden klinkt even de humor: één handvol zand maakt een eind aan die vreselike strijd.
voetnoot100
den slimste: de minste (van de twee koninginnen); als twee uitgevlogen bijenzwermen toevallig elkaar ontmoeten en zich verenigen, wordt naar de tegenwoordige mening de zwakste koningin doodgestoken; zijn quistige aert: zijn verkwistende levenswijze. De bedoeling is: een tweede koningin is dan overbodig, nutteloos; al wat aan haar onderhoud wordt besteed, is weggeworpen.
voetnoot101
verdadighd: verdedigd; nl. tegen de mededinger.
margenoot+
[Randschrift:] Tekens om de Koningen en hun onderdanen te kennen.
voetnoot103
met zijn hooft; de Lat. tekst zegt: insignis ore: (onderscheidt zich) door zijn voorkomen, zijn uiterlik; Vondel heeft os opgevat als gezicht, gelaat.
voetnoot105
slaphartigh (inglorius): zonder enige flinkheid; Beide.... Koningen: Zoals de beide koningen in uiterlik verschillen, op dezelfde wijze verschillen ook de zwermen (volken).
voetnoot97
van: door; 's krijghsklaroen; voor het aaneenschrijven van de genitief ('s) krijghs en het daardoor bepaalde woord klaeroen kan men vergelijken vs. 480: zijn moedershof; het oorloghsteken: het signaal om de strijd te beginnen.
voetnoot101
in orden: in slagorde.
voetnoot105
voor de vorsten: voor de (twee) koninginnen (versta: wanneer nu een heldere lentedag is aangebroken, een dag, die de koninginnen geschikt oordelen voor de strijd).
voetnoot106
voort: aanstonds; met gedrommel: in drommen; uitgeborsten: uitgebarsten.
voetnoot108
eenen, met klem.
voetnoot111
verknocht: verbonden (aan hun vorst; maar zie de aant. bij de prozatekst, r. 92).
voetnoot112
in 't harte van den toght: in het midden der strijdenden (van het strijdgewoel).
voetnoot113
uitmuntende: uitblinkende.
voetnoot119
daer: terwijl; gekant staen: vijandig, strijdvaardig tegenover elkaar staan.
voetnoot120
met: door.
voetnoot123
vry: gerust.
voetnoot124
tot scha gedyen: tot schade worden, nadeel berokkenen.
voetnoot126
triomfeeren met: pronken met.
voetnoot128
in den dagh: in het volle licht, in de zonneschijn.
voetnoot129
schricklijck: op jammerlike wijze (bij slepen); en zachter: en steeds langzamer.
voetnoot131
zien: er uit zien.
voetnoot132
bende, niet met de tegenwoordige (ongunstige) gevoelswaarde; vergel. vs. 135 en krijgsbende; te: erg; bemorst: vuil.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: r. 125-126 Dit is een volkomen onjuiste vertaling van: Atque equidem, extremo ni jam sub fine laborum [vela traham et terris festinem advertere proram,] forsitan et.... canerem. Vanaf de 4e druk (Unger 424) is zij vervangen door: En zeker, ten waer ick, mijn reis ten einde, het zeil streeck, en den boegh naer lant toe zette, veellicht zou ick zingen.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van een reizend gast.
voetnoot107-108
gast: persoon; een reizend gast: een reiziger (te voet). Het is de vraag of de Lat. tekst deze bijensoort vergelijken wil met de bestoven reiziger zelf of met het speeksel dat hij uit zijn droge keel op de grond spuwt; droogh: met een droge, dorstige mond.
voetnoot110
eenparigh: symmetries; aert: soort, geslacht; hier uit (hinc), versta: dank zij hun arbeid.
voetnoot111
niet zoo zeer zoeten als zuiveren honigh: honig die nog meer uitmunt door helderheid dan door zoetheid (door zijn klaarheid of helderheid is die honig geschikt om met zure wijn te worden vermengd).
margenoot+
[Randschrift:] Hoe de bieman zijn byen intoomt en aenlockt.
voetnoot113
wilt, hier: doelloos.
voetnoot114
versloffen (contemnunt): verwaarlozen.
voetnoot115
ydel: niet geneigd tot ernstig, productief werk; wuft: zwerfziek.
voetnoot117
inblijven: in de korf blijven.
voetnoot118
met den stantert uit den leger trecken (vellere castris signa), weer militaire beeldspraak: de veldtekens uit het legerkamp naar buiten voeren, optrekken (dus: een vlucht ondernemen).
voetnoot119
goutbloem, hier in 't algemeen: goudgele bloem (croceis halantes floribus horti); aenlocken; versta: door de aanleg van zulke bloembedden zult ge ze afhouden van hun wilde vluchten.
voetnoot120
Priaep: Priapus, beschermgod van tuinen en veldvruchten; zijn uit hout gesneden beeld, rood beschilderd, met een houten sikkel in de hand, diende als vogelverschrikker. Als beschermer van de tuinen tegen dieven en vogels, strekte hij zijn waakzaamheid uit over de bijen. Hij was de zoon van Bacchus en Venus, en werd vooral vereerd te Lampsacus aan de Hellespont; vandaar bij Vondel: Bithynisch (Bithynië is een landschap in Klein-Azië, bij de Hellespont).
moloch (oorspr. afgod der Phoeniciërs): molik (dat etymologies hetzelfde woord is), vogelverschrikker.
voetnoot121
willige: wilgehouten.
voetnoot122
pijnboomen; Lat.: pinus; een andere lezing is tinus: sneeuwbal.
voetnoot124
meien: groene takken; lieflijck: liefderijk.
margenoot+
[Randschrift:] Vitspanninge van het hovenieren: In het Randschrift bij r. 125: Uitspanninge: uitweiding.
voetnoot125
De Lat. tekst zegt: En zeker, als ik niet, aan 't eind van mijn reis gekomen, (reeds) de zeilen streek enz.
voetnoot126
veellicht: wellicht.
voetnoot127
hoven: tuinen; bouwen: bewerken, in cultuur brengen; Lukanische roozengaerden (rosaria Paesti): de rozenvelden van Paestum in Lucanië (gewest in Zuid-Italië).
voetnoot134
droogh en dick van stof: dorstig en overdekt met stof; slijck: slijm.
voetnoot136
overmaelt: beschilderd, bedekt.
voetnoot138
kiesch: kieskeurig.
voetnoot140
veel eer: vooral (met honig, waarvan de zoetheid, maar in de eerste plaats de zuiverheid te roemen valt).
voetnoot141
Geschikt om.... te helpen verzoeten.
voetnoot142
wijder: verder; moeten: mogen (en vliegen ze - al spelende (zich vermeiende) - hoger in de lucht dan nuttig is); vermeien is hier intr. werkw.
voetnoot144
op haer maet: met de vereiste (normale) hoeveelheid honig).
voetnoot146
hinderen: verhinderen, tegengaan.
voetnoot151
beslaen: bedekken (beplanten).
voetnoot153
Frygisch, bijv. nw. bij Phrygië: landschap in Klein-Azië.
voetnoot154
waecken om: de wacht houden over.
voetnoot155
Versta: en de Fr. Priaap houde, om geweld te beteugelen (om ze te beschermen tegen vijandige aanvallen) enz.
geil wilgenhout: hout van de welig opschietende wilg.
voetnoot156
met kracht: met krachtsinspanning, zonder de zware arbeid te schuwen.
voetnoot158
gelijck twee taeie wanten; versta: zodat door zijn zwoegen zijn handen als 't ware met twee handschoenen van taai eelt overtrokken worden.
voetnoot163
met beter aert: met groter kunst; volgens de regelen der hogere landbouwkunde.
voetnoot128
dragen (nl. rozen): bloeien; endyvi: andijvie.
voetnoot130
zoo dick: als dikbuikig gewas.
voetnoot131
wil...verzwijgen; versta: ook zou ik dan niet zwijgen over de narcis, die eerst laat tot ontwikkeling komt (narcissus comans sera).
voetnoot132
De bereklauw heeft kronkelende bladstengels; veil: klimop.
margenoot+
[Randschrift:] en de wackerheit des Tarentschen tuinmans en byhouders.
voetnoot134
de zwarte Galezus: de Galaesus met zijn donkerkleurig water (stroomt langs Tarente in Zuid-Italië); het goutgeele gewas (flaventia culta: de goudgele velden).
voetnoot135
Cilicisch: afkomstig uit Cilicië, landschap in Klein-Azië; die een weinigh lants erfde; de Lat. tekst zegt: cui pauca jugera ruris relicti erant: die een kleine uitgestrektheid land, waarop niemand recht deed gelden, bezat; relictus (overgelaten, aan de eerste de beste) is door Vondel opgevat als nagelaten.
voetnoot138
warmoes: groente; yzerkruit: ook ijzerhard genoemd, behoort tot het geslacht verbena, een tuinbloem; eetbaer mankop is de vert. van papaver vescus, dat betekent de het land uitmergelende papaver (of misschien: de papaver met dunne zaadjes).
voetnoot139
pluckende; 't Lat. premens is hier: geplant hebbende.
was in zijnen zin: voelde zich.
voetnoot141
vroegh in de lente; de Lat. tekst zegt: hij was de eerste die in de lente rozen, in de herfst appels plukte.
voetnoot142
borsten: barstten; denk voor van koude: nog.
voetnoot143
zacht (mollis); versta: buigzaam; Vondels tekst had acanthus (bereklauw); een andere lezing is hyacinthus.
voetnoot144
bestrafte: berispte, voer uit tegen. Vergilius gebruikt 't werkw. increpitare, dat hier betekent: de spot drijven met (hij hoonde, bespotte een weinig de zomer met zijn zoele wind, die nog maar steeds niet wou komen, terwijl hij in zijn tuin toch reeds oogstte).
voetnoot145
Hierom had dees: hij had dan ook.
voetnoot149-152
Hy stelde de grootste olmen op een ry....; de bedoeling van de Lat. tekst is: hij verstond (boven anderen) de kunst om olmbomen als ze reeds groot waren (perebomen, als hun hout reeds hard werd, pruimebomen, die reeds rijkelik schaduw gaven) te verplanten, uit te planten op regelmatige rijen.
voetnoot150
den doren, die nu pruimen voortbrengt (spinos jam pruna ferentes); versta: de sleedoorn (sleepruim) die door enting pruimen draagt.
voetnoot151
Vondel vertaalt platanus door andorenboom; zie daarvoor Ned. Wdb. i.v. andoren; het gelagh: de personen, die (voor een herberg) bijeenzitten te drinken (Lat.: ministrantem umbram potentibus).
voetnoot165
gloeien: blozen.
voetnoot166
plagh: van ouds gewoon is.
voetnoot170
eiloof: klimop; steil in 't stijgen: dat gaarne omhoog klimt.
voetnoot171
belent met: grenzend aan, groeiend aan.
voetnoot173
daer langs: waarlangs; bruin: donker; waterzegen: zegen of vruchtbaarheid brengend water.
voetnoot174
Het goutgeel gras; zie de aant. bij de prozavert., r. 134; bejegen: ontmoet (heb).
voetnoot175
Versta: iemand, afkomstig uit C., een grijsaard reeds, die....
voetnoot177
muskadel: druif.
voetnoot185-188
Zie de aant. bij de prozatekst, r. 144.
voetnoot190
voor alle andren: eerder dan alle andere bijenhouders; leckernyen van honigh: de heerlike honig.
voetnoot198
daer: waar.
voetnoot152
ick, binnen enger palen besloten, ga dit voorbij: ik, die mij een meer begrensde taak heb gesteld, sla dit over.
margenoot+
[Randschrift:] Van den aert der Byen, en het biewerck. In het Randschrift bij r. 154: het biewerck: de bezigheden der bijen.
voetnoot154
aert: instinct.
voetnoot155
tot een vergeldinge: als beloning.
voetnoot155-157
Jupiter, op Creta geboren (zie r. 157), werd door zijn moeder Cybele in de Dictaeïse grot verborgen gehouden. Cureten, priesters van Cybele, maakten voor de ingang luidruchtige muziek om te voorkomen, dat Saturnus, Jupiters vader, het schreiende kind zou horen, zijn schuilplaats zou ontdekken en zijn zoon verslinden. Op het geluid van de muziek kwamen de bijen af en voedden de jonge god Jupiter met honing; schel: luid klinkend; opvoedden: van voedsel voorzagen (grootbrachten).
voetnoot157
Zy alleen (vul aan: onder de dieren) hebben gemeenschap van kinderen, en een gemeene stadt: voeden gemeenschappelik de jongen op en wonen samen in een gemeenschap.
voetnoot158
overbrengen: doorbrengen.
voetnoot159
bestendig: onveranderlik, steeds van kracht blijvend.
kennen, hier: bewust bezitten.
voetnoot161
tot het gemeen beste: ten bate van allen.
voetnoot162
passen: zorg dragen; aes: voedsel.
voetnoot164
Narcissetranen (lacrimam Narcissi): vocht uit de narcissen (misschien bevat het woord een toespeling op de geschiedenis van Narcissus, die op zich zelf verliefd wordende, van liefde wegkwijnde en in een narcis veranderde); boomlijm: harsig gom, uit de boomschors druipend; hangen: de bijen beginnen hun cellen in de korf van boven af te metselen; vandaar: hangen.
voetnoot166
stuwen (Lat.: stipare): al stuwende in een kleine ruimte persen.
voetnoot168
Denk voor letten zij (deze).
voetnoot169
in het inkomen: bij het binnenkomen.
voetnoot170
in eenen troep (agmine facto): zich in gelederen geschaard hebbende; bommel (ficus): hommel, mannetjesbij; vuigh: vadsig.
voetnoot171
Deze regel is de vert. van: Fervet opus, redolentque thymo flagrantia mella, het vers, dat geplaatst werd op het blazoen van Coster's Academie, een van bloemen en bladeren omgeven bijenkorf; dezelfde regel vindt men Aeneis I, 436.
voetnoot172
de Reuzen: de Cyclopen, helpers van Vulcanus, die in de Etna o.a. de bliksems voor Jupiter smeedden; van gesmijdige kluften (massis lentis): uit smeedbare (weke) ertsmassa's, ertsbrokken.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van Vulkanus smitswinckel. 173 smitswinckel: smederij.
voetnoot174
kissen: sissen; Kiliaen, kissen: stridere, tanquam ferrum candens in aquam missum.
voetnoot175
in Etna: in het inwendige van de vulkaan; vast: al maar.
voetnoot200
wien 't lust is te verbinden met een ander.
voetnoot201
opzingen: bezingen.
voetnoot204
zijn' Kretenzer rey: de tot zijn bescherming (op de cymbaal) spelende (en dansende) priesterschaar op Creta; navolgende: volgende; altemael: gezamenlik.
voetnoot206
van haer goeden: van bezit.
voetnoot207
in 't algemeen: voor allen gezamenlik.
voetnoot208
doorgaens: voortdurend (hun gehele leven door).
voetnoot209
zy wennen: zij raken eraan gewoon (zij raken (zijn) vertrouwd met het begrip vaderland).
voetnoot212
bearrebeiden: door arbeid verzamelen.
voetnoot214
lijftoght: voedsel; en geen de leste: en geen wil bij dat werk de laatste zijn.
voetnoot215
yveraer: noeste werker.
voetnoot218
met verlangen: met lust.
voetnoot220
met haren last: met de last, de buit, die ze bij zich draagt.
voetnoot221
d'een, hier op te vatten als: sommige; zoals in 't algemeen in deze passage 't enkelv. voor 't meerv. staat.
voetnoot223
passen op: acht slaan op, aandacht wijden aan; in dat besteck: op die post, in die functie.
voetnoot225
in eenen troep: in vereniging met anderen.
voetnoot226
zwieren: in-en uitvliegen.
voetnoot227
onversuft: onvermoeid, vurig aan het werk.
voetnoot228
smis: smidse.
voetnoot229
vast woelen: al maar ijverig in de weer zijn.
voetnoot231
in 't hol: binnen in de holle berg.
voetnoot176
slagh houden: maat houden bij het smeden, afwisselend slaan.
voetnoot178
by groote zaecken gelijcken: vergelijken met; d'Attische byen; op de berg Hymettus in Attica (zie ook de vert. in verzen, vs. 236) werd voortreffelike honing gewonnen.
voetnoot179
elck in haer werck: ieder op de hem toegewezen post, ieder in zijn bepaalde functie; bewaren: bewaken, beschermen.
voetnoot180
de muren (oppida): de muren der vestingstad, waarbij de bijenkorf hier wordt vergeleken (in de vert. in verzen is de vergelijking nog verder uitgewerkt); vestigen: stevig construeren, op de wijze van een versterkte plaats bouwen (munire).
voetnoot181
zwacke; Lat: fessae: vermoeide (de jonge bijen keren vermoeid enz.); de oude bijen blijven dus thuis, de jonge gaan uit om honing (door latere waarnemingen is dit niet bevestigd: juist de nog jonge bijen blijven bij voorkeur thuis); tijm, hier: stuifmeelkorrels van de thijm.
voetnoot182
beenen: achterpoten; haeghappelboom: meidoorn.
voetnoot183
root saffraen (crocus rubens): de rode saffraan, een bolgewas, tot de crocusachtigen behorend; vet (pinguis), Verg. bedoelt: bloesemrijk; bruine Maybloemen (ferrugines hyacinthi): donkere hyacinten (vgl. Derde Herderskout, r. 65).
voetnoot185
tyenze: trekken ze; nergens zittenze ledigh, ter vert. van nusquam mora: nergens een achterblijver.
voetnoot187
dan sterckenze 't lijf: dan zoeken ze herstel van krachten.
voetnoot188
morren: zoemen.
voetnoot190
streelen: verkwikken.
voetnoot191
uit haer hol (a stabulis): uit hun woning.
voetnoot192
dicht onder haer stevesten (sub moenibus urbis), weer militaire beeldspraak: aan de voet van hun stadsmuren (veilig dicht bij huis blijvende).
voetnoot193
haer water: het voor hun levensbehoeften nodige water.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis.
voetnoot194
gelijck: evenals.
voetnoot195
kaikens aenvatten: kiezelsteentjes grijpen, meevoeren.
voetnoot196
zich ophouden: zich in evenwicht houden (vgl. de vertaling in verzen, vs. 260).
margenoot+
[Randschrift:] Van het aenteelen der Byen,
voetnoot197
Versta: verwonderen moet gij u over deze gewoonte van de bijen, nl. dat ze....
voetnoot198
nochte zich door traegheit tot geilheit overgeven is een onjuiste vert. van: nec, segnes corpora in venerem solvunt: en niet hun krachten verteren en futloos worden door een wellustig liefdesleven.
voetnoot199
de mont: de zuigsnuit; de in 197-200 verkondigde mening gaat, evenals r. 195-196 terug op Aristoteles.
voetnoot200
bestellen: zorgen voor (een nieuwe koning); zelfs: zelf.
voetnoot234
dus: op dezelfde wijze; zich erneeren: in zijn levensonderhoud voorzien (Hoogd.: sich ernähren).
voetnoot235
indien men.... gelijcke met verlof: indien het geoorloofd is.... te vergelijken.
voetnoot236
van Hymet; zie de aant. bij de prozavert., r. 178; niet slof: niet traag, vol ijver.
voetnoot237
slotsoldaeten; vgl. de aant. bij de prozavert., r. 180; de Lat. tekst heeft hier alleen grandaevi; maar Vondels slot-, vestingsoldaat zal wel teruggaan op een commentaar, die Servius bij deze plaats geeft.
voetnoot241
Zij snuffelt vast: zij is zonder ophouden op zoek naar.
voetnoot244
zy vallen teffens aen: zij gaan tegelijk aan het werk.
voetnoot246
den aftoght blaest: het sein geeft om af te trekken, maant tot ophouden.
voetnoot247
t'huis: naar huis.
voetnoot249
gedommel: gegons.
voetnoot250
dorven: mogen.
voetnoot255
haer best: al haer best, ijverig.
voetnoot257
van buiten: aan de buitenkant van hun lichaam; uitwendig.
voetnoot258
zelfs: zelf.
voetnoot260
gewight: evenwicht.
voetnoot262
verslingert: verzot.
voetnoot263
noch die oock... immermeer: terwijl ze evenmin ooit.
voetnoot264
snoeplust: dartel overspel.
voetnoot265
geur van kruiden: geurige kruiden.
margenoot+
[Randschrift:] en hare nature, oude, eigenschappen en eerbiedigheit tegens haren Koningk.
voetnoot201
kleene burgers: een nieuwe (jonge) generatie; hoven: een paleis (de grootste cellen in de korf); In het omvliegen: op hun vliegtochten om voedsel waarschijnlik, ten behoeve van de jongen; zò is er verband met het voorafgaande.
voetnoot202
in: tegen.
voetnoot204
roem: eer.
voetnoot205
eng bepaelt zijn: slechts een beperkte tijd duren.
voetnoot207
en berekent het vijfde gelidt; de Lat. tekst heeft: et avi numerantur avum: en men kan de grootvaders van de grootvaders opnoemen; zò komt Vondel tot 'het vijfde gelidt'. De bedoeling is gelijk aan die van: 'het geslacht sterft niet uit', maar van tegenovergesteld (terugziend) standpunt.
voetnoot209
eerbiedigheit: eerbied, eerbetoon.
voetnoot210
behouden: in leven.
voetnoot212
het beleit: het opzicht.
voetnoot214
iemand bestuwen: zich om hem verdringen.
voetnoot215
stellen haer lijf: wagen hun leven; staen naer quetzuren en een heerlijcke doot: zoeken (ter wille van hem) een roemvolle dood op het slagveld.
voetnoot217
staroogen: met verwondering zien.
voetnoot219
De aansluiting is hier niet geheel logies, ook bij Vergilius niet, die twee gedachten met elkaar verwart: 1o, de door Aristoteles geuite, dat de bijen in 't bijzonder goddelike wijsheid bezitten, 2o de meer algemene die op Pythagoras teruggaat, dat alle bezielde (en onbezielde) wezens doortrokken zijn van een goddelike geest, de divina mens, of anima mundi (wereldziel). Vondel drukt dit laatste uit in: de Godtheit gaet overal waeren door hemel aerde en zee.
voetnoot220
dieren: wilde dieren, tegenover vee.
voetnoot220-224
Virgilius zegt: Uit deze van de godheid vervulde wereldelementen scheppen mensen en vee en alle wilde dieren ieder voor zich hun levensoorsprong en nadat het lichaam - door die levenselementen als 't ware als door een band samengehouden - bezwijkt, keren ze al te zamen weder daarheen en er is geen plaats voor 'een dood' (er is geen dood); maar alle levende wezens vliegen naar de sterren en nemen hun plaats in aan de hoge hemel. Hij bedoelt met die laatste woorden, dat het fijnste zielselement daarheen vliegt en laat in de slotzin de te voren genoemde lagere elementen (zie r. 219) buiten beschouwing. Onder invloed daarvan interpreteert Vondel aanvullenderwijs (zie r. 223-224): voorzover de schepselen bestaan uit 't fijnste wereldelement, uit een hemels deel, nl. de ether, zijn ze onsterfelik.
voetnoot224
den hemel innemen: (weer) zijn plaats innemen in de hemel.
voetnoot266
zetten: instellen, aanstellen.
voetnoot267
wel vast: op hechte grondslag.
voetnoot272
in de winst des honighs: in het winnen van honig.
voetnoot275
noch: toch; in 't rijck bezit: zich verheugend in bloei, in welvaart.
voetnoot276
bloeit in; versta: bloeit tot in.
voetnoot282
den honigh overhoop: de honig, die opgehoopt is, de verzamelde honig.
voetnoot286
het hooft der honighdommen: het hoofd van het bijendom, de vorst (vgl. vs. 279: honighzwarm).
voetnoot288
De Lat. tekst heeft: pulchramque petunt per volnera mortem, waarvan de zin is: (voor hem) sterven ze gaarne, geen wonden achtende, een roemvolle dood.
voetnoot290
spiegel: voorbeeld; om zich hier naer te voegen: om na te volgen (zijn leefwijze hiernaar in te richten).
voetnoot291
rechtuit spraecken: ronduit verklaarden; dees aert: dit geslacht.
voetnoot296
zwier: (bijzondere wijze van) voortbeweging.
voetnoot297
d'eerste stoffen: de vier elementen; zie vs. 294.
voetnoot299
in den starrelichten boogh: naar de door de vaste sterren verlichte hemelsfeer.
margenoot+
[Randschrift:] Van de honighsnede en honightijt. In het Randschrift bij r. 225: honighsnede: het snijden van de honing uit de korven.
voetnoot225
het heerlijcke hof: het verheven, koninklik verblijf; Vondel heeft gelezen: sedem augustam; een andere lezing is sedem angustam: de enge woning.
De eerste lezing is meer in overeenstemming met de voorafgaande beeldspraak; met zijne schatten is een minder juiste vertaling van thesauris; de bedoeling is: (de honing) bijeenvergaderd (opgeleit) in de schatkamers (de als voorraadsmagazijnen dienstdoende cellen).
voetnoot226
zoo besproey enz.; versta: neem een mondvol water en sproei dat al blazend in fijne droppels uit.
voetnoot227-232
Honing kan men dus winnen uit de korven onmiddellik voor de zomer begint en aan het eind van de herfst.
voetnoot228
Taygete: een ster uit het sterrebeeld der Pleïaden; Zeilstar genoemd, omdat de zeelieden op deze ster hun koers bepaalden; eind April komt ze (met de zon) boven de horizon (volgens de Ouden: uit de Oceaan; vandaar: de golven des Oceaens verachtelijck met den voet stoot); in November verdwijnt ze bij zonsopgang onder de horizon; vluchtend (Taygete wordt dus als een nimf gedacht), zegt Vergilius, voor het regenbrengende (waterzuchtigh) sterrebeeld der Visschen (een sterrebeeld uit de Dierenriem); astronomies is dit niet geheel juist.
voetnoot231
treuriger: niet meer helder schijnende, mat (in personifiërende stijl: met tegenzin).
margenoot+
[Randschrift:] Van de gramschap der Byen,
voetnoot233
Met zy zijn worden de raadgevingen en voorschriften met betrekking tot het 'oogsten' van de honing vervolgd; denk dus achter onderhevigh: wanneer men de honing wegneemt; gequetst zijnde is een onjuiste vert. van laesae: worden ze geprikkeld, geplaagd.
voetnoot234
prickel: angel; heimelijck haalt Vondel uit specula caeca: met een onzichtbare angel.
margenoot+
[Randschrift:] en de honighrampen. 237 honighramp; bederf in de raten.
voetnoot238
sparen (tegens) is een onjuiste vert. van parcere; sin parces futuro: als ge zorg draagt (of maatregelen wilt nemen) voor de toekomst.
voetnoot239
niet ontzien: niet nalaten; met tijm: waarschijnlik omdat die geur zo aangenaam aandoet.
voetnoot240
het onnutte wasch: de lege cellen.
voetnoot241
een gestarrende haeghdis: stelio (stellio): de zogenaamde sterhagedis, een hagedis met stervormige vlekken; een mot... snoepen; de Lat. tekst zegt: en lichtschuwe motten die zich hoopsgewijze in de cellen genesteld hebben (aten de honingraten).
voetnoot242
vuig: lui, vadsig; zat en verteerde: zat op te eten.
voetnoot243
scherper, nl. dan die der bijen.
voetnoot244
een vervloeckte honighworm; dirum tineae genus: de kakkerlak bedoelt Vergilius; Arachne, van Minerve gehaet: de spin; Arachne, een Lydiese jonkvrouw, had het gewaagd met Minerva een wedstrijd in 't weven aan te gaan; Minerva veranderde haar in een spin (zie Ovidius, Met: VI, 1-vlg.).
voetnoot245-246
De zin beginnende met hoe knoopt vast aan r. 240. In onze tijd vertaalt men de Lat. woorden quo magis exhaustae fuerint gewoonlik door: Hoe meer de bijen geplunderd zijn, hun voorraad honing geslonken is.
voetnoot247
om d'afbreuck van haer jongen te boeten is een minder juiste vertaling; de Lat. tekst zegt: om het verlies van hun geslacht (hun verlies) te herstellen (zie de vert. in verzen, vs. 329); dus: om er weer boven op te komen.
voetnoot248
schuren van bloemen te vlechten is de woordelike weergave van texent horrea floribus, waarvan de bedoeling is: honing in de voorraadschuren te verzamelen; de vacken beleggen: de raten vullen (misschien: de door het wegsnijden ontstane tussenruimten).
voetnoot302
pas: zorg er voor, denk er aan.
voetnoot307
haer aenschijn klaer: haar blinkend gelaat.
voetnoot308
veracht; vul aan: door haar.
voetnoot309
dezelve: die.
voetnoot310
bedroeft: glansloos.
voetnoot313
vergeven: vergiftigen.
voetnoot314
zelf: zelfs.
voetnoot317
opleggen: honig opzamelen (maar zie de aant. bij de prozatekst, r. 238); de smerte (smarte): de noden van de wintertijd; vgl. voor het rijm smerte: harte vs. 467-468 en 678-679.
voetnoot320-21
de kas en raeten: de raten in de honigkorf.
voetnoot323
dorf: durft.
voetnoot326
in Pallas haet: door Pallas Athene (Minerva) gehaat.
voetnoot327
vagen (vegen): reinigen.
voetnoot328
onoirbaer: onnut; dragen: aandragen.
voetnoot329
afbreuck: schade verlies; boeten: herstellen.
voetnoot330
schuur: voorraadschuur (zie de aant. bij de prozavert., r. 247-248).
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: r. 256 en verslapt: vanaf de derde druk (Unger 423) is en weggelaten.
margenoot+
[Randschrift:] Kentekens van der Byen zieckte:
voetnoot251
zekere tekens: niet twijfelachtige (ondubbelzinnige) symptomen; zienze 'r anders uit, versta: veranderen ze van kleur.
voetnoot252
het hooft wort mismaeckt en ysselijck mager; horrida voltum deformat macies: een vreselike magerheid misvormt hun uiterlik; ze worden wanstaltig van magerheid; Vondel heeft vultus te eng opgevat.
voetnoot257
eenpaerigh: onafgebroken, al maar door.
margenoot+
[Randschrift:] en raet hier tegens gevonden.
voetnoot260
Dan knoopt vast aan quijnen in r. 250; al wat daar tussen staat, is als tussenzin op te vatten; galbaen: zie Lantgedichten III, r. 403.
voetnoot261
met honigh te bedruipen: (hun) honing al druppelende toe te voeren.
voetnoot262
druiloorig: lusteloos, kwijnend; de gewoone kost: het voedsel, waaraan ze gewend zijn.
voetnoot263
hier.... onder: door de honing; gestoote: fijn-gestoten.
voetnoot264
roozen: rozebloesem; opgezoden: door lang koken dik geworden.
voetnoot265
Psythische rozijnen: een soort Griekse gedroogde druiven; Cekropisch: Atheens, Atties (van de berg Hymettus); bijv. nw. bij Cecrops: de mythiese stichter van Athene; centaur (centaureum): duizendguldenkruid.
voetnoot267
sterrekruit (amellus): een purpérblauwe aster met gouden hart, in Zuid-Europa voorkomend; want dient in verband te worden gebracht met licht te vinden (r. 266).
voetnoot269
bevat een onnauwkeurige vert.; Vergilius zegt: op de talrijke bladen er rondom heen (nl. om het goudgele hart) schittert de purperen kleur van de donkere viool (zie de aant. bij r. 267).
voetnoot272
in gemaeide dalen; de 'amellus' bloeit in de herfst, nà de hooioogst; de kromme Mella: de bochtige, de kronkelende Mella, een rivier in de nabijheid van Mantua.
margenoot+
[Randschrift:] Raet om nieuwe Byen te winnen,
voetnoot275-276
Maer tegens dat....., zoo is het nu tijt: maar tegenover de mogelikheid dat...., is het nu het goede ogenblik; haestigh: plotseling.
voetnoot333
gewennen te mercken: gemakkelik bemerken.
voetnoot335
Versta: hun uiterlik verandert.
voetnoot336
ongedaen: wanstaltig van magerheid.
voetnoot337
ongeluckigh: bedroefd.
voetnoot338
van achter: er achter aan.
voetnoot343
morren en razen: een zoemend geluid laten horen.
voetnoot348
(iets) bestaen: er toe overgaan.
voetnoot350
suffend: lusteloos (hier syn. van bloode: moedeloos).
voetnoot352
d'opgedrooghde roos: gedroogde rozeblaadjes.
voetnoot355
gegroeit: groeiende; lang beroemt: van ouds bekend.
voetnoot363
stuiten: tegenhouden (waarlangs het water van de kronkelende Mella schuurt).
voetnoot366
of... storven: ingeval... mochten sterven.
voetnoot367
middel: vroeger ook mnl., in Zuid-Nederl. nog; bien: bijen.
voetnoot277
vont: ontdekking; meester (magister) wordt Aristeus waarschijnlik genoemd in verband met zijn ontdekking.
voetnoot278
dickwils dient verbonden te worden met voortbroght; verrotte: bedorven; geslage: gedode.
margenoot+
[Randschrift:] gelijck eertijts Aristeus,
voetnoot279
naemhaftig: vermaard (met de glans der traditie omschenen).
voetnoot282
daer: waar; Kanopus: stad in Beneden-Egypte aan de westelike Nijlmond; in de nabijheid daarvan stichtte Alexander de Grote Alexandrië (zie: van Alexander vergroot; deze toevoeging ontleent V. aan een commentaar).
margenoot+
[Randschrift:] en d'Egiptenaers.
voetnoot285
Persen: Perzië (hier voor: de bewoners van 't land).
voetnoot286
van den zwarten Moorjaen nederstroomende; devexus usque ab Indis coloratis (afgedaald uit het land, waar de donkerkleurige Indiërs wonen) zegt de Lat. tekst. De (dichterlike) geografiese schildering in r. 285-287 munt niet uit door nauwkeurigheid.
voetnoot288
in deze onfeilbaere kunst; de kunst nl. om bijen te telen uit bedorven ossebloed.
voetnoot290
met naeuwe wanden: binnen enge muren; op een klein grondstuk trekt men dus een eng vierkant van muren op met een klein dak tot afsluiting.
voetnoot291
over dwers: ('t zonlicht moet er) zijdelings (in vallen).
voetnoot295
en spreit enz. is een onjuiste vertaling; vlees en ingewand worden murw, tot een soort brij geslagen onder de huid, die heel moet blijven (zò kan geen bloed uitstromen; daarvoor zijn ook eerst de neusgaten en de bek dichtgestopt).
voetnoot297
kassie: zie regel 44; beschicken: volbrengen, uitvoeren, doen.
voetnoot298
eerst: weer voor 't eerst; dus: bij 't begin van de lente.
voetnoot299
op een nieuw: op nieuw; de snaterachtige zwaluw (hirundo garrula) staat hier als bode van de lente.
voetnoot300
onder dack welft (Lat. suspendat tignis): in gewelfde vorm aan de dakbalken (daksparren) bevestigt.
voetnoot301-303
De Lat. tekst zegt: men kan een wonderlik gedierte zien, eerst zonder poten, maar vervolgens ook (nadat ze poten gekregen hebben) gonzend met hun vleugels, krioelen ze door elkaar en wagen zich al meer en meer in de ijle lucht.
voetnoot368
doots: uitgestorven.
voetnoot369
aenmerckens waert: de aandacht waard, opmerkelik.
voetnoot375
ter stede: in de stad (Canopus).
voetnoot382
aen 't stroomen (geraakt): dalwaarts stromend.
voetnoot383
al dit geweste gront... enz. De normale zinsconstructie is aldus: die hele streek (zie vs. 383), waar 'de burger woont'..... (vs. 375); waar 'bemaelde sloepen'... (377) enz., grondt haar welvaart...
voetnoot384
onfaelbaer: onfeilbaar.
voetnoot385
luttel erfs: een klein terrein, grondstuk.
voetnoot387
dit gesticht: dit gebouwtje.
voetnoot391
de neuslucht: de neusademing, het neuskanaal.
voetnoot393
lillen: stuiptrekken.
voetnoot396
kassigeur: geurige kassie.
voetnoot401
versch bewatert: waar de frisse beek door stroomt.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van een zomervlaegh en pijl.
voetnoot304
zomervlaegh: zomerregenbui; uitbersten: plotseling uitzwermen, zich als een zwerm in de lucht begeven.
voetnoot305
Vondels vert. is onjuist; Vergilius zegt: of zoals de pijlen (een wolk van pijlen) voortgedreven uit de boogpees, wanneer de vlugge Parthen een gevecht beginnen (aut ut nervo pulsante sagittae, prima leves ineunt si quando proelia Parthi). Vondel heeft 't bijv. nw. leves uit de bijzin als bepaling bij sagittae in de hoofdzin getrokken.
margenoot+
[Randschrift:] Fabel van Aristeus, die zijn byen verloren hebbende, raet by zijn moeder zoeckt,
voetnoot308
op de baen brengen: in zwang, in practijk brengen, invoeren.
voetnoot309
Aristeus: Aristaeus, die de bijen- en veeteelt bij de mensen zou hebben ingevoerd, was de zoon van Cyrene (een stroomnimf, dochter van de stroom (god) Peneus, die door het lieflike dal Tempe in Thessalië stroomt) en Apollo.
voetnoot310
klaghtigh: klagende.
voetnoot311
zijn moeder, die in de bron, waaruit de Peneus zijn oorsprong nam, woonde.
voetnoot312
gront: bodem; loopende: opborrelende.
voetnoot313
die by het nootlot niet gezien ben: wie het lot ongunstig is, die altijd tegenspoed ondervindt.
voetnoot314
trouwen: inderdaad, tenminste.
voetnoot315
Thymbreesch: bijv. nw. bij Thymbra, de naam van een vlakte in 't landschap Troas (Klein-Azië), met een bos en een tempel aan Apollo gewijd.
voetnoot316
Waerom zeit ghy my den hemel toe: waarom belooft ge mij (na mijn dood) een plaats in de hemel (onder de goden).
voetnoot317-318
naerdien ick.... oock moet missen: en ik moet immers zelfs.... missen.
voetnoot319
met zulck een wackerheit en opmerckinge: door zo ijverige toewijding (doordat ik mij zo wakker heb toegelegd op landbouw en veeteelt).
voetnoot320
zonder iets onbezocht te laten: met voortdurende nieuwe proefnemingen, onderzoekingen.
voetnoot320-321
neemt.... roem: is mijn roem u zo onwelgevallig.
voetnoot322
weelig: rijke vrucht gevend.
margenoot+
[Randschrift:] die onder in den stroom, hare Nymfen vast met haer gezangk onderhoudende,
voetnoot325
onder in de kamer des diepen strooms; Lat. sub thalamo fluminis alti; in haar verblijf, beneden in de diepte van de stroom.
voetnoot326
daer: waar, of terwijl; Milesische vellen: Milesiese vachten; de schapen van Milete in Carië leverden kostbare wol.
voetnoot327
waer aen geen zeegroen gespaert was: in zeegroene tint geverfd; kemmen, ter vert. van carpere: afspinnen.
voetnoot404-411
Zie de aant. bij de prozavertaling, r. 301-306.
voetnoot410-411
Parthen en 'Persianen' vereenzelvigt Vondel; toestreven: op de vijand losstormen.
voetnoot413
nieuw: als nieuwe (ontdekking).
voetnoot414
Aristeus, hier drielettergrepig; in vs. 468, in overeenstemming met het Latijn, vierlettergrepig.
voetnoot417
evel (euvel): kwaal, ziekte.
voetnoot419
omtrent: bij; godtgewijd: gewijd aan de stroomgod Peneus.
voetnoot421
gekoren: tot woonplaats gekozen.
voetnoot422
Versta: waarom is 't lot mij zo vijandig, mij, die toch uit U en Apollo geboren ben.
voetnoot427
met uw belofte en mont: waarom hebt gij met eigen woorden beloofd mij te verheffen...
voetnoot430
aendacht: belangstelling.
voetnoot431
die natuur en alle ding doorgront: welke de geheimen der natuur leert doorgronden (vgl. de prozavert.).
voetnoot432
neemt gy onlust in: mishaagt u.
voetnoot435
't zaet: de te velde staande oogst.
voetnoot439
kaerdt: gereedschap om de wol te zuiveren, oorspr.: de vol kleine weerhaken zittende bol van een soort distel, de kaarde.
voetnoot441
't Miletisch vellewerck is bijstelling bij wol; havenen: zuiveren; kemmen: kammen.
voetnoot328
glimmend: glanzend.
voetnoot331
d'eerste reis: voor de eerste keer.
voetnoot332-333
de Oceaen: de zeegod Oceanus; met gout... omgort: met een gouden gordel om de middel en de gespikkelde huid van een ree om de lendenen, dus gekleed als jagerinnen, evenals Arethuse in r. 334. - In de mythologie worden jagerinnen dikwijls stroomnimfen en omgekeerd; Asie (Asia) is hier niet een nimf; Asia, bepaling bij Deiopeia, betekent: de beemden in Asia (westelik Klein-Azië) bewonend.
voetnoot335
Vulkaens ydele bekommeringe; in verband met schalckheit in r. 336 kan bekommering hier niet betekenen bezorgdheid; de Lat. tekst heeft inanem curam: nutteloze voorzorg of voorzorgsmaatregelen; misschien bedoelt Vondel dat ook; of moet men vertalen: zijn ijdele toewijding, toegenegenheid (tot Venus)?
voetnoot336
schalckheit: sluwheid; sluickery: dieverij, heimelike minnarij; Clymene vertelt (r. 335-336) de heimelike liefde van Mars voor Vulcanus' gemalin Venus en hoe Mars en Venus Vulcanus bedrogen (deze geschiedenis - met het vervolg, hoe Vulcanus ten slotte voor de twee gelieven een kunstig net van ijzeren draden smeedt, waarin ze gevangen worden - wordt verteld in de Odyssae VIII, 266-vlg.).
overrekenen: opsommen, achtereenvolgens verhalen.
margenoot+
[Randschrift:] den zoon vernam,
voetnoot338
vast.... luisterende: bezig te luisteren.
voetnoot339
weder: ten tweeden male.
voetnoot340
in het glazen vertreck; de Lat. tekst zegt: alle nimfen zaten stom op haar kristallen zetels (sedilibus vitreis); kristallen, volgens de gewone voorstelling, die men zich maakte v.d. woningen der stroomgoden; eer: eerder.
voetnoot341
gezusters, hier in ruime zin te nemen (vgl. de opsomming in r. 328-vlg.).
voetnoot342
van verre: van het water-oppervlak naar beneden in de diepte.
voetnoot343
byster: erg, hevig.
voetnoot344
voor wien ghy meest bekommert zijt (tua maxima cura): die u het naast aan 't hart ligt.
voetnoot345
zijnen vader is onjuist: onzen.
voetnoot346
op een nieuw.... ontstelt: minder juiste weergave van perculsa nova formidine: geschokt, getroffen door een ongekende angst (misschien door plotseling opkomende angst).
voetnoot347
onbeschroomt, daar hij de zoon van een god en een nimf is.
voetnoot350
dat langs: daarlangs; berghswijs geeft de indruk weer, die een toeschouwer op de oever zal ontvangen: het water scheidt zich; Aristaeus daalt af in die vallei en de hellingen aan weerskanten sluiten en welven zich over zijn hoofd.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: vs. 460 Klymene is een vergissing van Vondel, moet zijn Cyrene.
voetnoot443
zonder vleck: vlekkeloos schoon.
voetnoot444
in den zwaey: in (haar) golving, in zwierende beweging.
voetnoot445
Verbind: Cymodoc'en; spreek uit: Thaly-e, met klemtoon op ly: lij.
voetnoot446
vry: ongehuwd.
voetnoot448
Verbind: Klië-en tot twee lettergrepen.
voetnoot451
vlack: vlek, spikkel.
voetnoot452
Asie en wordt drielettergrepig; Efyre en eveneens.
Dejopeia, klaer van oogen; klaer van oogen staat niet in de Lat. tekst. Heeft Vondel gemeend dat dit de betekenis was van de eigennaam Deiopeia? Deiopeia schijnt te betekenen: met een verdelgende blik; ook in Aen. I komt de eigennaam voor.
voetnoot453
ylen, hier: het najagen van 't wild.
voetnoot455
verhaelde vast: was bezig te vertellen.
voetnoot456
den boel: de minnaar zijner gemalin Aphródite, nl. Mars.
voetnoot458
van 's weerelts wiegh: sedert het begin der wereld.
voetnoot462
verschooten, nl. van kleur.
voetnoot469
aen de zy van zijnen vader: aan de oever van de Peneus; smartigh: smartelik (bij Hy schreit).
voetnoot471
op een nieuw: op nieuw.
voetnoot472
daetelijck, uit daetlijck (met verscherpte slotklank t uit d).
voetnoot476
wedt: water.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: r. 372 In de uitgave van 1659 (Unger, Bibliographie, nr. 425) is de brandende Vesta veranderd in: het brandende vier.
margenoot+
[Randschrift:] hem onthaelde, In het Randschrift bij r. 151: onthalen: ontvangen, tot zich roepen.
voetnoot353
hof: paleis.
voetnoot354
besloten.... van: omsloten door (waarschijnlik worden bedoeld de onderaardse oorsprongen der verschillende stromen, die in de volgende regels genoemd worden).
voetnoot355-356
Vergilius zegt: Hij aanschouwde (in stomme verbazing over....) al de rivieren, die in verschillende richting onder het onmetelike aardoppervlak stromen; omnia sub magna labentia flumina terra, zegt de Lat. tekst Is Vondels verborgen (leggen) zò te verklaren, dat hij heeft gelezen latentia i.pl.v. labentia?
voetnoot357
de Phasis en de Lycus stromen beide uit in de Zwarte Zee; de Enipeus is een rivier in Thessalië.
voetnoot358
vader Tyberijn: de Tiber; vader, als epitheton van eerwaardigheid; Anio: een tak van de Tiber.
voetnoot359
Hypanis: rivier in Scythië; die van kaien klatert: bruisende over rotsblokken; d'Eridaen: de Po.
voetnoot360
De rivieren, gepersonifiëerd als riviergoden, worden wel voorgesteld met de horens van een stier op hun hoofd; die horens zijn het symbool der vruchtbaarheid; de Eridanus heeft hier gouden horens, waarschijnlik omdat hij goudzand meevoerde.
voetnoot361
over het weelige gewas; per culta pinguia zegt de Lat. tekst: door de vruchtbare akkers (vgl. de vert. in verzen, vs. 494).
voetnoot365
de Gezusters: waarschijnlik Clio en Beroë (r. 331); geschicktelijck is de vert. van ordine: in de vereiste volgorde; ordine wijst aan, dat iedere stroomnimf haar taak, haar deel van de taak, aansluitend bij de werkzaamheden der andere, vervult; het hantwater: water om de handen te wassen.
voetnoot366
met bancket: met heerlike spijzen (epulis).
voetnoot368
kop: beker; Meonisch: gewassen op de berg Tmolus in Maeonië: Lydië.
voetnoot369
den Oceaen: Oceanus.
voetnoot370
aller dingen vader (pater rerum), omdat de oude natuurphilosofen het water als de grondstof van alle dingen beschouwden; voogdes: beschermster.
voetnoot372
Versta: de godin van de haard; de brandende Vesta is hier: de offerhaard zelf (vgl. de Tekstkritiek).
voetnoot373
boven in het dack: tot boven aan 't gewelf van de kamer.
voetnoot374
moedigen: moed doen scheppen, geruststellen.
voetnoot478
deze waterbende: het gezelschap der nimfen.
voetnoot480
moedershof: moederlik paleis.
voetnoot482
zich verbaest: versta: daer (waar) hy zich verbaest.
voetnoot484-485
Die op vele plaatsen (rondom) onder het oppervlak van de grote aardbol, diep verscholen, hun oorsprong nemen.
voetnoot486
Denk achter mê: vervolgens; de oorsprong, de bron van de Enipeus wordt voorgesteld als een breuk in een onderaardse waterader.
voetnoot488
Voor daer is de bron te denken.
voetnoot489
met een: eveneens.
voetnoot491
Mysiaen: bewoner van Mysië.
voetnoot493
Versta: met krachtiger beweging dan de door een sluis neervallende, neerbruisende waterstroom.
voetnoot494
in 't roode meer; zie de prozatekst.
voetnoot498
naer heure zede: zoals zij dat gewend waren te doen, in overeenstemming met haar taak.
voetnoot499
van zijne zusteren is waarschijnlik onjuist; zie de aant. bij de prozavert., r. 365; een deel: sommige.
voetnoot502
met Arabijnsche roocken: met Arabiese reukwerken (wierook).
voetnoot504
Lees: Meoonj'om.
voetnoot508
elck slaat op bosch en stroom.
voetnoot511
een helder voorspoock: een duidelik voorteken (om Aristeüs moed staande, levendig te houden).
voetnoot375
Versta de Aegaeiese zee, ten w.v. Creta; zich onthouden: wonen, leven; blaeuw (caeruleus): naar de kleur van de golven.
voetnoot376
zeepaerden: dieren uit de fabelleer, paarden met een vissenstaart.
voetnoot378
Emathie: landschap in Macedonië; Pallene: stad en schiereiland in Macedonië.
voetnoot379
Nereus: een zeegod, die eveneens een groot waarzegger was.
voetnoot380
dit beliefde Neptuin zoo: zò wilde het Neptunus.
voetnoot381
onbeschoft: wanstaltig, monsterachtig; zeekalf: zeehond.
margenoot+
[Randschrift:] en riet Proteus te vangen, om d'oirzaeck van het verlies zijner byen te weten.
voetnoot382
te weide drijven: hoeden.
voetnoot383
al d'oirzaeck: de gehele oorzaak (nauwkeurig de oorzaak).
voetnoot385
nochte: evenmin.
voetnoot387
zijn ydel bedrogh (doli inanes): ydel is hier prolepties gebruikt; versta: dan zult ge ten slotte zijn bedriegerijen verijdelen.
voetnoot389
in de geheimkamer (in secreta senis): in zijn verborgen vertrek (het verblijf, waarin hij zich op het heetst van de dag terugtrekt).
voetnoot390
daer: waar; zich versteecken: zich verschuilen, zich terugtrekken; van het water heeft Vondel verkeerd verbonden. De Lat. tekst zegt: quo fessus ab undis se recipit: waar hij zich vermoeid uit het water terugtrekt.
voetnoot391
betrappen: zich bij verrassing meester maken van.
voetnoot393
Dan zal hij u bedriegen (dan zal hij u trachten te ontkomen) door verschillende gedaanten en (zelfs) de gestalte van wilde dieren aan te nemen.
voetnoot394
zwijn, hier: wild varken, ever (zie de vert. in verzen); gevlackt: gevlekt (Lat.: tigris atra).
voetnoot395
zoo luide kraecken als een vlam: 't geluid geven van (zich veranderen in) een knetterende vlam.
voetnoot397
in dun water, lett. vert. uit: in aquas tenues (in vluchtig, ongrijpbaar water).
voetnoot400
eerst zaeght in slaep gevallen; versta: zaagt, toen hij pas in slaap gevallen was.
voetnoot514
zich houden: zich ophouden.
voetnoot516
deel: streek (zie Ndl. Wdb. III, i.v. deel II, kol. 2329).
voetnoot517
paelen: gebied.
voetnoot518
onthaelen: ontvangen, inhalen (met eerbetoon).
voetnoot520
gevallen: behagen; zie verder de prozatekst.
voetnoot522
vertragen door 't eeuwigh slaepen: log en vadsig worden door voortdurende slaap.
voetnoot529
des middagh, drukfout? of is de genitief-s onder invloed van steecke weggelaten; vgl. Van Helten § 64.
voetnoot530
in die streecke; de Lat. tekst geeft geen nadere plaatsbepaling; men kan hier natuurlik niet denken aan de onderzeese 'weiden'.
voetnoot531
Het vee geheel verquick'; het aangenaamst is voor het vee, zegt de prozavert.; binnen 'slots: vgl. binnenskamers, binnenshuis.
voetnoot538
vieren (vuren), bij oogh weer te geven door vlammen; bij tanden door hete, briesende adem, die als vuur uit de keel komt.
voetnoot539
't schubbigh draeckevel: een draak met zijn geschubde huid.
voetnoot543
in een bron: in water.
voetnoot544-545
Versta: hoe meer hij zich inspant zich te veranderen in allerlei gestalten (zich is maar éénmaal uitgedrukt).
voetnoot401
en goot eenen helderen geur van Ambrosie (odorem liquidum ambrosiae) uit: ambrosia: welriekende zalf der goden; hier in vloeibare vorm (als olie), liquidus; dus: welriekende vloeibare ambrosia; Vondel geeft liquidus hier minder juist weer door helder.
voetnoot402
al haer zoons lichaem: het gehele lichaam van haar zoon.
voetnoot404
een levendige kracht (vigor habilis): een bruisende levenskracht.
voetnoot405
Ter zijde in eenen uitgekabbelden bergh; versta: In de flank van een door 't water uitgeholde (uitgeschuurde) berg.
voetnoot406
is een onjuiste vert. De Lat. tekst zegt: waarin veel water door de wind wordt opgestuwd en, brekend tegen de rotswand, terugwielt; doorgaens: zonder ophouden.
voetnoot407
onweder: noodweer, storm.
voetnoot409
met: door middel van, achter; vreesselijck: geweldig; zich opsluiten: zich afzonderen.
margenoot+
[Randschrift:] Beschrijvinge der Hontsdagen.
voetnoot412
ontsteken: in gloed zetten; den dorstigen Indiaen: de van dorst versmachtende bewoner der hete gewesten in Indië.
voetnoot413
ten middenwege aen den hemel: het hoogtepunt bereikt hebbende.
voetnoot414
op het hooft is een toevoeging van Vondel.
voetnoot415
kil: bedding; hol: half uitgedroogd.
voetnoot416
verzoden (van verzieden): in waterdamp opgingen; wanneer: toen.
voetnoot417
gebroetsel: gedierte (bewoners); der wilde zee; Lat.: ponti vasti: van de onmetelike zee.
voetnoot418
spuite (vroeger zwak): spoot.
voetnoot419
veelerhande zeerunders, onjuiste vert. van phocae diversae: de zeehonden overal verspreid.
voetnoot420
wel eer; 't Lat. olim kan hier beter worden weergegeven door: soms.
voetnoot422
de wolven: de vraatzucht of honger der wolven; niet: midden op een steenklip, maar: op een klip te midden van zijn kudde.
margenoot+
[Randschrift:] Aristeus vangt Proteus,
voetnoot423
overtellen: (met de klemtoon op tellen): óvertellen, natellen; deze gelegentheit vóórkomende: toen deze kans zich voordeed (wachtte A. nauweliks af).
voetnoot424
leedt naulix: kon nauweliks wachten; de grijze: de grijsaard.
voetnoot425
met luider kele: een luide kreet uitstotend; knevelen: boeien, binden.
voetnoot426
d'ander daerentegen, lett. vert. van ille contra: deze van zijn kant.
voetnoot549
daer beneden: in haar winterpaleis.
voetnoot552
een ziel en kracht: een bezielde kracht.
voetnoot557
verzekert schuilen: zich bergen (zich in veiligheid stellen) en schuilen.
voetnoot560-561
Versta: zij verborg hem, door hem in de duisternis van deze spelonk te hullen.
voetnoot563
de Hontstarre is Sirius, de planeet, die in de Hondsdagen tegelijk met de zon opkomt.
voetnoot564
haer versmachte vrucht: en haar naar water dorstende gewassen.
voetnoot566
verlegen: krachteloos, uitgeput.
voetnoot567
bloot: bloot gelegd, doordat al het water reeds was verdampt.
voetnoot570
leven: wemelen.
voetnoot572
In vreemt (van zonderlinge gedaante?) en groot getal heeft Vondel waarschijnlik het woord veelerhande van de prozatekst willen uitdrukken.
voetnoot573
zoo voor als achter: zowel vooraan, als meer achterwaarts, overal.
voetnoot578
om op zijn wit te micken: om zijn doel te bereiken.
voetnoot579
Aristeüs, vierlettergrepig; vgl. daarmee vs. 414.
voetnoot581
van lust gedrongen: zonder zich langer te kunnen bedwingen.
voetnoot583
en knevelt hant aen hant: en bindt hem de handen aaneen; hier tegens aen: op tegenweer bedacht.
voetnoot584
verkeeren: veranderen.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: r. 431 In de derde druk (Unger, Bibliographie, nr. 423) is geboodt veranderd in riedt; de Lat. tekst heeft jussit.
voetnoot427
wonderlijck: op wonderbaarlike wijze.
voetnoot429
ziende door geen bedrogh t'ontglippen: ziende dat geen enkele list hem kans gaf te ontsnappen; quam tot zich zelven (in sese redit): hernam zijn oorspronkelike gedaante.
voetnoot433
misley my slechts niet; versta: misleid gij van uw kant mij dan ook niet.
voetnoot434
het orakel is Proteus (zie de vert. in verzen).
voetnoot435
in onze verlegenheit (rebus lapsis): in onze wanhopige toestand.
voetnoot436
zeer pijnelijck is de vert. van vi multa: zich geweld aandoende; zijn gloeiende blikken en zeegroen gezicht: zijn ogen, schitterend van een groene glans.
voetnoot438
geluck zeggen: de weg naar 't geluk wijzen; de toekomst duiden (resolvit sic ora fatis).
margenoot+
[Randschrift:] die ontdeckt hem, hoe het schaecken van Eurydice dit jammer veroorzaeckt: In het Randschrift bij r. 439: ontdecken: openbaren.
voetnoot439
ghy bedreeft een groot lasterstuck: gij hebt een schandelike misdaad begaan; Vondel heeft waarschijnlik in zijn Lat. tekst gelezen: magna lues commissa en lues opgevat als subst.; een meer gevolgde lezing is magna luis commissa: gij boet voor een groot misdrijf; welke die misdaad is, blijkt uit het vervolg: Aristaeus vervolgde Euridice, de gemalin van Orpheus; in haar angst en haast om de belager te ontkomen, zag zij niet de slang, die haar beet en haar dood veroorzaakte (zie Ovidius, Met. X, 1-85).
voetnoot440
ellendig: beklagenswaardig.
voetnoot441
schutten: keren; de Lat. versregels waarvan r. 440-441 de vert. is, luiden: tibi has miserabilis Orpheus haudquaquam ob meritum poenas.... suscitat: Orpheus, beklagenswaardig om zijn onverdiend ongeluk, berokkent u deze straf; Vondels onjuiste vert.: een zwaerder straf als ghy verdiende, is hieraan toe te schrijven, dat hij haudquaquam ob meritum (behorende bij miserabilis) verkeerd heeft verbonden.
voetnoot442
schaecken; blijkens de vert. in verzen (vs. 606) doelt Vondel hiermee op Aristaeus' poging om zich van Euridice meester te maken en haar te onteren; Vergilius kan bedoeld hebben: Orpheus is hevig verbitterd, dat Euridice hem door de dood is ontvoerd.
voetnoot443
dat veege maeghdeken: die ten dode gedoemde jonge vrouw; puella is door Vondel vertaald met maeghdeken; maar puella wordt in 't Lat. ook gebruikt voor jonge getrouwde vrouw.
door den vliet (Lat. per flumina); beter is: langs de vliet.
voetnoot446
eenstemmigh haalt Vondel uit (chorus) aequalis. De bedoeling van 't Lat. is: de boomgodinnen, haar gezellinnen.
voetnoot447
Rhodope en het Pangeesche gebergte liggen in Thracië.
voetnoot448
Rhesus: Thracies koning, bondgenoot van de Trojanen tegen de Grieken; de Geten: een volksstam ten noorden van de Beneden-Donau; de Hebrus: een rivier in Thracië (nu de Maritza).
voetnoot449
Orithye: Atheense koningsdochter, door Boreas, de Noordewind, naar Thracië ontvoerd en aldaar als nimf vereerd; vedel; de Lat. tekst heeft testudo: lier.
voetnoot587
Als.... ontslippen, daer hy leght: Wanneer Proteus, geboeid neerliggende, geen kans ziet aan hem te ontsnappen.
voetnoot592
magh: vermag, kan.
voetnoot595
uwen mont is datief-object.
voetnoot597
vast: steeds (die niet aflieten te gloeien).
voetnoot600
waer zijn zegen in bestont: waardoor hij een gelukkig lot zou kunnen verwerven.
voetnoot602
getreden van veele jammeren: terneergedrukt onder, overstelpt door groot verdriet.
voetnoot603-605
Zie de aant. bij de prozavert., r. 440-442.
voetnoot605
door eerloos blaecken: door uw schandelik minnevuur.
voetnoot606
die.... woudt schaecken: versta: omdat gij woudt schaken; bruit: jonge gemalin.
voetnoot608
vernam 't geen waterslang: zag het niet die waterslang.
voetnoot609
den oever beslaen (bedekken): zich ophouden aan de oever.
voetnoot610
voort: aanstonds.
voetnoot611
algelijck: altezamen.
voetnoot612
Lees: Rodoop'en.
voetnoot614
Vondel neemt hier blijkbaar Orithye (bij vergissing?) voor de streek, waar Orithye zich gewoonlik ophield.
voetnoot450
zijn bedruckte liefde sussen: zijn liefdessmart verzachten, lenigen.
voetnoot451
by zich zelven: in afzondering.
margenoot+
[Randschrift:] en verhaelt Orfeus vruchtelooze hellevaert.
voetnoot452
Oock, ter vert. van etiam: zelfs; naer den mont des afgronts: (daalde hij af) in de kaken (langs de ingang) van de onderwereld.
voetnoot453
naar: duister, somber; de geesten: de schimmen (die in het 'bosch' verblijf houden).
voetnoot454
den.... Koningk: de gevreesde Pluto; daer: waar.
voetnoot455
dun: ijl.
voetnoot456
verhuisden uit d'onderste huizingen: kwamen toestromen uit de diepste gewesten der onderwereld.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van ontelbaere vogelen.
voetnoot457
by.... duizent: in zo vele duizenden.
voetnoot459
grootmoedig (magnanimus): fier.
voetnoot460
vryer: jonkman; van: door. - De regels 459-461 vindt men ook in Aen. VI, r. 341-343.
voetnoot462
jammerpoel is de vert. van Cocytus: een moerassige stroom in de onderwereld.
voetnoot463
't onbevaerbaere meir; de Lat. tekst heeft: palus inamabilis: het afschuwelik moeras; heeft Vondel i.pl.v. inamabilis een ander bijv. nw. gelezen?; de Hellevliet is de rivier de Styx, die met negen windingen de onderwereld omsluit.
voetnoot464
gekeert en geschut: gevangen gehouden, opgesloten.
voetnoot465
de huizingen, en de bodem des vergetelstrooms is de vert. van domus atque intima Leti Tartara: de huizen des Doods (en) het binnenste van de Tartarus (des doods); Vondel heeft gedacht aan Lethe: de rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen moesten drinken om het verleden te vergeten, terwijl de Lat. tekst heeft letum: dood; de Razernyen: de Furiën, wraakgodinnen.
voetnoot466
opsnoeren: opmaken, dooreenvlechten.
voetnoot467
de Helhont: de driekoppige helhont Cerberus; stont en gaepte...: stond met drie wijd open muilen.
voetnoot468
Ixions radt; zie Lantgedichten III, r. 48-49.
voetnoot470
hem hoort zowel bij toegestaen als bij volghde. Euridice was aan Orpheus toegestaen (teruggegeven) door Proserpina, de gemalin van Pluto, op één bepaalde voorwaarde, nl. dat Orpheus zou voorgaan naar de bovenwereld, en niet mocht omzien naar de hem volgende Euridice. Vergilius noemt die voorwaarde niet nader; zo blijft de aandacht bepaald bij Orpheus.
voetnoot471
wanneer: toen; reuckeloos: onbedachtzaam, onvoorzichtig; haestigh: plotseling.
voetnoot472
een dolheit: een vlaag van verstandsverbijstering; wisten de helsche Goden....: als maar de goden van de onderwereld wisten (te verschonen, vergeven)
voetnoot473
dies: waardoor, zodat.
voetnoot620
oort, vroeger manl.; schaduwdicht geeft een nadere verklaring van naer (met dichte, dikke schaduwen).
voetnoot621
den vorst der gruwzaemheden: de vorst van het rijk der verschrikkingen; bij spreecken is grammaties oock ging hy te denken.
voetnoot622
vermurwt, bij een intr. werkw. vermurwen.
voetnoot624
versteecken, oudere vorm voor 't verl. deelw. verstoken; noch: nochtans.
voetnoot626
sterck: talrijk.
voetnoot629
vorm: gestalte(n).
voetnoot632-633
op hout en lijckvier: op de brandstapel van hout (waarop het lijk werd verbrand).
voetnoot635
veer: drukfout voor meer? Of heeft Vondel gedacht aan Charon, de veerman der onderwereld, die alleen het recht had op de onderaardse stroom te varen?
voetnoot637
laegh gezoncken: diep.
voetnoot638
's nachts vergeetvliet: de duistere Lethe; aen 't proncken met...: die met stuurs gelaat, op afschrikwekkende wijze... tonen (dragen); Razerny voor Razernyen.
voetnoot640
onberoert: roerloos, bewegingloos.
voetnoot645
Lees: Euridic'in; in ons lucht: in de aardse lucht (gewesten).
voetnoot648
van: door.
voetnoot474
zonder eens om te dencken: zonder te overwegen, wat de gevolgen zouden zijn; de voorwaarde geheel vergetend.
voetnoot475
liep: ging.
voetnoot476
het verdragh.... lagh in stucken: de overeenkomst met de onmeedogende vorst was verbroken.
voetnoot477
een naer geschrey: een angstwekkend geluid (kreet); de Poel van Avernus: de onderwereld; het meer Avernus ligt in Campanië; volgens de sage was hier de ingang naar de onderwereld.
voetnoot478
bederven: in het ongeluk storten.
voetnoot479
gingk u over: beving u.
voetnoot480
de slaep luickt mijn beschotene oogen: de doodsslaap sluit mijn brekende ogen.
voetnoot481
met eenen geweldigen nacht omcingelt: (ik word weggevoerd) in een dichte nevel, die mij omgeeft (circumdata nocte ingenti).
voetnoot484
schaduwe: schim.
voetnoot485
nochte de helsche veerman leedt oit: en Charon (de veerman van de onderwereld, die de schimmen der afgestorvenen over de Styx voer) duldde niet, dat hij ooit enz.
voetnoot488
vermorwen: vermurwen; koudt: als een kille dode; de Stygische boot: de veerboot van de Styx.
voetnoot490
onder een rots, in de lucht; Lat.: sub rupe aëria: onder een hoog oprijzende rots.
voetnoot491
de Strymon is de voornaamste rivier van Thracië.
voetnoot492
dit besteende: zijn verlies betreurde, beweende; beroerde: ontroerde.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis van den nachtegael, die zijn jongen mist.
voetnoot493
beweeghde; bewegen was oudtijds sterk en zwak; hoedanigh: op dezelfde wijze als; Filomele: de nachtegaal.
voetnoot494
by een' ruwen huisman beloert: door een ongevoelige boer bespied (ontdekt); beloeren: al loerende vinden; dies: daarover (weent de moeder).
voetnoot652
van min.... verwonnen is een bcpaling bij hy (Orpheus): zich in zijn onverstand door zijn liefde latende meeslepen, verleiden.
voetnoot653
't bedongen: datgene wat bedongen was, wat als voorwaarde was gesteld.
voetnoot654
Versta: Toen was hij weer even ver, als op 't ogenblik toen hij zijn moeitevolle tocht begon.
voetnoot655
bondigh: bindend, dat hem gebonden had aan bepaalde voorwaarden.
voetnoot656
daetelijck: metterdaad.
voetnoot658
Zy: Euridice.
voetnoot659
vernielen: in 't verderf storten.
voetnoot660
zonder tegenstaen: zonder dat ik mij kan verzetten; onweerstaanbaar.
voetnoot665
niet vermogen: krachteloos zijn.
voetnoot667
veer: ver weg.
voetnoot668
een groote smert: wat haar met diepe smart vervulde.
voetnoot674
geestendom: de schimmen; de machthebbers in het rijk der schimmen.
voetnoot678
lip: boord.
voetnoot683
om leegh: van omlaag (onder de boom staande).
voetnoot684
En lichte 't kaele nest: en de nog kale jongen uit het nest haalde; nest: broedsel:
voetnoot686
den rouw weet uit te meeten met haere jammerklaghte: eindeloos weeklaagt over haar verdriet.
voetnoot498
zijnen rouw: het leed van Orpheus.
voetnoot499
verzetten: verjagen, doen ophouden; het Noortsche ys: de ijsvlakten der Noordelike gewesten.
voetnoot500
de Tanaïs: een rivier in Scythië, tegenwoordig de Don; de Rifeesche ackers: de Noordelike vlakten van Scythië.
voetnoot501
Plutoos vruchtelooze gifte (Ditis dona irrita): hem tevergeefs door Pluto teruggegeven.
voetnoot502
Cikonisch: de Cikoniërs zijn een volk in Thracië aan de Hebrus; van hem afgeslagen: door hem versmaad.
voetnoot504
den verscheurden jongelingk (juvenem discerptum): de leden van de jongeling, nadat ze hem in stukken gescheurd hadden (uit woede over haar versmade liefde).
voetnoot505
zijn marmeren hooft; de Lat. tekst zegt: zijn hoofd, van de marmerwitte hals gerukt.
voetnoot506
Eagrisch, bijv. nw. bij Oeagrus; zo heette de vader van Orpheus, die vorst was over 't gebied, waardoor de Hebrus stroomt.
voetnoot507
ellendig: rampzalig.
voetnoot510
de wieling: de (daardoor ontstane) draaikolk.
voetnoot511
hielt stant: bleef (verdween niet); eerst (ultro): dadelik (zonder op een woord van zijn kant te wachten); saechachtig: in verslagenheid.
voetnoot512
Dit is....; versta: uit de woorden van Proteus weet ge nu, dat dit....
voetnoot514
zy: Euridice; in de hooge wouden; Lat.: in lucis altis: diep in de heilige wouden; ten reie gaen: reidansen uitvoeren.
margenoot+
[Randschrift:] Cyrene raet Aristeus de Nymfen en Orfeus en Eurydice met offerhande te verzoenen.
voetnoot515
Bie: bied.
voetnoot516
gaven: offergaven; eeren: vol eerbied aanbidden.
voetnoot517
om uwe kerckbeloften: ter wille van uw geloften (om te offeren).
voetnoot518
geschicktelijck (ordine): op de vereiste wijze.
voetnoot520
de Lycaeus: een berg in Arcadië; zoo veel: even veel.
voetnoot522
kercken: tempels, heiligdommen.
voetnoot523
in een boomrijck woudt; versta: in het dichte (bladerrijke) woud.
voetnoot524
Wanneer.... daeghde; dus: op de negende dag.
voetnoot689
paeien: doen bedaren.
voetnoot692-693
't gewelt en 't schaecken: de gewelddadige schaking, roof.
voetnoot694
heel droncken: geheel door wijn bevangen.
voetnoot695
versteecken van zijn min: door hem (zijn liefde) versmaad; verscheuren, meerv., in aansluiting bij 't meerv. begrip in vrouwvolck; bij verscheuren is jongling in vs. 697 als voorwerp te denken; dol van geest: in razernij.
voetnoot700
vol schroom: met reeds bijna onhoorbare stem, flauw.
voetnoot701
Lees: Euridic' och; wederbaeuwen: als echo herhalen.
voetnoot702
galm op galm verflaeuwen: steeds zwakker klinkt de weergalm.
voetnoot705
't moeders hart: de liefhebbende moeder.
voetnoot706
vertsaeght: bevreesd, verslagen.
voetnoot708
de boschrey: de rei der bosnimfen.
voetnoot709
zy: Euridice.
voetnoot710
vergouden (vergolden): betaald gezet, gestraft.
voetnoot715
afrechten (africhten) op gebeên: leren hoe gij moet bidden (en offeren).
voetnoot720
na'et slaen: na (het toebrengen van) de dodelike slag.
[tekstkritische noot]TEKSTKRITIEK: r. 532. In de twee eerste drukken (Unger, Bibliographie, 421, 422) staat Orfeus lijckoffer.
voetnoot525
vergetenisbarende mankop: papaver, die hem moge doen vergeten en vergeven.
voetnoot526
een zwart schaep; zwart, omdat het bestemd is tot lijkoffer; de verzoende Eurydice; E. is reeds verzoend door de eer, die aan Orpheus' schim bewezen zal worden.
voetnoot527
vaerze: jonge koe.
voetnoot529
stelt.... op haer gebodt toe: richt... volgens haar voorschrift op.
voetnoot532
Orpheus lijckoffer: het zoenoffer in r. 525 genoemd.
voetnoot533
ze: Aristaeus met degenen, die hem helpen bij de offerplechtigheid; haest: plotseling.
voetnoot534
het gespreide ingewant; Lat, viscera liquefacta: de in ontbinding overgegane ingewanden.
voetnoot535
om hoogh aen eenen boom: in de top van een boom.
margenoot+
[Randschrift:] Gelijckenis.
voetnoot536
tors: tros.
voetnoot537
taei: buigzaam, neerbuigend.
margenoot+
[Randschrift:] Besluit des Dichters.
voetnoot539
Cesar: Augustus; gelijck een blixem oorlooghde (fulminat bello): zijn oorlogsbliksem neerschoot; om hoogh aen den Eufraet; versta: aan de diepe Eufraat (ad altum Euphraten).
voetnoot540
zeeghaftigh: zegevierend; gehoorzaem: bereid (zijn) gezag te erkennen.
voetnoot541
naer den hemel: naar de onsterfelikheid (naar de Olympus); In Augustus van het jaar 30 v. Chr. trok Octavianus (Augustus) uit Egypte naar Azië en herstelde in dat wingewest de rust. In 29 keerde hij terug en las Vergilius hem de Landgedichten voor.
voetnoot542
voede (alebat) het aengename Parthenope my: verwijlde ik in het lieflike Napels; die in d'oefeninge van een onvermaerde ledigheit groeide: die mijn behagen vond in de beoefening van mijn nederige dichtkunst (lett.: van een roemloos nietsdoen, tijdverdrijf); onvermaerd, in tegenstelling met de roemrijke daden van Augustus.
voetnoot544
moedigh op mijn jeught: met de (overmoed), de jeugd eigen. Voor de slotwoorden vergelijke men het begin van de Eerste Herderskout.
voetnoot725
heul, en mankop, zaet, en blaeren: zaadbollen en bladeren van de papaver (= heul = mankop).
voetnoot727
het, versta: een; b ezoeck, hier: bezoek weer; hier toe: ook, bovendien.
voetnoot729
raeden: voorschriften.
voetnoot732
uitgelot: (lett.: door het lot aangewezen) uitgezocht.
voetnoot733
drift: kudde.
voetnoot734
groeien: (langzaam) aan de horizon verschijnen.
voetnoot736
het kerckwoudt: het heilige woud.
voetnoot737
om gelooven: om te geloven.
voetnoot739
teffens: tegelijkertijd.
voetnoot744
het honighwerck: de bijenteelt en het winnen van de honing; een ieder op zijn stê (van elk onderwerp op de vereiste plaats); versta: dit zong ik achtereenvolgens van...
voetnoot745
opgetogen (vgl om hoogh in de prozavert.): naar het bergland (van de Eufraat) getrokken.
voetnoot747
zeeghaftigh uitvoert: met de overwinning bekroont.
voetnoot749
omtrent: in; voesteren: vgl. voedt in de prozatekst.
voetnoot750
brave geesten: wakkere vernuften.
voetnoot752
lantbespiegeling: de studie van het landleven.
voetnoot755
halm: veldfluit; dus onbelaên (bepaling bij u): zo onbezorgd levend.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken

Over het gehele werk

titels

  • De werken van Vondel (10 dln) (WB-editie)


auteurs

  • Leo Simons

  • C.R. de Klerk

  • J. Prinsen J.Lzn

  • H.W.E. Moller

  • B.H. Molkenboer

  • J.F.M. Sterck

  • L.C. Michels

  • C.G.N. de Vooys

  • C.C. van de Graft

  • A.A. Verdenius