Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 45


auteur: [tijdschrift] Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap


bron: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 45. Johannes Müller, Amsterdam 1924


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 32]

Eenige brieven van Caspar van Baerle aan Lieuwe van Aitzema,
Medegedeeld door Dr. G. Das.

In de schriftelijke nalatenschap van Lieuwe van Aitzema bevinden zich een vijftal brieven van Caspar van Baerle, die een aardige bijdrage vormen tot de kennis van diens leven in de moeilijke jaren, die liggen tusschen zijn ontslag als subregent van het Statencollege te Leiden en professor aan de Leidsche Universiteit in Juli en Augustus 1619 en zijn benoeming tot hoogleeraar te Amsterdam in 16311).

Uitvoerig is deze periode beschreven door Worp in den 4en jaargang van Oud-Holland (1886).

Hard heeft Van Baerle in dezen tijd moeten werken, om in het onderhoud van zich en zijn gezin te voorzien. Vijf à zes uur per dag gaf hij les, levend in de hoop, dat eenmaal een genadige godheid hem de woorden van Martialis toe zou roepen:

Vis...... quantum

Accipis ut clames, accipere ut taceas2).

En wat bracht dat lesgeven hem dan nog op? Een vriend uit Sneek heeft hem gevraagd, of hij hem raden durft, naar Leiden te komen. Van Baerle wil hem niets ààn- of àfraden, maar het eerste durft hij toch het minst,

[p. 33]

want al is er veel, dat Leiden aantrekkelijk maakt, hoe moeilijk valt het in het algemeen den gestudeerde aan den kost te komen. Voor een half jaar les geven ontvangt hij van sommige leerlingen acht of negen gulden, en wanneer iemand er elf ontvangt, mag hij zich wel zeer gelukkig achten1).

Onwillekeurig vraagt men zich met zekere verwondering af, waarom hij dan van zijn medische bevoegdheid geen gebruik gemaakt heeft. Immers, kort na zijn afzetting trok hij naar Caen, waar hij den graad van doctor medicinae haalde.

Naast de redenen hiervoor door Worp genoemd (hij werd te zeer aangedaan door de ellende van anderen en minachtte een wetenschap, die grootendeels op gissingen berustte) mag men zeker ook wel aanvoeren, dat Leiden zooveel doktoren had als de Atheensche republiek tyrannen, waarvan er drie of vier een behoorlijke praktijk hadden; de rest echter voert den eervollen dokterstitel in armoede2).

En toch, hoe kranig slaat Van Baerle zich door alle moeilijkheden heen; hoe weinig zijn alle zorgen en ellende in staat zijn belangstelling te verminderen of zijn werkkracht te fnuiken. ‘Hactenus velut miseriarum ergastulo inclusus scripsi ea quae scripsi, obstrepantibus bonae menti curis domesticis. Iis nonnihil expeditus forte meliora potero, aut magis seria dico forte, nam inclusas caveis aviculas et occaecatas melius canere ferunt3).

Behalve door aan hooggeplaatste personen lofdichten op te dragen, wat hem eenige malen een belooning in klinkende munt bezorgde, verdiende Van Baerle er wat bij door jonge menschen in huis te nemen en het is voornamelijk hierop, dat onderstaande brieven betrekking hebben.

[p. 34]

Een hiervan, nl. den tweeden, vindt men ook argedrukt in Brandt's uitgave op blz. 251, echter geheel op de hem eigen wonderlijke wijze: ik telde niet minder dan drie en dertig wijzigingen van meer of minder beteekenis. Enkele dezer wijzigingen zijn zeer zeker aan gemakzucht toe te schrijven. Zoo laat Brandt meer dan eens een passage of woord eenvoudig weg, wanneer het maar eenigszins onduidelijk geschreven is. Dit zal bijvoorbeeld de reden zijn, waarom hij in den zin eindigend met ‘desperationem in indignationem, pene dixerim furorem vertit’ de woorden pene dixerim weglaat.

Meer dan eens ook acht hij zich geroepen een passage te verduidelijken en al slaagt hij daarin soms wel, meestal gelukt dit toch niet zonder den tekst op de zonderlingste wijze geweld aan te doen. En zoo blijft men verbaasd over de manier, waarop Brandt met de manuscripten van zijn schoonvader meende te mogen omspringen1).

Niet alleen dus het feit, dat de brief van 20 Oct. '28 behoort bij de andere vier, maar ook dat men hem hier in den oorspronkelijken vorm vindt, moge de plaatsing in deze Bijdragen motiveeren.

 

Over den inhoud der brieven nog een en ander, om niet genoodzaakt te zijn den tekst te zeer door aanteekeningen te onderbreken.

De eerste twee brieven spreken voornamelijk over zekeren Hegenitius, die eindelijk zijn vaderland Duitschland weer bereikt heeft. De jonge man, van wien hier een zoo weinig sympathiek beeld gegeven wordt, is de schrijver van een in de 17de eeuw veel gelezen reisverhaal Itinerarium Frisio-Hollandicum, vaak samengebonden met het Itinerarium Gallo-Brabanticum van Ortelius (Leiden 1630), in 1661 nog eens uitgegeven samen met een derde werkje nl. Georgii Loysii Pervigilium Mercurii.

Beckmann behandelt in het tweede deel van zijn Literatur älterer Reisebeschreibungen (Göttingen 1810)

[p. 35]

het reisverhaal van Hegenitius, dat meer op een verzameling van grafschriften gelijkt, maar toch typeerend is voor datgene, waarnaar de belangstelling van den geletterde dier dagen uitging. Beckmann heeft echter tevergeefs naar eenige sporen van Hegenitius' verblijf in Holland gezocht. In verband met de opdracht van het werk aan Arnold van der Myle en Frederik Lodewijk van Aitzema dacht hij een oogenblik aan een Leidsch hoogleeraar, maar zijn naam kwam onder de professoren der Leidsche Universiteit niet voor.

Wel was Beckmann op den goeden weg, toen hij aan Leiden dacht, want Hegenitius was eenigen tijd samen met Van der Myle en Aitzema, een zoon van Foppe van Aitzema, bij Barlaeus thuis. Dit had Beckmann kunnen weten uit een plaats der Epistolae (uitgave Brandt, p. 236), waar het in een brief aan Foppe Aitzema heet: ‘Sed de Hegenitio propius statuas oportet. Nec enim ephoris duobus filio tuo opus1); nec ut Aretalogum illum2) diutius apud me detineam patitur rei familiaris ratio. An in Angliam, an Galliam abire, an in Germaniam redire velit, pendet animi’.

Deze plaats is echter tot nog toe over het hoofd gezien en Brandt heeft in den in zijn uitgave opgenomen brief van Barlaeus aan Lieuwe van Aitzema Hegenitius veranderd in Aretalogus iste, zoodat men alleen door vergelijking met den brief aan Foppe van Aitzema bemerken kon van wien in den brief aan Lieuwe eigenlijk sprake was.

Maar het wordt nu volkomen duidelijk, hoe Hegenitius, als hij in zijn Itinerarium een opsomming van de merkwaardigheden der Leidsche Universiteit en van haar verzamelingen begint (zelfs de zeven steenen, gevonden in

[p. 36]

het lichaam van den professor medicinae Heurnus worden niet overgeslagen) deze in kan leiden met de woorden: ‘Hij zou wel een Argus moeten zijn, die zoo'n menigte zaken tegelijk en op eenmaal en dan nog met uiterst belangstellend oog zou willen zien. Maar ik had voldoenden tijd en kon van het meeste aanteekening houden’1).

Ook wordt het maar al te duidelijk, waarom hij van den Leidschen kring, in welks midden hij toch eenigen tijd (hoe lang precies bleek mij niet) verkeerde, in 't geheel geen melding maakt, terwijl hij b.v. wèl met eere noemt den ‘vir litteratissimus Meinardus ab Aissema’, die hem de merkwaardigheden van Dokkum liet zien.

Uit het laatste gedeelte van den brief van Sept. '28 zien we bovendien, dat Van Baerle behalve den genoemden Hegenitius nog twee Duitschers in huis had en dat Hegenitius gepoogd heeft, zijn landgenooten tegen de anderen op te zetten.

Wat zal moeder Van Baerle, die zelf in dezen tijd zes kinderen had, waarbij van zes, vier en twee jaar, het druk gehad hebben!

 

Over de brieven van 4 en van 14 Nov. '28 heb ik zeker minder te zeggen. Niettemin werpen ze een typisch licht op den man, die het zoo moeilijk heeft, die niet rechtstreeks vragen dùrft, maar die toch ook niet langer zwijgen kàn.

‘Dat ik van U zou vragen, dat men mij dat geld zou zenden, kan mijn gevoel van eer niet verdragen’ en even verder weer: ‘De som van mijn rekening is 159 gulden, die ik niet zou willen, dat men mij zond eenigszins tot ongerief van U’.

Ten slotte zien we, dat het geen phrases zijn, wanneer hij ergens aan Willem de Groot schrijft, dat hij een waar opvoeder van zijn jonge huisgenooten wil zijn2). Zoo raadt hij Frederik Lodewijk aan, geen boeken te koopen buiten zijn raad om en nog minder zijn geld aan onnutte dingen te verdoen.

[p. 37]

En dan nog die laatste brief naar aanleiding van zijn nieuwen dichtbundel. Me dunkt, de paar dichtregels, die hij hier neerschrijft, verdienden minstens evenzeer een plaats onder zijn Poemata als de vele lofdichten. Daarbij is het niet onbelangrijk te zien, hoe mannen als Aitzema en Barlaeus de houding van Christiaan IV in 1629 beoordeelden. Hij kan zijn paarden houden, immers door den Stadhouder aangenaam te zijn hoopt hij het volk (den kooplieden) te kunnen schaden; hij vermeerdert de belasting en houdt de schepen vast, maar niet door paarden, doch door zeilen wordt de schipper gebaat.

 

G.D.

I. Barlaeus aan Aitzema 7 Sept. 1628
(VII Idus Sept. '28).

D. Hegenitio, ornatissime Aissema, postrema illa verba locutus fui in hunc fere sensum: Nobilissimum D. Legatum ab Aissema1) maximas illi gratias agere, quod fidum hactenus se comitem filio suo2) praebuerit, et in Academiam hanc ipsum perduxerit: eundem officia sua omnia ipsi perhumaniter offerre, rebusque ipsius felicia quaevis ac prospera precari; filium vero suum disciplinae meae deinceps ac curae totum commovere. Ad haec respondit Bene esse. Addidi ego de meo haec verba: Dominus3) sibi prospiciet de alia mensa.

Respondit faciam. Nullo alio sermone aut ipsum compellavi ego aut ipse me. Paucis tamen post horis apud

[p. 38]

fratrem tuum1) conquestus fuit, me inhumaniter ipsum excepisse et ignominiose dimisisse. Noli mirari. Iam ante didiceram eo ipsum esse animo, ut leges ferre malit quam accipere, et nescio qua stolida persuasione contemni se putet ab iis, quos ad imperia sua minus obsequentes habet.

Quod si minus blando sermone ipsum dimisissem, nihil immerito accidisset. Nec enim se convictorem mihi praebuit, sed dictatorem. Cum reversi domo contubernales alii loco solito in mensa consedissent, more hic recepto, ille hoc contemptum sui et gentis Germanicae (en iecur hominis) interpretatus fuit et patritiis artibus hoc ipsum optimis adolescentibus cognato tuo aliisque duobus Germanis Hamburgensibus persuadere conatus fuit, ut nostrates cum exteris committeret et hos convictui meo ac contubernio subduceret, quod et se facturum minans effutivit. Putidum foret reliqua sigillatim persequi. Nisi a domino legato responsum in singulos dies expectassem, iam ante ipsi abeundi potestatem fecissem. In Angliam cogitare videtur, sed pendet adhuc animi.

Ex illorum numero esse arbitror, quibus omne solum patria est.

Vale, vir doctissime, et D. Legatum ab Aissema, patruum tuum, meis verbis plurimum salvere jube. E musaeo nostro

 

Lugd. Bat. VII Idus Sept. 1628

Tui Studiosissimus

Caspar Barlaeus M.D.2).

II. Barlaeus aan Aitzema 20 Oct. 1628.

Amplissimo viro D. Leoni ab Aissema C. Barlaeus S(alutem) P(lurimam) D(icit)3).

[p. 39]

Tandem Germanos suos repetiit Hegenitius1) noster, postquam Brittanniam2) adeundi spem ambitioni donasset. Discessurus a cognato tuo3) petiit centum daleros imperiales. Sed prudenter ille regessit non esse sibi a parentibus factam potestatem de pecuniis pro lubitu disponendi. Omnino arbitror in Brittanniam ipsum abiturum fuisse, si summula ista emungere adolescentem potuisset4). Iam5) a Principe suo Luneburgico (nihil enim nisi Principes et Barones6) crepabat) se ilicet domum revocatum ajebat, sed opinor a bonae mentis sorore Penia ipsum revocatum. Speraverat uti cognati tui sumptibus hanc hyemen nobiscum7) combureret, qua spe dejectus, desperationem in indignationem, pene dixerim furorem vertit. En litteras quas ad me postridie, quam hinc abiit, misit8). Non respondi, nec consultum putavi contentionis funiculum9) cum isto homine trahere10). Arguit viri indolem oratie sua11). Quae potui humanitatis officia ipsi praestiti, salva tamen, uti par erat12) patrisfamilias13) ὑπεροχῇ14). Chartas

[p. 40]

meas1) et scripta ᾽ανέϰδοτα2) ipsi legenda et describenda dedi. Viris summis hic illic ipsum commendavi. Sed cum Homericum illud affectaret αἴεν ᾽αριστεύειν3) displicere mihi coepit eius supercilium et imperiosa illa in aliena domo vivendi ratio4). Ex quo tempore discessit mores suos mihi magis probare coepit cognatus tuus, cuius adolescentia et ᾽απειρίᾳ insigniter ille abusus fuit5).

De leviculis studiosorum delictis conqueri non est mei moris. Praescripsi illi studiorum methodum et styli exercitia. Lectiones praeter logicas audit. Nec enim inutile arbitror, Philosophiae uti summa libet6). Ad graviorem et magis masculam disciplinam viam illa struit7), ne cruda studia in forum aliasque disciplinas8) protrudantur. Si quid posthac9) committi ab ipso videro, quod correctione et reprehensione vestra egeat, faxo mature cognoscas. Quae acciderunt antehac10) non ipsi, sed consultori pessimo imputo. Donandum etiam aliquid aetati illi, quae rerum imperitia laborare solet11). Non ignoras illud

[p. 41]

Aristotelis: iuvenes non esse idoneos auditores Ethicae.

Vale amicissimc Aissema et me ama.

Raptim 20 Oct. 16281).

III. Barlaeus aan Aitzema 4 Nov. 1628
(2 Nonas Nov. '28).

Amplissime doctissimeque vir,

Ut a cognato tuo pecunias istas importunius efflagitem, a me impetrare non possum. Tradidit illi uxor mea ante hebdomadas aliquot rationes exacti trimestris, tum quoad sumptus ordinarios, tum quoad expensas aliquot extraordinarias in cespites, ligna, candelas, vinum etc. Ille modo se pecunias a patre expectare ait, modo Amstelodamo a mercatore.

Iam iam vero se ab A.T. pecunias istas petiturum dicit. Dixerat et ante extraordinarias impensas se de sua soluturum pecuniola, reliqua a patre expectare. Sed nec illud praestitit.

Quid a parente suo super hac re in mandatis habeat et num potestas illi facta ab Amstelodamensi mercatore petendi pecuniam, an rationes sibi primum transmitti velit pater, utique ignoro. Non ita pridem Hamburgo accepit sarcinulam cum floren. 400, sed in quem finem non dixerim.

Non essem ipsi molestus, nisi hoc tempore, quo in necessitates brumales prospiciendum est familiae, luculentiore opus esset aerario. Iam magis quam alias gravis esse solet solutionis mora iis, quorum fortunae intra mediocritatem consistunt. Ut ab A.T. pecuniam istam mihi mitti petam, non patitur pudor meus. Nec fuit ea litterarum mearum ad N(obilem) Mylsum mens2). Sed ut quid in hoc negotio decrevisset pater intelligerem.

[p. 42]

Summa rationum mearum est 159 floren., quos aliquo tuo incommodo mihi transmitti nolim.

Vale vir humanissime et παρρητιαστιϰῶς scribenti ignosce. Raptim e musaeo nostro 2 Nonas Novemb. 1628.

 

A.T. Studiosissimus

C. Barlaeus.

IV. Barlaeus aan Aitzema 14 Nov. 1628.

Amplissime vir,

Pecuniae istae probe curatae sunt per nautam. Tradidit eas nobis praesentibus cognato tuo. Is apud se biduum et ultra detinuit. Expectabam enim an ultro esset soluturus, quod cum sive studio sive neglegentia ab ipso intermitti viderem, rogavi an ab A.T. expungendis rationibus pecuniam accepisset. Affirmabat, et ilicet solvit 195 flor.

Miror eum de recepta pecunia nondum A.T. certiorem fecisse. Fecissem sane ego, nisi hoc officii ipsius esse credidissem. Videor mihi aliquid heterocliti in illo observare. Die sabbathi elapso Hamburgo accepit aut si vis Amstelodamo florenos trecentos. Eam enim summam chartis inclusam esse ajebat nauta. Hoc addam: monendum esse serio iuvenem, ne in usus minus necessarios pecuniolam suam eroget. Emit libros, vendit, permutat, sed nullo judicio et delectu. Monui ipsum, praemonitus ipse a patre, ne me inconsulto libros emeret. Sed minus dicto obsequens est. Heri gladios duo emit, unum 14, alterum 13 florenis. Non debebat illi tantum pecuniae

[p. 43]

concredi. Nec desunt hic, qui oportuna fraudibus aetate et ingenio adolescentis abutantur.

Vale, vir amicissime et doctissime, et nos ama. Raptim e musaeo nostro

Lugd. Bat. XIV Nov. 1628

Tui Studiosissimus

Caspar Barlaeus.

V. Barlaeus aan Aitzema 27 Nov. 1630.

Poematum libellum novum, quem vides, iam nuper adornavi, vir doctissime, collectis in fasciculum iis, quae sparsa prius edideram1). Metuebam ne turbata volent levibus ludibria chartis. Accessere tamen et quaedam antehac non edita. Miror cur tibi adeo placeant commenta nostra, ut ea tibi mitti velis. Non scribuntur illa vobis emunctis, sed doctorum plebeculae, cujus oculis facile est ineruditum hunc pulverem objicere.

Quia tamen ita vis, offero lubens hunc libellum. Licet serius, simulque veniam deprecor hominis inofficiosi, ultro enim misisse debebam, quod iam rogatus facio.

Legi versiculos tuos in Equos istos; illud maxime placet, quo ad Anagramma alludis. Nihil apposite magis aut acute dici potuit: fecit idem Dania quod Danai. Ego ad tuos sic alludo μιμητής.

In Equos a Rege Principi missos2).
 
Donat equos Cimber, sed equis ne credite Belgae,
 
Iam quoque fallaces Cimber adornat equos.
 
Donat equos ratibusque gravis vectigal adauget,
 
Ut noceat populo vult placuisse Duci3).
[p. 44]
Princeps ad Daniae Regem.
 
Quos mihi mittis equos, regalia munera, Cimber,
 
Haec sunt Auriaci munera sola tui.
 
At quas immodico Batavum premis aere carinas
 
Arbitror haec patriae publica damna meae.
 
Sic dantem fugimus, metuo sic dona ferentem1);
 
Dania sunt isthaec ᾽άδωρα δῶρα mihi2).
Ad eundem.
 
Aut retine, quos mittis equos, aut carbasa laxa3).
 
Velis, non istis navita fertur equis.
Ad Leonem ab Aissema.
 
Dum missis diffidis equis, quos Dania donat,
 
Decepto a Danais plus mihi rege sapis.

Vale vir amplissime et nuganti ignosce. Cognatum tuum meis verbis officiose saluta.

 

Raptim 27 Nov. 1630

Tui Observantissimus

C. Barlaeus.

Aitzema-papieren A.R.A. Inventaris nummer 47: Brieven en andere stukken, door Aitzema in zijn particulier ontvangen.