[p. 37*]

Louisiana gekocht en betaald

Over mijn onderwerp van vandaag heb ik al eerder gesproken en geschreven. In 1931 behandelde ik het in een vergadering van de Commissie voor Geschied- en Oudheidkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Die voordracht verscheen later in het Tijdschrift voor Geschiedenis, 47. Ik schreef verder een hoofdstuk over de aankoop van Louisiana voor het tweede deel van mijn boek over Amsterdams economische betrekkingen met de jonge Verenigde Staten, dat in 1933 verscheen. Wat ik ten beste kon geven, heeft mij zelf nooit helemaal voldaan. Ik leg U uit waarom niet.

In de zoëven genoemde studiën stond ik stil bij de overwegingen, die Bonaparte het besluit tot verkoop ingaven. Die kant van het verhaal laat ik nu rusten. Ik besprak verder wat voor Jefferson de aantrekkelijkheid was van het vooruitzicht op verwerving van het aangrenzende gebied, waar Frankrijk een nog moeilijker buur kon zijn dan Spanje al geweest was. De verwachting dat de Verenigde Staten tot refugium zouden worden voor allen, die het oude, onverbeterlijke Europa ontvluchten wilden, hielp hem heen over de grondwettelijke bezwaren, die hem overigens toch zijn leven lang zijn blijven drukken. Ook daarover spreek ik vandaag niet, al kan het na het verschijnen van A.B. Darling's boek ‘Our Rising Empire’ ook in nog ruimer verband worden gezien, met iets van ‘manifest destiny’ als de grondgedachte. Ik bepaal mij tot het verhaal van de financiering van de transactie en de vragen die daarbij te stellen zijn, vragen waarop ik het antwoord indertijd niet voldoende wist te geven en waarover ik nu wat nieuws te vertellen heb.

Eerst iets over de algemene achtergrond, waaruit mijn verbazing verklaard kan worden, toen ik tot de geschiedenis van die financiering genaderd was. Aldus maak ik U het best duidelijk waarop onze aandacht gericht moet zijn.

De Amerikaanse Vrijheidsoorlog heeft in onze Republiek bij politieke wensen aangesloten en vooral ook economische verwachtingen gewekt. Het waren in de eerste plaats patriottische koopmanshuizen, die erdoor geboeid werden. Hun overwegingen op handelsgebied konden ook buiten hun kring worden gedeeld, daar velen zich zorgen maakten over de Amsterdamse stapelmarkt, over de Nederlandse scheepvaart en over de vaderlandse nijverheid.

Ik behoef U de economische achteruitgang van Nederland in

[p. 38*]

de 18e eeuw hier niet uitvoerig te schetsen. De inzichten die daaromtrent geleidelijk verworven zijn, heeft dr. De Vries onlangs nog op bekwame wijze in samenhang gebracht. Wij erkennen dat onze scheepvaart relatief van minder betekenis moest worden, toen andere volken kwamen opzetten. Wij hebben oog voor de structurele veranderingen in de wereldhandel, die de stapelmarkt ondermijnen moesten. Wij toornen niet meer met de vaderlandse economen van de jaren na 1770 over de Amsterdamse koopman die de ‘voorbijlandsvaert’ hielp financieren. Het lot van de nijverheid zien wij in verband met het protectionisme in andere landen en met het overheersen van de handelsbelangen. Wij weten dat gemis aan vertrouwen in de mogelijkheden van een vaderlandse industrie het kapitaal voor vernieuwing deed uitblijven.

Over de zelfstandige betekenis van geestelijke remmingen wordt getwist. Als de nijverheid ook lijdt onder gebrek aan technische belangstelling bij hoog en laag, kan de verklaring diep verscholen liggen, bij de tournure van heel de Nederlandse beschaving, die haar glorie beleefd had onder invloed van het gezag der Oudheid. De Nederlandse koopman voelde zich lid van een befaamde handelsnatie en was misschien te zeer van zijn voortreffelijke handelsgaven overtuigd. Te lang ook had hij geleefd in de overtuiging dat men hem nodig had. Hij was conservatief geworden en liep daardoor gevaar in een wereld, die aan het veranderen was en waar Engeland kans kreeg de leiding te nemen.

Alles te zamen heeft het voor Nederland een ongunstige uitwerking gehad, die ik hier niet nader geef. Het beeld ervan is in Uw aller geest en mij kwelt het gevaar van tijdnood. In volsta met eraan te herinneren dat Engeland eerlang zijn greep op de wereldeconomie zodanig versterkte dat Amsterdam daarnaast slechts een schaduwbestaan kon voeren. Londen werd het onbestreden financiële middelpunt, dat de wereldhandel beheerste. Aan een stapelmarkt was geen behoefte meer. En Londens positie was vooreerst onneembaar geworden, doordat het steunen kon op de productie van Engelands nijverheid.

In de jaren van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog en daarna was de bedoelde ontwikkeling nog niet in volle omvang duidelijk. Toch was er ongerustheid voelbaar over opgemerkte verschuivingen. Handel en nijverheid hebben de nieuwe mogelijkheden, die in Amerika opengingen, met voortvarendheid en vaak met roekeloosheid aangevat. Gebrek aan zakelijke kennis omtrent

[p. 39*]

wat men verwachten moest en gemis aan aanpassingsvermogen (wil men: de feitelijke onmogelijkheid van omschakeling) hebben parten gespeeld. De Nederlandse koopman heeft in het nieuwe Amerika geen rol van betekenis kunnen spelen. De vaderlandse nijverheid heeft er slechts enkele artikelen van oude faam kunnen plaatsen. Engeland beheerste er de handel tot de Amerikanen zelf zich daarin een grote plaats wisten te veroveren. Het bleef er de leverancier, ondanks alle spanningen en wrijvingen, die de Engels-Amerikaanse verhoudingen tot in 1795 en ook later meer dan eens hebben gekenmerkt.

De ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen Nederland en Amerika is langs heel andere lijnen gegaan dan eerst was gedroomd: Amerika heeft een beroep gedaan op de Nederlandse geldmarkt en na enig zoeken en tasten van weerszij heeft men elkaar gevonden. In het verhaal der Amerikaanse geschiedenis wordt Amsterdam vooral genoemd, omdat daar de leningen verschaft zijn, waarmee de Vrijheidsoorlog kon worden gefinancierd, toen Franse hulp onvoldoende bleek; de leningen verder, die Amerika door de moeilijke jaren onder de Articles of Confederation hebben heen geholpen; de leningen tenslotte, die het Hamilton hebben mogelijk gemaakt orde op zaken te stellen, toen de grondwet eenmaal was aangenomen en de staatsfinanciën gesaneerd moesten worden.

Nederland was een land van belangrijke kapitaalsexport geworden sinds de binnenkomende winsten er in het bedrijfsleven geen emplooi meer vonden. Het geld werd ter beschikking van anderen gesteld, die er hoger rente op wilden betalen dan in Nederland te bedingen viel. Het waren de grote koopmanshuizen die het daarheen hadden geleid. Zij deden zaken van ‘commercie’ en ‘commissie’ beide en het laatste betrof ook wisselzaken op basis van de goederenhandel en later van geldrekeningen zonder meer. Zo werd de koopman tevens bankier, met dien verstande dat het aannemen van deposito's, het doen van beleningen en verdere credietzaken aan kassiers bleef voorbehouden. Het leiden van emissies daarentegen werd wel weer tot het werk van de koopman-bankier gerekend.

Vele grote koopmanshuizen hebben zo geldleningen aan de markt gebracht. Omgekeerd bleven alle ‘bankiers’ van die tijd ook bij de goederenhandel betrokken. Het geldt ook van de kantoren, die de Verenigde Staten hebben bediend: Wilhem Jan Willink en Nicolaas Jacob van Staphorst. Toen zij voor het eerst in 1782 hun goede naam waagden terwille van een

[p. 40*]

lening voor de Verenigde Staten, verwachtten zij o.m. voordeel van remises in goederen voor rentebetaling en aflossing, waaraan zij als koopman het nodige zouden kunnen verdienen. Ook dat is weer anders gelopen, maar toen dat duidelijk werd, waren de beide kantoren al zo zeer met Amerika verbonden geraakt dat zij in verdere pogingen om het vertrouwen in de nieuwe geldnemer te steunen evenzeer op hun eigen reputatie bedacht waren. Zo slaagden zij erin de goede naam van de Verenigde Staten te vestigen en konden zij aan Hamilton de zekerheid geven dat hij voor zijn grote financiële operaties in Amsterdan terecht kon.

Willink en Van Staphorst beiden hebben zich door hun Amerikaanse leningen een vooraanstaande plaats in de Amsterdamse koopmanswereld weten te veroveren. Zij werden ook van Amerika uit meer en meer in zaken van allerlei aard betrokken en namen omgekeerd ook zelf de leiding bij het ontwerpen van projecten en het uitbouwen van hun Amerikaanse belangen.

De Willinks hadden een oud doopsgezind kantoor, dat de verdiende reputatie van grote rijkdom en eerlijk koopmanschap genoot. Het werd geleid door twee broers met scherpe handelsgaven. Wilhem Willink vooral schijnt de toon te hebben aangegeven. De Willinks stonden buiten de politiek. Anders Nicolaas en Jacob van Staphorst, van wie Nicolaas de belangrijkste is geweest. Zij behoorden tot de actiefste patriotten. In 1787 moest Jacob uitwijken. Hij woonde sindsdien in Parijs en had met het kantoor weinig bemoeiingen meer. Nicolaas heeft de Franse Revolutie met spanning gevolgd en zich ook bij de Terreur niet daarvan afgewend.

Wanneer Willink en Van Staphorst zich buiten de grote staatsleningen nog verder in Amerikaanse zaken steken, gaan zij meest gescheiden wegen. Die van de Willinks zijn minder goed bekend dan die van de ander, want de bronnen die er over inlichten zijn verspreid en zonder samenhang. Van Staphorst werkt veel samen met andere patriottische koopmanshuizen en stuurt in vereniging met hen een vertegenwoordiger naar de Verenigde Staten, om nieuwe mogelijkheden te verkennen. Van deze man, Theophile Cazenove, Amsterdammer van Frans-Zwitserse origine en met internationale relaties in de bankierswereld van Parijs en Londen, is de correspondentie met zijn lastgevers bewaard gebleven. Wij zien eruit hoe de Amsterdammers zich inlaten met bankaandelen, met Amerikaanse binnenlandse schuld, met onontgonnen land, met ondernemingen voor wegenaanleg en kanalisatie van rivieren. Het meest bekend is daarvan het land-

[p. 41*]

bezit in New York en Pennsylvanië, dat de belanghebbenden tot in de jaren zestig van de vorige eeuw heeft bezig gehouden. Het was een belang, waarin ook Willink deelde, die daarnaast ook nog eigen terreinen op zijn naam heeft gehad.

Van bijzonder belang voor ons onderwerp zijn de transacties in Amerikaanse binnenlandse schuld, want bij de financiering van de aankoop van Louisiana zullen wij die in het bijzonder tegenkomen. De Amsterdammers waren er het eerst bij bepaald, toen zij een ongelukkige handelsonderneming moesten liquideren, die grote verliezen geleden had, maar in Amerika nog vorderingen had uitstaan.

De Verenigde Staten waren uit de Vrijheidsoorlog gekomen met een zware schuldenlast, aan Frankrijk, aan de Nederlandse geldschieters, vooral ook aan de eigen burgers, die voor requisities en bewezen diensten met schuldbewijzen waren betaald. waarvan de waarde lang twijfelachtig moest blijven. Onder de Articles of Confederation was er geen sprake van dat de centrale regering orde op zaken kon stellen, rente betalen of ook maar een nadere regeling van schulden voorstellen. Van de buitenlandse schuld werd alleen op die in Nederland, met geld uit nieuwe leningen, rente betaald. De Franse regering zag rente noch aflossing. De binnenlandse obligaties bleven overgelaten aan de kansrekeningen van speculanten en de maatregelen van de afzonderlijke Staten, die zich geleidelijk tussen de schuldeisers en de Unie-regering wisten in te schuiven. De vraag was wat zou winnen, het verlangen naar hechtere eenheid, waarvan groter aanzien, weerbaarheid en credietwaardigheid verwacht werden, of de middelpuntvliedende kracht, die de samenstellende delen tot de eigenlijke dragers van het openbare leven zou kunnen maken. Het bracht houders van staatsschuldbewijzen tot kansrekening over de mogelijkheid dat een voor hen gunstige valorisatie van schulden zou worden tot stand gebracht en dat leidde weer tot speculatie, die toenam naar mate het vooruitzicht op een nieuwe staatsregeling met groter centraal gezag helderder werd.

De Amsterdammers waren er huns ondanks bij betrokken geraakt, toen alles nog uiterst onzeker was. Zij hebben hun belangstelling intensiever erop gericht toen de kans op goede uitkomst toenam. Hun aankopen aan de z.g. ‘liquidated debt’ van de Verenigde Staten hebben zij in de achtereenvolgende stadia aan het beleggend publiek in Nederland aangeboden in de vorm van wat zij een negotiatie noemden. In het eerst betekende het dat

[p. 42*]

zij daarmee hun kapitaal met winst terugkregen tegenover de riskante verplichting dat zij tot geregelde rentebetaling gehouden bleven, ongeacht de stiptheid, waarmee de Verenigde Staten hun verplichtingen zouden nakomen. Later, toen sinds 1790 aan de credietwaardigheid en stiptheid van Amerika niet meer behoefde te worden getwijfeld, waren de negotiaties de weg waarlangs aankopen, in Amerika verricht, met koerswinst aan de Nederlandse belegger werden overgedragen. Het verschil tussen de hoge rentevoet in Amerika, die daar de koers van 6%- en 3%-obligaties bepaalde, en de veel lagere rente, waarmee in Nederland genoegen werd genomen, - dat verschil wees uit met hoeveel voordeel de transactie kon worden tot stand gebracht. In Amsterdam zelf werden de oorspronkelijke schuldbewijzen niet verhandeld, o.m. niet omdat zij op naam luidden en in het grootboek van de Treasury stonden ingeschreven. De negotiaties waren voor de gewone belegger practisch de enige vorm, waarin hij zijn geld in de nieuwe, meer en meer deugdelijk bevonden Amerikaanse waarden kon onderbrengen.

Vooral in de kring van Van Staphorst heeft men zulke negotiaties ontworpen en aan de man gebracht. Willink was met hem betrokken bij een negotiatie, die geld bedoelde te verkrijgen op staatsobligaties uit het bezit van de Bank der Verenigde Staten, en evenzo was hij deelgenoot, toen de Amsterdammers door het koersverloop in Amerika geen negotiaties op staatsschuld meer met voordeel aan de markt konden brengen en zij het probeerden met een deel van hun Newyorkse landerijen, waaraan zij ter garantie van rente voor de tijd tot de (spoedig verwachte) wederverkoop in percelen, een hoeveelheid staatsobligaties toevoegden.

Zo zien wij dus dat in Amerika welbekende Amsterdamse koopmanshuizen van goede faam vertrouwd waren met het introduceren van Amerikaanse waarden, vooral staatspapieren, en vindingrijkheid hadden betoond in het ontwerpen van projecten, die het beleggend publiek voor zulke effecten konden winnen.

Het verrassende is nu dat bij de financiering van de aankoop van Louisiana van hun diensten in eerste instantie geen gebruik is gemaakt, maar dat toen de nodige negotiaties door Francis Baring & Co. van Londen en Hope & Co. van Amsterdam werden beheerst, twee bankiershuizen, die in de 19de eeuw een groot aandeel in Amerikaanse zaken hebben gehad, zoals hier nu voor het eerst in internationaal verband naar voren kwam. De vraag hoe dat zo kon gebeuren, heeft mij lang bezig gehouden

[p. 43*]

zonder dat ik een antwoord kon vinden dat mij geheel bevredigde. Het nieuwe inzicht dat ik meen verworven te hebben, nadat ik opnieuw in Amerikaanse bronnen heb kunnen werken, is het hoofdonderwerp van deze voordracht. Wat ik tot nu toe uiteenzette was slechts de inleiding daarop.

Eerst nu nog iets over de regeling, die tussen Frankrijk en Amerika tot stand kwam, toen de verkoop van Louisiana beklonken werd. De Verenigde Staten, zo werd bepaald, zouden $ 3.750.000 voor hun rekening nemen ter voldoening van schadevergoedingen, waarop Amerikaanse burgers tegenover Frankrijk aanspraak maakten, en verder aan Frankrijk een bedrag van $ 11.250.000 voldoen in de vorm van 6%-staatsobligaties, waarop de rente jaarlijks in Londen, Amsterdam of Parijs zou worden betaald. Daar te voorzien was dat Bonaparte daarmee niet de rentenier zou willen spelen, waren zekere waarborgen voor het Amerikaanse staatscrediet onder de voorwaarden opgenomen, voor het geval Frankrijk zich op een of andere grondslag van de Amerikaanse obligaties zou willen ontdoen.

Wat had meer voor de hand gelegen dan dat de Franse autoriteiten met de bekende Amsterdamse promotors van Amerikaanse papieren in verbinding waren getreden en met hen over omzetting in contanten hadden afgesloten. Nog steeds woonde Jacob van Staphorst in Parijs. Het zou niet de eerste maal geweest zijn dat hij daar de belangen van het handelshuis, waarbij hij betrokken was, had behartigd. Bovendien vinden wij juist in 1803, toen over Louisiana beslist werd, onder het personeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken onder Talleyrand niemand minder dan Theophile Cazenove, die jaren lang de belangen van zijn Amsterdamse lastgevers in Amerika behartigd had en die tot voor kort in Amsterdam in hun dienst was geweest. Hij is door Talleyrand ook gebruikt om bepaalde wensen en inzichten aan de Amerikanen in Parijs kenbaar te maken. Hoe goed zou hij hebben kunnen bevorderen dat de nieuwe Louisiana-6% aan de Amsterdammers in handen werd gespeeld.

Het is niet zo gegaan. In plaats van aan de Amsterdammers uit een satellietstaat werden de Amerikaanse obligaties toevertrouwd aan de sterk Engelse combinatie van Baring en Hope en dat in een tijd waarin het vooruitzicht op een nieuwe Engels-Franse oorlog steeds duidelijker werd. Het gebeurde met volle instemming van de Franse minister van Financiën en, merkwaardigerwijs, op aanbeveling van de Amerikaanse gezanten, die de onderhandelingen hadden gevoerd, Monroe en Robert Living-

[p. 44*]

ston. Aan Franse bankiers hadden partijen in het geheel geen vertrouwen willen schenken. Zij waren tot het doen van aanbiedingen uitgenodigd maar waren met hun voorstellen niet ver genoeg gegaan en de Amerikanen vreesden bovendien dat zij de Amerikaanse obligaties te snel op de markt zouden brengen en in geforceerde verkoop de koers ervan zouden drukken, tot schade van Amerika's aanzien en faam aan de beurs. Van Baring en Hope was zo iets niet te vrezen, verklaarde Monroe aan Madison, de Secretary of State.

Moeten wij de verklaring voor de nieuwe voorkeur zoeken in de algemene tendenties van de laatste decennia, waarover ik in mijn inleiding sprak, de decennia waarin Amsterdam op alle fronten terrein verloor en Engeland steeds meer aan het opkomen was? De beslissing over de Louisiana-6% zou dan een teken zijn ten bewijze dat het getij verlopen was en Amsterdam had afgedaan. Zo ongeveer heb ik het ook voorgesteld, toen ik indertijd de overzadeling verklaren moest. Ik ben er nooit helemaal tevreden mee geweest, gelijk ik U bekende.

Niet dat ik het genoemde algemene verband eigenlijk betwijfelde. Het is meer zo dat ik het als een verschraling van mijn verhaal voelde, toen ik de bedrijvigheden van de mensen, die ik in hun activiteit had geschetst, liet doorkruisen, niet door de acties van anderen, die hun eigen uitgangspunten en bedoelingen en kansen hadden, maar door iets als de doem van de tijd. Ik miste zo de snijlijn van de beide reeksen van bedrijvigheden. Ik maakte niets duidelijk van hoe zich de ommekeer, die ik had opgemerkt, aan en door mensen voltrokken heeft en ik stuitte op tegenstrijdigheden.

In het beeld van de economische achteruitgang zijn internationale politieke krachten als versnellende momenten opgenomen. Zij hebben de tegenstellingen tot Engeland verscherpt, de handel verlamd, de kapitaalskracht van Nederland verzwakt. Accoord, wanneer het om de grote lijnen en de lange baan gaat, maar in dat schema past toch zeker niet alles. Met name niet zo dadelijk de overwinning, die ons hier bezig houdt en die door een Engels-Nederlandse combinatie op een groep van in Amerikaanse zaken stevig gevestigde Amsterdamse kantoren is behaald. Daar blijkt de Engels-Nederlandse tegenstelling toch niet onoverkomelijk. En wat de Nederlandse kapitaalskracht betreft: de contanten, die Bonaparte van zijn Lousiana-6% heeft kunnen maken, zijn voor een groot deel uit de zakken van de Nederlandse beleggers gekomen. Willink en Van Staphorst zouden die gel-

[p. 45*]

den stellig evenzeer hebben kunnen mobiliseren als zij de leiding hadden behouden.

Mogelijke verstarring en conservatisme kunnen evenmin aan een verklaring helpen. Willink en Van Staphorst hebben juist grote vindingrijkheid getoond en ook nieuwe risico's durven nemen. Zij zijn erin geslaagd door voorzichtig beleid vertrouwen te winnen voor een nieuwe geldnemer als Amerika en voor de zaken, die daarginds te beginnen waren. Het belang van de Nederlandse belegger in de Amerikaanse staatsschuld, dat in 1790 nominaal vier en een half miljoen dollar beliep, wordt in 1803 op 13½ miljoen becijferd. Nu is het wel zeker dat dit zo mogelijk was, doordat geld uit de kwijnende handel was teruggetrokken en om rentegevende belegging vroeg, buiten de macht van het vijandige Engeland en buiten Frankrijk, dat in het financiële zulke avonturen had beleefd. Maar in ons verband zou dit er juist toe hebben moeten leiden dat met voortvarendheid was toegegrepen, toen er met de Louisiana-6% een nieuwe mogelijkheid voor goede transacties openging.

Dat is niet gebeurd. Het vindt zijn menselijke verklaringen als wij weten dat Wilhem Willink aan een duidelijke depressie ten prooi was, toen zo kort na de algemene vrede de oorlog weer begon te dreigen en ook werkeijlk uitbrak: ‘Dreadfull are the prospects of war for our country and happy indeed shall we be if we ever behold part of its former splendor. We are fastly approaching its total ruin unless some extraordinary event interposes. The burthens of our taxes are heavy and the resources of the country may be considered as exhausted’. In zulk een stemming vermag de leider van een kantoor de kansen, die geboden worden, niet te grijpen.

Zo zijn er meer betrekkelijke toevalligheden, die tot de verklaring, die wij zoeken, kunnen bijdragen. Nicolaas van Staphorst, de ziel van het andere kantoor, was in 1801 gestorven en de eigenlijke kracht was daarmee aan de firma ontvallen. Ook van die kant dus geen poging om een slag te slaan in Louisiana-6%. Theophile Cazenove, die misschien Talleyrand had kunnen beïnvloeden, was in onvrede van zijn vroegere principalen gescheiden en droeg hun geen goed hart toe. Hij dacht nu veeleer aan de belangen van zijn zoon en zijn neven in Londen, Cazenove Nephews.

Toen Monroe in april 1803 in Parijs was aangekomen en de Amerikaanse gevolmachtigden een ontwerp-overeenkomst voor de overdracht van Louisiana opstelden, werd rentebetaling op de

[p. 46*]

te leveren staatsobligaties alleen nog in Amsterdam voorzien. Wat kan er aan de andere kant hebben meegewerkt om Baring en Hope aan slag te brengen? Wat heeft hen ertoe gebracht hier als nieuwe macht zich te laten gelden op een terrein, waarop wij hen tot nu toe niet hebben ontmoet? Ik gaf er gezette aandacht aan, toen ik gelegenheid kreeg de zwakke plekken van mijn vroeger werk aan te vullen en te verbeteren.

Ik kende van vroegere onderzoekingen een Amerikaans belang van Baring en Hope in Maine, in het uiterste noor den van Nieuw-Engeland, waar zij uitgestrekt landbezit hebben aangekocht. Een oud-leerling van mij, de heer M.G. Buist, die in het archief van Hope & Co. thuis is, had mij daarover nog weer nieuwe gegevens toegespeeld, maar ik kon in mijn verband er eerst weinig mee uitrichten. In de Library of Congress te Washington vond ik echter een zware klos met een mikrofilm van documenten uit het archief der Barings in Ottawa, die mij veel goeds bracht en waardoor ook de bescheiden van Hope in breder verband kwamen te staan. In Boston werd mijn aandacht getrokken door een pas verschenen bronnenuitgave met verbindende tekst, ‘William Bingham's Maine lands, 1790-1820’. in 1954 door F.S. Allis Jr. uitgegeven in de reeks van de Colonial Society of Massachusetts. Hetgeen ik daar vond bevestigde mijn vermoeden dat allerlei van mijn gading te vinden moest zijn in de Bingham Papers in de Historical Society of Pennsylvania, die bij mijn vorige bezoek nog onder berusting waren geweest van de trustees of the Bingham estate en niet voor onderzoekers toegankelijk.

Dat zijn wel de voornaamste bronnen voor wat ik nu meen te begrijpen van de andere, zeggen wij gemakshalve de Engelse kant van de episode, die ons bezig houdt. Ik doe U nu mijn verhaal van de Engelsman, die terrein wint, en van het huis Hope, dat daarin wordt meegenomen, en zo komen wij dan ook weer terug op die andere Amsterdammers, die overspeeld werden.

Het is nodig dat ik eerst wat breed uithaal. Wij moeten William Bingham in zijn betekenis en invloed leren kennen vóór wij verder kunnen gaan.

Bingham dan, in de Vrijheidsoorlog tot welstand gekomen, had sindsdien in handel en speculatie verder voordeel behaald en was een man van invloed en gezag geworden, commissaris van de Bank van Noord-Amerika en van die van de Verenigde Staten, Speaker van het Huis van Afgevaardigden van Pennsylva-

[p. 47*]

nia en als Senator lid van het U.S. Congress. Hij was getrouwd met een dochter van Thomas Willing, de president-directeur van de zoëven genoemde Bank der Verenigde Staten.

Op een reis door Europa kort na de vrede had hij de Willinks leren kennen, die door hem tot speculatie in ‘liquidated debt’ waren gebracht en die van zijn aanwijzingen hadden geprofiteerd bij het kopen van bankaandelen. Hij was ook de man geweest, die Willink en Van Staphorst de negotiatie ten behoeve van de Bank der Verenigde Staten had toegespeeld, waarvan ik eerder melding maakte.

Zoals vele Amerikanen heeft Bingham zich ook aan landspeculatie gewaagd, in vertrouwen op snelle toeneming van de bevolking of in de hoop een deel van het gekochte in het groot in Europa te verkopen. Hij heeft Willink's aandacht gevraagd voor land in Pennsylvanië, dat hij zich gereserveerd had. In 1793 stuurde hij William Jackson, vroeger secretaris van Washington, naar Europa om er land in Maine te verkopen.

Van alle Amerikaanse landspeculanten van de late 18e eeuw is alleen Bingham staande gebleven. Het heeft er wel op geleken dat ook hij bezwijken zou onder de lasten, die hij op zich had genomen, maar deels door (gedwongen) beperkingen van uitgaven tot verhoging van de aantrekkelijkheid van zijn landen, deels ook door wonderbaarlijk geluk, is hij gespaard gebleven en heeft hij bij zijn dood aan zijn erven een bezit van grote potentiële waarde kunnen nalaten.

Met name de aankoop van enige miljoenen acres in het barre Maine dreigde hem op een gegeven ogenblik noodlottig te worden, maar juist daarmee heeft hij onverwachts een grote slag weten te slaan, hoe weinig dat land ook waard was en nog altijd waard is. Van 1792 tot 1799 diende hij jaarlijks zware betalingen te doen aan Massachusetts, waaronder Maine toen nog behoorde. Hij moest volgens contract ook zorgen voor de vestiging van kolonisten op het land. Het was nodig dat hij deelgenoten zocht in landen met ruimer kapitaal. In 1792 al schreef hij over zijn nieuwe aankoop aan Willink en aan Hope. In de zomer van 1793 stuurde hij, als gezegd, William Jackson naar Europa om persoonlijke aanbiedingen te doen. De man hoopte met een zuster van mevrouw Bingham te trouwen maar moest zich eerst aan haar vader als aannemelijk schoonzoon kunnen presenteren. In het verkopen van land in Maine zou men een meesterproef kunnen zien.

Jackson heeft zijn geluk in Londen beproefd, in het begin van

[p. 48*]

1794 was hij in Parijs, in de zomer in Amsterdam, daarna weer in Engeland. Hij bleef alles te zamen een kleine twee jaar doende, ving bot bij Willink en bij Van Staphorst, maar had het gevoel dat hij bij Hope althans enige aandacht vond.

Het huis Hope had voor de Amerikanen altijd als het toppunt van voorname degelijkheid gegolden. Wie daar bediend werd, mocht zich voelen. Van meet af aan probeerden zij daar te worden geaccepteerd. Het had Henry Hope, Engelsgezind als hij was, niet uit zijn koers gebracht en naar mate de tijd verder voortschreed, dacht hij minder aan nieuwe relaties. Hij wilde veeleer terugtreden en wist niet hoe de firma zich verder zou ontwikkelen. Aan zijn pleegzoon, John Williams Hope, die hij met zijn nicht had laten trouwen, om daarover te beslissen.

In 1794 was er in Nederland al bijzonder weinig te bereiken. De vijand had op Nederlands grondgebied gestaan en kwam weer opzetten. Binnenlandse tegenstellingen verscherpten zich in verband daarmee. Het zakenleven stagneerde. De heren Hope weigerden op Jackson's voorstellen in te gaan. Francis Baring in Londen, een zakenvriend van de Hope's, die zijn zoon Alexander in Amsterdam bij hen in de leer had, was al evenmin tot iets bereid. Tussen Engeland en de Verenigde Staten waren nog altijd vele wrijvingen. Zij speelden een rol in het Amerikaanse politieke leven en dreigden in het grote conflict tussen Engeland en Frankrijk te worden opgenomen. Met een Engels-Amerikaanse oorlog werd ernstig rekening gehouden, wanneer de vredespogingen van Washington, die John Jay naar Londen had gezonden, niet slagen zouden.

En toch - toen Jackson in mei 1795 naar Amerika terugkeerde, was hij niet zonder hoop. De Republiek was weer in de oorlog betrokken. De Hope's waren naar Engeland overgestoken. Er hadden gesprekken plaats gehad over de mogelijkheid dat men geld in Amerika beleggen zou - voor de veiligheid, niet uit zuiver zakelijk oogpunt. Ook Alexander Baring had aan die overleggingen deelgenomen en zijn vader begon de zaak nader te bezien, toen bericht kwam dat op 24 juni 1795 de Senaat van de Verenigde Staten het verdrag met Engeland geratificeerd had, waarmee Jay het gevaar van een oorlog tussen beide landen had weten te bezweren.

Tijdens de opwinding over de voorwaarden van het verdrag hadden tegenstanders van de regerende partij in Philadelphia bij Bingham de ruiten ingegooid. Het was een incident van voorbijgaande betekenis en het was in den huize Bingham gauw ver-

[p. 49*]

geten, toen bericht kwam dat de jonge Baring naar Amerika zou komen om nadere plannen voor de toekomst te maken. Hope & Co. had zich verbonden drie kwart voor haar rekening te nemen van Alexander's reiskosten en in gelijke mate te delen in ‘any purchases he may make or engagements he may enter into in consequence’. Zo was Hope in ballingschap dus toch voor Amerikaanse zaken gewonnen.

Voor Hope en Baring was dit het begin van een sterke belangstelling voor Amerika. Bingham kreeg er een relatie door, die allerlei beloften inhield, om te beginnen al de toestemming om wissels op Baring in Londen af te geven voor een vijf à acht duizend pond, die hem mogelijk zouden maken waardevolle, sterk in koers gestegen onderpanden vrij te maken, die hij beleend had. Het kon soulaas brengen in financiële benauwenis en juist in de herfst van 1795 nijpte het voor Bingham.

De verdere gang van zaken bracht hem nog meer verademing, want Alexander Baring liet zich geheel door de vooruitzichten van Amerika inpalmen en bracht de beste rapporten uit, o.a. over de landen in Maine, die hij persoonlijk was gaan bezoeken. Hij stelde die boven andere mogelijkheden van landaankoop. want, zo overwoog hij, in Nieuw-Engeland was men meer ontwikkeld en ijveriger dan elders in Amerika. Daar alleen ook was godsdienst nog in tel en in Nieuw-Engeland had men Jay's verdrag met Engeland hartelijk welkom geheten. Elders was oppositie geweest.

Het is op deze gronden werkelijk tot contracten gekomen. Bingham was gered - en de Barings, maar vooral de Hope's hebben gelegenheid gehad hun besluit van 1796 te betreuren. De laatsten vooral, want niet alleen dat zij voor drie vierden de gevolgen van de verkeerde aankoop hebben moeten dragen, zij hebben niet als hun partner kunnen overdenken dat ‘à quelque chose malheur est bon’. Alexander Baring vond door dit avontuur zijn vrouw in een dochter van Bingham. Zijn broer Henri zou later zijn voorbeeld volgen en de tweede dochter trouwen. De nalatenschap van William Bingham is voor een groot deel aan de Barings ten goede gekomen.

Bingham heeft zijn nieuwe zakenvrienden met nadruk gewezen op de nieuwe kansen, die de ommekeer in Nederland hun gaf. ‘In the public line your house will probably have a very considerable business, zo schreef hij aan Sir Francis Baring, as our relationship to England will continue to increase on account of the fate of Holland’. ‘It is probable that owing to the pecu-

[p. 50*]

liar situation of Holland this government will have a more intimate relationship with your place in various ways connected with the administration of the duties of the department of the Treasury.’ Aldus de U.S. Senator. De commissaris van de Bank der Verenigde Staten en schoonzoon van Thomas Willing vraagt tegelijkertijd of het huis Baring voor deze bank misschien een rekening-courant kan openen en op onderpand van staatsschuld edel metaal voor Amerika kan aankopen. Vroeger had Bingham zich met zulk een vraag tot Willink gewend maar met die oude relatie had hij nu een hooglopend geschil over de uitleg van een overeenkomst en zo kwam hij met des te meer kracht tot aanmoediging van de Engelsman, die hem terechtertijd te hulp was gekomen.

Wat Bingham hier onder de aandacht bracht, zal in zijn algemene strekking de Londense bankier ook zelf wel voor de geest hebben gestaan. Wat Bingham nu Sir Francis voorstelde en wat Alexander aan zijn vader rapporteren kon van de concrete mogelijkheden, die Bingham zag, heeft zeker ook meegeholpen een activiteit te ontwikkelen, die ongetwijfeld in de algemene lijn van de tijd lag. Hier krijgen wij dus op zijn minst een kans te volgen hoe een zich voltrekkende kentering door menselijke invloeden bevorderd is - en dat op zich zelf is ons niet vaak vergund.

Uit de brieven van de jonge Baring laat zich afleiden in welke geest in den huize Bingham over de oude relaties en de nieuwe mogelijkheden gesproken zal zijn. ‘The government are much disgusted with the Dutch management and talk of appointing other agents to pay off their loans, in which you may probably get some agency’, aldus Alexander Baring aan zijn vader. Robert Gilmor en Co, een firma waarin Bingham van ouds een belangrijk aandeel had, heeft grote zaken gedaan met Nederlandse kantoren, ‘very great business - but is displeased with their conduct. I shall perhaps turn his correspondence into your hands’. In 1797 maakt de Treasury gebruik van Baring om geld naar Algiers over te maken. Als de President aan Thomas Willing vraagt een financieel vertrouwensman voor deze aangelegenheid voor te stellen, noemt deze Sir Francis Baring. Als Théophile Cazenove, die dan nog in Amerika is, probeert de aandacht op zijn principalen in Amsterdan te vestigen, schrijft Alexander: ‘Cazenove is a sad dirty fellow and does all the mischief he he can’.

Dat zal voor een deel zo wel onder woorden zijn gebracht, om-

[p. 51*]

dat Alexander Baring op zijn 22ste jaar bij al zijn scherpzinnigheid en zakelijk inzicht, toch altijd nog maar een aankomende jonge man was, met welbehagen in krasse woorden en sterke verhalen. Ieder die hem in de weg staat, wordt zo weggemaaid. Het is evenwel aannemelijk dat Bingham hem daarin niet geremd heeft. Ook Bingham had de neiging ieder die hem in zakelijke wedijver weerstond, voor een schavuit te houden.

Alexander Baring was in alle opzichten een gretige leerling, die dadelijk in de plannen van zijn mentor delen kon. ‘There is a project in embryo among some of the bankdirectors to buy up the American obligations in Holland at a certain price’. Het plan is van Bingham uitgegaan. Laten Baring en Hope maar alvast zulke obligaties gaan kopen. Even later: zou het niet mogelijk zijn dat Baring op zich nam rente op de Amerikaanse staatsschuld in Londen te betalen, op de bedragen, die daartoe in een speciaal register kunnen worden geboekt? Een mooie gelegenheid ‘to fix you more permanently in the business of this government’. En zou men ook de Europese aandeelhouders van de Bank der Verenigde Staten niet op dezelfde wijze aan zich kunnen binden? Tot nu toe maakte de bank zelf dividend over, dat dan in Amsterdam bij Willink en bij Van Staphorst betaalbaar was. Er waren moeilijkheden gerezen bij de overmaking van dat geld en nu was er een plan, door Bingham als rapporteur aanbevolen, om daarmee op te houden. Als Baring nu aan de Engelse en Europese aandeelhouders aanbood om tegen een kleine courtage voor overmaking en uitbetaling te zorgen, dan was er een goede kans voor de firma ‘by a combination of both operations (die voor bankaandelen en voor staatsobligaties) to secure a species of monopoly in the direction of American stock in Europe’.

Het begon al mooi die kant uit te gaan. Als de Treasury in 1799 geld voor rente en aflossing naar Amsterdam moet overmaken, biedt Baring hulp en laat hij zich betalen in de 8%-staatsfondsen, die toen juist gecreëerd waren. In 1800 komt weer een dergelijke overeenkomst tot stand. In 1802 nemen Francis Baring & Co. bankaandelen in betaling tegen de verbintenis ruim fl. 3.000.000. naar Amsterdam over te maken. In 1803 wordt de negotiatie bij Willink en Van Staphorst door tussenkomst van Baring afgelost. In dat jaar ook werd het huis Baring officieel agent van de Amerikaanse regering. Het was tevens het jaar, waarin Alexander en zijn broer Henri in de firma werden opgenomen.

[p. 52*]

Ziedaar enige mijlpalen op de weg naar de onneembare positie, die de jonge Baring, gecoached door zijn a.s. schoonvader, geleid door zijn koopmansgeest en geholpen door de tijdsomstandigheden, zich en zijn huis in Amerikaanse zaken verworven heeft ten koste van de Amsterdammers. Het verhaal heeft zich in dichter kring bewogen rondom de algemene noties, die wij van Amsterdams achteruitgang hadden, dan zich eerst liet aanzien. Baring kon zijn slag slaan doordat Londen het middelpunt van de Anglo-Amerikaanse, in het algemeen van heel de overzeese handel was geworden en Amsterdam de ongunst der tijden had te dragen. Londen, aldus Albert Gallatin, Jefferson's Secretary of the Treasury, was ‘the only place on which we are always sure of obtaining bills to a large amount within a short time’. Daardoor kon het Londense bankiershuis zich belasten met de overmaking van het geld, dat de Treasury naar Amsterdam moest overhevelen. Alle verdere voordelen, die Baring de Amerikanen bieden kon, hingen daarmee samen.

Toch was het niet zonder belang dat nader onderzocht werd hoe alles zich heeft toegedragen. De opklaring van de politieke hemel tussen Engeland en Amerika bleek voor ons onderwerp van betekenis, want pas daarna begon Baring zich nader in Amerikaanse zaken te steken. De relaties met Bingham hebben zijn activiteit verhevigd en allerlei mogelijkheden voor hem doen opengaan, die anders niet zonder meer aan hem onthuld zouden zijn. De jeugdige overmoed van Alexander Baring heeft aan het opdringen van de Engelse invloed een persoonlijke felheid gegeven.

Wij kunnen nu gemakkelijk begrijpen dat in 1803 de Barings in Amerika een reputatie hadden, die hen voor het hanteren van zulk een groot object als de Louisiana-6% in aanmerking bracht. Wij weten echter dat Monroe en Livingston in hun ontwerp-overeenkomst slechts aan rentebetaling in Amsterdam hebben gedacht. Het werd zo ingegeven door de macht der traditie. Overheidsdienaren registreren nieuwe tendenties in het zakenleven vaak pas laat. De overrompelende activiteit van de Barings, die al in januari 1803 in Parijs in de weer waren, toen nog slechts aan een zeer beperkte transactie gedacht werd, heeft een nieuwe wending gebracht, waarmee de Amerikanen en de Fransen beiden konden instemmen en die ook de goedkeuring van de Engelse regering heeft gehad. Louisiana in Amerikaanse handen was minder gevaarlijk dan in Franse.

De bankiers hadden bij de transactie goede rekening. Alex-

[p. 53*]

ander Baring becijferde dat de Amerikaanse fondsen hun 81% à 82% kostten. Hij was gemachtigd geweest tot 88% te bieden. Belangrijker was nog dat hun sleutelpositie nu erkend en bevestigd was. Zij konden er ook voordeel in zien op een kritiek moment een groot deel van hun vermogen buiten Europa's wisselvalligheden in veiligheid te brengen. Voor Hope & Co., Barings partner in de overeenkomst betreffende de Louisiana-6%, golden nog andere overwegingen. Het huis kon beschouwd worden als de voortzetting van het oude Amsterdamse kantoor uit de 18e eeuw, dat sinds 1795 slechts een nominaal bestaan had geleid maar dat in 1802 na de vrede weer opleefde. Er had een opmerkelijke persoonswisseling plaats gehad. Henry Hope had zich uit zaken terug getrokken. Zijn neven hadden geen belangstelling voor het zakenleven. Naast John Williams Hope, Henry's beschermeling, trad een schoonzoon van Sir Francis Baring tot de firma toe, Pierre César Labouchère. Het kapitaal werd voor een goed deel door de familie Hope verschaft, die zelf echter meest in Engeland bleef wonen. Maar als het nodig was, sprong Baring bij.

De betrekkingen tussen Baring en Hope waren hartelijk, hetgeen betekende dat zij elkaar de bal toespeelden. Het wilde ook zeggen dat Hope & Co. bij voorkeur mee moest gaan in het tempo, dat bij Baring gebruikelijk was. en dat van elke opening gebruik moest worden gemaakt. In de jaren 1802 - '09 zouden de Verenigde Staten regelmatig grote aflossingen in Amsterdam moeten doen. In de laatste tijd was daarvoor allerlei geld al door toedoen van Baring overgemaakt, maar er waren ook andere wegen en middelen te baat genomen, verscheping van producten bv. en wissels op allerlei steden, waarvan de opbrengst dan behoedzaam naar Amsterdam moest worden geleid. Dat behoefde zo niet door te gaan, aldus Baring, als Hope & Co. zich nu maar wilde aandienen als hèt kantoor in Amsterdam, dat door zijn goede relaties over de gehele wereld boven anderen in staat was elke waarborg voor stipte aflossing en rentebetaling te geven, die men in Amerika maar wensen kon.

Er schijnt bij de firmanten enige schroom daartoe te hebben bestaan. Het zou een onaangename indruk maken als men aldus onder de duiven ging schieten van de kantoren, die Amerika van meet af bediend hadden, Willink en Van Staphorst in de eerste plaats. Alexander Baring kon dat volstrekt niet begrijpen. Als er nieuwe leningen voor Amerika nodig waren, dan moest men de oude kantoren misschien eerst hun kans laten. Maar zo was

[p. 54*]

het niet. Er moest veeleer worden afgelost en daarvoor waren onder de bestaande tijdsomstandigheden en handelsverbindingen de Willinks minder goed toegerust dan Hope & Co., het oude huis dat nu eenmaal met Baring in vaste verbinding stond. Waar de zaken zo lagen, zou het onredelijk zijn als Willink zich onaangenaam getroffen toonde, indien een ander, die betere voorwaarden en groter regelmaat kon aanbieden, dat dan ook deed. Als ge al te delicaat zijt, nemen de concurrenten een loopje met U. Blijft Hope huiverig en wil hij niet toetasten, dan zal Baring moeten handelen en zal de Treasury alles over Londen gaan doen.

In de komende jaren is inderdaad meer en meer de laatste weg gevolgd en dus zal Hope de gedachten van Baring niet hebben overgenomen. Het valt juist aan de Louisiana-6% te bewijzen dat het inderdaad zo is gegaan, want als een tranche van dit fonds in de gebruikelijke vorm van een negotiatie aan het Nederlandse publiek wordt aangeboden, treedt Hope & Co. niet alleen voor het voetlicht, maar wordt de directie mede gevormd door Wilhem & Jan Willink, die in Amerikaanse zaken werden overspeeld, en Raymond & Théodore de Smeth, de vroegere mededingers, die eerder al de Russische leningen in Hope's handen hadden zien komen. Als de belangstelling groter blijkt dan bij het opzetten van de negotiatie voorzien is, wordt een nieuwe opening aan het publiek geboden door tussenkomst van het administratiekantoor van N. & J. & R. van Staphorst, Ketwich & Voombergh en Willem Borski, waaraan nu ook wat gegund wordt.

Het zal niet alleen uit delicatesse zo zijn geregeld. In de Bataafse Republiek was men door politieke noodzaak sterk onder Franse invloed. Een handelshuis met een naam, die aan vroeger Orangisme herinnerde en dat duidelijk Engelse betrekkingen onderhield, zou ook na de politieke schikkingen van 1801 het moeilijk kunnen krijgen als het in isolement bleef staan en anderen dwars zat bovendien. De pil moest worden verguld en aan de teruggedrongen concurrenten moest op het tweede of derde plan ook iets worden gegund.

Ook de Barings moesten dat erkennen. Wanneer de Louisiana-6% door de beide grote firma's tot aller tevredenheid van de Franse regering is overgenomen en extra tegemoetkoming aan de noden van de Franse schatkist bovendien is betoond in de vorm van vervroegde stortingen, dan ziet Alexander het als een bijzonder voordeel dat in internationaal verband heel wat

[p. 55*]

Frans wantrouwen tegen Hope is weggevallen. Het kantoor heeft later aan Napoleon nog waardevolle diensten bewezen en daaraan goed verdiend. Het was ook van belang dat de sfeer in Amsterdam niet bedorven werd.

Met dat al waren de Willinks in Amerikaanse zaken nu op het tweede plan gekomen en Van Staphorst was nog verder op de achtergrond geraakt. Wat ik vroeger slechts op een algemene tendentie kon terugbrengen, heeft nu een geschakeerde en genuanceerde verklaring gevonden, waarbij ik menselijk leven en streven zie, dat onze algemene noties over de economische achteruitgang van Nederland in hun waarde laat en tegelijk die in de volheid van het leven plaatst. Aan de onpersoonlijke veralgemening van de gang van zaken ontkomen wij zo. Dat alles bevredigt mij wel. Ik wil hopen dat het ook U iets zegt.

 

In de discussie, volgend op prof. Van Winter's voordracht, verleent de voorzitter allereerst het woord aan de heer Buist. Deze deelt mee dat het Huis Hope zich ten tijde van de totstandkoming der Louisiana-overeenkomst reeds verheugen mocht in de gunst der Franse regering. De firma had zich nl. reeds voordien tegenover Frankrijk verdienstelijk gemaakt. Prof. Van Winter bedankt de heer Buist voor deze nuttige aanvulling.

Op een vraag van prof. Coolhaas antwoordt prof. Van Winter dat zowel Henry Hope als zijn neven ‘echte’ Hope's waren. John Williams Hope was een aangenomen zoon.

Mr. De Jongh informeert naar de financiële connecties van Napoleon en diens broer Lodewijk. Van Lodewijk's activiteit op dit terrein is prof. Van Winter niet op de hoogte. Hij betwijfelt of diens rol in het grote financiële verband van enige betekenis is geweest.

Prof. Brandt wijst op de slechte verhouding tussen de Ver. Staten en Frankrijk in 1798 en vraagt of die verhouding ook van invloed kan zijn geweest.

Prof. Van Winter antwoordt dat bij het sluiten van de overeenkomst van 1803 met name aan Franse zijde wel degelijk de bedoeling heeft voorgezeten om het verleden te begraven en tot een betere Frans-Amerikaanse verstandhouding te komen. Bonaparte heeft zich t.a.v. Amerika nadrukkelijk gedistantieerd van het door het Directoire gevoerde nogal ongelukkige beleid. Na zijn verheffing tot Consul paradeerde hij als een tweede Washington: de generaal als vader des vaderlands optredend en een bewind des vredes voerend.

[p. 56*]

De voorzitter zegt spreker tenslotte hartelijk dank voor zijn belangwekkende voordracht, waaruit zo duidelijk is gebleken dat in de historie niet alleen de min of meer gedetermineerde grote lijn en algemene tendentie van belang is, maar tevens het leven en streven van de individuele mens.

 

Daarna sluit de voorzitter circa half vier de vergadering.