De Denker. Deel 10 (1772)


auteur: [tijdschrift] Denker, De


bron: De Denker. Deel 10. De erven van F. Houttuyn, Amsterdam 1773


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 33]origineel

De Denker.
No. 475. Den 3 February 1772.
[Overdenking by het oprichten van her Grafteken voor J. van den Vondel in de nieuwe Kerk te Amsterdam, den 1. Febr. 1772.]

 
- Hac Naso situ est, hac Flaccus arena;
 
Hoc tegitur magnus marmore Virgilius.

Franc. Epigr. lib. 2.

Overdenking By het oprichten van het Grafteken voor Joost van den Vondel.
In de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Den 1ste February 1772.

De beschermgeesten der dooden, zweeven er anders Wezens van onstoffelyken oorsprong over of rondom de Slaapsteden onzer afgestorven Voorouderen en Natuurgenooten, zullen ons, die den dood slechts by naam kennen, geenzins weigeren het ryk der verslinding in te treeden, en die donkere en zwarte heerschappy van geweld en verdelging, by het oprichten van stoute gedenktekenen, door verwondering te beschouwen, schoon wy het gebied van eenen Koning genaaken, die het leeven aangrypt en deszelfs sterkste Zuilen omverrukt.

Hoe doodelyk ook deze verblyfplaats der dooden, in haaren eigen en angstvalligen omtrek, ten behoeve

[p. 34]origineel

haarer sluimerende gemeente, zyn moge, zy besluit nochthans een leevenwekkend vermogen voor den geenen, die het geheim der voorgaande en toekomende tyden, terwyl hy onder de leevendigen wandelt, in haare ingewanden wil opzoeken en door kracht van beschouwing en aandacht het segel der wezentlyke verborgenheden losbreekt....

Dan, hoewel wy deze eenzaame plaats naderen en, onder eene lieffelyke overtuiging, dat bondig onderwys in dezen het deel onzer onderneeming zyn kan, mogen beschouwen, vorderen echter eerbied en ootmoed voor het oogmerk der Bouwheeren en de natuur van het ryk der dooden, dat wy met eenen langzaamen tred naderen.

Deze toch is de plaats, waar Godsvrucht en Liefde de hoope der onsterffelykheid voor den dag der Opstanding - den dag des Oordeels versegelen.. Hier toch liggen de voorwerpen des eeuwigen leevens en als zodanigen de schatten des doods - de geheimen der natuur. Zy liggen op één bed, terwyl één dak hun onderling Vaderland beschaduwt - terwyl eensgezindheid, stilte en vrede de banden van hoogmoed, zonder eenige beweeging, van eenscheuren - de schaduwachtige onderscheiding van het noodlot wegneemen en het gestoelte der eere omverstorten.

En nademaal voorbaarigheid onze nieuwsgiere overdenkingen noch aanzet, noch voortdryft - Nademaal achting en eerbied door welken wakkere en vlytige Mannen, die van de onsterffelykheid eene proef neemen, voor dat zy dezelve intreeden, werden aangespoord, om den Dichter der voorgaande euwe boven de groeve der vergangbaarheid te plaatsen, nademaal deze achting en eerbied ons, door eene stilzwygende welspreekendheid (het Grafteken, der aandenking) noodigen en uitlokken, om onzen weetlust te versadigen en onze verwondering te streelen, zullen wy ons ook van dien algemeenen en magtigen schrik, die de stoutste gemoederen, by het bespiegelen van Lyken en Lykbusschen, kan schudden, verlaaten en gemyd zien.

Welke stille en staatige indrukselen echter openen

[p. 35]origineel

ons de deuren van dit geëerbiedigd Paleis, en geleiden ons door den geheiligden omtrek!

Wy staan hier op den grondslag van ons eigen bestaan! Onze voeten drukken de Ligchaamen, waarin wy te voren waren opgerold of met welken wy, ten gelyken tyde, uit het ryk der oprichting voortkwamen! Wy wandelen over de schatten van onze eige nieren, of de gebuuren van ons eigen bloed.... Hier zouden wy eenen voetstap of Heerscher, Held en Overwinnaar - daar op Muiter, Bedelaar en Slaaf - elders op Moeders. - Dochters en Minnaressen, en, over het geheel, op alle de deelen der tydelyke of ligchaamelyke onderscheiding zetten, indien stof met stof en asch met asch niet dermaate vriendelyk en ten naauwsten vereenigd - niet der maate door elkanderen geschud en met elkanderen vermengd ware, dat 'er eene nieuwe Schepping moet voor handen zyn, zo 'er oit weder eene voorige onderscheiding zal plaats hebben!.... Hier staan wy op de grensen van beide de Waerelden! Het leeven boven onze verbeeldinge, - den dood onder onze voeten - den tyd binnen onzen stoffelyken omtrek, en de euwigheid voor het oog onzer onversaadelyke en onvermoeide begeerte geplaatst zynde. De graven, die geene geschenken van bergen of duinen behoeven, dewyl verouderde de jeugdige lyken bedekken, offeren aan onze overdenkingen de natuur des doods, om ons te doen hoopen, dat de dood zelfs de weg zy ten leeven. De Lyken schilderen ons de Eerstgeborenen des doods - dezen den tyd af; terwyl de tyd zelfs, door den omzwai van euwe door euwe, de voorechten eener eindelooze beweeging beminnelyk en begeerelyk kan maaken aan onze bepaalde en donkere vooruitzichten. Hier staan wy op eenen vruchtbaaren akker, op welken de Heer van Hemel en Aarde de zaaden zyner Almacht gestort heeft, om dezelven tot eenen onsterffelyken oegst, dien geene anderen dan zoonen des lichts en des leevens, onder het geschal der bazuinen zullen wegmaren te doen opgroeien..... Hier staan wy op een onzondig gedeelte der Schepping - op een geslacht, dat geen bynaam behoeft om uit te munten - op een

[p. 36]origineel

geslacht niet vatbaarer voor lof als laster, en ongevoorlig voor beide. Vergeefsch toch, vyandin der deugd en bekwaamheid - vergeefsch toch rustelooze en woelige afgunst, zoudt gy uwe pylen schieten door deze waarachtige Maatschappy; want, door het hart boorende, zoudt gy 't gevoel niet raaken - 't gevoel niet aandoen... En vruchteloos - vruchteloos zouden ook uwe oogmerken afstroomen - langs deeze echte steenen afstroomen, ô Zoonen der dankbaarheid, die de panden der wysheid, dapperheid en eere gedenktekenen opricht, indien gy, overtuigd zynde, dat het vereuwigen van naamen niets meer dan het vereuwigen van Naamen betekent, niet voor hadt den naam alleenelyk, zo onstoffelyk als de Ziel zelve, in de gedenkboeken der gedachten, door een teken, dat worm noch roest kan wegknaagen, te versegelen!...

Gedenktekenen! - Pracht en beeldspraake doen ons op de zelven verlieven!....

Hier toch zien wy de naamen van dapperheid en wysheid vereuwigd - de Ruiter en van Galen met bloedige - de Haze, zo wy onze leideressen gelooven, met kraakende lauweren omvlochten.

Hoe keurig en kunstig:.... maar zeldzaamer voorval rukt onze verbeelding van algemeene lyken en deze beroemde heiligdommen der aandenking, nademaal zich een byzonder voorwerp op alle de voorigen indringt, op dat zich onze beschouwingen, naar den regel der indrukselen, in het lot onzer tegenswoordige tyden verlustigen en de koude loftuitingen, welken wy gaerne den man by uitneemendheid toestaan, mogen verwarmen.

Te weeten; in Sprokkelmaand van het negen en zeventigste Jaar der voorgaande euwe bragten veertien dichters hunnen algemeenen Leeraar en Vader, onder eenen rouwstoet van weenende en besluierde zangeressen, hier ter plaatse, ten grave. Behoeven wy te zeggen, dat zy Vondel, te Keulen geboren en onder den Amsterdamschen Hemel ontslapen, begroeven?.. Hier, niet verre van dit staatelyk en prachtig koor. - Hier niet verre van den algemeenen ingang (: zo

[p. 37]origineel

kon men der dichtkunde gevoegelyk voor alle andere kunsten den tol der verwondering aanbieden,) stelde men het mergeloos gebeente te ruste - zonder gedenkteken - zonder eerzuil. De grootmoedige en verstandige Six ondertusschen, des tydes met Burgemeesterlyke waerdigheid omhangen, trok zich dit verzuim edelaartig ter harte, en liet drie jaaren na 's mans uitgang, op dat de naam van Vondel in dezen tempel niet gelyk het lyk vergaan zou, met de taal der Latynen, op den zark der groeve uitslaan: ‘dat ter dezer plaatse het overblyfsel van den man rustte, zo aangenaam aan Febus en de zanggodinnen, terwyl Brandt, meer dan iemant geschikt om het vereuwigen van naamen eenen waerdigen luister by te zetten, den leevenswandel van dit uitgescheenen licht der dichtkunde den nakomelingen edelmoedig aanboodt en dus de waereld toereikte wat de kundige Six aan dit heiligdom vereerd hadt.’

Om dit verhaal nu door eenen afloop van jaaren te leiden, zou een te ruim veld geeven aan onze verbeeldingen ep ons oogmerk. Weinig minder dan eene geheele euw konden wy afzweeven - de natuur der toenmaalige vernuften leeren kennen en by die der tegenswoordigen vergelyken; dan terwyl ons aan den eenen kant, voorzichtigheid in toom houdt - menschenliefde en vergenoeging, aan de andere zyde, onze overdenkingen op het zeldzaam voorval, waar van wy met eerbied gewaagden, op het geleide der ontfangen indrukselen, meer bepaaldelyk doen stil staan, zullen wy de zorgeloosheid en onlust der voorige jaaren vergeeten en den mannen van smaak begroeten, die ons heden in 't gemoet treeden, en, om Vondel, dien naam by uitneemendheid, na dat drie en negentig jaaren over den zelven waren afgewenteld, door een bevallig gedenkteken, vry van zwierige verwarring, te bewaaren, en hier te bewaaren, daar de hutte, waar in het leeven, dat wy onder dien naam kennen, gewoond heeft, gesloopt, vervormd of vergaan is.

Laster van slordige baatzuchtige en schraale gemoederen is eene lostuiting voor de verhevendste

[p. 38]origineel

bedryven. Ondeugd dienshalven moge op deugd - eigenbaat op edelmoedigheid - kleinachting voor weetenschappen en kunsten op het gedrag der geenen, die den rang der weetenschappen en kunsten stutten, zonder ophouden, smaalen. Die smaaling zal het bewys zyn voor de waarachtige verdiensten der zaaken, die het voorwerp worden dier oneerwaerdige belaagers, welken het verstandig deel der menschen verheffen, schoon zy het zelve met alle magt poogen te vernederen of uit den staat zyner verhevenheid te rukken.

En of ook dezen u zullen aanvallen, wettige Zoonen van rechtvaerdigheid en kunde, die het gevolg uwer dankbaare overdenking aan den grootsten dichter zyner euwe, boven deszelfs lykbed, of dat ten minsten deszelfs lykbed geweest is, doet uitblinken-doet uitblinken met eene edele eenvouwdigheid die het kenmerk van oordeelkundige volmaaktheid oplevert, zullen wy, by dezen uwen staatelyken optogt, niet onderzoeken; dewyl wy vaststelden, dat ook uwe welverdiende toejuiching van deze donkerezyde zou kunnen opdaagen, en die stille en staatelyke indrukselen, welken ons dit heiligdom der dooden ontslooten - door het zelve geleid en tot dit voorval gebragt hebben, over het voorwerp, dat gy indraagt, dat nog nieuw is en, hoe spade, toch tydig wordt voorgesteld, dryvende, dat voorwerp in ons geheugen drukken en deszelfs oorsprong en gedaante, lang de waarneemingen van het oordeel, onder het gevoel van ons hart brengen.

't Was u niet vergeeten, hoe men oulings de gedachtenis der doorluchtige Mannen vierde. - Op wat wyze men die der vergetelheid ontrukte en wat men toevoerde, om, in dit opzicht, tegens den tyd te vechten. 't Was u ook niet vergeeten (en waarlyk, aan Dichtkunst denkende, kon het uw geheugen niet ontvallen) hoe Vondel, na het ontfangen der burgemeesterlyke aandacht, - de trekken van Brandts meesterlyke Veder en onder het omzwerven zyner eigene gedenkboeken, tot op uwen tyd toe, zonder eenig praalend teken van aandenking, blootelyk in den klank der benoeming bestaan hadt, en echter onder

[p. 39]origineel

die geenen behoorde, dien men eertyds gedenktekenen oprichtte. Gy wist, hoe men hier in den nederduitschen Virgilius voorbygegaan, schoon verplicht was. Het geheugen zekerlyk hier van - het gedenken hier aan drongen dien yver te voorschyn, door welken eerbied en hoogachting voor den ontslaapen Dichter in uwe onbekrompen gemoederen werden opgewekt; terwyl verstand en oordeel deze aangeblazen vlammen rechtvaerdigden en beschermden, en daarna toestonden, dat men (voorbeelden hier van kunnen ons de Romeinsche Legioenen opleveren) door een deftig gedenkteken eenen naam zou huldigen, die zich langer dan honderd jaaren in het Gemeenebest der letteren hadt doen gelden.

Zyt welkom dierhalven edelmoedige Mannen, - Zyt welkom in dit huis der verslinding. - Hangt hier het gedenkteken voor Vondel, en sticht, op deze wyze, uw eigen grafnaald. Verrykt dezen Tempel met eene gifte, die op den grondslag eener dubbele vereuwiging, op de verdiensten van Vondel en op uwe eigene verdiensten, gewoud is. De naam toch van dien Man die de euwigheid verdiend heeft en dien van eenen anderen vereuwigt, verdubbelt de kracht des bedryfs door zyne eigene waarde - door zyn eigen rang... Wanneer dit staatelyk gebouw (en laat dit - laat dit uwe verwachting, zo al niet uw loon zyn) door den tyd verouderd en van zyne zuilen geworpen, zynen gestruikelden luister op bekkeneelen, - doodbeenen of de asch der lyken zal hebben nedergeworpen, en laatere geslachten, die de aêloudheid lief hebben, als dan willen opkomen - door dak en grondvest heen booren en dit gedenteken opgraaven, zullen deze, geslachten mogelyk uitroepen ‘toen stierf Vondel en omtrent honderd jaaren laater kwamen zyne aanbidders en navolgers eerst te voorschyn’.

Dus verbeelden wy ons den oortsprong van dit gedenkteken, zonder toeleg op het navorschen van verborgen oogmerken, en op deze wyze meenden wy verplicht te zyn, het zelve in deze statige rustplaats der stilzwygendheid te moeten inhaalen; terwyl ons harte, gevoelig voor de eere aan den naam des mans, dien wy hoogschatten, beweezen, u, braave voorstanders van

[p. 40]origineel

weetenschappen en kunsten, durft verzekeren, dat wy uwe naamen nimmer dan met dankbaarheid zullen noemen; en daar wy het gedenkteken thans zien opgericht, willen wy, deszelfs gedaante in ons geheugen bewaarende, met deze indrukselen den dampkring der dooden, zo dit tydelyk bestaan niet altyd van den dood omringd is, verlaaten en van hier gaan.

‘Eerbied en hoogachting voor Weetenschappen en Kunsten, of liever, deze Weetenschappen en Kunsten, yverzuchtig en verheven van natuur en afkomst, wilden den Roem des Nederduitschen Zangsbergs, na dat de tyd zelf beproefd hadt, of wezenlyke verdiensten den tyd konden verduuren, eenig gedenkteken oprichten, en zich zelven dus eene kroon op het hopfd zetten. Het vernuft, zo daadvaerdig in dezen, pleegde raad met het oordeel, en men gaf het gedenkteken deze gedaante, te weeten, den luister eener bevallige eenvouwdigheid door den sluier van eenpaarigheid beschaduwd.

‘Zo groots - zo treffelyk - zo op den duur behaagelyk, kwam nimmer eenig voorwerp te voorschyn, dat niet eenpaarig en over het geheel bewees, dat eenvouwdigheid deszelfs natuurelyke behoefte - deszelfs nooddruft geweest ware. Eenvouwdig is de natuur der schepping - eenvouwdig de omloop der tyden en zaaken - eenvouwdig het leeven - eenvouwdig de dood en eenvouwdig de wezenlyke schoonheid, nademaal eenvouwdigheid zelfs de natuur is der Godheid.’

Vreemdelingen en Landgenooten dierhalven zullen dit gedenkteken, zo onze stelling doorga, den naam van eenpaarige eenvouwdigheid niet kunnen weigeren.... Maar schoon zy al weigerden, onze verwachting te doen gelden, wat zou het ons raaken, die dit gedenkteken, op het gezag onzer verbeelding, doopen en gaerne dulden, dat een ander het zelve naar zynen naam noeme?