|
|
|
| |
| | | | | |
I.
De ‘Maetschappy der vlaemsche Bibliophilen’, die zich door het in druk bezorgen van zoo menig oud nederlandsch dichten prozawerk, dat historische of letterkundige waarde had, heeft verdienstelijk gemaakt, heeft dezer dagen het andere deel uitgegeven van een meer beroemd dan bekend mnl. epiesch gedicht, of ‘ridderdicht’, gelijk men het met de uitgevers, zoo de zin niet te beperkt wordt opgevat, zoû mogen noemen, getiteld ‘De Grimbergsche oorlog’. Wij meenen het oogmerk der geachte uitgevers, de algemeener kennis en waardeering van dit hoogst belangrijke kunstwerk, niet beter te kunnen dienen dan door er van tijd tot tijd (te beginnen met het eerste deel) eenige fragmenten uit mede te deelen in onze ‘Warande’: daardoor zal bovendien de zucht om met het geheel kennis te maken zeer zeker bij die lezers worden opgewekt, wier middelen hen als het ware voorbestemmen de 12.300 vaerzen, waar het stuk uit bestaat (van hetwelk slechts honderd exemplaren in den handel zijn), in eigendom te hebben. Men zal opmerken, dat, al zijn er enkele gebreken in de form (als daar zijn de stopspreekwijzen, die het ontcieren), daartegenover dikwijls zoo veel levendigheid in de schildering der feiten, zoo veel goed en edel gevoel in de gesproken woorden, zoo veel wetenswaardigs in de beschrijving staat - dat er even min dichterlijke als historische en taalkundige waarde aan kan ontzegd worden. Men moet echter nooit uit het oog verliezen, dat men hier met een epiesch dichtstuk, niet met een trouw dagverhaal te doen heeft. De tijd der handeling van het stuk is de helft der XIIc Eeuw.
Het gedicht-zelf, dat Bilderdijk de ‘Ilias van het moedig geslacht der Berthouds’ noemt, behoort blijkbaar tot de XIVe Eeuw; de dichter komt uit de school van Maerlant, en heeft als deze een grooten weêrzin tegen de romanliteratuur, en toch staat de dichter niet zoo ver in de XIVe Eeuw, of vele door hem ge- | | | | bruikte woorden waren voor een afschrijver uit het laatst der XVe geheel onverstaanbaar (als blijkt uit de varianten in het zoogenaamde Brusselsche Hs.) en zijn doorgaands door veel minder juiste, minder fijne en zinrijke, minder schilderachtige vervangen.
De text, door de ‘Bibliophilen’ als hoofdbron gebruikt, is in der tijd bezorgd door den Heer D. Groebe, naar eene kopie, welke Bilderdijk gemaakt had van het Hs. (gelijk men meent), dat Prof. Matthaeus in bezit heeft gehad. Ongelukkigerwijze wordt Bilderdijks kopie in de Kon. Akadenie van Wetenschappen vermist, en wij hebben haar dus niet met den druk kunnen vergelijken.
De overgangen in proza hebben wij aan het verslag der uitgevers, de Heeren Serrure en Blommaert, ontleend; van de wenken door Prof. Bormans gegeven, hebben wij vlijtig gebruik gemaakt: de meesterhand van dezen geestrijken Hoogleeraar valt in talloze onderdeden dezer uitrusting van het dichtwerk niet te miskennen. Op do zinscheiding hebben wij hier en daar wat meer nadruk gelegd, en van enkele vaerzen ons ook veroorloofd, door verplaatsing der scheiteekens, eene andere opvatting dan die der uitgevers aan de hand te doen. Wij hebben ons onthouden van het schrijven van verklarende aanteekeningen. Dat is een werk van grooten omvang, en wij wilden ons haasten, om het reeds in 1852 verschenen eerste deel dezes werks bij onze Noord-Nederlanders, die er nog te weinig van hebben hooren spreken, in te leiden. Bovendien, het vermenigvuldigen der bestaande glossariën van het Mnl. komt ons ijdel voor, als in die woordenlijsten slechts de meest voorkomende oude woorden gevonden worden; het gaat in menig opzicht onze krachten te boven zeldzame woorden toe te lichten - hetwelk trouwens met een voor 't eerst volledig gedrukt middeleeuwsch gedicht, waarvan men geen enkel gelijktijdig handschrift kan raadplegen, altoos eene hachelijke zaak blijft; en wij, voor ons, willen niet gaarne medewerken om onzen vriend De Vries een Tweede Deel in de pen te geven voor zijn geleerd en geestig boek ‘Proeve van Mnl. Taalzuivering’, zoo even doorlezen.
A. Th.
| | | |
Met volle recht, zegt de Dichter in zijn proloog:
Dat ic dit dichte volmaken moet
Dat ic beginne: want het sal goet
Te horne sijn: ene rechte volrede
Van striden en̄ groter vromichede,
Van parlementen, van gedinghe,
10
Van sconen worde sonderlinghe,
Van goeden ridderscappe mede!
Daarop volgt een protest naar de mode der tijd tegen de romantiesch-epische kunst, ofschoon hij het zelf aan een zeer goede exorde, gelijk het kunst-epopee het tot kenmerk des heldendichts gemaakt heeft, niet ontbreken liet:
My dunct, dat sy telcker stede
Sere misdoen dese consteneren,
Die hem met dichten generen,
15
Dat sy suffen brenghen voirt,
Die noit ghesien noch gehoirt
En waren, noch en gescieden niet,
Daer sy die lieden (dat wel wiet)
Versust met maken achter straten;
20
Ende sy te dichten hebben gelaten
Vraye geste, die waerheyt was,
Van den hertoghe (sijt seker das),
Die Godevaert metten Barde hiet:
Die ierste hertoghe, ic liege u niet,
25
Die in Brabant oit regneerde.
Na dat my die cronike leerde,
So hieten sine vorders graven
Van Lovene: maer verhaven
Wert dese hertoghe in Brabant
30
Van den keyser (sy u becant),
Diene selve maecte hertoghe,
Bi den rade der Heren hoge,
Die bi den keyser waren daghelijc,
Ende diene lief hadden sekerlijc
| | | |
35
Overmits sire doeghet wille,
Die in hem was lude ende stille.
Selve die keyser minden mede,
Dat toonde hi hem tot meniger stede,
Gelijc ghy hooren sult hier nae
40
In 't oirloghe (als ic verstae),
Dat tusschen den hertoghe Godevaerde
Was end'oic den heren waerde
Van Grimberghen, die sekerlike
Machtich waren ende rijcke
45
Van grote lande in dien tyde,
Dat omtrent hem wide ende side
Met sconen beempden was gheleghen.
Sy hadden menighen coenen deghen,
Die Grimbergen hoirden toe,
Met oirloghden, alse ic u sal
Segghen, om dat hy woude van al
Grimberghen overheere wesen,
Ghelijc ghy hier sult horen lesen,
55
Eer dit boec compt ten eynde toe.
Hoirt ende swyget, dat bid ic u;
Daarop volgt eene soort van historieke inleiding, die de hoofdfeiten des gedichts voorbereidt:
‘De dichter zal den krijg bezingen, welk tusschen de heeren van Grimbergen en den grave van Leuven, Godevaert met den Baerd, ontstond, toen deze tot hertog van Lotharingen (Lothrike) door den keizer verheven werd. Godevaert met den Baerd stamde van de oude onafhankelyke hertogen van Lotharijk af, wier hertogdom zich tusschen de Schelde en den Rhijn uitstrekte, en waer onder als leenen behoorden het land van Brabant, dat van Gaesbeke, van Edingen, Hoorne, Grimbergen, enz. tot den tijde dal Karel van Lotharingen, wien de fransche kroon bij het overlijden van zijnen broeder Lotharius III, vervallen was, door Hugo Capet, dat boose
| | | |
diet, verraderlijk te Louwen (Laon) gevangen werd en te Orleans in den kerker gedood. De keizer schonk dan het hertogdom van Lothrike aen Godevaert van Ardennen, en de zuster van den vermoorden hertog, Gerberga, behield slechts de graefschappen van Leuven en Brussel (Brabant) na de dood van haren oom Otto. Haer gemael Lambrecht met den Langen Hals sneuvelde by Florennes in een gevecht tegen den hertog Godevaert van Ardennen, t.j. 1015.
‘Godevaert met den Baerd was kleinzoon van vrouw Gerberga, en werd na de dood van zynen broeder Hendrik III, t.j. 1095, grave van Leuven en van Brabant. Deze Godevaert was een sterke ridder en vroome man; hy voer overal ter feesten en ten toernoyen, en handelde als een held. Hy was met den keizer bevriend en hy volgde dezen overal ten kryge, ook huwde hy door dezes toedoen, des hertogen dochter van Beijeren, geheeten Lutgarde, vrouw van Salsenburch, en zuster der keizerinne. Te dezer gelegenheid gaf keizer Hendrik V, t.j. 1106 het hertogdom Lothrike aen Godevaert, en zoo kwam het terug aan het geslacht, wien het voormaels was ontvallen.
‘Godevaert met den Baerd deed zich erkennen en huldigen door al de leenhouders van het hertogdom Lothrike. Te Leuven kwamen hem als opperleenheer houw en trouw zweren de heer van Horne, de heer van Gaesbeke en andere. Te Brussel kwam de heer van Edingen (Enghien) hem hulde biên; en hy ontving daer manschap van al zyne omzaten, uitgezonderd van den heer van Grimbergen.’
475
Die hertoge Godevaert heeft saen
Van sine omsaten, wide en side,
Also si plagen by keysers tiden.
Nu waren lieden t'sinen radc
480
Ende bi hem vroech ende spade,
Die hem seiden al te hant,
Dat men van Grimbergen dat lant,
Ende dat daer toe hoirende ware,
| | | |
485
Van den hertoghe van Lotherike,
Ende van Brabant dieregelike.
Als die hertoge dat verstoet,
Bepeinsdi hem in synen moet;
Ende cort na al sijn versinnen,
490
Ontboet hi te Grimbergen binnen
Met enen bode, die conste wale
Gheven tale ende wedertale,
Ane die heren, ‘dat si quamen,
Ende ontfingen van hem te samen
495
Haer leen; ende hem manscap deden,
Gheliker wijs dat t' aller steden
Haer vorders den sinen hadden gedaen;
Ocht neen - hy soude saen
Met crachte comen in haer lant,
500
Ende stichten roof ende brant;
Ende verwoesten, sonder sparen,
Dat sy van hem houdende waren.’
Tesen tiden (wet al bloet),
Dat die hertoge dit geboet,
505
Te Grimbergen was daar een stout
Here, hiet mijn heer Arnout.
Machtich was hi ende rike
Van goede, van lande, sekerlike,
Van vrienden ende van maghen met;
510
Want hem bestont (dat wel wet)
Van Vianden die goede grave,
Die hem ter noot niet en ginc ave,
Ende die here (als ic versta)
Die 't lant doen hielt van Breda,
515
Ende van Moy die edel here,
Die mechtich was herde seere,
Die 't lant hilt van Artois,
[Die hem volghe]de met menghen Francois,
Ende halp, ten achtersten orloghe,
520
Jegen den jonghen hertoghe,
Die de derde Godevaert hiet.
Sijn maech was oic (ic lieghe u niet)
| | | |
Die here Bosi uit Henegouwe,
En̄ meneg ander here ghetrouwe,
525
Die vrome was ende stout,
Oic hadde mijn here Arnout
Menighen ridder ende knape
In sijn lant, goet van ridderscape,
Die van hem hilden goet ende leen;
530
Want sijn vriheyt ginc ghemeen
Tot Postele, ende sijn heerscappie;
Dan haddi, binnen in sijn baelgie,
Menich dorp dat goet was,
Ende menich huys (sijt seker das)
535
Dat sijn lieden hielden van heme;
Tien tijt, als ic 't verneme,
Hielt hy Mechelen die stede;
Ende te Grimbergen, daer stond mede
Een borch sterc ende groot;
In menich mylen verre no by.
Twee sonen hadde dese ridder vry,
Die vrome waren ende stout;
D'eene hiet heer Wouter Berthout,
545
D'ander Geraert Drakenbaert,
Na sinen ouder vader waert,
Die alsoo hieten by namen.
Sy waren scone van lichamen,
Ende wel gemaect, van sterke leden,
550
Vrome, coene, hovesch van zeden,
Metten goeden sere gemint.
Mee so waren sy wel bekint
Goedertiere, ootmoedich, milde,
Goet ten spere ende ten scilde.
555
Dit was op Alder-Apostel-dach
(Also ic u sal doen gewach)
Dat mijn Heer Arnout was geseten
In sijn borch, ende soude gaen eten
Ende sijn lieden die by hem waren,
560
Diere vele was, te waren;
Want hy hielt scone maiseniede,
| | | |
Ridderen, knapen, andre lieden.
Bi hem waren heren lofsam,
Doen die bode gereden quam,
565
Die hem seinde die hertoge vry;
Voere die brogge beette hy,
Ende ginc in de sale te hant,
Ten etene ende beyde sijn sonen,
570
Ende noch vijff ridders hoordic nomen,
Die vrome waren ende stout:
D' een was van Oyenbrugge Arnout,
D'ander Willem Tant (ic wane),
De derde was Godevaert Screyhane,
575
De vierde was (in ware tale)
Mijn heer Zegerman van den Male,
De vijfde was die borchgrave
Mijn heere Willem, daer men ave
Spreken mach veel vromicheden.
580
Des vijf die saten (by waerheden)
Ende beyde sijn sonen ter tafelen daer.
Doe ginc die bode staen daer naer
Vore die tafle, ende seide: ‘God,
585
Hy moet houden in syne eere
Van Grimbergen Arnout, den here,
Ende daertoe alle de gene mede,
Die met hem sijn teser stede,
Ende beide syne kynderen vrome!’
590
Heer Arnout sprac: ‘Sijt willecome,
Comt sitten eten ter deser tijt,
Dan segt wat gy begerende sijt.’ -
‘Here, danc hebt, maer hoeret my
Waeromme ic hier comen sy,’
‘My heeft hier tot u gesant
Metten Baerde, die heere waert
Van Brabant ende van Lotrike,
| | | |
Dat ghi u goet comt ontfaen
Van hem, gelijc dat gedaen
Heeft die ridder uytvercoerne,
Die men heet here van Hoerne,
605
Ende selve die here van Adingen,
Ende beide die heren sonderlinghen
Dese hebben haer goet, haer leen
Al te saem van den hertoge coene,
610
Gelijc sy sculdich sijn te doene;
Als u voorsaten hebben geploen.
Comt ontfaen u lant, u goet
Van hem ende u leen: het moet
615
Sijn met bedwange ofte met minnen!
Ane d'oorloghe mochti luttel winnen.
Ende doedi des nu niet, hi sal
Comen met sinen lieden al,
Ende salre u toe met crachte,
620
Ondancs uws ende uwen geslachte,
Dwingen, ende dat lant afberren
Dat ghi van hem hout, sonder merren.
Besiet hoe ghi beraden sijt;
Welc hebdi liever teser tijt -
625
Peys ofte onpeys? dat segt nu my,
Dat ic 't mag seggen den hertoge vry.’
Alsoe heer Arnout verstont
Altemalen des boden gront -
‘Dat die hertoge met gewoude
630
Manschap hebben wilt ende houde,
Op dat hi soude in sijn lant
Met crachte comen, ende brant
Ende roof daer inne stichten’ -
En conste u niet wel berichten
635
Die onweerde die hi hadde daerin;
Want hem dochte in sinen sin,
Dat hi metten hertoge coene
Al was hy rijcke man van lande;
| | | |
640
Ende antwoorde den bode te hande
Al onberaden: ‘Ic hebbe verstaen
U boetscap; maer segt saen
Den hertoge, uwen here, weder,
Dat ic niet een spoerveder
645
En gave om hem noch om sijn daet!
Des segt hem, dat's mijn raet,
Dat ic van hem groot noch cleen
En sal ontfaen lant noch leen.
Ic en houde van niemant mere
650
Dan van Gode, onsen here,
En ware of ic die strate hilde
Te lene van den keyser milde,
Tusschen Bruessel ende Grimbergen.
Segt hem dit sonder verberghen,
655
Des biddic u op rechte trouwe.’
Die knape sprac, ‘by onser vrouwe,
Hi soude wel die boetscap doen;’
Oorlof nam hi aen den baroen
Heer Arnout, ende bevalnc saen
660
Te Gode, ende alle (sonder waen)
Die hy mit hem liet in de sale.
Te sinen peerde ginc hi ten dale,
Daer hi al te hant op screet,
Ende voer te Bruessel waert gereet.
‘Als de bode te Brussel de antwoord des heeren van Grimbergen overbracht, beriep hertog Godevaert eenen landdag te Cortenberg, van alle de leenheeren van Lothrike. De heer van Diest stelt aldaer voor dat men er den keizer kennis van geve, die den overheer des hertogen is, en nu te Aken verblijft; deze voorstel wordt goedgekeurd en aengenomen. De hertog vaert zelf naer Aken by den keizer, en geeft hem kennis van de weigering des heeren van Grimbergen. De keizer belooft zijne tusschenkomst en trekt met hertog Godevaert naer Brabant. Te Afflighem aengekomen zijnde, ontbiedt hy daer den heer van Grimbergen; de ziekelijke toestand van heer Arnout hindert hem derwaert te trekken;
| | | |
Nu hoort dan voort mine tale:
Van Grimbergen mijn heer Arnout,
Hy sprac als een ridder stout;
Tierst dat daer was gegheten,
1080
Ter taflen daer hi was geseten
Stont hy op, ende riep saen
Sijn twee sonen (sonder waen)
Heer Wouter ende heer Geraerde,
Ende sprac te hant als d'onvervaerde;
1085
Doen si vragheden wat hy ghebode,
Hy sprac: ‘Kynder, by Gode,
Ghy moet opsitten ongespaert,
Ende varen ten keyser waert,
Te Haffligem, ende vragen, wes hi nu
1090
T'ons weert wille (des bid ic u)
Dat hy ons ontboden haet;
Ende vernempt al sinen raet
Heer Wouter sprac: ‘Heer, het moet sijn!
1095
Morgen willen wy, sonder beyden,
Ick ende mijn broeder derwaert reyden.’
Hier na ontboden sy sekerlike
Van Oyenbrugge heere Henrike,
Ende heer Gerard Screyhane;
Die geheten was mijn heer Jan,
Wort oic ontboden; voirt an
Twee kynderen, die waren gebroeder
Eens vaders kynt, ende ere moeder,
1105
Mijns heren Arnout van Hombeke;
Ridder goet, d'ander heer Arnout,
Naer synen vader, den heere stout.
1110
Mijn heer Simon (dat seg ic u)
Die men hiet van den Male;
Dese ses ridders, wet wale,
Als si die bootscap vernamen
Tot Grimberghen dat sy quamen.
| | | |
1115
Die heren gingen aenstonden
Daer sy mijn heer Wouter vonden,
Ende synen broeder, heer Geraerde,
Ende vraechden hem ter vaerde
1120
Doen antwoorde, sonder sparen,
Mijn heer Arnout, ende seide: ‘Ghi
Heeren, het heeft ontboden mi
Van Almangien die keysere milde,
“Dat hi my spreken wilde,
1125
Of mijn kynderen te samen,
Ende dat wy tot hem quamen,
Ende wijs en lieten niet;”
Wi saghen gerne, of dat gy 't rict,
Dat ghy daer met woude varen,
1130
Ende vernaemt, sonder sparen,
Des keysers wille ende sinen raet.’
Doen antwoorde (dat verstaet)
Van Oyenbrugge heer Henric,
Hy sprac: ‘Here, sekerlic,
1135
T'uwen ghebode so sijn wy:
Waer ghy wilt, verstaet my,
Daer selen wy vaeren geerne,
Dies en staet ons niet te ontbeerne.’
Heer Wouter seide: ‘Des hebbe danc!’
1140
Hier met sciedense, sonder wanc,
Ende gingen te rasten na dien
Tot 's morgens dat men mocht sien
Ten venstren den sconen dach.
Elc stont op so hy yerst mach
1145
Voor anderen, fier ende stout;
Ende doen heer Wouter Berthout
Ende sijn broedere gereet waren,
Ontboden sy, al sonder sparen,
Die gesellen al te samen,
1150
Die ic u noemde by namen,
Die met hem souden varen.
Sy ontboden, sonder sparen,
Heer Willemme, den borchgrave,
| | | |
Dair ic u mach seggen ave,
1155
Van der Thomen den ridder vry.
Ende die ander ridder mede.
Oec so quamen daer ter stede
Knapen, knechten, die met eren
1160
Varen souden mitten heren;
Ende doen sy vergadert waren,
Satense op, sonder sparen,
Ende reden te Haffligem waert.
Soe lange waren si op de vaert
1165
Dat si voere den cloester quamen,
Daer si beeten alle te samen.
Die peerden namen die garsoene.
Doen ginc heer Wouter, die coene,
Ende sijn broeder die hem was by,
In den cloester, daer sy vonden
Den keysere te dien stonden
Met menighen man in de sale,
Daer sy ontfaen waren wale.
1175
Vore den keyser boech mettien
Mijn heer Wouter op sijn knien;
Ende sijn broeder, heer Geeraert,
Ende alle d'andre heren waert,
1180
Heer Wouter sprac, sonder sparen:
‘Die selve God, die een werf
Doer ons aen den cruce sterf
Om de misdaet van den sondere,
Hy moet den keyser, minen heren,
1185
Behoeden ende al sijn gesinde
Dat ic hier nu met hem vinde!’
Die keyser sprac: ‘Dat lone u God,
Ende sijt ooc groot willecome,
1190
Ghi, en̄ u geselscap vrome.’
Doen nam hine metter hant,
Ende deden opstaen ter hant,
| | | |
Ende al dat geselscap sijn.
Hy dede by hem den ridder fijn
1195
Sitten met snelre vaerde,
Ende sinen broeder Geraerde.
D' ander ridderen, die daer quamen,
Ginghen by een sitten te samen;
Van herde misseliken dinghen
1200
Spraken si daer onderlinghen,
Van wapenen ende oic van minnen,
Also hem 't herte ruerde binnen,
Ende corten daer mit haren tijt.
Mer heer Wouter, des seker sijt,
1205
Die daer sat mitten keyser milde,
Het was anders dan hi wilde;
Want hy begeerde lude ende stille
Te weten des keysers wille,
Waeromme hise ontboet aldaer.
1210
Ten keyser sprac hi, sonder vaer:
‘Here, en stont u niet t' ontbeerne,
So soudic weeten herde geerne
1215
Ende wat ghy t' onswaert begeerende sijt.’
Die keyser sprac ter selver tijt:
‘Bi Gode, ghi heren, ic segge u,
Op dat ghy 't wilt weten nu
Wes si, 't si u becant! -
1220
Hertoge Godevaert van Brabant,
Die hem beclagende is algader
Van u ende van uwen vader,
Die hem ontboet bi boden toen
Dat hi hem quame manscap doen,
1225
Also uw vorders hebben geplogen
Te doen manscap den hertogen
Ende wilt dat, also ic lie,
Betonen wale, eest te doene,
1230
Met ridderen ofte met baroene.
Alse u vader die bootscap vernam,
| | | |
Die u van den hertoge quam,
Antwoerde hi onweerdelike,
Ende sprac: “metten hertoge rike
1235
En hadde min te doene als niet;
Oic en dede, wats gesciet,
Ende hilt met hem sijn spot,
Dat hi hem des ghewaghen dorste,
1240
Ende bad den bode, sonder vorste
Dat te seggen den hertoge boude;
Die antwoerde dat hy 't doen soude,
Ende seide den hertoge onverholen
De bootscap, die hem was bevolen,
1245
Gheliker wijs, clein ende groet,
Dat se hem u vader ontboet.
Ende als[t] die hertoge verstoet,
Wert hi gram in synen moet;
Mer hine wouts nits daer toe doen
1250
En ware bi rade van sine baroen,
Die hi al te hant ontboet.
Men vertelde hem, clein ende groet,
D'antwoorde van uwen vader,
Doen riedense hem alle gader
1255
Dat hi met haeste tot mi rede,
Ende vertelde my der waerhede
Dus quam hy te my om dese orboere
1260
Daer hi mi vant, ende seyde my, dat
Hy my bade om goeden raet,
Ende om hulpe, dat verstaet,
Alse sinen gerechten here,
Ende dat icken hilde in de ere.
1265
“Ic holpe hem gherne,” seidic doe,
“Haddire enighe redene toe,
Die hi wel mochte betonen.”
Siet, ghi heren, om dit becronen
Ben ic comen te deser stat,
| | | |
Dit so bewaren, om dat men woude
Dat ghi goede gevriende sout bliven,
Vortwert meer niet soudet kiven,
1275
Ende woude hooren uwen raet.’
Doe antwoorde (dat verstaet)
Mijn here Wouter Berthout,
Ende seide: ‘Mijn here keyser stout,
1280
Niet te rechte geseit nu,
Noch die waerheit laten verstaen;
Doch was 't waer, sonder waen,
Dat van Brabant de hertoge rike,
Ende oic mede van Lotrike,
Tot ane minen vader sende;
Die hem seide dat hi quame saen,
Tot Bruessel sijn leen ontfaen
Van den hertoge van Lothrike,
Met crachte comen in mijn lant,
Ende stichten roof ende brant,
Ende sout al sl[e]chten in den gront.
Als mijn vader dat verstont,
1295
Dat hy sijn goet soude berren,
Hine worde sijn man, sonder merren,
Den ghenen, dies noit en bestoet,
Wert hi erre in sinen moet,
Ende troc groote onweerde in,
1300
Ende hi seide: “Hy hielde, meer no min,
Van hem leen, te ghenen kere,
Noch en soude nemmermere.”
Hier met sciet die bode doe,
Ende reet te Bruessel toe.
1305
Oec en is niemant die leeft,
Die in hondert jaer gesien heeft,
Ochte die leefde in twee hondert jaren,
Dat hi seggen mochte te waren,
Dat hi van den heren van Grimbergen geen
| | | |
1310
Noyt sach houden lant oft leen
Van den hertoghe van Lothrike,
Ochte van Brabant gelike;
Ende dese hertoge, dat seg ic u,
En vermanet ons noyt, dan nu
1315
Sinder dat hi (sijt's gewes)
Hertoge van Lothrike worden es,
Ende hem ghewassen es sijn goet.
Heer, sijt des seker ende vroet,
Wine willen niet om sijn heerscappie
1320
Iet gemindert worden daer bie,
Noch doen, des wi noit en daden;
Wi souden eer genieten [der] scaden,
Die ons allen te na soude gaen.’
Doen antwoorde de keyser saen,
1325
Hi sprac: ‘Wouter, wat mocht deren,
Dat u vader worde des heren
Tshertogen man, te mids dat hy
Hem hilde van eygendomme vry,
Ende hi hem beterde gemeen
1330
Sijn heerscap ende oic sijn leen?’
Heer Wouter sprac: ‘O keyser, here,
Ic weets wel om mijn ere,
Dat mijn vader dat niet doen en soude,
Om een tonne vol van goude;
1335
Want so oneerdi hem al op,
Ende men sou seggen, sonder scop,
Het dade bedwanc, hine dorst laten.
Men mochte dan met hem wel spot
1340
Maken, end houden over sot.’
Die keyser sprac; ‘Dat soude niet sijn;
Want vele liede vorwaer sijn,
Die seggen, dat u vorders plaghen
Haer goet te houden, in oude daghen,
1345
Van den hertoge van Lotrike,
Ende van Brabant dies gelike:
Oec en waer 't hem geene onere;
Want het hout menich here,
| | | |
Die groet, mechtich is ende rijcke,
1350
Van enen anderen sekerlyke.
Ende biddet oic uwen vader,
Dat hi blive te minen wille;
Ic sal so doen lude ende stille
1355
Dat's uwer geen sal berouwen;
Dat wet wel in goeder trouwen.’ -
‘Here,’ sprac her Wouter weder,
‘Noch doere hoghe, noch doer neder
En doet mijn vader, ic weet te voren.’
1360
Die keyser sprac: ‘Doch moechdi horen
Eer ghijs my meer weret nu;
Laet my sijn antwoorde weten.’
Doen sprac die ridder vermeten,
1365
Heer Wouter sprac: ‘Sint gy 't so seere
Begheert te weten, heere,
Soe sel ic 't hem te voren leggen
Van uwen weghen ende seggen,
1370
Met sinen lieden laten beraden,
Ende met sinen maghen mede,
Sonder enighe haestelichede.’
1375
Ende sijn beide opghestaen:
‘Ghi heren,’ sprac die keyser saen,
‘God moet u allen geleiden;
My es leet, dat ghi wilt sceiden
Dus haestelic en dus saen;
1380
Ghi en wert niet bat ontfaen,
Ghi ende u geselscap te gader.
Groet my sere heer Arnout, u vader,
Dies bid ic u beide seere.’
Heer Gherart sprac: ‘Wi selen, heere!’
1385
Te Gode bevalen sine hier naer,
Ende scieden uten clooster daer.
| | | |
‘De heer Arnout van Grimbergen, voor aleer antwoord aen den keizer te geven, roept zyne leenhouders en verwanten byeen om ze daerover te raedplegen. Daer kwamen: de grave van Vianden, de here van Breda, Geeraert van Assche, Arnout van Oijenbrugge, Godevaert Screihane, Arnout van Hombeke, Willem Tant, de burchgrave Willem van der Tommen, Arnout van Cobbenbosch, Peter van Imple, Alaert van Beighem, Zegher van den Male, Walter van den Damme, Willem van den Bogaerde, Jan van Caelmont, Hendrik Hoesten, Paridaen van Eppinghem, Paridaen van Massenhove, Geeraert van Ophem, Geeraert van Herlaer en Geeraert van Lier. Wouter Berthout sprak en legde de rede voor der byeenroeping. De heer van Breda zegde dat hy liever lijf en goed zou te avonturen zetten dan Godevaert als overheer te erkennen. - De grave van Vianden dacht dat de weigerende antwoord moest behouden blyven; dat de heer van Grimbergen overigens machtig genoeg was om den hertog te wederstaen en dat de keizer te verre was gezeten om hem krachtige hulp te brengen. Maer Arnout van Oijenbrugge sloeg een voorzichtigeren vredehandel voor; hy zou den keizer de gansche zaek doen kennen, hoe Grimbergen vroeger onder Lothrike stond, maer nu sedert lange jaren als eigen wordt bestiert, hem verzoeken de zaek op den bestaenden voet te laten, en door zyne tusschenkomst vrede en rust te behouden. Na eenige verdere tale en wedertale, werd men het eens om Arnout van Oijenbrugge als gezant naer den keizer te zenden, opdat de vrede behouden blyve.’
Doen sprac van Oyenbrugge heer Arnout:
‘Sint ghy 't begeert, ghi heren stout,
Soe doe ic die bootscap geerne
Ende pines mi niet te weerne.
2000
Ic salse doen, so ic best can,
Ende dat laten dor ghenen man,
Dien ic vinde te hove dair.’
Hier met sciet hi van daer,
Ende ginc te sire herberghen toe,
| | | |
Met sconen clederen ende met goeden,
Diene hem wale cierlijc stoeden.
Hy was vrome, scone van leden,
Ende hadde ridderlike seden,
2010
Diere cierden uter maten;
Oec wiste hi hem wel gelaten
Als hi den helm hadde ghebonden,
Ende die banieren sach ontwonden.
Te Grimbergen in dat lant
2015
Was hi van den vroomsten genant;
Getrouwe was hi (wet ic wel)
Den vrient, ende den viant fel.
Doen dese ridder hoofsch ende coene
Was bereit na sinen doene,
2020
Sat hi op een tellende peert,
Ende voer alsoe ten keysere weert,
Ende met hem een knecht alleene:
Geen ander geselscap groet noch cleene.
Alse heer Arnout met dese maren
2025
Te Haffligem quam gevaren,
Beete hi voere den cloester op d'erde,
Ende ginc met groter werde
Ter poerte vragen den poertier:
‘Es mijn heer den keyser hier?’
2030
Die poertier sprac: ‘Neen hi, here,
Hy voer gisteren (sem mijn ere)
Met sinen gesinde te Lovene in de stat.’
Als mijn heer Arnout hoerde dat,
Nam hi orlof ende ginc daer
2035
Te sinen peerde (sonder vaer),
Daer hy al te hant op screet,
Ende voer te Lovene weert ghereet,
Daer hi quam, als men hadde gheten;
Ende bat den lieden (sem mijn weten)
2040
De hy yerst vant, ‘dat sy hem dat
Van Lovene die keyser ware.’
Doe antwoerde hem een aldare
| | | |
‘Dat hine in de borcht mochte
2045
Vinden, op dat hine sochte,
Den hertoge van Lothrike;
Dair mochte hine sien ende spreken.’
Heer Arnout voer haesteleken
2050
Met sinen knecht ter borcht toe,
Daer hi vant den keiser doe
Ende den hertoge, ende menigen man,
Dien ic ghenoemen niet en can
Ende met hem was in de sale,
2055
Heer Arnout hi beete te dale
Haestelic van den peerde neder,
Ende ginc in de sale weder
Tot dat hi den keyser sach,
Ende seide hem: ‘Goeden dach
2060
Gheve u God ende al den gesinde,
Dat ic hier ten hove vinde!’
Die keyser sprac: ‘Willecome
Moetti sijn, ghi ridder vrome,
Segt wanen ghy compt ende wat ghy
Brenghdy my eenighe nieumare?’ -
‘Ja ic, heer, dat wet wel voerware:
U doct groeten die ridder stout
Van Grimbergen her Arnout,
2070
Ende beide sijn sonen met;
Ende doen u weten ongelet,
Dat sy niet en vinden in rade
Dat sy willen vroech ofte spade
Haer goet houden van den hertoghe,
2075
Noch dienen in enigen orloghe;
Want haer vrienden ende haer maghen
En willen 's te ghenen daghe
Ghedogen, wat gescien mach!
Si hebben liever op enen dach
2080
Alle te bliven voer 't swaert.’
Doen antwoerde die keyser weert:
‘Sone weet ic er wes seggen toe,
| | | |
Dan dat elc sijn beste doe,
Als 't daer toe comt, ende neme
2085
Dat van rechte behoirt heme!
Dit dunct my dat beste sijn.’
‘Heer Arnout van Oijenbrugge... meldde den keizer, dat het geslacht van Grimbergen nooit leen hield van de voorouders van Godevaert van Leuven. Indien het tegengestelde echter... bewezen werd, de heer Arnout zou den hertog gewillig als leenheer huldigen... Maer hertog Godevaert schoot in gramschap op en zwoer dat Arnout hem zoude erkennen, al moest hy hem door geweld hiertoe dwingen en het hem duizend lieden kosten. De keizer raedde den hertog aen de zaek te onderzoeken, en byaldien gevonden werd dat Grimbergen als leen onder Lothrike behoorde, dat hy dan tot de wapens zynen toevlucht name, en beloofde hem in dit geval onderstand. Welhaest toog de keizer henen en hertog Godevaert begeleidde hem tot in Maestricht, waerna hy te Brussel terugkeerde. - Toen men deze dreigende antwoord van den hertog te Grimbergen vernam, werden al de kasteelen en sterkten met manschappen bezet en met levensmiddelen voorzien, vooral de burcht Grimbergen.
‘De hertog deed welhaest kooplieden van Grimbergen te Brussel vastzetten. Heer Arnout zond eenen bode opdat deze kooplieden gelost werden; maer vruchteloos. Op deze weigering trekt de heer van Grimbergen met een talrijk krijgsvolk tot by Brussel.’ Heer Willem, borchgrave van der Thomen riep:
‘Laet ons varen te Bruessel waert,
2490
Wat wy vinden in ons gemoet!’
Heer Arnout sprac: ‘Ic wille men 't doet.’
Sy saten op al ongespaert
Ende reden doe te Bruessel waert.
XL scutters voerden sy met bogen;
Ochte weren, ochte slaen,
Dat sy hen by souden staen.
| | | |
Dus sijn sy in 't lant getoghen
Godevaerts des hertoghen,
2500
Ende gingen panden ende roven;
Ende namen 't goet dat sy vonden,
Ende deden 't aen corte stonden
Te Grimbergen binnen driven.
2505
Oec vinghen sy, sonder bliven,
Wat sijs alomme consten betrapen,
Ridderen, knechten, clercken, papen,
Ende voerdense te Grimbergen in,
2510
Ende alse die hertoge (dat verstaet)
Seggen hoerde dese overdaet,
Die hem die Grimberchsche heren
Hadden gedaen ende die oneren,
Sant hi liede vrome ende stout,
2515
Die wachten souden met gewout
Beide weghen ende straten,
Dat daer en lede rike noch mate 1),
Sine vingen 't, also sy deden al,
2520
T'ierst dat si quamen in 't lant
Van Grimbergen (sy u becant)
Bereden si heiden, hage, ende velt,
Bosschen ende straten met gewelt;
So dat niemant gaen noch riden
2525
En mochte, noch hem ontvlieden,
Sine vinghen of sloegen doot,
Ende roofden 't al, cleen ende groot,
Dat hem ter were niet en dede;
Dat hem weerde slogen sy mede.
2530
Sy roefden 't volc, ic liege u niet,
Ende als si hem ontsagen yet,
Vloen sy achterwaert algaer
In de borch te Nettelaer,
Die tshertogen was sekerleke,
| | | |
2535
Ende aldoen stont by Strombeke.
Daer waren sy seker voer elken gast;
Het was een huys sterc ende vast,
Daer en mochte messchien niet;
Ende als sy hier stade saghen yet
2540
Voeren si roven ende berren,
Ende vinghen't sonder merren,
Daer sy toc consten comen.
Oec deden hem groote onvrome,
Die van Grimbergen desgelike,
2545
Sine spaerden arm noch rike,
Waer dat sire quamen toe.
Dat d'een te gemoete quam
Den anderen, alsoe ic vernam,
2550
Van hem, die wachten achter straten,
Ende vochten sere uter maten.
Dus hadden sy vele pongise;
Maer sy en consten in geenre wise
Comen t' enighen staende stride;
2555
Die minste hoop weec t'allen tide
Den meerren (also ic las)
Tot hi van lieden riker was.
Het komt ons niet onbelangrijk voor, hier te laten volgen de afbeelding en middelnederlandsche beschrijving der wapens van de Edelen, die in de tegenwoordige fragmenten van het dichtstuk optreden. Wij beloven ons, dit ook met sommige der later meê te deelen stukken te doen. 't Zal eene bijdrage wezen tot de kennis der blazonneermethode van de XIVe Eeuw.
1. Brabant.
2. Arnout, Here van Grimbergen:
Van goude, al te ridderlike
Gemaict, met ere vaeschen blau;
Sijn ors dat was appelgrau.
| | | |
3. Zijn oudste zoon, Wouter Berthout, voert tot breuke (onderscheidingsteeken der jongeren) drie Koeken (anders ‘bezanten’ genoemd) van sabel:
Een scilt droech hi min no mere
Ghelijc dat was sijn baniere,
Die was van gout ende diere,
Met ere vaesche van lasuere,
Met drie coken, goet ter cuere
Van sabele: twee boven, een beneden;
Schacht in hant van behagelheden,
Een pinceel daer ane van siden.
4. Zijn jonger zoon, Geeraert Drakenbaert, voert een kelen St Andries-kruis tot breuke:
Voer alle de andre, des sijt vroet,
Quam van Grimbergen her Arnout,
En neven hem sijn sonen stout.
Voren voerde men den staendaert
Met vaeschen wel verclaert
Dair ingaende van lasuere;
Des her Arnout was wel ter cuere
Gewapent ende rijckelijc:
Scilt, wapenroc al gelijc
Sinen standaert, dat wet,
Ende des ors covertuere met,
Daer die here van Grimbergen op sat;
En sijn twee sonen, verstaet my dat,
Her Wouter ende her Geraert,
Waren gewapent ende wel bewaert
Sonder dat si droegen teykene:
Heer Wouter, d'ouste, also ic lie,
Coeken van sable, ende een onder;
Her Gerart de jonxste besonder
Hi droech een sautore van kelen
In sterker wapen, sonder helen.
(IIe Dl, v. 2710-2714, 2724-2742.)
| | | |
Dietsche Warande.

| | | |
5. 6.
Van Oyenbrugge her Heynric
By her Arnoude, den vader sijn.
Syne scilt was scone, dat wel wet
Van goude en̄ van cinople met
Van vj. stucken wel gesneden,
Met enen rande van rijclicheden,
Getandeert van roder kelen,
(Dl II, v. 3000, 3001, 3005, 3009).
7.
Heer Willem, die Borghgrave coene,
Op een ors van goeden doene,
Met sinen wapenen overtoghen,
Die van goude scone, ongelogen,
Ende van kelen waren ondersneden,
Met die keperen vol van schierheden
Van selvere ende van lasuere.
8.
Een[en] hiet Godefried Screyhane;
Hy voerde den scilt, ic waene,
Van keelen, met eenen hoede wit,
Met dry merlen, verstaet dit,
Van keelen, in 't hooft van silvere boven.
Met syne wapenen wel verdeckt.
9.
Doen quam heer Geraert Screyhane,
Die vrome was ende coene,
Op een ors van Arragoene,
Dat sprongen groot springende quam.
Sijn scilt, als ic vernam,
Was al te male van kelen root,
Met een hoede van silvere groot,
Drie rode meerlen, meer no min,
Met enen rande [stonden] daer in,
Sijn wapenroc, sijn tornekeel,
Sijn coevertoere, wet wale
Was van den selven al te male:
Hi riep ‘Grimbergen’ sinen cri.
| | | |
10.
Nochtan reet in den strijt ter stede
Her Gerart ende sijn broeder mede
Her Jan, die men hiet Screyhane,
Al eens wapen hadden sy ane:
Van kelen met drie meerlen daerin,
Met enen rande, meer no min,
Van lasuere, die dair ommeginc.
Mijn heer Jan, waerlike dinc,
Droech sinen rant getandeert.
Var.:
Haer schilden die waeren van keelen,
Met enen hoofde van silverijn,
Daer inne van kelen dry meerlen fijn,
Daer een rant omme ginck van laseure;
Maer heer Jan droech ter selver euren
11. 12. 13.
Twee kynderen, die waren gebroeder,
Eens vaders kynt, ende ere moeder,
Mijns heren Arnout van Hombeke;
Ridder goet, d'ander heer Arnout,
Naer synen vader, den heere stout.
Wit, met ere vaeschen van kelen,
Gefreteleert, sonder helen,
Van goude al te rickelicke;
Sijn tornekeel was gelike.
D'outste droech, als 't wel scheen,
Van sinen sonen, een palesteen
Van lasoere, d'ander een rant;
Dese waren twee ridderen genant.
(Dl II, v. 4838-v. 4846.)
14.
Sijn wapenroc, die hy hat ane
Was van rikeliken gedane,
Met een hode van silvere met,
| | | |
Sijn ors was dapper ende snel,
Ghedect met enen groenen samite.
15.
D'een was her Segherman van den Male,
D'ander her Simoen, wet wale,
Sijn sone, dien hi hadde weert.
Elkerlijc sat op een peert
Was verdect met enen samite;
Haer wapenroc, seit die vite,
Was van cynopre gemaelgeert
Met enen hode gecasseljeert;
Maer sijn sone droech sonder smette
In 't hoet van selvere een molette.
Wij vinden hier, voor-eerst, drieërlei soort van breuke, ter onderscheiding van de genen, die niet tot het voeren der volle wapenen (of ‘sterke’? bij No 4, v. 2742) gerechtigd zijn. Vooreerst (No 2. 3. 4.) Heer Arnouts oudste zoon van Grimbergen voert in schildhoofd en schildvoet sabelen koeken in het wapen zijns vaders; in plaats van die koeken, voert de jonger zoon een kelen St-Andrieskruis over alles heen; dit bedekt het wapen veel meer dan de breuk des oudsten broeders. Men mag het er voor houden, dat de vorm der figuren van het oorspronkelijk schild voor een goed deel de keuze der breukvormen bepaalde.
Bij voorbeeld, bij Screyhane zouden de koeken of het lambel de meerlen bedekt hebben; Geeraert Screyhane schijnt dáarom de orle of rand verkozen te hebben; dien zelfden rand voert de jonger zoon getandeerd. Door deze breuke onderscheidt zich ook Henric Oyenbrugge van zijn vader.
De oudste zoon van Hombeke daarentegen voert den lambel of ‘palesteen’ (baarnsteel), de jongere den rand.
Symon van den Male onderscheidt zich van Segherman eenvoudig door het plaatsen van een spoorwieltjen in het schildhoofd zijns vaders.
Onder meer, verdient ook opmerking de uitdrukking ondersneden (parti), bij No 7, en gesneden (coupé), bij No 5 en 6.
|
1)Mate lieden, gemeene lieden (Bormans).
|
|