Dietsche Warande. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Jaargang 3. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1857


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 266]

Bibliografie.
(Uitgaven van boeken, platen en muziek.)

JAN STEEN. Etudes sur l'art en Hollande, par T. van Westrheene, Wz. La Haye, Martinus Nijhoff.’ 1856. blz. 190. - Te lang hebben wij de aankondiging uitgesteld van dit voortreflijk geschrift van den Heer van Westrheene. Met of zonder de taalbatavismen, waaraan wij, Hollanders (in 't Fransch schrijvend), ons wel altoos zullen schuldig maken - zelfs al heeten wij Groen of Kneppelhout - wenschen wij niets liever dan dat er dergelijke monograsiën als de hier door den verdienstelijken Redakteur der ‘Kunst-Kronijk’ geleverde van al onze hoofdkunstenaars ter kennisse van vreemdeling en landgenoot gebracht wierden. Men kan aan den arbeid des Heeren van Westrheene den titel van een grondig, en wel beredeneerd, onderzoek naar den held zijner geschiedenis niet betwisten. Zoo veel mogelijk zijn door den schrijver alle elementen bij-een-gebracht, die dienstig konden zijn bij de bewerking der siguur van Jan Steen als kunstenaar en (voor zoo ver het op den kunstenaar van invloed was) als mensch. Lof verdienen ongetwijfeld de pogingen der genen, die beurtelings het zij Rembrandt, het zij Breeroô, het zij Starter of Jan Steen in het ware licht der geschiedenis willen plaatsen, en hun leven zuiveren van de sabels, die door de volksopvatting of de onbedrevenheid en kwade trouw der biograsen er in gemengd zijn. Wanneer men ziet, hoe sommige berichten van Houbraken en Campo Weyerman op de allerwankelbaarste gronden steunen en dikwerf geheel uit de lucht zijn gegrepen, dan komt men van zelve tot een sterk mistiouwen van hunne waardeering der charakters en handelingen onzer kunstenaars. Men mag echter alle waarde aan de traditie, ook al blijken haar historische gronden onvoldoende, niet betwisten. ‘Een huishouden van Jan Steen’, al heeft de schilder te midden der verwarring tijd en geestkracht kunnen vinden om ca 500 schilderijen te vervaardigen, waarvan velen even zeer de keurigste uitvoering vertoonen als de vernuftigste waarneming der natuur, - zal altoos een slordig huishouden blijven - en de spreekwijze zoû niet in de waereld zijn gekomen, ware Jan Steen

[p. 267]

geheel onschuldig geweest aan de buitensporigheid en wanorde, die hij maar al te zeer con amore in vele zijner tafereelen heeft afgebeeld. Zelfs hadden sommige aardige voorvallen, die uitsteken onder de kunstenaarszagen onzer XVIIe Eeuw, naar onze meening, in 's Heeren v. Westrheenes monografie niet onverhaald mogen blijven. De Schrijver heeft iets van de exkluzieve natuur aller oudere en nieuwere kritici; met Maerlant en Huydecoper is hij eens vooral zoo zeer tot wrevel gestemd tegen de ‘loghenen van den Grale’ en de ‘Kakolijnsche distelen’, dat er thands, naar onze meening, wel wat veel wordt wechgeworpen, 'twelk althands in herinnering had behooren gebracht te worden. De rechtmatige ingenomenheid vooral tegen de appreciatiën van den ellendigen Campo Weyerman en tegen de nakakelingsgewoonte van vele vreemde schrijvers over hollandsche kunst, heeft aan het boek van den Heer Westrheene iets droogs gegeven, dat men anders in een levensbeschrijving, door een romancier (ook met groote trouw) volbracht, niet zoû gevonden hebben. Maar in ieder geval is het een schoon geschenk, dat de Heer v. Westrheene onzer kunstliteratuur wel heeft willen doen. Het is edel gevoeld van den Schrijver, dat hij vóor alles zijn kunstenaar heeft willen rehabiliteeren in de schatting van hen, die naast aesthetika ook ethika huldigen. Hij heeft geene moeite ontzien om officiëel-biograsische en ikonografische bizonderheden omtrent Jan Steen te verzamelen. Hij heeft met veel scherpzinnigheid ook in de stukken-zelven des meesters de zielsgeheimen van dezen getracht te lezen, en maakt ons oplettend op de filozofische beteekenis, die er in vele stukken van Jan Steen onmiskenbaar verholen zit. Zeker, het ‘Tooneel des menfeheliken Levens’ en, op vele andere stukken, het zinnebeeld der ijdelheid naast de waereldsche vermaken, in zonderheid de waarlijk roerende greep der rozen, die door een kind voor de varkens worden geworpen (no 377) - is vol van beteekenis - maar het maakt somtijds den indruk op ons van Brederoôs beklag over het misbruiken zijner jeugd - en men kan niet ontkennen, dat al is doen en verbeelden niet het zelfde, Jan Steen toch onmogelijk verdacht kan worden van gebrek aan sympathie voor de veelsoortige crapule door hem in zoo talrijke schilderwerken voorgesteld. Ernstige en tot vruchtbare daden wekkende indrukken geeft zijne afbeelding der losbandigheid, zoo wij meenen, bijna nooit. - In min gelukkigen stijl wenscht de Schrijver zich geluk, dat Jan Steen, ook in zijne weinige bijbclsche tafereelen, nimmer blijk van gehechtheid heeft gegeven aan de traditiën der Katholieke Kerk, waartoe hij en zijne familie behoor-

[p. 268]

den. Wij moeten vragen, of het dan iets zoo zeldzaams was, dat een kunstenaar der XVIIe Eeuw zich ongehouden rekende de christelijke kunsttraditiën in zijne gewijde voorstellingen op te volgen, en of eigenlijk niet reeds twee eeuwen vroeger, de rei dier innovateur geopend werd, wier verdiensten, zoo min als hunne verandwoordelijkheid door ons verbloemd zullen worden.

Aan Jan Steens levensbeschrijving en eene inderdaad verrassende charakterteekening zijner werken - wier deugden in vergelijking gebracht worden met die zijner geestverwanten Fr. van Mieris, Metzu, A.v. Ostade, Adr. Brouwer, Teniers en Pieter de Hoogh - worden door den Hr v. Westrheene lijsten en registers toegevoegd van alle de werken, die van Jan Steen bekend zijn, toegelicht door vele belangrijke noten.

In éen woord - de uitgave van ‘Jan Steen’ is een evenement in onze kunstliteratuur, en wij hopen nog menig werf een zoo prijselijken arbeid van den Schrijver ter aankondiging te ontvangen.

A.Th.

 

OP DEN HAARLEMSCHEN BLINKERT. [Een dramatiesch gedicht van S.J. van den Bergh]. - De goede oude Letteroefening, die onder hare nieuwe redaktie den tijd van haren goeden ouden vader zaliger schijnt te willen inhalen, heeft ernstig en plechtig verklaard - geen heil in het bestaan van Rederijkers-kamers te zien. Bedoelt zy daarmeê de middelmatige en slechte? Opperbest - ik bid Grootjen om met heur knorren voort te gaan, en de jeugdige deugnieten mores te leeren. Ja ik zoû Grootjen wel om méer willen bidden, knielende zelfs: ik zou haar smeeken om heur plak en roede te willen uitstrekken over alle leelyke voordragers - dat wil zeggen (Grootjen suft wel eens, en mocht zich in de dubbelzinnigheid vergissen!): over allen die leelyk voordragen; over het personeel der ‘Koninklyke Hollandsche Schouwburg’ te 's Gravenhage by voorbeeld, waarvan de leden (zonder alléen de begaafde Mevr. Valois-Sablairolles, met een paar dames, uit!) met elkander wedyveren in leelyke taal, leelyke gebaren, leelyke standen - kortom in alles, wat de voordracht maar in alle uitersten van leelykheid kan doen vallen.

Een nieuw bewijs daarvan leverden die heeren onlangs in de voordracht van een dramatiesch gedicht van onzen Van den Bergh. Wie ten vorigen jare de uitvoering daarvan, door een Leydsch studentenkollegie, bywoonden, roemden de levendigheid van handeling, de fraaic, gespierde en toch muzikale vaerzen, de goede kleur van den

[p. 269]

tijd, de warmte van het vaderlandsch gevoel, in fiksche vormen geuit. Nu had ik Grootjen wel eens voor beide voorstellingen willen voeren, en haar dan eens eerlyk (want dat is ze; ondanks hare kortzichtigheid en pedanterie - eerlyk is ze!) de verklaring hooren doen, wáar nu de poëzy des dichters gevoeld en waardig te rug gegeven werd.

De goede Oude ga alzoo in 't vervolg voorstellingen van goede Rederijkers zien, en dan zal ze wel tot inkeer komen, en bekennen wat voorbarig te zijn geweest.

Van meer belang dan eene Letteroefenings-bekeering intusschen reken ik den voetstap van een dichter als van den Bergh op het dramatiesch gebied. Hy late het vooral by deze eerste proeve niet blijven; en waar ook hem het Hollandsch Tooneel bewijst, wat het van Nationale letterkunde begrip heeft - daar vergete hy niet, dat er onder onze Rederijkerskamers nog uitmuntende krachten bestaan.

A.

- H. -

 

GEZICHTEN UIT AMSTERDAM, geteekend door W. Hekking, Jr, op steen gebracht door Th. Brüggemann. Uitg. door G.W. Tielkemeijer. - Prijs p. stuk 30 ets. Acht nommers van deze verzameling zijn in getinte lithografie verschenen. Het zijn:

Den Dam, genomen van voor het kommandementsgebouw, zoo dat men het Stadhuis (misbruikt tot koninklijk paleis), de Nieuwe Kerk, den Nieuwen-Dijk en het nog nieuwer metalen-kruismonument, met eene pikante verlichting uit het Oosten voor zich heeft.

Het Cingel, genomen van de voorm. kleine vischmarkt. Dit gezicht op de ronde Luthersche Kerk is geestig met schepen geftoffeerd en in den druk is niet geheel de sraaye toon der oorspr. teekening verloren gegaan.

Zwanenburgwal. Een hoogst getrouwe voorstelling van het gezicht op de Zuider Kerk en ‘Episcopal Church’.

Rokin. Reeds bij anticipatie is hier de in aanbouw zijnde Lange Brug in verbinding met de draaibrug afgebeeld. Ter weêrszijde ziet men het Leesmuseüm en den gevel der maatsch. Arti et Amicitioe. Met nieuwen moed is men dezer dagen aan dezen nieuwen gevel de herpleistering begonnen. Dat pleisterplaksysteem is wel de natuurlijkste en treffendste voorstelling van het leven, die er uitgedacht kan worden. Dat pleister is nooit stil, altijd in werking, altijd drogend, bleekend, zuigend, zweetend, droppelend, brokkelend.... leve het pleistersysteem. Aan de genoemde brug in tegendeel staat de arbeid sints eenigen tijd

[p. 270]

stil, offchoon ze nog lang niet af is. Het doet toch goed op zoo'n plaatjen alles eens in orde te zien.

Nieuwe-Zijds-Voorburgwal. Achtergevel van 't Paleis, Voorgevel van ons zoo doelmatig Postkantoor, met zijn wapen in top, als een bareliëf zonder fond, zijn balustrade op de voorpui, offchoon niemant ooit tusschen die kastanjevazen wandelen gaat, zijn gemaskeerde binnenplaatsbedekking en zijn schuin naar achter afloopend couronnement! - Voords het huis van Crevenna, thands hôtel van het Nut van 't Algemeen.

Deventer Houtmarkt - Muidergracht. Twee synagogen en, daar tusschen in, eene schepping van den onsterselijken Suys, de Mozes- en Aarons-kerk, met zijn peristyel-flankeerend torenpaar. 't Is jammer voor het inderdaad schoon talent van den Hr Hekking, dat eenige dezer gezichten bij hunne schilderachtige waarheid, niet wat architektoniesch belang mogen aanbieden.

Keizersgracht. Kerk der EEww. PP. Redemptoristen. Ter rechter zijde onkennelijk het door ons vaderlijk gemeentebeftuur ter slooping gedoemd aloude wachthuis der stedelijke schutterij, hal en stadswaag. Boven de huizen verheft zich zachtjens de Westerkerktoren, en de kroon van Maximiliaan op zijn top schijnt de moedwillige sloopers van het merkwaardig gebouwtjen met verplettering te bedreigen, indien zij voortgaan eene stad te plunderen, die den Keizer zoo dierbaar was.

Kloveniersburgwal. St Antoniespoort en Trippenhuis. Het laatste, beroofd, als 'et werd, van zijne eigenaardige dakverciering; de eerste min of meer hersteld en onderhouden.

Ook hebben wij de teekening van een bevallig wintergezicht met het gebouw Felix Meritis gezien.

Wij zijn den Heer Hekking dank en eere schuldig voor zijne juist geteekende, geestig getoetste, met even veel vlugheid als waarheid voorgedragen gezichten, en den Hr Tielkemeijer, dat hij ze voor een kleinen prijs den vreemdeling ter herinnering biedt.

Wij vormen den wensch, dat beiden daarmeê mogen voortgaan, en dat de afbeelding van nieuwe gebouwen niet te sterk tot het sloopen der oude moog aansporen.

M.