Dietsche Warande. Nieuwe reeks. Deel 2


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Nieuwe reeks. Deel 2. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1879


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 529]

Iets Nieuws over Vondel,
door J.W. Brouwers, Pr.

 
Door een is 't nu [hier niet] voldaen’:
 
Dies breng ook ik een steentjen aan.

Van alles wat Vondel aanbelangt is den letterlievenden Nederlander niets onverschillig. Derhalve worde aan de lezers en de lezeressen van ‘De Dietsche Warande’ de volgende mededeeling gedaan.

Onlangs uitgenoodigd om in België eenige spreekbeurten te houden, werd dat verzoek onverwijld aangenomen, daar mij dacht dat een medelid van de Vondel-commissie die gelegenheid niet nutteloos mocht laten voorbijgaan; ik heb dan ook onmiddellijk geandwoord dat ik er zou komen spreken over Vondel en zijne Engelen: dat werd gedaan te Aelst; over Vondel en zijne Duivelen, dat zou ik doen te Leuven; over Vondel en zijne vrouwenkarakters, te Hasselt; over Vondel en zijne politiek, te Brussel. Dat waren de onderwerpen voor de eerste week. Betrekkelijk de vruchten dezer spreekbeurten, wil ik slechts mededeelen de laatste regels van het verslag der eerste conferentie, uit het vlaamsche blad Het Land van Aelst van 19 Januari jl.: ‘Degeen die Vondel kennen, hebben in de...... conferentie van M. Brouwers nog meer liefde voor hunnen Dichter geput; die Vondel nooit lazen, hebben een hoog gedacht en grooten eerbied opgevat voor 't rijkste dichterlijk Genie, dat zoo edel en weerdig zijne taak vervulde.’

Over Vondel en zijne Duivelen zou ik spreken te Leuven; maar beter voor de vlaamsche jongelingschap der Universiteit heb ik geacht hun Vondel te teekenen als zijnde in het Rijk

[p. 530]

der Letterkunde wat Bayard was in den Ridderkring, le chevalier sans peur et sans reproche:

Vondel zonder vrees en zonder blaam, ridderlijk strijdend:

a.voor vrijheidszin en burgerrecht;
b.voor vrouw en maagd;
c.voor God en Godsdienst.

Ziedaar in welke gestalte ik Vondel heb laten optreden in Leuven. Te Brussel, waar Senaat en Kamer vergaderen, zou ik spreken over Vondel en zijne politiek; dat deed ik; in welken zin zal verder blijken, wanneer deze spreekbeurten in druk verschijnen.

Te Hasselt zou ik aan het woord zijn over Vondel en zijne vrouwenkarakters, maar ook hier willende het onderwerp mijner rede meer rechtstreeks in harmonie met de stad en met mijn gehoor brengen, heb ik gesproken over Vondel en de Burgemeesters. Waarom die verandering? en hoe is dit onderwerp meer in harmonie met het gehoor van Hasselt? Bestaat er dan te Hasselt zoo weinig harmonie tusschen de mans- en de vrouwenkarakters? Honni soit qui mal y pense! Dit Hasselt ligt in Limburg, en ik ken te goed en bemin te veel het Limburgerland om ongegronde kwade vermoedens te koesteren. Bestaat er dan nu misschien zóó, zóó veel harmonie tusschen de Hasselaren en hunnen Burgemeester? Zegge dit later wie het zal kunnen bewijzen: het nieuwe Belgische Ministerie heeft met Nieuwjaar voor Hasselt een nieuwen Burgemeester benoemd. Men moet dus wachten op zijne daden. Ook hier kan dus niet de grondtoon van mijn akkoord liggen. Mijn uitgangspunt is te zoeken in een Zegezang van Vondel, geschreven ter eere van een Burgemeester van Hasselt, met name Gillis van Vinckenroy.

Jacob van Lennep, onze onsterfelijke Vondelscommentator, getuigt den man niet te kennen, wien ter eere Vondel, dezen zoo eigenaardigen, uitmuntenden Zegezang heeft gezongen; ook is hem de aanleiding tot dit gedicht niet gebleken: daarom geeft hij het dan ook zonder verdere verklaring.

Van Lennep stelt dit gedicht in het jaar 1636. Ik heb het bewijs gevonden in de Archieven te Hasselt, dat het onmoge-

[p. 531]

lijk kan geschreven zijn in 1636. Hoe kan zulks blijken uit een Archief in Limburg? Dat zal ik dadelijk aantoonen. Maar er is meer. Te Hasselt, leeft onder het volk, hoorde ik nu, de overlevering dat Vondel, vluchtend uit Holland, eenigen tijd te Hasselt verbleef en er zijn intrek nam bij den Burgemeester Vinckenroy. Het onthaal wat hem te beurt viel zou oorzaak van Vondels dankbaarheid zijn. Wat aanleiding gaf om die dankbaarheid doer een zegezang te betuigen, tot onsterfelijken roem van Burgemeester Vinckenroy, is het in Limburg bekende vogelschieten geweest. De burgemeester, ‘boven anderen bedreven’, had weer den vogel afgeschoten. Was hij een vorig jaar Koning - wie voor den eersten keer den vogel afschiet die is Koning - thans heeft hij weer dàt meesterstuk gedaan, ja,

 
Braveerende, al die zich verstouten
 
Te schieten, Ridderlijk en fraai,
 
Na d' eere van den Papegaai;
 
Braveerende de strengste handen
 
Die ooit den eedlen Kruis-boog spanden,
 
Den Kruisboog die den vogel treft,
 
En dezen schutter vijfmaal heft
 
Op 's Konings troon, in drie paar schooten.

Burgemeester Vinckenroy heeft dus in zes schoten vijfmaal den prijs behaald. Dat was waarlijk buitengewoon. Van daar het triomfeeren der gildgenooten. Wie driemaal onmiddellijk achter elkaar den vogel afschiet, die is Keizer. Vinckenroy was dus nu Keizer; van daar het volksfeest; Vinckenroy Keizer, burgemeester, was nu Twaalfman van Hasselt, van daar dat Vondel spreken kan van Hasselt als de verblijde stad.

Alwie in Limburg Koning is, draagt aan een zilveren ketting om zijn hals een zilveren of gouden vogel. Elk jaar, voegt hij die den vogel afschiet en dus Koning is, aan die zilveren ketting, een zilveren vogel of plaat met zijn naam en het jaartal ten geschenke toe. Zoo gebeurt het dat er zelfs dorpen in Limburg zijn, waar, dat vogelschieten lang bestaan hebbende, en de opvolging dier Koningen in rust en vrede en voorspoed gedurende eene lange reeks van jaren geschied

[p. 532]

zijnde, het getal dier zilveren vogels of platen zoo groot is, dat de Koning als geheel bedekt en beladen wordt met al die trofeeën van die talrijke vroegere zegepralen. Het wordt hem soms een heel gewicht, een vracht, een last. Ook hij moet dan ondervinden l'incommodité de la grandeur, den last van de verhevenheid.

Want die Koningen, dit moet erkend worden, doen hunnen staat eer aan. Zij dragen meer dan eens in het jaar wat hun scepter en kroon verstrekt, den vogel. Of zij dat gaarne doen of niet, kan de vraag niet zijn, ook zij hebben hunne constitutie, en daaraan zijn de Limburgers trouw. Ik heb nog nooit gehoord dat een dier Koningen, wederrechtelijk door een coup d'état, kroon en scepter, den vogel, hebbe geweigerd te dragen. De gelukkige schieter kan zijn koningsrecht aan een anderen overdoen, die dan wel niet par droit de conquête, maar toch langs wettigen weg dat Koningschap kan erlangen. Wordt er soms een hunner tot Keizer verheven, dan heeft hij ook, door eigen daden, die kroon verdiend. Zoodanig een held was de man, aan Van Lennep niet bekend, door Vondel bezongen:

 
Drie gouden vogels, op de borst
 
Van onzen schutterlijken Vorst
 
Getuigen, hoe hij boven anderen
 
Bedreven, driewerf, na malkanderen,
 
Den prijs, ja, Cesars lauwer streek.

Bij plechtige gelegenheden, als ook de schutterij optrekt, dan verschijnt de Koning of Keizer in zijn plechtgewaad. Men moet hem gezien hebben, gelijk ik kind zijnde hem zag, omhangen met zijn zegepraalsdos, vooruitstappende te midden van zijn stoet, voorafgegaan door den vaanderig, en den tamboer-majoor enz. En dan moet op die zilveren of gouden trofeën de zon schijnen, wat een oogverblindende pracht! Wat een bewustzijn van waardigheid!

Wie weet of die glans en die majesteit, met derzelver bron en oorzaak, niet het oog heeft betooverd en het hart veroverd van menige met haar ja-woord al te lang dralende Hageroos!

Overigens heeft een ieder eerbied voor den Koning, met uit-

[p. 533]

zondering wellicht van eenige schalke jongens, met een aangeboren en nog niet getemden trek tot muitzucht of spotlust. In mijn oog kon die Koning met zijn pracht wel genade vinden, toen ik zoo een jongen was; maar meestal vond ik hem wat al te werkeloos. Ook herinner ik mij niet in zijn plaats te hebben willen zijn. De kolonel, die bevel voerde over de schutterij, of de kapelmeester die de muziek dirigeerde, was meer mijn man. Zulk een werk, dacht mij, kon eerder het voorwerp mijns verlangens worden. Een Keizer, evenwel gelijk Vinckenroy was, met drie gouden vogels op de borst, heeft mijne kindsheid nooit aanschouwd, en heeft ook Hasselt niet aanschouwd in 1636, zoo als van Lennep meende. Zie hier mijn stelling, die uit twee bestanddeelen wordt gebouwd: eerstens de titel van het gedicht, zoo als Vondel dien schreef, en tweedens het ‘Register der Heeren Twelf zoo als mannen proviseurs der Armen, van het jaar 1638 tot 1647. De titel bij Vondel is: Segesang ter eere van Gillis van Vinckenroy, Burgmeester, twaelfman en Keyser van den edelen Kruysboog.

De gevierde Keizer van den Kruisboog of voetboog was dus twaelfman van Hasselt. Nu hebben wij nageslagen het Register der Heeren Twelf mannen proviseurs der Armen, No B, en ook No A.

Het tweede folio van No B, geeft bij den aanvang van 1638 de lijst der “voorgengers deses tegenwoordighen jaers 1638.” Dit syn die naemen der twelf mannen’, en onder die twaalf dan ook Gillis van Vinckenroy.

In het Ligger-boek hebben wij nader bescheid en beslissend gezag, waar geboekt staat dat op ‘7 Juni 1637, tot twelfman in het scheerders-ambacht [is] verkoren Gillis van Venckenroy1), die ook den eed heeft gedaen als boven.’ (Dient hier herinnerd te worden dat scheerder- en droogscheerders-ambacht beduidde het ambacht der lakenscheerders?)

[p. 534]

Tot twaelfman nu werd men gekozen voor zijn leven lang. Dus kan het stuk van Vondel onmogelijk geschreven zijn voor dien 7 Juni van dat jaar zeven en dertig. Op zich zelf zou dit verschil van jaarrekening in dit geval weinig of niets beteekenen, maar aanbelangende de waarschijnlijkheid van Vondel's verblijf te Hasselt, wordt het een punt van gewicht. Immers heeft ook van Lennep reeds bij gissing vermoed en zelfs geschreven1, dat Vondel in 1637 eenigen tijd uit Amsterdam afwezig was. Volgens van Lennep zou Vondel dan te Dordrecht geweest zijn bij zijne oude kennis en vriendin Anna Roemers, echtgenoote van van Wesel. Deze gissing is bij van Lennep opgekomen, omdat hij bij Vondel een bruiloftsdicht vindt, omtrent dezen tijd vervaardigd, op het huwelijk van twee Dortenaren. De bruidegom was Michiel Pompe, Heer van Meerdervoort en Krombacht, die op den 16 Julij van dit jaar 1637 door Karel I van Engeland tot Ridder geslagen was, bij gelegenheid dat hij, met een diplomatieke zending belast, zich te Londen onthield. De bruid was Adriane van Bevere of de Bevere, oudste dochter van Kornelis de Bevere, Ridder, Heer van Strevelshoek, West Ysselmonde en de Linde, Burgemeester van Dordrecht etc. ‘Daar noch van Pompe noch van zijn gade in de vroegere of latere gedichten eenig gewach wordt gemaakt, en het alzoo raadselachtig zou blijven, hoe Vondel er toe gekomen ware, hun echtverbintenis te bezingen, indien hij niet door een toevallig verblijf te Dordrecht met hen in kennis ware gekomen, geloof ik, dat wij geen te vermetele gissing wagen, door aan te nemen, dat dit verblijf - langer of korter - omtrent dezen tijd plaats vond.2

Met deze afwezigheid van Vondel uit Amsterdam, en zijn door van Lennep vermoed verblijf te Dordrecht wordt ook al meer waarschijnlijk Vondel's verblijf, het zij lang, het zij kort, te Hasselt. Immers wordt er ook van Vinckenroy noch in vroe-

[p. 535]

gere noch in latere gedichten eenig gewag gemaakt: hoe zou Vondel er dan toch toe gekomen zijn, om een Burgemeester van Hasselt, in Limburg, te bezingen, indien hij niet door een toevallig verblijf te Hasselt met hem in kennis ware gekomen. Meer dan deze waarschijnlijkheid geldt nu, in mijn oog, de bij het volk van Hasselt nog bestaande overlevering, dat Vondel hunne stad heeft bezocht. Zij noemen den naam en wijzen de plaats van het huis, waar Vondel zijn intrek nam, bij den burgemeester: dat huis hiet de scherpe steen. Toen ik nu de geschiedboeken van Hasselt nasloeg, vond ik in het Marianum Hasletum1, gedrukt in 1660, dat Fabius Chisius, destijds Legaat van den Apostolischen Stoel, engel des vredes bij het Tractaat van Munster, later Paus geworden onder den naam van Alexander VII, Hasselt heeft vereerd met zijn bezoek, er zijn intrede doende den 16n September 1650, en er werd ontvangen, hospitio celebri quod, in den scherpen steen vulgariter appellatur, in het beroemde gasthof dat genoemd wordt in den scherpen steen. Waar de later Paus geworden Chisius - ook door Vondel in drie gedichten bezongen - de gastvrijheid aannam had ook Vondel ze genoten. De gastheer, van Fabius Chisius en van Vondel, was2 Gillis van Vinckenroy, weleer burgemeester, ‘een der voornaamste ingezetenen der stad’.

Die volksoverlevering staat ook in de Bibliographie du Royaume des Pays-Bas ancienne et moderne door M. Delvenne, T. II, blz. 553, in handschrift aangeteekend door J.H. de Corswarem, licenciaat in Beide Rechten, notaris te Hasselt, die geboren in 1760, tot schoonvader had den zeer ouden President van het Hooggerecht van het Graafschap Loon, en die gewis niet zonder redenen, met eigen hand, onder het artikel over Vondel, zeer stellig verzekert3 dat Vondel in Hasselt verbleef, en uit

[p. 536]

dankbaarheid voor de gastvrijheid die hij in de stad had genoten, een stuk Poëzie toewijdde aan den burgemeester van Vinckenroy.

Edoch, het sterkste bewijs, en dat na de voorgaande, voor mij genoegzaam de zaak beslist, vind ik eenerzijds in het gedicht van Vondel en anderzijds in de geschapenheid der stad zelve. Hasselt zelve is het commentaire op het stuk van Vondel. Wie de stad niet heeft gezien, kan het stuk van Vondel niet waardeeren, veel minder verklaren - dit zal meteen blijken - maar ook, wie de stad niet zou hebben gezien, kon dat stuk niet schrijven. Een beter begrip van dezen zegezang van Vondel, zij de blijvende vrucht van mijn uitstapjen en spreekbeurt te Hasselt.

Zege-zang ter eere van Gilles van Vinckenroy,
Burgemeester, Twaalfman en Keizer van den edelen Kruis-Boog.

Zang.

 
Nua) giet de molenrijkeb) Demer
 
Meer waters uit zijn glazen eemerc),
[p. 537]
 
En ruischt en bruischt, gelijk een zee,
 
Door Hasselt, zijn verheugde steê,
 
En langs de vruchtbare oevers neder.d)
 
Hij drijft en dobbert op de veder
 
Der burgemeesterlijke faam;

De volgende verzen zullen een ieder, vooral na onze inleiding duidelijk zijn.

 
En Vinkenroys doorluchte naam
 
Laat achter zich zijn eike bouten;
 
Braveerende al die zich verstouten
 
Te schieten, ridderlijk en fraay,
 
Na d' eere van den papegaay,
[p. 538]
 
Braveerende de strengste handen,
 
Die ooit den eedlen kruisboog spanden;
 
Den kruisboog, die den vogel treft,
 
En dezen schutter vijfmaal heft
 
Op 's konings troon, in drie paar schoten,
 
Tot blijdschap van zijn gildgenooten.
 
Drie goude vogels op de borst
 
Van onzen schutterlijken Vorst,
 
Getuigen, hoe hij, boven andren
 
Bedreven, driewerf na malkandren
 
Den prijs, ja, Cezars lauwer streek.

Ie tegenzang.

 
De wapen-hazelaarg) wordt bleek
 
Van groote vreugd, en kan niet zwelgen
 
Dien roem, geschonken aan zijn telgen,
 
Terstond nog groen en blij van loof.
 
Hoe menig vlamde op zulk een roof
 
Vergeefs! Hoe heet, hoe vierig blaken
 
De broeders, om het hart te raken,
 
En een alleen gewint den prijs!
 
Wat jaar ontving, op zulk een wijs,
 
Ooit burgemeester, op 't gedommel
 
Van trommelslag en holle trommel,i)
[p. 539]
 
En 't zwenken der ontvouwe vaan;j)
 
Daar reê de majeboomen staan
 
Voor 't huis geplantk), en heldre kransen
 
De straet vercieren, met hun glansen
 
Van flikkrend goud en lachend groen?l)
 
Nu riekt hier juist in haar saizoen
 
Des keizers schildroos, wit ontloken;
 
Zijn kamer, nooit van vlek besproken,
 
En vreedzaam, noodigt d' andre dry,m)
 
En al den raad, en burgery,
 
Om haren twalefman te groeten:
 
Stadhuis en huizen krijgen voeten.n)
[p. 540]

Toezang.

In dezen Toezang schetst de dichter den oorsprong der wapenoefeningen, als ontstaan uit de noodzakelijkheid om zich tegen moedwillige aanrandingen te verzetten: aldus van Lennep. Toen ik nu dezen Toezang had gelezen, kon ik nog geen mij bevredigend antwoord geven op de vraag die ik mij stelde: waarom heeft Vondel in dezen zegezang ons zoo nadrukkelijk geschetst hoe verstrooiden, om woest geweld af te keeren, vergaderen tot een gehucht, een buurt, een dorp, een stad enz.? Mij docht, ook dat moest zijn bizondere reden hebben; maar ik kon die verborgen reden niet vinden. Men leze nu dezen Toezang en oordeele.

Ie toezang.

 
Om ongelijk en overlast
 
En woest geweld, dat langzaam past
 
Op recht en reden, af te keeren,
 
Vergaart d' ontzaggelijke tucht
 
Verstrooiden onder een gehucht,
 
En buurt, en dorp, die haast vermeeren,
 
En groeyen eindlijk tot een borg
 
En heele stad, door 's wijzen zorg
 
Voorzien van wetten, overheden,
 
En burgerloon, en scherpe straf;
 
Maar godvergeten moedwil gaf
 
Om overheid, noch wet, noch zeden,
 
Noch straf, en randde ook steden aan;
 
Dies kwam de noodweer op de baan,
 
En wapenhandeling der vromen,
 
Om landgedrochten te betoomen,
 
Met knods, en zwaard, en spies, en boog;
 
Toen droop het kwaad den schelm in 'toog.o)

Zouden wij hier niet denken aan het tijdperk der geschiedenis,

[p. 541]

waarin het Graafschap van Loos of gelijk wij zeggen, van Loon, met het Graafschap van Holland, door huwelijksbanden en helaas! ook door oorlogen in nog nauwere betrekking stond dan Hasselt's zegezang tot Amstel's treurspel: de jonge Graaf van Loon, - tot wiens gebied ook Hasselt behoorde - waarlijk ‘niet volkomen zoo onbeteekenend’, als Bilderdijk zelf bekent hem in zijn Willem van Holland te hebben voorgesteld, trouwde met Ada, Erf-Gravin van Holland, moest spoedig uit Haarlem zich redden; zet zich met Gijsbrecht van Amstel in een schuitjen, en, bij nacht ontglippend tusschen de Osdorpers en de Aalsmeerenaars, roeien zij hier - de plaats der nieuwe kerk en pastorie van Bovenkerk voorbij- door Amstelland naar Utrecht. Tusschen den Graaf van Loon en Willem van Holland was de oorlog onvermijdelijk. De oorlog brak los. De woestaarts van Kennemerland vallen in ons Amstelland, verbranden hier onze dorpen, steken den Amsteldijk door, verwoesten Gijsbrechts kasteel en boomgaard; leggen Muiden en Weesp in asch en halen nog verder brandschatting en buit en gijzelaars. Graaf van Loon, met de grootste legermacht die ooit in Holland gezien was, rukt meer noordwaarts op, verbrandt St Aagten, Banjaart en het huis te Egmont. Dorp en klooster werden gespaard. Hoe vele jaren nog heeft die strijd bewezen al wat Vondel bij zijn zegezang van Hasselt in arendsvlucht gadeslaat dat

 
godvergeten moedwil gaf
 
Om overheid, noch wet, noch zeden,
 
Noch straf, en randde ook steden aan.

Ook alreeds vóór dezen Graaf van Loon, had Hasselt herhaalde malen veel ramps en onheils geleden, straks aan te stippen. Veertien jaren na den dood van den om en in Holland oorlog gevoerd hebbenden Graaf van Loon, werd Hasselt tot den rang van stad verheven, door Graaf Arnold van Loon, in 1272. In 1282 werd het met wallen en grachten omgeven, en voor het einde der XIIIe eeuw was Hasselt de hoofdstad, alhoewel niet de hofstad, van het Graafschap van Loon, gelijk Amsterdam het is voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[p. 542]

Maar toen ik Hasselt doorwandelde, en in de nabijheid van het Stadhuis, waarvan het laatste vers van den Tegenzang gegewaagde, mij nog bevond, ging voor mij een licht op. Ik kwam in het oudste gedeelte der stad, dat gedeelte, zeide men mij, heet het oude dorp. Daar woonde voor vele eeuwen de oude Hendrik, eerste bewooner in dit oord. Hoe hij zich had te verdedigen tegen onraad en onheil, weet de verbeelding des volks zeer verschillend te verhalen. Maar de woning van den ouden Hendrik was de oorsprong van het gehucht, dat buurt werd, dat zelfs van dorp - beleefde de oude Hendrik dit nog? - eindelijk stad werd. Die oude Hendrik is in Hasselt even onsterfelijk als Karel de Groote in Aken, als de Reus en de Reuzin in Antwerpen. Elk jaar, als ik mij niet vergis, wordt er te Hasselt, op die oude half verlaten plek gronds, nabij de schuur die weleer een Minderbroedersklooster was, die oude eerste woning te Hasselt, het huis met vensters zonder glas, het huisjen van den ouden ouden Hendrik, op nieuw opgebouwd, tot vermaak des volks. De oude Hendrik zelf, wordt er voorgesteld, vrij haveloos; hij ligt te leunen in des huizes opening, die wij venster zouden noemen: zijn vrouw staat achter de onderdeur, die aan is, terwijl de bovendeur open staat. Het kind, een meisjen, is aan het spelen, wat verder, bij een put.

Ziedaar hoe deze overlevering, de oorsprong van Hasselt, er jaarlijks wordt voorgesteld, in het oude dorp, een deel der stad Hasselt.

Van deze volksvoorstelling van den oorsprong der stad Hasselt - geen gala-voorstelling - tot de jaarlijksche voorstelling van den ondergang der stad Amsterdam, in den Gijsbrecht van Amstel, is natuurlijk de afstand grooter dan die van Hasselt tot Amsterdam. Edoch dit gaat vast, Vondel heeft zijn Gijsbrecht van Amstel geschreven in het jaar waarin hij Hasselt bezocht, en nadat hij Hasselt bezocht. Zou die voorstelling van den ouden Hendrik die altijd, elk jaar opnieuw, dezelfde oude en nieuwe belangstelling vindt bij het volk, Vondel kunnen geleid hebben tot het denkbeeld, waaruit de Gijsbrecht, als een zon, is opgegaan, en die nu ook van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht, van eeuw tot eeuw dezelfde belangstelling geniet?

[p. 543]

In allen geval is het eerste groote stuk dat Vondel heeft geschreven, na zijn verblijf te Hasselt, de Gijsbrecht van Amstel.

Onder een ander opzicht nog is de overgang van Vondel's zegezang op den Burgemeester van Hasselt tot Vondel's Treurspel op Gijsbrecht van Amstel als de overgang van mi tot sol in het volmaakt akkoord do, mi, sol. Edoch, hooren wij eerst den 2de zang met zijn tegenzang.

IIe zang.

 
Men zocht de wapenschool te stijven
 
T' Olympia met groene olijven,
 
Ter eere van Alkmenes zoon,p)
 
Gelijk de Zwaanr) haar heldentoon
 
Verheft op 't worstelen en rennen,
 
En vuistkamp, daar zich vorsten wennen
 
Ten oorloge in een wolk van stof,
 
En damp van zweet, onthaald met lof,
 
En loof van Elis, versch gevlochten,
 
Voor hen die andren overmochten,s)
 
Met arm, of vuist, of voet, of hoef,
 
Zoo dikt) de deugd kwam op de proef.
 
Ook vierde Eneas 't jaargetijde,
 
En oefende, getroost en blijde,
 
De Troische helden op het strand.
 
Eurytions, vol ijyers, spant
 
Zijn taayen boog, en schiet den vogel,
 
Die in de wolken op zijn vlogel
 
Vast zweeft en drijft van boven neêr;
 
Hij huppelt, nu hij 't handgeweer
 
Van God Apollo mag hanteeren.
 
De Goden zelfs hun schutters eeren;
 
De hemel draagt zijn schutterij.u)

IIe tegenzang.

 
Dit ging van ouds in zwang, en wij
[p. 544]
 
Braveeren nog op zulke braven,
 
En zagen dikwijls Vlaamsche graven
 
Den kruisboog handelen om strijd.
 
De vijfde Karel, zoo benijd
 
Om zijn geluk, zag Brussel springen,
 
En hoorde 't volk triomfe zingen,
 
Rontom zijn fieren boog; gelijk
 
Zijn zoon, de zon van Oostenrijk,v)
 
Die, in de zeestrijd van Lepante,
 
Zich tegen Selims mane kantte,
 
De pen van Lovenw) loven liet,
 
Hoe net de zoon en vader schiet.
 
D' Infantex) volgt hun spoor van achter,
 
En mikt, en klinkt, en velt, niet zachter
 
Dan haren grootvaâr, 't groene hout,
 
Gelijk een Amazoon; en bouwt
 
Haar eer op 't keizerlijke voorbeeld.
 
Hoe averechts de manschap oordeelt
 
Van vrouwen, zonder hart, en moed,
 
Heldin! gij eerde uw strijdbaar bloed
 
Door uwe boogpees, meer door d' orden
 
En koorde, die uw lenden gordden.y)

Wat was oorzaak dat het opvoeren van den Gijsbrecht werd tegengewerkt? Laat Van Lennep het ons zeggen (D. III, blz. 314): ‘De schouwburg zou geopend en het treurspel opgevoerd worden omtrent de Kersdagen - en met die bedoeling had de dichter ook de katastrofe op Kersnacht doen invallen; maar de tegenkanting van sommigen, die zich ergerden aan 't vertoonen der Roomsche kerkzeden, was oorzaak dat een en ander een poos werd opgehouden... Men hoore nu hoe met deze Roomsche kerkzeden van den Gijsbrecht in volmaakte harmonie is het slot, de geheele tweede toezang van het stuk dat den burgemeester Vinckenroy en de stad Hasselt kroont:

[p. 545]

IIe toezang.

 
Quintijnz), die, trouwer dan een schild,
 
De stad beschut en 't Kruisboogs Gild,
 
Daar Engelen voor menschen waken;
 
Beschut hem, die, op 't eerlijk spoor
 
Der Keizeren en Vorsten, voor
 
Zijn burgers treedt; beschut de daken
 
Der stad, voor 't oorlogs fellen brand.

Is dit gebed van Vondel tot den Heiligen Patroon van Hasselt niet even Katholiek alreeds, als ook de Gijsbrecht? Hoe dikwerf men ook al bij Vondel, in de jaren vóór zijn terugkeer tot de aloude Moederkerk, gezocht en ook gevonden hebbe, voorteekenen van overhelling en toenadering tot het Geloof en de Kerk van de Graven van Holland, op het gebed in dezen zegezang, vóór den Gijsbrecht geschreven, werd bij mijn weten, nog nooit gewezen.

En dan die hooge achting voor het orde-kleed van den Heiligen Franciscus, die Vondel pas uitsprak in de laatste verzen, die deze aanroeping des Heiligen Quintijns voorafgaan. En dat geschiedde alreeds in 1637.

Die bescherming van den Heiligen roept Vondel ook af op Ferdinand:

 
Bescherm den Rijksvorst Ferdinand,
 
En Rijn en Maes, zijn rijke stroomen,
 
Zoo menigwerf een ongeval
 
En landplaag dreigen berg en dal,
 
En steen en dorpen op te komen.
[p. 546]

Na deze heilbede voor de stad Hasselt, en den vorst van het Roomsche Rijk, zal Vondel den zegezang, die met des Burgemeesters lof begon, ook met des burgemeesters lof bekroonen:

 
De Burgemeester strale, en blink!
 
Gelijk de puiksteen in een ringk,
 
Waar raad en daad een man behoeven
 
Die uitsteekt door zoo brave proeven,
 
En d' ambten door zijn deugden eert
 
Terwijl hij zich en 't volk regeert.

Bij het slot mijner spreekbeurt, die veel goeds mocht verkondigen van de Burgemeesters van Amsterdam, door Vondel bezongen, heb ik, als mijne heilbede over Hasselt, de eerste en de laatste verzen van Vondels zegezang herhaalt.

In een stad, waar pas voor veertien dagen een nieuwe burgemeester is opgetreden, scheen menig vers van Vondel als nu pas gemaakt voor deze stad en dit gehoor. Met de grootste en warmste belangstelling en als in ademlooze stilte werd het heerlijk fragment van Vondel aangehoord, waarin hij met de kracht en de toovers van zijn penseel de plichten van den burgemeester als in één tafereel te zamenbrengt en doet leven en spreken. Niet slechts dat fragment, maar het geheele stuk zal ter nadere waardeering worden toegelicht in mijn spreekbeurt: Vondel en de Amsterdamsche Burgemeesters. Wat al gouden spreuken van staatkundige wijsheid zullen alsdan in Vondels poëzie kunnen worden ten toon gesteld! Hoe kernachtig gezegd, en hoe diep wijsgeerig waar en Christen schoon is niet het slot van den pas toegelichten zegezang,

 
Die d' ambten door zijn deugden eert,
 
Terwijl hij zich en 't volk regeert.

En nu de vraag, wat reden of aanleiding kan er bestaan hebben voor Vondel om zich naar Hasselt te begeven?

De reden, welke wij te Hasselt, als gemeld door de ouderen van dage, vernamen, kan onmogelijk de ware reden wezen: Vondel zou er gekomen zijn, om de vervolging tegen hem in

[p. 547]

Holland aan den gang, te ontwijken. Maar nu blijkt nergens, waaruit dan ook, dat er in 1637, in Holland eenige stribbeling tegen Vondel hebbe plaats gevonden. Integendeel, juist in dat jaar moet Vondel zich te Amsterdam bijzonder gelukkig hebben gevoeld, èn om de benoeming van Dr Gerard Schaep tot Burgemeester van Amsterdam - eene benoeming die om vele redenen Vondel hoogst welkom en voorzeker ook niet ongunstig kon voorkomen; èn om vele andere oorzaken die alle zoo gunstig waren voor Vondel, dat het meestal opschriften van hem waren welke men juist in die dagen, in gouden letters, uitgehouwen in het hardsteen van den nieuwen schouwhurg, voor de opgetogen blikken des volks ten toon spreidden. En wat nog veel meer zegt, juist in 1637 werd aan Vondel de buitengewone eervolle taak opgedragen het tooneelstuk te vervaardigen waarmede de nieuwe Schouwburg zou worden ingewijd. Dat alleen bewijst meer dan voldoende hoe wij hier niet als aanleiding van Vondel's komst te Hasselt, het gezegde te Hasselt, kunnen aannemen. Er heeft dus eene andere reden bestaan: welke is die reden? zegge ons dit, wie zulks, met grond of met eenige waarschijnlijkheid althans, zal weten op te sporen.

Wel kan ik mededeelen wat voor een ander groot man menigwerf door Vondel bezongen, reden was om Hasselt te bezoeken: en dewijl deze hooggevierde ook zijn intrek nam in de Scherpe-Steen, bij den hier door onzen Dichter gevierden Gillis van Vinckenroy, zoo zullen deze bijzonderheden ons meer en meer leeren kennen den bij van Lennep onbekenden ‘Keizer van den edelen kruisboog van Hasselt.’ De hier bedoelde hooggevierde gast van Vinckenroy is een dichter, een geleerde, een vriend en beschermer van geleerden, persoonlijk zeer ervaren in de latijnsche dichtkunst, zijne labores juveniles zijn te Parijs verschenen in 1656 - is een staatsman, die, bij de onderhandelingen voor en bij het tractaat van den Munsterschen Vrede, door Vondel in De Leeuwendalers geschilderd, als nuntius bij den Keurvorst van Keulen, menig woord van vrede sprak, is geen ander dan Fabio Chigi, afstammeling eener oud-adelijke familie uit Siënna, waar Dr Willem van den Vondel, negen

[p. 548]

maanden de Hoogeschool bijwoonde. Deze Fabio Chigi werd later Paus Alexander VII.

En om welke reden dan toog Fabio Chigi, naar de stede van Hasselt? Het worde ons gezegd door een tijdgenoot, die zich ten huize van den Burgemeester door Vondel bezongen, in eigen persoon begaf, om alles, der waarheid getrouw, aan het nageslacht te kunnen mededeelen1. Fabius, de toekomstige Alexander bezocht Hasselt, omdat er een van oudsher beroemde Lieve-Vrouwe-beeld was, waar, tot 's menschen lichamelijk en geestelijk heil, vele wonderen geschiedden. Daar ter plaatse wilde ook hij bidden; daar wilde ook hij der Godheid de offerande van het Nieuw Verbond, de Heilige Mis opdragen:

[p. 549]
 
‘Al is het graan en druif in schijn,
 
't Waarachtig wezen volgt het voorbeeld.
 
Wijk, manna, bondkist, offersmet,
 
Hij dwaalt van 't spoor die anders oordeelt:
 
Hier is het Engelebanket.’

gelijk Vondel zong bij de Eerstelingen des Priesterdoms van Joannes Akerboom Doedensz., een' Amsterdammer:

 
‘De Burgemeesters, lang aan Sparen
 
En Amstel eertijds zoo befaamd,
 
Zien hunnen neef den dienst bewaren
 
Gelijk dien waardsten staat betaamt.’

Wat al prachtige en krachtige zangen Vondel heeft gewijd aan dien allerdoorluchtigsten bezoeker van Hasselt, die zijn intrede nam bij Vinckenroy, lid van de Broederschap van Onze Lieve Vrouwe en Keizer van den edelen Kruisboog, zullen wij bij nadere gelegenheid ontvouwen. Ter nadere kennismaking met den Limburger door Vondel bezongen, en van den helaas! nu afgebroken Scherpe-steen, hebben wij hier nog te gewagen van eene Koninginne, door Vondel hoog bezongen, door Amsterdam hoog gevierd, die insgelijks Hasselt bezocht en insgelijks haar verblijf koos waar Vondel zijn verblijf had, bij Gillis van Vinckenroy, in den Scherpe-steen, namelijk Maria de Medicis, weduwe van Hendrik IV en moeder van den regeerenden Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII1. Wat Amsterdam al deed om haar, den 1 September 1638 en 4 volgende dagen, met meer dan koninklijke pracht te onthalen, is voldoende in van Lennep's Vondel, D. III van 442 tot 458 te vinden. Welke reden voerde die Koninginne naar Hasselt? Ver gezochte gissingen hebben wij niet noodig; ik herinner mij slechts wat Fabio Chigi reden verstrekte om tot Hasselt te gaan, denk daarbij aan Maria's afbeeld-

[p. 550]

sel, door het beroemde penseel van Gerard Honthorst, nog te aanschouwen in het Paleis (Stadhuis) op den Dam, denk aan het vers op die afbeelding.

 
‘De groote Medicis, een Moeder van drie Kroonen,
 
Kwam dus, ter goeder uur, zich in ons Stad vertoonen’,

en vraag mij af, hoe zij zich dus in ons stad kwam vertoonen? Dat zegge ons Barlaeus en toone ons de prent vóór van Baerle's Blijde inkomst der Koninginne:

Barlaeus latijnsche snaren zingen:

 
‘Sic ivit nostram grandis Medicea per urbem,
 
Sceptrorum mater suspicienda trium:’

mag ik dat sic ivit vertalen als volgt:

 
De groote Medicis, een moeder van drie Kroonen,
 
Kwam zich, gelijk gij haar hier ziet, bij ons vertoonen.

En hoe ziet men haar daar vertoond? Met een Rozenkrans in de hand. Denk ik nu dat zij met een rozenkrans in de hand door de stad ging? Ik denk dat ik die plaat gezien en dat onderschrift gelezen heb; ik denk dat van Baerle die zoo veel lof der gevierde Koninginne heeft toegezongen, wist wat hij hier schreef en dat de beeldsnijder heeft gezien wat hij hier afbeeldde. En betrekkelijk het bezoek van die aldus afgebeelde Koninginne denk ik dat zij door dezelfde reden als Fabio Chigi, Alexander VII, werd gevoerd naar Hasselt, en haar intrede nam, als Vondel, bij Gillis van Vinckenroy in den Scherpe-steen.

Vondel heeft eenige jaren later een zielsinnigen lierzang gewijd aan dien rozenkrans; niet omdat hij in de hand dezer Koninginne

 
‘De groote Moeder van Europe’,

zoo trouw in vaderland en ballingschap haar tot leiddraad had verstrekt in haar gebeden, maar omdat hij eenen kloekhartigen geloofsheld, een biddenden veroveraar van uitgestrekte landen, den Apostel van Oost-Indië, den heiligen Franciscus Xaverius, tot werktuig van vele wonderen had gediend. Xaverius, op Missie in de Oostersche landen, nam zijn toevlucht tot de voor-

[p. 551]

spraak van Haar die men te Hasselt eerde, en om ook uitwendig te belijden dat hij door haar voorbede het serpent van het Heidendom den kop verplette, droeg hij gewoonlijk dien rozenkrans om zijn hals, van daar dat Vondel, die naar Hasselt ging, zijn gedicht op het Pater noster des zaligen vaders en apostels van Oost-Indiën, François Xaveer, begon met deze heilige herinnering:

 
O heilig Kerkjuweel
 
Van zaligen Xaveer,
 
Die in het Oostersch deel
 
Der wereld, Jesus eer
 
Verkondigende, u streek
 
Met zijn gewijde hand;
 
Als hij een Geest geleek
 
En Seraphijn, van brand
 
En ijver opgetogen
 
Ten hemel, voor Gods oogen.

In de tweede strofe vinden wij de bevestiging van de nauwkeurigheid der prent bij van Baerle's Blijde Inkomst der Koninginne, met den rozenkrans:

 
‘Ter goeder ure kwam
 
Zoo kostelijk een schat
 
Als gij, van Amsterdam
 
In mijn Geboortestad;
 
Van onzen Amstelvliet
 
Aan d'eere van den Rijn:
 
Daar Medices verliet
 
Des levenszonneschijn,
 
Op 's hemels welbehagen,
 
Uit lust tot schooner dagen.’

Nu de Koningin, door zoo vele bitterheden des levens en rampspoeden der glorie beproefd, in ballingschap en ellende bezweken is, aan wie zal nu het heilig Kerkjuweel worden toevertrouwd? Ook dit meldt ons de dichter.

 
‘Ter goeder ure en tijd
 
Bespreekt haar Majesteit
[p. 552]
 
Uw waarde, aan God gewijd,
 
(Eer zij van d'aarde scheit)
 
Aan Jesus Maatschappij:’

Het nuttige van dit kostbaar overblijfsel, dat vruchten blijft opleveren voor wie het eeren, wijst ons Vondel aan:

 
‘Op dat dit overschot
 
Des Heiligs Keulen zij
 
Een prikkel, om met God
 
Om hoog, van hier beneden
 
In één1 gesprek te treden.’

De Koningin, die ter bedevaart naar Hasselt toog, heeft met dat kerkjuweel weêr te stellen in. het bezit van de Societeit, niets anders gedaan dan teruggeven aan de Societeit wat zij van de Societeit, van een harer leden had ontvangen: wellicht door bemiddeling van haar biechtvader, Pater Johannes Suffren, de man die de gramschap van den allesregeerenden minister de Richelieu durfde voorbijzien en als een gunst verzocht en verkreeg om de Koningin-moeder in haar ballingschap te mogen volgen. Het was door de staatkunde van Richelieu dat Maria

[p. 553]

de Medicis op één dag, bestempeld als la journée des dupes, al haar invloed aan het Hof, en al hare vrienden verloren had. Pater Suffren, die de zwaar beproefde vorstin volgde te Hasselt als te Amsterdam, als te Londen, stierf te Vlissingen, toen ‘de Moeder der Monarchen’, uitgedreven en verschoven, in armoede en ouderdom, rondzwervende, zich uit Engeland naar Duitschland begaf.

Aan U, edelmoedige Religieus, die uwe geestelijke zorgen had toegewijd niet aan den glans der kroon, maar aan het heil der ziel, der ziel die U niet minder dierbaar was toen Maria, balling, verdrukt en arm was dan wel toen zij op drie troonen hare kinderen zag heerschen; aan U, op wien ik zou durven wijzen, in antwoord op Vondel's vraag:

 
‘Wie steent om 't weduwlijke jammer
 
Meedogender dan d'Amsterdammer,
 
Die haar bewelkomt, zoo beleefd?
 
Zij sukkelt vast met smarte en pijne,
 
Tot dat ze moede, t'Agrippijne
 
In ballingschap, den doodsnik geeft.’

Aan U, Pater der Sociëteit, die tot uwen laatsten snik zijt trouw gebleven aan uwe Koninginne, U zij eere, U zij hulde! Uw naam blijve in zegening, ook in Nederland.

 
‘Waar hij, na op des hemels welbehagen
 
Des levenskruis te hebben meêgedragen
 
Trouw tot den laatsten snik,
 
Vol hoop op Gods beschik,
 
Na 't woedensuur der onheilsvlagen
 
Naar 't hof der Kerk ter ruste werd gedragen,
 
In schaduw van het Kruis dat uit dit tranendal
 
Hem eens voor 't eeuwig heil der heemlen wekken zal.

De Pater bezweek in 1641, te Vlissingen, en Maria de Medicis, in 1642, te Keulen. De Koningin ging naar Hasselt, ter bedevaart naar het beroemde genaden-oord.

Welke reden heeft nu Vondel naar Hasselt gevoerd? Ik beken het niet te weten: maar voor mij kan er geen reden be-

[p. 554]

staan, om te gelooven, dat Vondel, die zijn zegezang bekroont met eene heilbede tot den Heiligen Quintijn:

 
Quintijn, die trouwer dan een schild,
 
De stad beschut, en 't Kruis-boogs Gild,
 
Daar Engelen voor menschen waken,
 
Beschut hem die op 't eerlijk spoor
 
Der Keizeren en Vorsten, voor
 
Zijn burgers treedt; beschut de daken
 
Der stad......

dat die Zanger, te Hasselt zou zijn geweest, en niet een biddend woord zou hebben gesproken tot haar, wier genade-steen de Koningin-Moeder van drie kroonen en de toekomstige Alexander VII biddend bezochten.

Heb ik nu de reden vermoed die den dichter van den Gijsbrecht van Amstel, met zijn Gosewijn en zijn Rei van Klarissen en zijn Aarts Engel Rafaël, geleidde naar Limburg, naar Hasselt? Ik zal het niet zeggen.

Maar van Lennep schreef, aangaande dezen zegezang van Vondel ter eere van Vinckenroy: ‘daar mij noch deze persoon, noch de aanleiding tot het gedicht gebleken zijn, geef ik het zonder verdere verklaring’; en nu meen ik te kunnen zeggen, dat ik eenige verklaring van dezen voortreffelijken beurtzang getracht heb te leveren.

Bij gelegenheid van het Vondelsfeest (dat ons de heer Joh' Dyserinck, als officieel historiograaf, in schrift zal afbeelden), mocht ook dit woord, als iets nieuws over Vondel, worden medegedeeld.

 

Bovenkerk, Februari 1879.