|
|
|
| |
| | | |
R.P.L. Arpots Het verheerlijkt Leyden en de gevolgen
Johannes le Francq van Berkheij is berucht om de vele ruzies waarin hij tijdens zijn leven verwikkeld raakte. Zowel zijn letterkundige en wetenschappelijke produkten, als zijn fervent orangisme brachten veel, vooral anonieme pennen in beweging. Maar géén van zijn werken bezorgde hem zoveel hartgrondige vijanden en had zulke verstrekkende gevolgen, als zijn Verheerlijkt Leyden.
De 45-jarige Berkeij stond op het toppunt van zijn literaire en wetenschappelijke roem toen hij dit gelegenheidsgedicht schreef. Zijn Natuurlijke historie van Holland had niet alleen alom respect en bewondering geoogst, maar had hem bovendien een lectoraat in de natuurlijke historie aan 's Lands Hoogeschool opgeleverd. Op letterkundig gebied was de oogst niet minder gering met de gouden eerprijs in 1773 van het Haags dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ voor De lof der dankbaarheid.1.* De Leidse burgemeesters gaven dan ook graag toestemming aan hun beroemde stadgenoot, om een redevoering in het openbaar uit te spreken ter gelegenheid van Leidens 200-jarig ontzet. En met het ceremonieel waarmee Berkheij's rede werd omgeven, werd beslist niet zuinig omgesprongen.2.
Leidens 200-jarig ontzet werd op twee dagen gevierd: op maandag 3 oktober en dinsdag 4 oktober 1774. Berkheij was overigens niet de enige die op die dagen zijn lof op Leiden uitte. Een blik in de catalogus van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden levert 25 titels op van feestzangen, eeuwzangen, vreugdezangen of lierzangen.3. Onder de dichters treft men Juliana Cornelia de Lannoy en Lucretia Wilhelmina van Merken. Verder waren de Leidse genootschappen ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’ en ‘Veniam pro laude’ van de partij. Het doel van de feestzangers was drieledig. Zij wilden Leidens ontzet dankbaar herdenken, God verheerlijken en 's lands vaderen en helden roemen.
| | | |
Het verheerlijkt Leyden zou op de tweede feestdag worden voorgedragen, in de Catharina Gasthuiskerk aan de Breestraat. Ter gelegenheid daarvan waren tevoren vrijwel alle stoelen en banken uit de kerk verwijderd, behalve die in de directe nabijheid van het preekgestoelte, waar de aanzienlijkste Leidenaren plaats zouden mogen nemen. Dindsdagmorgen om half tien werd de dichter thuis opgehaald door het bestuur en de leden van de genootschappen ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ en ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’. Dat waren alleen al voor het Leidse ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’ 35 personen, onder wie Rhijnvis Feith.4. Het gezelschap begeleidde Berkheij van de Apothekersdijk, waar hij toen woonde, naar de Gasthuiskerk, naar alle waarschijnlijkheid toegejuicht door een groot aantal Leidenaren. Bij het betreden van de kerk, die ‘tot verdringens toe gevuld was,’ werd ‘terstond een uitmuntend Instrumentael Muzijk, onder het geschal van Pauken en Trompetten, gehoord,’ voortgebracht door een orkest onder leiding van Carel Vermeulen, de adjunct kapelmeester van de universiteit. Hierna besteeg Berkheij de preekstoel en begon zijn ‘dichtmatige redevoering,’ die een diepe indruk maakte op de toehoorders. Zijn voordracht was ‘zoo meesterlijk (...), dat van de ontroering door zijne ongekunstelde regt mannelijke welsprekendheid op zijne toehoorders maar zeldzaam eenig voorbeeld in dit Land heeft plaats gehad.’5. Berkheij bezat, volgens de Nederlandsche Bibliotheek een ‘betooverende stemleiding’.6. Daarnaast speelde zijn gestalte geen geringe rol. In de bloei van zijn leven was zijn gestalte ‘regt mannelijk.’ Berkheij bezat brede schouders, was grijs, en keek van onder zware wenkbrauwen, met een levendige oogopslag de zaal in.7. De redenaar, getuigt Cornelis van Hoogeveen, had een ieder in zijn macht (‘eenige Midassen uitgezonderd’).8.
In Het verheerlijkt Leyden beschrijft de dichter drie tijdperken in het bestaan van Leiden. Eerst de periode vóór de belegering in 1574, daarna de gruwelen van het beleg en tenslotte de gebeurtenissen tot 1774. Muziek was de schakel tussen de tijdperken. De dichtregels die de gruwelijke omstandigheden van het beleg beschreven, werden door kapelmeester Vermeulen ingeleid met een Spaanse oorlogsmars, waardoor de toehoorders de schrik om het hart sloeg. Doch ‘hunne zielen juichten de toonen der Instrumenten na’ toen het ontzet werd gevierd met het Wilhelmus! Ook aan het slot van de redevoering werd muziek ten gehore gebracht.
De reacties van het publiek moeten op hun beurt grote indruk hebben gemaakt op Berkheij. Petrus Loosjes verhaalt in zijn Vervolg op Wagenaars Vaderlandsche historie dat alle aandoeningen die de redenaar vertolkte, te zien waren op de gezichten van de toehoorders. Aan het slot juichten alle monden ‘tot des Redenaars lof, en een ieder verspreidde denzelven langs de straaten.’9. Men was gegrepen door Berkheij's
| | | | ‘aandoenelijke taal van Vrijheidsliefde en van (zijn) rechtschapen zucht voor Stad en Vaderland.’10. De Leidse magistraat, die bijzonder met het dichtstuk was ingenomen, verzocht Berkheij zijn redevoering uit te geven. Van zijn vrienden drong vooral Pieter Vreede aan op publikatie. Om half twee 's middags - tot dan had de plechtigheid geduurd - begeleidden de bestuurders en leden van beide genootschappen de ‘schorgezongen’ Berkheij weer naar huis, terwijl uitzinnige Leidenaren hem toejuichten: ‘gansch Leyden weergalmde.’
Het Verheerlijkt Leyden is pas twee maanden later in druk verschenen. Doordat de drukkers volgens Berkheij ‘door verscheiden beletselen zijn opgehouden,’ verscheen het gedicht pas eind december 1774. Dat ook de tijdgenoot dit oponthoud uiterst merkwaardig vond, blijkt uit een brief van 16 december, waarin de gebroeders Jan en Adriaan Esdré schrijven dat heel Dordrecht vol ongeduld op de redevoering wacht. ‘Men spreekt 'er hier veel van, tot uwe Lovantie, maar men kan niet begrijpen, wat dog de reden mogt zijn, dat dezelve nog niet in 't Licht is, te meer daar men vernomen heeft, dat UE Extra veel genoegen gegeven hebt.’11.
In een brief van Berkheij aan de burgemeester van Alkmaar, Rutger Paludanus, heeft Berkheij meer verteld over deze kwestie. Hij heeft bovendien onder andere de zeer interessante vraag beantwoord betreffende de oplaag van Het verheerlijkt Leyden. Deze brief, geschreven tussen 23 en 30 april 1775, heb ik helaas nog niet opgespoord.12.
Vermoedelijk is de belangrijkste oorzaak van de vertraagde publikatie, de verbetering die het gedicht naar de mening van enkelen moest ondergaan. De correspondentie tussen Cornelis Loosjes en Berkheij licht een tip van de sluier op. Laatstgenoemde bezocht op zaterdag 12 november zijn vriend dominee Cornelis Loosjes in Haarlem. Berkheij zat blijkbaar met de verbeteringen in zijn maag, want hij toonde Loosjes de gecorrigeerde versie van Het verheerlijkt Leyden en vroeg om diens oordeel. Loosjes, die het gedicht op 14 november retourneerde, schreef: ‘Ik zie met plaizier, dat men 't 'er op toelegt, om, onder het polysten, de leevendige wel te bewaaren. Ik vreesde nog steeds, dat men 'er al lekkende, de Ziel uyt zou lekken; doch 't gaat wel. Het Vers blyft uw Vers; en het zal dus wel genoegen geven. Zyt verzekerd, dat niet alleen geen mensch het gezien heeft, maar dat geen Mensch, buyten ons, weet, dat ik het gehad heb.’13. Hetgeen aantoont dat Berkheij die tegen het zogeheten ‘likken’ was, ook zijn eigen werk liet beschaven, of tenminste daartoe gedwongen werd door de drukkers of door vrienden.
Wie waren dan de beschavers van Het verheerlijkt Leyden en in hoeverre is dit gedicht verbeterd? Uit de ‘Voorrede’ van Berkheij's Eerbare proefkusjes van vaderlands naïf (Amsterdam 1782) blijkt dat de Leidse
| | | | arts Pieter van Schelle (1740-1792) in ieder geval de drukproeven van Het verheerlijkt Leyden heeft gecorrigeerd. Als dank voor de ‘accurate correctie’ droeg Berkheij zijn Eerbare proefkusjes aan Van Schelle op. Over de mate van ‘belikking’ zal men in het duister blijven tasten, zolang het manuscript van Het verheerlijkt Leyden niet gevonden is. Maar de golf van kritiek die op de publikatie van de redevoering volgde, doet vermoeden dat er - zoals Cornelis Loosjes al schreef - niet al te rigoureus gelikt is.
Opvallend aan Het verheerlijkt Leyden in gedrukte vorm, is de indrukwekkende hoeveelheid lofdichten op Berkheij. Veertien in totaal, waarvan één anoniem, gaan aan de redevoering vooraf.14. Dat moet zelfs de tijdgenoten de wenkbrauwen hebben doen fronsen. De uitbundig geprezen lofredenaar, die zich toch wat ongemakkelijk gevoeld moet hebben, probeerde in een nawoord het publiceren van de loftuitingen te rechtvaardigen. Berkheij gaf toe zich zeer gevleid te voelen, hoewel hij betuigde een afkeer van ‘vleïende en hooge loftuitingen’ te hebben. Maar het waren ‘uitmuntende vaerzen’ en hij was vervuld van ‘de zuiverste dankbaarheid, en dichtlievende toegenegenheid.’ Zou men, indien hij de verzen geweigerd had, niet eerder hebben gedacht dat hij te trots was? De gedrukte redevoering verscheen bij de boekverkopers Coster, Heyligert en Hoogenstraaten, die voor de gelegenheid een maatschap hadden gevormd én octrooi hadden aangevraagd.15. Zij vreesden blijkbaar nadruk. Lezers konden kiezen uit een exemplaar op gewoon papier, prijs: 1 gl. 8 st., of
een exemplaar op ‘best papier,’ waar voor 2 gulden moest worden neergeteld. Voor een werkelijk compleet exemplaar van Het verheerlijkt Leyden moesten de kopers bovendien nóg eens 2 gl. 8 st. neertellen voor de vier bijbehorende gravures: een portret van Berkheij zelf, met een lovend bijschrift door Cornelis Heyligert; en portretten van Johan van der Does, Willem van Oranje en Pieter Adriaanszoon van der Werf, met bijschriften door Le Francq van Berkheij.16. Dat was niet weinig voor nog geen honderd bladzijden redevoering. In hetzelfde jaar konden de geïnteresseerden 236 bladzijden Natuurlijke historie van Holland kopen voor slechts 1 gl. 16 st.
In gedrukte vorm bracht Het verheerlijkt Leyden velen weer met beide benen op de grond. Toen kon het gedicht met ‘koele bedaardheid’ worden gelezen. Zonder Berkheij's bezielende voordracht had de redevoering belangrijk ingeboet aan vervoerende schoonheid.17. Maar ondanks alles, aldus de Vaderlandsche Letteroefeningen, liet Berkheij terecht zijn gedicht drukken: omdat zij ‘haare treffende Schoonheden ten overvloede heeft.’18.
Toch heeft Het verheerlijkt Leyden de drie boekverkopers geen windeieren gelegd. Dat blijkt uit een opmerking van burgemeester Palu- | | | | danus, ‘dat de Nijd hieromtrent den boekverkoopen in de hand gewerkt hebben.’19.
De nijd waarover Paludanus schrijft, uitte zich allereerst in een anonieme Dankbetuiging aan den Nederlandschen dichter Jan de Kruyff, voor zyne beschaving en verbeteringen, gebracht in Het verheerlykt Leyden van Joannes le Francq van Berkhey (..), die verscheen bij de Leidse boekverkoper Jacob Meerburg. Op de versozijde van de titelpagina meldde de boekverkoper dat het stuk uit Amsterdam afkomstig was. Ik zie niet in, aldus Jacob Meerburg, waarom ik dit niet zou mogen uitgeven, ‘dewyl het over kunst handelt en pryst dat pryzenswaardig is.’ Daar kan weinig tegen worden in gebracht. De Dankbetuiging handelt inderdaad over de kunst van het dichten en prijst daarnaast het enige dat volgens de auteur te prijzen viel, te weten het lofdicht van Pieter Vreede. De Dankbetuiging is een knap stuk werk. De Nederlandsche Bibliotheek merkte terecht op, dat ‘de Maker geenszins een gemeen verstand zij!’ De auteur van de Dankbetuiging verwonderde zich over het overdreven lofdicht van Jan de Kruyff op Het verheerlijkt Leyden. Door echter De Kruyff de les te lezen, velt de criticus een ongenadig oordeel over Berkheij:
Kunst-kundige DE KRUYFF! hoe kan het mooglyk weezen?
Voorstander van Verstand, van Oordeel en van Smaak!
Dat U dit heeft behaagt, by 't hooren, en by 't leezen,
By 't likken van dit stuk? (...) (p. 12)
Petrus Loosjes die Het verheerlijkt Leyden recenseerde in de Vaderlandsche letteroefeningen had het goed begrepen. De lof die De Kruyff werd toegezwaaid voor het beschaven van Het verheerlijkt Leyden, was tevens een sneer naar De Kruyff. De auteur van de Dankbetuiging was immers van oordeel dat de redevoering een stuk is vol met ‘allergroffste feilen, hoe net geplooid, getooid, gelikt het nu moog zijn.’ Als dat zo is, aldus Loosjes, dan ‘is de Kruyff niet te prijzen.’
In grote lijnen kwam de kritiek van de Dankbetuiging op het volgende neer: de redevoering zat vol fouten op taalkundig gebied, te weten fouten in de geslachten en in de woordverbuigingen; én fouten op dichtkundig vlak: het ontbrak Berkheij aan gevoel, oordeel en smaak. Dit alles maakte Het verheerlijkt Leyden lomp en onnatuurlijk.
De auteur van de Dankbetuiging stond overigens niet alleen in zijn oordeel. Van Petrus Loosjes, die de Dankbetuiging recenseerde, kreeg hij bijval, hoewel Loosjes van mening was dat de criticus naar een ‘haatlijk uiterste’ was doorgeslagen. De Kruyff had inderdaad Berkheij te zeer geprezen, aldus Loosjes, en Berkheij had de lofdichten nooit mogen publiceren.20. Hij was het echter volstrekt oneens met het verwijt
| | | | dat Berkheij zich niet had gehouden aan de regels van de Dichtkunst. Berkheij, aldus de Vaderlandsche letteroefeningen met instemming, is niet gewoon zich te houden aan de regels die de Wetgevers van de Parnas voorschrijven.21. Wij zien hier twee meningen over de dichtkunst tegenover elkaar. Enerzijds het oordeel van de ‘naauwgezetten,’ die vallen over spelfouten, fouten in het genre, fouten in het metrum; anderzijds het oordeel van Berkheij, de Vaderlandsche Letteroefeningen en, bijvoorbeeld, Jan de Kruyff, die niet wensten te buigen voor de ‘letterslavernij,’ zoals De Kruyff dat noemde. Met zijn dichterlijke vrijheden bewees Berkheij, volgens zijn biograaf Adriaan Loosjes Pz., ‘dat de Hollandsche Dichtkunst nog niet geheel den edelen zwier en stouten gang der tijden van Hooft, Vondel en Antonides verloren had.’22. Berkheij zèlf wilde in zijn gedichten verstaanbaar zijn voor ‘den Vaderlander’: ‘ja! vrij uit de borst, mijne denkbeelden, dikwerf in los en rollend rijm [voordragen], zo als zij uit de pen vloeijen.’23.
Al in 1760 was Berkheij in aanraking gekomen met de scherpe pen van de ‘taalzifters.’ Zowel de Maendelijksche By-dragen als De Nederlandsche letter-courant sloegen Berkheij in hun bespreking van zijn debuut, met Huydecoper en Ten Kate om de oren.24. In de Maendelijksche By-dragen werd hem aangeraden zich vooral er op toe te leggen ‘zyne Moedertael in den grond te verstaen’ en ‘om zuiver te schryven volgends de beste regels.’ Dat dit toch wel terechte advies bij Berkheij het ene oor in ging en het andere weer uit, mag blijken uit een brief uit 1774, waarin de bestuurders van ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ weinig heel laten van een door Berkheij ingestuurd gedicht. Nota bene hetzelfde dichtgenootschap dat hem unaniem de gouden medaille toekende in 1773, weigerde in 1774 een gedicht, omdat ‘er aan (...) het Dichtstuk de noodige beschaafdheid, zo wegens de taal als Poëzij ontbreekt.’ En degene, die benoemd zou worden ‘om zulk een uitgebreiden taak te beschaaven, (zou) een ondraaglijk juk op den hals (...) gelegd worden.’25. Met het genootschap ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’ had Berkheij in 1773 een soortgelijke ervaring: men weigerde zijn klinkdicht op Jan Wagenaar.26. Het lijkt er sterk op dat de dichtgenootschappen hun leden intern bijzonder kort hielden, maar hen tegenover de buitenwereld uitbundig prezen, ter meerdere ere en glorie van het Genootschap zelf.
De auteur van de Dankbetuiging was het echter niet alleen om de taalfouten te doen. Tussen de regels door wordt subtiel de spot gedreven met Oranje. Dat was trouwens iets dat Berkheij had kunnen verwachten. Er was immers volgens zijn zeggen nog vóór de publikatie van Het verheerlijkt Leyden een ‘murmureering’ dat er ‘te veel voor het Oranje-huis in was.’27.
| | | |
Wie was nu de auteur van de Dankbetuiging, die met zijn kritiek, volgens Berkheij, Jan de Kruyff die kort daarop overleden was, de ‘doodsteek’28. had gegeven? Berkheij zelf noemt Frans van Lelyveld als de auteur.29. Dat heeft hij in het begin alleen maar kunnen vermoeden. Althans, in 1789, vier jaar ná de dood van Van Lelyveld, wist Berkheij het nog steeds niet zeker. Höweler heeft opgemerkt dat Van Lelyveld tot in 1776 ae spelde; daarna aa.30. In de hele Dankbetuiging komt echter geen ae-spelling voor, hetgeen dus niet pleit voor de stelling dat Van Lelyveld de auteur was. Ik ben het eens met Höwelers oordeel, dat Van Lelyveld wel scherp kon zijn, maar dat hij tevens gevoelig was en niet kwetste.
Hoe verging het Berkheij? Op 14 januari 1775 ontving hij een briefje van Jan Markon, één van de lofdichters en een neef van Jan de Kruyff, die meedeelde dat de auteur Pieter Huizinga Bakker was.31. Drie dagen later meldde zekere N. Meerburg schriftelijk, in een afgrijselijk handschrift, dat professor Schultens van alles met de Dankbetuiging te maken had.32. Joannes Jacobus Schultens (1716-1778), hoogleraar in de godgeleerdheid, zou volgens de briefschrijver op maandag 16 januari de boekhandel van Jacob Meerburg zijn binnengestapt met de vraag of er wel genoeg exemplaren van de Dankbetuiging waren gedrukt. Schultens zou tevens forse kritiek op Berkheij hebben gespuid. Dit kan zeker waar zijn geweest. Dat Schultens bepaald geen vriend van Berkheij was, blijkt wel uit een brief aan R.M. van Goens, een jaar later, waarin Schultens geen blad voor de mond neemt:
Ik ken weinig menschen, bij wien verwaandheid, nijd en wraakzucht sterker heerschen. (...) Onze Allamand heeft een slegten dienst aan onze Academie gedaan, met ons dezen suppliant als Lector te bezorgen’ (17-3-1776)33.
Berkheij zèlf dacht echter aan heel iemand anders. In een advertentie in de Leidsche Courant (13-1-1775) suggereerde Berkheij onder het pseudoniem Vrij en Vrank, dat Pieter van den Bosch de auteur was.34. Pieter van den Bosch, afkomstig uit Amsterdam (vandaar wellicht de associatie) en remonstrants predikant te Leiden, liet dat niet op zich zitten. Temeer niet, waarschijnlijk, daar Berkheij de hele remonstrantse gemeente had beledigd door de predikant een varkensdrijver te noemen. Van den Bosch verzocht notaris Luzac om Berkheij mee te delen, ten eerste: dat hij - Van den Bosch - niets maar dan ook niets te maken had of heeft gehad met de Dankbetuiging; ten tweede, dat Berkheij onmiddellijk diende op te houden met te insinueren dat hij - Pieter van den Bosch - de auteur van de Dankbetuiging was. Dit alles bij notariële akte.35. Berkheij heeft daarna, voor zover mij bekend, dominee Van den Bosch nooit meer met naam en toenaam beschuldigd, maar hij bleef er- | | | | van overtuigd dat de predikant geweten heeft wie dan wèl de auteur was. Zoals hij er ook steeds van overtuigd is geweest, dat zijn vriend en lofdichter Pieter Vreede wist wie de auteur was. Pieter Huizinga Bakker was het in ieder geval niet. De man die Huizinga Bakker had beschuldigd, trok acht dagen later de beschuldiging weer in.36.
Ondertussen was de 70-jarige Jan de Kruyff op 18 januari plotseling overleden. Het valt gemakkelijk te begrijpen dat de kring waaruit de Dankbetuiging afkomstig was, de schuld daarvan kreeg. En zoals gebruikelijk vlogen de voor- en tegenschriften van de Leidse drukpers. In de sleutel bij zijn verzameling stukken betreffende Het verheerlijkt Leyden somt Berkheij de namen van zijn lasteraars op: Pieter van den Bosch, Frans van Lelyveld, Jan Nomsz, Cornelis Heyligert en prof. Schultens.37. De Vaderlandsche Letteroefeningen twijfelde er niet aan dat ‘Apollo’ zich eerstdaags wel zou wreken. Berkheij, die meende dat ‘wie zwijgt en verdraagt, wordt verdrukt en geplaagt,’ heeft inderdaad gereageerd, maar op een later tijdstip en in een andere vorm dan men waarschijnlijk verwacht had.38.
Eerst vierde Leiden nòg een belangrijk vaderlands feest, namelijk het 200-jarig bestaan van 's Lands universiteit. Weer een feest waarin Oranje een rol van betekenis speelde. Leiden had immers van Willem I, de grondlegger van ‘den vrijen Nederlandschen staat,’ een universiteit gekregen, als beloning voor de ‘onkneusbare dapperheid’ van de Leidse burgers in 1574.39. Ook dit herdenkingsfeest had talloze verzen en traktaten tot gevolg, waaronder een zinnespel van Le Francq van Berkheij.40.
De feestelijkheden, die werden bijgewoond door stadhouder Willem V, vonden plaats op dinsdag 8 en woensdag 9 februari 1775, twee bijzonder regenachtige dagen. Als men Berkheij had willen benoemen tot hoogleraar in de natuurlijke historie, dan zou men eigenlijk geen gunstiger ogenblik hebben kunnen kiezen. Er waren beslist hooggeplaatsten die graag hadden gezien dat Berkheij hoogleraar werd. Het probleem was alleen, dat Berkheij niet alleen beroemd was, maar intussen ook berucht. Adriaan Loosjes meende, dat men de beslissing niet aandurfde op grond van een te ver doorgevoerde ‘kieschheid.’41.
Wanneer men zich afvraagt waarom Berkheij niet meteen na de Dankbetuiging heeft gereageerd, dan is het antwoord eenvoudig: hij had sterke vermoedens dat de universitaire feestelijkheden hem de ongetwijfeld fel begeerde benoeming zouden opleveren. Daarom had hij er baat bij zo min mogelijk negatieve aandacht op zich te vestigen.
Uit de correspondentie lijkt echter sprake te zijn van een komplot om de organgist Berkheij zoveel mogelijk in een kwaad daglicht te stellen, in de hoop dat de autoriteiten dan van de benoeming zouden afzien. ‘Bedenk Le Francq,’ schreef Meerburg op 17 januari, ‘dat een
| | | | groott gros benaauwt is dat gy door de tyt tot grooter titel mogt getrokken worden.’ De briefschrijver vermoedde terecht dat de Dankbetuiging slechts diende om te voorkomen dat Berkheij hoogleraar zou worden. De benoeming moet overigens pas op het allerlaatste moment niet meer zijn doorgegaan. Berkheij werd immers, volgens eigen zeggen, openlijk gelukgewenst met het professoraat. De stadhouder beloofde hem bovendien zijn protectie.42. Gedesillusioneerd en verbitterd schrijft de lector echter in 1789: ‘Nihil horum, nisi... Papa... non edit carnem Nisi die veneris.’43. Vrij vertaald: Willem V doet zelfs het meest elementaire niet goed meer. De enige dag waarop hij vlees eet, is uitgerekend vrijdag.
Wij mogen ons gelukkig prijzen dat Le Francq van Berkheij zijn verzameling geschriften en brieven heeft voorzien van handschriftelijke aantekeningen. Zo wordt stukje bij beetje duidelijk wie tot het komplot moeten hebben behoord. Daar is bijvoorbeeld de brief van N. Meerburg, die prof. Schultens koppelt aan de Dankbetuiging. Berkheij maakte daarbij de aantekening, dat de tijd heeft bewezen dat Schultens zèlf het manuscript van de Dankbetuiging bij drukker Jacob Meerburg heeft bezorgd.44. Wie weet maakte het meerendeel van de lofdichten op Het verheerlijkt Leyden deel uit van een vooropgezet plan, en is Jan de Kruyff misbruikt als aangrijpingspunt om Berkheij te kritiseren. Dan is daar ook nog een brief afkomstig van de dienstknecht van dominee W. Musquets, waarin de namen van drie remonstrantse dominees genoemd worden: Johannes Cornelis Valk, Abraham Arend van der Meersch en Pieter van den Bosch. Dit vee, aldus de dienstknecht, tracht ‘'s lands vryheyd aan alle kante te fnuyken’ en is nog niet lang geleden door Willem en den Staat tot stilzwijgen gedoemd.45. De briefschrijver doelde hiermee op de publikatie van 1 mei 1773, waarin de Staten van Holland het drukken en uitgeven van geschriften waarin de officiële kerk werd aangevallen, verbood. Een verbod dat was uitgevaardigd op verzoek van de Zuidhollandse synoden, die in 1772 vergaderden over de als beledigend ervaren uitingen van de remonstrantse hoogleraar Van der Meersch. Deze had in zijn opdracht bij de vertaling van Warburtons De goddelijke zending van Mozes sommige hervormde theologen beschuldigd van
‘dwaze trotschheid, partijzucht en vóóroordeel.’46. Dat was een aanval op de officiële kerk, die vergeleken met alle andere geloofsgroepen verschillende voorrechten genoot. En het was dus ook een aanval op Oranje, in wie de gereformeerden de handhaver van hun rechten zagen. Dit nu is wat Berkheij ‘de oude vete’47. noemt: de strijd van de overige geloofsgroepen voor gelijke rechten. In de ogen van de felle orangist Berkheij was die strijd echter niets minder dan een samenzwering tegen de stadhouder, een samenzwering die de vrijheid in gevaar bracht. Deze
| | | | houding plaatst Berkheij in de gereformeerde middengroep, die - althans op religieus vlak - niet verlicht genoemd kan worden.
Dertig jaar later schreef Berkheij in zijn Bataafsche Menschlijkheid dat hij in Het Verheerlijkt Leyden alles achterwege had gelaten dat verbittering kon opwekken aangaande de ‘oude vete.’48. Maar wie Het verheerlijkt Leyden erop naleest, treft een passage aan van ruim drie bladzijden over deze ‘kerk-twist,’ dit ‘wrevlig kerk-krakkeel’ en die ‘valschen schijn van trouwe vrijheids-min.’49. Vrienden van Berkheij die niet tot de officiële kerk behoorden, moeten zich door deze passage bijzonder gekwetst hebben gevoeld. Immers, hun strijd om een gelijkwaardige behandeling werd door de redenaar gekwalificeerd als samenzweren tegen de stadhouder. Een kenmerkend citaat:
Elk mag, in deezen tijd, zijn' Godsdienst vrij beleeven:
Wij zien de Vrijheid, door 's Lands Vadren, weêr gegeeven,
Daar weêrzijds, door hun zorg, de Twist-zugt zwijgen moest.
De Kerker-sloten zijn in Loevestein verroest.
De Hof- en Tuin-deur staat, voor ieder' Burger, open:
't Geweeten is 'er vrij, de Godsdienst mag 'er hoopen,
Zijn recht en heiligdom, met zorg te zien bewaard;
En Willem schenkt aan ons een' Hemel, hier op aard.
Wie dan, die de Eendragt mint, en Vrede wil waardeeren,
Zou tegen zulk een heil, op Pindus, saamenzweeren. (p. 74/75)
Berkheij stak niet onder stoelen of banken dat hij de samenzweerders tegen de stadhouder verfoeide en de ‘ouden wrok’ vervloekte. Dat was tamelijk kortzichtig geredeneerd tegenover zijn niet-gereformeerde vrienden, onder wie Pieter Vreede en Jan de Kruyff, voor wie staatsambten onbereikbaar waren, die zelf hun eredienst en kerkbouw moesten financieren en die bovendien nog moesten bijdragen aan de kosten die de officiële kerk met zich meebracht. Geen wonder dat hij met deze versregels de doopsgezinde Pieter Vreede en de remonstrant Van den Bosch tegen zich in het harnas joeg. Nu is het ook begrijpelijk waarom prof. Schultens zich aan Berkheij geërgerd had. Schultens behoorde tot degenen die opkwamen voor de veldwinnende tolerantie. Blijft de vraag hoe Jan de Kruyff, een lutheraan, en Cornelis en Petrus Loosjes, doopsgezind, over deze ongenuanceerde aanval van hun vriend hebben gedacht. Het verklaart wellicht waarom de Vaderlandsche Letteroefeningen het tot op zekere hoogte eens was met de Dankbetuiging.
Aan Het verheerlijkt Leyden heeft Berkheij uiteindelijk weinig plezier beleefd. Afgezien van Jan de Kruyff, die reeds in januari 1775 gestorven was, en Abraham Wijnbeek, die tot de oude getrouwen behoorde,
| | | | kon Berkheij in 1778 geen van de overige twaalf lofdichters meer tot zijn vriendenkring rekenen. In 1789 overzag hij in zijn voorbericht bij de Dichtmaetige redenvoering over de plichten der weezen en hunne bestuurderen de lijst van vroegere vrienden:
Er is geen eenen, uitgezonderd den eenvoudigen A. Wynbeek (...), of zij hebben mij vervloekt, vervolgt, en in kommerlijke omstandigheid gebracht.’ (p. XIX)
‘Geveinsde vrienden, en verbitterde vijanden’ was alles wat hem was overgebleven. Waar heb ik dat toch aan te danken, vroeg Berkheij zich af, ik die geen ‘haïrbreed ben afgeweeken van mijne Plichten aan Oranje, mijn Souverein, mijne Vaderstad?’ Hij vergat voor het gemak dat als hij gezwegen had na de Dankbetuiging, hij de sympathie waarschijnlijk voor een groot gedeelte aan zijn zijde zou hebben gevonden. De auteur van de Dankbetuiging was immers bepaald niet zachtzinnig omgesprongen met De Kruyff. En Berkheij had immers zijn verdedigers. De getergde lector koos echter voor een andere strategie. Kort na de universitaire feesten in 1775, publiceerde hij een felle kritiek op Frans van Lelyvelds Berichten en Prysvraagen over het storten van olie (...) in zee-gevaren (Leyden 1775). Daarin ging Berkheij zó tekeer, dat hij gebrouilleerd raakte met zijn beschermer professor Allamand.50. Door de Vaderlandsche Letteroefeningen werd de lector op ondubbelzinnige wijze terecht gewezen:
zulks ten scherpste te zeggen, uit een opgevatten wrok (...) schijnt veel eer nog iets Oud-Bataafsch te weezen, en juist dat geen, 't welk in onze Voorvaderen met regt te veroordeelen was. (1775, le st., p. 520)
Die zat. Dieper kon men een vereerder der Batavieren vermoedelijk niet beledigen. Het heeft echter niet mogen baten. Berkheij heeft na 1775 geen gelegenheid voorbij laten gaan om zijn vervolgers op zijn beurt te vervolgen. Met zijn roem was het toen spoedig grotendeels gedaan en de kans op een hoogleraarschap moet ná februari 1775 vrijwel nihil zijn geweest door de conflicten waarin hij aan de lopende band terecht kwam.
Het mag wel bijzonder ironisch genoemd worden dat juist zo een vaderlandslievende lofzang op zijn geboortestad, het einde heeft betekend voor Berkheij's zo verwachtingsvol begonnen carrière.
| |
| | | |
Summary
Het verheerlijkt Leyden and its consequences
When Johannes le Francq van Berkheij recited his Het verheerlijkt Leyden in October 1774 at Leiden's bicentennial liberation festivities, he had reached the height of his fame, both with his natural history research and his poetry. Among his cheering audience however there were a few who feared that the lecturer Berkheij stood a very good chance to become a professor at the bicentennial festivities of Leiden's university in 1775. Due to the many corrections the poem needed, according to some of his friends, the publication of Het verheerlijkt Leyden took place more than two months later. Immediately Berkheij was heavily attacked in an anonymous review, in which the author thanked the supposed corrector of Berkheij's poem and criticized both Berkheij's poetry and political statements. The commotion that followed, when supporters and enemies of Berkheij attacked each other with several pamphlets, probably caused the authorities in Leiden to shrank from promoting Berkheij to professor. His many attempts thereafter to discover the anonymous author of the review decreased his chances for ever becoming a professor even more.
|
1.Berkheij was in 1774 bovendien lid van het Leidse toneelgenootschap ‘Veniam pro laude’ (lid sinds 1756), het Leidse literaire genootschap ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’ (lid sinds 5 aug. 1772), het Haagse literaire genootschap ‘Kunstliefde spaart geen Vlijt’ (lid sinds 27 febr. 1773) en van het ‘Zeeuwsch genootschap van Wetenschappen’ te Vlissingen (lid sinds 29 okt. 1772).
2.[C. van Hoogeveen], Beschrijving der plegtigheden en vreugdebedrijven bij het tweede eeuwgetijde van de verlossing der stad Leyden... (Leyden, C. van Hoogeveen, 1775).
3.Catalogus der bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden dl. 1 (Leiden 1887) col. 461-462.
4.B. Thobokholt, Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ te Leiden, 1766-1800 (Utrecht 1983) (Ruygh-bewerp XIV) Ledenregister, 143 e.v.
5.A. Loosjes Pz., De geest der
geschriften van wijlen Joannes le Francq van Berkhey... (Haarlem 1813) 133.
6.Nederlandsche bibliotheek..., 3 (1775) le st., 302.
7.Loosjes Pz., 133 en 145.
9.[P. Loosjes], Vaderlandsche historie... Ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie dl. 6 (Amsterdam 1791) 361.
10.J. de Kruyff, Gedichten (Amsterdam 1776) XIV.
11.Brief dd. 16-12-1774; G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 67.
12.Brief dd. 30-4-1775; G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 67, waarin Paludanus Berkheij bedankt ‘voor het meede gedeelde omtrent de gedrukte Exemplaeren van Uw Leyden.’
13.Brief dd. 14-11-1774, KB hs. 132 F 13:1, f.118.
14.De lofdichters waren: Jan de Kruyff (1706-1775), J. van Royen Az., Jan Markon Pzn., Peter Vreede (1750-1837), Anthony de Hen, Elbert Waller, P.H. Marron, Gerard Schoemaker, A. de Bosson, Pieter 't Hoen (1745-1828), Gerrit Brender à Brandis (1752-1802), Abraham Wijnbeek en Pieter van Schelle (1740-1792).
15.J. le Francq van Berkheij, Het verheerlijkt Leyden, bij het tweede eeuwgetijde van deszelfs heuchlijk ontzet, in den jaare M.D.LXXIIII. in dichtmaat uitgesprooken, in de Gasthuis kerk dier stad, op den vierden van wijnmaand MDCCLXXIV... (Te Leyden, bij Hendrik Coster en Heyligert en Hoogenstraaten, 1774).
16.Gegevens over de prijs van Het verheerlijkt Leyden, uit G.A. Leiden, collectie LFvB, nr. 32:2.
Een kompleet exemplaar - met de portretten - bevindt zich o.a. in het Gemeente Archief van Leiden, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 5.
18.Hedendaagsche vaderlandsche letter-oefeningen, 4 (1775) le st., 42.
19.Brief dd. 23-4-1775; G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 67.
20.Hedendaagsche vaderlandsche letter-oefeningen, 4 (1775) le st., 46.
23.J. le Francq van Berkheij, De toren van de Leydsche saai- of festynhalle andermaal sprekende ingevoerd (Leyden 1807) VI-VII.
24.Maendelyksche By-dragen ten opbouw van Neerlands Tael- en Dichtkunde, 1-3-1760.
De Nederlandsche Letter-courant, 5-2-1760. Déze recensie is van de hand van Frans van Lelyveld (G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 42).
25.Brief dd. 14-1-1774 van H. Wielheesen, secretaris van KSGV, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 33:2.
26.Over deze kwestie: G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 33:2, brief van C. van Hoogeveen aan LFvB ca. 13-4-1773; Idem, dd. 16-4-1773, Idem, ca. 17-4-1773; LFvB aan Kunst wordt door Arbeid verkregen, dd. ca. 18-4-1773.
27.J. le Francq van Berkheij, Dichtmaetige redenvoering... (Leyden 1789) IX.
28.J. le Francq van Berkheij, Vriendentraanen, gestort bij het sterfbedde van mijnen geleerden boezemvriend Joan Christiaan Schutz... (Leyden 1778) ‘Narigt’, 82.
29.Berkheij in de sleutel tot zijn ‘verzameling stukken betreffende Het verheerlijkt Leyden’, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 4:3.
J.I. van Doorninck, Bibliotheek van Nederlandsche anonymen en pseudoniemen, ('s-Gravenhage-Utrecht 1871) nr. 1185, schrijft de Dankbetuiging ook aan Frans van Lelyveld toe. Hij baseert zich echter op twee werken van Berkheij, die vóór 1789 verschenen. In zijn in dat jaar gepubliceerde Dichtmaetige redenvoering (...), p. IX, meent Berkheij dat de Dankbetuiging ‘op zeer vermoedelijke bewijsbaarheden, uit de bende van zeker Professor, eenige Remonstrantsche Predikanten, en het toen kaakelbroedende Hoen van tweedracht’ afkomstig was.
30.H.A. Höweler, ‘De lakenfabrikeur Frans van Lelyveld’ in: Gedenkboek bij het 200-jarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (Leiden 1966) 6, noot 2.
31.Brief dd. 14-1-1775, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 6.
32.Brief dd. 17-1-1775, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 6.
33.Afgedrukt in Brieven aan R.M. van Goens en onuitgegeven stukken hem betreffende dl. 2 (Utrecht 1886) 19-20 (Werken v.h. Historisch Genootschap te Utrecht, N.S. 43).
34.Deze advertentie is ook afgedrukt bij J.M.E. Dercksen, ‘Een litterair standje, waarbij een notaris te pas kwam’ in: Jaarboekje voor het notarisambt (1884) 117.
36.Brief dd. 22-1-1775, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 6.
37.G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 4:3.
38.Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-oefeningen 4 (1775) le stuk, 47. Het motto is te vinden in Berkheij's Album amicorum, K.B., hs. 132 F 13:2.
39.M. Siegenbeek, Geschiedenis der Leidsche hoogeschool dl. 1 (Leiden 1829) 4.
40.Catalogus der bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden dl. 1 (Leiden 1887) col. 463-465.
41.A. Loosjes Pz., De geest der geschriften van wijlen Joannes le Francq van Berkhey... (Haarlem 1813) 135.
42.G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 27. Handgeschreven commentaar van Berkheij bij zijn Kort bericht, wegens de omstandigheden, die 'er hebben plaats gehad, by gelegenheid, dat vyfentwintig jonge Burgerdogters... de Eere hadden, om de ... Erfstadhouderlyke Familie... hun dankbare hulde te bieden (Leyden 1788) t.o. 18.
44.Sleutel bij G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 6.
45.Brief dd. ca. 12-1-1775, G.A. Leiden, collectie LFvB nr. 6.
46.B. Glasius, Godgeleerd Nederland. Biographisch woordenboek van Nederlandsche godgeleerden dl. 2 ('s-Hertogenbosch 1853) 481.
47.J. le Francq van Berkheij, De bataafsche menschlijkheid. Nieuwe uitgave... (Leyden 1804) 162.
49.LFvB, Het verheerlijkt Leyden, 73-76.
50.Brief van J.J. Schultens aan R.M. van Goens, d.d. 17-3-1776 (zie noot 33): ‘Hij (nl. Berkheij, R.A.) is met zijnen Protecteur gebrouilleerd, om de brutale behandeling van Van Lelyveld.’
|
|