|
|
|
| |
| | | | | |
I Het Démasqué
Tous les genres sont ennuyeux, hors le
bon
Variant op Voltaire
| |
1
Voor den naïeven, zoo bekoorlijk onbeholpen dichter
Jacques Perk, dien het litteraire noodlot tot een
gewichtige mijlpaal heeft gepromoveerd, dook de Schoonheid eens op als ‘Deine
Theos’. Het moet een verbluffend moralistische tijd geweest zijn, waarin het
sonnet met de bekende terzine: ‘Schoonheid, o Gij, Wier naam geheiligd zij, Uw
wil geschiede’, zich aanmeldde als een soort van immoralistische openbaring.
Voor mij althans is er weinig onschooners denkbaar dan deze propaganda, is er
weinig oneleganters denkbaar dan deze geforceerde, voor een vagen God in de
plaats gestelde dame Schoonheid, tot wier dienst Perk de menschheid
geestdriftig oproept.
Wie éénmaal U aanschouwt, leefde genoeg:
Zoo hem de dood in dezen stond versloeg....
Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!
Hoezeer moet de her-ontdekking der zintuigen deze generatie, en in het
bijzonder dezen jonggestorvene, hebben beziggehouden! Hoe angstwekkend gevangen
moeten de zintuigen geweest zijn, dat een onrijpe figuur als die van Perk, het
type van den ‘begaafden jongeling, die nog veel moet leeren’, gedurende
tientallen jaren het ideaal kon worden van een land, dat toch ook een Multatuli
had gekend! Perk, die bovendien zoo aarzelend, zoo vrijzinnig-protestantsch
verlegen, zoo schooljongensachtig grootsprakig die her-ontdekking der zintuigen
ging ondernemen, heeft lang gegolden, en geldt in zekere kringen nog steeds,
als een bevrijdende geest; en hij zal dat ook geweest zijn, voor hen, die van
de ‘Deine Theos’ der zin- | | | | tuigen waren vervreemd, voor hen, die met
hem in de aanbidding der Schoonheid een heldendaad volbrachten. Maar laten wij
ons daarom niets wijsmaken: dat een au fond provincialistische geest als
Jacques Perk (nog) was, de bevrijding kon brengen voor een generatie, bewijst
voor ons nog slechts, dat men bevrijd moest worden uit een provincie des
geestes in het quadraat; dat een zoo dogmatischbanale oproep
aan de Schoonheid de illusie kon geven van een verlossing uit dogmatische
grenzen, bewijst niet anders, dan dat men in dien tijd dogma en zedepreekerij,
dogma en God, dogma en zintuigloosheid als identieke begrippen was gaan
beschouwen; het dogma der poëzie moest voor Nederland nog worden uitgevonden.
Het dogma der Heilige Schoonheid was omstreeks Tachtig negatief aanvallend; het
kon zich daarom gemakkelijk voor de tijdgenooten maskeeren, het kon zich, zelfs
waar het gehanteerd werd door een uitgesproken moralist als Perk, voordoen als
de volkomen vrijwording des geestes van alle banden, die niet door dichterlijke
potenties werden gerechtvaardigd. Dat Perk op zijn manier een veelbelovend
theoloog, namelijk de moraaltheoloog der schoonheidsreligie was, ontging aan
hen, die moraal en theologie slechts in de maatschappij en de kerk zochten, die
verleerd hadden, wantrouwig te zijn tegenover de moraal der dichters, omdat zij
onder het voorgeslacht alleen rijmelaars konden vinden.
Schoonheid, Uw wil geschiede.... De wil der Schoonheid is inmiddels
overal in ruime mate geschied; wij hebben niet te klagen. De these, dat de
kunst de deugd, de zedelijkheid, het Goede moet bevorderen, of dat zij schoone
objecten moet kiezen om aan haar verheven roeping te kunnen voldoen, wordt
alleen nog in geestelijke achterbuurten gehoord; een kunst, geboren uit de
moraal, een schoonheid, voorgeschreven door het recept van de antieken en de
Renaissance, kennen wij niet meer. Bijgevolg is het overbodig geworden, zoo
ernstig en verrukt tot de Schoonheid te bidden, als Perk het deed. De
Schoonheid is geïnstalleerd; haar rijk is niet langer problematisch, de
schooljon- | | | | gen kent het l'art pour l'art van buiten; de schoonheid
is geen eigenschap der dingen, is ons geleerd, of: ‘Kunst is het maken van
mooie dingen.’ (Poelhekke). Het gebied der Schoonheid, in Perk's jaren een te
ontdekken en te veroveren territorium, bewoond door calvinistische Sioux met
moralistische tomahawks, is nu een onschuldig Yellowstone Park, vol geëerde en
verpoëtiseerde natuurmonumenten, de trots van den beschaafden mensch, onder
toezicht van schoolmeesters en heemschutters.
Arme Jacques Perk! Het is beter, dat niets geregeld en volkomen
geschiede, zelfs niet de wil der Schoonheid! Want alles, wat geregeld en
volkomen wordt verwerkelijkt, wordt stoffig van banaliteit en vervelend van
onloochenbaarheid. En nietwaar: tous les genres sont bons hors le genre
ennuyeux! Laten wij daarom die onloochenbare waarheid, dat de kunst schoon moet
zijn, gevormd moet zijn, vorm moet zijn, eens met rust laten; misschien kan een
volgend geslacht er zichzelf weer aan ontdekken!
Het is voor ons niet meer van vitaal belang, dat Tachtig de Schoonheid
heeft gekroond en haar vijanden heeft vernietigd ; wij mogen dat historisch
apprecieeren. Wel kunnen wij er ons vitaal over verwonderen, dat Tachtig met de
Schoonheid genoegen heeft genomen, niet over de schoonheid heeft willen
heenzien. Rest ons de conclusie, dat de Schoonheid voor Tachtig een openbaring
van zoo magische volledigheid is geweest, dat zij allen twijfel versloeg, alle
verdere perspectieven afsloot, alles inzette op dat eerherstel der geknechte
zintuigen....
Rest ons de conclusie, dat de Schoonheid slechts dan belangrijk is,
wanneer zij ons bevrijdt; en dat men er zich overigens gerust van kan
onthouden, haar naam te heiligen en met een hoofdletter te schrijven.
| |
2
De schoonheid der aestheten schaamt zich over haar afkomst. Misschien
herinnert zij zich haar afkomst nog, misschien ook niet; maar zij schaamt zich,
zij heeft de gêne der arrivés voor het verleden. | | | |
Misschien herinnert zich de aestheet, hoe hij, zestien jaar oud, dat
heftige conflict had met zijn vader, die hem wilde dwingen, een waarde te
erkennen, die hij niet erkennen kon: een jeugdliefde te laten loopen, een boek
mooi te vinden, naar de kerk te gaan. Misschien herinnert hij zich, dat hij
toen, getergd, vernederd, geëxcommuniceerd, kwatrijnen schreef. Misschien
herinnert hij zich, in welke lade van zijn bureau die kwatrijnen liggen.
Misschien heeft hij nog zooveel nonchalance, dat hij de herinnering aandurft,
de lade opentrekt en de kwatrijnen herleest. Misschien heeft hij nog de
naïeveteit, te blozen.... en niet over zijn glorierijk overwonnen jeugd, maar
over zichzelf! Misschien is hij dan nog geen doorgewinterde aestheet, misschien
kan hij dan ook nog over zijn bereiktheden blozen! Blozen
echter de meeste aestheten niet, omdat zij destijds zoo ‘slecht schreven’?
Omdat zij nog niet gearriveerd waren op hun zestiende jaar?
Zij, die geleerd hebben, de ‘techniek te beheerschen’, den ‘vorm te
veredelen’, zij, die bij uitstek de dienaren der schoonheid schijnen te zijn,
loopen ononderbroken gevaar, de vulgaire afkomst der schoonheid te vergeten;
zij loopen steeds gevaar, ongevaarlijke aestheten te worden, schoonheids-,
knapheids-wellustelingen. Is men het kinderlijk, het zestienjarig stadium der
schoonheid ontgroeid, werkelijk ontgroeid, dan is men tevens
verloren voor het gevaar, dat de eenige rechtvaardiging van den
schoonheidscultus kan zijn. Gedurende de puberteit loopen alle dichters gevaar.
Zij werden geboren, zij werden opgevoed, zij werden in een wereld van vormen en
normen gedrild, die hun werd opgelegd, zonder dat zij zich konden te weer
stellen; dan komt de puberteit, het verzet, de conflicten, en met de puberteit
meldt zich de schoonheid aan. Zij is de onmiddellijke begeleidster van het
verzet en de conflicten; zij is het symbool van een mogelijke andere wereld dan
die, waarin men is grootgebracht; zij is het verzet en het
conflict, zij is de noodzakelijkheid en de revolutie, de rhetorische eigenwaan
en de versleten beeldspraak inbegrepen. De knapen, die zoo ontstellend pedant
over de schoonheid bazelen, weten niet | | | | eens, dat de schoonheid hun
in het bloed zit; zij begrijpen goddank niet, dat zij met hun gepraat over de
schoonheid al weer de redding zoeken in een antidotum van sluitredenen. De
schoonheid openbaart zich aan hen doorgaans niet in de poëzie; zij openbaart
zich in het verzet tegen de poëzie der vorige generatie. In dat verzet beleeft
de puberteit de schoonheid, in het pure feit van het
niet-doen-wat-de-ouderen-deden; daarvoor aanvaardt zij alles, alles, alles,
woorden, klanken, lijnen, theorieën van grijsaards, mits deze grijsaards
geminacht worden door de heerschende veertigjarigen. Oppervlakkig bezien, is
dit concours zoo belachelijk en onwaardig, dat men blij mag zijn, als men er
heelhuids en niettemin zonder het gevoel van ‘nu ben ik er
eindelijk’ uit te voorschijn treedt.
Immers er is niets zoo doodend als het ‘nu ben ik er eindelijk’ na de
puberteit. De paedagoog neemt weliswaar aan, dat er tusschen het
puberteitsstadium en het seniliteitsstadium een aantal jaren van ferme, bewuste
mannelijkheid (subs. van warme, toegewijde vrouwelijkheid) ligt; en deze
veronderstelling bepaalt zijn opvoedingsideaal, verschaft hem de noodige ernst,
het vereischte gebrek aan goddelijke ironie, om zijn taak waardig te kunnen
opvatten. Het is daarom voor den paedagoog gelukkig, dat de seniele structuur
der gemiddelde ferme, bewuste mannelijkheid niet tot hem doordringt; want het
moet een onaangename gedachte zijn, kinderen linea recta tot grijsaards op te
voeden. Het dooddrukken van de puberteit is het postulaat van den paedagoog,
waarzonder hij niet kan opvoeden, waarzonder hij geen verzet kan uitroeien (‘de
jeugd leiden’), waarzonder hij het gevaar der schoone rebellie niet kan smoren.
Geen beter middel tegen het gevaar der schoonheid dan beleidvol, smaakvol,
tactvol litteratuuronderwijs; geen tak van paedagogie kweekt doelmatiger
pedanten, onnoozeler aestheten! De schoonheid der puberteit is de révolte zelf;
daartegen vormen dan ook de schoone producten der letterkunde de beste
remedie.
Oppervlakkig bezien, is de puberteit belachelijk; maar nader bezien zijn
de paedagogen altijd nog een graad be- | | | | lachelijker. De pogingen, die
zij in het werk stellen, om de schoonheid der puberteit te overwinnen zelfs met
de schoone letteren als aanvalswapen, geven blijk van ontstellend wanbegrip
omtrent het wezen der schoonheid; een wanbegrip, dat men overigens verwachten
moet bij hen, die van de aankweeking der ferme, bewuste mannelijkheid moeten
leven. Maar wee degenen, die zich door de paedagogen van hun puberteit laten
berooven! De paedagogen zijn goed genoeg, om ons de onhandigheden der puberteit af te leeren; verder kan men voor hun
adviezen passen. Zij bezien de puberteit onder den aprioristischen hoek van hun
gemiddeld mannelijkheidsideaal; daarbij ontgaat hen, dat mannelijkheid gelijk
zou staan met seniliteit, wanneer zij niet een kruising ware van grijsaard en
vlerk. Daarom moet ook de vlerk in den mensch blijven leven; en juist dit
vergeten de paedagogen, omdat zij de ware vlerkachtigheid niet kennen, omdat
zij de consequenties der gevaarlijke (gekruiste) mannelijkheid niet aandurven.
Zij kennen niet de schoonheid van het verzet, van de rebellie; zij waren zelf
al grijsaards, toen zij hun mannelijkheidsideaal onderwezen; zij staan zonder
begrip tegenover den vlerk in den mensch, omdat zij het gevaar der
vlerkachtigheid schuwen als de pest.
Dat ‘schoonheid’ in den elementairen zin gelijkstaat met ‘verandering’
en ‘bevrijding’ hebben de aestheten, en met hen hun trouwe cliënten, de
leeraren in de diverse letterkundes, vergeten, verloochend. Dat de schoonheid
het bestendige puberteitselement in den mensch vertegenwoordigt, achten zij een
‘bedenkelijke’ these, gegeven hun eigen volwassen vaardigheid. De onhandige
kwatrijnen hunner jeugd hebben hun niets meer te zeggen; ‘wij hebben het nu
over de Kunst, en als men het over de Kunst heeft, moet men niet over iets
anders praten....’
Schoonheid, Uw wil geschiede! Amen.
| |
3
De kunst, de officieele Kunst, is wel het schamelste ouderdomskleed,
waarmee men het ongedurige puberteitskind schoonheid een fashionable uiterlijk
kan geven. In de | | | | kunst immers wordt alles bereikt wat in de
puberteit zoo heftig wordt begeerd: de volmaakte vorm, de kristallen harmonie,
het complete vakmanschap. In de kunst bereikt zelfs de op het terrein der
efficiency zwakke broeder datgene, wat hem als jongen een heerlijkheid scheen,
als hij door zijn voetballende kameraden werd overvleugeld en als poovere
bijfiguur behandeld: de uitzonderingspositie van het geestelijke wezen, de
Olympus der (zoo half en half) onsterfelijken, de tabernakel van het (zoo min
of meer) uitverkoren volk. De kunst maakt voor den officieelen kunstenaar alles
goed, wat hij in zijn jeugd heeft geleden, aan booze woorden, aan
moraliseerende verachting; zoo doet zij hem zijn jeugd geleidelijk vergeten.
Men is in de kunstenaarswereld evengoed ‘onder elkaar’ als in de
vakvereeniging; het ‘onder elkaar’ is weldadig, het verzoet de tobberij van het
dichten en schilderen.
In de puberteit ging het met de Groote Kunst niet al te best. Men wilde
wel gaarne de Groote Dichter zijn, maar men wist niet hoe het precies aan te
leggen. Het was, alsof de heftige ontroeringen altijd ontploften naast de vormen, waaraan men wilde offeren; bovendien, de
allerheftigste ontroeringen werden zelfs niet met de kunst in verband gebracht,
zij werden als minderwaardig beschouwd, zij werden opzijgezet en
achterafgehouden; de litteratuur eischte andere, grootscher bouwstof!.... De
stunteligheid van den vorm, die correspondeert met een valsche toewijding aan
enorme, ondoordachte, ondoorvoelde onderwerpen, is karakteristiek voor de
puberteit; zij geeft den aestheten een fraaie kans, om op de puberteit neer te
zien als een overwonnen stadium. Het kind, het gave kind, met zijn hemelsche
fantasie, mag er dan desnoods nog zijn; maar de werken van den puber zijn voor
den waren aestheet een gruwel, omdat de puber mannelijkheid pretendeert en geen
ferme, bewuste mannelijkheid bereiken kan. Er is, in het algemeen, niets
bereikts in de puberteit; en dit hindert den aestheet, den
knappen vakman, den kunstenaar, den eigenaar der schoonheid, den kenner van
H.M. toiletgeheimen; hem, die op een graad af nauwkeurig de temperatuur kent
| | | | van de ezelinnemelk, waarin Zij zich baadt. Hij zal den puber niet
zonder meer toelaten in zijn gemeenschap; hij zal hem een portie ‘talent’
willen voorspellen, hij zal hem een vage ‘richting’ willen wijzen, als
respectabel schoonheidsdienaar erkennen zal hij hem niet. De aestheten zijn de
vaklieden; zij hebben de schoonheid, hoewel zij zeer goed weten, dat de
schoonheid geen eigenschap der dingen is, reeds lang leeren waardeeren als de
onvervreemdbare eigenschap van een z.g. mooi ding, het bekende ‘mooie ding’ van
den heer Poelhekke; zij weten ook merkwaardig goed, dat de schoonheid niet aan
dat mooie ding ‘vastzit’, maar zij hebben er niettemin een even merkwaardig
plezier in, de schoonheid aan de producten der puberteit te ontzeggen. Waarom?
Omdat zij, geborneerd als zij zijn in hun ‘pure’ aesthetica, zelfs niet meer in
staat zijn, het onbeholpene, het leelijke, erger: het in-valsche en
doortrapt-gelogene der puberteitsproducten als schoonheid te zien! De
huichelachtige grijns, waarmee ieder ‘moeizaam’ mensch zich bevrijdt (niet
alleen in, maar ook na de puberteit),
interesseert hen oneindig minder dan het afzonderlijke werk, waarin een
‘gerijpte’ zich uitspreekt; zoozeer is de schoonheid voor hen wel degelijk een
eigenschap der dingen, zoo muurvast zit voor hen de schoonheid platweg aan de
dingen vast.
Wanneer men zegt, dat de schoonheid het bestendige puberteitselement in
den mensch vertegenwoordigt, zal de aestheet beginnen met een misverstand als
eerste repliek. Hij zal beweren, dat men de onbeholpenheid en het dilettantisme
in bescherming neemt tegen de technische kennis en het vakmanschap. Als collega
van den smid en den pottebakker (zie de overgangen: edelsmid en
sierkunstenaar!) begint de aestheet altijd met de afwerking
van het stuk; daarbij voelt hij zich thuis, daaraan is zijn
volle liefde gewijd. En geef hem eens ongelijk, den aestheet! De afwerking van
het stuk is een belangrijke zaak, de puberteit daarentegen, de leeftijd van de
vlassige baarden, die nog niet geschoren worden en de gistende ideeën, die nog
niet geordend worden, is een alleronaangenaamste leeftijd! Van | | | |
werkmansstandpunt bezien verdient de puberteit alle verachting, allen smaad,
alle corrigeerende leiding. Maar omgekeerd: van ‘puberteitsstandpunt’ bezien
verdient de subliem onderscheidende aestheet soms (en dikwijls) een trap, die
hem van zijn gezelligen Olympus naar beneden doet tuimelen, zoodat hij zich
verward en vernederd de oogen moet uitwrijven onder gewone stervelingen, die
hem omringen: een pijnlijke situatie, die levendig aan de puberteit herinnert!
Zijn door die vernederende tuimeling zijn olympische problemen plotseling
onwaar, foutief geworden? In geenen deele; de aesthetica van den aestheet is er
geen haar minder om, man hat ihm nur einen Fusstritt versetzt, men heeft hem
slechts in een positie gebracht, waarin de top van den Olympus juist iets
minder belangrijk is dan de blauwe plekken van het gekneusde zitvlak.
Het aesthetische werkmansstandpunt is goed, zoolang de vaklieden het
elkaar sub rosa, als vakgeheim, toefluisteren; zoodra zij er zich tegenover
leeken op gaan beroemen, als ware het een ondoordringbaar mysterie, een
olympische maçonnerie, kan men niet beter doen dan hen uitlachen, uitlachen met
alle zorgeloosheid, subs. onhebbelijkheid van den puber, die voor zulke
zwaarwichtige besognes van volwassen aestheten nog geen orgaan bezit. Het is
uiterst belangrijk, dat de geest waardige vaten vindt, technisch volmaakt,
deskundig gevormd; maar het is belangrijker, dat de geesten, die iets te zeggen
hebben, zich zoo zorgeloos in die vaten uitgieten, alsof er geen leger van
aestheten met problemen en formules stond te wachten, om die zorgeloosheid te
gaan analyseeren, te gaan uiteenleggen in een reeks van werkmanstrucjes!
Begaafde aestheten zeggen geen onwaarheden over de objecten, die zij
analyseeren; zij hebben fameuze definities, zij hebben ongelooflijke nuances,
zij hebben ‘het accent, waarmee men over poëzie schrijft’. De grove
gevoelsvervalsching der puberteit hebben zij lang en breed achter zich
gelaten.... maar mèt haar de zorgelooze minachting voor overgeleverde, bindende
recepten! Zij hebben de schoonheid gereserveerd voor de kunst; zij hebben haar
door hun | | | | waarheden oud en gedwee gemaakt, zij hebben haar door hun
fameuze onderscheidingen gedresseerd, om uitsluitend door den hoepel der
gewijde happy few te springen.
Is het dan wonder, dat de rebelsche schoonheid altijd,
juist als het circus gevuld is met gapende toeschouwers, naast den hoepel springt en de dressuur te schande maakt?
| |
4
‘De hemelsche Poëzy wil niet op den middeltrap, maer moet in top staen,
en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naer de wetten by
de Geleerden daer toe voorgeschreven, waer toe wij gewezen worden.’
Wie zulke waarheden schrijft over de schoonheid, kan moeilijk anders dan
met walging en schaamte aan de puberteit terugdenken, aan die periode, waarin
de poëzie verre van hemelsch klonk en aan geen enkele geleerde wet
gehoorzaamde. De drie en zestigjarige vakman Vondel, de aestheet par
excellence, de vlijtige werkman in den tuin der Muzen, die in zijn ‘
Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste’ onaantastbare
dichterlijke formules vond, gêneerde zich dan ook behoorlijk voor zijn ‘groene
en onrijpe vaerzen’; hij, die het type is van den ‘ennuyeusen’ poëet, den
onvermoeibaren oorbehager en zinnestreeler, was bang voor zijn iets minder
‘ennuyeuse’ jeugd, waarin hij zich wel eens iets minder hemelsche termen liet
ontvallen. Zijn oeuvre is de triomf van het vakmanschap; het bewijst, hoezeer
de schoonheid door de aestheten vereenzelvigd kan worden met de zinnelijke
arabeske, het barokke ornament, hoezeer de schoonheid armoede van ideeën en
slaafsche onderdanigheid aan het gezag welluidend kan ‘goedpraten’. Het geldt
niettemin onder aestheten als een ketterij, van den Prins onzer Dichters veel
kwaad te zeggen; heeft hij niet alles, wat hem aan conflict en rebellie
ontbrak, geniaal... goedgepraat?
Op den leeftijd, waarop Shakespeare zijn laatste werk
voltooide, schreef
Vondel zijn eerste groote drama, merkte
Albert Verwey in zijn studie over Vondel's vers op, zonder
er een conclusie uit te trekken, die voor de hand ligt; misschien was deze
conclusie voor Verwey zelf een te harde en | | | | onaesthetische
waarheid, omdat zij een verband legt tusschen puberteit en dichterschap, dat
voor het dichterschap van den verheven Parnassus minder aangenaam uitvalt.
Vondel had den stimulans der seniliteit noodig, om zijn Groote Werken te kunnen
schrijven; zooals Shakespeare de groote puber is, wiens Hamlet alle kenmerken
der gemiddelde ferme, bewuste mannelijkheid mist, zoo is Vondel de Groote
Senex, die, uitgeraasd in dienst van een volkomen willekeurige partij
(Oldenbarnevelt, de Remonstranten), zijn ouden dag besteedt aan het egale
bezingen van de ‘heerlijkheid’ eener andere willekeurige partij (de
Moederkerk). Ziehier de ideale stabiliteit van het ideale dichterschap! Ziehier
de overwinning der aesthetische schoonheid, na het vijftigste levensjaar! Zóó
lang kan het seniele dichterschap, profiteerend van een gezond lichaam en een
gezonden geest, op peil blijven!....
Vondel's poëzie moet schoon worden gedeclameerd, maar vooral
niet vertaald: dat is het criterium.
| |
5
De waarde van het schoonheidsideaal is afhankelijk van den leeftijd,
waarop men het als ideaal stelt. Dat een man als
Vondel tegen het einde van zijn leven niets beters te doen
wist dan Ovidius voortreffelijk te vertalen, bewijst nog niet, dat
Jacques Perk seniel was, toen hij zijn ‘Schoonheid, Uw wil
geschiede’ proclameerde. Alles kan de schoonheid beteekenen: ouderdom, die zich
met de ‘Metamorphosen’ amuseert, jeugd, die zich door de ontdekking der schoone
wereld bevrijdt. In het eerste geval beteekent zij zelfs technische
volmaaktheid, in het tweede technische onvolmaaktheid, in het eerste rustig
inslapen, in het tweede heftig ontwaken.
Deze twee tegengestelde beteekenissen van het woord ‘schoonheid’ wijzen
er op, dat de schoonheid twee tegengestelde functies in een menschenleven
vervullen kan. Het opgeven van aesthetische raadseltjes: wie heeft schooner
poëzie geschreven, Vondel of Baudelaire? heeft daarom geen zin. De schoonheid
der arabeske en de schoonheid van | | | | het vergif zijn twee begrippen,
die weinig meer dan den naam gemeen hebben. Het gaat alleen hierom: wat de
schoonheid voor iemand beteekent.
Voor de puberteit beteekent de schoonheid bevrijding, losmaking van al
datgene, wat men in de jeugd als ‘natuurlijk’ heeft moeten slikken: ‘Natuurlijk
is de natuur mooier dan al die onnatuurlijke dichters!’ Het is begrijpelijk,
het is aanmoedigend, als de puberteit, wanneer zij tegen de vele
natuurlijkheden der vorige generatie protesteert, de schoonheid, de
‘denatureering’ van de clichénatuur, als ideaal verkiest. Men moet wantrouwend
staan tegenover de jongelieden, die zich in hun eerste studentenjaar opgeven
als lid van de Vereeniging voor Wijsbegeerte; zij zijn doorgaans bestemd, om de
theologen der philosophie te worden, om zich al spoedig te ontpoppen (of
liever: in te spinnen) als Heymansianen, Hegelianen, Schopenhauerianen met
Nietzscheaanschen inslag, ‘aanhangers’ van de gedachte der entelechie etc. etc.
Dit soort vroege, door ‘wintervoordrachten’ opgekweekte wijzen stapt, zelfs bij
de keuze van boorden en dassen, resoluut over het schoonheidsideaal heen; zij
hebben zooveel haast, om in het reddende systeem terecht te komen, dat zij
vergeten te leven. (Er zijn gunstige uitzonderingen; dat zijn zij, die uit
eerbied voor zichzelf en de wijsheid lid worden, maar, verstrikt door de
banaliteiten des levens, vergeten op te komen). Deze arglistige methode om de
schoonheid met een wijs gezicht te passeeren, is een... methode, waarop de
jonge ‘wijze’ zich desgewenscht tegenover den onmethodischen jongen dichter kan
beroepen, beroemen; immers veel eerder dan de dichter ontkomt hij aan de
inconsequenties der puberteit, veel vroeger weet hij zich uit te rusten met een
stel volwassen termen, die het wereldraadsel weliswaar niet oplossen (dat
eischt een modern philosoof ook niet), maar toch heel aardig onder bepaalde
klankcombinaties verbloemen en onschadelijk maken. Zoo wandelt hij, die de
schoonheid zelfs in zijn jeugd niet wil kennen, zelfverzekerd de maatschappij
in, ‘le dos résolument tourné à l'Afrique Centrale de son âme’ om met Valery
Larbaud te spreken. | | | |
Echter: de bevrijding van het ‘natuurlijke’ is geen zaak van methode,
zij is een zaak van temperament. Het meeren-deel van het menschdom bevrijdt
zich in de puberteit dan ook alleen, om zoo snel mogelijk weer onvrij te kunnen
worden, zich te rangeeren, zich van een (min of meer) gewijzigd standpunt te
verzekeren, dat opnieuw maatstaf, onomstootelijke waardemeter kan zijn; het
meerendeel van het menschdom heeft weinig temperament, ook al kan het veel
liefdesavonturen aan. De puberteitsrebellie is gedoemd tot onhandigheid, omdat
het volwassen menschdom zoo buitengewoon handig voor den dag komt, den puber
met zijn ‘natuurlijke’ handigheid overbluft, grieft en imponeert tegelijk; hij
zou óók zoo handig willen zijn, maar ‘niet op die ouderwetsche manier’. In deze
atmosfeer wenkt niet de wijsheid, maar de schoonheid als bevrijding. De
wijsheid heeft het aspect van het ‘ennuyeuse’ genre, zij riekt naar de
volwassenheid, den schoolmeester en het ‘natuurlijke’
zoo-is-het-en-niet-anders; de schoonheid daarentegen is de mysterieuze belofte
van het ‘onnatuurlijke’, van het nog-niet-geproefde, van de toekomst, zij riekt
niet naar wijze volwassenen, maar zij geurt als het verbodene en exotische; zij
is de eenige, die in de puberteit werkelijk den geur der
waarheid aan zich heeft. Lang niet altijd en overal zal zij zich aankondigen
met den naam ‘schoonheid’; haar meest gewone naam is ‘verliefdheid’ en haar
meest gewone object het ‘andere geslacht’. De verliefdheid is een heftig, maar
schutterig protest tegen de ‘natuur’ der ouderen, in de eerste plaats tegen de
natuurlijke speelkameraad met rokken aan, die nu tot fee, tot ideaal, tot
Mathilde wordt geprotesteerd. De verliefdheid is de ‘natuurlijke’
schoonheidsgestalte der puberteit, die alles uiterst belangrijk en
begeerenswaardig acht, wat maar met de monotone ‘natuur’ der opvoeders in
strijd is. Zij is in haar conflict met de ouderen onhandig, brutaal, ruw, soms
ongelooflijk geslepen, iederen paedagogischen speurhond misleidend; de
verliefde jongeling is tot alle domheden en slimheden in staat.
Aldus opent de schoonheid ons een nieuwe wereld. In | | | | een
baaierd van de meest schrille en valsche contrasten, van de grofste accenten en
de dolste situaties gaat ons een licht op. De natuur verliest haar
natuurlijkheid, weliswaar om terstond in een andere holderdebolder-natuur,
een soort groteske afspiegeling van de juist verloren natuur, te worden
omgezet, maar met één winstpunt: het verlies. Wie eenmaal verloren heeft, en
wie bovendien het talent heeft, om te kunnen verliezen, die zal nooit meer
geheel aan de bekoring van het verlies ontkomen, die zal nooit meer geheel
opgaan in de tallooze maatschappelijke natuurlijkheden, die hem tusschen zijn
achttiende en tachtigste jaar worden geboden. Het verlies van de natuurlijke
natuur in de puberteit kàn een onvergetelijke handleiding voor het leven
worden; de gemiddelde mensch wenscht echter niet te verliezen, hij wenscht de
stormen der puberteit ijlings te vergeten en groote winst te behalen aan
contanten, aan ideeën, aan gevoelsschakeeringen zelfs, o aestheten. Daarom is
de puberteit zoo veracht, zoo gehaat, zulk een Sorgenkind der paedagogen;
daarom is zij het symbool van het onschoone, want van het onwinstgevende
geworden.
Maar geen hang naar winstmakerij kan deze waarheid verduisteren: toen
wij in de puberteitsjaren een nieuwe wereld ontdekten, verloren wij de natuur,
die ons was opgedrongen, en wonnen wij een natuur, die van belachelijkheden aan
elkaar hing. Die laatste, gewonnen natuur hebben wij sedert lang weer
afgeworpen, zonder consideratie; en alleen het verlies is voor ons van waarde
gebleven, omdat het ons voor de eerste maal leerde, dat de natuur, het
vanzelfsprekende, het normale, het gemiddelde, het gewone, niet als winst kan
worden bezeten, verloren worden moet.
De schoonheid opent ons een nieuwe wereld: de wereld van het
verlies.
| |
6
Verliezen is geen genoegen, ook al heeft het verlies dan een
onmiskenbare bekoring (de bekoring van het niet-meer in-het-bezit-zijn van één
of meer waarheden of onwaarheden als koeien). | | | |
Het verlies van de natuurlijkheid der natuur is evenmin een genoegen als
welk verlies ook; ieder verlies brengt rancune met zich jegens hen, die rustig
(onrechtvaardig!) bleven bezitten; het verlies van de natuurlijkheid der natuur
brengt rancune, vaak verbitterde vijandschap, met zich jegens hen, die rustig
en natuurlijk in het bezit bleven van hun natuurlijke, stevig volwassen
wereldbeeld, die even medelijdend, welwillend of misschien wel met eenigen
afkeer neerblikten op dien strubbelenden puber aan den voet van den alp hunner
gearriveerdheid. Die vijandschap uit zich niet alleen door protest tegen, maar
ook door haat jegens en walging vàn de natuur der anderen, der ouderen, der
‘wijzeren’. Hij, die de nieuwe wereld der schoonheid ontdekt, ontdekt haar aan
de afschuwelijke leelijkheid der oude wereld; hij stelt er zich niet mee
tevreden het cliché der oude natuurlijkheid aan te wijzen,
neen, hij vecht voor zijn nieuwe natuurlijke opvattingen, hij
vecht om door te zetten wat nog niet erkend wordt, om te poten, wat als smerig
onkruid beschouwd wordt. Dit vechten behoeft volstrekt niet dramatisch te zijn;
het geschiedt bij den éénen puber onderaardsch, bijna lijdelijk, bij den ander
baldadig, opgezet als een bewust offensief; maar het verlies wordt nooit
zachtmoedig verdragen, wijsgeerig geconstateerd, begrijpend geduld. Daarvoor is
het dan ook verlies; aan het stadium van de objectieve
onpartijdigheid en olympische alzijdigheid zijn wij nog niet toe. Men verliest
de natuur met verlegenheid en met verbittering; men ziet in de oude wereld een
bedrog, of minstens een zoet lijntje.
Gelukkig voor de maatschappij, gelukkig vooral ook voor het
engelengeduld harer paedagogen, dat de periode der openlijke vijandschap
doorgaans van korten duur is! Het smartelijk verlies maakt al spoedig plaats
voor aanzienlijke winsten; en de winsten blijken langzamerhand zoo weinig te
verschillen van de twintig, dertig jaar geleden behaalde winsten der ouderen,
dat men den vrede binnen afzienbaren tijd kan teekenen. De zoon wordt opgenomen
in het handelshuis des vaders, waarin vele woningen zijn; de ernst des levens
wordt onder oogen gezien; de jonge Frits | | | | ziet in, dat Fransche
litteratuur en fluitspel schoone dingen zijn, maar dat het toch aanbeveling
verdient, te trouwen met de prinses, die de oude Frits op het verlanglijstje
heeft staan; en zoo komt alles terecht, men kan immers nog een hupsche
Anti-macchiavell schrijven als tijdpasseering.
Met de omzetting van het puberteitsverlies in de volwassenheidswinst
heeft de schoonheid afgedaan, afgedaan althans in den volstrekten zin. De
volwassen man erkent de schoonheid als een verschijnsel, dat in de maatschappij
meedoet, dat op zijn tijd een offer, misschien wel een maecenatische hekatombe
vraagt; de volwassen man ondergaat de schoonheid ook, hij apprecieert de
schoonheid hier meer, daar minder, hij heeft smaak (of geen smaak, maar deze
evidentie kunnen wij gevoeglijk buiten beschouwing laten) en hij kan zelfs
deskundige, kunstkenner, -kooper, hoogleer-aar in de litteratuurgeschiedenis
zijn. Kortom, de schoonheidscultus neemt een vrij aanzienlijk deel van het
maatschappelijk leven in beslag. De schoonheid geeft het aanzijn aan Arti et
Amicitiae, aan Pulchri Studio, aan St. Lucas, aan gemengde koren en
dubbele-mannenkwartetten, aan het Concertgebouw, aan de Maatschappij voor
Letterkunde, de P.E.N. Club en de leesgezelschappen, zij zweeft over de
collectie Six, de Filmliga en het jaarboek ‘Balans’; zij is een vorm van
nuttige werkverschaffing voor dirigenten, museumsuppoosten, Nutslezers,
bloemlezers, pianovirtuozen en teekenleeraren. Hier laat de schoonheid zich van
een aangenamer, men zou bijna zeggen: aesthetischer kant bekijken; zij is in
het winststadium der volwassenheid zoo kwaad nog niet, want zij voorziet in een
onmiskenbare behoefte van den volwassen mensch, zij vervult een functie, zij is
de geregelde zinnestreeling, die zulk een volwassen mensch (mèt smaak, c'est
sous-entendu) evenzeer behoeft als de streeling van zijn gehemelte. De
schoonheid is tot de natuur teruggekeerd, zij heeft de kunst bij de natuur
opnieuw ingelijfd, zij het dan ook met de behoorlijke onderscheiding, ‘dat
kunst iets anders is dan natuur’. Alles, wat men genieten kan, is winst voor
het oog, voor het oor, voor de ziel; niet langer is de schoonheid ver- | | | | liefdheid en protest; zij is genegenheid en sympathie. Dèze schoonheids
.... waardeering staat even genegen en sympathiek tegenover van Gogh als
tegenover Mahler, na verloop van een zekeren tijd om te wennen. Zij is
gegarandeerd onschadelijk, zij zal niets op het spel zetten, zij heeft een
diepen eerbied voor autoriteiten. Zij verschilt niet zoo buitengewoon veel van
het welbehagen, waarmee men den geur eener volmaakte schildpadsoep opsnuift; de
pose is anders: welingelichter, intellectueeler, oneerlijker, want vervalscht
door de bijgedachte der verhevenheid-boven-de-soepsnuivers.
Wie de schoonheid ‘waardeert’, zooals ‘men’ dat pleegt te doen, heeft
met de schoonheid afgedaan; immers zij schaadt hem niet meer, zij drijft hem
niet meer tot protest, zij verandert en zij bevrijdt hem niet meer. Wil men
daartegen inbrengen, dat men toch waarlijk héél veel aan de schoonheid hebben
kan, zònder die groote woorden ‘verandering’ en ‘bevrijding’, dan zal ik er
niet aan denken, dat te ontkennen; want, nogmaals, het gaat er om, wat de
schoonheid voor iemand beteekent. Het gaat dus eigenlijk niet om de schoonheid,
maar om de verlossing der schoonheid uit de handen der aestheten; het gaat
tusschen de schoonheid als soepsnuiverij en als bevrijding. Wie de eerste
beoefent, als een verfijnde lekkerbek, en met een verfijnde kennis van het
verfijnde menu, doet niets kwaads; maar met de laatste schoonheid heeft hij
afgedaan. Hij herinnert zich zelfs niet meer, welke gedaante zij had, toen hij
nog een vlegel was.
De vijandschap, waarmee men eens de oude natuur verloor, verwierp en
bestreed, de verbittering, waarmee men eens voor de nieuwe, de nog te winnen
natuur vocht: zij ebben geleidelijk aan uit in de ongevaarlijke sympathie en
genegenheid voor den gewonnen welstand. De ‘gevaarlijke vrouw’, die uw carrière
in de war dreigde te sturen door haar demonische qualiteiten, is uw eerzame
huismusch geworden, die er nog lief kan uitzien, wanneer zij u 's avonds
vergezelt, naar den schouwburg of het Concertgebouw....
(Wordt vervolgd)
Menno ter Braak
|
|
|