[p. 627]

De onderbroken Wandeling

 
Nu zou ik je gaan haten, blond stuk steen.
 
Ik was verliefd, of meer, en naar het scheen
 
Kon jij de bedetocht met mij verrichten
 
Naar 't boersche landschap met de stroomgezichten,
 
Waar ik een jeugd vond, vroeger steeds alleen.
 
 
 
Het witte brugje schemert míj alleen,
 
Niet voor jouw domme smalen, blond stuk steen;
 
Of dacht jij te bepalen, dat ik graten
 
Afkloof en mij met dooden in ging laten,
 
Jij, die het leven hooghield, naar het scheen?
 
 
 
Toen toonde je berouw, want naar het scheen
 
Was ik in 't bosch verpletterend. - Alleen
 
Durf je over 't brugje terug te loopen,
 
Maar met mij nimmer meer, ook waar ik open
 
Stond voor verzoening met een blond stuk steen.
 
 
 
Want - 'k zou je kunnen haten, blond stuk steen,
 
Tot in dit zelfde water, naar het scheen
 
Ondiep, maar zeer geschikt een val te aanvaarden,
 
Dien volgens oud gebruik een steen bezwaarde.
 
En daarom ging 'k terug, - geheel alleen.

S. Vestdijk