|
|
|
| |
| | | |
Over de Dichteres Emily Dickinson (Slot)
| |
V
Wat zeggen ons deze en andere gedichten over Emily Dickinson's
gedachtenwereld? In de eerste plaats dit: dat zij wel op zeer origineele wijze
de hoofdgedachten van puritanisme en Emerson's ‘transcendentalisme’ verwerkt
moet hebben. Ongetwijfeld heeft zij haar overtuigingen in groote trekken aan
het haar voorafgaande ontleend. Dat zij niettemin haar zelfstandigheid
ongeschonden bewaarde, blijkt op overtuigende wijze minstens uit haar wrange
kritiek op religieuze waarden, ook die waarin ze zelf gelooft: en dit laatste
is pas een criterium. In een harer gedichten vraagt zij om het eeuwige leven.
Ofschoon het haar niet ondubbelzinnig geweigerd wordt, glimlacht Jehovah toch
bedenkelijk, de cherubijnen trekken zich terug, ernstige heiligen sluipen uit
den hemel om naar haar te komen kijken: er schijnt weinig hoop voor haar te
zijn. Dan ‘werpt zij haar gebed weg!’ Nog blijft de situatie onzeker, maar
plotseling ziet zij een der hemelbewoners knipoogen, in verwondering dat iemand
zoo dom kon zijn aan het ‘al wat ge vraagt zal u gegeven worden’ te gelooven.
Sinds dien wantrouwt zij den hemel, ‘zooals kinderen, die voor de eerste keer
voor den mal gehouden zijn.’
Afgezien van den kostelijken psychologischen ondergrond - die
glimlachende vaderfiguur, die uit vriendelijkheid niet ontmoedigen wil! - ligt
in deze vreemde allegorie reeds de kiem van een opstandigheid tegen de hoogere
machten, die vooral in een van haar mooiste liefdes-gedichten nog duidelijker
te voorschijn zal treden. Ook op andere plaatsen geeft zij blijk van een
scepticisme, soms half uitgesproken en onbeslist, waaruit men opmaken kan, dat
zij het dogma niet kritiekloos aanvaard heeft. Men zou kunnen zeggen, dat zij
wel is waar ‘gelooft’, maar tegen- | | | | over dit geloof haar eigen
vrijheid blijft stellen, haar eigen bewegelijkheid in toetsen, aanvaarden en
verwerpen.
Daarnaast vindt men hier en daar gedichten, die door een groote
zekerheid, zoo niet omtrent de goedertierenheid van God, dan toch omtrent het
bestaan van een hemel of een voortbestaan na den dood gedragen zijn. Van den
hemel als realiteit is zij zeker, ‘alsof de kaart ervan gegeven was’. Maar deze
stelligheid contrasteert dan weer scherp met die andere passages: waarin zij
den hemel als dokter en bankier afwijst, - waarin zij God zijn zuinigheid in
het toestaan van roem en geluk verwijt, met het schrijnende: ‘God keeps his
oath to sparrows who of little love know how to starve’, - waarin op
drastischen toon het gebed wordt bekritiseerd als een apparaatje, door middel
waarvan men zijn woorden in God's oor smijt, - waarin zij uitdrukkelijk aan de
onsterfelijkheid twijfelt (met het prachtige slot: ‘Parting is all we know of
heaven, and all we need of hell’), - waarin zij zelfs tegenover de mogelijkheid
van een vergoeding na den dood dof-onverschillig blijft, in een rauw en
verbeten uitgestooten refrein:
Somehow, it will be even,
Voeg daarbij dan nog die parodie op den inhoud van den Bijbel, spits
en ironisch, vol merkwaardige invallen. - | | | |
Doch, wanneer we de spheer van het concrete geloofs-stuk, - dat juist
door zijn concreetheid tegenspraak uitlokt - verlaten: welk een verlangen naar
het levensmysterie, welke religieuze (niet te verwarren met ‘godsdienstige’!)
gespannenheid bij het steeds weer uitbeelden van dit onuitbeeldbare heimwee
naar het bovenzinnelijke, het goddelijke of het demonische. Met een kuische
ingetogenheid evenwel, die we in die mate misschien alleen bij Rilke vinden,
tracht zij dit mysterie nooit te benaderen en in volstrekt bezit te nemen:
nooit objectiveert zij voorbarig, zij vormt zich geen speculatieve leer, geen
tastbare theosophie. Zooals haar liefde richt zij ook haar metaphysisch
verlangen op het oneindig-verre, en waar het onbereikbare haar nog niet
onbereikbaar genoeg toeschijnt, schuift zij het zelf terug. Het spel dezer
tegenkrachten: verlangen en terughouding, wordt vooral zichtbaar in dat
gedicht, waarin zij beschrijft hoe zij nog juist, half tegen haar wil, van
verdrinking gered is (‘Just lost, when I was saved!’). En zij neemt zich voor,
een volgenden keer beter stand te houden om de afschuwelijke geheimen van den
dood te leeren kennen, waartoe zij reeds bereid was.
Een hedendaagsche waardeering van dergelijke gedichten wordt wellicht
toch nog eenigszins gestoord door de zoo op den voorgrond tredende preoccupatie
met de ‘laatste dingen’, overigens uit den tijdgeest te verklaren. Pas geheel
eigen, en genietbaar ook voor een ‘moderne’ mentaliteit, wordt zij in een
andere reeks gedichten, niet minder wijsgeerig, maar veel minder metaphysisch,
en in het geheel niet ‘eschatologisch’. Het verschil zou men kunnen aangeven
door de bekende termen ‘Jenseits’ en ‘Diesseits’. Dáar ‘Jenseits’ -, hiér
‘Diesseits’-philosophie, die de levensgeheimen in het leven zelf opzoekt.
Daarbij valt niets te bespeuren van die eigenaardige reactie op een te
lang en krampachtig voortgezet verblijf in hooger spheren, zoo vaak voorkomend
bij theologen. De doorsnee-theoloog, eenmaal op aarde teruggekeerd, wordt het
tegendeel van verheven, zijn lagere natuur wreekt zich op die onnatuurlijke
spanning en gaat zich, moraliseerend | | | | bezig houden met de
feitelijke ‘gevallen’ van het alledaagsche zondige leven, waarin hij niet
anders meer zien kan dan de zwarte tegenhanger der zooeven verlaten
goddelijkheid. Die overgang is voor hem een val, een reactie, voor Emily
Dickinson een natuurlijke opeenvolging van twee gelijkwaardige gebieden.
Ongetwijfeld heeft ook zij ‘moraliseerende’ verzen geschreven, die een zekere
stoïcijnsche levensleer bevatten (ik zei het reeds: zij schuwt geen enkel
genre), maar onaangenaam, zelfs voor ons bewustzijn, wordt zij daarin nog
minder dan in de gedichten met metaphysische strekking.
In haar ‘diesseitige’ (immanente, aardsche) bespiegelende poëzie
blijft zij ethisch en religieus geheel indifferent, indifferent niet in den zin
van onverschillig, maar van onaangetast. Er klinkt slechts het sterk en
onvergetelijk accent eener primitieve verwondering tegenover de fundamenteele
levensverschijnselen, een verwondering zonder partijkiezen. Maar de daardoor
opgewekte vragen worden niet als op te lossen problemen
gesteld: zij zijn gesubjectiveerd tot iets dat er achter ligt, tot een accent,
een levenshouding, tot een richting van denken eerder dan tot denken zelf. En
vooral zijn het deze twee thema's, in diepsten grond trouwens onderling
samenhangend: de verandering in den tijd - en de antithese. Langs velerlei wegen wordt bij den lezer de vraag
gesuggereerd: hoe is het mogelijk, dat iets verandert, of: hoe is het mogelijk,
dat iets blijft bestaan; en die andere: hoe is het mogelijk, dat iets in zijn
volslagen tegendeel verandert, vanwaar die voortdurende koppeling van
contrasten, van tegenpolen in elke levensuiting? Deze beide vormen den
grondtoon van haar werk, alle concrete varianten zijn, geabstraheerd, tot deze
vragen terug te brengen.
Enkele voorbeelden: zij eischt ontzag voor een hoop asch, alleen ter
wille van het vergankelijke, vurige schepsel, dat daarin éen oogenblik woonde,
- 's morgens, bij het aankleeden, verbaast zij zich over de verschrikkingen van
dien ouden middernacht, reeds zoolang geleden vervlogen, - zij geeft uiting aan
haar bewondering voor dengene, die | | | | de ondergaande zon met zijn
talmende kleuren terug zou kunnen brengen. Haar interessantste gedichten, welke
op den tijd betrekking hebben, zijn wel die waarin niet de vergankelijkheid,
maar de stilstand van den tijd tot onderwerp wordt: als de
mogelijkheid van een schijnbaar onafzienbare duur, te ervaren door het individu
zelf, dus niet alleen maar als eeuwigheidsbesef, of gedacht als
eeuwigheidsbegrip:
Pain has an element of blank;
When it began, or if it were
It has no future but itself,
Its infinite realms contain
Its past, enlightened to perceive
De oneindigheid van een pijn, zijn licht uitwerpend uitsluitend om
steeds nieuwe perioden van pijn te ontdekken, mag men gerust een vondst noemen,
die bepaalde ideeën van een Nietzsche nog toespitsen kan. Zou b.v. het bouwen
van een ‘hemel’ uit een daaraan ten grondslag liggende ‘hel’, waarover hij in
Zur Genealogie der Moral spreekt, niet in wezen identiek zijn
met de wenschprojectie van een ‘eeuwige’ zaligheid van uit de subjectieve
eindeloosheid der smart? Merkwaardig is het, dat Emily Dickinson, hier noch op
andere plaatsen ‘smart’ schrijft in plaats van ‘pijn’, hetgeen toch veel mooier
en verhevener zou klinken! Maar zij houdt zich aan de elementair-biologische
feiten, die overigens ieder kan verifiëeren, die wel eens een slapelooze nacht
door pijn heeft doorgemaakt met die zonderlinge onmogelijkheid zich voor te
stellen, dat de kwelling ooit zou kunnen eindigen.
Wat de ‘antithese’ betreft: met een haast obsedeerende
onuitputtelijkheid worden motieven verwerkt, die formeel tot dit begrip
teruggebracht kunnen worden. Hierbij valt | | | | op, dat Emily Dickinson
er zich niet mee vergenoegt, de polaire verhouding alleen maar als statisch
verschijnsel te aanvaarden. De tegenstellingen worden dynamisch, verkrijgen een
eigen leven, er ontstaan wederzijdsche relaties, zij zoeken elkaar, steeds weer
opnieuw, zonder ooit in een ‘derde’, een eenheid of synthese, tot rust te
komen, of overwonnen te worden, zooals dat heet. Uit de vele mogelijke
voorbeelden kies ik twee gedichten, waarin zij al weer van de ‘pijn’ en het
lijden uitgaat, nu onder het gezichtspunt van de vormende, stabiliseerende
waarde daarvan. In het eerste glijdt zij op eigenaardige wijze af naar
‘aesthetische’ overwegingen; we zien haast de kiem van een kunst-psychologische
theorie onder onze oogen ontstaan:
Delight becomes pictorial
When viewed through pain, -
More fair because impossible
In deze aanduiding van wat ‘gewone’ vreugde of geluk onderscheidt van
kunstgenot vindt men zoo iets als het bekende ‘interesselose Wohlgefallen’
terug, maar in veel scherper vorm. Doordat hier de pijn als tegenhanger en
vooral tegenwicht van de vreugde ingevoerd wordt, verkrijgt men namelijk een
psychologisch motief van positieven aard, dat in de neutrale en eenigszins
moraliseerende ‘onbaatzuchtigheid’ der kantiaansche philosophie vrijwel
ontbreekt.
Van het tweede schrijf ik het slot over:
Stranded, through discipline,
And they'll wilt, like men.
| | | |
De overbrugging der tegenstellingen, hoe ephemeer, cryptisch, en
weinig ‘synthetisch’ ook, beproeft Emily Dickinson vooral, als zij individu en
wereld tegenover elkaar plaatst en daartusschen verband legt, een verband, soms
slechts van vaag-pantheïstischen aard, maar altijd op plastische wijze
weergegeven, vaak symbolisch binnen het kader van haar natuurpoëzie. Slechts
éens, in een harer sterkste en diepzinnigste verzen, wordt explicite de
synthese der tegenstelling behandeld, nu tusschen rust en beweging. Dat deze
synthese dan toch weer tot ‘raadsel’ wordt, sluit zich geheel aan bij de
bovengenoemde terughouding.
Terloops wijs ik nog op de compositie van dit gedicht; de driedeeling
is een van haar geliefkoosde schema's, doch hier draagt deze bovendien de
geheele inwendige structuur: in het aantal regels van elke strophe, het aantal
voeten van elke regel, het aantal voorbeelden van ‘these’ en ‘antithese’. Een
dergelijke ‘Einschachtelung’ verzekert een gedicht zijn vastgesloten organische
eenheid. Maar ook in andere opzichten reken ik dit tot de overtuigendste
specimina van haar kunst: deze drie maal, in als lapidairschrift los van elkaar
staande volzinnen, herhaalde incantatie:
Some things that fly there be, -
Birds, hours, the bumble bee:
Some things that stay there be, -
There are, that resting rise.
How still the riddle lies!
| |
VI
In verscheidene van Emily Dickinson's gedichtjes ontmoeten we, zooal
niet opzettelijke zielkundige beschou- | | | | wingen, dan toch alle
blijken van een grooten aanleg, een fijne intuïtie in deze richting. Binnen het
genre, dat we ‘psychologisch’ zouden kunnen noemen, overwegen sterk de
introspectieve verzen, begrijpelijk trouwens bij haar eenzelvigheid en
geslotenheid van karakter. Zij behoort als zoodanig geheel tot het type, dat
b.v. Nietzsche vertegenwoordigt: dat van den ‘menschenkenner’, die zijn
inzichten in de menschelijke natuur hoofdzakelijk verkrijgt langs den omweg
(voor hem zelf is het natuurlijk de kortste weg!) van zelfbespiegeling en
zelfontleding.
Het is in dit verband merkwaardig, dat een probleem, door Nietzsche (en,
in navolging van hem, in onzen tijd door Ludwig Klages) voortdurend onder de
oogen gezien, door Emily Dickinson eveneens wordt aangeroerd. Het is het
probleem van de echtheid. Men zou het zoo kunnen formuleeren:
in hoeverre is de mensch in staat, voor zichzelf en daardoor ook voor anderen,
gevoelens te huichelen die hij niet ondergaat, handelingen te spelen, die niet
de uitdrukking van zijn geaardheid zijn, een levenshouding aan te nemen die
niet zijn eigen bezit is? Het wordt het probleem van den acteur, die, van de
planken af, zijn acteurschap niet meer kwijt kan raken. Wassermann geeft van
dit type in Laudin und die Seinen een goed, hoewel
constructief portret in de vampierachtige tooneelspeelster Luise Dercum. De
‘three Graces’ van Huxley, dit charmante vacuum, kan men als een onschuldiger
variant beschouwen. Overigens is de eigenschap der onechtheid lang niet
uitsluitend het privilege der vrouw. Volgens Klages zou zelfs de ‘Verlogenheit’
meer bij den man voorkomen! Hoe dit zij, hier althans ontmoeten we een vrouw,
die het vraagstuk op een wijze aanpakt, waarvoor zelfs Nietzsche alle sympathie
zou moeten gevoelen.
Emily Dickinson heeft natuurlijk bij het tot stand komen van het hierop
betrekking hebbende gedicht niet ‘geredeneerd’, wij kunnen echter haar impuls
tot het schrijven er van in het kort als volgt paraphraseeren: wat is de
eenvoudigste levenssituatie, waarin ieder mensch, hoe sterk
zijn neiging tot simuleeren ook zij, zich van zijn mislei- | | | | dend
kleed ontdoet, en naakt en waarachtig wordt? En zij vindt deze uiterste limiet
in een levensfunctie, die niemand ooit ontloopen zal; zij bezweert in een
8-regelig versje den naderenden dood, zoekt, als gedreven door koele
necrophilie, het oogenblik van het sterven (niet den toestand van het dood
zijn, geen hiernamaals!) om de hoogste levenswaarde te kunnen grijpen:
Because I know it's true.
De zelfkritiek, die aan dit gedichtje ten grondslag ligt, wordt elders
tot een gevaarlijke zelfverscheurdheid. Al de gevaren der introversie schijnen
in deze regels gecondenseerd:
Or the most agonizing spy
De verzen, die men in engeren zin ‘psychologische’ zou kunnen noemen,
omdat ze tot stand kwamen na observatie in het werkelijke leven, en de
psychologie van anderen of psychologische onderwerpen van algemeener strekking
benaderen, vallen zonder uitzondering op door een pessimistischen toon. Emily
Dickinson is geen ‘idealistische’ menschenvriendin geweest. Trouwens haar
geheele wereldbeeld is ‘depressief’ gekleurd. Als zij naar buiten zag, merkte
zij vooral de donkere zijde van het menschelijk karakter op. Daarbij versmaadt
zij echter de kleine of groote ‘zondigheden’; men behoeft bij haar geen
moraliseerende encyclopedie van karakterfouten te verwachten. Gemeen hebben
deze gedichten een zekere helderziendheid voor de algemeene, nog niet in
gebreken gespecificeerde jammerlijkheid van den mensch-als-soort. Zij ziet ons
niet in onze slechtheid, maar in onze kleinheid. Zoo geeft zij het portret van
een of anderen ‘zakenman’, met een gezicht, | | | | zóo hard en succesvol
(let op die quasie-vanzelfsprekende combinatie!), dat alleen een steen zich in
zijn gezelschap volkomen op zijn gemak zou voelen, en zij eindigt met het
veelzeggende: ‘Die eerste keer te zamen weggesmeten...’ Elders heeft zij het
menschelijk leven in vogelvlucht opgeteekend: het hart vraagt eerst om genot,
dan om een voorwendsel om niet behoeven te lijden, dan om kleine pijnstillende
middelen, dan om slaap, en eindelijk om den dood; hoe bijtend, en hoe juist
gezien, deze evolutie tot al kleinzieliger transigeeren! Daarbij merkt men
nauwelijks, dat zij zich over dergelijke onvolmaaktheden der menschelijke
natuur erg verontwaardigd heeft gevoeld; hoogstens wordt zij ironisch, zooals
daar waar het publiek in een circus voor haar méer ‘menagerie’ blijkt te zijn
dan de voorstelling zelf.
In aansluiting aan dit genre citeer ik een vers, dat reeds een overgang
vormt naar haar liefdespoëzie. Misschien moet het met Emily Dickinson's
persoonlijkste levenservaring in verband gebracht worden, met die
liefdesteleurstelling in haar jeugd, een wond, welke zij haar geheele eenzame
leven met zich meedroeg. Maar ook afgezien van deze anecdotische beteekenis
lijkt het mij belangrijk genoeg om hier in te lasschen:
Not with a club the heart is broken,
A whip, so small you could not see it,
To lash the magic creature
Yet that whip's name too noble
| | | |
Het eerste gedeelte schijnt in toon geheel gelijkwaardig aan de drie zoo
juist genoemde verzen: koele ontgoocheling, achteloos-verachtelijke ironie.
Maar dan: ‘yet it is too noble than to tell that whip's name’. Wat is dit
kleine, venijnige voorwerp, dat het hart geeselt, en waarover het hart toch
niet spreken wil? Die smartelijke teleurstelling? Maar het kan zooveel meer
beteekenen. En de laatste strophe maakt het alleen nog maar tot elke harde en
onvermijdelijke levenservaring, ons door het noodlot als een steen
onverschillig toegeworpen, waarbij echter de vogel (misschien waardoor de vogel, want deze vogel, is dat niet de dichter zelf,
die alle smartelijke ervaringen tot kunst weet om te vormen?) tot het laatst
toe zingen blijft.
Men ziet: Emily Dickinson slaat hier verzoenender tonen aan, maar toch
nog zeer geclausuleerd en ingehouden. De kloof, die haar van wereld en
medemenschen scheidt, wordt overbrugd, maar slechts door het luchtig bouwsel
der kunst. Pas in haar liefdesgedichten slaagt de overbrugging volledig, sluit
zich, zij het ook voorbijgaand, die breede en diepe kloof, breed door een
eenzelvigen aanleg en vereenzelvigende levenservaringen, diep door de aan haar
wezen eigen antithetiek. In haar natuurlyriek heeft zij haar geïsoleerdheid
overwonnen door haar origineele en toch zoo objectieve zintuigelijk-beeldende
phantasie, in haar religieuze poëzie hielp een zekere mate van schuw
godsvertrouwen, in haar philosophie een mystischpantheïstisch eenheidsbesef of
een heroïsch stoïcisme. In haar liefdespoëzie evenwel komt zij van zichzelve
los en betreedt de werkelijkheid buiten haar.
| |
VII
Naar aanleiding van deze liefdespoëzie moet ik nog eens, half tegen mijn
wil, terugkomen op de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat zij nooit
van de z.g. werkelijke liefde iets ervaren heeft. Er schijnt mij namelijk in de
literatuur over haar een soort misverstand binnengeslopen te zijn, reeds tot
uiting komend in haar bijnaam: ‘de | | | | non van Amherst’. Een non nu
wordt krachtens de traditie alleen liefde tot God en daarnaast een zekere
‘ziekelijke’ voorkeur voor de Christusfiguur toegestaan. Maar Régis Michaud,
die zoo aardig over alle ‘major’ en zelfs ‘minor poets’ der U.S.A. schrijft,
gaat nog veel verder! Voor hem wordt de non zooiets als een zure oude
jongejuffrouw, haar menschenschuwheid rancune, en de voornaamste beweegreden
tot het schrijven van haar gedichten dépit. Hoort dezen menschenkenner:
‘...courtes et incisives boutades qui trompèrent pendant 20 ans la solitude
d'une âme déçue...; ils (haar verzen) n'eurent d'autre raison d'être que
d'aider une recluse à se remémorer sa querelle avec le destin’. Pas op andere
plaatsen blijkt met welke instelling we hier te doen hebben. Poe zelfs ontkomt
n.l. ternauwernood aan de beschouwingen over de ‘libido freudienne’ van dezen
heer, die niet voor niets bij de ‘Seelenauflöser’, zooals Klages een zeker
soort psychanalytici noemt, in de leer is geweest. Voor wat achter Emily
Dickinson's verzen aan persoonlijke waarden leeft blijft dan natuurlijk geen
ander orgaan over dan die bekende mentaliteit, welke graag aanvaardt (ik neem
maar het eerste het beste voorbeeld), dat een vrouw haar kind zoogt, ‘omdat’
daardoor wellustgevoelens aan de tepel opgewekt worden. Of dat iemand als Emily
Dickinson alleen gedichten schrijft als Ersatz voor een blauwtje. - Het
ergerlijkst is, dat men een dergelijke meening niet eens met goed gevolg
bestrijden kan. Zonder twijfel zou zij nauwelijks deze gedichten (en misschien
zelfs heelemaal geen gedichten) geschreven hebben, als zij ‘gelukkig getrouwd’
was geweest. Het is dan ook alleen de toon die hier hindert. De alchimistische
omzetting van onbevredigd of misvormd verlangen tot kunst is een veel te fijn
en gecompliceerd proces om door een zeer zeker belangrijke, maar noodzakelijk
grove, want slechts voorloopig oriënteerende leer als de psychanalyse, die
bovendien nu reeds elke 2e-rangsgeest ook buiten Duitschland heeft leeren
hanteeren, terloops belicht te kunnen worden. De onbevredigde sexueele aandrift
is een motor, een noodzakelijke aanleiding, een | | | | conditio sine qua
non onder vele andere en even belangrijke conditiones, maar niet een Oorzaak of
Motief, waarmee men de beteekenis eener kunstenaarsfiguur uitputten kan. Op
deze wijze haalt men, zonder het te willen, een dergelijke figuur omlaag, en
brengt de werkelijke psychanalyse in discrediet.
Maar ik ga verder: dat bij Emily Dickinson ook maar eenigszins sprake is
van een vertroebelende rancune, kan ieder voor zichzelf ontkennen, die haar
liefdesgedichten leest. Zooals vanzelf spreekt, ingeperkt door het puritanisme,
vertoonen enkelen daarvan toch een dusdanig enthousiasme, een dusdanige
aardsch-hartstochtelijke bewogenheid, dat zij in een verzameling van de beste
liefdesgedichten der wereldliteratuur nauwelijks zouden misstaan. En ze zijn na
haar 30e jaar geschreven, dus na die teleurstelling! ‘Verdrongen’, verloochend
of verstopt heeft zij blijkbaar niets. Maar ‘gesublimeerd’ alles, zóo
gesublimeerd, dat zij de oorspronkelijke ‘libido’ nog onverminderd en
ongewijzigd in zich draagt: een paradoxaal feit (waar iets afgaat en niets
bijkomt, dat vermindert immers?), waarvan de gemiddelde over kunst en wat niet
meer schrijvende ‘Seelenauflöser’ door zijn overgenomen positivistische en
quasi quantitatief-natuurwetenschappelijke kijk uit den aard der zaak geen
notie kan hebben.
Dat Emily Dickinson ‘temperament’ bezat, hoe ook beheerscht en aan haar
poëtische intentie ondergeschikt gemaakt, bleek misschien reeds eenigszins uit
het bovenstaande. Maar lees nu eens het volgende gedichtje:
I'm wife; I've finished that,
How odd the girls life looks
Behind this soft eclipse!
I think that earth seems so
| | | |
That other kind was pain;
Naast deze apotheose der schoksgewijs gerijpte vrouwelijkheid, met het
eruptieve, haast ‘röhrende’: ‘I'm Czar!’ (welk een inval!) en het
lichtvaardige, het geheele vers in den wind wegwerpende slot, zouden nog enkele
andere van gelijken aard te noemen zijn. Doch dan wordt onze aandacht toch weer
door een geheel anderen toon geboeid, de dichteres valt terug in haar
vereenzaming, we ontmoeten haar in stemmingen van vergeefsheid en wanhoop,
vrijwillige ontzegging en berusting. Bijvoorbeeld in dit gedicht:
Heart, we will forget him!
You may forget the warmth he gave,
When you have done, pray tell me,
That I my thoughts may dim;
Haste! lest while you're lagging,
Ligt er niet iets van de spheer eener gruwelijke magische nachtséance in
deze haast groteske verdeeling van arbeid tusschen het hart, dat de warmte, en
haar zelf, die het licht vergeten moet, eens door den geliefde uitgestraald? De
laatste twee regels in het bijzonder, - het orphisch terugblikken, het
smartelijk ‘ondanks alles’, - zijn van een aangrijpende plastiek, die geheel
logisch uit de premisse van het gelijktijdig vergeten volgt.
Een van haar mooiste creaties voeg ik hier nog bij, ontroerend van
melodie met die ongedwongen ingestrooide herhalingen: | | | |
I should not dare tot leave my friend,
Because-because if he should die
While I was gone, and I - too late -
Should reach the heart that wanted me,
If I should disappoint the eyes
That hunted, hunted so, to see,
And could not bear to shut until
They noticed me - they noticed me;
If I should stab the patient faith
So sure I'd come - so sure I'd come,
It listening, listening, went to sleep
My heart would wish it broke before,
Since breaking then, since breaking then,
Were useless as next morning's sun,
Where midnight frosts had lain.
Er blijft mij over één vers te noemen (het is te lang om geheel te
citeeren
1), dat voor
mij het hoogtepunt van Emily Dickinson's werk vertegenwoordigt, een vers,
waarin alle draden schijnen samen te loopen: opstandigheid en stoïsche
aanvaarding, antithetische verscheurdheid en liefdesverlangen, metaphysische
waakzaamheid en overgave aan het mysterie. Al deze tegenkrachten komen nu tot
evenwicht in een gedicht, dat ook technisch-poëtisch de figuur der dichteres
ten voeten uit geeft: hiërarchisch-bedwongen opstijgen, over scherp gescheiden
treden, naar een uitstervende, vizionaire epiloog; de constructie het midden
houdend tusschen gebonden vorm en vers-libre; het rijm in alle vervaagde
nuances; de toon: stamelend, oraculeus, kort afgebroken als een gesmoorde snik
soms, dan weer naïef-didactisch; de origineele metaphoren in enkele lijnen
neergezet, bogen gespannen over de verst uiteenloopende begrippen in drie of
vier woorden. | | | |
In dit gedicht wordt de gescheidenheid der gelieven tot in het
leven-na-den-dood doorgetrokken: het motief van een Hero en Leander, hopeloos
van elkaar verwijderd tot in der eeuwigheid, elk aan een zijde van den afgrond
verbannen:
And that, pale sustenance,
Er is geen tekort in hun liefde, noch aan de een noch aan de andere
zijde, er is geen van buiten af ingrijpend noodlot, geen reactieve haat of
tegenzin van menschen, die psychisch te dicht op elkaar leven, er is geen
derde. Er is enkel die liefde zelf, die uit zichzelf die krachten ontwikkelt,
welke de beiden op straffe van zelfvernietiging gescheiden zal houden. Hoe
sterker de liefde, hoe onverbiddelijker de eenzaamheid. - Leven kunnen zij
samen niet, want wat zou het zijn, om als porceleinen kopjes op één plank
gezet, en mettertijd, oud en gebarsten, afgedankt te worden? Maar ook kunnen
zij samen niet sterven, want geen van beiden was in staat, de ander de oogen te
sluiten, of de ander te zien rillen zonder zelf deze koude, ‘Death's
privilege,’ gelijktijdig en in gelijke mate mee te willen gevoelen. Noch kunnen
zij samen uit het graf opstaan, zoo gaat het gedicht verder, want nooit zou een
van beiden Jezus aanschouwen, die immers geheel door de geliefde overvleugeld
werd; en evenmin samen op het laatste oordeel verschijnen, want zij heeft
nooit, zooals hij, den hemel kunnen dienen, omdat zij tijdens haar leven door
hém verzadigd werd, en nu geen oogen meer over heeft voor een ‘sordid
excellence’ als die van het paradijs.
In dit gedicht wordt Emily Dickinson's grootheid eerst geheel zichtbaar,
het is of al haar verzen te zamen slechts | | | | een preludium zijn voor
dit eene. Er zijn er wellicht ‘betere’ bij, maar in geen ervan wordt haar
hoofdgedachte: de verlatenheid en verworpenheid van al het individueel levende
zoo consequent en met zulke tragische accenten uitgebeeld. Door de projectie in
het bovenzinnelijke (overigens zonder den minsten bijsmaak van dogmatiek,
waarvan het gewicht geheel door de hybris van de voorlaatste drie strophen
vernietigd wordt) verkrijgt deze uitbeelding bovendien een beteekenis, die ver
boven het eng-persoonlijke uitgaat. Mij althans is in de literatuur weinig
bekend, dat zoo sober en indrukwekkend de innige gepaardheid van de liefde
eenerzijds, ondergang en vernietiging van het individu anderzijds, als een
algemeene en volstrekte onafwendbaarheid doet gevoelen. Dat Emily Dickinson
zich hier ten slotte toch als individu blijft handhaven doet niets te kort aan
de perspectieven op een volledige overgave zonder voorbehoud.
| |
VIII
Welke zijn de begrensdheden van Emily Dickinson's kunst, waar ligt het
kritisch punt, waarop men zou moeten beginnen deze niet meer groot en
belangrijk te vinden? Mijns inziens ligt dit punt reeds midden op de
schoolmeesterslessenaar. Want hoe klein en onvolkomen is haar vorm (‘vorm’ in
een al zeer oppervlakkigen zin opgevat weliswaar), hoe scheef en duister vaak
de zinnetjes, hoe onhelder de rijmen, hoe stamelend en hortend soms de toon;
welk een onbeholpenheid, welk een gemis aan klassieke geschooldheid! Het zijn
ontegenzeggelijk de puntjes op de i, die ontbreken: een zwaar tekort, door de
wetten van geen enkele ars poetica te vergeven. Maar ik voor mij vind deze zoo
in het oog springende tekortkomingen, hoezeer ik ook van inderdaad goede ‘volmaakte’ poëzie houd (het is treurig dat deze begrippen
soms contrasten zijn...), bijna van dezelfde orde als Slauerhoff's slordige
komma's. Bovendien: moet men werkelijk wenschen, dat deze dichteres sonnetten
als Rossetti, vijf-voetige jamben als Keats, pro- | | | | sodisch smeedwerk
als Poe geschreven had? Hoeveel van haar poëtische intentie, van haar
specifieke vormdrift zou er niet verloren zijn gegaan! Deze
naakte, onopgesmukte vorm
1) was nu
eenmaal voor déze intentie de eenig mogelijke uitdrukking. Niet uit onmacht
schreef ze juist déze gedichtjes. Geef het sonnet (of elk ander
gedifferentiëerd vormschema) aan een dergelijke spontaneïteit, aan een
dergelijke hooggespannen en eigenzinnige poëtische potentie, en het zal erdoor
in stukken geslagen worden. Misschien mag men zeggen, dat de streng gebonden
overgeleverde vorm in staat is, de creatieve spanning tot een zeker punt
disciplineerend op te voeren. Komt echter die spanning, de potentialiteit, de
intentie, de aandrift tot dichten, of hoe men deze ongrijpbare macht noemen
wil, boven dit optimum uit, nadert haar intensiteit (quantitatief) en
oorspronkelijkheid (qualitatief) tot een maximum, dan moeten zich de wegen
scheiden. Dan schept de kunstenaar zijn autonome vormen, die soms, soms niet,
weer overleverbaar en nabootsbaar zijn. Wie echter, o.a. deze overleverbaarheid
en nabootsbaarheid als criterium handhavend, beweren zou, dat
Emily Dickinson zeker een merkwaardige denkster, mystica, psychologe,
natuurbeschrijfster, in één woord: een belangwekkende ‘persoonlijkheid’, maar
geen groote kunstenares was, of, zich wat inbindend dat zij ongetwijfeld wel
‘materiëele’ dichterlijkheid bezat, maar niet het echte vormende dichterschap,
maakt zich op een niet gemakkelijk meer te overtreffen wijze aan klassicistisch
vooroordeel schuldig. Men kan van een bepaalde poëzie natuurlijk meer of minder
houden, het lijkt me evenwel onmogelijk niet op een of andere wijze te
beseffen, dat we hier te doen hebben met zooal niet volledig harmonisch dan
toch volmaakt in haar eigen vorm uitgekristalliseerde
kunst.
Hierover schreef ik reeds, toen ik naast het klanktype het geheel
gelijkwaardige, maar diametraal ertegenover | | | | liggende intentioneele type plaatste. Op de gelijkwaardigheid dezer typen
wil ik hier nog eens den nadruk leggen, vooral omdat een uiterlijke
overeenkomst met het bekende vorm-inhoud-schema aan die gelijkwaardigheid zou
kunnen doen twijfelen. De poëtische intentie, mits sterk geconcentreerd genoeg,
is reeds poëzie, of beter: is het essentiëele der poëzie, is
het eenige dat aan de poëzie beteekenis verleent. Zij heeft niet alleen niets
te maken met ‘vage, poëtische gevoelens, die ieder wel eens heeft,’ maar
evenmin met een ‘inhoud, die nog niet tot vorm geworden is’. Ten slotte staat
de poëtische intentie even ver van den vorm af als van den inhoud, of even
dicht er bij, om de eenvoudige reden dat vorm en inhoud zich gelijktijdig uit
de poëtische intentie ontwikkelen. Het verschil tusschen het klanktype en het
intentioneele type bestaat daarin, dat het eerste die ontwikkeling veel verder
doorvoert, en, waar differentiatie als perfectie imponeert, gemakkelijker
beschouwd word als het non-plus-ultra der poëzie, - doch tevens dat het al die
gevaren van verstarring en bastaardeering loopt, welke een grootere afstand van
het eigen levenscentrum met zich meebrengt.
We hebben hier te doen met een verschil analoog aan dat tusschen eicel
en uitgegroeid organisme. Ook hier hangt het geheel van den persoonlijken smaak
af wat als biologisch belangrijker zal gelden.
Wanneer men al zou willen beweren, dat het intentioneele vers
nog geen poëzie is, dan kan ik met hetzelfde recht volhouden,
dat de allervolmaaktste, volledigst gedifferentiëerde klankgedichten
geen poëzie meer zijn, maar een zonderlinge imitatie van een
andere kunst: muziek, declamatie. Het is misschien de grootste tragiek der
dichtkunst, dat zij deze andere kunsten als grensgebieden naast zich moet
dulden, dat zij er voortdurend door bedreigd wordt, als men haar in éen
richting consequent wil doen evolueeren. Doch men moet hiervoor niet de oogen
sluiten, en daarom leek mij, al was het alleen maar als een vingerwijzing naar
het wezenlijk vluchtige, intieme en moeilijk ‘objectiveerbare’ karakter der
poëzie, de opstelling van | | | | zooiets als een ‘intentioneel’ type
gewenscht. In elke andere kunst zou deze opstelling wellicht veel minder zin
hebben.
Herhaaldelijk heb ik Emily Dickinson's werk met de moderne kunst, en, op
enkele punten met het moderne denken in verband gebracht. Dat zij voor onzen
tijd van een groot en nog maar zeer onvoldoende erkend belang is, lijkt mij
evident, doch slechts in een beperkten zin. Ik geloof b.v., dat haar kunst, zoo
ooit, alleen als een ferment invloed kan uitoefenen. Het zou dwaasheid zijn,
deze figuur zonder meer tot de moderne kunst te rekenen, bij bepaalde
richtingen in te lijven: zij is een phaenomeen-voor-eens, en uit dien hoofde is
ze ook alleen maar ‘modern’ in tijdeloozen zin. Zij zal latere generaties nog
iets te zeggen kunnen hebben, zelfs al zouden deze op óns ‘modernisme’ als op
een fossiel terugblikken. Want meer nog dan die onvergelijkelijke synthese van
ongebreidelde phantasie en superieure logica, meer dan haar maximaal
geconcentreerde vorm, die ook pas die hachelijke combinatie van verfijnde,
scherpe vizie en uiterste diepte mogelijk maakt, zullen steeds de argeloosheid
en echtheid blijven boeien, die haar werk en persoonlijkheid in zulk een hooge
mate kenmerken. -
Over die persoonlijkheid: karakter, levensloop, heb ik misschien te
weinig uitgeweid. Wil men bijzonderheden, anecdoten? Dat zij drie boeken bezat,
Emerson, Keats en de Bijbel? Dat zij van wandelen hield, doch in latere jaren,
in zichzelf gekeerd en menschenschuw, haar huis niet meer uitkwam? Dat T.W.
Higginson haar na haar dood bij het Amerikaansche publiek heeft ingeleid? Dat
haar psychologische ontwikkeling geheel onder het teeken van een ‘negatief
vader-complex’ stond? Of wat meer?
Maar voor mij ligt haar portret. Een kegelvormig, wazig geplooid kleed,
tot de hals gesloten, tegelijk ijl en ondoordringbaar als een spiritistische
materialisatie, draagt het hoofd van een gemartelde hamadryade. Bes-donkere,
schuw-verwonderde oogen; volle lippen, die aan het ge- | | | | heele
gezicht iets negroïds geven; wat breede en platte, maar niet groote neus;
pijnlijk gespannen uitdrukking, naast een in zichzelf verloren droomerigheid.
Hoe zou men gelooven, dat dit menschengezicht - wat dan ineens wordt het weer
een menschengezicht, een geestig, wrang glimlachend gezichtje - die geheimen
gekend heeft? Het is een zonderlinge ervaring tot haar portret terug te keeren,
telkens, tusschen het lezen van haar gedichten door.
S. Vestdijk
|
1)We vergelijken nu Emily Dickinson met het
type-Poe, omdat zij binnen de grenzen van 't klanktype tot de muzikale variant
behoort. Whitman valt in deze beschouwingen dus geheel weg.
|
|