|
|
|
| |
| | | |
Eine neue Kritik über Prust
Er bestaan kritieken en recensies, die, zonder aperte onjuistheden te
bevatten, toch bij het lezen voortdurend onzen wrevel opwekken door hun
onbeduidendheid en overbodigheid. Alle opmerkingen in zulke artikelen zijn, wat
men gewoonlijk noemt, ‘er naast’, niet scherp genoeg, of niet ruim genoeg, of
te ruim, te vaag. Onbegaafde beroepsrecensenten schrijven ze bij honderden, en
zij laten geen gelegenheid voorbijgaan. Bijzonder onaangenaam wordt het
verschijnsel, wanneer deze essayistische middelmatigheid zich demonstreert
(vaak met het noodige ‘ressentiment’) tegenover een groote figuur. Men weet
b.v., dat een schrijver als Marcel Proust tien jaar lang dood is, en dit
posthuum-biografische feit wordt overmijdelijk de aanleiding tot
rechtzettingen, minutieuze wegingen en over-wegingen, en nog veel meer. Zoo
ontdekt eenigen tijd geleden in het Berliner Tageblatt de
heer J. Andurski-Schubert een langademigheid en gebrek aan
constructie in de romans van Proust (alsof deze gebreken bij hem meer op
den voorgrond treden dan bij Stendhal of Dostoïewsky, alsof verder zoo'n
uitspraak eenige waarde bezit, wanneer niet door een positieve bepaling nader
omschreven wordt wat men met ‘langademigheid’ bedoelt in dit bijzondere geval,
- alsof eindelijk dergelijke kenmerken ooit anders dan relatief zijn: met
betrekking tot den inhoud en den lezer; ik citeer hierbij Proust zelf:
On recommandait de ne pas fatiguer l'attention de l'auditeur,
comme si nous ne disposions pas d'attentions différentes dont il dépend
précisément de l'artiste d'éveiller les plus hautes); hij deelt dan mee,
dat Proust van slechte muziek hield, (? is dit b.v. op te
maken uit de prachtige analyses door Proust van de sonate en het septuor van
Vinteuil? Zoo niet, wat doet het er dan toe?), dat hij in
geestdrift geraakte door onbegrijpelijke gedichten, (hiermee is
waarschijnlijk Mallarmé bedoeld. Al weer zoo'n stompzinnig-absolutistische
bewering! Onbegrijpelijke gedichten! Alsof elk goed gedicht voor een zekere
mentaliteit niet ‘onbegrijpelijk’ wordt!) | | | | en, tenslotte,
dat hij geen groote, origineele denker, geen schepper eener nieuwe
aesthetica, geen ontdekker van nieuwe waarheden is geweest, alleen een
schitterende, eenige schrijver. Excusez du peu! Men kan nog iets verder
gaan, en letterlijk alle geestelijke categorieën aan iemand
ontzeggen, wat blijft er dan over? Mag men van het schitterend-schrijver-zijn
die andere eigenschappen isoleeren? Wie ontkent, dat een intellectualist als
Proust een groot denker was, in diens mond is het alleen nog maar een phrase,
te spreken van een schitterend schrijverschap!
Tot nog toe volgden wij den heer met den heterogenen naam waar hij
volmaakt negatieve opmerkingen debiteert, nietszeggend, maar niet aantoonbaar
onjuist. Dit is dan ook de kracht van dergelijke ‘critici’. Op een andere
plaats geeft hij zich echter meer bloot. Met het doel, ook nog Proust's
psychologie verdacht te maken, noemt hij diens methode ontleend aan Bergson en
Freud! Freud is een bekende panacee van deze heeren. Wat Bergson betreft:
Proust werd ongetwijfeld door hem beïnvloed, maar heeft dezen invloed geheel
oorspronkelijk verwerkt, wat b.v. blijkt aangaande de beide vormen der
‘mémoire’ (in het Nederlandsch aangegeven door ‘geheugen’ en ‘herinnering’),
die hij op een van Bergson afwijkende wijze tegenover elkaar stelt, doordat hij
meer den nadruk legt op het ontbreken van den wil bij het affectieve geheugen
(onze ‘herinnering’, de ‘mémoire brute’ van Bergson). Verder wordt bij hem de
tegenstelling zooveel duidelijker en levender, omdat hij als voorbeeld
hetzelfde object kiest: met zijn jeugdherinneringen kan hij alleen in contact
komen door middel van het affectieve geheugen, niet door middel van het
intellectueele (de ‘mémoire organisée’). Verder ontleende Proust natuurlijk
veel van zijn opvattingen over tijd en duur aan Bergson.
Maar dit alles heeft toch uitsluitend betrekking op de algemeene psychologie resp. de philosophie van
Bergson! De karakterpsychologische methode van Proust, op
concrete personen of de concrete eigen ziel gericht (en lang niet op deze
laatste alleen, zooals schr. doet voorkomen), | | | | heeft niets met die
van Bergson te maken, om de simpele reden, dat deze nergens een psychologische
methode uitwerkt of gebruikt, doch haar alleen noemt: als de
methode der intuïtie, een begrip bovendien, zoo veelomvattend, ook in zoo ruime
mate reeds vóór Bergson gangbaar, dat men toch zeker niet van ‘invloed’ kan
spreken, als iemand die intuïtie (niet als theoretisch begrip, maar als
functie) toepast, (wat bij Proust ook nog
maar zeer betrekkelijk het geval is: de rationeele instelling staat bij hem,
zijns ondanks misschien, vooraan). Het is alsof men een sportsman zou
verwijten, ‘beïnvloed’ te zijn door een physioloog, die een populair boek over
de spierwerking heeft geschreven!
Over Freud lezen we: Proust verbond het in de mode zijnde
intuïtisme van Bergson met het indertijd in de lucht zwevende Freudisme en hij
vijlde dat af tot een wonderbaar scherp werktuig van zijn het Ik ontblootende
navorsching, (een kostelijk stijlbloempje, dit afvijlen van iets dat in de
lucht zweeft!)
Het kan echter wel als zeker aangenomen worden, dat Proust Freud nooit
gekend heeft! Ernest Seillière twijfelt hier niet aan. Vóór 1914, toen Proust's
‘methode’ toch al geheel gevormd was, zweefde Freud ook niet in de lucht,
althans in Frankrijk niet. Afgezien hiervan bestaat er bovendien een
principiëele onvereenigbaarheid tusschen Proust en Freud, die schr.'s bewering
al grotesker doet worden. Zij hebben gemeen een zekere instelling op het
onbewuste (maar Freud gaat hierbij veel verder), en de methode der
introspectie, maar dit is ook alles. En dan het verschil in levenshouding, in
‘toon’, in diapason! Proust is, voorzoover hij ‘wetenschappelijk’ wordt,
typisch platonisch: de schoonheid is minstens even belangrijk als de waarheid;
de kunstenaar schept de wereld; de eeuwige ideeën worden in een flits
aanschouwd op momenten van begenadiging. Het nuchterder ‘aristotelisme’ van
Freud daarentegen vat de schoonheid op als een residu, dat niet meer als
‘autisme’ weggeanalyseerd kan worden. Proust is kunstenaar met
wetenschappelijken inslag; Freud man | | | | der wetenschap, wiens
methode door sommige van zijn schrijvende volgelingen niet in de laatste plaats
daarop werd gericht, alle kunstscheppen overbodig te maken, tot ‘infantiliteit’
terug te brengen, en bekende kunstenaars zoo snel mogelijk te voorzien van een
der vier of vijf complexen-zwembroekjes: de onanist Kleist, de homosexueel
Michel Angelo, e.t.q.
Men hoeft echter geen vak-Freudiaan te zijn, om dergelijke figuren bij
voorkeur met den domper te behandelen, psychanalytisch of anderszins. Dit
bewijst de heer Andurski-Schubert in voldoende mate. Voor hen, die zich
indertijd met mij aan zijn onschrander en zoetsappig artikel geërgerd hebben,
doe ik tenslotte de veronderstelling aan de hand, dat het hier bij nader inzien
toch niet om Proust gaat, maar meer om een zekeren Duitschen romancier
Marzell Prust, in Nederland weinig bekend nog, een groote,
doch vrij onzelfstandige geest, desondanks de evenknie bijna van den auteur van
Christian Wahnschaffe (voor het publiek omgewerkte uitgave)
en den befaamden mémoirenschrijver Ludwig; beïnvloed door Schelling
1), Freud en den Berlijnschen
sexoloog Magnus Hirschfeld.
S. Vestdijk
|
1)Dit is geen grap: Bergson immers is volgens
de Duitschers ‘Der Plagiant Schellings.’
|
|