[p. 568]

Voor vijftig jaar in Amsterdam

 
Schuiven de winkeliertjes door de straten,
 
Dan zijn zij bang, dat men hun list betrapt:
 
Hun stijve baardjes, hun houding, paraat en
 
Prachtig uit waardigheden saamgelapt.
 
 
 
De grootvader barbier, de kleinzoon kapper;
 
De zelfde winkel, en hij houdt zich Fransch.
 
De kind'ren spelen vlag bij Klein-maar-Dapper,
 
De meisjes breien op een Toynbee-krans.
 
 
 
Wie zou hier vluchten? De traditie éischt
 
Die voorliefde voor handschoenen of crême,
 
En niet alleen hún kaste blijft potdicht.
 
 
 
Dan komt er een, die de and'ren hard ontsticht,
 
Zijn leven van 't gekrulde goud ontlijst
 
En het verbrijzelt onder de bohême.

S. Vestdijk