Forum der Letteren. Jaargang 1987


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1987. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 85]

Geef de boeken dan nu toch maar 'es even hier
Partikelclustering in imperatieve zinnen Hans Hulshof

Foolen (1985) heeft erop gewezen, dat de modale partikels erg weinig aandacht krijgen in de neerlandistiek, wat vooral duidelijk wordt wanneer men de ANS en de verschillende methodes voor Nederlands als tweede taal nader beschouwt. Dat laatste is zeker merkwaardig, aangezien juist het gebruik van de Nederlandse modale partikels vaak een leerprobleem vormt voor buitenlanders. In de ANS wordt op drie plaatsen over dergelijke partikels gesproken: als ‘oordeelspartikels’ bij de indeling van de bijwoorden (p. 377), eveneens als ‘oordeelspartikels’ bij de bepaling van modaliteit (p. 892) voorzien van twee voorbeelden met toch in impe- ratieve zinnen (Blijft u toch niet staan, gaat u toch zitten!) en tenslotte als categorie ‘oordeelspartikels’ sui generis in het kader van woordvolgorde in de zin (p. 1006-1008). Voorbeelden van meer dan één partikel in een imperatieve zin ontbreken volledig. Het partikelonderzoek van de laatste jaren is kennelijk geheel aan de samenstellers van de ANS voorbij gegaan; de gehanteerde classificatie onder de noemer ‘oordeelspartikels’ is niet alleen vaag maar ook aanvechtbaar, de gegeven voorbeelden zijn niet representatief, terwijl een taalkundige die reeds in het begin van deze eeuw over partikelclustering schreef evenals dit linguïstisch verschijnsel zelf geheel wordt genegeerd: Hoogvliet (1903). Daarmee is tegelijk het thema van dit artikel aangegeven: na enkele opmerkingen over de verwarrende terminologie zal nader worden ingegaan op een partikelcluster dat een onderdeel vormt van de imperatieve zin boven dit artikel, Hoogvliets cluster van zes ‘invoegselwoordjes’ op rij (vgl. Hulshof 1980 voor Hoogvliets woordsoortindeling).

De modale partikels vormen een weerbarstig onderdeel van talen als het Duits en het Nederlands, ‘luizen in de pels van de taal’ zijn het volgens Eisenberg (1986:197), waarvoor de aandacht - mede door de ontwikkeling van de linguïstische pragmatiek - in het afgelopen decennium wat is toegenomen (vgl. het recente themanummer van het Interdisciplinair Tijdschrift voor Taal- en Tekstwetenschap 6 (1986), nr. 2), zeker in Duitsland (vgl. Weydt 1983). Vooral het afgrenzingsprobleem stond hier in de belangstelling. De ‘invoegselwoordjes’ van Hoogvliet (1903) zijn niet gelijk aan de ‘oordeelspartikels’ van Van der Lubbe (1958), terwijl deze laatste categorie weer verschilt van de ‘oordeelspartikels’ van Van den Toorn (1973; 19849) en van de ANS (1984). Binnen de groep van de partikels (onverbuigbare en onvervoegbare woorden) kunnen onderscheiden worden: voorzetsels, voegwoorden en bijwoorden. Deze laatste categorie valt uiteen in ‘gewone’ modale bijwoorden (zoals hopelijk, blijkbaar), voegwoordelijke bijwoorden (zoals immers, trouwens), schakeringspartikels/Abtönungspartikeln (zoals toch, even) en graadpartikels/Gradpartikeln (zoals zelfs, juist). Terwijl de altijd onbeklemtoonde schakeringspartikels (zie Rombouts 1983) betrekking hebben op de hele zin, kunnen graadpartikels ook op andere constituenten betrokken zijn. Deze laatste twee categorieën samen vormen in de ANS de ‘oordeelspartikels’, terwijl alleen de graadpartikels overeenkomen met de ‘oordeelspartikels’ van Van der

[p. 86]

Lubbe, de bedenker van deze term. De categorie van de ‘invoegselwoordjes’ van Hoogvliet omvat verschillende soorten partikels, op de voorzetsels en voegwoorden na. Aan één groep hiervan heeft Hoogvliet bijzondere aandacht gewijd, i.c. de invoegselwoordjes c.q. de schakeringspartikels dan, nu, toch, maar, 'es (= eens) en even. Het zijn juist deze partikels (door De Groot 1966 ‘bevelpartikels’ genoemd), die in de Nederlandse taalkunde weinig aandacht hebben gekregen na Hoogvliet (1903), waar het om het gebruik in Nederlandse spreektaal gaat. Tekenend is in dit geval dat Van der Lubbe (1958), Roose (1964) en De Groot (1966) geen enkele aandacht hebben besteed aan het partikelcluster van Hoogvliet; in Van den Toorn (1973:204) wordt er binnen de ruime interpretatie van de oordeelspartikels na 70 jaar weer aan herinnerd. Het is bij Van den Toorn echter slechts een illustratie, waarbij geen melding wordt gemaakt van het opvallende feit dat meer invoegselwoordjes in één imperatieve zin zijn te gebruiken en volgens welke regels dat gebeurt. In de ANS is zoals gezegd de ruime oordeelspartikelopvatting van Van den Toorn doorgezet, nu zonder enige verwijzing naar Hoogvliet. Evenals voor het Duits is voorgesteld (Weydt 1977), lijkt het onderscheiden van schakeringspartikels en oordeelspartikels als twee zelfstandige categorieën ook voor het Nederlands relevant. Een voordeel hiervan zou zijn, dat de sterk intuïtieve categorie van de modale partikels wat minder onderbelicht zou blijven in de ANS en in praktische grammatica's voor Nederlands als tweede taal.

Kenmerkend voor de schakeringspartikels in imperatieve zinnen is de mogelijkheid tot clustering, waarbij de volgorde van de partikels niet willekeurig is. Hoogvliet (1903) geeft zonder nader commentaar 48 verschillende voorbeeldzinnen om de clustering van zes schakeringspartikels (bij hem ‘invoegselwoordjes’) te demonstreren. Hij suggereert hiermee een zekere volledigheid, hoewel bij het nader bepalen van de restricties in het partikelcluster blijkt dat hij verschillende mogelijkheden onbenut laat. De keuze van deze zes partikels is minder willekeurig dan het op het eerste gezicht lijkt. De clusters van twee partikels zijn volledig door Hoogvliet aangegeven (bij Hoogvliet in de zinnen 9-23):

dan nu        
dan toch nu toch      
dan maar nu maar toch maar    
dan 'es nu 'es toch 'es maar 'es  
dan even nu even toch even maar even 'es even

De grootste regelmaat vertonen dan en even: dan kan steeds (en uitsluitend) op de eerste plaats, even kan steeds (en uitsluitend) op de laatste plaats. De dwingende eindpositie van even maakt ook het cluster 'es even noodzakelijk; er is een duidelijke regelmaat te bespeuren in vaste eindposities. In het vervolg is die eindpositie het uitgangspunt voor de ordening. Bij clusters van drie partikels heeft Hoogvliet verschillende mogelijkheden niet weergegeven. Van de 24 mogelijke clusters noemt hij er 15 (in de zinnen 25-39); de niet bij hem terug te vinden clusters zijn in het vervolg door mij gecursiveerd.

[p. 87]

maar 'es even toch maar 'es nu toch maar dan nu toch
toch 'es even nu maar 'es dan toch maar nu dan toch
nu 'es even dan maar 'es dan nu maar  
dan 'es even nu toch 'es nu dan maar  
toch maar even dan toch 'es    
nu maar even dan nu 'es    
dan maar even nu dan 'es    
nu toch even      
dan toch even      
dan nu even      
nu dan even      

Hoogvliet geeft geen voorbeelden met dan anders dan op de eerste plaats. Toch is de combinatie nu dan mogelijk vóór even, 'es, maar en toch: het zijn andere partikels die het cluster rechts afsluiten, aangezien dan en nu daarvoor niet in aanmerking komen. Het valt nu te verwachten dat in clusters van vier partikels toch geen eindpositie kan innemen. Van de 21 mogelijke clusters noemt Hoogvliet er hier slechts 8: de zinnen 40-49 (40 en 42 zijn gelijk, evenals 41 en 43).

toch maar 'es even nu toch maar 'es dan nu toch maar
nu maar 'es even dan toch maar 'es nu dan toch maar
dan maar 'es even dan nu maar 'es  
nu toch 'es even nu dan toch maar 'es  
dan toch 'es even dan nu toch 'es  
dan nu 'es even nu dan toch 'es  
nu dan 'es even    
nu toch 'es even    
dan toch maar even    
dan nu maar even    
nu dan maar even    
dan nu toch even    
nu dan toch even    

Van de 10 mogelijke clusters van vijf partikels noemt Hoogvliet er slechts 2 (de zinnen 50 en 51):

nu toch maar 'es even dan nu toch maar 'es
dan toch maar 'es even nu dan toch maar 'es
dan nu maar 'es even  
nu dan maar 'es even  
dan nu toch 'es even  
nu dan toch 'es even  
dan nu toch maar even  
nu dan toch maar even  

[p. 88]

Er zijn slechts 2 mogelijke clusters van zes partikels, waarvan Hoogvliet (in zin 52) zoals bekend er één noemt:

dan nu toch maar 'es even
nu dan toch maar 'es even

Bij het overzien van de mogelijkheden van de minimale en maximale clusters met de schakeringspartikels dan, nu, toch, maar, 'es en even blijken er regelmatige posities en combinaties te zijn. De partikels dan en nu bezetten telkens de eerste of tweede plaats, de partikels 'es en even vormen de afsluiting van het cluster aan de rechterkant: 'es in voorlaatste of laatste positie, even altijd in laatste positie. Op grond van het complete cluster kan gesteld worden dat de temporele elementen dan nu en 'es even dominant zijn en de uitdrukking vormen van resp. ongeduld (‘op dit moment’) en verzachting (‘het zal niet lang duren’). De typisch modale partikels toch en maar vormen een soort overgangsgebied van sterker naar zwakker temporeel: een aanmanende aanmoediging. Al met al krijgt de imperatieve zin Geef de boeken hier! door de partikels een temporeel-modale nuancering, die het bevel vriendelijker (tot een verzoek) maakt. Dat laatste is voor buitenlanders die Nederlands spreken van groot belang.

In zes onderzochte methodes Nederlands-als-tweede-taal voor volwassenen* werden de volgende partikelclusters in imperatieve zinnen aangetroffen: dan maar, maar even, eens even, maar eens en nou eens even. Het laatste cluster werd slechts éénmaal aangetroffen; men gaat in feite niet verder dan clusters van twee partikels. Foolen (1985) deed onderzoek naar modale partikels in extra-muraal leermateriaal. Ook daarin werden de modale partikels niet als zelfstandige categorie behandeld. Uitgaande van het partikelcluster van Hoogvliet heb ik met dit korte artikel Foolens conclusie willen onderstrepen, dat er behoefte is aan verder onderzoek, zowel descriptief als toegepast taalkundig. In een nieuwe druk van de ANS zal dit aandachtsgebied niet meer kunnen ontbreken.

Bibliografie

Eisenberg, P. (1986), Grundriss der deutschen Grammatik. Stuttgart.
Foolen, A.P. (1985), ‘Typical Dutch noises with no particular meaning’: modale partikels als leerprobleem in het onderwijs Nederlands als vreemde taal. In: Verslag van het Negende Colloquium van docenten in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten. 's-Gravenhage 1985, p. 39-57.
Groot, A.W. de (1966), Betekenis en betekenisstructuur. Nagelaten geschriften van Prof. Dr. A.W. de Groot. Verzorgd door Dr. G.F. Bos en Dr. H. Roose. Groningen.
Hoogvliet, J.M. (1903), Lingua. Een beknopt leer- en handboek van Algemeene en Nederlandsche taalkennis, meer bepaaldelijk bestemd voor leeraren en onderwijzenden in moderne en oude talen. Amsterdam.

[p. 89]

Hulshof, H. (1980), Dezgn. invoegselwoordjes van Hoogvliet. In: Glot 3, p. 171-181.
Lubbe, H.F.A. van der (1958), Woordvolgorde in het Nederlands. Een synchrone structurele beschouwing. Assen.
Rombouts, J. (1983), Afwijkende visies op de ‘bijwoorden’. Hoogvliet, De Groot en Roose over schakeringspartikels. In: Fr. Daems en L. Goossens (red.), Een spyegel voor G. Jo Steenbergen. Huldealbum bij zijn emeritaat. Leuven, p. 263-275.
Roose, H. (1964), Het probleem van de woordsoorten, in het bijzonder van het bijwoord in het Nederlands. Den Haag.
Toorn, M.C. van den (1973), Nederlandse grammatica. Groningen. (Negende druk Groningen 1984.)
Weydt, H. (ed.) (1977), Aspekte der Modalpartikeln. Studien zurdeutschen Abtönung. Tübingen.
Weydt, H. (ed.) (1983), Partikeln und Interaktion. Tübingen.