De Gids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen. G.J.A. Beijerinck, Amsterdam 1837.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Het Huis te Ilpendam en deszelfs voornaamste Bezitters. Uit echte bescheiden, door G. van Enst Koning.

Lid der Maatschappij van Nederl. Letterkunde te Leyden. Amsterdam bij H.J. Poelders, 1836. VIII en 75 bl.

‘De titel meekt alleen geen Graef!’
Vondel, Grafschrift op Jacob de Graeff.

Reeds voor lang was ons ter ooren gekomen, dat eene zeer belangrijke verzameling van oude Archiven, brieven, journalen enz., behoorende aan de Amsterdamsche familie De Graeff, sedert jaren op het Huis Ilpenstein, bij Ilpendam, in kisten geborgen, eindelijk was geopend, en dat de schikking der stukken aan de zorg van den Heer Van Enst Koning was opgedragen. Dit berigt verheugde ons; want wij weten, helaas! bij ondervinding, hoe vele voor Geschiedenis, Oudheid- en Letterkunde belangrijke stukken, door onverstand of slordigheid der eigenaren, vernietigd en alzoo onherstelbaar verloren zijn. Wij weten, hoe nog onlangs eene aanzienlijke vrouw bezig werd gevonden, om de journalen en brieven van hare voorouders, welke belangrijke ambten en gezantschappen hebben bekleed, te verscheuren: en hoe nog, kort geleden, eene andere, wier vader zeer gewigtige betrekkingen in de belangrijkste oogenblikken van het laatste gedeelte der vorige, en van het begin der tegenwoordige eeuw, bekleedde, alle diens nagelatene papieren, kort na zijn overlijden, met overleg van een' buurman, - een' rijk koopman, die in zijne onschuld waande, dat men van stukken, welke dertig jaren oud zijn, toch niets meer kan halen, - naar den papiermolen heeft gezonden. Wij verheugen ons dus, dat de Handschriften der familie De Graeff bewaard zijn gebleven, en dat zij in goede handen zijn gevallen;

[p. 323]

want de tegenwoordige bezitter, de Heer G. de Graeff van Zuidpolsbroek, heeft ze naar Amsterdam doen overbrengen, door den Heer Van Enst Koning met zorg en naauwkeurigheid doen schiften en ter bewaring in onderscheidene portefeuilles gerangschikt.

Waren wij over de redding dezer verzameling verheugd, met niet minder genoegen vernamen wij, dat de Heer V.E.K. aan zijne landgenooten een verslag van dit zoogenaamd Ilpendamsch Archief zou geven, en dat de uitgave van eene, door hem in het Amsterdamsche 2de Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Alqemeen gehoudene verhandeling, hiertoe zou moeten strekken. Wij zagen alzoo met gespannen verwachting die verhandeling te gemoet: - ontvingen haar: - lazen haar: - voldeed zij aan onze verwachting? Het volgend verslag strekke tot antwoord.

De verhandeling zelve beslaat slechts 32 zeer wijd uit één gedrukte bladzijden; is in eenen zeer duidelijken en ligt bevatbaren stijl geschreven, en laat zich zeer goed en gemakkelijk lezen. - Maar wat behelst nu die verhandeling? - De twee of drie eerste bladzijden zijn gewijd aan eene korte geschiedenis der Heerlijkheid Ilpendam en der stichting van het huis aldaar: het huis Ilpenstein. - Nieuws zult ge hier niet vinden. Bij Soeteboom, in zijne Soet-stemmende Zwaane, in het aanhangsel op Smids schatkamer, in de aanteekeningen van Schoemaker op Bruin's Noord-Hollandsche Arkadia, in Kok's Woordenboek, in de tegenwoordige Staat der vereenigde Nederlanden, enz. enz. zult ge hetzelfde en méér vinden, dan ge hier aantreft.

De vier volgende bladzijden besteedt de Schrijver aan de vermelding der oudste en merkwaardigste voorwerpen, door hem op Ilpenstein aangetroffen. Eerst maakt hij melding van den aldaar bewaard wordende steen, voorstellende de Godin Nehalennia, welke steen afgebeeld te vinden is in het IIIde Deel van de Aloude Staat der Vereenigde Nederlanden, door E.M. engelberts. Wij vernemen van den Heer V.E.K., dat die steen, volgens eene mondelinge overlevering, tijdens het droogmaken van den Purmer, (en dus omstreeks het jaar 1622) in dat meer zou gevonden zijn. Wij laten die overlevering voor hetgeen zij is; maar de gevolgtrekking, die de verhandelaar uit het vinden in den Purmer trekt, kunnen wij zoo gaaf niet aannemen. Hij toch wil hieruit afleiden, ‘dat de Nehalennia als eene Beschermgodesse is gehuldigd geworden door de Saxische en Frankische zeeroovers, die, in de IVde Eeuw hunne strooptogten tot aan onze kusten voortgezet, en zich in de nabijheid der Hollandsche en Zeeuwsche stranden met der woon gevestigd hebben.’ Het is hier de plaats niet, om dit onderwerp en dit gezegde van den Heer V.E.K. breedvoerig te behandelen; maar over de Nehalennia is, sedert

[p. 324]

het vinden (te Domburg) van de steenen aan haar toegewijd (in den jare 1647), reeds zoo veel, en door zulke voorname geleerden geschreven, dat wij het van den Heer V.E.K. nog al gewaagd vinden, zoo maar in vijf, zes regels zijn gevoelen over dit punt af te handelen. De geleerde Charles Pougens, aan wien deze steen ook niet onbekend was, dacht er anders over en gaf in den jare 1810 een afzonderlijk stukje, (onder den titel Doutes et conjectures sur la Déesse Nehalennia, Paris 1810, 48 pages en 8o), over deze Godesse in het licht, en Mr. W. Bilderdijk schreef over de Nehalennia eene verhandeling, van welke de Heeren Mrs. D.J. van Lennep en J. Scheltema, in den jare 1812, aan de IIde klasse van het Koninklijk Instituut verslag hebben gedaan.

De andere voorwerpen, welke de Heer V.E.K. op Ilpenstein der vermelding waardig vond, bestaan: 1o. ‘in een houten gestoelte, hetwelk aan Prins Willem den Isten tot zetel diende, als hij Dirk Jansz. (de) Graeff te Amsterdam bezocht,’ en 2o. ‘in den mantel door den Raadpensionaris Johan de Witt gedragen in den nacht van den 21sten op den 22sten Junij 1672, toen hij van uit de Vergadering der Staten van Holland huiswaarts keerende, door vier personen werd aangerand en met een mes tusschen de schouders gekwetst.’

De overige 25 bladzijden worden door den verhandelaar besteed tot het vermelden van eenige levensbijzonderheden van en der diensten aan het Vaderland bewezen, door de Heeren Dirk Jansz., Jacob Dirksz., Cornelis Jacobsz., Andries Jacobsz. en Pieter Cornelisz. de Graeff.

Dirk Jansz. (de) Graeff is ons uit de Vaderlandsche en Amsterdamsche geschiedenissen wèl bekend. Veel meer dan wij reeds van hem wisten, leert ons de Schrijver, in de vijf bladzijden, die over hem handelen, niet. De Heer K. verhaalt ons, ‘dat deze Dirk Jansz. (de) Graeff in Amsterdam bleef vertoeven, toen anderen, beducht voor Alva's vervolgingen, de Stad verlieten.’ - ‘Want’ zegt de Schrijver bl. 10: ‘wie zoude in zijne plaats de gewigtige betrekkingen vervullen, hem door het vertrouwen der burgerij opgedragen? Wie, als hij, in den Stedelijken Raad, waarvan de meeste Leden reeds waren gevlugt, de belangen der Stad behartigen? Wie, als Regent van het Burgerweeshuis -- voor de thans hoogst ongelukkige weezen met zulk eene vaderlijke liefde en bezorgdheid waken, als hij zoo vele jaren had gedaan?’ Dit klinkt alles nu wel heel mooi en is zeer treffend; maar weet de Heer V.E.K. dan niet, dat Dirk Jansz. (de) Graeff eerst bij de zoogenaamde verandering van het Bestuur, en dus niet vóór den 26sten Mei 1578, toen men van Alva, die reeds

[p. 325]

in 1573 het Land had verlaten, niets meer te vreezen had, in de regering der Stad Amsterdam is gekomen, en dat hij slechts één jaar Burgemeester was(1)? Dat hij eerst in 1579 Regent van het Burgerweeshuis werd? Zoodat al die pathétique vragen zijn verba et voces praeterea nihil, in rook verdwijnen en der waarheid te kort doen.

Aan de vermelding van Jacob Dirksz. de Graeff worden zes bladzijden gewijd. Het is algemeen bekend, dat deze in den jare 1618, toen Prins Maurits, na het in hechtenis nemen van Oldenbarneveld, De Groot en Hoogerbeets, de regeringen in de Steden veranderde, mede van zijne stedelijke Raadplaats werd ontzet, en dat hij een bijzonder vriend van den Burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft was; maar minder bekend is het, dat hij, van zijne werkzaamheden in den Raad ontslagen, met zijnen vriend Pieter Jansz. Hooft eene fabrijk van chemicaliën oprigtte, en nog minder, ‘dat deze beide mannen reeds vroeger te zamen een kunststuk vervaardigden, aan hetwelk zij den naam gaven van perpetuum mobile of eeuwig durende beweging; dat de Koning van Engeland zijn verlangen deed betuigen om dit kunststuk te zien; dat Jacob de Graeff het aan Cornelis Jansz. Drebbel(2) toevertrouwde, die daarmede naar Engeland vertrok, en aldaar, zoo al niet zich zelven als den vervaardiger voordoende, evenwel den naam der uitvinders verzweeg; dat de Koningin, weliigt door eene onvoorzigtige behandeling, het werktuig deed stil staan; dat Drebbel in de herstelling niet kon voorzien, en dat de ware uitvinders naderhand, uit ontevredenheid wegens het gedrag van Drebbel, zich ongezind betoonden, om hun verbroken werk te herstellen, of door een ander van gelijken aard te vervangen.’ De Heer Koning heeft deze bijzonderheid, blijkens de aanteekeningen, ontleend aan eene aanteekening van Pieter de Graeff. Wij zijn het met onzen schrijver eens, dat het wenschelijk ware geweest, dat in het geschrift van den berigtgever meer bepaalde narigten omtrent dit, voor den goeden naam van Drebbel niet zeer vereerend, voorval aangetroffen wierden, en bovenal, dat men hier ingelicht wierde, of de uitvinding van De Graeff en Hooft in ver-

[p. 326]

band heeft gestaan met zeker Werk van Drebbel over de Eeuwig durende beweging. Over het geheel komt het ons voor, dat dit verhaal nog al voor eenige bedenkingen vatbaar is.

Cornelis Jacobsz. de Graeff wordt in tien bladzijden geschetst; veel nieuws of belangrijks zal men omtrent hem hier niet vinden. Bij Wagenaar, in het Woordenboek van Kok, in het Staatkundig Nederland van Scheltema, enz., zal men 's mans handelingen even goed vermeld vinden; en wij hebben niet kunnen merken, dat het Ilpendamsch Archief veel nieuws omtrent dezen Regent heeft aan den dag gebragt.

Op bl. 21 en volg. spreekt de Heer K. van den aanval van Prins Willem II, op de Stad Amsterdam, in den jare 1650, en noemt denzelven eenen mislukten aanslag. Wij zullen ons hier over die gebeurtenis in geene breedvoerige behandeling inlaten, maar raden den Schrijver, om, indien hij het nog niet gedaan heeft, eens te lezen het door den Heer Mr. S. Ipsz. Wiselius, in den jare 1828 uitgegeven Geschied- en regtskundig onderzoek, rakende het eigenmatig en afzonderlijk afdanken van krijgsvolk bij de Staten van Holland, in den jare 1650, met de gevolgen daarvan: of heeft hij dat belangrijk Werk reeds gelezen, welnu, dan raden wij hem het nog eens aandachtig te herlezen.

Op bl. 24 noemt de Heer K. gezegden Prins (toen 24 jaren oud), een jeugdig, maar niet te min moedig en ondernemend Vorst; even alsof moed en ondernemendheid niet veelal eigenschappen van de jeugd waren!

Over Andries de Graeff, broeder van den laatstgenoemden Cornelis, - welke Andries zeker niet een der minstbelangrijke mannen van dit geslacht was, - wordt slechts in weinige regels gehandeld. Uit de door ons opgenoemde schrijvers zal men dezen Staatsman en Regent beter dan uit deze verhandeling kunnen leeren kennen(1). Bijzonderheden, ons van elders onbekend, vonden wij hier niet.

Ten slotte wordt gehandeld over Pieter Cornelisz. de Graeff, den zwager van den Raadpensionaris De Witt. Deze was het, die de daden en betrekkingen zijner voorouders beschreef, en uit wiens aanteekeningen de Heer V.E.K. deze verhandeling schijnt te hebben opgesteld. Van de bedrijven van dezen Pieter vindt men hier ook niet veel nieuws of bijzonders; want dat de man het Fregat-schip Pieter en Paulus, aan hetwelk Czaar Peter heeft helpen timmeren, van stapel zag loopen, zal men toch wel niet

[p. 327]

belangrijk noemen, en de Schrijver vergeve ons, dat wij de omstandigheid, dat de Raadpensionaris De Witt en de dichter Gerard Brandt het bruiloftsfeest van dezen Pieter de Graeff en Jacoba Bicker bijwoonden, en dat de eerste bij die gelegenheid elk der aanwezigen in dichtmaat aansprak en de laatste bruidegom en bruid rijkelijk met dichtregelen bewierookte, met hem, zoo gewigtig niet kunnen noemen. Dat iemand, al is hij ook Raadpensionaris, het huwelijksfeest van zijnen neef met de zuster zijner vrouw bijwoont, en alsdan een' feestdronk instelt, en dat een Dichter, als Brandt, vooral in die dagen, aan den disch der aanzienlijken wordt genoodigd, en alsdan zijn kunst-talent laat hooren, schijnt ons zoo merkwaardig, vooral zoo gewigtig niet toe. Ook Vondel - het bewondert ons, dat de Heer K. hiervan geene melding heeft gemaakt, - ook Vondel bezong dit huwelijk, (men zie 's mans Bruiloftdichten,) en hij had reeds vroeger de bruid, als meisje, bedacht met dat bevallig geboortedicht, waarin hij den minnaar, onder anderen, de volgende woorden in den mond legt:

 
‘'k Zou de liefste gaen besteeken
 
Op haer vrolijk jaergetij.
 
Maer wat raet? de winterweken
 
Zetten ons geen bloemen bij,
 
Roos noch leli, groen noch lover.
 
Loumaent, krimpende aen den haert,
 
Heeft geen groen voor minnaers over,
 
Die vast zuchten ongepaert.’ enz.

en ten slotte:

 
‘Laet ons 't jaer met liefde ontginnen,
 
Denk de tijt is veel te dier,
 
Om te slijten zonder minnen.
 
Wat is schoonheid zonder vier?
 
Volgh de Voestervrou der Staeten.
 
Volgh natuur en haere leer,
 
Nu de zusters u verlaeten.
 
Wat voorbij schiet keert niet weèr.
 
Wat is bloesem zonder vruchten?
 
Wat is leven zonder ga?
 
Laet uw' minnaer dan niet zuchten,
 
Kroon mijn min met uw gena.’

Daar de titel van het door ons aangekondigd Werkje luidt: het Huis te Ilpendam en deszelfs voornaamste bezitters, zou men vermoeden, dat de vijf gemelde Heeren, Dirk Jansz., Jacob Dirksz., Cornelis Jacobsz., Andries Jacobsz. en Pieter Cornelisz. de Graeff, bezitters van het huis te Ilpendam waren geweest. Maar toch niet: van de opgenoemden was zulks de laatstgemelde alléén. De vier eersten hadden met Ilpendam en Ilpenstein niets te

[p. 328]

maken; ja, gedurende hun leven was die Heerlijkheid in het bezit van andere geslachten. In 1678 kwam zij eerst aan de familie De Graeff (in wier bezit zij nóg is), en wel aan Jacob Cornelisz. de Graeff, van wien in de verhandeling niet eens als zoodanig melding wordt gemaakt; en in 1678 waren Dirk, Jacob, Cornelis en Andries de Graeff reeds overleden. De titel der verhandeling is dus ten eenemale onjuist, en die verhandeling is eigenlijk niets anders, dan eene vermelding der verdiensten, daden en werkzaamheden van vijf leden der familie De Graeff, gedurende ruim eene eeuw (de XVII eeuw). Zoodanige vermelding moge voor de leden van dat geslacht belangrijk wezen; het moge voor hen aangenaam zijn, den lof hunner beroemde voorvaderen dus te zamen vermeld te vinden; ja die vermelding moge, vooral in den mond van een begaafd en welsprekend redenaar, geene onaangename stof tot eene spreekbeurt opleveren: doch de Schrijver dissche ons het stuk, in het algemeen, maar niet op als iets nieuws behelzende, en als de vrucht eener belangrijke ontdekking; want waarlijk, de Schrijver had deze Verhandeling, met uitzondering van eenige kleine, min belangrijke en door ons opgegevene bijzonderheden, even goed uit reeds bestaande bronnen kunnen opmaken; hij had hiertoe, met uitzondering van die kleinigheden, het Ilpendamsch Archief niet noodig gehad. - Daar in de XVIII eeuw nog drie leden van het geslacht De Graeff in de regering der stad Amsterdam waren, te weten Mr. Johan de Graeff, die in 1709 Raad en in 1713 Schepen, Mr. Gerrit de Graeff, die in 1739 Schepen en Mr. Gerrit de Graeff, Jr. (grootvader van den tegenwoordigen bezitter van het Ilpendamsch Archief,) die in 1771 Schepen en Raad dier stad werden, en juist deze drie bezitters van Ilpendam waren, moet de vraag ontstaan, waarom de Heer V.E.K. van hen in zijne Verhandeling geene melding heeft gemaakt, en van hen alleen ter loops in de bijlagen gewaagt? - Door van hen te spreken zou hij meer aan den titel van zijne Verhandeling hebben beantwoord. Wij willen toch niet vermoeden, dat er van deze regenten niets te zeggen viel; maar hopen, dat op elk hunner de dichtregels, welke Vader Vondel op Jacob de Graeff vervaardigde, van toepassing waren:

 
‘Hoe levend ziet de brave spruit
 
‘Zijn Grootvaêrs aert ten oogen uit.

Doch bevat de Verhandeling weinig nieuws, misschien leveren de Aanteekeningen en Bijlagen, die te zamen bijna 40 bladzijden beslaan, zoo veel te meer? - laten wij zien!

De Aanteekeningen bl. 37-47 behelzen voornamelijk de ver-

[p. 329]

melding van familie-bijzonderheden, opgave van geboorte-, trouwen sterfdagen van eenige leden van het geslacht De Graeff in de XVII Eeuw, als ook van andere omstandigheden, meestal van elders bekend. Ook hier vonden wij niet veel belangrijks. De derde aanteekening echter: het verhaal bevattende der verovering van de Ilpendammer schans, door die van Purmerland op de Spanjaarden, door Burgemeester Banning Cock beschreven; en de zestiende, eenen brief behelzende, door de Prinses weduwe van Prins Willem II, kort na het overlijden van dien Vorst, aan Cornelis de Graeff geschreven, lazen wij niet zonder belangstelling.

De Bijlagen zijn zeven in getal:

A. deelt eene lijst mede van de voornaamste Manuscripten, gevonden op het Huis te Ilpendam. Die lijst doorlezende, waren wij verwonderd, dat de Heer V.E.K. uit de stukken, daarin opgenoemd, niet iets meer belangrijks, dan deze Verhandeling heeft aan het licht gebragt. Wij vinden hier onder anderen vermeld: onderscheidene stukken, betreffende de uitoefening der voogdijschap over Prins Willem III; eenige eigenhandige brieven van den Raadpensionaris Johan de Witt, aan Pieter de Graeff, betreffende de Educatie van voornoemden Prins, enz. en wij meenen te weten, dat het Ilpendamsch Archief nog meer belangrijke stukken, die hier niet vermeld zijn, bevat.

B. geeft eene lijst van eenige der voornaamste manuscripten, berust hebbende op het Huis te Ilpendam, die door de bezitters zijn uitgeleend, doch tot nog toe niet zijn teruggevonden; hieronder zijn hoogst belangrijke, en het is te wenschen, dat zij, door deze aankondiging, weder voor den dag zullen komen.

C. geeft een Extract uit het Dagboek van Pieter de Graeff, loopende over de jaren 1672 tot en met 1701. Als wij van den inhoud van dit extract tot den Schrijver moesten besluiten, zouden wij hem voor een kleingeestig en bekrompen mensch moeten houden. Aanteekeningen als deze: ‘13 Mei 1677. Aan nicht Agneta de Witt, naar Dordrecht vertrekkende, ter hand gesteld in een bundeltje, zes Prenten, als drie van den Heer Ruaard en drie van den Raadpensionaris De Witt.’ ‘8 Dec. 1678. Een' Franschen Meester aangenomen, om onderwijs te geven aan mijne twee kinderen, Cornelia en Cornelis, en aan Nicht Maria de Witt.’ ‘8 April 1680, geschreven aan den Heer Van Zwieten, over de vrijagie van Nicht Maria de Witt enz.’ hebben toch weinig om het lijf; en als wij dan in aanmerking nemen, dat de Heer V.E.K. zeker wel het belangrijkste zal hebben uitgetrokken, dan moeten wij besluiten, dat de rest al zeer onbeduidend moet zijn. Echter leert ons dit uittreksel, dat de Raadpensionaris De Witt als een vermogend man is gestorven. - In het algemeen heeft dit extract meerendeels

[p. 330]

betrekking tot de kinderen van den Raadpensionaris, gelijk het geheele Werkje den Schrijver doet kennen als een ijverig Vereerder van dien Staatsman.

Bijlage D. hergeeft ons de Bijschriften van Vondel, op Dirk Jansz., op Jacob, Andries, Cornelis en Pieter de Graeff, uit de Werken van dien Dichter algemeen bekend. Wij begrijpen niet regt, waartoe de Heer V.E.K. die bijschriften hier op nieuw in het licht heeft gegeven; en nog minder, waarom hij, zulks doende, niet van de andere gedichten gewaagt, door Vondel, ter eere van de familie De Graeff, vervaardigd. Waarom dan ook het grafschrift op Jacob, de regels ter gedachtenisse van Cornelis, het gedicht op de wapenkroon van Amsterdam aan denzelfden Cornelis, het bijschrift op Jacob Cornelisz., op de vrouw van Andries, op die van Pieter, het lofdicht op de kinderen van Andries, maar vooral, om geene andere meer op te noemen, waarom dan ook de gedichten op het wapen van Andries de Graeff en op den oorsprong van het geslacht der Graven, niet vermeld?

Bijlage E. levert eene Naamlijst der Predikanten bij de Hervormde Gemeente te Ilpendam, sedert den jare 1582. Men kan die naamlijst tot 1749, met nog meerdere bijzonderheden omtrent de vermelde leeraren, vinden in het Kerkelijk Alphabeth van M. Veeris, vervolgd door F. de Paauw. De vier eerste predikanten op de Naamlijst voorkomende, waren mede predikanten te Purmerland. In 1637 werden Ilpendam en Purmerland in het Kerkelijke gescheiden; Ds. Gael bleef leeraar op laatstgenoemde plaats, terwijl Jan Jansz. van Ems en Emeloort naar Ilpendam werd beroepen. Het verwondert ons, dat de Heer V.E.K. dit onvermeld laat; uit zijne opgave zou men moeten opmaken, dat Ilpendam sedert den jare 1582, eene geheel afzonderlijke gemeente is geweest. Zoo ook worden, door den Heer V.E.K., de vóórnamen van al de Predikanten te Ilpendam opgegeven, met uitzondering van die van Ds. Grommé, welke door hem slechts met tittels zijn aangewezen. Had hij opgeslagen den Vlissingschen Kerkhemel van G. Vrolikhert (bl. 262), of het Werk van A. Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen (bl. 211) ingezien, dan had hij gevonden, dat de vóórnamen van dien Predikant Wilhelmus Jacob waren. Indien men als geschiedschrijver of oudheidkenner wil optreden, moet men de bronnen, hoe gering ook, kennen, waaruit men historie- en oudheidkennis putten kan. De vader van onzen Schrijver, wijlen de verdienstelijke Jacobus Koning, was hierin een meester; onvermoeid spoorde hij de geringste bijzonderheden op.

De zesde en laatste Bijdrage, F, geeft ons eindelijk eene naamlijst der elkander opgevolgde Bezitters van de vrije Heerlijkheid Ilpendam, sedert de stichting van het Huis Ilpenstein, met aan-

[p. 331]

wijzing van het jaar der aanvaarding van hun beheer, als ook met opgave hunner ambten en der namen hunner vrouwen.

Ook in de Aanteekeningen en Bijlagen vinden wij dus weinig belangrijks, dat ons, ook zonder het Ilpendamsch Archief, niet van elders bekend zou zijn. Wij herhalen het, dit Werkje laat zich wel lezen, doch levert aan den beoefenaar der vaderlandsche geschiedenis en oudheid niet datgene op, wat de titel, de voorrede en de ontdekking van zoo vele oude handschriften zouden doen vermoeden, en wij hadden wel gewenscht, dat de Heer V.E.K. zijn vroeger plan ware gevolgd, en ons alleen een' beredeneerden catalogus der voornaamste Bescheiden, op het Huis te Ilpendam gevonden, in het een of ander Tijdschrift had gegeven. Mogt hij hiertoe nog besluiten, dan zou hij de beoefenaren der geschiedenis van ons Vaderland meer verpligten, dan hij door de uitgave van deze Verhandeling heeft gedaan. Zoo de Heer K. echter hiertoe geenen genoegzamen tijd van zijne dagelijksche beroepsbezigheden mogt kunnen afzonderen, (zie Voorrede, bl. VI) dan ware het te wenschen, dat de tegenwoordige eigenaar dier belangrijke verzameling haar aan eenen kundigen en daartoe bevoegden beoefenaar der vaderlandsche geschiedenis en oudheid ter bearbeiding mededeelde.

Wat nu de uitvoering van dit Werkje aangaat, deze is boven allen lof. Het stuk is keurig, ja weelderig gedrukt, en doet de pers van den Heer Spin eer aan. Een wèl uitgevoerde steendruk, voorstellende: het huis Ilpenstein in de 18de eeuw (waarvan de lijst echter wat al te veel beladen is), versiert dit Werkje, aan welks uiterlijk door den uitgever niets is gespaard. Eere zij dan ook dien Uitgever, die reeds vroeger door de Trudesinde van Friesland (zoo veel zorg niet waardig), heeft getoond, er op gesteld te zijn, dat de Werken, die hij uitgeeft, voor zoo ver van hem afhangt, met smaak en wèl gedaan voor den dag komen. Hij verdient alzoo alle aanmoediging. Wij vreezen echter, dat de uitgave van deze Verhandeling hem weinig voordeels zal opleveren.

‘De titel maekt alleen geen Graef!’