De Gids. Jaargang 29


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1865


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 289]

Brieven van het strand1.

Scheveningen, 31 Julij 1864.

 

Mijne Lieve Emilie!

 

Zoo zijn wij dan na eene lange en vermoeiende reis gisteren avond laat hier aangekomen. Lang en vermoeiend? Ach, melieve! lang en kort zijn betrekkelijke begrippen. Onze grootouders zouden er niet aan gedacht hebben een reis van éénen dag lang te noemen. Maar met hun welnemen schat ik het toch een lange reis van ons Pfauheim in Keurhessen naar Scheveningen in Holland, en van den vroegen morgen tot den nacht in den spoorwagen te zitten noem ik lang. - Vermoeiend? Wij voelden het gisteren avond maar al te goed en wij voelen het heden nog, dat dit woord hier zeer kategorisch op zijne plaats is. Glijdt ook de stoomwagen over gladde sporen, hij deelt uwen ledematen een eigenaardige trilling mede, die op den duur onuitstaanbaar wordt; en hoe gemakkelijk ook de wagens ingerigt zijn, men voelt zich toch spoedig beklemd in die enge ruimte, waar men de beenen niet uitstrekken kan zonder gevaar te loopen van op de exteroogen van eenen medereiziger te treden. Tot Emmerik ging het vrij wel; maar daar

[p. 290]

begon de ware ellende, toen wij in de Hollandsche wagens gestegen waren. De Hollanders zijn met al hun democratischen burgerzin toch een aristocratisch volk. Zij hebben een woord, ‘fatsoenlijk’, dat evenmin in eene andere taal weêr te geven, als het voor een vreemdeling uit te spreken is. Het beduidt ongeveer zooveel als zich onderscheidend van de groote menigte. Nu reist ieder Hollander, die voor ‘fatsoenlijk’ doorgaan wil en het betalen kan, in de eerste klasse op de ijzerbaan, gants anders dan bij ons, waar de eerste klasse een weeldeartikel is voor hooge heerschappen en vreemde diplomaten. Dezen eigenaardigen trek van het Hollandsche volkskarakter nu benuttigen de spoorweg-directiën in dat land, terwijl zij dien tegelijk voedsel geven. Terwijl zij de coupés van de eerste klasse zeer geriefelijk inrigten, leggen zij het er op toe om het verblijf in de tweede klasse zoo onaangenaam als maar mogelijk is, te maken. Het is daar overvol, tien personen in een eng, smal hokje; en de gelegenheid om zich van hun reisgerij, nachtzakken, regenschermen en overjassen, te ontdoen, wordt den reizigers hier niet gegund. Zoo zit men dan op, onder en tusschen zijne zaken. De Hollanders schijnen dat zóó goed te vinden of te veel onderdanigheid te hebben voor de hoogloffelijke spoorweg-directiën, om er over te durven klagen. Toen ik met een medereiziger - een Hollander - er over sprak, kreeg ik eenvoudig tot antwoord, dat het wel hinderlijk was, maar dat men zich daar maar in moest schikken. Het zou toch zoo lang niet duren. Niet lang! Denk u, lieve Emilie, dat wij zóó ingepakt zaten van Emmerik naar Rotterdam, dat is op den sneltrein, die echter niet heel snel gaat, bijna vier uren, en nog eens weêr van Rotterdam naar den Haag, dat is bijkans één uur!

Maar daarmeê was ons leed nog niet aan een einde. Toen wij te half negen 's avonds te Rotterdam aankwamen, was het ons wel eene ware verlossing, uit onze gevangenis ontslagen te zijn; maar nu begon een ander verdriet. Wij moesten onze koffers en andere zaken bijeenrapen en met een omnibus ons laten vervoeren van het eene station naar het andere, om op de baan te komen, die ons naar den Haag zou brengen. Het scheen mij, dat wij daartoe de stad in hare volle lengte door moesten rijden. De Hollanders beroemen zich, een praktisch volk te zijn. Nu zou men echter denken dat niets meer onpraktisch is, dan de stations van twee aansluitende banen aan

[p. 291]

de beide uiterste meest verwijderde punten van eene groote stad te plaatsen. Wij hadden al den tijd om daarover na te denken, want een groot uur moesten wij in het nieuwe station wachten vóór onze trein naar den Haag vertrok. Ook dit scheen mij weinig praktisch en een nieuw bewijs voor het Hollandsche geduld. In waarheid schijnt dat geduld tegen alle beproevingen bestand. Mijn Hollander, die ook naar den Haag wilde en met ons wachten moest, verhaalde mij, dat een der beide maatschappijen al sedert twintig jaren door hare concessie zelve verpligt was eene verbindingslijn tusschen de beide stations aan te leggen, maar dat zij daarin ongestraft tot heden nalatig was gebleven en het waarschijnlijk in de eerste jaren nog wel niet zou doen. Ik kan mij daar geen denkbeeld van vormen. Heeft dan in dit land de regering gants geene magt? Dan prijs ik voor mij toch ons landsvaderlijk regiment. Of heeft de publieke opinie hier in 't geheel geene stem? In Engeland zou die, naar mij dunkt, over zoo iets al lang schande geroepen hebben, zoo luide, dat ook de hardnekkigste traagheid daarvoor bezweken zou zijn. Ik ben nog maar weinige uren in dit land en wil mij wachten voor de fout der meeste toeristen, om dadelijk een oordeel te vellen over hetgeen ik in den vreemde zie. Maar als ik op de eerste indrukken af mag gaan, dan beweeg ik mij hier onder een zonderling volk. De vrijheid, waarin het roemt, schijnt daarin te bestaan, dat het wezenlijk gezag niets te zeggen heeft, en zijn zin voor orde en rust hierin, dat het publiek zich met schaapachtig geduld alles laat welgevallen wat deze of gene willekeur goedvindt te doen. Mij dunkt, dat ik hier sta op een neutralen bodem tusschen de krichtige policie, die in ons Duitschland van hoogerhand voor ons waakt, en het krachtige selfgovernment, waarmeê de Engelsche burger persoonlijk zijne regten en belangen handhaaft. Maar die neutrale bodem schijnt mij even week en slap toe als de bodem van Holland zelf.

Toen het eindelijk tien uur geworden was, stegen wij in den trein naar den Haag. Het was een Bommelzug, die ontzettend langzaam reed (maar men zegt, dat het hier geschieden moet, omdat de grond zoo week is) en aan verscheidene tusschenstations ophield, waarvan één onder den grond scheen te liggen, want de passagiers kwamen uit de wachtkamers als uit een valluik op het tooneel opduiken. In den Haag aangekomen, werden wij in ontvangst genomen door een aantal voer-

[p. 292]

lieden van huurkoetsen, die elkander onze ligchamen en onze koffers betwistten, met eene Zudringligkeit1 waarvan ik nergens de wedergade heb gevonden. Het is waar, dit soort van volk is overal lomp en grof, ook zelfs bij ons in de groote steden. Maar zulk een raauw gekrijsch, dat iemand de ooren wezenlijk verscheurde, vond ik nergens. Ik denk, dat het aan het harde hollandsche accent ligt, dat den Duitscher altijd onbehagelijk tegenklinkt, en misschien ook aan het ontbreken van die gemoedelijkheid, waardoor in ons lieve Keurhessen de volksklasse zich onderscheidt. Hier zegt men, dat het komt van het veel jeneverdrinken, dat die kerels moeten doen, omdat zij dikwijls natte voeten hebben, hetgeen hier zeer ongezond is.

Ik hoef u niet te zeggen, lieve vrouw, hoe slaperig wij allen waren, toen wij na een rid van ongeveer een uur lang eindelijk tegen middernacht ons hôtel aan het strand bereikten. Het was pikdonker en er viel een fijne stofregen, zoodat wij niets van de zee konden zien. Doch wij hoorden uit de verte haar statig geruisch. En onder deze muziek sliepen wij in.

Kunigunde en de kinderen slapen nog. Ik ben vroeg opgestaan om aan het strand te wandelen en de zee te zien, en om aan u te schrijven. Straks ga ik den badarts spreken, die een zeer kundig en geschikt man moet zijn. De aanbevelingsbrief, dien Sanitäts-Rath Dr. D** mij voor hem medegegeven heeft, zal mij zonder twijfel van veel dienst te zijn.

Vaarwel, lieve vrouw! Ik wil niet morren omdat gij te huis moet blijven om uwen zuigeling te verplegen en de Wirthschaft te besturen. Maar ik zal u aan mijne zijde toch veel missen. Groet Heinrich.

 

Uw Karl.

 

4 Augustus 1864.

 

De zee..... eindeloos groot en grootsch is zij toch. Wonderlijk doet zij u aan in hare uitgestrektheid, hare beweging,

[p. 293]

hare verscheidenheid. De eerste indruk valt niet mede, als men haar van dit vlakke, regts en links in oneindig verschiet zich uitstrekkende, strand aanschouwt. Men is geneigd te vragen: is dat nu de zee? Eene nuchtere vraag, mijne Emilie, ik erken het, maar ik weet het niet beter te zeggen, wat ik dien eersten morgen voelde. Gij denkt u hemelhooge golven, die als reusachtige gevaarten komen aanstormen om al wat hun in den weg staat met dood en verderf te overstelpen. Gij hadt misschien gedroomd van brekers, die met donderend geraas op het harde strand beuken, dat het schuim ten hemel spat en dat de oever onder uwe sidderende voeten in den toornigen maalstroom dreigt te bezwijken. Niets van dat alles. Wie met zulke illusiën herwaarts kwam, begint met eene groote teleurstelling, en zijne tweede gedachte is, dat de zee toch maar een groot meer is. De duinenketen, die hier het strand omzoomt en waarvan het hoogste punt in den omtrek zich naauwelijks honderd twintig voeten boven de waterlijn verheft, loopt glooijend af naar zee, op een afstand dien ik bij laag water op twee à driehonderd passen schat. En hetzij gij boven op het duin of beneden aan den rand der zee staat, altijd hebt gij de vlakte voor u. De stoutste golven schijnen niet eens manshoogte te bereiken. Maar wanneer gij eens over die eerste teleurstelling heen zijt, dan grijpt u een wonderbaar gevoel aan, dat al magtiger en magtiger in u begint te werken. Gij worstelt er vruchteloos tegen; het beheerscht u met toovermagt. Die eenvoudige, toonlooze, kleurlooze vlakke massa trekt u onweêrstaanbaar aan. Gij wilt uwe oogen afwenden, gij kunt het niet; gij verwijdert u, gij moet tegen wil en dank u omkeeren. Onder uwen blik wordt het vlak grooter, grooter, breeder, dieper, grenzenloos: de oneindigheid, het eeuwige ligt daar voor u uitgebreid. In die eerst zoo eentoonige vlakte ontdekt gij allengs eindelooze schakering en wisseling. Welke kleur heeft de zee? Zij heeft geene kleur, zij heeft tegelijk alle kleuren: donkerbruin, graauw, grijs, melkwit, geel, in 't roode spelend, of in 't paarsche, bij vlagen smaragdgroen of hemelsblaauw. Gij kunt niet zeggen, zie hier of zie daar. Die tinten en verwen loopen in elkaâr en wisselen zich af, altijd dezelfde en altijd weêr anders. Elk half uur schept een andere stand der zon eene andere kleurenmengeling; met elk voorbijtrekkend wolkje glijdt een ander beeld over dezen spiegel. Gij wordt vermoeid van het zien en wordt toch niet moede er op

[p. 294]

te staren. En dat glijdt en krult en rolt en breekt en herstelt zich weêr, en komt en wijkt en keert terug en spat en schuimt, en dreigt u aan te grijpen en uwe voeten te omvangen, en wijkt terug en verzinkt weder voor het u nog bereikt, en ruischt en bruischt en klatert en ratelt en buldert en brult en dondert, en zingt zijn duizendstemmig lied - het lied der Sirenen, dat u vleit en lokt en meê wil sleepen in die grondelooze diepte, waaruit het oprijst - neen, het lied, dat sedert den dag, waarop het drooge van de wateren werd gescheiden, de schepping als eindeloozen lofzang haren Schepper toezingt. O diepte van harmoniën in kleuren en klanken, door geene kunst ook maar van verre na te bootsen! O onuitsprekelijk bekoorlijke zamenstemming van leven en rust, in geene gedachte te bevatten! O trouwe beeldtenis van den wentelenden tijd, die gelijk gij heden zijt, alzoo gisteren waart en eergisteren en vóór jaren en vóór eeuwen, en morgen zijn zult en over jaren en eeuwen, altijd dezelfde en altijd eene andere! - magtige zee! wees gegroet.

 

7 Augustus 1864.

 

Eergisteren was het een overschoone dag, zoo als deze zomer er tot nog toe weinige opleverde. Geen wolkje aan den blaauwen doorschijnenden hemel. Het was bladstil en ongemeen warm; op den middag wees de thermometer in de schaduw op 22o R. Het felle wit van het blinkend duinzand deed aan de oogen pijn. Het baatte niet of men al beschutting zocht in de schaduw der gebouwen of der badkoetsjes, die langs het strand geschaard stonden. Het was een stout ondernemen, door de mulle, gloeijende zandwoestijn te waden, die het badhuis van de zee scheidt - een Sahara in 't klein. Maar wie het bestond werd voor zijne moeite beloond. Onmiddellijk aan den rand des waters ademde u frischheid tegen; de vochtige, door den vloed overspoelde zoom doordrong u met een gevoel van verkwikking, en de zachtgraauwe tint van het natte zand gaf den oogen rust. De zee lag daar voor u als een effen spiegel, die het blaauwe uitspansel in eenigzins donkerder toon weêrkaatste, doorsneden met enkele lichtstrepen, die als stralen

[p. 295]

nu hier dan ginds uitschoten. Doch neen, dat beeld van den spiegel is te alledaagsch en in den grond toch onwaar. Veeleer moet gij denken aan golvend staal. De zee, dat beeld der rust, is toch nooit een beeld des doods, een bewegingloos vlak, dat gij met een zielloos voorwerp kunt vergelijken. Zij ligt daar voor u als een krachtige schoone jongeling, wiens breede borst onder de rustige ademhaling des slaaps rijst en daalt. Zacht suizelend stuiten de golfjes tegen het strand, ze vouwen en plooijen zich over elkander; met ligtelijk opkrullenden rand glijden ze u murmelend te gemoet om in een zucht voor uwe voeten weg te sterven.

Den ganschen dag dwaalde ik mijmerend en droomend aan den rand des waters heen en weêr. Een oneindige Sehnsucht vervulde mij het gemoed. Denken kon ik niet; naauwelijks was het zelfbewustzijn in mij levendig: ik genoot eenvoudig het gevoel des bestaans.

Intusschen volbragt de schitterende Helios den togt op zijnen zegewagen aan 's hemels boog. De avond kwam en bragt zooveel verkoeling mede, dat het nu ook goed en liefelijk werd, op het terras van het badhuis te zitten. De zon daalde en schoot hare stralen breed over het watervlak uit, dat onder die aanraking flikkerde en schitterde als hadden millioenen gulden gestarnten zich daar verzameld. Lager en lager dook de god des lichts met snel toenemende vaart, als haakte hij naar de koele omhelzing, die zijn gloed zou blusschen. En al liefelijker en teederder werd het aanschijn van den trotschen held. Tot zachtere glansen versmolt zijn stralenpracht. Eindelijk, daar stond hij als een roodvurige kogel op den rand van den horizont; daar zonk hij halverwege in den schoot der baren: nog één oogenblik, daar was hij verdwenen; maar gelijk de nagalm van een krachtig accoord voort blijft ruischen door de gewelven van het heiligdom, zoo zond hij nog zijnen afscheidsgroet ons uit de diepte toe met eene onbeschrijfelijke mengeling van duizend teedere verwen aan het uitspansel gepenseeld. Eene enkele smalle lange wolkenstreep hing boven de westerkim, van boven paarsch getint, aan den onderrand door het scheidende licht verzilverd, daarna met rood goud afgezet. Toen trok de nacht haren valen sluijer van uit het oosten over hemel en aarde; graauw en duister werd alles over en om ons henen; de vormen versmolten en verdwenen; alleen de duizende sterren flonkerden van hunnen donkeren achtergrond u

[p. 296]

te gemoet. En in het verre, verre noordwesten bleef een dunne lichtstreep schemeren als voorbode van eenen nieuwen dag.

Gisteren morgen was het een weinig minder warm, althans volgens den thermometer, maar veel drukkender. Tot den middag scheen de zon helder en scherp als de dag te voren, scherper zelfs, want het was mij, of ditmaal zelfs de zeelucht geen verademing kon schenken. De lucht echter was minder blaauw. Langzamerhand werd zij met een dunnen nevel overtogen, vaalblank, effen en vlak zonder kreuk of rimpel, zonder schaduw of lichtzijde. Die nevel, zich langzamerhand verdikkende, kon echter de zon niet geheel bedekken; maar van haren stralenkrans beroofd hing deze als een wit cirkelvlak, zonder glans of heerlijkheid, aan den trans. Het was warm, het was licht: maar het kostte moeite, het geloof vast te houden, dat warmte en licht hunne bron in die zon hadden. Het verschiet over zee was beperkt, de grens tusschen water en lucht viel niet waar te nemen. Het watervlak zelf had een doffen bronzen tint aangenomen; de branding brak zwaarmoedig tegen de banken en wierp een vuil schuim op het zand. Van tijd tot tijd streek een windvlaag over den bodem, nu eens uit deze dan uit gene rigting, en joeg hier en daar het stuifzand in dwarreling op. Dan was weder alles stil. Zoo ging de lange, zware dag voorbij. Alle badgasten hadden zich in hunne kamers teruggetrokken. Ook de gewone bezoekers uit den Haag waren weinig in getal. Het strand was nagenoeg ledig. Ik kortte mij den tijd met lezen, maar kon toch de aandacht bij Varnhagen's overigens zoo merkwaardige Gedenkschriften (die hier te lande geen verboden lectuur zijn, zoo min als iets anders) niet goed bepalen. De kinderen verveelden zich en waren lastig. Zuster Gunda had veel met hen te stellen.

In den namiddag kwam er eenige verandering. De lucht scheen dunner te worden en uit het noordwesten verhief zich eene koelte. Daarentegen pakten zich aan den zuidelijken hemel dikke wolken te zamen, deels boven de zee, deels en voornamelijk in de rigting van het binnenland. De bovenste lagen vertoonden zich wit en wollig. Langzaam en statig kwamen zij opstijgen en werden voller en ronder; een graauwe achtergrond deed hunne fantastische vormen scherper uitkomen: geheel in de kimmen verdonkerde zich de wolkenmassa tot een effen loodkleurig vlak, dat op zijne beurt hooger en hooger rees en tegelijk westwaarts naar de zeezijde omtrok. Er

[p. 297]

was geen twijfel aan, wij hadden een onweder te wachten. Het duurde echter langer dan ik gedacht had, vóór het losbrak. Eerst tegen den tijd van zonsondergang zagen wij de eerste flikkering van het elektrische licht door het wolkgordijn schieten.

Ik zal u, liefste Emilie, het onweder, dat wij aanschouwden, niet beschrijven. Gij hebt zooveel beschrijvingen in dicht en ondicht gelezen van bliksemflitsen, die het luchtruim doorklieven, en van ratelende donderslagen, dat ik u niets nieuws zou kunnen verhalen. Ook hebt gij het zelve te dikwerf gezien, dan dat mijne voorstelling niet flaauw en kleurloos zou wezen bij uwe herinnering. Weet gij nog, hoe wij dien avond kort vóór mijne afreize zij aan zijde stonden op den heuvel achter het eikenbosch en in heiligen eerbied Gods wonderwerken aanstaarden? Bovendien, ik voel mijne onmagt al te wel, om in woorden weder te geven de gewaarwordingen die in zulke oogenblikken het gemoed vervullen. Toch is het onweder aan zee een schouwspel, dat ik nog niet kende. De bui, door de watervlakte aangetrokken, ging langs ons voorbij, en op het duin uitgestrekt, konden wij het tooneel in al zijne majesteit overzien. Bijna het gansche halfrond van den horizont vóór ons was met het duister wolkgevaarte overdekt; het was als rustte het op de zee, om zich van daar hoog in den hemel uit te strekken. Het licht schitterde op verscheidene punten tegelijk en vloog over onmetelijke afstanden in een oogwenk heen en weder, op en neder. Daar kronkelde een straal in grillige bogten, daar schoot een andere regtstandig naar beneden, daar gloeide het hemelvuur vormloos achter het gaas der wolken, daar flikkerde het op vier, vijf punten tegelijk. Van het rollen des donders vernamen wij slechts een flaauwen galm.

Heden hebben wij, gelijk te verwachten was, verandering van weêr. De lucht is koel en frisch. Een sterke noordwestenwind staat regt op de kust. De

 
Eilende Wolken, Segler der Lüfte,

drijven met vliegende vaart boven ons henen, terwijl hare zware slagschaduwen scherp geteekend over zee en strand en duinen trekken. Voortdurend komen nieuwe, als van een gescheurde vlokken, uit de kimmen oprijzen, met gelijke drift hare vooruitgesnelde zusters vervolgende. De zee is onstuimig, als ware

[p. 298]

zij vertoornd dat zij door den grimmigen dondergod in haren slaap gestoord is. In gesloten slagorden dagen de met blinkend schuim gekroonde golven uit de diepte op. Zij werpen zich wild bruischend als stortvloeden heen over de banken, die haar vruchteloos in hare vaart meenen te stuiten; wederom steken zij de blanke koppen omhoog om op nieuw zich donderend neder te werpen. Ten laatste, wel verzwakt en gebroken, maar niet uitgeput, stuift de vloed over het strand, met verraderlijke snelheid u bekruipende, waar gij meendet veilig te staan; en vóór en om u spoelende en kronkelende, en regts en links uitschietende, tegen elkander botsende en klotsende, drijven de laatste kabbelingen dartel stoeijend haar grillig spel. - Nu is het de tijd voor de ware liefhebbers om een zeebad te nemen.

Het heeft gedurende den nacht aanhoudend en hard geregend. Maar in het duinzand is er geen spoor van zigtbaar; het is even dor en droog als gisteren en giert vóór den wind in lange strepen over de breede, effene vlakte tusschen zee en duin. Dat wekt troostelooze gedachten op. Gaat zoo ook niet onze arbeid, dien wij zoo gaarne vrucht zagen dragen, dikmaals spoorloos verloren?

 

Scheveningen, 12 Augustus 1864.

 

Lieve Broeder Heinrich!

 

Met ware blijdschap las ik dezer dagen in de dagbladen den inhoud der vredesprelimairen tusschen de gealliëerden en Denemarken, die den 1sten Augustus te Weenen zijn geteekend. Zoo is dan deze oorlog tot roem der Duitsche wapenen volbragt, de trots van den Deen vernederd, Sleeswijk-Holstein voor altijd één en ondeelbaar, en zoo is door Duitsche mannen aan de lang verdrukte Duitsche broeders generzijds de Elbe de vrijheid verzekerd, trots het dreigende Skandinavisme en ten spijt van Engeland en Frankrijk beide, die Duitschland zijn regt en zijn krijgsroem misgunden.

Het was mij behoefte mijn hart voor u uit te storten, lieve broeder. Want hier kan ik over gebeurtenissen, waarop elk Duitscher met regt fier is, niet spreken zonder gevaar te loopen van in twist te geraken. En ik behoor niet onder hen,

[p. 299]

die het voegzaam achten, onder vreemden een hoogen toon te voeren. Het volk dat u gastvrij opneemt, behoort men te eerbiedigen in zijne begrippen, ook in zijne vooroordeelen.

Blijkbaar is men hier niet op onze hand, en dit is te meer merkwaardig, omdat de Deenen door hunne blokkade-maatregelen den Hollandschen handel in de Oostzee veelszins benadeeld hebben, terwijl daarentegen Oostenrijk en Pruissen de meest vriendschappelijke verstandhouding, ook ter zee, met de Nederlanden in acht bleven nemen.

Doch deze stemming, hoe vreemd zij oppervlakkig schijne, laat zich gemakkelijk verklaren. Naarmate het magtige en eendragtige Duitschland zich zelf meer voelt en, zijner kracht bewust, zich gelden laat om den rang in te nemen onder de volken van Europa, waarop het regt heeft, kan het niet uitblijven, dat het ook meer de opmerkzaamheid trekt van de andere staten, en door de grooten met afgunst, door de kleinen met beduchtheid wordt aangezien. Er zijn er zelfs in dit land, die ronduit zeggen, dat de geheele Deensche kwestie haren oorsprong heeft in Pruissen's heerschzucht, dat wel beseft niet magtig genoeg te zijn om zijnen rang als groote mogendheid op te houden en daarom zich in de noodzakelijkheid geplaatst vindt om door verovering van grondgebied quovis modo zijne magt te vergrooten. Daarvan is Denemarken, meenen zij, nu het slagtoffer geworden; even goed had Holland het kunnen worden, en in elk geval mag men hier nu wel dubbel op zijne hoede zijn, sinds het gebleken is, dat de groote mogendheden hunnen natuurlijken pligt om het politiek evenwigt in Europa te handhaven, smadelijk verwaarloozen. Het kost moeite, over zulken laster jegens de Duitsche trouw en Duitsche eerlijkheid niet toornig te worden. Doch de tijd zal ons regtvaardigen. Wanneer maar eenmaal de vrede voor goed gesloten is, zullen de verbondene mogendheden zich haasten de hertogdommen onder de wettige bescherming van den Bond te plaatsen en op schitterende wijze der wereld toonen, wat Duitsche edelmoedigheid is; onze noordelijke broeders zullen als een nieuw lid in het groote gezin welkom geheeten worden; een vrij volk zal zijnen angestammten heerscher ten troon verheffen en met zijn kinderlijke liefde omringen, en vóór wij een jaar verder zijn zal, ik ben des zeker, de afgevaardigde van Friedrich VIII op den bondsdag te Frankfort den hem toekomenden zetel hebben ingenomen.

[p. 300]

Dat overigens den Hollanders vroeg of laat gevaar dreigt, wil ik niet ontkennen, zonder nog te kunnen zeggen, van waar het komen zal. Maar ook in het leven der volken werkt de eeuwige natuurwet der aantrekkingskracht, die het kleine dwingt zich in het groote op te lossen. De wereldgeschiedenis leert het ons op elke bladzijde. Komen zal het uur, waarin Holland, zoo min als België, zich aan die onweêrstaanbare kracht zal kunnen onttrekken. Mij is het dikwijls bij het bestuderen van de geschiedenis van dit altoos merkwaardige volk voorgekomen, dat het zelf door de eenzijdige rigting van zijne politiek zijne toekomst bedorven heeft. In den tijd van zijnen bloei had het met weinig moeite zich kunnen verheffen tot eenen groeten, ontzagwekkenden staat, door zijn grondgebied langs zijne oostelijke grenzen over Neder-Duitschland te vergrooten. Wat heeft de republiek menige goede gelegenheid daartoe verzuimd. Oost-Friesland had zij eene eeuw lang feitelijk in hare magt; Lingen en Meurs waren bezittingen van het Huis Oranje, die ligt tot deelen van den staat ons te vormen waren geweest; den Bisschop van Munster, die lastige buurman, had men met een weinig energie zwaar kunnen laten boeten voor zijne uittartingen; de vestingen langs den Beneden-Rijn waren te behouden geweest; de Cleefsche successie had de republiek een oogenblik in hare hand; met Oppergelder heeft zij zich in 1713 argeloos om den tuin laten leiden. Men hoort wel eens sommige lieden zeggen, dat zij gaarne hun leven van voren af aan nog eens zouden willen beginnen en dan een' anderen weg zonden inslaan, dan waarop zij nu geraakt zijn. Men zou hetzelfde aan dezen staat kunnen toewenschen. Het eenzijdig overwigt van Holland (de provincie bedoel ik) heeft de republiek in den grond bedorven. Dit overwigt offerde alles aan de belangen van den zeehandel en aan de ontwikkeling van magt ter zee op; en de vrees van dit overwigt te verliezen, dreef Holland, om bevestiging en uitbreiding van den staat aan de landzijde tegen te werken. Later heeft men het gevoeld, maar toen het te laat was. De Brandenburgers, aanvankelijk door de Hollanders zelven groot gemaakt, hebben uitstekend de kunst verstaan om hen binnen de enge grenzen van hun kustland terug te dringen. Toen in 1815 de mogendheden meenden Holland tot een krachtigen staat te maken, was er misschien nog goede gelegenheid geweest eenen vasten zeestaat te scheppen door Oost-Friesland

[p. 301]

met Jeverland aan den eenen, en Vlaanderen aan den anderen kant aan het gebied der voormalige republiek te hechten. Dit ging te gemakkelijker omdat Oost-Friesland toen nog half Hollandsch in taal en zeden was en weinig sympathie voor Hannover gevoelde. Maar men beging de groote fout van geheel België, het Waalsche zoowel als het Vlaamsche, met de zeven provinciën te vereenigen. Dat was alreede een gewigtig element van verdeeldheid in den nieuw opgerigten staat. Bovendien Holland was in de aangegane gemeenschap door zijne twee eeuwen oude traditie van een zelfstandig bestaan van zelve aangewezen om te heerschen; maar het materiëele en intellectueele overwigt was aan de zijde van het grootere en meer bevolkte België. Deze verhouding moest rijk zijn aan botsingen, onafhankelijk nog van andere oorzaken van twist. Zoo hebben dan ook de mogendheden spoedig begrepen dat zij hun werk weder moesten afbreken. Of zij nu met meer overleg gehandeld hebben door in 1830 twee kleine, in zich zelf geen levensvatbaarheid hebbende staten tusschen twee kolossen, Pruissen eenerzijds en Frankrijk aan den anderen kant, in de klem te zetten, dat zal de tijd leeren.

Gij verwondert u misschien, waardste Heinrich, dat ik mij aldus verdiep in bespiegelingen, die in den grond u noch mij aangaan. Wat zal ik u zeggen? De zeelucht maakt ongeschikt tot ernstigen, degelijken arbeid; en bij gebrek aan beter, geeft men zich gemakkelijk over aan het spel der gedachten. Ik schreef mijne denkbeelden neder zoo als zij zich van zelven vormden en ontwikkelden. Gij zult mij niet verwijten, dat mijne opmerkingen van weinig Duitsche gezindheid getuigen. De geschiedvorscher moet zich gants objectief tegenover de gebeurtenissen weten te plaatsen, en de wijsgeerige beschouwing der wereldgeschiedenis kan zich niet laten binden door de enge grenzen van een toevallig vaderland.

Met broederlijke liefde blijf ik

 

Uw Karl.

 

PS. Gisteren hoorde ik eenen hoofdofficier aan de table d'hôte de meening uiten, dat de gansche Deensche oorlog van Pruissens zijde niet anders zou zijn, dan eene legeroefening op groote schaal; dat de kwestie der Elvehertogdommen Pruissen in den grond onverschillig is, en dat men tegen een of andere compensatie gereedelijk

[p. 302]

Sleeswijk, met Holstein er bij, aan Denemarken terug zou willen geven. Het geheim der zaak zou dit zijn, dat Pruissen vroeg of laat een oorlog met Frankrijk ducht, en alleen deze gelegenheid heeft aangegrepen om zijn leger, dat door bijna vijftigjarige rust geen middel heeft gehad om zich te onderscheiden, te beproeven en voor te bereiden op de groote worsteling, die te wachten staat. - Wat de menschen niet al praten!

 

14 Augustus 1864.

 

Lieve Emilie!

 

Met spaden en schoppen gewapend trekt elken morgen eene talrijke bende uit, om uren lang in onverdroten arbeid aan het strand bezig te zijn, kanalen te graven, schanswerken op te werpen, dijken en dammen tegen de zee te bouwen, den vloed te keeren of te leiden, al naar het oogenblik schijnt te vorderen. Maar het zijn geene zwaar gebaarde mannen, die op bevel van den technischen bestuurder van het werk hier kuilen uitdiepen, daar heuvelen ophoogen. De kompagnie sappeurs, die elken dag op nieuw op het strand present is om het werk van den vorigen te hervatten, onderscheidt zich door gladde gezichtjes en krullende lokken die lustig in den zeewind fladderen. Het grootste deel draagt geborduurde broekjes en korte rokjes over wijd gespannen crinolines. De grootste man van het gelid reikt tot vier voet, de oudste zal dertien zomers tellen. Het is een aardig tooneel, dat kinderspel, dat met een ernst en ijver gedreven wordt als of de hoogste belangen zich aan dien arbeid hechtten. Wat een lust, als het doorzijpelende water de kuilen en kanalen vult; wat gejuich, als ‘de hooge berg’ met vereenigde krachten opgebouwd en vastgeslagen is, zoodat er wel twee naast elkander op zijn kruin staan kunnen. August en Amalia doen trouw mede; hunne oogen schitteren van blijdschap over het welslagen van hun werk. De opkomende vloed komt telkens meêdoogenloos het verrigte werk verstoren, maar dat is juist de bron van hun genot. Indien de eens gegraven kanalen en opgeworpen dijken ongerept bleven staan, zou de lust er spoedig af zijn. Daarom bouwen zij ook liefst tegen den vloed in, zoo digt mogelijk aan zee.

[p. 303]

Gaat het ons volwassenen niet ook zoo, dat het scheppen zelf ons meer vreugde baart dan het volbragte werk? - Gisteren had August zich een groot rond eiland gevormd aan den uitersten zoom, terwijl de zee kwam opzetten. Nu ben ik Robinson! riep hij triumfantelijk uit, terwijl hij op zijn eiland van vier voet in doorsnede omstapte en de groeve rondsom reeds met water gevuld was. Daar kwam een golf opstuiven, sterker dan al de vorige; het gansche eiland werd overstroomd en Robinson buitelde verschrikt in den greppel, tot over de ooren met het zilte water bespat. Drie of vier andere waaghalzen deelden in hetzelfde lot. Onder luid gejuich werden de drenkelingen opgevischt en in de zon te droegen gezet.

Soms steek ik zelf wel eens mede de handen uit, of geef goeden raad, hoe men de dammen volgens de regelen der kunst met regte lijnen en zuivere cirkels aanleggen zal. Maar mijn raad vindt weinig bijval. De kinderzin is grillig en afkeerig van den dwang van orde, maat en regel. Het werk is in hunne oogen sierlijker, naarmate het met stouter wendingen en zonderlinger bogten van de mathematische regtzinnigheid afwijkt. Gij kunt hetzelfde waarnemen in de teekeningen, die de kleuters met potlood op het papier krassen. De kunstvorm, waar zij het eerst oog voor hebben, is de karrikatuur. Als zij uw portret teekenen, kunt gij er op rekenen, dat zij u moedwillig een neus aanpassen die tienmaal te dik en te lang is. Moeten wij dien natuurtrek trachten uit te roeijen en ons haasten onze kleinen zoo vroeg mogelijk de nuchtere waarheid der proportiën in te prenten? Ik geloof het niet. Laat het aan hen zelven over, den weg tot die waarheid te vinden, en bepaal u, des noods, tot eene vingerwijzing. Daarom zie ik er weinig heil in, die vernuften in den dop te kwellen met hetgeen men vormleer noemt, met gelijkzijdige en gelijkbeenige driehoeken, met trapezen en paralellogrammen en kubussen, met geknotte en ongeknotte kegels, en andere dergelijke barbaarsche klanken, die zij niet eens kunnen uitspreken, veel min aan eenig hun duidelijk geworden begrip verbinden. Zelfs Fröbels leermethode, hoeveel schoons en aantrekkelijks ons anders daarin ook toelacht, zal, vrees ik, op den duur niet stand houden. Er is nog te veel in, dat afgepast en afgemeten is, te veel lijn en regel. De kindertuin heeft nog te veel van de kazerne weg.

Maar ziedaar voor van daag al philosophie genoeg. Wees hartelijk gegroet van uwen

K.

[p. 304]

18 Augustus.

 

Lieve Broeder!

 

Scheveningen is een groot dorp; of juister gesproken, eene kleine stad. Scheveningen is eigenlijk eene voorstad van den Haag, waarmeê het door eene schoone allee van olmen en eiken, een half uur gaans lang, verbonden is. Er zijn vele Duitsche steden van naam, die met Scheveningen in uitgestrektheid noch bevolking wedijveren kunnen. Men schat de laatste op 8000 à 9000 zielen. Het dorp heeft zich dan ook een stadsch aanzien gegeven, althans in de hoofdstraat, de eenige die door vreemdelingen bezocht wordt. Daar vindt men aan wederzijden van den bestraten weg opgehoogde trottoirs, meer trouwens voor de pronk dan voor het gebruik der wandelaars. Want daartoe zijn zij eerstelijk te smal en ten tweede te veel afgebroken door willekeurige uitbouwsels en afsluitingen met palen en hekken, door de eigenaren der woningen voor hunne huizen geplaatst, en die zij hier stoepen noemen. Gij vindt hier een nieuw bewijs van de zonderlinge wijze waarop de Hollanders het publiek belang aan bijzondere willekeur prijs geven. De eigenaars van die stoepen schijnen daarop onschendbare regten te hebben verworven. En de Gemeinsinn is niet krachtig genoeg tegenover het particularisme, om hen uit eigen beweging in 't publiek belaag afstand daarvan te laten doen. Bij ons zou de policie aan zulken misstand spoedig een einde maken; in Engeland zou de public spirit der bevolking het doen. Hier werkt noch de eene noch de andere krachtig genoeg om enkele koppige lieden tot rede te brengen. - Ook de huizen in deze hoofdstraat hebben een stadsch voorkomen. Zij onderscheiden zich door Hollandsche netheid, maar even zeer door Hollandsche stijfheid. Zij zijn er meestal op ingerigt om gedurende het badsaizoen vreemdelingen te herbergen. Zoo ver ik echter kan oordeelen, zijn er de kamers meestal eng, laag en benaauwd: aan de zonzijde onuitstaanbaar heet, aan den schaduwkant bedompt. Doch dit heeft deze goede zijde, dat men van zelf genoodzaakt is, veel in de open lucht te zijn. Het vriendelijke en vertrouwelijke, dat de woningen voor vreemdelingen in onze Duitsche badplaatsen hebben, zult gij hier te vergeefs zoeken, behalve in enkele in den allerlaatsten tijd buiten het eigenlijke dorp aangebouwde villa's. Maar

[p. 305]

deze zijn voor de buitenlanders niet te bekomen. Zij worden reeds vroeg in het jaar door Hollandsche familiën in beslag genomen.

Het overige van het dorp, zeide ik, wordt door de vreemdelingen niet gezien. Het is hun letterlijk eene terra incognita. Mogelijk, dat er eens in het jaar één onderzoeklievende reiziger op een ontdekkingstogt derwaarts uitgaat. Stellig geen twee. Ik zelf heb er nog geen voet gezet. De toegangen zelve zijn te afschrikkend, naauwe, onbestrate stegen, waaruit een ondragelijke stank van rottende visch u tegenkomt. Men zegt dat de digte en grootendeels arme bevolking daar allerellendigst opeengehoopt leeft; en er is dan ook beweerd, dat Scheveningen ondanks zijn gezonde ligging meer dan eens een focus van besmettelijke ziekten is geweest. Wanneer eens de Engelsche instelling van een board of health in Holland ingang gevonden heeft, zal zij hier veel te doen vinden.

Ik sprak daar van eene grootendeels arme bevolking. De sociale toestanden hier zijn mij nog niet klaar; maar ik hoop, dat de tijd en de gelegenheid mij niet zullen ontbreken om ze te bestuderen. Ik houd mij overtuigd dat die studie door merkwaardige ontdekkingen beloond zal worden. De visscherij is hier natuurlijk de voorname tak van bedrijf. Er moet, naar men mij zegt, daarin een geheel eigenaardig, allerzonderlingst stelsel van socialisme bij de verdeeling der winsten tusschen meesters en arbeiders heerschen, te merkwaardiger omdat het zeer bezwarend voor de laatsten is. Zooveel is zeker, dat niettegenstaande, volgens aller zeggen, de visscherij in de laatste jaren zeer goede uitkomsten oplevert en bovendien de verteringen der talrijke badgasten hier veel verdiensten aan de bevolking verschaffen, de massa evenwel arm is en arm blijft. Het doet mij innig leed van de lieden; want het schijnt een goed en degelijk slag van menschen te zijn. Ik tracht mij dikwijls met de visschers aan het strand te onderhouden; en ik heb al zooveel van de taal geleerd, dat wij elkander tamelijk wel verstaan kunnen. Ik spreek gaarne met hen, want zij zijn goedaardig en leggen een kernachtig gezond verstand aan den dag.

[p. 306]

19 Augustus.

 

Liefste Emilie!

 

De inhoud van dezen zal zich min of meer aansluiten aan dien van mijn schrijven van gisteren aan Heinrich, dat ik tegelijk met den huldigen verzend.

Even als bij ons de halve bevolking van Pfauheim Müller heet, zoo is er hier een naam, die alle andere beheerscht: Waterreus. Men vindt hier Waterreus den bakker, Waterreus den winkelier in koloniale waren, Waterreus den melkverkooper, Waterreus den verhuurder van rijtuigen, Waterreus den herbergier en nog twintig andere Waterreuzen meer. Ik geloof dat bovendien de helft der visschers Waterreus heet. En in waarheid, geen naam kon meer geëigend wezen voor deze plek en voor dit volk. Waterreuzen (Wasserriesen) zijn het, die lieden, wier gansche leven aan de worsteling met winden en golven gewijd is.

Men moet wezenlijk achting voor dit volk hebben. Ik zou haast durven zeggen, dat er niet één onder is, die niet een vader, broeder of zoon in zee verloren heeft. Het getal weduwen is dan ook hier, even als op de visschersplaatsen in het algemeen, ontzettend groot. Onlangs sprak ik eenen ouden visscher, die het als eene bijzondere beschikking der Voorzienigheid roemde (want er heerscht onder deze lieden, die voortdurend met de magtige elementen te kampen hebben, eene wel dikwijls bekrompene, maar toch aandoenlijke vroomheid) dat hij vijftig jaren gevaren had zonder ooit schipbreuk te hebben geleden. Maar meer dan eens had hij aan zijne zijde eene andere schuit in den woedenden storm reddeloos te gronde zien gaan. Zoo met het gevaar voor oogen, en te land en te water door alles wat hen omringt aan het gevaar herinnerd, gaan zij toch welgemoed altijd van voren af aan in zee, met hunne ranke open vaartuigen, die slecht op het water liggen en door den minsten golfslag overstelpt worden. Voor ons, landrotten, heeft het al iets ijzingwekkends, die notendoppen op de deining der brandingen te zien slingeren en onder eene frissche koelte, die wij geneigd zouden zijn een storm te noemen, de veilige kust te zien verlaten. In dezen tijd des jaars zegt dat nog weinig; ofschoon de visschers ook in den zomer niet zelden door hevige windvlagen, welke uit de donderbuijen

[p. 307]

voortkomen, en zelfs door plotselinge orkanen (zoo als de vreesselijke Pinksterstorm van 28 Mei 1860, waarin verscheidene schuiten vergingen) overvallen worden. Maar als in November of Februarij de stormen gieren, en de opgejaagde golven tegen de duinen donderen, dan tuurt menig oog angstig over den verbolgen vloed, waarop man en vader en zoon en broeder rondzwalken, dan rijst uit vele benepen harten de angstige verzuchting: Heere God, behoed hen, zij vergaan!

Met regt mogen zij waterreuzen genoemd worden, die stevige, zwaar gebouwde kerels, met dat bruin gezigt onder het stoppelig blonde haar, met die breede borst in het ruime wollen hemd gehuld, zoo als zij bij de terugkomst van hun vaartuig, dat op de golven voor het uitgeworpen anker blijft schommelen, te water gaan en vierkant op hunne stevige beenen door de branding heen naar het land waden, beladen met de vruchten van hunne vangst. Te halverlijve en hooger reiken hun de baren, wier schuimende kruinen hun dikwijls over het hoofd spatten. Maar met rustigen tred schrijden zij voort en duiken met hunne vracht druipend op aan het strand.

Het is een aardig tooneel, die tehuiskomst van eene pink (zoo noemt men hier die vischschuiten) met eene lading verschen zeevisch. Reeds tijdig heeft zich eene groote menigte op het punt, waar zij zal aanlanden, verzameld; een schilder zou er de pikantste figuren onder vinden; kakelende wijven met hooge hoeden, arme drommels, die op den afval azen, een hoop havelooze kinderen daartusschen (want het is niet te zeggen hoeveel kinderen hier zijn). De visch wordt, levend aan wal gebragt, in partijen op het strand uitgespreid en staandevoets door eenen openbaren afslager geveild; de koopers zijn vischhandelaren, die de waar binnenslands in de groote steden afzetten of naar België en Duitschland verzenden. Ik ben eens bij zulk eene veiling leelijk te pas gekomen. Nieuwsgierig had ik mij vooruitgedrongen om de uitgespreide visch te beschouwen. Plotseling voelde ik twee zware armen om mijnen nek en op mijne schouders en vond mij aan weerskanten ingesloten tusschen eenen langen man en eene grof gebouwde vrouw, een ware virago. Die ondergingen, maar met minder verbazing, op hunne beurt gelijke omhelzing van hunne buren, deze weder van de hunne. Aldus had zich in een oogwenk een naauwe digt opgesloten kring van lieden om de visch heengevormd, zij aan zij en aan weerskanten arm over arm. Eensklaps stelde

[p. 308]

de kring zich in beweging en schoof zich met vrij veel snelheid drie, viermalen om de uitgestalde visschen heen, mij in zijne omdraaijing medevoerende, terwijl de afslager in het midden onverstaanbare geluiden mompelde. Dit duurde tot er één ‘mijn!’ riep. De visch was verkocht, de wrong ontbond zich, om zich op een anderen plek rondom een ander zoodje op nieuw te vormen. Maar mij kreeg men er niet weer in.

Elke localiteit heeft zoo hare eigen volksgebruiken en vormen bij openbare handelingen. Gebruiken, die van onheugelijken tijd dagteekenen; vormen, waaronder oorspronkelijk diepe zin verscholen lag. Men zou verkeerd doen, om zulke van geslachten aan geslachten overgeërfde gewoonten te lagchen. Maar zonderlinger zede dan deze is mij toch nooit voorgekomen.

 

20 Augustus.

 

Wilt gij weten, beste Emilie, waar die naam Waterreus van daan komt? Ik heb het ontdekt in eene oude kronijk die ik gevonden heb in de koninklijke Bibliotheek van den Haag, waar vreemdelingen met voorbeeldige voorkomendheid ontvangen worden. Ik zal u de legende vertellen.

In overoude tijden, toen nog niet eens het gehucht bestond, dat later zich in het woud rondom 's Graven Hage onder schuts van het grafelijke jagtslot gevormd heeft, woonden reeds aan het strand, waar nu Scheveningen is, enkele visschers, die hier en daar in het duin verstrooid hunne hutten hadden opgeslagen. Hun gevaarlijk bedrijf kostte aan velen het leven. Zoo was ook Baldert met zijne boot in eenen storm te gronde gegaan. De weduwe en dochter die hij achterliet moesten leven van hetgeen medelijdende buren hun van hunne vangst afstonden en overigens zelve haar bestaan vinden bij schelpdieren en visschen, die zij aan het strand raapten, en bij kruiden en wortelen en vogeleijeren, die zij in het duin verzamelden. Dat was een armelijk en treurig leven voor die twee verlatene vrouwen. Mooi - zoo heette de dochter - zwierf dikwijls den ganschen dag langs het strand, terwijl de oude moeder ziek te huis lag, zonder voedsel genoeg ook maar voor één dag te vinden. Zij had echter eindelijk een plek ontdekt, een heel eind noordwaarts van hare woning, waar de terugwijkende vloed in een door de natuur gevormde geul een vrij breeden en diepen

[p. 309]

plas achterliet, waarin dan ook kleine visschen, met zeesterren, kwabben en andere wonderlijke schepsels, achterbleven. Daarheen spoedde zij zich, gewoonlijk als de voormiddag-eb begonnen was. En als zij dan soms, na eenen nacht-vloed, in de vroegte tegen zonsopgang aan het plekje gekomen was, dat haar lief was geworden, dan kon zij wel eens lang zitten te mijmeren en droomen aan het strand en staren op de eenzame, grenzenlooze zee waarover de opgaande zon haar licht uitgoot. En zigtbaar werd de arbeid van het lieve kind door hoogere magten gezegend. Bij elken morgenvloed werd de plas gevuld met de keurigste visschen, en daaronder ook zulke, die anders zelden aan dit strand gevonden werden. Niet alleen verzamelde zij hier elken dag genoeg voor het levensonderhoud van haar en hare moeder, maar zij kon zelfs wel van haren voorraad aan andere even arme lieden uitdeelen, of aan de visschers, die met ledige netten te huis keerden, afstaan. Dit wekte echter, zoo als dat gaat, bij de buren meer afgunst en haat dan dankbaarheid op; en zelfs vertelde men achter haren rug, na hare weldaden genoten te hebben, dat Mooi met tooverkollen en eunjers in betrekking stond en 's nachts met deze wanschepsels op drijfhouten in zee voer om de netten der visschers te berooven. Doch het argeloos en eenvoudig kind ging stil haren weg en giste niet eens, wat kwaad er van haar gesproken werd.

Eens op zekeren morgen, toen zij vroeger dan anders, vóór de kentering van het tij uitgegaan was, had zij eene zonderlinge verschijning. Toen zij de haar welbekende plek naderde, zag zij duidelijk iets, dat een menschelijk ligchaam scheen, in de golven nederzinken. Zij wachtte langen tijd en bleef turen op de plaats, waar die gedaante door haar gezien was; maar vruchteloos. Er kwam niets weêr boven. En ook nadat de eb het breede strand blootgelegd had, was er niets aangespoeld behalve de zeeplanten en schelpen, die de vloed gewoonlijk achterlaat. Zij keerde met hare vracht huiswaarts, ontsteld en angstig, maar niet minder nieuwsgierig, of de verschijning zich morgen weder vertoonen zou. En ofschoon de vloed den volgenden dag een uur later kwam, sloop zij al bij nacht uit de hut, om van achter het duin de plek te bespieden. En zie, daar ontdekte zij bij het schijnsel der ondergaande bijkans volle maan het hoofd en het bovenlijf van eenen forsch gebouwden jongeling, die halverlijve uit de golven oprees, juist waar zij gewoon was haren dagelijkschen voorraad te vinden.

[p. 310]

Maar toen zij zich naar den oever spoedde, was hij wederom verdwenen, en te vergeefs bleef zij ook ditmaal op zijne terugkomst wachten tot de zon al hoog aan den hemel stond. Toen zij nu, te huis gekomen zijnde, alles aan hare moeder verteld had, zeide deze ontzet zich kruisende: ‘kind, dat is de Waterreus! neem u in acht, dat hij u niet in de golven medesleept.’ Daarover was Mooi zeer bedroefd en vele dagen meed zij de plek waar zij anders haren voorraad verzamelde. Maar helaas, nu moesten zij ook, gelijk vroeger, gebrek lijden, en het arme kind had daarvan veel verdriet. De oude moeder klaagde over den honger; de lieden wie zij vroeger van haren overvloed had medegedeeld, waren nu boos en schimpten op haar en zeiden, dat zij wel eene groote zonde moest hebben gepleegd, omdat zij zoo zigtbaar door de goede heiligen verlaten was; en de visschers bij wie zij om voedsel voor hare moeder kwam vragen, joegen haar barsch weg. Zoo was zij dan wel genoodzaakt alle gevaar te trotseren en de plaats weder op te zoeken, waar zij den Waterreus gezien had. En zie, toen zij in den vroegen morgen weder derwaarts kwam, was daar ook de schoone jongeling, drijvende op de golven, zoodat het hoofd en de schouders en de blanke borst zich regtstandig uit het water verhieven. Nu echter dook hij niet onder, maar sprak het meisje aan. Mooi, zeide hij, waarom mijdt gij mij en waarom versmaadt gij mijne gaven? Zij antwoordde: omdat gij een booze geest zijt, die mijn verderf zoekt. Toen zeide hij: Hoe kunt gij mij beschuldigen, dat ik uw verderf zoek? Ben ik het niet, die dagelijks de vruchten der zee voor u verzamel, opdat gij in overvloed leven zoudt? Zijn het niet veeleer de booze menschen, die uw ongeluk willen, de menschen, die u afwijzen en verstooten en beschimpen? Ik heb u langen tijd bespied, als gij langs het strand dooldet bij nacht en bij dag, onder hitte en koude, bij storm en onweder, om uwe moeder te verzorgen. Uwe deugd, uw moed, uw geduld, uwe kinderlijke liefde hebben mij bekoord; blijf op mij vertrouwen: ik zal voor u waken. Daarmeê verdween hij. En zij bragt, gelijk vroeger, een rijken voorraad mede naar huis.

Van dezen tijd af ontmoetten zij elkander dagelijks en voerden vertrouwelijke gesprekken. Hij was zoo goed en zoo zacht, dat het meisje alle vrees en schroomvalligheid liet varen. Hij vertelde haar van de wonderen der zee, en hoe liefelijk het

[p. 311]

was daar onder de groene, doorschijnende golven. En als zij dan scheidden ging zij peinzend naar huis en verlangde, dat het maar weêr morgen wierd, opdat zij op nieuw zijne zoete stem, die klonk als het ruischen der wateren, mogt hooren, en opdat hij haar op nieuw mogt vertellen van de wonderen der zee en hoe liefelijk het was onder de groene, doorschijnende golven. Zij dreef zelfs de stoutmoedigheid wel zoo ver, dat zij hem tot in het water te gemoet ging om, aan zijne zijde staande, hem te beter te hooren. Maar telkens werden hunne gesprekken plotseling afgebroken: zoodra de eb inviel spoedde hij zich zeewaarts en verdween in de diepte.

Maar eens gebeurde het, dat hij tot haar sprak: Waarom zoudt gij niet met mij komen onder den koelen vloed en deelen in het eindeloos gelukkig leven, dat wij daar beneden leiden? O, zoo gij wist hoe schoon en hoe heerlijk het daar is, gij zoudt niet aarzelen. Wat is dit armelijke leven van de kinderen der menschen aan het dorre strand, bij het onze? Kommer en ellende, gebrek en honger zijn hun dagelijksch deel. Zij arbeiden en lijden en worden ziek en oud en hulpeloos en sterven; de zomerhitte schroeit hen, de winterkoude verteert hen; de stormen verwoesten hun werk. Magteloos zijn zij de prooi van het vernielend spel der elementen. En als ware dat niet genoeg, zij plagen en kwellen en haten elkander en twisten te zamen en verbitteren malkaar en zich zelven nog die spanne levens, die hun gegund is. O hoe liefelijk is het daarentegen niet in onze kristallen paleizen, waar rust en vrede eindeloos heerschen; waar al wat leeft in de wateren ons onderdanig is; waar schoone tuinen bloeijen met de heerlijkste planten en met boomen van koraal, door geen menschelijk oog ooit gezien; waar die zon, die aan uwen hemel brandt, wanneer het bij u donkere nacht is, nederdaalt om ons met hare stralen te verheugen. Ons behooren de schatten, die de roekelooze menschen in hunnen overmoed in brooze vaartuigen laden, om ze in den storm te gronde te zien gaan. Wij verzamelen den overrijken buit, dien elk jaar ons op nieuw toevoert en versieren er onze woningen mede. Doch de ligchamen der stervelingen, die in de golven het leven verliezen, bergen wij diep onder het blinkende zand, en leggen ze naast elkander en bewaren ze getrouw, tot voor hen de dag der verrijzenis zal aanbreken. Maar onzer is de eeuwige jeugd; wij kennen geen leed en geen zorg, wij weten van geen sterven, noch van de angsten des doods. O

[p. 312]

kom, schoone maagd, kom onder den koelen vloed in onze kristallen paleizen, en deel met mij in een eindeloos gelukkig bestaan. Zoo sprak hij, zoo zong hij met zijne zachte verlokkende stem. En reeds vatte hij haar aan om haar met zich mede te voeren in de diepte. Maar zij rukte zich los en sprak: Nu weet ik, dat gij de booze Waterreus zijt en mijn verderf zoekt. Wel heb ik u lief, want gij waart altijd goed voor mij, terwijl de menschen mij veel leed hebben gedaan. En uwe stem klinkt mij zoo onweêrstaanbaar zoet in de ooren. En wel moge het liefelijk zijn te wonen in uwe kristallen paleizen, onder de koele golven. Maar ik moet leven het leven, dat mij als mijn deel toebeschikt is; ik moet zorgen en arbeiden voor mijne moeder. Dat is mijn pligt. En zoo gij wist, hoe zalig het is, voor zijnen pligt te leven, gij zoudt mij niet verlokken om met u mede te gaan, maar gij zoudt begeeren uwe eeuwige paleizen te verlaten, om onder ons stervelingen te verkeeren, te arbeiden, te lijden en te strijden, te worstelen en te ontberen, lief te hebben en dankbaar te zijn, te hopen en te gelooven. - Ik weet wat het is, lief te hebben, antwoordde hij; want gij hebt het mij geleerd; u heb ik lief, met eene onuitsprekelijke liefde; u, die zoo goed zijt en zoo vroom en zoo trouw in de vervulling van uwen pligt. Daarom heb ik u mijne gaven aangeboden; daarom voel ik mij zoo tot u aangetrokken, dat ik elken dag mijne kristallen paleizen verlaat om u te zien. Gij hebt mij een gevoel doen kennen, dat ik daar onder die koele gewelven niet vinden konde. Kom dan met mij, opdat wij altijd bij elkander zijn en elkander liefhebben, gij mij en ik u. - Maar zij antwoordde wederom: neen, gij kent de liefde niet. De liefde zoekt niet zich zelve, maar verloochent zich; zij leeft van opoffering; zij groeit slechts door lijden; zij put hare kracht in hopen en gelooven. Nu dan, indien gij mij waarachtig liefhebt, gelijk ik u liefheb, deel met mij het moeitevolle leven der stervelingen, het leven van arbeid en pligt, van zorgen en ontberingen. En ik zal u eene getrouwe levensgezellinne zijn, tot de dood ons scheidt. - Ach, zeide hij, gaarne zoude ik dat willen, want nu eerst heb ik van u geleerd, wat liefde is, en ik gevoel, dat ik u aldus liefheb. Maar ik ben aan de zee gebannen en kan niet eigenmagtig mijnen ban verbreken. Alleen wanneer een menschenkind met gevaar van eigen leven in het holle van den nacht, onvertsaagd, zonder aarzelen of omzien, zonder een woord te spreken of een

[p. 313]

zucht te slaken, de zee ingaat, en driemalen plegtig het teeken des kruises op mijn voorhoofd maakt, is verlossing voor mij mogelijk. Doch wie zal dat bestaan? Toen sprak de edele maagd met kalmen moed: dat zal ik doen. - Neen, niet gij, mijne geliefde, riep hij uit; weet wel, dat uw leven er mede gemoeid is, zoo gij ook maar één oogenblik zwak zijt. Want de magten der zee zijn den kinderen der menschen vijandig en zoeken hen te verderven. Alleen een onbezweken moed houdt hen in bedwang. - Maar zij antwoordde nogmaals kalm en ernstig: ik zal het doen. - Welnu dan, begeef u herwaarts te middernacht na de eerstvolgende nieuwe maan. - Het zal geschieden.

En toen nu de vreesselijke nacht gekomen was, sloop Mooi in stilte weg van de zijde harer slapende moeder en ondernam den togt langs het strand, sterk door hare reine onschuld, moedig door hare liefde, geloovig vertrouwende op de bescherming van de magten des hemels. De storm bulderde, de zwarte wolken overdekten het uitspansel en joegen haar regen en hagel in 't gezigt. Maar zij ging rustig haren weg, ondanks stormen en regenvlagen en hageljagt. De golven, door den springvloed opgezweept, bonsden om haar henen en dreigden haar omver te werpen en mede te sleepen; maar zij worstelde door de golven en vervolgde haren weg. Blaauwe lichten flikkerden akelig op de zee en schelle kreeten, als van lieden die vergaan, klonken haar in de ooren. Maar zij zag niet om noch ter zijde en vervolgde haren weg. En zie, daar lag de jongeling op de plaats zelve, waar zij altijd haren voorraad had gezameld, met gesloten oogen en bleek als een lijk in de golven uitgestrekt. Alleen het hoofd en de schouders waren zigtbaar, en de romp slingerde in de schuimende branding heen en weder, alsof onzigtbare banden het ligchaam van onderen vasthielden, gelijk de boei slingert boven de plek waar het anker zich diep in den grond heeft gehecht. Tot de borst moest zij waden door den hoogen, onstuimigen vloed om hem te kunnen bereiken: maar zij vervolgde haren weg. En toen zij bij hem gekomen was, hief zij de regterhand op en maakte het teeken des kruises op het blanke en kille voorhoofd des jongelings. Bliksemstralen schoten neder, donderslagen klaterden en de orkaan loeide met verdubbelde woede. Maar ten tweedenmale hief zij de hand op en maakte het teeken des kruises op het door de zilte golven omspoelde voorhoofd des jongelings. De

[p. 314]

monsters der zee grimden haar tegen; met hunne schrille groote oogen gluurden zij haar aan en sperden den breeden muil als om haar te verslinden; de afschuwelijke meerminnen doken op uit de diepte en staken de handen naar haar uit en omslingerden haar met heure groene haren. Maar ten derden male verhief zij de hand en maakte het teeken des kruises op het blanke, levenlooze voorhoofd des jongelings. Toen loosde zij een diepen zucht. Verloren! gilde het uit de diepte. Maar: behouden! klonk haar een volle, zoete stem in het oor, en de Waterreus sprong op in zijne volle mannelijke lengte en droeg haar in zijne armen op het duin. En de zee week terug en alles werd stil.

En Mooi en de Waterreus bouwden zich een huis; en hij timmerde zich een groot schip, waarmede hij ter vischvangst voer; en zij smaakten het lief en het leed des menschelijken levens; zij moesten arbeiden en strijden, lijden en ontberen; maar zij hadden elkander lief tot de dood hen scheidde; en hun talrijk nageslacht woont nog heden ter zelfder plaatse waar zij gewoond hebben, in het duin nabij 's Graven Hage.