De Gids. Jaargang 37


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1873


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 320]

Holland op zijn smalst.

De zitting der Tweede Kamer van 4 December 1872, waar de behandeling van de afdeeling Kunsten en Wetenschappen tot eenige meerdere woordenwisseling aanleiding gaf, dan waaraan sinds jaren het publiek gewend was, heeft op velen, die de kunst waardeeren, een aangenamen indruk gemaakt; en deze indruk is zoo verrassend geweest en zoo zeer in overeenstemming met sinds lang gekoesterde wenschen, dat velen zich er van overtuigd houden dat voortaan in Nederland de monumenten onzer kunst en onzer historie gered zijn en dat voor deze eene schoone toekomst is gewaarborgd.

Het valt mij moeielijk in die verwachting te deelen en mij door dat enthousiasme te laten medesleepen. Want ik vraag mij af of wij voorloopig althans op iets meer kunnen wijzen dan op de belangstelling door zeer enkelen geuit en door de Tweede Kamer ‘pro memorie’ geregistreerd.

Wat zal er op den duur - en het geldt een zaak van duurzamen aard - van die belangstelling overblijven, indien niet bij geheel het volk het gewicht van de verzorging onzer kunstvoorwerpen begrepen en beaamd wordt?

Wat zal het baten of een museum beloofd en wellicht ook - op min of meer schralen voet - gebouwd wordt, wanneer niet bij de natie zelve de overtuiging bestaat dat de kunst een nationaal belang is waarvoor even goed als voor Waterstaat, Defensie en Koloniën behoort gezorgd te worden?

Is nu dat besef in Nederland levendig?

Ik twijfel er zeer aan; menigeen zal reeds een glimlach op de lippen komen, wanneer hij Koloniën en Kunst - Javakoffie en Rembrandt's nachtwacht - in de rij der belangen op één lijn hoort stellen.

En natuurlijk; er wordt weinig over kunst gesproken of gedacht. Hoe het met de kunstmonumenten hier te lande gesteld is,

[p. 321]

is aan de meesten en inzonderheid aan hen die officieel geroepen zijn daarvoor te waken, geheel onbekend; evenmin vormt men zich een denkbeeld van het moreel en materieel belang der kunst, en een zware nevel bedekt de vraag wat er behoort en wat er kan gedaan worden.

Is het in dien stand van zaken te verwonderen, dat ik aarzel mij te scharen bij hen, die na de zitting van 4 December alles gewonnen achten. Zij, die het geduld hebben de volgende regelen te lezen, zullen mij, geloof ik, gelijk geven; zij zullen erkennen, dat bij den lagen trap waarop èn de kunst èn vooral de belangstelling daarin hier te lande staan, een levendig enthousiasme niet gewettigd is.

Zoo men een betere toekomst wilde verzekeren, zou men misschien wèl doen te trachten aan ons volk met a + b te bewijzen, dat de kunst zijn aandacht waardig is. Voor specialiteiten in de kunst is elk betoog overbodig; voor sommigen, die het instinct van het schoone en verhevene bezitten, doch de gelegenheid misten over kunst na te denken, is het voldoende het moreele, humanitaire nut der zaak te verklaren; voor verreweg de meesten, wier dagelijksche lectuur de beursnoteering is, en die van elk budget elken dienst zouden willen schrappen, die niet met een batig slot eindigt,.... voor dezen moet men zich getroosten met cijfers aan te toonen dat ook kunsten en wetenschappen een batig slot zullen afwerpen; een batig slot, niet bestaande in nationalen roem, ontwikkeling der ziel, beschaving der zeden en dergelijke mooie zaken meer, maar een echt tastbaar batig slot, in baar geld, in guldens Nederlandsch courant.

Het is wellicht niet zeer poëtisch, maar het is een waarheid, dat het dit laatste punt is, waarop de krachtsinspanning van allen, die de kunst wenschen te bevorderen, moet gericht worden; immers in dat punt treffen de gevoeligste snaren van de groote massa der vaderlanders samen; daar ligt de cardo van alle vraagstukken; wanneer men dat hart - het finantieel belang - zal hebben doen kloppen, dan kan men zeker zijn dat het bloed met snelheid en kracht tot in de uiterste ledematen zal voortgejaagd worden. Zoo lang die drijfveer niet getroffen wordt, zoolang zal men de kunst een beleefden handdruk geven, van tijd tot tijd uit fatsoen een aalmoes1, maar nooit zal men

[p. 322]

haar geld toevertrouwen, want zulk een geldbelegging zou niet als soliede en rentegevend beschouwd worden. Wat men voor de kunst zal afzonderen, zal vergezeld gaan van een zucht ‘in godsnaam’, zooals men aan een arme telkens een penningske uitreikt; ‘in godsnaam’, om een eind aan de zaak te maken, en bovenal om er van af te zijn; uit verveling dus zal men het tiende gedeelte toestaan van hetgeen noodig is om het een of ander gewezen hofje te ‘herscheppen’ in een Trippenhuis; maar kom dan niet het volgend jaar de negen andere tienden vragen, vraag vooral niet een cent voor een nieuwe zaak: 't was al wel dat men u gisteren iets gaf, men kan niet steeds voor de kunst gelden afzonderen; en dan de defensie kost reeds zooveel, en de schuldenlast is zoo groot, en onze dijken gaan voor, die ‘het aan de zilte baren ontwoekerd land’ moeten beschermen. Dat is de taal die van de woekeraars tegenover de eischen der kunst verwacht mag worden zoolang voor hun oog een hoog procent niet is verschenen.

Velen denken dat er van de verzorging onzer knnstmonumenten geen andere winst te verwachten is dan die, welke door logementhouders en vigilantekoetsiers uit de zakken van herwaarts gelokte kunstlievende vreemdelingen geklopt wordt. Voor hen is elk met sierlijkheid opgetrokken gebouw een verkwisting, elk museum een dure aardigheid, elk oud monument een slechts voor gapende touristen merkwaardige hoop steenen.

Die eenzijdige beschouwing mag men hun niet al te euvel duiden, want zij is gedeeltelijk het gevolg van den erbarmelijken toestand waarin onze oude en onze nieuwe monumenten en onze openbare verzamelingen zich bevinden. De eerste zijn door wansmaak of door gebrek aan onderhoud zoo dikwijls misvormd, de laatste zijn zoo weinig ingericht om tot ontwikkeling en beschaving te dienen, dat de oppervlakkige beoordeelaar niet licht kan begrijpen welk belang zij kunnen inboezemen.

Bij eenig nadenken intusschen zal blijken dat de verzorging onzer monumenten van groot gewicht is.

Wij zullen niet lang stilstaan bij den gunstigen invloed dien

[p. 323]

de algemeene beschaving en ontwikkeling van het volk ondervinden door de beoefening der schoone kunsten. Meer tastbaar is het materieel voordeel dat daaruit voortvloeit voor die menigvuldige takken van nijverheid welke zonder de beoefening der schoone kunsten moeten kwijnen, omdat onze produkten door de meer artistieke voortbrengselen van den vreemdeling verdrongen worden.

Hoe zal men verwachten dat onze kunstindustrie haren ouden glans herkrijgen zal, wanneer rondom ons verreweg de meeste gebouwen en voorwerpen van wansmaak getuigen, wanneer onze musea of onvolledig zijn, of zoo slecht ingericht dat de studie er onmogelijk is; wanneer in één woord de onverschilligheid voor de kunst met wandalisme hand aan hand blijven gaan?

Men zegge niet dat onze aanleg minder artistiek dan die der Belgen of Franschen is; een beweren dat tot niets minder zou moeten leiden dan tot het opgeven van elke poging om onze kunsteducatie te verbeteren. Onze voorouders uit de XVIe en XVIIe eeuw hebben de nationale kunstindustrie zoo zeer ontwikkeld dat de voortbrengselen uit die dagen steeds met gretigheid door de vreemden worden gezocht. Waarom zouden wij thans niet met eenige inspanning den ouden naam kunnen doen herleven; waarom zouden wij ons moeten getroosten van naburige landen afhankelijk zijn, zoodra het geldt een voorwerp dat van goeden smaak en artistieke kennis getuigen moet? Kunnen wij niet even goed als vroeger onze voorouders en thans de Franschen en de Belgen de industrie beoefenen der artistieke aardewerken, der geweven tapijten, der gouden en zilveren drijfwerken, der geschilderde glazen, der gesneden of gebeeldhouwde meubelen? Engeland heeft sinds twintig jaren getoond hoe krachtig de kunst tot de ontwikkeling der industrie kan medewerken. Ook Nederland kan daarvan het bewijs geven, indien het met vasten wil de zaak der kunst tot een nationaal belang maakt.

Het is niet voldoende dat men teeken- en ambachtscholen oprichte, dat men zelfs op min of meer karigen voet een akademie van beeldende kunsten stichte, of te hooi en te gras een schilderij aankoope of aan een jong kunstenaar een schraal subsidie toekenne. Wil men in werkelijkheid de kunst vruchtbaar doen worden, dan moet men alle middelen aanwenden die onder geheel het volk den kunstzin vermogen aan te kweeken, dan moet de artistieke opvoeding der natie ondernamen worden.

[p. 324]

Geheel de atmosfeer waarin wij leven behoort doordrongen te zijn van den eerbied en de belangstelling voor de kunst. En deze belangstelling zij algemeen en strekke zich tot elken tak der kunst uit. Want tusschen de verschillende schoone kunsten bestaat er solidariteit even als tusschen de wetenschappen. De een kan niet bloerjen zoo de andere kwijnt. Gelijk de geschiedenis niet kan beoefend worden, zonder kennis van talen, zonder heraldiek, numismatiek, zegelkunde, enz., zoo kan evenmin de eene kunst op den duur met goed gevolg beoefend worden, wanneer de andere verwaarloosd is.

Ook is van het onderwijs op scholen en akademiën niets duurzaams te verwachten, wanneer niet de geest door het zien van smaakvolle voorweten aanhoudend verfijnd en beschaafd wordt.

Het is daarom dat men die oude gebouwen welke van kunstzin getuigen behoort in eere te houden of te herstellen; dat men bij het stichten van nieuwe de eischen van den goeden smaak bevredigen moet tegelijk met die der doelmatigheid; dat men eindelijk musea moet bezitten, waar onze kunstenaars kunnen komen studeeren; musea zijn voor de kunst wat bibliotheken, observatoria, nosocomia en laboratoria voor de wetenschap zijn.

Is derhalve de verzorging onzer monumenten en onzer verzamelingen, met het oog op de bevordering der Industrie, een nationale zaak, niet minder is zij dit, waar het geldt de belangstelling waarop die monumenten recht hebben, welke met onze volksgeschiedenis in een onmiddellijk verband staan.

Ook de verspreiding van de kennis onzer nationale historie is een staatsbelang. Want evenzeer als - zoo niet meer dan - taal, godsdienst of zeden, schept de geschiedenis den band die bevolkingen tot nationaliteiten verbindt en verbonden houdt.

Die kennis der geschiedenis zal het volk minder verkrijgen door lessen op scholen, die het niet bezoekt en door boeken, die het niet leest, dan wel door het zien van voorwerpen, welke òf materieele getuigen van zekere historische feiten waren, òf ter herinnering daaraan vervaardigd en tentoongesteld zijn.

Segnis irritant animos demissa per aurem,
Quam quae sunt oculis subjecta fidelibus.

De Staat heeft er dus belang bij dat zulke oude monumenten - voor zoover dit mogelijk is - tot edificatie van het tegen-

[p. 325]

woordige en van de volgende geslachten worden bewaard, en dat nu en dan door middel van opzettelijk vervaardigde voorwerpen de herinnering aan eenige gebeurtenis levendig blijve. Zoowel de monumenten die voor de kunst als die welke voor onze geschiedenis belangrijk zijn, behooren derhalve verzorgd te worden.

Het is duidelijk dat hier in de eerste plaats de hooge regeering geroepen is handelend op te treden. Vooreerst omdat de Staat de rijkste eigenaar van kunstvoorwerpen is; geen particulier toch, geen korporatie kan verzamelingen aanwijzen gelijk het Trippenhuis en het Mauritshuis bevatten.

Maar ook verder dan tot zijn eigen zaken behoort de Staat zijn zorg uit te strekken. Wanneer een gemeente- of kerkbestuur uit onverschilligheid of uit bekrompenheid van verstand, uit geldgebrek of uit welke oorzaak ook, handelt of verzuimt te handelen, zoodat de hierboven genoemde belangen bedreigd worden, is de regeering moreel verplicht het mogelijke te doen om het kwaad te voorkomen. Zoo kan het noodig zijn dat de Staat door aankoop verhindere, dat sommige zaken vernield of uit het land verwijderd worden; ik wijs op de hunnebedden, op de overblijfselen van Barends en Heemskerk, die zeer te recht door de regeering aangekocht zijn. Zoo zal men van staatswege soms onderzoekingen moeten instellen, die anders tot nadeel voor kunst of geschiedenis geheel achterwege zouden blijven.

Vooral in Nederland is tegenover de apathie van de korporatiën een uitbreiding der staatszorg dringend noodzakelijk. Het is waar dat ook hier overdrijving denkbaar en afkeuringswaard zou zijn, doch zij die thans reeds huiveren om de grenzen der staatszorg uit te breiden, kunnen, geloof ik, voorloopig gerust zijn. Het is niet te voorzien dat in de eerste tijden althans de opgewekte aktiviteit der regeering haar zou behoeven mede te sleepen tot handelingen die buiten haar werkkring liggen, en dat zij haar de autonomie der bijzondere besturen zou doen schenden; de betere verzorging harer eigen schatten alleen kan aan de regeering in de eerste jaren werk genoeg verschaften; en het door den Staat gegeven voorbeeld zou indirekt reeds veel tot verbetering van den algemeenen toestand kunnen bijdragen.

Eerst dan zal het tijd zijn te onderzoeken of tot tegengang van wandalisme bij korporatiën, het nemen van ingrijpende maatregelen noodzakelijk is, en of het soms ook noodig zij, onze voorwerpen van kunst en historie te beschermen, ook

[p. 326]

wanneer zij niet aan den Staat behooren, even als de wet de hazen en konijnen beschermt, zonder zich aan partikuliere eigendomsrechten te storen. Trouwens ook zonder de wetgeving op dit punt aan te vullen, kan de regeering veel doen; meer dan zij tot nog toe gedaan heeft. Want wanneer ook de wet geen wapenen gegeven heeft om de gemeente- en kerkbesturen te verhinderen in het begaan van wandalisme, leveren dikwijls de omstandigheden zelve aan de regeering de middelen om in het belang van kunst en nationale geschiedenis werkzaam te zijn. Hoe dikwijls komt het niet voor dat het verleenen van subsidiën of het toestaan van andere voordeelen banden schept, waarvan men gebruik kan maken om een invloed te verkrijgen die aan de kunst ten goede zou komen. Niet alleen is in ons land dit indirekte middel steeds verwaarloosd geworden, maar het is meer dan eens voorgekomen, dat de staatssubsidiën het plegen van de gruwelijkste wandalismen hebben bevorderd.

De onverschilligheid der regeering is hier te lande niet alleen een feit, maar een beginsel geweest. Hierin van alle beschaafde staten van Europa verschillend, heeft Nederland de leer gehuldigd dat ‘kunst geen regeeringszaak is’! Dit sophisme heeft twintig jaren lang den dienst gedaan van het geboomte, waarin de struisvogel zijn hoofd steekt en veiligheid meent te vinden. Maar het bedriegelijke van dit woord kan niet langer ontkend worden. Vooreerst heeft men nooit dit valsche beginsel in zijn geheelen omvang kunnen noch durven toepassen; de regeering had anders geen onderwijs moeten geven in het teekenen, geen subsidie hier en daar toekennen voor restauratiën, geen afdeeling Kunsten en Wetenschappen onderhouden, en consequent het Trippen- en het Mauritshuis moeten verkoopen, om Beaumont-geweren aan te schaffen en de Kanaalmaatschappij te ondersteunen. Gelukkig was het gezond verstand sterker dan de leer. Toch heeft die leer ontzachelijk veel kwaad gedaan, zooals blijken zal, wanneer men in bijzonderheden nagaat, wat er gedurende deze lange regeeringssluimering is geschied. Verontschuldiging zou misschien nog gevraagd mogen worden voor die schandalen, welke door individus gepleegd zijn, omdat men zou kunnen aanvoeren, dat de regeering huiverig was de grenzen van de staatszorg uit te breiden. Maar zelfs wanneer met die niet voldoende gerechtvaardigde huivering genoegen genomen wordt, zoo blijft op de regeering loodzwaar

[p. 327]

drukken het verzuim, waaraan zij zich ten opzichte harer eigen bezittingen schuldig maakte.

 

Om den toestand te bestempelen waarin hier te lande de monumenten van kunst en historie verkeeren, is zeker het woord ‘ellendig’ niet onjuist gekozen, zoodat men met recht op dit gebied mag spreken van Holland op zijn smalst.

Met hoeveel genoegen en trots men moge wijzen op al het groote en grootsche door onze kleine natie verricht, daar waar zij in Europa oceaan en rivieren bedwingt, in Azië millioenen aan haren scepter onderwerpt, overal en altijd blijken geeft van oprechtheid, trouw en menschlievendheid, met evenveel kracht.... en weemoed zal men haar behooren te beschuldigen waar er sprake is van hare belangstelling in de kunst. Hier zou vergoêlijken gelijk staan met willens en wetens bedriegen. En ik geloof dat hij een waar beminnaar van zijn land is, die in de hoop op herstel zonder omwegen het kwaad ontsluiert en de waarheid openbaart. Deze overtuiging heeft mij geleid bij het schrijven van onderstaande beschouwingen.

Op zeer weinige uitzonderingen na, is de liefde en de eerbied voor de kunst bij de meeste onzer besturen zoo goed als geheel uitgedoofd.

De uitzonderingen zelfs waarop men zou kunnen wijzen, hebben dit eigenaardig en bedroevend karakter, dat zij zich bij een en hetzelfde individu niet aanhoudend, maar slechts intermittent voordoen. Zij doen denken aan dien gentleman, die op Zondag glacé-handschoenen monsterde, maar de overige dagen der week met onbedekte en ongewasschen handen te voorschijn kwam; voor hem keerde althans de Zondag om de acht dagen weder, maar de uitzonderingen die wij bespreken, bezitten helaas die periodiciteit niet.

Zoo was het zeker een verblijdende uitzondering, toen het stedelijk museum gesticht werd, dat de onsterfelijke werken van Frans Hals bevat, en waarvoor oprechte dank verschuldigd is: maar dit symptoon van kunstliefde bleef eenvoudig een symptoon; want de stichter van Haarlem's museum bezorgde ons noch als burgemeester der hoofdstad, noch als minister het zoo dringend noodige gebouw, waarop de verzameling van het Trippenhuis wacht; en Haarlem zelf, waarvan men zou gemeend hebben dat zij de kunst waarlijk als voor twee eeuwen beminde,

[p. 328]

Haarlem heeft onlangs die meening gelogenstraft en haar onder de puinen der Houtpoort begraven.

Zoo opende Leiden in 1872 een stedelijke verzameling tot berging harer kunstschatten; en toch slechts eenige maanden later was het niet dan ter nauwernood dat het plan werd verijdeld, om de schoonste zaal van datzelfde Raadhuis, waar de gelden voor het museum waren toegestaan, te moderniseeren en van haar beste sieraden te berooven1.

Zoo 's Gravenhage, waar ook een museum werd gevormd, zonder dat dit beletten kon dat men nog onlangs besloot eenige kunstvoorwerpen te verkoopen die in een door de stad aangekocht huis zich bevonden, en voor dat museum als het ware aangewezen schenen.

Zoo Rotterdam, dat het museum Boymans herbouwde, doch bij haar schatrijke kooplieden geen geld genoeg wist te vinden om de relatief geringe som te verkrijgen die haar het bezit der collectie Vis Blokhuizen zou verzekerd hebben.

Zulk een voorbijgaand symptoom vertoonde eindelijk zelfs Thorbecke, op den dag dat hij aan Apollo en de Muzen meende te offeren, toen hij dat vreeselijke wolven- en paardengevecht van Verboeckhoven kocht, dat tot voor een tweetal jaren in een der zalen van het Departement van Binnenlandsche Zaken aan aller oog onttrokken werd.

De enkele symptomen van kunstverzorging, die men kan aanwijzen, beletten derhalve niet dat men over het algemeen de verwaarloozing der kunst als den normalen toestand behoort te erkennen.

Alle daden van wandalisme op te noemen die in de laatste jaren in Nederland gepleegd zijn, zou een reuzenwerk wezen. Vooreerst zijn vele schandalen niet gekonstateerd geworden, en men zou derhalve een opzettelijke inspektie in de elf provincien moeten houden, om een volledige opgave te bekomen. Dan hetgeen op de eene of andere wijze bekend werd, is helaas reeds zooveel, dat de opsomming alleen daarvan de grenzen van deze studie zou overschrijden. Wij zullen er ons bij bepalen slechts enkele staaltjes te geven.

In de eerste plaats feiten van vernieling zonder noodzakelijkheid; dan voorbeelden van verwaarloozing, waar moedwillig verzuim gelijk staat met opzettelijke slooping en vernietiging.

[p. 329]

Vervolgens staaltjes van verkeerdelijk verrichte restauratiën; ook hier is er met volkomen verderf vaak geen verschil. Eindelijk de onverschilligheid wat betreft het behoud in den lande van onze artistieke schatten, de onverschilligheid in het doen van nuttige onderzoekingen, de onverschilligheid voor alles wat kunst heet bij het stichten van nieuwe monumenten.

 

Onder de oude gebouwen die van staatswege opzettelijk vernield zijn, zonder dat daartoe eenige noodzakelijkheid bestond, en terwijl daarentegen alles pleitte voor hun behoud, bekleeden twee Maastrichtsche gebouwen eene eerste plaats.

Vooreerst de kruittoren te Wijck-Maastricht1, een zeer merkwaardig, schilderachtig gelegen en goed bewaard gebouw uit het begin der XIIIe eeuw (1204), afgebroken alleen om den wansmaak te gelieven van den Deken der daarnaast gelegen St. Maartenskerk. Deze had vroeger, als voorwendsel om de slooping te verkrijgen, gewezen op het gevaar dat de nabijheid van het in den toren bewaarde buskruit voor zijne kerk opleverde. Daarop is het buskruit er uit genomen en is de toren overgegaan van Oorlog op Finantiën (Domeinen). Bij gelegenheid van de ontmanteling van Maastricht heeft men het gebouw gesloopt en in de Maas geworpen, niettegenstaande het ijveren van onderscheiden personen en de pogingen van de Oudheidkundige Kommissie uit de Akademie. Hoe een gebouw, dat reeds sinds meerdere jaren niet meer tot de vestingwerken behoorde, toch begrepen kon worden in de slooping dier fortificatiën, is nimmer door de regeering uitgelegd. Voor hem, die den ‘dessous des cartes’ kent, is het duidelijk, dat bij sommige personen, die in deze zaak den Minister geadviseerd hebben, het gelieven van den Deken met electorale berekeningen in verband stond.

Ziehier wat de Akademische Kommissie over deze slooping schreef:

‘Een eerwaardig, en misschien wel in ons Vaderland eenig gedenkteeken, dat den loop van zes eeuwen had getrotseerd, werd in den letterlijken zin in het water geworpen, en de geschiedschrijver der kunst in Nederland heeft eene daad te boeken, die een zeer treurige bladzijde in hare gedenkrollen zal beslaan, als een beschuldigende getuige optreedt tegen-

[p. 330]

over gebrek aan kunstzin en piëteitsgevoel bij het geslacht der tegenwoordige eeuw, met betrekking tot de gewrochten en daden der voorouders.’

Toen de heer Sloet van de Beele deze daad van wandalisme in de Kamer aan de regeering verweet, gaf deze tot verontschuldiging een volkomen onjuiste voorstelling der feiten, waarvan de wederlegging voor den heer Sloet helaas onmogelijk was, omdat hij niet genoeg op de hoogte was van de lokale toestanden.

De Hoogbrugghe of Akerpoort te Wijk-Maastricht werd ook bij gelegenheid der ontmanteling noodeloos gesloopt.

De Akademische Kommissie zeide hiervan1: ‘Deze poort bood in haar geheel een merkwaardige, en in hare hoofdvormen vrij gave proeve van vroegeren middeleeuwschen bouw, van te meer belang, daar ons vaderland zoo weinige overblijfselen van krijgsbouwkunst uit dien ouden tijd, zooals die ook in deze poort vertegenwoordigd worden, meer kan aanwijzen.... Geheel op zich zelf en afgescheiden van de thans aansluitende wallen kon het een goed, schilderachtig geheel bieden, vooral wanneer aan de buitenzijde, de gevel en de beide hoektorens tot onder op den bodem der droge gracht vrijgemaakt en zichtbaar gehouden werden. Voor den algemeenen uitweg uit de Hoogebrugstraat naar buiten zoude het gebouw volstrekt geen belemmering te weeg brengen.’

Het is een treurig verschijnsel, dat wanneer er sprake is van de vernieling van een of ander oud gebouw, zij die een oogenblik voor het behoud daarvan wedijveren, zich aanstonds gewonnen geven, wanneer men den aanleg van eenig nieuw werk als motief aanvoert. Slechts zelden wordt er onderzocht of niet het behoud van het oude met het stichten van het nieuwe kan samengaan.

In andere landen daarentegen tracht men meestal het oude te bewaren en het nieuwe daarmede in harmonie te brengen. Als voorbeeld wijs ik op den spoorweg die van Keulen tot Mainz door een zeer smalle strook gronds loopt, en niettegenstaande groote bezwaren, toch geen enkel monument op zijn weg vernielde. Steekt daarbij onze railway in de Vorstenlanden van Java niet af, waarvoor men de materialen vond in de ruïnen van den tempel van Brambanan?

[p. 331]

Het zijn inzonderheid de oude stadspoorten die het slachtoffer zijn van genoemd gebrek aan liefde voor het behoud.

Ik weet wel dat de stadspoorten, zooals de vroegere geslachten die bouwden, niet meer geheel in overeenstemming zijn met de tegenwoordige toestanden. In de middeneeuwen was het zaak de toegangen tot een stad zoo veel mogelijk te versperren; thans daarentegen heeft de toegenomen circulatie op vele punten het verruimen der toegangen noodig gemaakt. Maar daaruit volgt volstrekt niet dat men zonder meer al onze oude poortgebouwen zou behooren op te ruimen. Wanneer men werkelijk eenig gevoel voor het schoone of eenigen eerbied voor het oude had, dan zou men beamen ‘que ce n'est pas aux monuments à se déranger pour laisser passer les routes, mais aux routes à se détourner pour respecter les monuments’; men zou telkens onderzoeken of niet op eenige wijze, zelfs wanneer dit kosten na zich sleepte, aan de behoefte der circulatie kan tegemoet gekomen worden; of men niet zou kunnen handelen gelijk te Parijs, waar niet alleen onder, maar ook rondom de Porte St. Denis en de Porte St. Martin toegangen zijn aangelegd; gelijk te Brussel, bij de Porte de Hal, gelijk te Frankfort bij de Eschenheimer Thor, gelijk te Keulen, te Aken, te Neurenberg, enz. Maar juist daaraan wordt niet eenmaal gedacht, eenvoudig omdat men in een poort niets anders ziet dan een hoop metselwerk. Toch is er meer in zulk een gebouw te zoeken. Van welke poorten voor de XVIIe eeuw dagteekenen, gelijk de Maastrichtsche Hoogbrugghepoort, gelijk de Haarlemsche Kennemer en de Zwolsche Sassepoort, zijn voor de kennis der militaire verdedigingskunst hoogst gewichtig; voor de architectuur zijn inzonderheid van belang die gebouwen uit de XVIIe eeuw, welke niet ter verdediging maar tot ornementatie waren opgericht en de zichtbare teekenen van stedelijke rechten waren; men vindt of liever vond ze slechts in Noord-Nederland. Men had ze dus wel met eenigen meerderen eerbied mogen behandelen; maar de vraag of de mogelijkheid tot behoud bestond, werd, gelijk ik zeide, niet eenmaal gesteld. Zoo verdwenen talrijke poortgebouwen te Leiden, te Haarlem, te Delft, te Utrecht, enz., en nog dagelijks zet de moker zijn ondoordacht werk voort. Betreurenswaardig was vooral de slooping der groote Houtpoort te Haarlem, en onlangs die der kleine Houtpoort aldaar; dan de vernieling van de St. Catherijnepoort te Utrecht, een der weinig bekende meesterstukken van den

[p. 332]

schilder Paul Moreelse. Enkele malen word tot voorwendsel gebezigd de belemmering der circulatie; meestal is er geen andere reden opgegeven dan wat men pleegt te noemen ‘verfraaiing van de toegangen tot de stad’, verfraaiing die dan neêrkwam op het plaatsen van vier vormelooze lantaarns van gegoten ijzer.

Onze voorouders hadden geloof ik, meer smaak toen zij die elegante monumenten oprichtten die voor de steden zijn, wat een titelblad voor een boek is. Trouwens in onze eeuw is de zucht naar een fraai frontispice even zeer uit de boeken als uit de steden verdwenen en wanneer wij bij het naderen eener stad niets meer moeten zoeken dan den dorren naam op de muren van een stationsgebouw geverwd, moeten wij ook bij het openslaan onzer hedendaagsche boeken niet denken ons oog aan een sierlijke titelprent te kunnen vergasten.

Het wandalisme der gemeente- en kerkbesturen kent geen grenzen. Wat al niet in onze steden vernietigd en gesloopt is, kan moeielijk overzien worden; meestal is er van het oude geen aanteekening gehouden; zoo er iets nieuws gesticht werd, is vaak tegen alle regelen van smaak gezondigd geworden, zoodat aan den algemeenen kunstzin onberekenbare schade is toegebracht. Bekrompen inzichten, onkunde van timmerlieden en metselaars die den titel van gemeentearchitect voeren, hebben alom in den lande de fraaiste gebouwen óf vernield óf geschonden.

Zoo zijn verreweg de meeste onzer middeneeuwsche kerken en onzer stadhuizen in- en uitwendig schandelijk gehavend. Nog onlangs werd een uitmuntende eikenhouten betimmering uit de XVIIe eeuw uit het stadhuis te Medemblik weggebroken. Een gelijk lot trof het houtwerk uit de kerk te Sneek. Voor eenige jaren werden te Gouda op de markt de gesneden koorbanken publiek verkocht.

Het zijn vooral de oude kerkramen met geschilderde glazen versierd, welke van den moedwil der sloopers te lijden hadden; als voorbeeld noem ik de kerken te Abbekerk, Bloemendael, Hasselt, Zevenhuizen.

Toen in deze laatste gemeente het schendend werk zou ondernomen worden, deed de Oudheidkundige Kommissie uit de Koninklijke Akademie stappen bij de kerkvoogden en den predikant. Zij wees er onder anderen op, dat het thans levende geslacht moreel niet gerechtigd was de kerk te berooven van

[p. 333]

sieraden, door vroegere schenkers daarin gebracht; ‘hunne gave aan de kerk vermaakt, en door hunnen dood bezegeld, moest immers niet minder dan elke beschreven uiterste wil, ten allen tijde, in ieder opzicht, en door ieder, maar vooral door de leden der gemeente, waartoe zij eenmaal behoorden en die hun lief was, en dus ook door het kerkbestuur dier gemeente geëerbiedigd worden. Mochten de kerkvoogden dien heiligen plicht verzuimen? Zou daardoor de goede gezindheid bij het thans levende geslacht, om tot opluistering der gemeente en van het huis harer godsdienstige samenkomsten bij te dragen, wel aangevuurd, opgewekt of behouden blijven?’ In dien zin werd aan kerkvoogden en predikant geschreven. Het eenig resultaat dat de Kommissie verkreeg was een domme en onbeleefde brief, waarin geklaagd werd over ‘het opwekken of aanblazen van twist tusschen den predikant en zijne kerkelijke autoriteiten’, en over een poging ‘om verdeeldheid te stichten, door invloedrijke leden der gemeente op te zetten tegen kerkvoogden!’ Het kerkbestuur brak derhalve de ramen uit en bood ze te koop aan, ‘ten einde daardoor in staat gesteld te worden van ramen in den geest des tijds, die den schoonheidszin niet beleedigen en een doelmatige afsluiting waarborgen, aan te schaffen.’

De regeering overigens kocht de glazen niet op, en waar zij zich thans bevinden weet ik niet. Eenigen tijd zijn zij in handen van Utrechtsche Israëlieten geweest.

 

Aan opzettelijke slooping is voortdurende verwaarloozing nauw verwant. Wat ginds de moker verricht, doet hier langzaam maar zeker de tand des tijds. Dikwijls, wanneer de tijd niet snel genoeg werkt, wordt op het eind een handje geholpen en de vernieling voltooid. Deze wijze van handelen is vooral daarom in Nederland zoozeer in zwang, omdat er twee voordelen aan verbonden zijn: vooreerst kost de slooping minder, en vervolgens wanneer een gebouw of een voorwerp ten gevolge van langdurige verwaarlozing zijn eersten glans verloren heeft, kan men verwachten dat het publiek daarin minder belang stelt, en dat de stem van een enkel, die zich tegen de vernieling mocht verheffen, geen weerklank vindt.

De Staat is op dit gebied een der hoofdschuldigen. Onderhoud of restauratie van eenig staatsgebouw, voorgeschreven door

[p. 334]

den wensch om het voor de kunst of de geschiedenis te bewaren, is in de laatste twintig jaren nooit voorgekomen, behalve voor het kasteel van Brederode, dat gebracht kan worden onder de uitzonderingen waarvan ik vroeger sprak, en dat alleen bewijst het gemis aan een vast stelsel.

Een stelsel is er inmiddels wel, en de administratie der Domeinen past het toe waar zij maar kan; het bestaat daarin, dat de Staat geen gebouw onderhoudt, dat niet eenige rente afwerpt. Aan alles wat niet in gebruik is, of wat geen huur opbrengt, wordt geen hand uitgestoken.

Op grond van dit luisterrijk gierigaardsstelsel is b.v. de Gevangenpoort te 's Gravenhage gedurende dertig jaren volkomen verwaarloosd, niettegenstaande een Koninklijk Besluit het tot nationaal monument verklaard had.

Daar werd zoo weinig het oog op gehouden, dat men voor korten tijd verbaasd stond te vernemen, dat er onderscheiden huishoudens in genesteld waren, zonder eenigen titel hoegenaamd; het kostte zelfs vrij wat moeite om de ontruiming van het gebouw te verkrijgen; ja er was bijzondere inspanning noodig om het goed recht van den Staat te handhaven tegenover de aanspraken van een koopman in gerookte paling, die beweerde dat zijn familie van den tijd der de Witten af gedurende de Haagsche kermis den handel in visch achter het hek der poort met een kruiwagen had uitgeoefend!

Het gebouw zelf heeft steeds de dringendste reparatiën ontbeerd, en thans is de toestand van het dak zóó, dat het water zich door onderscheiden verdiepingen een weg baant. Wat men overigens nog heeft kunnen doen om het uiterlijk aanzien der poort te bederven, is geschied. Men heeft hier en daar een muurvak met pleister besmeerd, en toegelaten dat de doorgang met affixen beplakt werd.

Is het te verwonderen, dat er stemmen zijn opgegaan om de volkomen amotie der Gevangenpoort te verkrijgen. De argumenten waren, dat dit gebouw akelige herinneringen opwekt, dat het leelijk en zonder belang is, en dat het de circulatie verspert.

Wat de eerste reden betreft, die aan de teêrgevoeligheid onzer tijdgenooten tot eer strekt, daarop mag men antwoorden, dat het een vrij kinderachtig begeeren is, om een gebouw te doen boeten voor gruwelen door menschen gepleegd. Of was het niet dwaas van de Commune om het hôtel van Thiers en

[p. 335]

de Vendôme-zuil omver te halen? Onwillekeurig denkt men aan kinderen, die het meubel stuk slaan, waartegen zij zich gestooten hebben.

Trouwens, wanneer men het stelsel consequent wilde toepassen, zoude het sloopingswerk in Nederland, gelijk elders, breede proportiën behooren aan te nemen. Het ‘groene zoodje’ zou weggegraven en het Binnenhof geslecht moeten worden, en daar wel elke gevangenis treurige herinneringen moet opwekken, zou men ook hier een streng onderzoek moeten instellen.

Het tweede argument is niet beter. Dat de Gevangenpoort leelijk zou zijn, is een kwestie van smaak, waarover niet te twisten valt. Ik weet menschen die de daarnaast gebouwde Societeit in haar soort nog leelijker achten. Dan men behoort niet uit het oog te verliezen, dat een middeneeuwsche poort, bestemd om vijandelijke aanvallen op het slot der Hollandsche Graven af te weren, en dat een gevangenisgebouw, geen monumenten zijn, die ooit bestemd waren om een liefelijken indruk te maken, maar veeleer om een gevoel van eerbied en angst op te wekken. Of bouwt men onze moderne cellulaire gevangenissen zoo, dat zij tot idyllen stemmen? Zij, die ontkennen dat de Gevangenpoort geen belang kan inboezemen, hebben blijkbaar over de zaak niet nagedacht. Het belang van dit gebouw bestaat in zijn eigenaardigheid; ik geloof niet, dat eenig in Nederland of in België een tweede specimen kan aangetoond worden, dat ons even juist te zien geeft hoe onze oude kerkers waren ingericht. Het is derhalve voor de geschiedenis wel degelijk van belang dit laatste staaltje te bewaren en met onverdeeld genoegen zal ieder, die aan historie hecht, gezien hebben, dat op de begrooting van dit jaar eindelijk een som is uitgetrokken om de Gevangenpoort te herstellen en te onderhouden. Ons land is rijk genoeg om van tijd tot tijd ook voor de wetenschap een kleine som uit te geven en om zich de weelde te veroorloven van naast de zoo comfortable ingerichte gevangenissen voor onze hedendaagsche heeren moordenaars, een specimen te behouden van de kerkers, waarin hun geachte voorvaders hebben gewoond.

Het utiliteits-argument, dat de Gevangenpoort aan de circulatie in den weg staat, is wel bestemd geweest het meest indruk te maken. Daarvan is dan ook door de sloopers zeer veel gebruik gemaakt en er is een tijd geweest, dat de Haagsche dagbladen dagelijks het publiek vergastten op ongelukken door

[p. 336]

de drukke beweging onder de poort veroorzaakt en zelfs op sommige, die in andere gedeelten der stad waren voorgekomen. Men vergat daarbij geheel, dat men had behooren te beginnen met het aanwenden van die middelen, welke de circulatie hadden kunnen verbeteren zonder het poortgebouw prijs te geven; waarom daar niet gelijk elders een trottoir aangelegd, waarvoor ruim plaats is? Waarom het plakken van affixen binnen de poort toegelaten, hetgeen alleen er toe bijdragen kan om de opeenhooping van voetgangers te vermeerderen? Men vergat verder, dat de slooping der poort niet dan een onvolkomen maatregel zou zijn, en dat aan de eischen der circulatie alleen dan voldaan zou wezen, wanneer een breede kade aan de westzijde van den Vijver zou opgetrokken worden.

Wat men bovenal vergat, was de eerbied en de belangstelling, waarop, een overoud historisch monument recht heeft.

Even weinig belangstelling is tot nog toe aan een ander monument te beurt gevallen, de Helpoort te Maastricht, een gebouw uit de XIe eeuw, stellig het eenige Romaansche poortgebouw in Nederland. Het dak alleen wordt onderhouden; een vrij gevaarlijke scheur, die zich in een der muren geopenbaard heeft, wordt willens en wetens door het Domein verwaarloosd, ‘omdat het gebouw niets opbrengt.’ Over twintig jaren kan men de ruïne van deze merkwaardige poort tegemoet zien.

Een ander verwaarloosd staatsgebouw is het Oude Hof te Delft, eenmaal het paleis van den Zwijger, thans een artilleriekazerne. Een gedienstige kanonnier toont aan de talrijke bezoekers (vooral Engelschen en Amerikanen ondernemen pelgrimaadjes daarheen) de plek waar de stichter van ons volksbestaan doodelijk getroffen werd, en de sporen die het moorddadig lood in den wand achterliet. Deze sporen worden door de herhaalde betasting der bezoekers in diermate vergroot, dat men op het einde van het jaar zou meenen te staan voor een gat door bommen geboord! Een jaarlijksche kalkvulling herstelt intusschen de oude proporties en de bezoeken en betastingen beginnen op nieuw. Dit tafereel zou alleen tot lachen wekken1, indien de geheele toestand van het Oude Hof ons niet met schaamte moest vervullen. Met welk een ijver wordt niet de nagedachtenis van den Zwijger verdedigd, zelfs tegen de ge-

[p. 337]

ringste insinuatiën die sommige hedendaagsche geschiedschrijvers zich veroorloven. Ongetwijfeld heeft die ijver een loffelijken grond. Maar wat moet men denken, wanneer men ontwaart dat de plek waar Prins Willem voor onze onafhankelijkheid gevallen is en die voor ieder Nederlander een heilige plek moest wezen, veranderd is in een morsige kazernetrap! In Frankrijk eert men de martelaren beter; op de plaats waar Lodewijk XVI slechts eenige jaren begraven is geweest, heeft men een Chapelle expiatoire gesticht.

Wanneer ik eindelijk gewezen zal hebben op de instortende gebouwen van het Binnenhof en op de kloostergebouwen waarin de Utrechtsche Hoogeschool gevestigd is, geloof ik dat de dringende noodzakelijkheid, om in den toestand van 's lands onroerende eigendommen verbetering aan te brengen, niet in twijfel kan getrokken worden.

Dezelfde noodzakelijkheid tot spoedig handelen bestaat voor de voorwerpen van kunst, wetenschap en historie welke zich in de verzamelingen van het Rijk bevinden.

De vorige regeeringen hebben deze verzamelingen beschouwd als overgeërfde opeenstapelingen, die men uit een zeker gevoel van fatsoen niet wel kon opruimen, maar waaraan het jammer zoude wezen, eenig geld of eenige moeite te besteden. Er werd niet begrepen, dat de musea een der meest onontbeerlijke en der krachtigste hefboomen zijn tot ontwikkeling van het volk, tot bevordering der kunst en der industrie, en ten slotte tot verhooging van de algemeene welvaart. Vandaar dat er niets hoegenaamd gedaan is om de pakhuizen, waaraan wij den naam van Musea geven, zoo in te richten, dat zij als hulpmiddel voor de wetenschap kunnen dienen. De voorwerpen zijn er op de meest onpraktische wijze op elkaar gestapeld, en maken meer het effekt van een fantastische expositie die voor onze oogen warrelt, dan van een inrichting bestemd om in te lichten en te onderwijzen. Geen ruimte, geen licht, geen geregelde rangschikking, geen volledige seriën, geen catalogussen.

Voorts, als meende men, dat de studie nog meer behoorde bemoeilijkt te worden, zijn de uren waarop het bezoek der Musea is toegestaan, zooveel mogelijk beperkt. Zoo sluiten het Trippen en het Mauritshuis (dit laatste zelfs des zomers) reeds ten 3 ure, en zijn zij des Zaterdags geheel gesloten ten einde de oud-Hollandsche schoonmaakszucht te bevredigen; alsof daartoe een geheele dag noodig ware, en alsof het niet van algemeene be-

[p. 338]

kendheid ware, dat tegen een fooitje ook des Zaterdags de deur zich ontsluit.

Op Zondag zoude het - dunkt mij - zaak zijn de toegangen zoo wijd mogelijk open te stellen. De mindere man weet helaas dan met zijn ledigen tijd geen raad, en men zou een zeer moreel werk verrichten wanneer men hem in de gelegenheid stelde zijn hart en zijn geest te verheffen bij het zien van de heerlijke voortbrengselen van den Schepper of van de menschen. Het is waar, er zijn piëtisten die bij de eenvoudige gedachte zullen rillen; maar zij moesten bedenken dat zoo men zelfs op sabbatdag het kalf uit den put mag halen, wij gerechtigd zijn te vragen, dat op Zondag de deuren der herbergen, die zoovele afgronden zijn, wat minder en die der Musea wat meer geopend worden.

Onze Musea intusschen zijn op dien dag niet of slechts gedurende eenige uren zichtbaar; opmerkelijk is trouwens de varieteit in de bepalingen omtrent de uren waarop de Musea van den Staat geopend zijn, en waarvoor wel geen andere reden zal bestaan dan het ‘varietas delectat.’ Het Trippenhuis is in den zomer tot 4 uur zichtbaar, des Zondags in het geheel niet. De benedenlokalen van het Mauritshuis zijn nooit dan tot 3 uur geopend en sluiten des Zondags. De schilderijen op het Mauritshuis kan men 's zomers op Zondagen aanschouwen van 12 tot 2 uur, ‘mits de bezoekers zich vooraf voorzien van toegangkaarten, die daags te voren tusschen 9 en 12 uur en op den dag zelven tusschen 10 en 11 uur gratis te verkrijgen zijn bij den concierge van het gebouw en aan de opzichters van het kabinet bij het binnentreden weder moeten worden afgegeven!’ Er wordt niet gevraagd of men gevaccineerd is en aan de militiewet voldaan heeft. Het Paviljoen te Haarlem mag men Zondags een uur langer zien. Maar uit alle verzamelingen wordt eenstemmig op Zaterdag het publiek geweerd.

Hoe geheel anders begrijpen b.v. de Engelschen dat de musea bestaan om nut te stichten, en hoe praktisch weten zij die daartoe in te richten. Elk voorwerp is op doelmatige wijze tentoongesteld, en voorzien van een korte beschrijving, die men in uitmuntende catalogussen nader toegelicht kan vinden; aan den ingang der galerijen vindt men tabellen die een duidelijke, schoon beknopte verklaring bevatten van hetgeen men aldaar zien zal. Ontbrekende voorwerpen worden aangekocht of door kopiën en afgietsels vervangen.

[p. 339]

Enkele lokalen zijn bestemd om tijdelijk verzamelingen te ontvangen, die door liefhebbers ten behoeve der studeerenden worden ter leen gegeven. Van hun kant zenden de musea elkaar dikwijls geheele seriën over om die tijdelijk te exponeeren. Tot 10 ure des avonds heeft het publiek toegang; er zijn refreshment rooms in de gebouwen aanwezig, en zij die studeeren willen, worden op alle mogelijke wijzen geholpen en bijgestaan.

Wanneer wij de vreemden tot voorbeeld namen, en den toestand onzer musea verbeterden, zouden de oogen ook der groote massa zich openen; dan zou het nut onzer verzamelingen, voor niemand meer raadselachtig zijn en er zou niemand gevonden worden, die de noodige gelden tot instandhouding der musea zou durven betwisten.

Dat onze musea als rentelooze kapitalen blijven liggen is trouwens vrij verklaarbaar, wanneer men nagaat hoe gebrekkig de administratie daarvan is georganiseerd. Zoo werd in 1849, na den dood van den heer Apostool, het Trappenhuis voor den tijd van drie jaren toevertrouwd aan eenen Direkteur, den heer Pieneman, die tevens belast werd met de mededirectie van het Museum van moderne schilderijen op het Paviljoen te Haarlem, een cumulatie van funktiën, die zeker bedenkelijk was, indien men in het oog houdt, dat Pieneman ook reeds Direkteur voor de schilderkunst bij de Koninklijke Akademie van beeldende kunsten te Amsterdam was.

Deze benoeming intusschen kostte aan het land geen enkelen cent, want de betrekking was onbezoldigd. En als men weet, dat destijds het toezicht over de zalen aan slechts twee opzichters en aan twee oppassers, ‘ouden van dagen,’ tegen een karig loon was opgedragen, zal men inzien, dat alles op zijn zuinigst was ingericht om een museum dat eenige millioenen waard is, te verzorgen en te bestieren.

Aan den Direkteur werd nog geen instruktie, maar werden slechts eenige wenken gegeven, die zich door een aartsvaderlijke eenvoudigheid kenmerkten. Hem werd een rapport gevraagd over den staat der schilderijen en aangezegd, dat hij zich alleen met het dagelijksch onderhoud mocht bezighouden en zich voor elken buitengewonen maatregel (zooals restauratiën) vooraf tot den Koning moest wenden! Volgens dit systeem, had derhalve de Direkteur niet anders te doen, dan de schilderijen af te stollen en de zalen schoon te houden.

Men ontdekte ook, dat zoo er al vroeger een instruktie voor

[p. 340]

de opzichters bestaan had, deze geheel in onbruik Was geraakt en men ging er toe over een nieuwe te vervaardigen, tegelijk met een reglement van orde voor de in het Museum studoerende schilders.

Intusschen bleek het reeds spoedig uit een rapport van den Direkteur, hoe dwaas het was de beslissing omtrent buiten-gewone maatregelen en bij name restauratiën ten behoeve van Amsterdamsche schilderijen, in handen te stellen van 's. Konings regeering in den Haag. Nog in 1844 werd daarom besloten tot het instellen van een Kommissie van hoogstens vijf leden, waarvan de Direkteur rechtens deel zou uitmaken. Deze Kommissie was alleen bestemd, om in zaken, die niet tot het dagelijksch beheer behoorden, aan de regeering inlichting te verschaffen, des gevraagd of niet, verder om het oog te houden op eventueele restauratiën, en eindelijk om een jaarlijksch verslag uit te brengen.

Tegelijkertijd werd de Dirkctie van het Paviljoen te Haarlem geheel en uitsluitend in handen van den heer Pieneman gesteld, totdat in 1847 de zaken andermaal gewijzigd werden.

De Kommissie over het Trippenhuis namelijk werd toen veranderd in een Raad van Bestuur, waaraan ook het dagelijksch beheer werd opgedragen.

Deze Raad kreeg tevens het beheer van het Haarlemsche Paviljoen, doch alleen voor de alledaagsche aangelegenheden, en eigenlijk zonder eenige macht hoegenaamd; want er werd bepaald, dat in alle kwestiën van eenig gewicht (zooals de benoeming van opzichters, de bewaring, den aankoop of de plaatsing der schilderijen) met den Direkteur van het Haagsche Museum in overleg moest getreden worden, en aan dezen werd bij verschil van meening de bevoegdheid verleend om op den Minister te appelleeren!

Het is deze prachtige combinatie die tot heden toe vigeert.

De instruktie voor den Raad van Bestuur is hoogst gebrekkig; zij vermeldt in zeer algemeene termen, dat de Raad het Museum moet verzorgen, dat zonder machtiging der regeering geen voorwerpen uit het Museum mogen vervoerd worden, dat als iets hersteld moet worden, men dit aan bekwame (!) personen moet opdragen, dat het publiek de schilderijen en prenten moet kunnen zien en kopieeren. Doch terwijl omtrent dit kopieeren in kleine bijzonderheden getreden wordt, en zeer naief aan den raad de bevoegdheid verleend wordt, om

[p. 341]

aan de regeering voorstellen in het belang van het Museum te doen, is er niets hoegenaamd bepaald om den Raad zelf te controleeren; ja zelfs van het opmaken van een jaarlijksch verslag wordt niet gesproken.

Nu is het wel waar, dat voor ieder, die niet blind is, de toestand van het Trippenhuis ellendig is, en dat voor ieder, die niet doof is, de maat van de smaadwoorden, welke wij van vreemdelingen daarover hooren moeten, tot aan den rand vol is,.... maar onze kalmte en ons geduld verlaten ons niet. Wij zien zonder schaamte dien toestand voortduren.

De Raad van Bestuur, die eens in het jaar vergadert, bestaat uit vier personen, waarvan twee door hun hoogen ouderdom (83 en 72 jaren) buiten staat zijn zelfs de eerste verdieping te bereiken. Dan twee opzichters, die een loon van 1000 en 900 gulden genieten en daarvan nog in het weduwen- en weezenfonds moeten storten.

Een dezer is belast met de verzorging van de verzameling prenten, een der uitnemendste collecties der wereld. Onder die prenten bevinden zich exemplaren, die duizenden waard zijn. Nu zij het verre van mij, iets te willen zeggen tegen de eerlijkheid der vroegere conservators of van de hedendaagsche. Maar in 't algemeen mag men vragen, of het met de regelen eener goede administratie strookt een schat ter waarde van een millioen gulden, die bij gebrek aan contrôle met het meeste gemak kan geplunderd worden, toe te vertrouwen aan een ambtenaar op een traktement van ƒ 900! De depredaties, onlangs door den bibliothecaris van Troyes gepleegd, geven op die vraag het antwoord. Overigens, heeft men ook al niet oneerlijkheid te vreezen, men moet althans bedenken, dat men voor dat geld geen deskundigen van het eerste water zal verkrijgen. De geschiedenis van het laatste jaar heeft het bewezen. Men moest een nieuwen conservator benoemen. De eenige in geheel Nederland misschien, die daarvoor door zijn speciale studiën de aangewezen man was, werd werkelijk door de regeering aangezocht die betrekking te aanvaarden. De man was met weinig tevreden, doch daar hij reeds een betrekking had van een paar duizend gulden, maakte hij bezwaar deze prijs te geven om op een traktement van ƒ 900 te gaan leven. De regeering intusschen, de zuinigheid betrachtende, was niet te bewegen deze conciergebezoldiging te verhoogen. Van de specialiteit werd afgezien en een

[p. 342]

ander persoon werd benoemd, en toen deze drie dagen later, bij het hooren van de schitterende conditiën door den armen Nederlandschen staat aangeboden, bedankte, ging men over tot de aanstelling van den tegenwoordigen titularis, wiens eenig gebrek daarin bestaat, dat hij zich voor zijn vak, op 64 jarigen leeftijd, nog geheel en al moet bekwamen!

De Regeering heeft dus een triomf behaald, de ƒ 900 sinds 1847 nooit verhoogd..... en toch een conservator voor de prenten gevonden.

't Zijn dan ook maar prenten. Waarom daaraan geld of moeite besteed1? 't Is waar, dat er een ets van Rembrandt onder loopt, waarvan slechts acht exemplaren bekend zijn, en dat voor één daarvan voor een tiental jaren 1180, zegge elf honderd tachtig pond sterling betaald werd; maar dit is nog geen reden om tot behoud van dergelijke voorwerpen een cent uit te geven. En toch zou eenig geld wel noodig wezen, want de prenten zijn niet eens behoorlijk opgezet en bij elke manipulatie worden zij meer bedorven en versleten!

 

Het bestuur van de Haagsche verzamelingen is niet minder gebrekkig georganiseerd dan dat van de Amsterdamsche.

De verzameling schilderijen op het Mauritshuis is sinds 1841 geheel en sinds een tiental jaren uitsluitend aan een enkelen persoon met den titel van Direkteur toevertrouwd. Wij hebben gezien, dat deze tevens de direktie heeft over de verzameling te Haarlem. Met welk doel deze combinatie is uitgedacht, is een raadsel. Vroeger stond hem een conservator ter zijde, maar na den dood van den laatsten titularis, is die betrekking - men heeft nooit geweten waarom - onvervuld gebleven. Ziedaar dus twee Musea in verschillende steden gevestigd toevertrouwd aan één enkelen persoon zonder contrôle, zonder hulp! Mag dit een goede organisatie heeten?

Ook de verzameling oudheden in de benedenlokalen van het Mauritshuis is aan één enkel man sinds 33 jaren opgedragen.

[p. 343]

Niet anders is het gesteld met het Ethnologisch Museum te Leiden, waarmede sinds jaren zonder bezoldiging voorloopig belast is de Direkteur van 's Rijks Museum van oudheden.

 

Gaan wij den toestand na, waarin de verzamelingen zelven verkeeren, dan zullen wij ontwaren, dat de natuurlijke gevolgen van de onverschilligheid der vroegere regeeringen niet uitgebleven zijn.

Dat het gebouw, waarin het Amsterdamsche Museum zich bevindt, zoowel wat ruimte1 als wat inrichting betreft, beneden alle kritiek is, achten wij overbekend. Dat het onverantwoordelijk is, de aldaar geplaatste schatten naast petroleum-magazijnen te laten staan, weet ieder. Wij zullen daarbij dan ook niet stilstaan, te meer, omdat eindelijk en ten laatste er eenige hoop mag gekoesterd worden, dat een opzettelijk daartoe bestemd gebouw in een niet al te ver verwijderd verschiet tegemoet gezien kan worden. Maar wat men misschien niet zoo algemeen kent, is de erbarmelijke toestand waarin de schilderijen zelven verkeeren. Het régime waaraan zij sinds jaren zijn blootgesteld geweest, des zomers de brandende zon, des winters de gloeiende en rookende kachel of 's nachts de felle vorst, in de overige saizoenen de vocht en de natte mousson, dit alles heeft op de doeken en paneelen dezelfde uitwerking gehad, die het op een gewone met verf bestreken plank zou gehad hebben. Het groote publiek schijnt het niet te kunnen begrijpen, maar het is toch een stellige waarheid, dat zonder aanhoudende oplettende zorg een schilderij van Rembrandt even goed kan vergaan als een geverfde deur of als een met fijn lak bestreken rijtuig. De gebarste, gekraakte en bedorven schilderijen van het Trippenhuis zouden het kunnen bewijzen. Ik citeer een stuk van Cuyp (no. 66) waarvan de verf hier en daar afspringt; een stuk van W. van de Velde, dat schandelijk gevernisd is; de Nachtwacht eindelijk, die met een veel te dikke vernislaag onlangs is overdekt geworden. Sommige doeken zijn zoo verwaarloosd, dat zij half gescheurd uit de lijst hangen; om niet van overdrijving beschuldigd te worden, zal ik er een noemen, waarmede dit het geval is: het

[p. 344]

is no. 104, een gezicht op Nijmegen door van Goijen. Met een lantaarn en een ladder gewapend, kan de nieuwsgierige lezer dit stuk, dat eenige duizenden waard is, op de tweede verdieping achter in een gangetje rechts in den hoek boven tegen het plafond terugvinden.

Geloof niet, dat de Raad van Bestuur zich daarom bekommert. Op de ladders kan hij niet klimmen, voor restauratie geld aan te vragen is hij niet gewend, en ook de regeering heeft altijd met genoegen gezien, dat men haar niet lastig kwam vallen. O, als het 10,000 pikols Java-koffie gold, waarvan ontdekt werd, dat zij op een zolder lagen te bederven, wat zouden de Amsterdammers opstaan, en hoe zou er een koffieboonenver-zorgingsagitatie opgewekt worden!

De schilderijen op het Mauritshuis verkeeren in een beteren toestand; maar hier ontbreekt ruimte en licht. Zeker zijn er niet meer dan twintig, die volkomen goed gezien kunnen worden; één heeft er een schuilplaats moeten zoeken in het kamertje van den Direkteur; een uitstekende verzameling miniaturen wordt bewaard in de kamer van den Direkteur van het Kabinet van curiositeiten, en is dientengevolge bij het publiek geheel onbekend. Verbetering zou gemakkelijk en weinig kostbaar wezen. Wanneer men ook de benedenlokalen voor de schilderijen inruimde en door het dak bovenlicht deed vallen, zou het tegenwoordige gebouw zeer wel als Museum kunnen dienen.

Allertreurigst is het pandjeshuis, dat in de benedenverdieping aan bederf is overgegeven. Geen vreemdeling die ons daarover niet beschimpt. Alleen de inboorling blijft sinds 50 jaren steeds even bedaard. Als God aan Noach had bevolen, twee voorwerpen van elke soort te nemen, en hem den tijd niet gegund had ze netjes te rangschikken, dan geloof ik, dat men een ‘rommel’ - sit venia verbo - verkregen zou hebben, die met deze verzameling eenige overeenkomst had. Wanneer men daarin opgravingen mocht doen, zou men naast prachtige stukken van drijfwerk, van email, van aardewerk, naast heerlijke Chineesche en Japansche porseleinen en weefsels, een menigte merkwaardige doch misplaatste vijgenbladen vinden, afkomstig van Nieuw-Caledonische dames, dan een aantal aardigheden, die, men weet niet hoe, hier aangeland zijn; bloemen van witte was, uitgeknipte mannetjes, het ‘onze vader’ vijftig maal op de oppervlakte van een dubbeltje ge-

[p. 345]

schreven, en dergelijke fraaiigheden meer! Niets, geeft daarvan een beter denkbeeld, dan de bespottelijke catalogus van het Museum, een boekske, dat een bezoldigd Direkteur sinds meer dan dertig jaren niet den tijd heeft gevonden te verbeteren of aan te vullen, Een zestal letterlijk daaruit overgeschreven nummers zal er een denkbeeld van geven.

No. 724. Het japansch verlakt door wijlen den heer C.N. Huygens te 's Hage kunstig nagemaakt.- N0. 725. Een oorlogsbijl uit den Spaanschen tijd. - 726 Jacobas kannetjes. - 727. Hansje in den kelder. - 728. Een gezicht uit Zwitserland op den St. Gothard. - 729. Bloemen van witte was gemaakt. - 730. Een versiersel van rederijkers. - 731. Sabel en geweer, afkomstig uit de boot van J.C.J. van Speijk, en zoo voorts!

Nog koddiger is de Fransche catalogus dezer verzameling, waarvan ik eenige extracten mededeel tot vermaak van den lezer en tot gerief van den Direkteur, die in de voorrede het Kabinet aanbeveelt ‘à la coopération de chacun pour son ampliation.’ Risum teneatis!

No. 4. La chemise. . portée par Guillaume III... pendant les trois derniers jours de sa vie, après la chûte fatale de son cheval. - 5. Robe de chambre, portée par idem (door het paard?) - 12. Broderie représentant un tombeau, faite sur la mort de la mère de Guillaume I. - 20. Cheveux pris du cercueil de Jaqueline de Bavière. - 37. La cuirasse d'un in-connu. - 91. Quelques tableaux en miniature. - 98. Hausse-col, très-antique (een heerlijke toelichting voorwaar). - 105. Chef d'oeuvre de papier découpé représentant la nuit de Noël. - 106. Idem avec vaisseaux. - 109. Perspective en papier. - 114. Chef d'oeuvre gravé sur ardoise. - 121. Vernis Japonais, artistement contrefait par feu C.N. Huygens. - 125. Objet singulier produit par du foin brulé. - 140. Go-belet. . du temps des chevaliers. - 141. Pièces émaillées, de très-ancienne date. (De tijdsbepaling wordt steeds meer helder).- 154. Porcelaine (!) antique, nommée maïolique. - 157. Sceptre antique d'un roi des Parthes. (Als die niet antiek was!) - 189. Tuyau de l'île de Bali. - 191. Caisse aux balles de Sumatra. - 197. Objets, usés à Java pour les Waaygangs ou représentations de théâtre. - 214. Petit Pedro del Porco, en or. - 239. Modèles d'instruments, propres à l'agriculture, aux mines et au ménage. - 242. Bible en langue

[p. 346]

d'Abysine. - 249. Costumes des Africains, Américains et Australiens. - 258. Selle des paysans africains. - 260. Caisse de momie. - 288. Fruits ciselés, à différents usages. - 308. Armoire, avec de la porcelaine précieuse de la Chine et du Japon. - 332. Armoire çontenant des instruments de charpentier, des modèles d'instruments d'agriculture et de quelques métiers, une représentation des traveaux dans une mine de cuivre, et le cortège d'un grand et d'un petit seigneur. - 346. Quelques monstres, fabriques artificiellement. - 352. Vêtements de Corée, peuple tributaire du Japon (!) - 356. Deux armoires, contenant de la porcelaine chinoise. - 386. Le grand Lama, saint de la Chine. - 393. Un culbuteur. - 414. Petit fourneau à thé, et théière en faience, dans une boite ronde, qui tourne à force du feu. - 422. Corde de riz, très-forte.

Ik heb ‘pour la bonne bouche’ no. 178 bewaard; Modèle du couteau avec lequel Ankerström a assassiné Gustave III, roi de Suède. Tot nog toe dacht men algemeen, dat deze vorst aan een kogelwond was overleden. Mr. A.A. van de Kasteele intusschen spreekt dit tegen met de overtuigings-stukken in de hand!

Lezer, is het te verwonderen, dat de vreemdeling den draak met ons steekt.... en zijn wij niet een geduldig volk!

 

Laat men met onverschilligheid het Trippenhuis te midden van petroleumtonnen staan, ook te 's Hage zijn de maatregelen van voorzorg tegen brandgevaar uiterst gebrekkig. De ramp van het Museum Boymans had toch tot voorzichtigheid moeten leiden. Eerst dit jaar heeft men het Mauritshuis van bliksemafleiders voorzien! In de verzameling schilderijen bevinden zich tot nog toe slechts twee ladders, waarvan de eene twee man en een half uur werk noodig heeft om opgericht te worden. Dit is zeker voor het spoedig afhaken van een honderdtal schilderijen, in 7 kamers verspreid, niet overvloedig1.

Wanneer ik ten slotte zal medegedeeld hebben, dat door sommige oppassers in de benedenlokalen gerookt wordt, geloof ik, dat men mij eenige bezorgdheid niet euvel zal duiden.

[p. 347]

Van de verzameling moderne schilderijen op het Haarlemsche Paviljoen, waaraan een conservator verbonden is met een traktement van ƒ 400 (!), zoowel als van de prentenverzameling te Leiden, mag men vragen, waarom de regeering deze Musea aldaar laat. Even dwaas als het zou wezen, een vuurtoren te Maastricht op te richten, even ongerijmd is het Rijks-Musea te onderhouden in steden, waar hoegenaamd geen artistiek leven bestaat, terwijl juist daar, waar een legio kunstenaars leeft, aan dergelijke verzamelingen behoefte is. Welk nut de collectie van het Paviljoen zal stichten, zoolang die te Haarlem is, schijnt onverklaarbaar. De eenige reden waarom die daar geplaatst werd, is, dat de Staat aldaar in het Paviljoen een goedkoope gelegenheid bezat om de schilderijen te bergen. Stond het Paviljoen midden op de Mookerheide, wij mogen er niet aan twijfelen dat ook de schilderijen daarheen verzeild waren. Trouwens de verzameling, ook al stond deze in een woestijn, kon nooit meer in vergetelheid geraakt zijn dan zij dit thans is. Wel koopt men van tijd tot tijd iets aan, ten einde den aankoop van Verboeckhoven's wolvengevecht te doen vergeven, maar het is er verre van af, dat het Museum ook slechts een flauw denkbeeld van de moderne Hollandsche school zou geven. Israëls, Bosboom, Bles, Bisschop, van de Sande Bakhuijzen, Bakker Korff, Alma Tadema, vindt men er of in 't geheel niet, of slechts door ondergeschikte werken vertegenwoordigd. Men vergelijke daarmede het Palais Ducal te Brussel, waar niet alleen Belgische, maar ook vreemde kunstenaars aangetroffen worden.

Ook het bijna niet bezochte Leidsche prentenkabinet diende men te verplaatsen, liefst naar den Haag, waar niets van dien aard gevonden wordt, en waar het Mauritshuis dringend aan een verzameling gravures en etsen behoefte heeft. Want wat een woordenboek voor een bibliotheek is, dat is een prenten-collectie voor een museum van schilderijen. Wat doet in Leiden - ik vraag het - de goede, doch onvolledige verzameling klassieke pleisterbeelden, waarvan het beheer aan den Direkteur van het prentenkabinet is toevertrouwd? Tien minuten verder in het Museum van oudheden vindt men een tweede verzameling afgietsels op haar beurt onvolledig. Blijkt ook hieruit wederom niet, dat men er niet om geeft na te gaan welk nut een museum kan en behoort te stichten?

[p. 348]

Ook de Leidsche verzamelingen van oudheden en voor Ethnographie wachten reeds te lang op radikale verbetering.

De noodlottige onverschilligheid en zuinigheid van vroeger tijden heeft het eene Museum reeds tweemaal en het andere in den tijd van tien jaren driemaal doen verhuizen, natuurlijk niet zonder schade voor de telkens geamoveerde voorwerpen. Zoo zij thans eindelijk in een goede haven aangeland waren, zou men zich kunnen troosten; maar dit is niet het geval; want de huizen waarin zij tegenwoordig geplaatst zijn, maken de tentoonstelling en de studie onmogelijk. Herhaaldelijk heeft vruchteloos de ijverige directeur Dr. Leemans daarover geklaagd. ‘De toestand, zoo schreef hij in 1870, wordt hoe langer hoe meer onhoudbaar, niet alleen ten gevolge van plaatsgebrek, maar ook om den lang niet geruststellenden staat van het gebouw’. Niet alleen heeft de regeering aan alle vertoogen steeds het oor gesloten, maar men heeft zelfs zijdelings getracht de waarheid te smoren! Dr. Leemans is genoodzaakt geweest uit zijn jaarlijks voor de Staatscourant bestemd verslag die zinsneden te schrappen, waarin de ellendige toestand der Musea werd aangewezen! Later heeft hij op eigen kosten zijn volledig rapport afzonderlijk doen drukken. Meende dan de regeering, dat de waarheid niet bestond en niet aan het licht zou komen, wanneer men haar in de Staatscourant verbloemde? Dacht men op die wijze den Staat goed te dienen? Had niet de regeering die zoo gaarne beweert, dat radikale verbeteringen afstuiten op den onwil der Kamers om gelden daarvoor toe te staan, er op uit moeten zijn om de gebreken van den toestand in al hun naaktheid publiek te maken?

Wanneer wij den staat onzer Musea overwegen, schreeuwen dan de schimmen van Rembrandt, van Hals, van de geheele roemrijke Hollandsche school ons niet in de ooren, dat wij niet waard zijn zulke geniën onder onze voorouders te tellen! Moet ons het rood niet op de wangen staan, wanneer wij zien dat de Hollandsche schilders al de musea van Europa voor de helft met hun heerlijke gewrochten vullen, en dat overal in Europa, in Pruissen, in Oostenrijk, in het kleine Saksen, in het arme Beijeren, in Oldenburg, in Hessen, in België, in Engeland, in Frankrijk voor onze schilderijen met onbekrompen middelen heerlijke paleizen ingericht of gebouwd zijn! Wij, wij overtreffen of evenaren

[p. 349]

al deze natiën in rijkdom, maar wij geven geen cent uit, ik zeg niet tot vermeerdering, maar tot het hoog noodige onderhoud van die kunstjuweelen welke wij onwaardigen nog bezitten! Frankrijk daarentegen, schoon het vijf milliarden oorlogsschatting betalen moest, heeft nog dit jaar vier nieuwe zalen in het Louvre geopend, om er Hollandsche schilderijen in te plaatsen! ‘'t Is zonde, zoo zeide mij onlangs een Franschman, dat wij in 1815 gedwongen werden u uwe schilderijen terug te geven; want waarlijk in onze handen zouden zij beter in eere gehouden zijn en aan de menschheid meer nut en meer genot verschaft hebben.’ Ik wist niet welk antwoord ik mompelen moest op deze voor onze natie zoo grievende beschouwing; lezer! zoudt gij een verontschuldiging gevonden hebben?

 

Het zal niemand bevreemden, dat de regeering, die steeds nalatig was haar kunstschatten te onderhouden en te verzorgen, er ook nooit aan gedacht heeft die te vermeerderen en aan te vullen. Toch is de aanvulling van een museum even noodig als die van een bibliotheek1. Evenmin als men Vondel missen kan, wanneer men Cats bezit, evenmin mag Hobbema ontbreken, waar Ruisdael gevonden wordt. Elke gaping in een collectie is voor de studie nadeelig.

Aan gapingen, helaas, ontbreekt het in onze musea niet. Terwijl men te Brussel een zestal zalen gevuld heeft met meesters uit de XVe en XVIe eeuw, terwijl te Keulen, te Neurenberg, te Munchen, te Londen ook van deze schilders geheele verzamelingen zijn bijeengebracht, zijn wij ten eenemale verstoken van de gelegenheid om deze periode onzer kunstgeschiedenis te bestudeeren. Te vergeefs zult gij in 's Rijks musea

[p. 350]

zoeken naar Lucas van Leiden, naar Scorel, naar Goltzius, naar Lastman, Pinas, van Mander en zoovele anderen.

Met de schilders van den bloeitijd is het niet beter gesteld; in het Mauritshuis mist men - ik noem slechts de Dî majores - Frans Hals, Hobbema, van Goyen, Sal. Ruisdael, van Ravesteijn, Esajas van de Velde, den ouden Willem van de Velde, Flinck, Berck Heyde, Brouwer, de Grebber.

In het Trippenhuis ontbreekt Rembrandt als landschapschilder, en bijna de geheele pleiade, die zich om Rembrandt schaart (Bramer, Pinas, Lastman, Wttenbroeck, de Wet, de Poorter, A. de Gelder, Esselens, Roghman, Lievens)1.

Natuurlijk: in ons rijk land is er daarvoor geen geld, of liever daar is geld genoeg, maar men wil het er niet voor geven. In Frankrijk, waar men op dit oogenblik andere lasten te torschen heeft als wij, weet men wel een paar ton te vinden om fresco's van Raphael voor den Staat te behouden.

Wij behoeven zelfs niet naar Frankrijk te gaan om een voorbeeld te vinden dat ons beschaamt. Ons eigen land heeft in een der moeielijkste oogenblikken zijner geschiedenis getoond, dat het mannen bezat die nog voor iets anders tijd en geld overhadden dan voor onmiddellijke materieele behoeften. In 1799, toen de Bataafsche Republiek waarlijk niet in weelde leefde, is het besluit genomen tot stichting van het eerste nationaal Museum, dat in Nederland heeft bestaan. Het is mij uit de rekeningen, op 's Rijks archief aanwezig, gebleken, dat voor dit Museum, dat op het Huis in het Bosch geplaatst was, in 1799 is uitgegeven de som van ongeveer 12,000 gulden! In 1800 vond ik voor restauratiën een uitgaaf van 2000 gulden, en voor aankoop van 400. In 1804 gaf men 1889 en in 1806 2244 gulden uit.

Ook wij - indien wij maar wilden - zouden voor onze musea een penningske kunnen afzonderen. Al ware het slechts door minder voor Waterstaat, voor spoorwegen of voor Defensie te verkwisten. Niet dat ik een stuiver zou willen onthouden aan hetgeen voor deze groote belangen werkelijk vereischt wordt. Ik spreek alleen van hetgeen men verspilt. Om bij Oorlog te blijven,

[p. 351]

zal ik een paar voorbeelden noemen: zijn de gelden wel te verantwoorden, die weggeworpen worden aan die ongelukkige gesp - thans een koperen kruis - waarmede men onze officieren dwingt te verkondigen dat zij XV of XX of XXV jaren garnizoensdienst achter den rug hebben? De administratie van die krijgshaftige gesp kost jaarlijks aan den Staat het onderhoud van meerdere klerken, en het sommetje dat zoodoende reeds verzwolgen is, zou aanzienlijk genoeg zijn, om een paar Hobbema's op het Mauritshuis te bezorgen.

Een ander voorbeeld. Voor vijftien jaren droegen onze soldaten de patroontasch nog gelijk sinds twee eeuwen, en gelijk ook thans weder, over den schouder. Plotseling werd ontdekt dat de buik en de heupen door de natuur aangewezen waren om de patroontasch te torschen. Bij wijze van proef ontving een bataillon een nieuw model buikbanden, en eenige maanden later mocht het geheele Nederlandsche leger zich in dit harnachement verheugen. De vreugde was kort. Reeds het volgend jaar werd alles afgeschaft en de patroontasch more majorum over den schouder gehangen. Inmiddels waren minstens 80,000 gulden letterlijk verkwist. Wat zou het Trippenhuis dit geld goed hebben kunnen gebruiken!

Wanneer men de verschillende Departementen rondliep en overal de onbetwistbaar nuttelooze stuivertjes bij elkaar bracht, er zou op de 100 millioen onzer begrootingen wel een millioentje voor de Kunst te vinden zijn.

Maar ons is de Kunst die moeite niet waard. Wilt gij weten wat de regeering voor het Mauritshuis overheeft? 800 gulden! Die som van 800 is, niettegenstaande de stijgende behoeften en de verminderende waarde van het geld, sinds onheuchelijke jaren niet vermeerderd geworden. Integendeel. De regeering heft voor een achttal jaren op dit bedrag de aanmerkelijke som van ƒ 14, zegge veertien, bezuinigd. O aartsvaderlijke zuinigheid! Gij wordt in Nederland nog steeds als het hoogste goed aangebeden; zonder ophef, in stilte, worden uwe heerlijke wetten nageleefd. Gij hadt reeds jaren lang bepaald, dat er voor het Mauritshuis op de begrooting aan kosten van onderhoud en van aankoop niet meer dan 814 gulden zou besteed worden. Welnu, men heeft nog beter gedaan...., en men schrapte, zonder iets te zeggen, met het woord aankoop, de in het vervolg niet meer benoodigde veertien gulden!

Overigens was deze belangrijke wijziging in de begrooting

[p. 352]

niet bestemd om in het bestaande iets te veranderen. Want sinds 43 jaren is er voor het Mauritshuis nooit een enkel stuk aangekocht. Ja zelfs, toen voor een drietal jaren te 's Hage onder de oogen der regeering een oude teekening van Episcopius verkocht werd, waaruit bleek, dat zeker thans nog op de Catalogussen van het Museum als onbekend vermelde schilderij het werk was van Alexandro Turchi, toen zelfs werd dit historisch document niet gekocht. En toch daar gold het een bedrag van slechts 20 gulden. Het was dus zeker niet omdat de Waterstaat en de Defensie zoo veel geld verslinden, dat men die teekening verzuimde in het archief van de verzameling op te nemen.

Intusschen, ook zonder aan te koopen zouden 's Lands musea reeds een vrij belangrijke uitbreiding kunnen erlangen, wanneer men slechts de talrijke aan den Staat behoorende zaken, die overal verspreid liggen, wilde bijeenbrengen. Zulk een maatregel zou ook met het oog op het behoud dier voorwerpen zelven zeer gewenscht zijn; immers thans slingeren zij op allerlei zolders en in verschillende oorden rond, zoodat zij zoo niet vernield, dan toch vergeten en verwaarloosd worden, terwijl zij een betere behandeling verdienden, en zoo zij behoorlijk in de musea tentoongesteld waren, uitstekende diensten aan kunsten en wetenschappen konden bewijzen.

Om een denkbeeld te geven van wat er hier en daar nog verborgen ligt, zal ik enkele zaken noemen.

Zoo zijn er in de Gevangenpoort een aantal foltertuigen en beuls-zwaarden; in 's Rijks Archief zijn er ook eenige. Met geringe kosten zou men in de Gevangenpoort een zeer merkwaardige collectie kunnen Vormen van voorwerpen, betrekking hebbende op de vroegere lijfstraffen. Zonder veel moeite zou men van de gemeentebesturen te Haarlem, Delft, Amsterdam, den Bosch, Roermond, Hasselt, enz. zeer interessante bijdragen voor zulk een museum in eigendom of ter leen kunnen verkrijgen. Afschaffers der doodstraf konden wellicht die verzameling doen dienen om het scepticisme ten opzichte van galg of schavot aan te kweeken.

In het Ministerie van Koloniën treft men een groot aantal goede of althans merkwaardige schilderijen aan: vooreerst een volledige serie portretten van de Gouverneurs-Generaal van Nederlandsch Indië: dan 35 portretten van leden van de Rotterdamsche Kamer der O.1. Compagnie, van het begin der XVIIe tot het laatst der XVIIIe eeuw; onder deze heeft een twaalftal

[p. 353]

behalve de historische, ook kunstwaarde; verder een voortreffelijk regentenstuk met acht portretten, in 1599 geschilderd, en afkomstig van het Koloniaal Magazijn te Amsterdam; dit stuk, dat op eene goede plaatsing in een onzer musea aanspraak mag maken, hangt thans boven den lessenaar van een Referendaris, die te midden van 3,500,000 Nederlanders bevoorrecht is; voorts allegoriën door Lairesse en C. de Wit; en eindelijk een serie, wel niet voor de kunst, maar voor de historie hoogst merkwaardige schilderijen uit de XVIIe eeuw, voorstellende onze vroegere handelskantoren in Voor- en Achter-Indië: namelijk Judea (Bangkok), Neijra, Eawec, Raaiebaagh, Canton, Couchijn, Cananor. Deze stukken, gedeeltelijk aan flarden gescheurd, zijn onlangs op den turfzolder gevonden. Ten slotte vermeld ik nog een borstbeeld van Piet Hein in gebakken aarde.

Bij deze koloniale verzameling zou nog behooren een in 's Rijks Archief aanwezig houten bord van Japansch verlakt werk, waarop in gouden letters de namen vermeld staan van alle opperhoofden van den handel op Decima en van de aangekomen en verongelukte Hollandsche schepen gedurende drie eeuwen.

Op het Archief hangen voorts vier groote in alle opzichten allermerkwaardigste schilderijen met de pen geteekend door den ouden Willem van de Velde, een uitmuntenden meester, van wien onze musea geen enkel stuk bezitten. Zij werden voor den jongen Tromp vervaardigd en stellen vier van onze roemrijke bedrijven ter zee voor: de slagen bij Duinkerke, bij Duins, bij Hoek van Holland en voor Livorno.

Een tiental jaren geleden werden zij toevallig door de regeering, op aandrang van een particulier persoon, gekocht. Jaren lang hebben zij vervolgens op het Ministerie van Binnenlandsche Zaken in de antichambre van Z.E. tegen den muur gestaan, op het gevaar af van beschadigd of verscheurd te worden. Eindelijk heeft de archivaris ze medelijdend in een der vertrekken van het archiefgebouw geherbergd, en daar hangen zij nu sinds geruimen tijd, en God weet voor hoe lang, smachtende naar een hoog noodige restauratie!

Bescheidenheid is eene schoone deugd, maar toch komt het mij voor, dat het Nederlandsche volk, zonder van snoeverij beschuldigd te worden, iets meer kon doen om den roem zijner zeehelden in levendige herinnering te brengen.

Waarom laat men b.v. in de modellenkamer van het Depar-

[p. 354]

tement van Marine eenige onzer schoonste trophaeën, den spiegel van den Royal Charles en de overblijfselen van Barends en Heemskerk? Deze reliquiën verdienden een betere plaats dan dit donker, weinig bekend en min bezocht lokaal. En wil men weten waarom het weinig bezocht is? Omdat de oude zeerob die er de wacht houdt, geen fooitjes wil uitreiken aan de commissionairs die de touristen door de straten der residentie rondleiden! Moest de bekendheid van zulke trophaeën wel van dergelijke kleinheden afhankelijk zijn?

In het oude Huygenshuis op het Plein te 's Hage, thans in gebruik bij Marine, vindt men een zaal met Nederlandsche tapisseriën, achter boekenkasten en kantooralmanakken verborgen.

De oude gebeeldhouwde figuren, van de kap der Loterijzaal afkomstig, moet men gedeeltelijk in het gebouw van 's Rijks Archief, gedeeltelijk op de zolders van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken zoeken. Daar ligt ook een aantal oudheden, die met andere alom in den lande verspreid1, geduldig wachten op het beloofde Museum voor vaderlandsche kunst en geschiedenis.

 

Na de bestaande staatsverzamelingen besproken te hebben, is het hier de plaats om een woord te zeggen van dit Museum in spe, dat steeds tot de desiderata blijft behooren.

Men is het denkbeeld van dit Museum verschuldigd aan den Minister Thorbecke, die in 1863 bij gelegenheid der Delftsche tentoonstelling van oudheden aan de Hoofdcommissie dier expositie schreef: ‘Het kan der Hoofdcommissie bekend zijn, dat ik de groote zaal in het Binnenhof alhier tot een Museum van oudheden, vaderlandsche kunst, zeden en beschaving wensch te bestemmen. Aan de bereiking van dit doel zou ook uwe tentoonstelling welligt dienstbaar kunnen worden. Mogelijk is het toch, dat eigenaars van voorwerpen, aldaar te plaatsen, bereid zouden worden bevonden, die, na afloop der tentoonstelling, voor de Rijksverzameling af te staan, zoo niet in eigendom, dan in bruikleen. Het zou mij bijzonder aangenaam zijn, te dien einde de welwillende medewerking der Hoofdcommissie te ondervinden, en reeds nu meen ik daarop hare aandacht te mogen vestigen, aan haar doorzicht overlatende, welke de meest doeltreffende handelwijs zij.

[p. 355]

Men mag zich vleijen, dat menigeen, die in het bezit van zoodanige voorwerpen is, niet ongenegen zal worden bevonden die definitief of tijdelijk voor een Museum af te staan, dat naar alle waarschijnlijkheid de belangstelling van ingezeten en vreemdeling zal trekken. Menig voorwerp, dat anders zelden wordt bezigtigd, zou op die wijze, in verband met andere, zijne ware plaats kunnen innemen, licht geven en ontvangen.

Gaarne worde ik ter gelegene tijde onderrigt, welk gevolg door de Hoofdcommissie aan mijne uitnoodiging zal zijn gegeven.’

Ik zal niets voegen bij dit meesterlijk betoog ten behoeve van een Nationaal Museum; men kon niet beter spreken dan de Minister Thorbecke schreef.

Maar hij schreef in Januarij 1863..., en wij tellen 1873; en mogen wij nu niet vragen: welk gevolg is door den Minister aan zijn voornemen gegeven?

Wanneer men nagaat, hoe door de regeering, ondanks de pogingen van sommigen, deze zaak moedwillig verwaarloosd is, moet men tot het besluit komen, dat de brief, in 1863 geschreven, nooit ernstig gemeend was.

De Akademische Commissie, ofschoon - zonderling genoeg - nooit door de regeering omtrent het Vaderlandsche Museum geraadpleegd of zelfs met het plan in kennis gesteld, richtte zich den 14den Junij en den 30sten Julij 1865 tot den Minister, om hem deze aangelegenheid te doen herdenken. Het antwoord was zeer laconiek: ‘de aandacht des Ministers bleef op de zaak gevestigd’1.

In 18662 onderzocht de Commissie of het Haagsch Gemeentebestuur wellicht een lokaal voor dit Museum kon afstaan; doch het bleek weldra dat alleen de groote Hofzaal zou kunnen dienen. ‘Ware de bedoelde zaal tot zulk een bestemming dienstbaar gesteld geweest’, zoo sprak de Commissie, ‘dan zou althans het gemis van een lokaal en de onzekerheid wat er van het besproken Museum komen, en waar het gevestigd zal kunnen worden, niet onder de redenen hebben gegolden, waardoor het ongeraden werd geacht, onderhandelingen te openen tot aankoop van de (Portugaalsche) meubelen, en de Zevenhuizensche kerkglazen.’ Andermaal werd de zaak aan de regeering bij opzettelijk schrijven aanbevolen.

[p. 356]

Intusschen sloeg de Commissie hare oogen op het Muiderslot, en vroeg aan den Minister om dit gebouw voor het Museum te bestemmen1. Ook het Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam drong daarop aan, waarop Z.E. antwoordde, ‘dat het voorstel hem niet verwerpelijk voorkwam’, en hij verzocht dat de Commissie een plan en een begrooting van kosten zou ontwerpen. Dat men evenwel eenvoudig er op uit was de zaak op de lange baan te schuiven, bleek weldra, toen van het fantastisch plan tot oprichting van een Museum Willem III gebruik werd gemaakt, om de zaak volkomen te doen rusten. Het Museum Willem III verloste de regeering van het Muiderplan, gelijk dit haar bevrijd had van het Loterijzaalplan. Ja, de regeering gevoelde zich zoo weinig gebonden door den brief van 1863, dat zij - niet zonder eenige naieviteit - in 1867 het oordeel der Commissie vroeg aangaande een plan om de groote Hofzaal in een Concertzaal en in een Muziekschool te veranderen!!2

‘De rust van de Regeering’, zoo drukte zich de Commissie het volgend jaar uit3, ‘scheen wel wat al te ongestoord voort te duren, terwijl de Commissie al meer en meer in verlegenheid geraakte, zoowel met betrekking tot het aanwijzen van een behoorlijke berging van voorwerpen, als ook tegenover de bezitters van diergelijke voorwerpen, die zich genegen verklaarden tot een afstand aan het Rijk, doch onder voorwaarde, dat met het inrigten van een gebouw, en toegankelijk stellen van het verzamelde, niet langer zou gedraald worden.’

Bij brief van 6 November 1868 beval de Commissie derhalve op nieuw bij den nieuwen Minister van Binnenlandsche Zaken het Muiderslot aan. Zij kreeg ten antwoord, ‘dat het Muiderslot voor het beoogde doel niet wel kon gebezigd worden, ook om de kosten voor de tijdelijke inrichting, de in- en uitwendige herstellingen - en de bezwaren van een behoorlijk toezicht!’ verder dat er eenig uitzicht bestond - men rade waarop - dat het Kon. Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam de noodige fondsen trachten zou bijeen te brengen om een Museum te stichten, in welk geval de voorwerpen voor het ontworpen Rijksmuseum daar in bruikleen en ter bewaring zouden kunnen gegeven worden!

[p. 357]

In één adem angst voor behoorlijk toezicht in een Rijksgebouw (te Muiden); vertrouwen in een zorgvuldige bewaring door middel van een privaat genootschap! en daarbij vergat men dat op het oogenblik zelf de voorwerpen, door het geheele land verspreid, zonder eenig toezicht moesten blijven!

De Commissie trachtte nu het doel te bereiken door haar verlangen tot het allerkleinste minimum te reduceeren. Zij vroeg een gedeelte slechts van de groote Hofzaal, door een eenvoudig hekwerk af te scheiden. Doch de Minister antwoordde dat hij, ‘ook zelfs voor een tijdelijke plaatsing der bedoelde voorwerpen, dit lokaal minder geschikt bleef achten.’

Daarbij is het gebleven.

Het geheim van het laatste antwoord ligt eenvoudig hierin, dat inmiddels de archieven van het Departement van Binnenlandsche Zaken in de Hofzaal waren overgebracht. Zij zijn er zoo heerlijk geplaatst, dat het een reuzenwerk zal wezen, ze er ooit weder uit te krijgen, ook omdat daarvoor een ander gebouw zou noodig zijn, en dus eenig geld, waarmede men liefst niet het eindcijfer der begrooting verhoogt.

Trouwens na de noodlottige verknoeiing der Hofzaal heeft deze al haar eigenaardigheid voor een Museum verloren, zoodat het vrij onverschillig wordt, of de verzameling in dit gebouw dan wel in een ander geplaatst wordt. De hoofdzaak is, dat er spoedig een geschikt locaal worde aangewezen, want de toestand is niet langer houdbaar. Dit zal iedereen toegeven, die weet hoe op dit oogenblik de aan den Staat behoorende voorwerpen in het gebouw van Binnenlandsche Zaken behandeld worden. Onlangs begaf ik mij in den doolhof van dit Ministerie, ten einde een kijkje te nemen in hetgeen ik noemen zal: het Voorloopig Museum voor Vaderlandsche geschiedenis en kunst.

Na meer dan eens verdwaald en een aantal gangen, trappen, kolenhokken en turfkisten en verschillende moeielijk te omschrijven localiteiten voorbijgetrokken te zijn, geraakte ik in een verlaten reduit, waar in vroeger jaren de een of andere ongelukkige klerk zoo al niet de tering, dan toch minstens de spleen zal opgedaan hebben. Van uit die cel drong ik door een niet gesloten doch nauw deurtje in een armoedig vertrek, ongeveer twee meter hoog en vijftien vierkante meter groot, totaal dus dertig meter kubiek. Ik was in het heiligdom. Voor mij uit een gebroken marmeren schoorsteen, links twee venstertjes; behangsel twijfelachtig, vloer onzeker. Een

[p. 358]

werkman, die door de hofjes der Sumatrastraat verwend is, zou geen 24 uur in dit lokaal willen doorbrengen. De inventaris van de daar aanwezige voorwerpen doet aan een pandjeshuis denken. Links een rolmangel, die in geen betrekking staattot de collectie; een tafel die wellicht eenmaal vier pooten telde en niettegenstaande haar vetusteit niet als oudheid daar bewaard wordt; een door de wormen verteerde mand, gevuld met papieren, betrekking hebbende op vroegere besmettelijke ziekten een kast met een skelet, ten gebruike bij medische examens.

Nu de verzameling zelve vooreerst eenige stukken, die het voorrecht genoten, dezen zomer in de zalen van Arti te Amsterdam een luchtje te scheppen. Helaas, hun villegiatuur was kort en voor hen is de eindelooze rust in het muffig lokaal wederom begonnen. Een achttal geschonden houten heiligenbeelden uit de XVe eeuw, en een bas-relief: de herkomst van deze stukken schijnt evenmin bekend, als die van een tegen den wand liggend slecht stadsgezicht; een schoone gebeeldhouwde stoel; drie of vier gebroken stukken geschilderd glas; een ingelegde commode uit den tijd van Willem V. Op den grond een open kist, waarin het afgietsel van een graf uit de kerk te Mainz bewaard wordt. Als ik zeg bewaard, dan moet dit cum grano salis begrepen worden; immers het afgietsel ligt bloot, en reeds zijn de neuzen en andere uitstekende deelen geschonden. Twee of drie ongeopende kisten, waarvan de inhoud raadselachtig is; een dezer bevat, naar ik hoorde, een onlangs aangekochte ijzeren haardplaat.

Ik zou der waarheid te kort doen, wanneer ik niet melding maakte van de Succursale van ons Nationaal Museum. Want die is er. Hoe men er komt, en langs welke deuren en trappen men gaan moet, verklaar ik vergeten te hebben. Ik kan alleen ten dienste van een volgenden Livingstone meedeelen, dat men in de reis daarheen voorbij een vuile deur kruipt, waarop geschreven staat: Archief van 's Konings Kabinet. Dit Archief, waar de oorspronkelijke Regeerings-documenten bewaard worden, schijnt met bijzondere geheimzinnigheid afgesloten te zijn; althans de toegang was letterlijk geblindeerd door een aantal haardplaten, kachels, schoorsteenpijpen en kolenbakken. In de buurt staat een trapje leidende naar de Succursale. Verbeeld u een lang vertrek, laag, vuil, onwelriekend, met overal gebarsten muren, hier en daar met gapingen in vloer en plafond; in den hoek links op een turfkist ligt de verzameling, bestaande uit de gebeeldhouwde eikenhouten consoles van de

[p. 359]

kap der oude Hofzaal. Zij liggen daar als brandhout, sommige aan den knagenden worm overgeleverd; andere met geschonden vormen; tot troost liggen de neuzen en ooren er naast. Tegenover, twee spiegellijsten uit het gebouw, waar thans de Landsdrukkerij gevestigd is. Verder kachels en andere stookingredienten. Doet dit tafereel den bezoeker reeds pijnlijk aan, nog erger wordt het wanneer hij verder doordringt. Daar toch wachten hem de modellen voor Koloniën, Hoogen Raad, Hofzaal en Parlementsgebouw. Vooraan het bewijs van onkunde en wandalisme; in het verschiet de blijken van vermetelheid en eigenwaan!

Tegenover dit tafereel herinner ik niet aan het South-Kensington Museum te Londen, niet aan den Louvre en aan het Musée de Cluny, maar eenvoudig aan de verzamelingen van kleine met ons land gelijkstaande staten: aan de Porte de Hal te Brussel, aan het Germaansch Museum te Neurenberg, aan het Beijersch Museum te München. En dan wil ik gevraagd hebben of niet ieder, die eenig belang stelt in de schoone kunsten en in de eer van zijn vaderland, weemoedig mag uitroepen: quousque tandem!....

 

Is het te verwonderen, dat het met de verzorging der voorwerpen aan gemeente- en kerkbesturen behoorende, vaak niet beter gesteld is, dan met die van den Staat. Intusschen treft men hier en daar eenige gunstige symptomen aan, die tot nog toe slechts uitzonderingen zijn, maar wellicht de hoop op een betere toekomst in het verre verschiet openen. Sommige gemeenten (Leiden, Alkmaar, Gouda,) hebben onlangs het plan gevormd, om haar kunstvoorwerpen in een museum te vereenigen. Wenschelijk ware het, zoo dit voorbeeld algemeen navolging vond, en zoo men dan niet - gelijk te dikwijls gebeurt - de zaken halfweg in den steek liet. Te Maastricht, bijv., heeft men aan het Historisch en Oudheidkundig Genootschap een gedeelte van het oude Raadhuis afgestaan. In een vertrek waarvan de vloer op een gewelf rust, moesten verschillende zware steenen, afkomstig van de aloude vestingwerken, geborgen worden. Bij het binnenbrengen van een Romaansche doodkist, stortte een gedeelte van het gewelf in, en sinds vijf jaren is die opening nog niet hersteld, zoodat een aantal voorwerpen in de kazematten der buitenwerken voortdurend moeten blijven liggen!

Kampen vooral behoorde een gemeente-museum te stichten.

[p. 360]

De hofjes en oude-mannen-huizen aldaar zijn gevuld met interessante schilderijen, waaronder een Lucas van Leiden, verschillende stukken van Mechtelt van Lichtenberg, genaemt toe Boecop (1572, 1574), en van andere voorname doch weinig bekende meesters. Zij zijn erg verwaarloosd en sommige hangen in keukens, waar zij door de warmte van den haard half gebarsten zijn. Het stadhuis te Kampen bezit twee prachtige met eikenhout betimmerde zalen, die zoowel voor Nederlanders als voor vreemdelingen geheel onbekend gebleven zijn, ofschoon zij niet behoeven te wijken voor den Frac van Brugge, waarheen de touristen in menigte toestroomen. Ook daar wordt niet genoegzaam gezorgd; de eikenhouten toegangsdeur, met zeer schoon slotwerk voorzien, wordt jaarlijks getrouw met kalk gewit. Een fraai Parijsch gobelin dient er als vloerkleed.

Te Kuilenburg in het weeshuis hangt een twintigtal schilderijen, gedeeltelijk aan flarden gescheurd; voor restauratie bezit men geen fondsen, en weldra zal daarvoor geen mogelijkheid meer bestaan.

Te Bommel ziet men het huis van Maarten van Rossum, een schoon gebouw, in den stijl der XVIe eeuw, uitwendig met fraaie basreliefs versierd, inwendig voorzien van vijf prachtige schoorsteenen met beeldhouwwerk en tafereelen in Delftsche tegeltjes. Het behoort aan een landbouwer, die de zalen gebruikt om er uien, peren en appelen te bergen, en die mij in 1870 verklaarde het voornemen te hebben opgevat om het huis te sloopen! De Staat behoorde dit aan te koopen, en zou dit als post- en telegraafkantoor kunnen inrichten.

Onze oude Gothische kerken, welke meest alle in het bezit der Hervormden zijn, hebben tot nog toe bijna nergens belangstelling opgewekt. Vooral hun ameublement is veelal schandelijk verwaarloosd.

In de St. Jacobskerk te 's Gravenhage zijn er een aantal heerlijke geschilderde glazen, die men - ik weet niet wanneer - door elkander in een der ramen van het koor geplaatst heeft. Daar waar een figuur in een voet of in een arm moet uitloopen, vindt men een hoofd of een wapenbord aan een ander, tafereel ontleend. Niemand denkt er aan het geheel in zijn ouden toestand te herstellen.

In een zijkapel der groote kerk te Zutphen bestaat een boekerij, die sinds de XVIe eeuw onveranderd gebleven is; men vindt er nog de boeken aan kettingen bevestigd. Wel

[p. 361]

een zeldzaam overblijfsel uit vroeger tijden, en dat belangstelling verdiende. Welnu, deze is er zoo weinig, dat men toelaat dat uit de meeste oude boeken (waaronder zich zeer kostbare bevinden) prenten en bladen weggescheurd worden. In de ramen zijn er schoone geschilderde ruiten, die voortdurend door de kinderen worden vernield. Met geduld en kalmte rapt elken Zaterdag de schoonmaakster de brokjes op, en werpt die in den vuilnisbak! Die operatie heb ik eenige jaren geleden met eigen oogen gezien. Ik trachtte tot een betere verzorging aan te sporen, en ik gaf in overweging om des noods de glazen te verkoopen. Noch het een, noch het ander denkbeeld mocht bijval vinden. In dezelfde kerk wordt een koperen doopvont bewaard, met talrijke beeldjes versierd; de helft dezer figuren is reeds gestolen, en men heeft getracht dit verlies onzichtbaar te maken door de aan de achterzijde geplaatste beelden vooraan te brengen!

De prachtige cartons der Goudsche kerkglazen, die reeds veel van de vochtigheid geleden hebben, liggen steeds opgerold; toen men sommige daarvan in 1872 tentoonstelde, geschiedde dit door ze op den vloer der kerk uit te spreiden, met eenige baksteenen op de uiteinden! Wanneer deze cartons in een museum goed geëxponeerd waren, zou de studie daarvan voor onze schilderschool van onberekenbaar nut wezen.

De kerk te Dordrecht bezit prachtige gesneden koorbanken uit de XVIe eeuw, vol beelden en beeldhouwwerk, die door den moedwil van bezoekers voortdurend geschonden worden. In een zijkapel is er een voorstelling in marquetterie van het heilig graf te Jeruzalem, zooals dit zich in de XVIe eeuw vertoonde. Dit hoogst merkwaardige stuk is reeds half geschonden en verloren, en men denkt er niet aan het te restaureeren.

De verwaarloozing der oude grafsteenen eindelijk is regel, iets dat èn voor de beeldhouwkunst, èn voor de geschiedenis zeer te betreuren valt.

Beter is het over het algemeen gesteld met de kerken, die zich in handen der Katholieken bevinden. Daar althans worden vroegere kunstvoortbrengselen gewoonlijk gewaardeerd, schoon somtijds de bedoeling meer te prijzen is, dan de wijze waarop de verzorging of de restauratie geschiedt.

Het is inzonderheid aan den aartsbisschop van Utrecht en aan den pastoor van Heukelom, dat men dank verschuldigd is voor de herlevende belangstelling in de oude Christelijke kunst.

[p. 362]

De heer van Heukelom heeft te Utrecht een museum gesticht, dat een verblijdend teeken des tijds genoemd mag worden. Daar kan men een voorbeeld vinden van hetgeen ijver, volharding en liefde voor de kunst vermogen. Een achttal zalen, gevuld met kerkelijke oudheden, drijfwerk, miniaturen, broderiën, kantwerk, schilderijen, beeldhouwwerk, enz. vertoont een schat van voorwerpen, die stellig zouden vernietigd zijn of het land hadden verlaten, indien een kunstlievende hand ze niet had gered en verzameld.

 

Intusschen is reeds onnoemelijk veel uit Nederland naar den vreemde gegaan. Het is bekend, dat jaarlijks geheele scheepsvrachten naar Parijs, Brussel en Londen vertrekken, om aldaar verkocht te worden. ‘Ik zend morgen 800 kilo oudheden naar Parijs’, kan men van tijd tot tijd onze kooplieden hooren zeggen. Nooit wordt er van Staatswege onderzocht of onder die 800 kilo zich iets bevindt, dat verdiende in een der Rijksverzamelingen bewaard te worden1; veelmin wordt iemand naar de vreemde markten gezonden, om aldaar de belangen van den Staat op het gebied van kunst en historie te behartigen2. Integendeel, het is reeds voorgekomen, dat de Staat zijn eigen zaken verschacherd heeft. Voor een achttal jaren moest het Departement van Marine aan het huis van het Loodswezen te Vlissingen eenige herstellingen aan het dak, enz. doen, die een som van 7 of 800 gulden beliepen. Om dit bedrag - en dus ook het eindcijfer der begrooting, waar alles op aankomt - met een 100 of 150 gulden te kunnen verminderen, heeft men zich niet geschaamd voor een spotprijs de gobelins te verkoopen, die een der zalen van het huis versierden, of eigenlijk gezegd - men heeft ze wederrechtelijk onder'shands aan den aannemer der reparatiën overgedaan, tegen een vermindering van de aannemingssom!

[p. 363]

Nog onlangs werd mij goudleer te koop aangeboden, afkomstig van een Rijksgebouw. 't Was dood eenvoudig: wat zou men er mede gedaan hebben? Een museum is er niet, en de zolders met zulke oudheden te overladen, gaat niet aan.

Ten bewijze, hoe weinig de regeering zich zelfs om de aan den Staat toebehoorende oudheden bekommert, kan de geschiedenis dienen van het beeldhouwwerk der oude Hofzaal te 's Gravenhage. Toen - ter kwader ure - de slooping van de kap dier zaal aanbesteed werd, had de regeering zich de bevoegdheid voorbehouden, om tegen schatting die voorwerpen, welke zij uit de afbraak wenschte te behouden, van den aannemer over te nemen. Reeds in 1861 wees de Akademische Commissie op de gehouwen en gebeitelde versierselen en snijwerken, aan die kap aanwezig; doch zelfs nog in 1863 had men niets gedaan om deze terug te erlangen! Eerst in 1869 gelukte het den Minister die voorwerpen te bekomen van de erven des aannemers, in wier bezit zij waren overgegaan.

De gemeentebesturen doen voor den Staat in onverschilligheid niet onder. Uit het Stadhuis te Medemblik heeft men een uitstekende eikenhouten wandbekleeding verkocht. Delftsche tapisseriën, in het Raadhuis te Leiden aanwezig, zijn ten vorige jare ter nauwernood aan den hamer ontsnapt. Men wilde ze vervangen door een ‘net papiertje met gouden sterretjes, in den geest van den tijd.’

Diezelfde geest deed in 1862 den Amsterdamschen Gemeenteraad machtiging geven tot het verkoopen van een aantal schilderstukken, tot dusver op de Gildekamer van het vroeger Collegium Chirurgicum bewaard.

Te 's Hage heeft men voor eenige jaren goudleer verkocht, dat stellig tot versiering van het Raadhuis of van het stedelijk museum had aangewend kunnen worden. Nog onlangs was men op het punt een geschilderd plafond en een schoorsteen van de hand te doen.

Bruinisse verkocht zeer merkwaardige foltertuigen voor oud ijzer en vele andere gemeenten ontdoen zich van uitstekende kunstvoorwerpen, meestal zonder daarvoor zelfs de helft der waarde te ontvangen.

De besturen van hofjes en stichtingen kunnen zich soms door het finantieel belang der kas dekken, wanneer zij historische monumenten verkoopen. Toch was het geen zeer kiesche handeling, toen het Haarlemsche hofje van Heythuyzen een

[p. 364]

jaar geleden het portret van den stichter zelven, door Frans Hals geschilderd, aan het Brusselsch museum afstond.

Binnen kort is een soortgelijke handeling van wege het hofje van Beresteyn te verwachten, en dan zal het niet één, maar vier schilderijen van Frans Hals betreffen. Mag men hier niet vragen of het dan aan Nederland niet evenveel en meer waard is dan aan België, om de meesterstukken van Hals te bezitten?

De verkoop van voorwerpen uit de kerken is steeds op groote schaal gedreven, niettegenstaande er, wat de Katholieke kerken betreft, kanonieke verbodsbepalingen bestaan. De Hervormde kerkbesturen worden door geenerlei gewetensbezwaar tegengehouden, zelfs niet door de waarschuwende stem en de ondubbelzinnige wilsverklaring van hen, die de kerken indertijd begiftigd hebben. Een voorbeeld zal dit verwijt staven.

Men zal zich herinneren, hoe schandelijk de kerk te Zevenhuizen hare geschilderde glazen verkocht. Welnu, diezelfde kerk bezat eenige schoone met arenden en wapens versierde koperen kronen, op een waarvan de schenkers geschreven hadden:

 
Dese drie mannen hebben door Liefde gedreeven,
 
Dese kroon de kerk tot Sevenhuyse gegeven;
 
Door waar betrouwen en hertelijk verlangen
 
Datse de kroon des eeuwigen Levens sullen ontfangen.
 
Siet ik kome haastelijk; houdt dat gij hebt,
 
Opdat niemant uwe kroone neme.
 
Openb. Cap. III, vers 11.

Die goede zieltjes! Zij vermoedden niet dat hunne afstammelingen mannen van vooruitgang zouden zijn, diep doordrongen van ‘den geest des tijds!’1 De kroonen lagen gisteren bij een Haagsch koopman, en morgen vertrekken zij naar Engeland. Die goede zieltjes!

Schier overal zijn bij gelegenheid van het invoeren van het gas, de koperen kronen weggenomen en voor oud koper verkocht. Dat het gas niet onvermijdelijk dit offer eischte, hebben de eenvoudige landbouwers van Kuilenburg voor eenigen tijd bewezen. Zij kochten de op de markt tentoongestelde kronen in, lieten op eigen kosten de armen uithollen en voor gasverlichting inrichten, en deden de aldus getransformeerde kronen weder ophangen.

[p. 365]

Bloemendael, Hasselt, Abbekerk hebben zich schuldig gemaakt aan de verkooping hunner geschilderde ramen, en in 1872 verkocht de kerk te Sneek een heerlijke eikenhouten betimmering met beeldhouwwerk en talrijke wapens, benevens een trap, die maanden lang te 's Hage bij een koopman gebleven zijn, als om de Regeering in de gelegenheid te stellen deze uitmuntende stukken voor het land te bewaren. Maar niemand bekommerde zich daarom, en thans versiert de betimmering het kasteel van den Baron de la Rousselière, in de omstreken van Luik!

Ook de Katholieke kerkfabrieken hebben zich soms niet ontzien de kerken van haar beste sieraden te plunderen, en dit, gelijk ik opmerkte, niettegenstaande kanonieke verbodsbepalingen. In de Acta et decreta Synodi Provinciae Ultrajectensis van 1865, een boek dat voor de R.K. geestelijken van geheel Nederland een wet is, zijn deze bepalingen aldus geformuleerd: ‘Deo dicata, ecclesiastica bona... sacra eo ipso sunt, quod ad religiosos usus destinantur. Nefas est, nisi legitima accedente auctoritate, legitimisque suffragantibus causis, ab usu ad quem adhibenda sunt ea distrahere. Absque consensu episcopi nulla altaria fixa diruere licet, nullas picturas, statuas aliasve sculpturas amovere et cum aliis immutare, nulla monumenta demoliri1. Om zaken van geringe waarde te vervreemden, is de toestemming der belanghebbenden en van den diocesaan bisschop voldoende; voor zaken van grootere waarde wordt echter ten gevolge eener constitutie van Paulus II, de pauselijke goedkeuring vereischt. Het is er intusschen ver van af, dat de geest die deze wijze bepalingen deed neerschrijven, steeds bij de R.K. kerkbesturen en pastoors aangetroffen wordt. Ik zal ten bewijze slechts twee voorbeelden aanhalen, het eene een twintigtal jaren geleden, het andere van zeer jonge dagteekening, beide zeer karakteristiek voor de kennis van den toestand.

Ik bedoel den verkoop der Maastrichtsche relikwiekasten en dien van het oxaal uit de kerk te 's Hertogenbosch.

De oude St. Servaaskerk te Maastricht bezat te midden van vele andere heerlijke kunstgewrochten en naast de schoone

[p. 366]

‘noodkist’, waarin de beenderen van den patroon der stad en apostel der Tongeren bewaard werden, een viertal relikwiekasten uit de XIIe eeuw, uitmuntende door drijfwerk, door email en door edelgesteenten. Deze stukken zijn vooral daarom allermerkwaardigst, omdat zij de eenige monumenten zijn, waarvan met zekerheid gezegd kan worden, dat zij voortgebracht waren door de Maastrichtsche kunstenaarschool, welke indertijd met de Keulsche wedijverde en waarvan de sporen bijna geheel verloren zijn.

Ongeveer 25 jaren geleden werden deze vier relikwiekasten door den pastoor tegen een spotprijs eigenmachtig aan een handelaar verkocht, en daarna aan den Russischen prins Soltikow te Parijs overgedaan! De opbrengst van dezen schandelijken verkoop strekte om een stel nieuwe miskleederen te betalen, benevens een wit kleed, waarmede een zeer schoon middeneeuwsch Mariabeeld overdekt werd; om een draaghemel van klatergoud te koopen voor de groote processiën; om een standbeeld op te richten ter eere van Karel den Groote, dien de pastoor ten onrechte beschouwde als den stichter van een gedeelte der kerk; om het romaansch koor met renaissance ornamenten in ‘stuc’ te beplakken, en om eenige zeer middelmatige geschilderde ramen te doen vervaardigen!

De relikwiekasten werden, toen in 1861 de verzameling Soltikow te koop werd aangeboden, door het Belgisch gouvernement met een ander stuk gekocht voor de som van 6250 francs. Thans bevinden zij zich in de Porte de Hal te Brussel.

Toen deze kunstgewrochten aldus ons land verlieten, was het Koninklijk Besluit van 16 Aug. 1824 (Stsbl. no. 45) nog van kracht. Toch heeft de regeering, na eenige geheime stukken met de Gedeputeerde Staten van Limburg gewisseld te hebben (die in de vergadering van 21 Sept. 1849 besproken werden), hoegenaamd niets gedaan. Daarvoor kunnen redenen bestaan hebben; maar wat - zoo niet onverschilligheid - belette de regeering om later te doen wat België deed, en de ‘reliquaires’ in 1861 op de publieke verkooping te heroveren? Zij heeft niet eenmaal gepoogd het te doen; zij heeft niet eenmaal geweten, dat zij te koop waren!

Even ergerlijk is de geschiedenis van de verwijdering van het oxaal uit de St. Janskerk te 's Hertogenbosch.

In de middeneeuwsche kerken is het van de XIIIe eeuw af het gebruik geweest om het koor, dat met het allerheiligste in

[p. t.o. 366]



illustratie

HET VOORMALIG OXAAL UIT DE ST. JANSKERK


[p. 367]

den tempel van Salomo gelijk staat, van de kerk zelve af te scheiden door middel van een oxaal of jubé, hetwelk zinnebeeldig het bij de Israëlieten gebruikte gordijn vervangt. Deze monumenten werden allengskens met grooter pracht opgetrokken, gelijk sommige in België nog aanwezige exemplaren kunnen aantoonen. In Noord-Nederland, geloof ik, was het oxaal van 's Hertogenbosch het eenig overgeblevene. Na de XVIe eeuw was van dergelijke constructies in de Vereenigde Provinciën natuurlijk geen sprake meer; ook in de Katholieke landen waren zij in de XVIIe en XVIIIe eeuwen verwaarloosd geworden, tot dat men voor 30 jaren, toen de studie der middeneeuwen herleefde en die der Christelijke kunst op nieuw beoefend werd, begreep, dat de jubés een symbolische beteekenis hadden, en dat zij ook uit een architectonisch oogpunt recht van bestaan hadden. Zoo werden zij in vele oude kerken hersteld en in sommige nieuwe aangebracht1. Men had dus mogen verwachten, dat in onzen tijd aan het oxaal van den Bosch geen schendige hand zou geslagen worden, te meer daar dit monument groote verdiensten van architectuur en sculptuur bezit.

Het oxaal, dat een gothisch jubé verving, was min of meer in navolging van dat uit de O.L. Vrouwekerk te Antwerpen, in renaissancestijl van het laatst der XVIe eeuw gebouwd. Nevensstaande plaat geeft van dit monument een juist denkbeeld; de zuilen zijn van rood marmer, het entablement en de tribune van zwart marmer, de beelden en basreliefs van albast. Het geheel vormt een prachtig kunststuk en was in Nederland eenig in zijn soort. ‘Dans son ensemble, comme dans ses détails’ zegt Mr. Ch. Piot, ‘ce petit monument est bien conçu, bien exécuté; les proportions en sont parfaitement comprises; les moulures et l'ornementation d'une riche élégance.’

Welnu, een vijftal jaren geleden is dit juweeltje op persoonlijken aandrang van den bisschop van 's Hertogenbosch - die in de zaken der St. Janskerk oppermachtig schijnt te zijn - gesloopt en publiek in de dagbladen te koop aageboden! Men zegt dat de afbraak 2000 gulden gekost, en dat de verkoop 1200 gulden opgebracht heeft2! Gedurende eenigen

[p. 368]

tijd is het lot van dit monument geheel onbekend geweest, totdat men het plotseling in de maand Juli van dit jaar in zijn ouden staat in het South-Kensington Museum kon zien prijken; alleen de achterzijde is verloren; de brokstukken er van moeten zich nog in de St. Janskerk en in handen van enkele partikulieren bevinden.

Het Londensch Museum heeft er in 1871 de som van £ 900 voor betaald, nagenoeg de waarde der materialen. Men heeft het gebouwtje opgesteld in een der twee onlangs geopende kolossale zalen, gewijd aan de architectonische en monumenteele beeldhouwkunst; zalen waarin de groote afgietsels geplaatst zijn van de Trajaansche zuil, van het portaal van S. Jago de Compostella, van Hindoesche tempels, enz. Te midden van deze pleisterafgietsels, bekleedt het oorspronkelijke Bossche oxaal de eerste en de eereplaats1!

Gaat men de redenen na, welke tot de amotie van dit merkwaardig monument deden besluiten, dan staat men over de lichtvaardigheid en luchthartigheid der sloopers verstomd. Ik zal niet stilstaan bij de minder loffelijke drijfveeren waardoor volgens de chronique secrète van den Bosch de geïnteresseerde raadgevers van den bisschop bewogen werden. Daaromtrent is elke bewijsvoering onmogelijk en iedere discussie ijdel. Beschouwen wij alleen de argumenten, die verdienen besproken te worden.

Vooreerst werd gezegd, dat het oxaal het vrije gezicht op het hoofdaltaar belemmerde. Dit was slechts ten halve waar, want door de geopende middenboog kon men het altaar zien. Maar buitendien is dit vrije gezicht in de oude Katholieke kerken nooit een hoofdpunt geweest. Evenals bij de Israëlieten een gordijn het Heilige der Heiligen aan het gezicht onttrok, zoo ook kan men zeggen, dat een jubé sym-

[p. 369]

bolisch een afsluiting tusschen het koor en het schip der kerk vormen moest. De onmogelijkheid voor het grootste gedeelte der geloovigen om het altaar te zien, is in de Katholieke kerken zoozeer een aangenomen feit, dat men sinds eeuwen zich daarbij heeft neergelegd, en schellen en klokken bezigt om aan de gemeente den voortgang van den kerkelijken dienst op bepaalde oogenblikken te verkondigen. Overigens heeft het radikale te 's Hertogenbosch uitgedachte middel volstrekt niet het gewenschte gevolg gehad. Thans hebben wel de drie of vier eerste rijen der kerkbezoekers van uit één der vijf hoofdschepen een vrij gezicht op het altaar; maar de volgende rijen zijn door de ruggen hunner voorgangers, en de personen, die zich in de zijschepen bevinden, door de zuilen der kerk in datzelfde gezicht voortdurend belemmerd.

Dezelfde opmerkingen maakte reeds in 1867 de heer Ch. Piot: ‘Le conseil de fabrique oublie sans doute qu'anciennement les chrétiens assistaient à certaines parties de la Messe, lorsque le grand rideau était baissé. Par la même raison (que le jubé empêche les fidèles de voir le maître-autel) il serait bon de faire disparaître aussi les piliers, les colonnes des églises, la chaire à prêcher, les clôtures du choeur, enfin tout objet derrière lequel les fidèles peuvent se placer et qui peut offusquer la vue du maître-autel.’

Een tweede argument deed zich voor als gegrond op het architectonisch belang der kerk zelve: het oxaal, zoo zeide men, verbreekt op betreurenswaardige wijze de perspectief van het groote schip!

Inderdaad is een dergelijk beweren alleen als een ‘caprice’ te beschouwen, en is het geoorloofd daaraan een tegenovergesteld verlangen te opponeeren; nl. dat men het perspectief op een of ander punt door een gebouw afbreke. De eenige die daaromtrent beslissen kan, is, geloof ik, de oorspronkelijke bouwmeester der kerk; en nu is het uit de teruggevonden fundamenten gebleken, dat ten allen tijde op dezelfde plaats een oxaal gestaan heeft; dat een zoodanige constructie dus altoos in het plan der kerk opgenomen was. En zeer te recht lag van den beginne af een jubé in de bedoeling des bouwmeesters; immers zonder een dergelijk monument mist het oog een rustpunt, en vormen de dicht naast elkaar geplaatste kolonnetten der pilaren een onafgebroken en eenigszins eentonig verschiet. De geheele lengte der kerk bleef voor den toeschou-

[p. 370]

wer zichtbaar, daar het oog over het oxaal heen zich vrij tot aan het uiteinde van het koor kon uitstrekken; daarentegen bood juist het jubé een vergelijkingspunt aan, waarmede men zich een nauwkeurig denkbeeld kon vormen van de kolossale hoogte van het gewelf, iets wat thans onmogelijk geworden is. Het is juist deze overweging, die de hedendaagsche architecten er toe heeft bewogen, een veelvuldig gebruik van oxalen te maken. ‘On s'aperçut que, loin de faire un mauvais effet de perspective dans les églises, les jubés placés près du choeur en produisaient un excellent par l'agrandissement qu'ils semblent donner aux proportions de l'édifice.’ (Piot.)

De derde reden eindelijk, bestemd om op de massa effect te maken, was niet beter dan de twee voorgaande: het oxaal moest daarom verdwijnen, omdat zijn stijl met dien der kerk streed.

Het is waar, dat het eerste uit de XVIe eeuw is, en de laatste den gothischen stijl vertoont. Maar is een dergelijke constatatie voldoende om de amotie van een op zich zelf prachtig kunststuk te wettigen? Waar zal men dan eindigen? Moeten dan ook niet alle latere gedenkteekenen, grafsteenen en geschilderde glazen vernield worden; mag dan het schoone gebeeldhouwde orgel in de St. Janskerk blijven bestaan? Men ziet thans te 's Hertogenbosch het ongerijmde er van in, en niemand denkt er aan het orgel te sloopen. En te recht: men behoort een gebouw, gelijk de Bossche kerk, te beschouwen als een historisch museum, waaraan elke generatie haren arbeid gewijd, dat elk geslacht van zijn geest doordrongen heeft, en dat ons de geschiedenis der eeuwen op zijn wanden te lezen geeft. Volkomen eenheid van stijl is bij gebouwen van zulk een kolossalen omvang, waaraan eeuwen lang gewerkt is, toch niet te verkrijgen; elke eeuw heeft daarop zijn stempel gedrukt, en de St. Janskerk zelf draagt de kenmerken van zes of zeven perioden, die een tijdsgewricht van 250 jaren omvatten. Zal men daar nog durven spreken van volkomen uniformiteit!

De Engelschen, die ons oxaal bezitten en de vrijheid nemen ons op den koop toe uit te lachen, komen insgelijks tegen deze dwaze stelling op. ‘One of the first acts of restoration was the removal of the magnificent Rood Screen and scarcely less magnificent High Altar, because the sagacious architect considered that they were out of place in a gothic church. If this principle is to be followed out in modern restoration, the magnificently pictorial interiors of the Belgian and Italian churches

[p. 371]

will, in a few years, be rendered as cold and unpicturesque as our English cathedrals. The Belgian churches derive their great charm from the jumble of styles; take away their Renaissance fittings, gorgeous altars, marble screens and richly-carved confessionals, and the churches of Antwerp or Bruges will be far less interesting and far less pictorial than those of Norwich or Coventry. This so-called “gothic revival” is doing an incredible deal of harm.... Such restorations are far more injurious than the churchwardenism of the last century..... We are glad to be able to state that the work of destruction at Bois-le-Duc has been arrested and the magnificent organpulpit and brass parcloses, which still adorn that most noble church, are not to share the fate of the Rood Screen.’

The work of destruction! Wie bekommert zich daarom in Nederland? Onze Belgische broeders, wier kunstzin bij onze onverschilligheid zoo sterk afsteekt, hebben, waar wij zwegen, een kreet van afkeuring en van smart doen hooren. In 1867 heeft de Commission Royale des monuments in haar Bulletins een lithographie en een beschrijving van het oxaal gegeven en ons wandalisme aan de kaak gesteld: ‘par suite du principe de non-intervention dans les affaires religieuses ('t was intusschen geen affaire religieuse) professé par le gouvernement néerlandais, des faits semblables peuvent se renouveler. En laissant l'indépendance la plus complète et la liberté d'action la plus entière aux administrations des cultes, l'Etât ne croit pas devoir empêcher un acte, qu'à juste titre on doit flétrir du nom de vandalisme et stigmatiser de l'épithète de barbarie!’.

Wij, Nederlanders, wie de zaak in de eerste plaats betrof, hebben geen woord gesproken. De stervende Oudheidkundige Commissie uit de Akademie bewaarde in haar verslagen het diepste stilzwijgen; en natuurlijk, want zij wist van de zaak niets af. Samengesteld uit vier leden in Holland woonachtig en met allerlei bezigheden overladen, was zij voor alle mededeelingen afhankelijk van de kunstlievende familiebetrekkingen en vrienden van de leden en feitelijk alleen van den voorzitter Dr. Leemans. Wanneer men de namen nagaat van de enkele personen, die gedurende tien jaren berichten aan de Commissie zonden, zal men steeds dezelfde terugvinden; verschillende daaronder zijn die van Leidsche studenten, welke een milde gastvrijheid bij Dr. Leemans genoten hadden, en hun belangstelling in dien verdienstelijken geleerde ook door het toezenden van archaeolo-

[p. 372]

gische mededeelingen betuigden. Vaste korrespondenten meende de Commissie niet te mogen benoemen, uit vrees dat zij daardoor een voor de gevolgen niet wenschelijken band zou scheppen tusschen deze en de Akademie zelve. Zoo heeft men uit den Bosch slechts berichten ontvangen, zoolang de zoon des voorzitters aldaar woonachtig was; na diens vertrek vernam men nooit iets meer.

Wel had het oxaal recht gehad de algemeene aandacht en inzonderheid die van de Regeering te trekken. Want zoo al de amotie zelve goedkeuring ontmoet had, zou de vraag hebben moeten rijzen of niet de Staat behoorde te zorgen, dat het monument op eenige andere plaats in ons land bewaard bleef.

Ik weet niet of veel Nederlanders over het verlies van het jubé zullen treuren. Men is zoozeer er aan gewend al wat de geest, de kunstzin en het genie onzer voorouders voortgebracht hebben, ongehinderd uit ons vaderland te zien verdwijnen, dat men op dit punt verhard en versteend is. Toch zou het mij verwonderen, wanneer het enkelen niet ging zooals mij, toen ik op den dag harer opening de zaal van het Londensch Museum binnentrad, waar het Bossche jubé de hoofdplaats inneemt. Ik kon bijna niet gelooven, dat hetgeen ik zag in werkelijkheid voor mij stond, en toen een opzichter naar mij toetrad, en mij een catalogus (kosteloos nog wel) aanbood, waarin ik een beschrijving kon vinden van het ‘most magnificent Dutch monument’, gevoelde ik mij diep vernederd, en was ik angstig dat men mij vragen zou of ik Nederlander was.

Laten wij het intusschen erkennen: dat men het jubé aan de Nederlandsche Regeering niet te koop aanbood, mogen wij waarlijk den bisschop niet euvel duiden. Want men zou toch van het aanbod geen gebruik hebben gemaakt. Kunst immers heette tot voor twee jaren geen regeeringszaak, en bij dit sophisme legde zich het Nederlandsche volk met kalmte en gelatenheid neder.

Wij begrijpen niet genoeg, dat de verachting en de onverschilligheid voor de voortbrengselen van den geest het bewijs zijn van achteruitgang en verval. Wat zouden wij ons niet schamen, wanneer men onze natie op denzelfden lagen trap van beschaving plaatste als Spanje? En toch tot welke gevolgtrekkingen moet hij komen, die in Londens South-Kensington Museum het jubé van den Bosch ontwaart, naast drie kasten, gevuld met de heerlijkste juweelen, eeuwen lang door Koningen

[p. 373]

en Vorsten aan de Spaansche Madonna del Pilar geschonken, en in de troebelen na 1870 stuk voor stuk verkocht! Wij, wij vinden, niet gelijk de Spanjaard; een verontschuldiging in de duurte en in de onzekerheid der tijden, in een revolutionairen toestand, die het geringschatten van een roemrijk verleden wel niet moest veroorloven, maar toch kan verklaren; wij kunnen niet beweren, dat wij uit geldgebrek de pronkstukken door vroegere eeuwen ons nagelaten voor een handvol gouds moeten verschacheren! Wij leven in weelde: Indië brengt millioenen op; de Indische overschotten vallen als een gestadige manna over ons neder; wij voeren oorlog met hetgeen de koffie boven de raming opbrengt; de middelen hier te lande leveren jaarlijks hoogere inkomsten.... maar als het geldt een voorwerp van nationale kunst te bewaren en te verzorgen, houden wij de beurs gesloten!

Gaan wij verder: gesteld dat de Regeering het jubé gekocht had; waar zou men het geplaatst hebben? In een opzettelijk daartoe te bouwen zaal? De haren zouden menigeen te berge rijzen, bij de eenvoudige gedachte! Er ware wel een geschikt lokaal aan te wijzen geweest: de Hofzaal op het Binnenhof. Maar die dient nu eenmaal - God betere 't.... en de Regeering - als pakhuis voor oud papier; en men mag beweren dat het oxaal, waaraan zooveel artistieke kennis en wetenschap ten koste gelegd waren, zou hebben moeten wijken voor de pennevrucht van vroegere en latere scribae en klerken!

Het Bossche schandaal is derhalve niet uitsluitend aan de plaatselijke kerkelijke autoriteit te wijten, ook niet aan de Regeering alleen; geheel de natie, wier jaren lange onverschilligheid dergelijke feiten mogelijk maakte en verontschuldigde, draagt daarvan de schuld.

Het is te hopen dat men eindelijk het kwaad zal inzien en op verbetering bedacht zijn; de geschiedenis van het oxaal is slechts één paragraaf uit een dikken foliant gescheurd; moge die treurige historie de slotparagraaf zijn.

 

Het gebeurde met het Bossche jubé geeft nog aanleiding om de aandacht te vestigen op de wijze, waarop hier te lande over het algemeen wordt te werk gegaan bij het restaureeren van historische en kunstmonumenten en op het gebrekkige stelsel - zoo men dien naam mag bezigen - dat door de Regeering

[p. 374]

gevolgd wordt, wanneer zij zulke herstellingen met subsidiën ondersteunt.

 

Restauratie is in Nederland een groote uitzondering; een natie, welke niet eens de monumenten die in goeden staat verkeeren onderhoudt, is zelden te bewegen een ruïne te herstellen.

Intusschen van tijd tot tijd wordt er iets gedaan, doch helaas meestal met zooveel onkunde en roekeloosheid, dat men waarlijk niet weet of men niet den op een schilderachtige wijze vernietigenden tand des tijds moet verkiezen boven de grove, barbaarsche verminking, waaraan de mensch zich, onder voorwendsel van restauratie, schuldig maakt.

Twee omstandigheden werken samen om de meeste herstellingen te doen mislukken. Vooreerst de bekrompenheid der geldmiddelen, hetgeen dikwijls er toe leidt de zaken ten halve te verrichten. Dan de onkunde van hen, die de restauratiën besturen en van hen die ze uitvoeren. Personen met een gezond begrip van kunst, van oudheid en speciaal van architectuur, worden in onze gemeente- en kerkbesturen zelden aangetroffen; aan den anderen kant hebben de architecten, aan wie onze gebouwen worden overgeleverd, in den regel geen artistieke opvoeding genoten, hetgeen in een land waar tot voor een paar jaren de schoone bouwkunst nergens onderwezen werd, niet te verwonderen is. Zoo neemt men zijn toevlucht tot timmermans- of metselaarsbazen, en wat even erg is tot gewezen genie-officieren en tot waterstaatkundigen.

De gevolgen blijven dan ook niet uit.

Vooreerst wijs ik op hetgeen men noemen mag de opknappingsmanie, welke tot doel heeft op een goedkoope wijze onze gebouwen te verfrisschen; een ware pest, die zich door geheel Nederland heeft verspreid. De operatie komt neer op het verven en bepleisteren van elk muurwerk, dat onder het bereik van de herstellers valt. Het eigenaardig karakter van een gebouw wordt nooit begrepen noch geëerbiedigd. Is het van baksteen, liever dan hier en daar een ouden steen door een nieuwen te vervangen, wordt de geheele gevel met spoedig afvallend cement bepleisterd. Is de gevel van hardsteen, de verfkwast overdekt hem met steeds dikkere verflagen; wanneer daarbij nog met eenig verstand te werk gegaan werd, zou men het door de vingers kunnen zien; maar wat moet men zeggen, als men b.v.

[p. 375]

een 's Gravenhaagsch Stadhuis zoo ziet verven, dat de bruine steenen met wit en de witte steenen met bruin besmeerd worden!

Wat al bedorven werd is onnoemelijk. Te 's Hage werd het Mauritshuis geheel, het Binnenhof en de Gevangenpoort gedeeltelijk bepleisterd; de Schouwburg, van hardsteen gebouwd, werd nog onlangs geverfd, of, zooals men het noemde, gesilicatiseerd, hetgeen in alledaagsche taal wil zeggen, dat het met een minder kostbare specie werd bestreken. Te Arnhem en te Leiden zijn de Raadhuizen met verf en in verreweg de meeste steden en dorpen zijn de kerken geheel of gedeeltelijk met cement bedekt, hetgeen vooral daar betreurenswaardig is, waar de oorspronkelijke bouwmeester een gecombineerd gebruik heeft gemaakt van hard- en baksteen, en zoodoende aan onzen ouden bouwstijl een eigenaardig karakter gegeven heeft.

Inwendig zijn onze gebouwen aan de verf- en beplakkingswoede evenmin ontkomen. Ik noteerde te Kampen in de Hooge kerk een balustrade en een fijn gehouwen preekstoel, die op deze wijze bedorven zijn. Men mag het nog een geluk noemen, wanneer daarbij de oorspronkelijke kleur wordt nagebootst, want dit is niet steeds het geval; te Middelburg in de kleine Statenzaal zag ik een gesneden eikenhouten betimmering van gothischen stijl liefelijk met een grasgroen tintje aangestreken!

Waar op meer ingrijpende wijze gerestaureerd wordt, is het nog erger gesteld. Dit kunnen onze gothische kerken - waaronder ik de Amsterdamsche Nieuwe kerk speciaal als type noem, en waarbij ik den weldra door den Staat gesubsidieerden Dom te Utrecht niet mag vergeten - op honderd plaatsen getuigen. Ook inwendig zijn en worden zij voortdurend jammerlijk gehavend, veel meer dan de eischen van de godsdienstoefeningen der Hervormden het noodig maken.

Zelfs de geringste details geven de blijken van onkunde der bouwmeesters. Toen te Leiden voor een paar jaren de zuidelijke transeptgevel der Hooglandsche kerk werd gerestaureerd, herstelde men zorgvuldig een op den top misplaatst fronton in renaissancestijl! Zoo ooit dan had men toen de gelegenheid het door een gepast gothisch fleuron te vervangen.

Dit fronton doet alleen onder voor de drie merkwaardige ornamenten, welke de gevels van de Haagsche Kloosterkerk bekroonen, en die in de plaats gekomen zijn van evenveel ijzeren kruizen. Het moet wel een geniaal man geweest zijn,

[p. 376]

die deze fantastische krullen heeft uitgedacht, welke in geen stijl der wereld teruggevonden worden.

Nergens hebben onkunde en wansmaak noodlottiger gewerkt dan bij de herstelling van de spits van den St. Jacobstoren te 's Gravenhage. Die ijzeren spits, waaraan jaren gewerkt, en zeer veel geld vermorst is, tracht de torens van Brussel en Antwerpen na te bootsten, en is inderdaad gelukkig eenig in zijn soort. Doch zelfs indien men er in geslaagd ware met juistheid de vormen van de flamboyant-gothische periode te vertoonen, wat moet men dan denken van een architect, die op een toren van de allereenvoudigste en vroegste gothiek een spits bouwt van een driehonderd jaren jongeren stijl! Waarlijk een rijk versierde generaalssteek op het hoofd van een turfboer gedrukt, zou geen bespottelijker effect kunnen maken.

Ook de staatsgebouwen ontgaan het algemeen noodlot niet Men denke aan de ijzeren tribunes in de zaal der Ie Kamer, en aan de Hofzaal op het Binnenhof. Of de barbaarsche handelingen aan dit laatste monument gepleegd, wel den naam van restauratie mogen dragen, weet ik niet: in werkelijkheid is er met opzettelijke vernieling geen verschil1. Niet alleen de vernieling der oude kap, en de bouw van de afzichtelijke ijzeren constructie verkondigen de volslagen onkunde van den bouwmeester als restaurateur; elke bijzonderheid, tot de minste toe, spreekt het vonnis over hem uit; ik wijs slechts op de trap voor de hoofddeur van het gebouw.

Betreurenswaardig is dikwijls de methode bij de herstellingen gevolgd, ook wanneer zij op zich zelve met verstand gedaan worden.

Zoo werd voor eenigen tijd door het gemeentebestuur van Breda het bovenste gedeelte van den kerktoren geheel en al hersteld, zonder dat de kerkelijke gemeente aan het der kerk toebehoorende benedengedeelte van den toren iets tot herstelling of onderhoud had verricht!

Een fraaie toestand voorwaar! Van lieverlede hadden zich

[p. 377]

scheuren, ontzettingen en afwijkingen in het benedengedeelte van den toren doen kennen, en had het kwaad eindelijk zulk een hoogte bereikt, dat men voor het verdere behoud van het geheel ernstige vrees begon te koesteren. En de toren èn de aan een gedeelte daarvan gemaakte kosten dreigden verloren te zullen gaan. Gelukkig nam de gemeenteraad andermaal de zaak in handen, en wist zij met Rijkssubsidiën de restauratie ook van het onderste vak te voltooien.

Even verkeerd als het is de herstelling van een toren van boven aan te vangen, even schadelijk is het een kerk inwendig te restaureeren, wanneer het buitenwerk niet vooraf in goeden staat is gebracht. Toch wordt dit wel eens gedaan, vooral in Katholieke kerken.

Het is een niet onnatuurlijk verschijnsel dat de pastoors in de eerste plaats verlangend zijn het inwendig aanzien hunner kerken te verbeteren; vooreerst is het voor hen hoofdzaak, om de kerkelijke plechtigheden welke zij vervullen, met den meesten luister te omgeven; dan, de milddadigheid der gemeente is gemakkelijker en in ruimer mate op te wekken ten behoeve van de versiering van een of ander altaar, dan voor minder aan het oog en aan het hart sprekende herstellingen aan gewelven, aan daken en aan goten.

Zoo werd te Maastricht de schoone St. Servaaskerk, omstreeks 1860, op aandrang van den Deken, inwendig in haar geheel met kostbaar schilderwerk opgetooid, zonder dat aan meer dringende reparatiën gedacht werd. In 1870 bleek het dat het geheele dak volkomen verrot was, en dat onverwijlde restauratie tengevolge van het binnendringen van het water vereischt werd. Toen eerst werd met hulp van gemeente en provincie datgene verricht, wat in de eerste plaats had behooren te geschieden: de vernieuwing van het dak; inmiddels was de regen overal binnengestroomd en hadden de helft der gewelven en twee derden van het schilderwerk ontzachelijk geleden.

Bedenkelijk is ook de methode, welke bij de restauratie der St. Janskerk te 's Hertogenbosch gevolgd wordt. Aan deze kerk, voorzeker de schoonste van geheel Nederland, is in de laatste drie eeuwen nooit de hand geslagen, dan om steen- en beeldhouwwerk in- en uitwendig te schenden of nu en dan, wanneer de nood drong, op lompe manier te herstellen.

Uitwendig zijn alle scherpe kanten, alle beelden, al de fijn gebeitelde ornamenten verdwenen of door ruwe baksteenen ver-

[p. 378]

vangen, zoodat de oorspronkelijke vormen schier overal onherkenbaar zijn. Van binnen heeft men de beelden en hun consolen en baldaquins of weggenomen of verminkt, en de geheele oppervlakte van het in hardsteen opgetrokken gebouw met dikke kalklagen overgewit, zelfs daar waar zich muurschilderingen bevonden.

Veertien jaren geleden is eindelijk de restauratie van dit monument ondernomen. Er waren veel moeilijkheden te overwinnen: de finantieele kwestie was - gelijk voor kunst altijd in ons doodarm land het geval is - een groot bezwaar; de kerk was niet rijk, particuliere bijdragen konden alleen van Katholieken verwacht worden, omdat vele Hervormden het als een door Satan ingegeven voornemen beschouwden, een gebouw in 't leven te houden, waar ‘Paapsche superstitiën en afgoderij’ gepleegd werden; men moest dus wel tot stad, provincie en Rijk zijn toevlucht nemen, en men slaagde er in een voor onze vaderlanders ongehoorde, maar voor de behoefte van den toestand uiterst matige som bijeen te brengen.

Een andere moeilijkheid, waarvan het publiek zich veel te weinig rekenschap geeft, ligt in den aard van het werk zelf. Een monument gelijk de St. Janskerk behoort, voor men de handen aan 't werk slaat, in al zijn deelen nauwkeurig onderzocht, bestudeerd en begrepen te worden; men moet in de overgebleven ongeschonden steenmassa het geheim van de oorspronkelijke bouwmeesters ontdekken. Ook de werklieden moesten vertrouwd raken met een arbeid, dien zij vroeger nooit verricht hadden; men moest teekenaars, metselaars, timmerlieden, steen- en beeldhouwers vormen. Deze bezwaren zijn langzamerhand overwonnen geworden, dank zij vooral den ijver van een jong, doch zeer ervaren architect, den heer Hezenmans.

Intusschen werd langzamerhand het Bossche publiek, dat niet genoeg begrijpt wat het beteekent, steen voor steen een gevaarte als de St. Janskerk te vernieuwen, wel wat ongeduldig, zoodat de gemeenteraad voor eenige jaren besloot, niet langer alle krachten volgens één ‘plan d'ensemble’ aan te wenden, maar die te splitsen door een tweede geheel afzonderlijke restauratie op touw te zetten, die van den toren. Gelukkig is het resultaat van de toepassing van dit verkeerd systeem bevredigend geweest; de eenige aanmerking, die men den architect van den toren maken kan, is, dat hij de oude groote moppen heeft

[p. 379]

vervangen door moderne kleine baksteenen, zoodat het grootsche en ouderwetsche effect van den toren geleden heeft. De meerdere kosten, die de vervaardiging van steen van grooter afmeting zou veroorzaakt hebben, hadden niet geteld moeten worden.

Men heeft vrij wat minder reden zich te verheugen over de zoogenaamde inwendige restauratie van de kerk, die gelijktijdig met de beide andere onder de hooge direktie van den Bisschop en de gewillige en eerbiedige medewerking van de kerkfabriek plaats heeft. Eigenlijk kan hier niet wel van restauratie gesproken worden, vooreerst, omdat tot nog toe meer afgebroken dan hersteld is, vervolgens, omdat wel verre van volgens een vast plan te handelen, men slechts hier en daar werkzaam is, dan om een nieuw raam, dan om een nieuw altaar of eenig ander meubel in de kerk aan te brengen.

De inwendige restauratie komt zoodoende op het volgende neer: men heeft het jubé en een paar altaren weggeworpen, drie of vier nieuwe altaren en eenige beelden geplaatst, eenige ramen met geschilderd glaswerk versierd, zonder dat die ramen uitwendig gerestaureerd waren, en eindelijk een zijkapel, waar de geloovigen meer speciaal zich tot het gebed begeven, met vrij middelmatige muurschilderij en opgesmukt.

De mediocriteit van onderscheiden altaren doet niet zeer gunstig denken over de kundigheid van den bouwmeester, die het inwendige der kerk verzorgt. De indruk wordt niet beter, wanneer men nagaat hoe onstelselmatig gearbeid wordt en hoe er b.v. tot nog toe niet schijnt aan gedacht te worden, de barbaarsche witsellaag weg te ruimen, die als een doodskleed het monument bedekt; integendeel, telkens wordt de kalklaag tot groot genoegen en voordeel der witters hernieuwd!

Maar bovenal verdient de versnippering van krachten gelaakt te worden, die het gevolg dezer driedubbele onzamenhangende restauraties is.

Eenheid en krachtsinspanning zijn juist hier vereischten. Het eerste springt terstond in het oog. Ten bewijze, dat tot nog toe met veel te geringe middelen gearbeid is, zal een onderzoek naar den toestand der restauratie dienen.

De vaste sommen welke jaarlijks aan de uitwendige herstelling besteed kunnen worden, beloopen een totaal van ongeveer (men schrikke niet) 20,000 gulden, welke als volgt verkregen worden.

[p. 380]

Subsidie van het Rijk ƒ 8000
Subsidie van de Provincie ƒ 3000
Subsidie van de Stad ƒ 3000
Bijdrage van de kerk ƒ 1000
Bijdrage van particulieren ƒ 2000
Cathedraticum en collecte in de kerk ƒ 3000

Deze magere som moet alle kosten goedmaken: daarmede moeten de materialen voor loodsen en steigers en die voor de kerk zelve aangeschaft worden, daarvan moet zoowel de architect als de werkman betaald worden! Natuurlijk is het personeel uiterst gering. Elk ambacht of kunstbedrijf telt bijna één vertegenwoordiger. Behalve den architect en één opzichter, heeft men in het geheel 26, zegge zes en twintig man, namelijk:

2 beeldhouwers (à 14 cents per uur!)
3 ornamentwerkers
15 steenhouwers
3 opperlieden
1 metselaar
1 timmerman en
1 smid.

Een echt vaderlandsch hart zal er zich over verheugen, en er trotsch over zijn, dat de restauratie van een gevaarte gelijk de St. Janskerk aangedurfd en verricht wordt met zoo weinig geld en met zoo weinig menschen. Maar als wij de bij ons ingeroeste bekrompenheid van ons afschudden en den waren toestand in de oogen durven zien, zullen wij ontwaren, dat hier de zuinigheid misplaatst is; of liever, dat hier van zuinigheid geen sprake kan zijn. Immers gesteld dat de gezamenlijke werkzaamheden b.v. vijf ton zullen kosten, door langzaam te werken zal men geen cent profiteeren; de vijf ton zullen toch eenmaal verbouwd zijn. Wat beslissen moet omtrent de snelheid waarmede de vijf ton uitgegeven zullen worden, is aan den eenen kant de behoeftige staat van het te restaureeren gebouw, en aan de andere zijde onze finantieele kracht.

Nu bedenke men, dat de St. Janskerk zoodanig vervallen is, dat men niet te spoedig daarin voorzien kan, en dat volgens de tegenwoordige snelheid er minstens nog 85 jaren zullen voorbijgaan, eer de uitwendige restauratie voleindigd zal zijn, zoodat eenige gedeelten tot het jaar 1967 zullen wachten! Men overwege verder, dat een verdubbeling der jaarlijksche gelden

[p. 381]

volstrekt niet boven de krachten der onderscheiden schatkisten - althans niet van die van den Staat - zou gaan.

Ook behoort men zich rekenschap te geven van de nadeelen, die buiten de vertraging van het werk1 nog het gevolg zijn van niet gemotiveerde zuinigheid. Het gebrek aan ruimer middelen heeft namelijk noodlottig gewerkt op het gehalte der talrijke steenen beelden, die het thans voltooide noordelijk portaal versieren. En geen wonder: welke produkten kan men van beeldhouwers verwachten, die een salaris verdienen van.... 14 cents per uur! Men had misschien beter gedaan het vervaardigen dier beelden voorloopig uit te stellen, liever dan er te maken, die wellicht over honderd jaar een meer kunstlievend geslacht door betere zal willen vervangen. Maar men heeft niet zonder eenig scepticisme overwogen, dat zoo men dien rationeelen weg insloeg, het wel eens kon gebeuren, dat, wanneer het gebouw gereed was, de Regeering doof zou worden voor een aanvrage van subsidie, alleen strekkende om beelden te bekostigen, - en het zekere boven het onzekere verkiezende, heeft men figuren gemaakt, die vrij middelmatig zijn.

Iets dergelijks zou in België - een land dat wij ons gaarne tot voorbeeld moesten stellen, niet gebeurd zijn. Daar toch worden de beelden voor de St. Gudulekerk, voor de stadhuizen te Brussel, te Gent, te Yperen niet toevertrouwd aan beeldhouwers à 14 cents per uur, maar opgedragen aan de eerste kunstenaars van het land. Onze Zuidelijke broeders hebben trouwens meer geld dan wij over voor de herstelling van historische monumenten. Het jaarlijks daarvoor toegekend subsidie bedroeg in 1864 een totaal van 544,000 francs; waarbij de verschillende provinciën een som van 564,500 francs voegden.

Deze gelden worden algemeen in België erkend, niet toereikend te zijn voor het doel, want in 1864 berekende men, dat de dringende reparatiën alleen een som van 7 millioen behoefden, en dat 20 millioen noodig waren om andere nuttige herstellingen te doen.

Nederland gaf in 1873 voor deze zaak 17,000 gulden uit,

[p. 382]

en op de begrooting voor 1874 is dit bedrag tot op 25,650 verhoogd! En toch, indien wij gelijk België 3 ton gaven, zou dit slechts 3/1000 van de gezamenlijke uitgaven van den Staat bedragen. Zou men op de 20 millioen voor Binnenlandsche Zaken niet een paar ton kunnen vinden en een derde ton aan de amortisatiemillioenen kunnen ontwoekeren? Daardoor zou ook een zeer oude schuld geamortiseerd worden.

Een grootere uitbreiding aan de restauratie der Bossche kerk gegeven zou eindelijk het geheele land ten goede komen. De weldra noodzakelijke herstelling toch van den Dom te Utrecht, van de Bovenkerk te Kampen en van meer andere gebouwen zal de behoefte aan een aantal flinke architecten en goede werklieden, die ons thans ontbreken, meer en meer doen gevoelen. Zulke menschen kan men niet plotseling verkrijgen. De Bossche werken uu konden als het ware een ‘pépinière’ leveren, waardoor onze architectuur, onze algemeene ontwikkeling gebaat zouden worden. Evenals de herstelling van den Keulschen Dom voor geheel de Rijn-provinciën een ongekende en krachtige impulsie aan de beoefening der middeneeuwsche bouw- en beeldhouwkunst gaf, zou ook de restauratie der St. Janskerk in Nederland een nieuw leven op dit gebied doen ontstaan.

 

Ik moet nog wijzen op de gebrekkigheid van het door de regeering gevolgde stelsel, daar waar zij met staatsgelden herstellingen of gebouwen subsidieert.

Eigenlijk mag men van een stelsel niet spreken; wel verre van een vast en scherp toezicht te houden op het gebruik, dat van de verleende subsidiën gemaakt wordt, wel verre van in de mildheid der regeering een middel te vinden om een gunstigen invloed uit te oefenen bij besturen en korporatiën, die zonder finantieele banden van den Staat geheel onafhankelijk zouden zijn, wordt er voortdurend in den blinde gesubsidieerd, zonder te vragen wat er geschiedt en wat er geschieden moet.

Wat daarvan het gevolg is, bewijst helaas zonneklaar de Bossche St. Janskerk. Reeds heeft het Rijk daaraan ƒ 112,000 uitgegeven, en toch heeft de controle der regeering in niets anders bestaan, dan in de gedurende 14 jaren drie of viermaal bevolen zending van een of twee afwisselende en niet altijd deskundige personen. Deze hebben geen andere opdracht, dan den stand der gesubsidieerde werken na te gaan. Men begeeft zich naar den

[p. 383]

Bosch, beklimt de steigers, bevindt alles in de beste orde en brengt een stereotyp rapport uit: het subsidie wordt op nieuw verleend.

Vraag nu niet, of soms ook terwijl de Staat uitwendig jaarlijks ƒ 8000 vermetselt, de kerk inwendig verwaarloosd of geschonden wordt, of oxaal en altaren zonder eenige kennisgeving aan de regeering worden vernield; treed vooral niet in bijzonderheden; stel niet de vraag, of het niet jammer is, dat de van de staatsrestauratie afkomstige oude beelden, die thans vervangen zijn, naast de kerk overhoop liggen, in afwachting dat zij tot puin geslagen worden om de ruimte niet te versperren1; 't is waar, dat zij in een museum geplaatst, voor de studie der middeneeuwsche beeldhouwkunst van uitstekend nut konden zijn. Dat alles was den inspecteurs niet opgedragen te onderzoeken,.... en ook aan niemand anders wordt dit bevolen.

 

Uit al het voorgaande ontwikkelt zich duidelijk, geloof ik, de noodzakelijkheid om in de oude wanorde van zaken te remedieeren; om zich niet langer te vergenoegen met toevallige inspecties of adviezen, die of te zeldzaam bevolen, of soms geheel vergeten worden, en altijd gebrekkig zijn.

Wij moeten eindelijk er toe overgaan, om het systeem te volgen, dat in alle beschaafde landen aangenomen is: de instelling namelijk van een vast, opzettelijk daartoe georganiseerd lichaam (commissie, bureau, afdeeling of comité), speciaal bestemd om van wege den Staat te waken en te advizeeren, overal waar de belangen van kunst en geschiedenis dit vereischen.

Ik wijs niet op Frankrijk, waar het belang der verzorging der schoone kunsten geleid heeft tot het instellen van een afzonderlijk Ministerie; noch op Engeland waar men een Science and Art Department heeft. Wij zijn te voorzichtig, te langzaam en te onverschillig om een nieuw Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in het leven te roepen. Maar ik zal op België wijzen, dat sinds jaren een instelling heeft, die ons tot model kan dienen: ik bedoel de Commissions Royales d'Art et d'Archéologie. Wij zullen die instelling in verband met de algemeene maatregelen van staatszorg beschouwen.

[p. 384]

In België dagteekent de zorg voor de historische en kunst-monumenten van het Keizerlijk Decreet van 30 Dec. 18091, waarbij aan de ‘marguilliers’ en bijzonder aan den penningmeester der kerkfabrieken opgedragen werd te waken voor de goede en tijdige reparatie der kerkgebouwen, en bevolen werd, dat jaarlijks tweemaal in tegenwoordigheid van deskundigen inspectiën zouden plaats hebben.

Koning Willem I nam den 23sten Aug. 1824 (Sb. 45) een besluit - in Nederland onlangs zonder meer ingetrokken (!) - om aan de kerkbesturen en kerkelijke administratiën elke beschikking te ontzeggen omtrent voorwerpen, waarvan de zorg hun niet uitdrukkelijk door de bestaande reglementen, verordeningen of wetten was opgedragen. Tot het stichten en bouwen van nieuwe kerken, en het herbouwen of veranderen der bestaande, werd de koninklijke goedkeuring vereischt, zoodat alleen de tot behoud der gebouwen noodige reparatiën geheel werden vrijgelaten. Ook werd het verboden zonder 's konings machtiging of die der aan te wijzen autoriteiten, kunstvoorwerpen of historische gedenkstukken uit de kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden of daarover op eenigerlei wijze te beschikken, behoudens de rechten van bijzondere personen of corporatiën.

In verband hiermede, werd den 7den Januari 1835 door Léopold I een arrêté genomen, waarbij tot verzekering van het behoud dier monumenten, welke door hun oudheid, door de daaraan verbonden historische herinneringen, of door hun kunstwaarde uitmunten, - werd ingesteld een Commissie, bestemd om op 's Ministers aanvraag advies uit te brengen aangaande: 1o. de reparaties door bovengenoemde monumenten vereischt: 2o. de plannen betreffende het bouwen en herstellen van de gebouwen vermeld in art. 2 van het Koninklijk Besluit van 2 Aug. 1824, en van andere openbare gebouwen.

Die Commissie telde negen leden, van welke vijf architecten waren, één hoofdingenieur, één schilder. Een senaatslid was voorzitter.

Inmiddels kwam den 30sten Maart 1836 de gemeentewet tot stand, welke in art. 76 bepaalt, dat aan het advies van de Permanente Deputatie uit den Provincialen Raad en aan 's Ko-

[p. 385]

nings goedkeuring onderworpen zijn alle beslissingen der gemeenteraden, betreffende, zoowel het sloopen van monumenten der oudheid, als het doen van herstellingen daaraan, wanneer deze reparatiën van dien aard zijn, dat zij den stijl of het karakter van het monument zouden kunnen wijzigen. Ook op de openbare instellingen in de gemeente onder een speciale administratie staande, werden dergelijke voorzieningen toepasselijk verklaard; en de besluiten dezer administratiën werden buitendien aan het advies der gemeentebesturen onderworpen.

Hoe gunstig deze voorzieningen ook afsteken bij de bandeloosheid en wetteloosheid, waarin de Nederlandsche Vandalen zich verheugen, toch zijn zij verre van volmaakt en wordt haar gebrekkigheid in België algemeen erkend. Zeer dikwijls, vooral voor een twintigtal jaren, kon men op vernieling, verwaarloozing of vervreemding van burgerlijke en kerkelijke monumenten wijzen. Intusschen is de toestand langzamerhand verbeterd en het besef van den eerbied, waarop kunst en historie aanspraak hebben, meer en meer doorgedrongen.

Tot dit resultaat heeft vooral de regeering medegewerkt, minder door de toepassing der wet, waaraan de noodige strafbepalingen ontbreken, dan wel door het geven van het geode voorbeeld. Waar men de dringende kracht der wet miste, wist men, zonder de zelfstandigheid der besturen en kerkfabrieken te schenden, langs den weg van gemeenzaam overleg het goede doel na te jagen en te bereiken. Steeds werd b.v. het toestaan van de subsidiën afhankelijk gesteld van de inwilliging van zekere eischen in het belang der oude monumenten, en dikwijls werd tegelijkertijd de geldelijke medewerking van besturen en korporatiën uitgelokt, verzekerd en vruchtbaar gemaakt.

Reeds blijkt de gunstige invloed der regeering uit de groote artistieke ontwikkeling waartoe sinds 1830 België gekomen is en waarvan de materieele resultaten merkbaar zijn overal waar de bouwkunst en de industrie de hulp der kunst behoeven.

Het is hoofdzakelijk aan de Commission des Monaments van 1835, dat deze gelukkige uitkomsten te danken zijn.

De middelen waarover zij te beschikken had, waren niet zeer ruim; hare leden hebben nooit meer dan reiskosten genoten; het totaal bedrag der uitgaven voor bezoldiging van ambtenaren, voor de bibliotheek, het onderhoud der lokalen, de bureau-behoeften en de reizen, was aanvankelijk slechts 4000 frs.; eerst na lange jaren werd dit cijfer verhoogd, en in 1861 be-

[p. 386]

liep het nog niet meer dan 7500 francs. Thans is het, sedert de uitbreiding na 1860 aan de Commissie gegeven, geklommen tot 28,700 francs.

Dat deze sommen niet nutteloos zijn uitgegeven, kan men reeds afleiden uit de overweging dat de waarde der bouwwerken alleen, welke aan de beoordeeling der Commissie onderworpen werden, reeds in 1862 een jaarlijksche som van meer dan vier millioen vertegenwoordigde, en thans (bij de groote werken die te Brussel en te Antwerpen uitgevoerd worden) ver boven dat cijfer gerezen is.

Ook de vergelijking van den vroegeren met den tegenwoornigen toestand, geeft stof tot vreugde over de uitgegeven penningen. Welke geleerde, welk architect hield zich vóór 1835 met de studie der Romaansche of der Middeneeuwsche bouwkunst bezig? Waar was er toen een administratie of korporatie, die gelden besteedde ten behoeve van de monumenten en kunstvoorwerpen? Zoo er sinds dien tijd ontzachelijke vorderingen gemaakt zijn, is dit aan den aanhoudenden arbeid der Commissie te danken.

Tegenkanting van alle zijden heeft niet ontbroken. Waar alles moest geschapen en geregeld worden, ontmoette de commissie vaak vijandige stemming en tegenwerking. De gemeentebesturen en de kerkfabrieken deden het voorkomen alsof zij hen tot nuttelooze en noodlottige uitgaven wilde overhalen; haar controle werd door mannen, wier verwaandheid een uit vloeisel hunner domheid was, niet dan met ongeduld verdragen, en men verweet haar dat, wanneer zij wettelijke bepalingen inriep, zij aan vrijheid en autonomie een schendige hand sloeg.

Vandaar dat bij een werkkring die duizende monumenten betrof, de goede bedoelingen en de wijze adviezen der Commissie meer dan eens verijdeld zijn geworden. Desniettemin heeft zij steeds met onverdroten ijver en met stalen geduld het kwaad ontsluierd en zooveel doenlijk tegengewerkt.

Het zijn vooral klachten over de gebrekkigheid der aan haar oordeel onderworpen plannen, en over de moedwillige verwaarloozing en verandering der daarin door haar soms na langen arbeid gebrachte wijzigingen, die telkens wederkeeren. Het blijkt tevens dat, wat de kerkfabrieken betreft, die, welke de staatssubsidiën kunnen missen, geheel eigenzinnig te werk gaan, en in spijt der door de Commissie gemaakte aanmerkingen, toch vaak belangrijke werken ondernemen tegen alle regelen der kunst en zelfs van het meest gewone gezond verstand in.

[p. 387]

Ik zal uit een brief van de Commissie aan den Minister van binnenlandsche zaken (7 Maart 1842) een uittreksel mededeelen, omdat het daar gezegde nog heden ten dage, helaas, letterlijk in Nederland1 waarheid gebleven is, terwijl in België de toestand sinds 30 jaren aanmerkelijk verbeterd is.

‘Reeds herhaalde malen’, schrijft de Commissie, hebben wij de gelegenheid gehad de aandacht te vestigen op misbruiken, die in de beoefening der schoone bouwkunst geslopen zijn, en indien voor eenige jaren de regeering doeltreffende maatregelen genomen had, zou het kwaad de tegenwoordige hoogte niet bereikt hebben. De eerste de beste vermag de architectuur te beoefenen, partikulieren op kosten te jagen, publieke administratiën tot onnuttige uitgaven over te halen en zelfs de openbare veiligheid in gevaar te brengen. Heden ten dage is er geen aannemer die zich niet architect noemt, geen landmeter die niet zijn naam doet volgen door den titel van architecte juré. De meeste publieke administratiën hebben helaas er toe bijgedragen om deze wanorde te vermeerderen. Over het algemeen maken de gemeentebesturen en de kerkfabrieken voor de uitvoering van allerlei gebouwen gebruik van mannen, wier volslagen onkunde niet te betwijfelen valt. Dikwijls zijn de provinciale besturen niet kieskeuriger op dit punt. Zij geven soms de betrekking van architect, tot wier richtige vervulling zooveel waarborgen van de zijde der titularissen behoorden vereischt te worden, aan eenvoudige landmeters, die in de architectuur volkomen vreemdelingen zijn.

‘De Commissie wenscht daarom vurig de instelling van een jury, waaraan zou worden opgedragen een of tweemaal in het jaar de jonge architecten een examen te doen ondergaan, en hun naarmate van hun bekwaamheid diplomata van eerste en tweede klasse uit te reiken. Wordt door dezen maatregel het kwaad ook al niet volkomen uitgeroeid, de regeering zal dan ten minste aan de publieke administratiën kunnen aanbevelen de voorkeur te geven aan zulke geëxamineerde personen, wanneer het geldt de vervulling van de betrekking van provincialen of gemeentelijken architect of die van onderwijzer aan de verschillende akademies. Wat de werken betreft, waarvoor de Staat subsidiën heeft verleend, daar kan de regeering eischen, dat zij aan gediplomeerde architecten worden toevertrouwd.’

[p. 388]

Ook bij de regeering heeft het nimmer ontbroken aan den lust om tot bereiking van het voorgestelde doel mede te werken. Steeds won zij het oordeel der Commissie in omtrent al de ontwerpen voor op te richten staatsgebouwen1, ten einde het deugdelijk en smaakvol gebruik van 's lands penningen te verzekeren.

Nog blijkt de belangstelling der regeering uit talrijke Koninklijke besluiten en uit menigvuldige circulaires. Zoo voorzagen de ministers in 1861 en 1862 in het verloren gaan of niet opvolgen van de door de Commissie goedgekeurde of gewijzigde plannen en gemaakte aanmerkingen, Een arrêté van 31 Mei 1860 had een uitnemende strekking: het bepaalde dat in elke provincie correspondeerende leden benoemd zouden worden, op de voordracht van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie. Deze leden moeten minstens eens in de drie maanden onder voorzitterschap van den Gouverneur der provincie vergaderen. Jaarlijks is er te Brussel een algemeene vergadering van de gewone leden en van de correspondenten. Deze laatsten moeten des gevraagd aan de Commissie inlichtingen en adviezen geven, en des noods de goedgekeurde werken nagaan; zij kunnen ook uit eigen beweging de aandacht der Commissie of van de regeering op de belangen van kunst en geschiedenis vestigen.

Een jaar later, den 23sten Februari 1861, schreef een arrêté aan de Commissie voor het opmaken van een algemeenen inventaris van al de aan publieke instellingen behoorende oudheden en kunstvoorwerpen, belangrijk voor de geschiedenis, de kunst of de nationale archeologie. Deze maatregel, dien wij niet moesten verzuimen ook in Nederland te nemen, is van overwegend belang. Daardoor toch worden talrijke zaken aan het licht gebracht, het besef van de waarde onzer oude kunstschatten geboren of verlevendigd, en wandalisme of onverschilligheid te keer gegaan. Alleen is het werk zeer moeielijk en

[p. 389]

veel omvattend: reden te meer om er niet langer mede te wachten.

Een arrêté van 30 Juni 1862 keurde het Reglement van orde der Commissie goed. Dit stuk is in 12 hoofddeelen gesplitst, handelende over: 1. les réunions, 2. le président et le vice-président, 3. les membres, 4. le secrétaire, 5. les elèves-architectes, 6. les inspections, 7. les membres correspondants, 8. le comité mixte des objets d'art, 9. la bibliothèque, 10. le budget, 11. les travaux soumis au contrôle et à la haute surveillance de la commission, 12. les séances générales.

Ik zal daaromtrent slechts één bijzonderheid nader aanstippen, en wel naar aanleiding van het 5e hoofdstuk. Sinds 1845 werd jaarlijks door de Commissie een som van 1200 à 1500 francs verdeeld tusschen meerdere élèves-architectes, die onder haar leiding werkzaam waren. Een arrêté van 1851 stichtte in de plaats daarvan twee beurzen, elk van 800 francs, ten behoeve van twee élèves, die aan de Commissie zouden verbonden worden. Zij moeten van 17 tot 24 jaar oud zijn, en minstens drie prijzen aan een der Koninklijke Akademiën van Beeldende Kunsten verkregen hebben. Jaarlijks, doch niet langer dan 5 jaren, worden zij op voordracht der Commissie met het subsidie begiftigd. Daarvoor moeten zij de projecten copieeren of wijzigen, verkenningen en plaatselijke opnamen doen, en de Commissie in alle werkzaamheden ten dienste staan. Hun worden natuurlijk reiskosten uitbetaald.

Op deze wijze wordt de Commissie door geschikte personen bijgestaan en worden er goede architecten en archaeologen gevormd.

Ik zal nog een vijftal circulaires aanhalen, om te doen zien hoe veelvuldig de onderwerpen zijn, waarop men in België de aandacht vestigt, en die in ons land geheel en al vergeten worden.

Bij circulaire van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie van 31 Maart 1853 werden, naar aanleiding van de voor restauratie van kunstvoorwerpen aan kerken en publieke instellingen verleende subsidiën, vaste beginselen gesteld, en de wettelijke bepalingen op dit punt in het geheugen geroepen.

Den 12den Augustus 1859 drongen dezelfde Ministers aan op de plaatsing van bliksemafleiders.

Een missive van de Commissie van 22 Maart 1861 beklaagde zich over de slechte nakoming van het decreet van 1809, be-

[p. 390]

treffende de herstelling der kerkgebouwen. Zij wees op het inwateren der muren, het laten groeien van onkruid daarin, de slechte zorg voor muurverbindingen, het gevaar van ophooping van zware en brandbare materialen op de gewelven, de gebrekkige toegangen tot zolders en torens, het bouwen van huizen tegen de kerken, het niet plaatsen van bliksemafleiders.

Een andere missive van 10 Januari 1862 noodigde den Minister uit om de aandacht te vestigen op het behoud en de restauratie der schilderijen1. Zij waarschuwde tegen het gevaar der vochtigheid, van de werking der zon, van den damp der kerkkaarsen, van vele onvoorzichtige wijzen van schoonmaken en van vernissen.

Den 3den Maart 1862 werd aangedrongen op het opsporen en het behouden van onder de kalk bewaard gebleven muurschilderingen.

 

Dat Nederland met dergelijke voorbeelden voor oogen onbewegelijk de vorderingen van het wandalisme heeft aangezien, is daarom te minder te vergeven, omdat het niet aan waarschuwende stemmen ontbroken heeft.

Wij toch hebben ook een Oudheidkundige Commissie gehad, die, schoon gebrekkig georganiseerd, genoeg nuttige wenken en adviezen heeft gegeven. Een korte herinnering aan haar lotgevallen kan wellicht leerrijk zijn.

Het was in 1860 dat de Koninklijke Akademie van Wetenschappen het gelukkig denkbeeld kreeg om een Commissie van vier leden in het leven te roepen tot het opsporen, het behoud en het bekend maken van overblijfsels der Vaderlandsche kunst uit vroegere tijden. De middelen, waarover deze Commissie te beschikken had, waren uiterst gering en geheel ontoereikend voor het doel. Men had tot haar dispositie een som gesteld van.... ƒ 100, zoodat er voor elk der drie categoriën van de haar opgedragen werkzaamheden niet meer dan ƒ 33.33⅓ kon uitgegeven worden! Het onthaal dat van de Regeering ondervonden werd was schitterend! de Minister van Binnenlandsche Zaken zond de Circulaire, waarin algemeene belangstelling gebedeld werd, aan de burgemeesters rond, en de Minister van Financiën verleende genadig.... vrijdom van port! De

[p. 391]

burgemeesters en de kerkelijke autoriteiten wierpen de Circulaires in de snippermand, en de Synodale Commissie der Hervormde kerk liet weten, dat zij geen gelegenheid had om aan het verlangen der Commissie te voldoen.

Zonder regeeringsgezag noch stoffelijke middelen, uitsluitend afhankelijk van den goeden wil van sommigen, trachtte de Commissie eenig nut te stichten, en werkelijk is het haar gelukt enkele monumenten voor ondergang te behoeden, en hier en daar zeer belangrijke aanteekeningen en inlichtingen te bekomen. Talrijk en ontmoedigend waren evenwel de teleurstellingen, die haar te beurt vielen, niet het minst van de zijde der regeering, waarvan wij de gelegenheid hadden den geest te beschrijven naar aanleiding van het Vaderlandsch Museum. Niettegenstaande een jaarlijks wederkeerende circulaire, bleven kerk- en gemeentebesturen steeds in gebreke de slooping of de restauratie der monumenten mede te deelen, zoodat berichten daaromtrent slechts bij toeval onder de aandacht der Commissie kwamen. Dan was natuurlijk dikwerf de zaak te ver gevorderd en de gelegenheid te zeer voorbijgegaan om nog tijdig maatregelen te nemen. Klachten hierover keerden periodiek terug, zonder dat iemand er zich om bekommerde. En toen in 1864 de Akademie aan de regeering verzocht hare begrooting ten behoeve der Commissie met ƒ 400 te verhoogen, werd in die aanvrage niet bewilligd, maar antwoordde de Minister, ‘dat hij het verkieslijk achtte hulp te bieden, waar dit in bijzondere gevallen noodig mocht bevonden worden !’ Alsof de nood niet overal sinds lang bestond, en alsof niet de toekomst moest leeren, dat later de gelden tot het doen van aankoopen, opnemingen, enz. vereischt, meermalen geweigerd zijn.

Intusschen was de Commissie zoo weinig verwend, dat zij zich ‘innig verheugd verklaarde over het bemoedigend antwoord van Z.E.’ Toch merkte zij reeds het volgend jaar op, dat ‘wanneer plotseling met kracht maatregelen genomen, werkzaamheden aan deskundigen opgedragen worden, onderzoekingen, opnemingen, opmetingen, enz. geschieden moeten, die niet kunnen uitgesteld worden, totdat de toezegging van buitengewone, geldelijke tegemoetkoming en de vereischte machtiging van de Regeering aangevraagd en verkregen zijn. Het afgeloopen jaar bragt de ondervinding dat de welwillende toezegging der regeering de moeielijkheden, die de Commissie dreigden, niet uit den weg ruimde.’ Men wees er op dat in het eerste

[p. 392]

halfjaar ƒ 91.18 verteerd was, en dat er dus voor de overige zes maanden nog een saldo van ƒ 8.82 overbleef. Daar het bezwaarlijk scheen, hiermede in Venetiaansche weelde te leven, ging de Commissie andermaal tot den Minister (Mr. Thorbecke) en smeekte om een aalmoes van ƒ 200. Z.E. erkende de billijkheid van het verzoek; maar..... hij had bedenking tegen den vorm. ‘Oh! la forme!’ Wat zou Molière in Nederland nog mooie onderwerpen voor zijn komediën gevonden hebben!

De Minister dan weigerde niet zonder dien officieelen omhaal van bureautermen, welke eenmaal uitgevonden werden om de zwakheid der argumentatie te verbergen. Daar was evenwel een staartje aan 's Ministers antwoord. Even als men het Vaderlandsch Museum in het riet stuurde, door de Loterijzaal te weigeren en ‘het uitzicht te openen’ op het Muiderslot, dat men nooit van plan was af te staan, zoo ook werd nu het afwijzen der 200 gulden vergezeld van den raad om de Commissie van de Akademie los te maken. Wij zullen straks zien, dat die raad volstrekt niet welgemeend was.

Intusschen zocht de Commissie troost in een poging om de medewerking van de 20 geleerde genootschappen uit ons land te verkrijgen. Hij die weet hoe zeer de ijver van vele dezer inrichtingen afhangt van enkele individualiteiten, zal er zich niet over verbazen dat de poging mislukte.

De toestand werd meer en meer onhoudbaar; wel had de Akademie zich ontfermd en ƒ 300 toegestaan, maar men was uit geldgebrek gedwongen de vergaderingen tot twee of drie 's jaars in te krimpen, aan den voorzitter het maken van copiën en doortrekken op te dragen1, en weldra zou men in de derde klasse der spoorwegen moeten reizen. Toch eischte de Commissie niet veel, toen zij bad om een gepasporteerden sergeant-majoor, althans geschikt om teekeningen door te trekken, en een bouwkundige, aan wien de opmetingen en opnemingen konden overgelaten worden.

In 1870 eindelijk begon de doodstrijd, die uit liefde voor de aan haar toevertrouwde belangen twee jaren nog gerekt werd. Men had de treurige ondervinding opgedaan, dat al het streven,

[p. 393]

al de offers der Commissie op de onverschilligheid van regeering en van natie waren afgestuit. Gebrek aan fondsen en aan bergplaats had het aankoopen van belangrijke oudheden doen staken; bij de ontmanteling van Maastricht waren schier alle pogingen tot behoud of tot studie verijdeld. Gemeente- en kerkbesturen zoowel als wetenschappelijke genootschappen hadden voortdurend het oor gesloten voor de dringendste uitnoodigingen1. Men zag eindelijk ook in, dat de oorsprong zelf der Commissie en de aard harer instelling de bereiking van het doel bemoeilijkten, doordien er voor het aanstellen van Correspondenten geen gelegenheid was.

Mismoedig en verbitterd legde dan in 1870 de Commissie haar mandaat neder2. Als laatste poging ten goede, wees zij op de noodzakelijkheid om een Rijkscommissie in te stellen, en gaf zij in hoofdtrekken de organisatie daarvan aan, overeenkomstig die der in België bestaande Commission des Monuments: een klein aantal leden, een bezoldigde secretaris, twee jonge bouwkundigen, Correspondenten, reis- en verblijfkosten, en de bevoegdheid om de uitkomsten van onderzoekingen publiek te maken.

De Akademie begreep, dat de menigvuldige belemmeringen en bezwaren waaraan de zaak tot nog toe onderworpen was geweest, niet uit den weg te ruimen waren door de vervanging van de optredende leden. Indachtig aan den wenk vroeger door de regeering gegeven, schreef zij den 11den Dec. 1870 aan den Minister (Mr. Fock) om de instelling van een Rijks-commissie te verzoeken. De beslissing volgde spoedig en wel op 31 December, den laatsten dag, waarop Z.E. als hoofd van het Departement werkzaam was. De Minister zeide dat tegen het in het leven roepen een er Rijks-cornmissie, overwegende bedenkingen bestonden, zoodat hij tot het verwezenlijken van dat denkbeeld althans voor het tegenwoordige niet zou kunnen medewerken! Men had den moed -

[p. 394]

of was het onwetendheid? - te vragen of de Academische Commissie, ‘die gedurende een tal van jaren niet zonder goeden uitslag (niet zonder is subliem!) werkzaam was geweest’ niet kon goedvinden nog wat aan te blijven. ‘Mocht zij evenwel daartoe niet kunnen besluiten, dan zou voor de regeering niets anders overblijven, dan er in te berusten en bij voorkomende gelegenheden de voolichting van deskundigen uit of buiten de Akademie te verzoeken’!

Inmiddels was Mr. Thorbecke wederom als Minister opgetreden en de Akademie hoopte bij dezen, die vroeger zelf het denkbeeld eener Rijkscommissie geopperd had, beter te zullen slagen. Doch ook hij ‘had bedenking’. De verdere overwegingen van den Minister grenzen aan het fantastische; volgens hem was inderdaad de Akademische Commissie een Rijkscommissie, en ‘zoo niettegenstaande haren grooten ijver en werkzame belangstelling hare pogingen den gewenschten uitslag niet gehad hebben, het was niet te verwachten, dat eens andere Commissie gelukkiger zou zijn.’

Waarlijk, ik weet niet waaraan wij hier moeten denken: was het onwil, was het onkunde met den waren toestand, die deze apodictische conclusie deed neerschrijven? En wat moet men zeggen van die andere zinsnede: ‘Raadzaam schijnt het alzoo de taak voortaan aan de belangstelling van genootschappen en partikulieren over te laten.’ Voor ons kan het raadzame hiervan niet meer betoogd worden. De geschiedenis der laatste jaren, de toestand onzer Rijksverzamelingen, het verkoopen van het Bossche jubé, zijn te versch in het geheugen. Maar mocht zelfs in 1871 een Minister zulke illusiën voorwenden

 

Gelukkig schijnt een betere toekomst thans geopend te worden.

Met ware vreugde zullen zij, die hart hebben voor hun vaderland, en voor zijn roemrijk verleden op het gebied van kunst en geschiedenis, vernomen hebben dat de regeering op de begrooting van 1874 een som heeft uitgetrokken tot bestrijding der kosten voor bewaring van - en toezicht op onze monumenten.

Voor hen, die den moed en het geduld gehad hebben de voorgaande bladzijden te lezen, zal, denk ik, de noodzakelijkheid om met kracht de handen aan het werk te slaan, niet

[p. 395]

twijfelachtig zijn. Het moet evenwel niemand verwonderen, indien hier of daar geroepen wordt, dat de regeering toch vooral niet te veel en niet te spoedig handelen moet; men heeft reeds kunnen hooren dat een onzer Parlementsleden aan den Minister verweet: ‘'t is hollen of stilstaan.’ Het is nu eenmaal een eigenaardigheid van velen om hun redeneeringen aan te scherpen met spreekwoordelijke uitdrukkingen, die hij het minste onderzoek niet anders dan zinledige klanken blijken te zijn.

Of mag men niet antwoorden dat ons lang stilstaan, ons achteruitgaan op rekening onzer voorgangers komt, die ons nu dwingen tot hollen, en ons de vrijheid niet laten om een minder haastigen gang te gaan?

Wij moeten ons wel reppen, zoo wij onze monumenten voor volkomen ondergang behoeden willen en onzen ouden rang te midden der beschaafde natiën van Europa wenschen te heroveren. Wij moeten ons reppen, indien wij schandalen als dat van het Bossche jubé niet willen zien herhalen; wij moeten ons reppen, want morgen besteedt de Staat ƒ 24,000 aan de restauratie van den Utrechtschen Dom, en het Rijk mag niet langer zijn geld in den blinde weggeven.

Staan wij een oogenblik bij den Dom stil; reeds heeft men sinds 1850 een som van ƒ 109,000 aan haar besteed; vraagt men op welke wijze, dan moet het antwoord ongunstig luiden; daarvoor behoeft men slechts na te gaan hoe de buitenzijde van het koor verknoeid is. Zal nu de regeering verantwoord zijn, wanneer zij zonder eenig onderzoek, zonder contrôle, 's lands penningen aan de handen van den eersten den besten bouwmeester toevertrouwt; of blijkt ook hier niet zonneklaar de behoefte aan vaste advizeurs?

 

Er is meer. De wijze maatregel, dien de Minister aan de Staten-Generaal voorstelt, kan en behoort nog andere vruchten te dragen dan voortvloeien enkel uit de verzorging van bestaande monumenten.

De werkkring der advizeurs zal, even als in België, nog twee andere punten omvatten: en wel vooreerst het instellen van onderzoekingen op het gebied van kunst en geschiedenis; vervolgens het waken voor den aan de kunst verschuldigden eerbied bij het stichten van nieuwe Rijksgebouwen.

 

Het is duidelijk, dat er sommige onderzoekingen kunnen

[p. 396]

voorkomen, die alleen van staatswege met goed gevolg kunnen ingesteld worden. Dit zal vooreerst dikwijls het geval zijn bij monumenten aan den Staat toebehoorende; dan waar het geldt nasporingen, die van langdurigen aard zijn en zich over het geheele grondgebied van het Rijk uitstrekken. Niet dat van staatswege het werk steeds zou behooren aangevat te worden; hoe meer er door lokale wetenschappelijke vereenigingen gedaan wordt, des te beter. Maar de regeering mag de belangen van kunst en historie niet aan bijzondere maatschappijen overlaten, zonder het oog geopend te houden en gereed te zijn, daar waar zij verwaarloosd worden, onmiddellijk bij te springen, hetzij door zelf te handelen, hetzij door aan anderen de impulsie te geven.

Dit toezicht nu wordt in België door de Commission des Monuments en hare talrijke Correspondenten gehouden, en het is te verwachten, dat ook onze toekomstige advizeurs op dezelfde wijze hun taak zullen begrijpen. In België b.v. worden van wege de Commissie òf direkt òf door middel van lokale vereenigingen soms opgravingen naar Romeinsche en Germaansche oudheden gedaan, die zich tot op Nederlandsch gebied (Limburg) uitstrekken! Zoo werd te Meerssen, te Bergh, te Valkenburg (alle Nederlandsche gemeenten) met Belgisch geld onderzocht. Steekt daarbij niet de handelwijze onzer regeering ongunstig af, die in 1868 weigerde de noodige gelden toe te staan, om op eigen gebied den aan het Rijk behoorenden Plompen Toren op Schouwen op te nemen en op te meten?

Zelfs wanneer bij uitzondering de regeering eenig onderzoek instelde, was dit tot nog toe uit den aard der zaak hoogst gebrekkig, zooals het volgende voorbeeld kan bewijzen.

Toen Maastricht ontmanteld werd, was het voorzeker van groot belang de oude poortgebouwen uit de XIIIe en XIVe eeuw in teekening te brengen en aanteekening te houden van de merkwaardigheden, die gedurende den loop van het werk ontdekt konden worden. Hier kon zeker niemand beter dan de Staat zonder veel moeite dien wetenschappelijken arbeid verrichten. Intusschen dacht men daar niet aan, en was reeds de Tongerschepoort afgebroken, eer dat op aandrang der Akademische Commissie en op mijn persoonlijken aandrang aan den ingenieur gelast werd teekeningen te doen maken en aanteekeningen te doen houden. Voor de Tongorschepoort had ik intusschen zelf reeds dien arbeid verricht. Wat de overige

[p. 397]

wallen betreft, deze werden met de meeste zorgeloosheid behandeld. En natuurlijk: de ingenieur had hoegenaamd geen ambitie in zulk werk, dat geheel buiten zijn gewonen arbeid lag, en zijn onverschilligheid werkte aanstekelijk op zijn opzichter, aan wien overigens niet de minste belooning werd toegezegd noch gegeven. Vandaar dat de teekeningen òf gebrekkig òf zelfs. leugenachtig zijn opgesteld geworden; want dikwijls is het voorgekomen, dat de opzichter geheele plannen zonder opmeting fantaseerde! Het gelukte mij nog van de regeering een som van 400 gulden te verkrijgen om de oude Romeinschepoort op te graven, die onder de O.L. Vrouwepoort bedolven lag. Daarvan althans werden onder mijn toezicht nauwkeurige teekeningen gemaakt. Doch.... deze hoogst interessante documenten zijn op de reis tusschen het Departement van Financiën en dat van Binnenlandsche Zaken zoek geraakt, en met de ƒ 400 van den Staat verloren! Ziedaar de gevolgen van gebrek aan organisatie.

Iets dat vooral de aandacht onzer toekomstige advizeurs overwaardig is, zijn onze oude muurschilderingen, die voor de kennis der schilderkunst van de XI-XVIe eeuw van onberekenbaar nut zijn; de geschiedenis onzer primitieve schilderschool, die de luisterrijke eeuw van Rembrandt voorbereidde, staat op de wanden onzer kerken onder de witsellaag te lezen. De gelegenheid om ze te bestudeeren doet zich meestal toevallig en gewoonlijk slechts voor korten tijd voor. Vandaar dat zij - zonder een steeds wakende Commissie - licht onherstelbaar verloren gaan. Niettegenstaande haar gebrekkige hulpmiddelen, heeft de Akademische Commissie op dit gebied veel gedaan. Toch kennen wij slechts het bestaan van een dertigtal muurschilderingen en niet meer dan een tiental is er in teekening gebracht. Van maatregelen om het eens ontdekte te behouden is er geen sprake; en hoe weinig men het belang van dergelijk schilderwerk beseft, zal helaas weldra - naar ik verneem - de Bathmensche gemeente bewijzen. Voor een paar jaren werd er ter gelegenheid van de restauratie der kerk te Bathmen een aantal belangrijke muurschilderingen ontdekt. Gelukkig was de predikant eon verlicht man. Hij gaf van de vondst aan Dr. Leemans kennis, en het gelukte niet alleen al de ontdekte tafereelen in teekening te brengen en uit te geven, maar zelfs één daarvan voor overwitting te behoeden. Helaas, dit gunstig resultaat schijnt niet lang verzekerd te zullen

[p. 398]

blijven. Sommige Bathmensche ingezetenen zijn op het zien van de belangstelling door de wetenschappelijke wereld betoond op den schitterenden inval gekomen, dat die belangstelling misschien wel in klinkende munt kon betoond worden. Dientengevolge zijn zij bij de regeering een subsidie voor een nieuw orgel komen vragen, met belofte daarvoor de muurschilderingen in eere te zullen houden. Daar de staat voor orgels nooit geld uitgeeft, is het verzoek zonder meer van de hand gewezen en nu wordt onbewimpeld in de dagbladen medegedeeld, dat uit pure wraak de witkwast over het schilderwerk der XVe eeuw gestreken zal worden! Wij zijn aan zooveel barbaarschheid gewend, dat ons dit wandalisme niet moet verwonderen; toch hoop ik nog dat de gemeente Bathmen haar eenmaal zoo loffelijk vermelden naam niet zal willen schandvlekken.

 
O fortunatos nimium sua si bona norint
 
Agricolas!....

Ik weet niet of de regeering iets gedaan heeft om in dit geval, al ware het ook met louter moreele overtuigingsmiddelen, het kwaad te beletten.

In België zou voorzeker door de Cornmission des Monuments de zaak behartigd zijn. Daar heeft men reeds talrijke muurschilderingen niet alleen onderzocht, maar gerestaureerd1. Ook in Engeland begrijpt men het belang dezer overblijfsels van vroegere artistieke ontwikkeling. Ik heb voor mij liggen een brochure, in 1872 uitgegeven door het Science and Art Department of the Committee of Council on Education (South-Kensington Museum), en bevattende een lijst van gebouwen in Engeland waar muurschilderingen aangetroffen worden ouder dan de helft der XVIe eeuw (compiled for the use of schools of art). Die lijst bevat 523 steden en dorpen, waarvan de kerken onderzocht zijn.

 

Een leemte, waarin de instelling van een Commissie van advizeurs zal kunnen voorzien, is het gemis aan elke artistieke contrôle bij de stichting van nieuwe monumenten.

Dat de hedendaagsche civiele architectuur in Nederland op een zeer lagen trap staat, behoeft geen breed betoog. In een

[p. 399]

land waar de oude monumenten, wel verre van bestudeerd te worden, schandelijk zijn verwaarloosd, waar tot voor weinige jaren geen onderwijs in de schoone bouwkunst gegeven werd, is zulk een resultaat onvermijdelijk.

Onze monumenten worden gebouwd door Ingenieurs van den Waterstaat, die ze op sluizen doen gelijken, door gewezen genie-officieren, die spiritistische en perispritische denkbeelden in steen trachten te vertolken, aan gewezen timmerlieden en metselaars, die den naam van architect durven voeren en als blinden te werk gaan. Wat bespot ons niet de vreemdeling, en wat zullen onze nakomelingen ons niet minachten bij het zien van monstruositeiten gelijk de Hooge Raad, het Ministerie van Koloniën1, het nieuwe Ministerie van Finantiën? om niet te spreken van hetgeen het Haagsche Gemeentebestuur heeft doen bouwen, van het Politie-bureau af tot de eenvoudigste pomp of lantaarn, die Huijgensplein en Buitenhof ontsiert!

Ook te Leiden leveren de Staatsgebouwen het bewijs, dat men zich niet in het minst om de kunst bekommerd heeft, en dat de bouwmeesters volslagen onkundig waren van de allerelementairste beginselen van architectuur en van constructie. Het Physisch Kabinet, het Physisch Laboratorium, het Observatorium, het balcon van de Bibliotheek zijn even onoogelijk, als al de gebouwen, die van wege de gemeente zijn gesticht geworden.

Een speciale vermelding verdient het nieuw Nosocomium. Daar is b.v. er naar gestreefd om inwendig een monumenteele trap te bouwen! Leelijker, onpraktischer en onzinniger constructie is niet te bedenken. Och! had de bouwmeester maar niet zoo hoog willen vliegen, had hij maar een minder pretentieuse trap gemaakt, en liever er aan gedacht om een eenvoudig hijsch-toestel (ascenseur) er aan toe te voegen, wat zouden hem de ware liefhebbers van kunst aan den eenen kant en de zieken en kreupelen aan de andere zijde dankbaar geweest zijn!

Ik zal mij wel er voor wachten, al de afzichtelijke monumenten van Nederland in beschouwing te nemen; dit zou een

[p. 400]

noodelooze pijniging zijn. Toch kan ik geen weerstand bieden aan den lust om een oogenblik stil te staan voor een nog verschen gevel, dien van het militair hospitaal, niet ver van het station van den Rijnspoorweg te Amsterdam. Niet dat dit gebouw ons door zijn wansmaak zou kunnen verrassen: daarvoor zijn wij te goed voorbereid, want wie den gang van zaken in Nederland kent, zal zonder eenige nadere inlichting begrijpen: 1o. dat een militair hospitaal wordt gebouwd door Oorlog; 2o. dat Oorlog daarvoor de plannen laat maken door de genie; 3o. dat uit de handen van de genie niet anders dan kazematten en reduiten kunnen te voorschijn komen; 4o. dat dus het bovenbedoeld hospitaal het liefelijke voorkomen van een bomvrije kaserne of van een kazemat zal hebben.

Dat alles is zeer gewoon, zeer alledaagsch en zeer natuurlijk1. Maar wat men niet kan raden is, dat de bouwmeester een versiering heeft willen aanbrengen, en wel in den vorm van een ‘krul’, waarin de naam ‘militair hospitaal’ geschreven staat. Die krul, welke min of meer onderstaande figuur vertoont,



illustratie

doet onwillekeurig denken aan die naieve ornementaties, welke onze schooljongens niet zonder eenig welgevallen aan het einde hunner themata plaatsen, om hun vreugde over volbrachten arbeid kenbaar te maken.

Ik wijs er daarom op, omdat hieruit blijken kan, hoe weinig men er aan denkt iets artistieks te maken. Want anders had de ontwerper van die heerlijke krul slechts behoeven de oogen te openen, om in de duizende mooie oude gevelsteenen van Amsterdam een motief te vinden, waaraan hij een dragelijke cartouche kon ontleenen.

Misschien was het intusschen de moeite niet waard daarvoor een wandeling door Amsterdam te maken. Maar welke verontschuldiging is er dan voor den architect (?), die te Leiden het fraaie manege-poortje sloopte en het door een niet te verdedigen

[p. 401]

monstruositeit verving? Hier toch behoefde men geen stap te doen, om een goed oud model en zelfs om materieele bouwstoffen te vinden.

De maat loopt geheel over, wanneer wij de aandacht vestigen op die monumenten, welke niet om de een of andere utiliteitsreden gebouwd worden, maar enkel en alleen tot verfraaiing van plein en stad.

Of kan men ongelukkiger voortbrengselen vinden, dan het monument voor 1813 in het Willemspark, dat door tobben verknoeid werd en waarvan de bas-reliefs den toets der meest toegevende kritiek niet kunnen doorstaan; treuriger dan de Ruijter's standbeeld te Vlissingen, dan dat van Willem II op het Buitenhof, dan het monument op den Dam. Elk zou tot de meest komische opmerkingen aanleiding kunnen geven. Zoo heeft rnen op de fontein van den Dam de Trouw willen afbeelden onder de gedaante van een hond. Misschien zou men verwacht hebben, dat de beeldhouwer onder de verschillende rassen, dat zou gekozen hebben, hetwelk als het edelste steeds bij gefigureerde voorstellingen gebezigd wordt. Helaas, zijn oog is op een blindemanshond gevallen, en het is een poedel, dien hij gebeiteld heeft!

 

Wij hebben, geloof ik, genoeg aangehaald, om onze ergernis te wettigen. Ten slotte moeten wij nog twee redeneeringen bespreken, die steeds tot vergoelijking worden gehouden, en dikwijls zonder tegenspraak worden aangehoord.

Vooreerst wordt er gezegd, dat onze monumenten daarom minder schoon zijn, omdat wij er niet veel geld aan besteden. Daarop mag men antwoorden, dat wij rijk genoeg zijn om, evenals onze voorouders, voor blijvende gebouwen iets meer uit te geven, dan noodig is voor naakte muren en een pannendak. Wanneer wij een ton besteden tot stichting van een Ministerie of van een Museum of van een Stadhuis, dan mogen wij daarbij gerust 2 of 3 percent voegen voor het intellectueel genot van het oog. Daartoe zijn wij niet te arm1; maar - het word moet er uit - wij zijn er te gierig voor. Of kon de gemeente 's Gravenhage in 1860 niet met even veel weelde haar policiebureau bouwen, als in 1565 haar stadhuis?

[p. 402]

Dan, men moet niet vergeten dat schoonheid en eenvoud hand aan hand gaan, en dat een gebouw niet duurder behoeft te worden, omdat daarbij smaakvolle proportiën en vormen zijn aangegeven. Dat een monument, om schoon te heeten, zeer georneerd en zeer duur zou moeten zijn, is een onjuist begrip. De Grieken, die het geld niet wegwierpen, wisten op alles den stempel van smaak en kunstzin te drukken, tot op de eenvoudigste voorwerpen, tot op het keukengereedschap toe.

Een ander argument, waarmede dikwijls de kritiek wordt afgeweerd, doet zich voor onder den vorm van dit gemeenzaam gezegde, dat in den mond van velen bestorven is: ‘'t is wel niet mooi; maar als het maar doelmatig is, dat is voldoende.’ Het is evenwel te vergeefs, dat men zich achter deze ‘phrase’ zoekt te redden. Want vooreerst behoeft men niet toe te geven, dat men bij elk gebouw tevreden behoort te zijn, wanneer het slechts doelmatig is.

Vervolgens mogen wij, zonder tegenspraak te vreezen, zeggen, dat het juist niet de doelmatigheid is, waarop zich onze afschuwelijke monumenten kunnen beroemen. Of zijn zij niet vol van gebreken, de Hooge Raad, het Ministerie van Koloniën, het Leidsch Nosocomium, waar b.v. de apotheek eenvoudig vergeten was, evenals het hijschtoestel? En indien men bedenkt, dat deze gebouwen al in zeer sterke mate doelmatig behoorden te zijn, om hun wanstaltigheid te doen vergeten en vergeven, wat blijft er dan van het vergoelijkend argument over?

 

Hier opent zich derhalve voor de Commissie van advizeurs een ruim veld van werkzaamheid. Want, indien de regeering goed geïnspireerd is, zal zij voortaan geen gebouw meer stichten, zonder het advies van zulk een uit ware deskundigen samengestelde Commissie te hebben ingewonnen.

 

Bij het beschouwen van den toestand onzer monumenten en het schetsen van het in Nederland heerschend wandalisme, heb ik slechts een gedeelte van den sluier opgelicht. Maar de enkele staaltjes, die ik mededeelde, zijn voldoende om te doen zien, hoe bedroevend de historia morbi is. Moge althans het anatomiseeren van den invretenden kanker leiden tot een

[p. 403]

juist besef van de kwaal en tot het aanwenden van krachtige medicijn.

De kunst en de eerbied voor onze historie zijn erg ziek, maar Goddank nog niet geheel dood. Vergeten wij niet, dat behalve Italië, geen ander land in de XVIe-XVIIIe eeuw op het gebied der kunst zooveel heeft voortgebracht als Nederland, en dat wij, wat roemrijke geschiedrollen betreft, voor niemand behoeven te wijken.

De oude kiem van moreel e en intellectueele superioriteit leeft nog, maar zij is lang verstikt geweest, niet het minst door zorgeloosheid en door te uitsluitende bezorgdheid voor meer materieele belangen.

De regeering kan door doeltreffende maatregelen de impulsie geven tot een verjongd leven; de tegenwoordige Minister, die zich zelf een groot voorstander noemde van alles wat kunst en wetenschap betreft, heeft ons reeds reden gegeven om te vertrouwen, dat hij het zich tot een taak zal stellen het wandalisme te beteugelen en aan de kunst te geven wat haar toekomt. Mogen de Kamers, moge het geheele Nederlandsche volk tot dat streven medewerken.

 

Victor de Stuers.