|
|
|
| |
| | | |
Strofen van den herfst
Hemelen
O hart eens als de korte zomernachten,
Waarin de dag, die naar de dooden gaat,
Verlangende op den komenden blijft wachten
En 't licht den hemel nooit geheel verlaat.
Maar dat een late najaarslucht nu slacht,
Met sterrenschijn door mistige wolkenlagen,
Om het gedoofde en het gedempte en 't zacht-
Befloerste stralen tusschen korte dagen.
| | | |
Uitzicht
Gij waart een kind, dat nachten wakker lag,
Een knaap, die ziek ging aan zijn eerste droomen,
Een jongeling, wiens drang was: elken dag
Gloeien als vuur en als wild water stroomen.
En nu? Een man staart zonder woord en zucht
Naar 't hooploos uitzicht van zijn laatre dagen:
Een kersen zon, die smelt - een najaarslucht -
Een middagzee, die in den mist vervagen.
| | | |
Ademen
Eenzaam bevonden onder 't flonkerstralen
Der najaarssterren boven de gerust-
Geworden wereld, wordt zich 't hart bewust:
Leven is niet veel meer dan ademhalen.
Maar dat is: in de diepten van dit dal
De oneindige ruimte tot zich in te leiden
En, na één wankel oogenblik van beiden,
Die te hergeven aan 't beroofd heelal.
| | | |
Najaarsmist
Het landschap dat, nu stilte en avond dalen,
In lage, lichte nevelen verdwijnt,
Is als de hemel, waar de herfstmaan schijnt
Door wolken heen, waarachter sterren stralen.
De duistre hoeven, door het land verspreid,
En langs den kouden weg de leege boomen,
Gaan in den mist te loor. De harten stroomen
Vol van het najaar en zijn eenzaamheid.
|
|
|