De Gids. Jaargang 95


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 95. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1931


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 337]

Strofen van den herfst

Hemelen
 
O hart eens als de korte zomernachten,
 
Waarin de dag, die naar de dooden gaat,
 
Verlangende op den komenden blijft wachten
 
En 't licht den hemel nooit geheel verlaat.
 
 
 
Maar dat een late najaarslucht nu slacht,
 
Met sterrenschijn door mistige wolkenlagen,
 
Om het gedoofde en het gedempte en 't zacht-
 
Befloerste stralen tusschen korte dagen.
[p. 338]
Uitzicht
 
Gij waart een kind, dat nachten wakker lag,
 
Een knaap, die ziek ging aan zijn eerste droomen,
 
Een jongeling, wiens drang was: elken dag
 
Gloeien als vuur en als wild water stroomen.
 
 
 
En nu? Een man staart zonder woord en zucht
 
Naar 't hooploos uitzicht van zijn laatre dagen:
 
Een kersen zon, die smelt - een najaarslucht -
 
Een middagzee, die in den mist vervagen.
[p. 339]
Ademen
 
Eenzaam bevonden onder 't flonkerstralen
 
Der najaarssterren boven de gerust-
 
Geworden wereld, wordt zich 't hart bewust:
 
Leven is niet veel meer dan ademhalen.
 
 
 
Maar dat is: in de diepten van dit dal
 
De oneindige ruimte tot zich in te leiden
 
En, na één wankel oogenblik van beiden,
 
Die te hergeven aan 't beroofd heelal.
[p. 340]
Najaarsmist
 
Het landschap dat, nu stilte en avond dalen,
 
In lage, lichte nevelen verdwijnt,
 
Is als de hemel, waar de herfstmaan schijnt
 
Door wolken heen, waarachter sterren stralen.
 
 
 
De duistre hoeven, door het land verspreid,
 
En langs den kouden weg de leege boomen,
 
Gaan in den mist te loor. De harten stroomen
 
Vol van het najaar en zijn eenzaamheid.
 
 
 
J.C. Bloem