De Gids. Jaargang 95


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 95. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1931


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 278]

Een succesboek

De klop op de deur. Amsterdamsche familie-roman door Ina Boudier-Bakker. (Amsterdam. P.N. van Kampen & Zoon. MCMXXX).

Deze bespreking komt laat. ‘De klop op de deur’ is al haast een jaar oud en heeft intusschen, naar het schijnt, een triomftocht bij het lezend publiek in Nederland voltooid, die alleen door de Meryntje's overtroffen wordt, en dan nog wel zonder politieke propaganda er achter. Dit stemt op zichzelf al tot nadenken, voorondersteld - wat bij een schrijfster als mevrouw Boudier geen nader betoog behoeft - dat wij niet met een vulgair succeswerk, maar met een werk van ernstige intentie te maken hebben. Het kan daarom misschien geen kwaad, dat deze bespreking wat laat komt, omdat het, nu zooveel stemmen voor en tegen hebben geklonken, mogelijk zou kunnen zijn, aan te toonen, waarom dit succes - alles in aanmerking genomen - niet onrechtmatig schijnt. Bovendien zal daarbij de gelegenheid bestaan, eenige algemeene opmerkingen over den Nederlandschen roman te maken, waarvan dit boek ongetwijfeld een representatieve uiting is.

Ik zal daartoe beginnen met uiteen te zetten, wat mij van dezen roman de fouten, of althans de zwakke zijden, schijnen te zijn.

De eerste daarvan deelt mevrouw Boudier met vrijwel alle ‘realistische’ schrijvers van haar generatie (behalve mevrouw Top Naeff, die, haar verdere kwaliteiten nog daargelaten, een geboren schrijfster in den engeren zin des woords is, d.w.z. een volkomen persoonlijken stijl schrijft, hetgeen nog altijd een onontkoombaar vereischte voor een gaaf kunstwerk is). Ik heb met deze parenthese eigenlijk al gezegd wat ik wilde zeggen: de schrijfwijze van mevrouw Boudier is niet die van

[p. 279]

een persoonlijkheid, maar die van een generatie. Wanneer men het niet aan enkele ten slotte bijkomstigheden merkte zou het boek ook door een ander geschreven hebben kunnen zijn. Men sla de allereerste bladzijde ervan maar eens op: de beschrijving van Amsterdam in den oudejaarsnacht van 1857. Ik wil niet zeggen, dat zij bepaald slecht is, maar hoe volkomen quelconque is zij. Hier komt nog bij, dat het boek verbazend slordig geschreven is. Het wemelt van germanismen, stuntelige zinnen enz. - Over de documentatie zal ik het straks hebben.

De volgende aanmerking is, geloof ik, vrij algemeen gemaakt, o.a. met een wellicht wat te groote, maar volkomen toegelichte en in het algemeen ontegenzeggelijk juiste, scherpte door prof. Geyl in een artikel in ‘Leiding’: dat n.l. ‘De klop op de deur’ als tijdsbeeld zoozeer te kort is geschoten. Dit is des te meer te betreuren, aangezien het eigenlijk niet noodig was geweest. Mevrouw Boudier heeft zelf klaarblijkelijk heel goed ingezien, waarin de waarde van haar boek lag, toen zij het den ondertitel ‘Amsterdamsche familieroman’ gaf. Zij heeft echter - het blijkt uit tientallen van pagina's, die eigenlijk niet anders als intermezzo's zijn - nog meer willen geven, n.l. een beeld van heel den tijd, waarin haar roman speelt, dus van ongeveer het midden van de vorige eeuw tot na den wereldoorlog. In de eerste plaats nu lijkt haar documentatie mij altijd summier en dikwijls bepaald slordig. (Wanneer ik, om slechts één voorbeeld te geven, lees van een auteur Léon Claudel, dan kan ik - al begrijp ik wel, dat het niet zoo zal zijn - nooit geheel het ietwat onbehagelijke gevoel van mij afzetten, dat de schrijfster eigenlijk niet precies weet, noch wie Léon Cladel, noch wie Paul Claudel is). In de tweede plaats, en dit is veel ernstiger, zijn die tijdsbeelden alleronhandigst in het verhaal ingeweven, juister ware misschien te zeggen: niet in het verhaal ingeweven. Zij staan er n.l. volkomen los van en worden op twee manieren aangebracht: òf door eenige bladzijden zeer zwak lyrisch-episch proza van de schrijfster, òf door enkele korte, met het verhaal niets te maken hebbende, gesprekjes van de hoofdpersonen, die een meer dan oppervlakkig, zoo niet bepaald onbenullig, gezwetsje over de feiten van den dag als: het socialisme, de vrouwenbeweging de Nieuwe Gids, Wagner etc. op elkaar loslaten. In de derde plaats, en dit is nog

[p. 280]

het ergste van alles, is dit alles eigenlijk volkomen overbodig en had het dus kunnen, en moeten, vermeden worden. Hadde mevrouw Boudier zich slechts aan het programma, door haar zelf in haar ondertitel gesteld, gehouden en van al het tijdsgebeuren niets gegeven dan wat onvermijdelijk was voor den gang van zaken! Haar boek ware een paar honderd bladzijden korter geworden, hetgeen bij een turf van meer dan duizend bladzijden nauwelijks betreurenswaardig ware geweest, maar het zou er zoowel aan eenheid als aan gehalte bij hebben gewonnen.

Het derde en laatste groote bezwaar, dat ik tegen ‘De klop op de deur’ heb, heb ik tegen vrijwel alles wat ik van mevrouw Boudier ken, haar meesterwerk ‘De straat’ zelfs niet geheel uitgezonderd. Het is allemaal zoo sentimenteel en zoo edel. De moeders (stippeltje, stippeltje, stippeltje). De vrouwen (dito dito). Als ik zooiets lees, draait mijn hart in mijn lijf om. Dat is die echte lectuur van en voor hoogstaande, fijnbesnaarde vrouwen, ge kent ze wel, die zoo geheel het leven van onzen (grooten, zwaren, moeilijken enz.) tijd meeleven, maar die toch nog zoo echt vrouw zijn gebleven, die even ideale moeders als ideale gemanqueerde moeders, die aan vrede door recht, montessori, letterkundige cursussen of gevallen vrouwen doen, de vrouwen met het simpele haar, de klare, maar wetende oogen en den door het lijden heen glimlachenden trek om den mond. - Wat mij persoonlijk betreft - al erken ik gaarne, dat, objectief gesproken, de andere bezwaren grooter zijn - is deze eigenschap hetgene wat mij in het boek het meeste tegenstaat.

 

Men zou zoo zeggen, dat er van een boek, waarover het bovenstaande geschreven kon worden, niet veel goeds meer overblijft. Het curieuze is echter - en kan men de schrijfster eigenlijk een grooter compliment maken? - dat het tegendeel het geval is. En dat komt, omdat mevrouw Boudier, welke hare tekortkomingen overigens mogen zijn, de eerste gave van den romancier - en dit op souvereine wijze - bezit: het kunnen uitbeelden van menschen.

Erkent, en bewondert, men dit, dat stelt men zich in gedachten haast vanzelf de vraag wat is de bekoring, het bestaansrecht, van den overal, en in het bijzonder ten onzent,

[p. 281]

gangbaren (realistischen) roman? Ten aanzien van alle kunstsoorten is deze vraag moeilijk te beantwoorden, ten aanzien van wellicht geen zoo moeilijk als wat betreft den roman. De ontroering door verzen, door het drama, door verhalen van avonturen en reizen gewekt, zij schijnt veel verklaarbaarder dan het behagen, dat de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ nog steeds, alle daarmee strijdige voorspellingen of theoriëen ten spijt, alom verwekt. De eerste reden van dit blijvende succes van den realistischen roman zal ongetwijfeld wel zijn, dat hij den gemiddelden lezer niet boven zijn hoofddeksel gaat, doordat hij over hem min of meer vertrouwde, of althans begrijpelijke, dingen loopt Maar er zijn tal van lezers, voor wie deze gelijkvloersche reden niet geldt, en die, zij het met meer onderscheidingsvermogen, een boek als ‘De klop op de deur’ evenzeer zullen waardeeren. De reden hiervan is, geloof ik, deze, dat het zoo gesmade copieeren van den realistischen roman geen echt copieeren is, of juister: niet behoort te zijn; in de meeste gevallen is het dit wel, vandaar de onbelangrijkheid van vele in hun soort nog geen eens absoluut mislukte romans. De personen uit den werkelijk goeden roman hebben nooit heelemaal zoo bestaan, evenmin als een landschap of een vrouw uit het vers van een dichter. Zij zijn daardoor tevens waarachtiger dan hun oirbeelden. Het schrijven van zulk een roman lijkt mij dan ook een uitermate subtiel balanceeren tusschen wat de dagelijksche werkelijkheid als gegevens, waarvan niet valt af te wijken, aanbrengt, en de verbeelding van den schrijver: een kunst, nauwelijks minder gebonden als de architectuur.

Op dit gebied is mevrouw Boudier een meester. In dit boek van meer dan duizend pagina's heb ik maar een onaannemelijke episode aangetroffen: de sentimenteel-romantische liefde en zelfmoord van Jetje Craets. Heel de rest is op zijn minst goed en meestal zelfs uitstekend. In de eerste plaats de twee hoofdpersonen: Frederik en Annette Craets. Het pleit - dit mag misschien wel eens met nadruk gezegd worden - bijzonder voor een schrijver, als hij slaagt bij het uitbeelden juist van zijn hoofdpersonen. (Bij een zoo groot schrijver als Dickens bijvoorbeeld is meestal het tegendeel het geval). Maar al te vaak zijn hoofdpersonen min of meer vage personificaties van den

[p. 282]

schrijver, zooals deze is of had willen zijn, wier voornaamste taak is het vormen van een trait d'union tusschen de verschillende, veel interessantere, bijfiguren. Niets hiervan bij mevrouw Boudier. Frederik Craets en zijn vrouw zijn met liefderijke scherpte uitgebeelde, absoluut omlijnde en buiten de schrijfster getreden figuren. En het is bewonderenswaardig, te zien, hoe mevrouw Boudier, die zoo zeer tekort schiet als zij ons het beloop van den tijd in de uiterlijke dingen wil doen gevoelen (hoeveel beter is een alleen maar handige schrijfster als mevrouw Van Ammers - Küller daarin geslaagd!) dit ouder worden zoo meesterlijk weet te suggereeren als het menschen betreft. Niet minder treffend is de oude mevrouw Goldeweyn geteekend in haar onbuigzame levenslust en -moed. Men kan niet alles opnoemen, maar ik wilde toch nog even memoreeren Frits Craets en zijn ‘tweede jeugd’. Wie figuren als de hier genoemden weet te scheppen, is buiten kijf een romancière van de bovenste plank. En nu heb ik nog niets gezegd van de uitnemend geteekende zusters van Frederik Craets en de andere kinderen van hem en Annette. Over deze laatsten nog één opmerking. Veel moeilijker nog dan de taak, die de schrijfster zich stelde bij het creëeren der personen afzonderlijk, en even feilloos volbracht, is de beschrijving van al die personen als één familie, van den band dus, die men achter en door allen aanwezig voelt, bovenal van het verloopen van de familie-eigenschappen bij de volgende geslachten. Treffend juist van scheppend inzicht in menschen en verhoudingen is de beschrijving van de kinderen en kleinkinderen Craets, nu niet als individuen, maar als geheel gezien, hoe zij allen, niettegenstaande hun goede en soms zelfs vele goede eigenschappen, minder zijn en minder worden dan hun ouders. Het evenwicht, de gelijkmatigheid, die het schoonste kenmerk van het huwelijk tusschen Frederik en Annette Craets was, is bij de een meer, bij den ander minder, maar toch bij allen weggeraakt en hun levens hangen min of meer uit het lood.

Ik eindig mijn beschouwingen over dit boek, maar wil dit niet doen zonder één klein détail te hebben gereleveerd. Ik bedoel dat van de ‘muizen’ en de door hen versmade koekjes. Zulk een schijnbare kleinigheid kenteekent voor mij de geboren schrijfster. Om zulk een futiliteit, die met het grootste gemak

[p. 283]

uit het verhaal gemist had kunnen worden en die, zou men denken, iedereen had kunnen bedenken (maar o, hoe onjuist is dit!), vergeef, al vergeet ik ze niet, deze schrijfster al haar fouten. En die waren, men heeft het hiervoor kunnen lezen, toch heusch niet zoo gering.

 

J.C. Bloem