|
|
|
| |
| | | |
2. Lezingen
Expletief er en de interpretatie van onbepaalde subjecten mw.
drs. C. Broeder
| |
0. Inleiding
In de literatuur (zie o.a. Bech 1952) onderscheidt men vier soorten er:
| 1. |
kwantitatief
(partitief) |
Ik heb vijf boeken gezocht Ik heb er vijf gezocht Ik heb er drie gevonden |
| 2. |
pronominaal
|
Hij at van de taart
Hij at ervan |
| 3. |
locatief
|
Ik ben gisteren in Amsterdam geweest Ik
ben er gisteren geweest |
| 4. |
repletief
expletief
existentieel
|
]
] Er loopt een man op straat
] |
Ik zal me in het hierna volgende alleen bezighouden met de vierde soort er en daarvoor de term expletief
hanteren. Bij de poging de gebruiksmogelijkheden van dit expletief Er te doorgronden, zien zowel de student als de docent
zich veelal voor grote moeilijkheden geplaatst. De hier voorgestelde
benaderingswijze is betekenis-georiënteerd. Ik baseer me daarbij voor een
groot deel op de gegevens zoals Kirsner (1979)
die verzameld heeft, overigens zonder me geheel achter de daarin ontvouwde
theorie te scharen.
De keuze voor een betekenis-georiënteerde benadering komt voort uit
didaktische overwegingen. Ik denk dat een analyse van de
betekenisverschillen tussen zinnen met en zonder expletief er een student van het Nederlands helderheid kan verschaffen in het
gebruik van dit er. De in de meeste leerboekjes gegeven
lijst | | | | van voorbeeldzinnen biedt, door de willekeur van de
gegeven voorbeelden, de student geen mogelijkheid die betekenisverschillen
zelf te achterhalen.
| |
1. Er-insertie
De regel die ervoor zorgt dat expletief er (hierna afgekort
expl.er) in de zin verschijnt, wordt door Van den Hoek
als volgt geformuleerd:
Er - insertie: als in een zin de subjects-NP onbepaald(1) is,
wordt deze naar achter verplaatst (d.w.z. naar de derde plaats) onder
gelijktijdige invoeging van er als nieuw eerste zinsdeel.
(Van den Hoek 1980: 119)
De toepassing van deze regel is in veel gevallen optioneel en in een aantal
gevallen verboden. Als we om te beginnen van dit problematische gegeven
afzien en er gemakshalve van uitgaan dat de regel verplicht toegepast dient
te worden, dan doen zich de volgende vragen voor:
1.1. Waarom is de regel alleen van toepassing bij onbepaalde subjects-NP en
niet bij bepaalde subjects-NP?
1.2. Wat is er met de eerste zinspositie aan de hand dat een onbepaald
subjects-NP daar niet mag staan?
Bij het zoeken van een antwoord op deze vragen zal ik me op twee aspecten van
de regel voor er-insertie concentreren:
| - | de verandering van de woordvolgorde in de zin die veroorzaakt wordt
door er-insertie |
| - | de gevolgen voor de interpretatie van de onbepaalde subjects-NP als
die NP vooraf gegaan wordt door expl. er |
| |
2. Woordvolgorde en informatieverdeling
| |
2.1.
In het Nederlands staat in bevestigende hoofdzinnen het verbum finitum
(V.F.) op de tweede plaats. De informatie-verdeling in de zin kan als
volgt in verband gebracht worden met de woordvolgorde van de zin: een
spreker zal datgene wat hij bekend veronderstelt (thema) het eerst
noemen, dus links van het V.F. plaatsen, daarna datgene wat hij
niet-bekend veronderstelt, dat wat hij over dat thema mee te delen heeft
(rhema). De niet-bekend veronderstelde informatie zal dus rechts van het
V.F. komen te staan (verg. ANS 1984: 911). Schematisch
voorgesteld:
| zinsposities: |
1 thema |
2 V.F. |
3 4 5 rhema |
etc. |
| |
bekend verondersteld |
|
niet-bekend verondersteld |
|
| | | |
Dat er betekenisverschil optreedt indien men de thema-rhema verhouding
wijzigt, moge blijken uit het door Kirsner (1979: 117) gegeven
voorbeeld:
(1) Hier is je koffie(2)
(2) Je koffie is hier
De plaatsaanduidende functie is in 2 aanwezig, in 1 ontbreekt die.
Het kan echter zo zijn dat de spreker een keuze tussen thema en rhema wil
vermijden en alles wat in de zin meegedeeld wordt niet-bekend wenst te
veronderstellen. Alle constitutenten moeten dan rechts van het V.F. in
het rhema-gebied geplaatst worden. De eerste zinspositie mag echter niet
onbezet blijven en wordt nu opgevuld met een woord dat zelf geen
betekenis draagt, namelijk expl. er. Men wil immers
geen verwarring laten ontstaan over een eventueel bekend verondersteld
thema. Die verwarring zou kunnen ontstaan indien expl. er duidelijk zou verwijzen naar iets uit de ons omringende
werkelijkheid. Zo bezien heeft het betekenis-loos-zijn van expl.er een duidelijke functie.
| |
2.2.
Zou nu de regel voor er-insertie bij onbepaalde
subjects-NP verplicht toegepast moeten worden, dan zou men aan de hand
van de thema-rhema verdeling in de zin een adequaat antwoord kunnen
geven op de onder 1.1. en 1.2. gestelde vragen:
ad 1.1. Een onbepaalde subjects-NP kan niet bekend verondersteld worden
en derhalve niet tot thema worden gekozen. Zo 'n NP moet dan ook
verschoven worden naar het rhema-gebied.
ad 1.2. Een bepaalde subjects-NP moet bekend verondersteld worden en mag
dan ook niet in het rhema-gebied belanden.
Helaas hoeft de regel voor er-insertie niet verplicht
toegepast te worden en het gegeven antwoord voldoet dan ook niet:
- een onbepaald subject kan in veel gevallen heel goed bekend
verondersteld worden en de eerste zinspositie innemen:
(3) Een student komt vanavond op de kinderen passen
Erger nog: er zijn onbepaalde subjects-NP's die niet door expl. er voorafgegaan mogen worden:
(4) *Er heeft een 35-jarige inwoner van Lobith zijn buurvrouw
met een pistool vermoord
-een bepaald subject kan heel goed in het rhema-gebied staan mits dat
subject niet voorafgegaan wordt door expl. er:
(5a) Gisteren hebben de cursisten een tochtje naar de Hoge
Veluwe gemaakt
| | | |
(5b) *Er hebben gisteren de cursisten een tochtje naar de Hoge
Veluwe gemaakt
(5c) *Gisteren hebben er de cursisten een tochtje naar de Hoge
Veluwe gemaakt
Blijkbaar veroorzaakt de combinatie expl. er met rechts
van er het subject een betekenisverandering die
onverenigbaar is met het bepaald-zijn van de subjects-NP. De oorzaak
voor die betekenisverandering moet dus niet alléén gezocht worden in de
aanwezigheid van expl.er in de zin, ook niet alleen in
de thema-rhema verhouding van de zin maar juist in de combinatie expl.
er met rechts van er de
subjects-NP.
| |
2.3.
Om greep te krijgen op de bedoelde betekenisverandering wil ik vasthouden
aan het onderscheid ‘bekend verondersteld zijn’ versus ‘niet-bekend
verondersteld zijn’ van het subject en daarbij de volgende regel
formuleren:
- Staat een subjects-NP rechts van expl. er dan kan dat
subject alleen als niet-bekend geïnterpreteerd worden.
Is die regel juist, dan betekent dit dat de mogelijkheid expl. er in de zin te inserteren afhankelijk is van de
mogelijkheid het in die zin voorkomende subject als niet-bekend te
interpreteren. Ik wil dit illustreren aan de hand van zinnen met
onbepaalde subjecten die onmogelijk als niet-bekend geïnterpreteerd
kunnen worden.
| |
2.3.1. Categoriale subjecten
(6a) Een man huilt niet
(6b)*Er huilt een man niet
(7a) Bloemen veraangenamen het leven
(7b)*Er veraangenamen bloemen het leven
De categorie waarnaar verwezen wordt, moet bekend zijn, wil men over
die categorie een algemeen geldende uitspraak kunnen doen.
Categoriale subjecten kunnen dan ook onmogelijk niet-bekend
verondersteld worden zonder dat zij daarmee hun categoriale
betekenis verliezen:
(8a) In Nederland worden kinderen tegen polio ingeënt
(categoriaal)
(8b) Kinderen worden in Nederland tegen polio ingeënt
(categoriaal)
(8c) Kinderen worden er tegen polio ingeënt (categoriaal)
(8d) Er worden in Nederland kinderen tegen polio ingeënt
(niet-cat.)
(8e) In Nederland worden er kinderen tegen polio ingeënt
(niet-cat.)
| | | |
Dat expl. er rechts van de onbepaalde subjects-NP
verantwoordelijk is voor de niet-bekende interpretatie en daarmee
het verlies van de categoriale betekenis van dat subject
veroorzaakt, blijkt uit (8d) en (8e). De aanwezigheid van het niet
expl. maar locatief er (namelijk verwijzend naar
een eerder genoemde plaats) in (8c) rechts van de onbepaalde
subjects-NP, oefent geen invloed uit op de categoriale betekenis van
het subject.
| |
2.3.2. Subjecten van transitieve werkwoorden
In zinnen met een transitief werkwoord moet het subject noodzakelijk
bekend verondersteld worden(3).
(9a) *Een man heeft de/een hond geslagen
(9b) *Er heeft een man de/een hond geslagen
(10a) Een berucht dierenmishandelaar uit A. heeft de/een
hond vergiftigd
(10b) *Er heeft een berucht dierenmishandelaar uit A.
de/een hond vergiftigd
Blijkens de ongrammaticaliteit van (9a) is het bekend veronderstellen
van het subject alleen dan mogelijk wanneer dat subject nader
gespecificeerd is. Dat is het geval in (10a).
| |
2.4. Conclusie
Zowel categoriale subjecten als subjecten van transitieve werkwoorden
dienen noodzakelijk bekend verondersteld te worden en kunnen derhalve
niet rechts van expl. er in de zin voorkomen. Verder
geldt voor subjecten van transitieve werkwoorden dat de mogelijkheid het
subject bekend te veronderstellen afhankelijk is van de mate waarin dat
subject nader gespecificeerd is.
| |
3. Er-insertie optioneel
Toepassing van de er-insertie regel is optioneel in zinnen
met een onbepaald subject dat:
| - | niet categoriaal geïnterpreteerd dient te worden |
| - | niet het subject van een transitief werkwoord is |
Mits aan bovengenoemde voorwaarden voldaan is, is de spreker vrij in de keuze
van de thema-rhema verhouding in de zin.
(11a) In Middelharnis is een kind verdronken(4)
(11b) Een kind is in Middelharnis verdronken
(11c) Er is in Middelharnis een kind verdronken
(11d) Er is een kind in Middelharnis verdronken
| | | |
In (11b) krijgt de plaats waar de gebeurtenis zich heeft afgespeeld meer
gewicht dan de dood van het kind. In (11c) en (11d) krijgt het geheel van de
mededeling iets terloops, neutraals. Die neutraliteit komt vermoedelijk
voort uit de niet gemaakte keuze voor een bepaalde verhouding tussen thema
en rhema (vgl. Kirsner 1979).
Een minder emotioneel geladen voorbeeld van wijziging in de thema-rhema
verhouding is het volgende:
(3a) Een student komt vanavond op de kinderen passen
(3b) Er komt vanavond een student op de kinderen passen
(3c) Vanavond komt er een student op de kinderen passen
(3d) Vanavond komt een student er op de kinderen passen
Volgens mij is (3d) alleen dan grammaticaal, als er
geïnterpreteerd wordt als locatief, verwijzend naar een eerder in de context
genoemde plaats.
Uit (3c) blijkt dat expl. er op de derde plaats gehandhaafd
kan worden als een andere constituent dan de subjects-NP de positie van de
eerste plaats inneemt. Waarom expl. er hier gehandhaafd
blijft, is een vraag die ik in dit artikel buiten beschouwing wil laten. Wat
belangrijk is, is dat het subject rechts van expl. er
staat en de niet-bekende interpretatie dus ook hier afgedwongen wordt.
| |
4. Vraagwoordzinnen
Tot slot wil ik een categorie zinnen behandelen die bij uitstek geschikt
lijken om expl. er te bevatten namelijk de
vraagwoordenzinnen(5). Dat
dergelijke zinnen in eerste instantie een geschikte context lijken te vormen
om expl. er te bevatten (mits natuurlijk de bevraagde
constituent het subject is) ligt voor de hand als men bedenkt dat een
vraagwoord per definitie onbepaald is.
Helaas blijkt het lang niet altijd mogelijk expl. er in
deze zinnen op de derde plaats te handhaven getuige de volgende voorbeelden
die ik aan Elffers (1977: 417) ontleen:
(12) *Wie heeft er de Nachtwacht geschilderd?
(13) ?Wie heeft er die wedstrijd gewonnen?
Bovendien kan er een betekenisverschil ontstaan bij er-insertie:
(14a) Wie heeft sociologie gestudeerd?
(14b) Wie heeft er sociologie gestudeerd?
Het lijkt een wat hachelijke zaak bij een bevraagde constituent het
onderscheid bekend versus niet-bekend verondersteld te willen handhaven. Het
is dan ook beter de grammaticaliteit van de bevestigende tegenhanger van
deze vraagzinnen te bekijken:
| | | |
(12') *Er heeft iemand de Nachtwacht geschilderd
(13') ?Er heeft iemand die wedstrijd gewonnen
Zoals Elffers terecht opmerkt, blijkt het grammaticaliteits-oordeel voor de
bevestigende zin niet te verschillen van dat voor de vraagzin.
Is er binnen het hierboven beschreven kader een verklaring te vinden voor de
twijfelachtigheid of ongrammaticaliteit van de zinnen (12)-(13)? Voor zowel
(12)/(12'), als (13)/(13') geldt dat de zin een transitief werkwoord bevat
waarmee de noodzaak ontstaat het subject bekend te veronderstellen en de
mogelijkheid tot er-insertie vervalt. Dat verklaart echter
niet waarom (14b) grammaticaal is. Ook hier bevat de zin een transitief
werkwoord. Uit het betekenisverschil tussen (14a) en (14b) blijkt dat ook in
vraagwoordzinnen het onderscheid bekend dan wel niet-bekend verondersteld
zijn van het bevraagde subject een rol kan spelen: in (14b) is het mogelijk
dat er niemand sociologie gestudeerd heeft. In (14a) lijkt het zeker dat
tenminste een van de aanwezigen sociologie gestudeerd heeft, anderen hebben
wellicht iets anders gestudeerd.
(14a) Wie heeft sociologie gestudeerd - Wie medicijnen?
(14b) Wie heeft er sociologie gestudeerd - Niemand?
(vgl. Kirsner 1979: 125)
Het zou zo kunnen zijn dat de toepassing van er-insertie in
vraagwoordzinnen alleen dan toegestaan is wanneer de mogelijkheid bestaat
dat niemand de subjectsfunctie vervult. Die mogelijkheid is in (12) geheel
uitgesloten, in (13) niet: een wedstrijd hoeft geen winnaar te hebben.
Een bijkomende moeilijkheid in vraagzinnen is dat expl. er
noodzakelijk op de derde plaats staat. Dat maakt het lastig dit expl. er eenduidig van andere soorten er te
onderscheiden. Vooral verwarring met locatief er lijkt in
sommige gevallen niet uit te sluiten getuige het grammaticale voorbeeld van
Elffers (1977: 420):
(15) Wie heeft er in 1642 in Amsterdam de Nachtwacht geschilderd?
De aanwezigheid van de plaatsbepaling elders in de zin maakt het mogelijk er hier als locatief te interpreteren.
| |
5. Samenvatting en conclusie
In het voorgaande heb ik geprobeerd een verklaring te vinden voor het feit
dat de toepassing van de er-insertie regel vaak optioneel
is en soms verboden. Ik heb die verklaring gezocht in het betekenisverschil
dat ontstaat als een onbepaalde subjects- | | | | NP voorafgegaan wordt
door expl. er. Gelet op het verband tussen de
woordvolgorde en de informatieverdeling in de zin, speelde daarbij het
bekend dan wel niet-bekend verondersteld zijn van het subject een cruciale
rol.
Ik zou dit onderscheid bekend/niet-bekend verondersteld zijn van het subject
als volgt willen formuleren:
| - | een bekend verondersteld onbepaald subject moet als specifiek
onbepaald beschouwd worden; |
| - | een niet-bekend verondersteld onbepaald subject moet als
niet-specifiek onbepaald beschouwd worden (vgl. voor dit onderscheid
specifiek/niet-specifiek ANS 1984: 115). |
Expl. er met rechts van erde onbepaalde
subjects-NP dwingt de niet-specifieke interpretatie van het subject af. Dat
betekent dat toepassing van de regel voor er-insertie
alleen dan toegestaan is wanneer de mogelijkheid bestaat het subject als
niet-specifiek te interpreteren.
| |
| | | |
Literatuur
| Bech, G., 1952, ‘Über das niederländische Adverbialpronomen er.’ In: J. Hoogteijling, Taalkunde in
artikelen, Groningen, 147-163. |
| Dort-Slijper, M.K. van, 1977, ‘Er’. Spektator: Tijdschrift voor Neerlandistiek, 6, 412-17 |
| Elffers, E., 1977, ‘Er-verkenningen’. Spektator: Tijdschrift voor Neerlandistiek, 6, 417-22. |
| Geerts, G., e.a., 1984, Algemene Nederlandse
Spraakkunst, Wolters Noordhoff, Groningen, Wolter Leuven |
| Hoek, Th. van, 1980, ‘Volgordevarianten in de zin: hun domeinen en
effecten’. In: Janssen, Th. & Streekstra, N.F., (red.), 1980,
Grenzen en domeinen in de grammatika van het
Nederlands, R.U. Groningen, 116-136 |
| Hoornik, Ed., 1972, Verzamelde gedichten,
Meulenhoff, Amsterdam |
| Janssen, Th.A.J.M., 1977, ‘Het vragend voornaamwoord wie + het existentiële Er’. In: Taalkundig Bulletin, jrg. 7, nr. 4, Nederlands Instituut, R.U.
Groningen, 41-45 |
| Kirsner, Robert S., 1979, The Problem of Presentative
Sentences in Modern Dutch. (North-Holalnd Linguistic Series,
vol. 43) North-Holland Publishing Company, Amsterdam-New York |
| Kraak, A. & Klooster, W., 1968, Syntaxis,
Culemborg, Stam-Kemperman |
| Kraak, A., 1970, ‘Zinsaccenten en syntaxis’, Studia
Neerlandica 4, 41-61 |
|
(1)NP= noun phrase Een onbepaald NP is een NP die ofwel
een onbepaald lidwoord bevat (voor meervoud het lidwoord ø) ofwel een
bepaald of onbepaald telwoord bevat, of uit een onbepaald voornaamwoord
bestaat: een man, kinderen, zes bomen, veel bomen, iemand, iets
enzovoort (zie ook Kraak & Klooster 1968: 115 e.v.)
(2)In alle gegeven
voorbeeldzinnen ga ik uit van de neutrale accentuering
(3)Kirsner (1979:
149) wijt dit fenomeen aan de door het subject vervulde agensrol
in dergelijke zinnen. Dat kan echter niet de oorzaak zijn
getuige het feit dat na passief-omzetting ook het grammatisch
subject (dat immers geen agensrol vervult) bekend verondersteld
dient te worden: (9a') *Een hond is door de/een man
geslagen
(6') * Er is een hond door de/een man geslagen
De oorzaak moet mijns inziens dan ook eerder gezocht worden in
de aanwezigheid van zowel subject als direct object in de zin.
Na passief-omzetting blijkt er-insertie
namelijk heel goed mogelijk als men het logisch subject (dat wil
zeggen de door-bepaling) weglaat: Er is een hond
geslagen
(4)De eerste regel van het gedicht Requiem
van Ed. Hoornik luidt oorspronkelijk:
Te Middelharnis is een kind verdronken
Om de mogelijkheid te creëren de plaatsbepaling naar achter te
verplaatsen, heb ik Te in In
veranderd.
(5)Expl. er
komt in deze zinnen op de derde plaats te staan daar een vraagwoord
noodzakelijk de positie van de eerste plaats inneemt.
|
|