Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1871


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 15en Juni 1871, in het Hotel Rijnland. E.J. Brill, Leiden 1871  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 289]

Levensbericht van Dr. A. Hirschig, Cz.

Uitgenoodigd door het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde tot het leveren dezer levensschets, hebben wij gemeend aan dien wensch alleen dan te voldoen, als wij eerst overtuigd zouden zijn, dat die arbeid den erfgenamen des overledenen niet onaangenaam was. Onpartijdig en bescheiden bij de mededeeling der feiten, willen wij den man schetsen, zooals hij geweest is.

Antonius Hirschig werd den 16 Maart 1802 te Ginneken geboren, waar zijn vader Christianus Jacobus Hirschig sedert 1793, bijna het vierde eener eeuw, als predikant aan het hoofd der kleine Hervormde Gemeente stond. De kleine Anton was zeer gehecht aan zijn moeder, Adriana Langelaan. Deze behoorde tot eene familie, die redelijk met middelen gezegend was en zich nog in 1818 te Leiden ophield, toen de dochter zich als weduwe aldaar met hare acht nog onverzorgde kinderen vestigde. De knapenleeftijd

[p. 290]

van A. Hirschig viel dus in de donkere dagen der Fransche overheersching. De landelijke gemeente, waar hij dien doorbracht, bezat eene dorpschool, waar een Franschman, waarschijnlijk een gegageerd onderofficier, onderwijs gaf in het Fransch. Gelijk men weet, bekreunde zich het Keizerlijk bewind weinig om de schoolwet van 1806, al prezen Noël en Cuvier het Hollandsche stelsel hemelhoog. Naar die school werd Hirschig op zijn achtste jaar, dus in het voorjaar van 1810, gezonden. ‘De Fransche man’, dus leest men in des overledenen aanteekeningen, ‘wist ons het leven aangenaam te maken. Hij sprong met ons om, als met een aantal apen, en leerde ons zoowel springen als rekenen en Fransch lezen.’ - Mogen de schoolknapen die methode prettig gevonden hebben, bij de meest mogelijke ingenomenheid met de gymnastiek, zal toch wel niemand beweren, dat door een onderwijzer van dit gehalte aan geestontwikkelend onderwijs gedacht werd of gedacht kon worden. Maar het was een Franschman en dit was in die dagen voldoende. Later (het blijkt niet juist wanneer) ging de jonge Hirschig dagelijks tweemalen heen en weder naar de nabijgelegene stad Breda, een half uur gaans van Ginneken gelegen, en bezocht daar de Fransche school. De onderwijzer schijnt ziekelijk en de schooltucht slecht geweest te zijn. De vruchten van dat onderwijs zullen derhalve hoogstens zeer middelmatigen oogst hebben opgeleverd. Daarenboven is er grond om te vermoeden, dat in het najaar van 1813 en in 't begin van 1814 dit opgaan naar de school te Breda maanden lang volstrekt onmogelijk was, tengevolge van de krijgsbedrijven tusschen de aftrekkende en dan weder terugkeerende Franschen en het Russisch-Pruissische leger, waarvan Hirschig veel kluchtigs en treurigs wist te vertellen. Al deze omstandigheden behooren in het oog gehouden te worden, als men over Hirschig een billijk oordeel vellen wil. Zeer waar toch is 't, wat hij in zijne aanteekeningen opmerkt:

[p. 291]

‘Men juicht thans in het beter onderricht en met reden. Men vindt, dat men thans progressen maakt, waarvan onze jeugd geen begrip had. Maar als men den tijd gadeslaat, waarin onze ontwikkeling plaats had, dan moet men zich verwonderen, dat er nog zooveel van velen is terecht gekomen. O al te gelukkige jeugd, die in vreedzame dagen hare opleiding heeft genoten, ofschoon zij het voorrecht, dat zij geniet, niet beseft.’ - Zoo het schijnt werd Hirschig in 1814 ter Latijnsche school te Breda besteld, waar toen A.L. Kaldenbach rector en Mr. F.B. Hollingerus Pijpers conrector waren. Hij trof het dáár niet beter dan op de lagere scholen, waar hij vroeger onderwezen was. Men brak daar zeer weinig het hoofd met de grammatica. De rector, getuigt Hirschig, ‘wist van het Grieksch niets hoegenaamd.’ Men gebruikte bij Virgilius eene Fransche vertaling in verzen. Op het jaarlijksch examen - relata refero - werd Virgilius opgelezen en dan de van buitengeleerde Fransche vertaling opgedreund. Nog iets minder dan de Hamiltonsche methode of de kwakzalverij van Jacotot! Hirschig beweerde: ‘dat hij van den conrector zoo al weinig taalkennis, toch veel lust tot taalstudie opdeed; maar dat de rector, die opgewekte lust ook spoedig weder totaal wist uit te blusschen.’ - Zulke scholen mogen aan het thans levende geslacht fabelachtige overdrijving schijnen, zij waren toch niets dan bloote werkelijkheid. Als men steden, waar hoogescholen gevestigd waren en grootere gemeenten uitzondert, was het tafereel van Hirschig volstrekt niets buitengewoons. Schrijver dezes beleefde in zijn jeugd iets dergelijks. De rector der school, die vroeger onder Henr. Hoogeveen, den schrijver van het boek De particulis linguae Graecae, een goeden klank had, wist ja! op het duistere gevoel af dragelijk Latijn te schrijven; maar doolde in de onregelmatigheden der Grieksche werkwoorden als de blinde rond in een vreemd huis en dischte de grootste ongerijmdheden op,

[p. 292]

als hij wekelijks een twintigtal verzen van de Ilias, op de hoogste klasse, letterlijk radbraakte. Enkele uitstekende mannen niet te na gesproken, waren de meeste docenten der Latijnsche scholen in die dagen mannen, die noch lust tot ernstige studie hadden, noch geschiktheid bezaten voor het onderwijs. Als of dit alles nu voor den jongen Hirschig niet ongunstig genoeg ware, trof hem nog daarenboven de zwaarste slag, die den aankomenden jongeling treffen kan. Op den 10 Maart 1818 ontviel de predikant van Ginneken op zeven-en-veertig-jarigen leeftijd aan zijn talrijk gezin. Zijne moedige echtgenoot trok in 1819 naar Leiden, waar hare bloedverwanten leefden en een oudere zoon in de Theologie studeerde. Zij droeg er 19 jaren het weduwenkleed.

A. Hirschig, die den cursus op de Latijnsche school te Breda toen nog niet schijnt te hebben afgeloopen, moest zijne moeder volgen en werd weldra student. In dien tijd was de toegang tot de academie nog vrijer dan thans. ‘Ik kwam’, 't zijn Hirschigs eigene woorden, ‘slecht beslagen op het ijs. Het Latijnspreken was mij geheel vreemd: zoodat responderen bijna onmogelijk was, en ik slecht collegie hield. Ik studeerde echter ijverig en las den eenen Griekschen schrijver voor, den anderen na. Ik verstond ze natuurlijk slecht en las door en over, telkens met meer nauwkeurigheid, tot ik ze ten minste eenigzins verstond. Ik koos niet de gemakkelijkste auteurs eerst, maar veeleer de moeielijkste. Pindarus was een der eerste: dan wierp ik Pindarus uit de hand en nam ik Xenophon of Herodotus op. Ik had veel meer smaak in de Grieksche dan in de Latijnsche schrijvers.’ Al was het natuurlijk, dat van dit zonderlinge, onvaste en wispelturige studieplan weinig heil te verwachten was, de gebrekkige opleiding, die Hirschig tot nog toe genoten had, kon moeielijk tot iets beters leiden, zoolang de jonge student, die zich weinig met de overige Academieburgers inliet, aan zich zelven bleef overgelaten. Ter goeder ure, misschien wel la-

[p. 293]

ter dan hem dienstig was, in den winter van 1822 op 1823 en vervolgens meer of minder aanhoudend en geregeld, tot nagenoeg aan zijne promotie ontving hij privaatonderwijs van Dr. J.T. Bergman, waaraan hij bijzonder veel te danken had. Literator in den waren zin des woords wilde Hirschig niet wezen en is hij ook nooit geworden. Behalve eene oratio De Xenophonte Socratico en eenige bladzijden, het begin inhoudende van een Specimen animadversionum criticarum in L. Annaei Senecae consolationem ad Helviam voor de Symbolae Literariae bestemd, is mij van zijne latere letterkundige studiën niets gebleken, hoewel hij in den aanhef van dit specimen verzekert, dat hij zich reeds eenige jaren bezig hield met eene nieuwe uitgave der brieven van Seneca. 't Kon ook wel niet anders. Reeds vroeger, bij den dood zijns vaders, hield hij zich reeds voor een dichter. ‘In plaats van diep te weenen en stil te gevoelen’, dus getuigt hij van die dagen, ‘ontvloeide mijner pen eene reeks van verzen en stortte ik mijne smart uit in allerlei phrasen en vormen.’ Dat dichter zijn zonder diep gevoel is zeer opmerkelijk. Zulk eene neiging en richting kweeken geene volharding of ijzeren wil tot het beoefenen van strenge grammatica of kritiek. Hirschigs eerste lievelingsschrijver was L. Annaeus Seneca. Het laat zich wel verklaren, dat Seneca's levendige, min of meer dichterlijke geest hem aantrok, zonder op te merken, dat het Latijn van Seneca's eeuw de vroegere netheid en kunstigen periodenbouw miste. Hij koos dan ook bij zijne promotie, November 1825, tot academisch proefschrift de bewerking van eene der vluchtige monographiën over Stoîcijnsche stellingen en leverde: L. Annaei Senecae libellus de tranquillitate animi explicatus. Lugd. Bat. 1825.

Nog eer dit jaar ten einde was, werd de jonge Doctor in de Letteren door tusschenkomst van Mr. H. Wijnbeek, inspecteur der Latijnsche scholen, tegen den zin van curatoren, die een Fries hadden voorgedragen, als conrector

[p. 294]

aan de gesubsidieerde Latijnsche school te Franeker geplaatst. In het voorjaar van 1826 aanvaardde hij die betrekking. Den rector G. Van Wieringhen Borski, insgelijks in 1825 en wel te Utrecht gepromoveerd, ontbrak, zoo als van zelf spreekt, toen nog en wellicht ook later de rijpe ervaring en paedagogische blik, die onmisbaar is, om een eerstbeginnend docent, onbekend met alle onderwijs en in den omgang met jongelieden onbedreven, den juisten weg te wijzen, die voor leermeester en leerlingen de aangenaamste en bevalligste is. Dit maakte Hirschig de taak hem opgelegd zwaar en deed hem tegen het eerste schoolexamen ten overstaan van curatoren angstig opzien. Het schoolwerk noemde hij vreeselijk. ‘Geplaagd’, zooals hij aanteekent, ‘door een aantal ondeugende leerlingen, die daarenboven werden opgestookt door degenen, die een ander in mijne plaats hadden verlangd, leidde ik een verschrikkelijk leven.’ Ware hij geen Noordbrabander maar een Fries geweest, dan zou hij waarschijnlijk meer toenadering ondervonden hebben. Op den 25 Augustus 1826 werd hij in den echt verbonden met Mejufvrouw Matthia Antonia Snoeck, te 's Gravenhage den 8 November 1800 geboren, een dochter van goeden huize, die bij den generaal J.G. Rietveld, uit hoofde van de huiselijke omstandigheden harer ouders was grootgebracht. De omgang van de professoren van het toen nog bestaande Franeker Athenaeum de Heeren de Geer, Rovers, Philipse en Ermerins, leverde het jeugdige echtpaar veel aangenaams op. Van hoog belang was daarenboven de hulp, die de laatstgenoemde dezer Heeren hem verleende, om zich tot de uitvoering voor te bereiden van het Koninklijk Besluit van 9 September 1826, betrekkelijk het onderwijs der wiskunde op de Gymnasiën.

Nog geene twee jaren had Hirschig te Franeker doorgebracht, toen hij op het einde van 1827 door de bemoeiingen van den destijds aldaar invloedrijken oom zijner

[p. 295]

gade, den Heer Snoeck Van Loosen als rector naar Enkhuizen beroepen werd. Daar waren de schooljongens handelbaarder, daar was hij de gewenschte man, daar vond hij vrienden en aanverwanten, die veel voor hem over hadden. Daar werden hem twee dochters geboren, Jacoba Gijsberta, later gehuwd met den Notaris H.J. De Lange en Adriana Wilhelmina thans de echtgenoot van Doctor G.J. De Lange, beiden te Alkmaar. Want daar was Hirschig, na een zesjarig verblijf te Enkhuizen, in 1834, door medewerking van een aanverwant zijner echtgenoot, den Heer Mr. J.A. Kluppel, als rector aan het hoofd der Latijnsche school geplaatst. Eene derde dochter Samuelline overleed te Alkmaar op zesjarigen leeftijd en zijn eenige zoon Christianus Jacobus Johannes, die thans als Medicinae Doctor de geneeskunst te Amsterdam uitoefent, werd er geboren. Omstreeks zeventien jaren had het gezin te Alkmaar doorgebracht, toen in 1851 den rector zijne gade, na een smartelijk lijden ontviel. Met recht betreurde hij het gemis eener levensgezellin, die algemeen geacht en bemind werd. Intusschen ontwaakte te Alkmaar de begeerte, om de Latijnsche school tot een Gymnasium te hervormen, waar wiskunde op breeder schaal tegelijk met nieuwere talen zou onderwezen worden. De plaatselijke schoolcommissie zond den 7 April 1853 een bericht aan den Raad der Gemeente over de oprichting van zulk eene school. Dit schrijven werd bij burgemeester en wethouders in deliberatie gehouden. Toen diende het raadslid H. Coster Hz., den 17 Augustus 1853, een voorstel aan den Raad in, om een Gymnasium op te richten; er werd eene commissie benoemd om een plan te ontwerpen. Het schijnt dat noch rector noch curatoren met dit besluit waren ingenomen. Hirschig sloot den 2 Februari 1854 eene tweede echtverbindtenis met Mejufvrouw Henrietta Jaqueline Del Court te Haarlem. De zaak van het Gymnasium ging niet vlug van de hand.

[p. 296]

Eindelijk begreep men dat het noodig was, om van de Hooge Regeering eene rijkssubsidie te vragen ter bestrijding van de groote onkosten der beraamde school. 's Lands Regeering maakte zwarigheden. Zoo het schijnt geloofde men te Alkmaar - doch dan bedroog men er zich in - dat als de Gemeenteraad de Latijnsche school ophief, en den onderwijzer der Fransche school zijne toelage uit de gemeentekas onthield, de laatste zijn onderwijs toch wel zou voortzetten en eene subsidie voor een Gymnasium weldra zou worden toegestaan. ‘Ik wenschte’, teekent Hirschig aan ‘toen de Latijnsche school in een Gymnasium herschapen zou worden, niet aan te blijven. Maar ik maakte aanspraak op eene gratieuse behandeling. Daarom bedankte ik niet voor mijn post, hetgeen men hoopte, dat ik doen zou; maar bleef totdat de leerstoel onder mij werd weggenomen.’ - Dat geschiedde in Juni 1856. Een zeer billijk voorstel om den rector een wachtgeld van ƒ600 toe te leggen, dat een der raadsleden nog tot op de helft verminderen wilde! werd met eene groote meerderheid van twee derde der stemmen verworpen. Wij laten het oordeel over die handelwijze aan het doorzicht van den lezer over!

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat Hirschigs melancholisch temperament er zeer door geprikkeld moest worden. De man, hoogst gevoelig, voor al wat hij voor eene miskenning hield, zelfs al was die slechts een kwelgeest zijner verbeelding, droeg naar uiterlijken schijn zijn leed met kalme onverschilligheid. Zijne gemoedsstemming wordt in weinige woorden uitgedrukt in de voorrede voor de ‘Fabelen en Satyren door Skirtopodes’ (1857) welken pseudonym (springvoet) hij sedert 1842 reeds had aangenomen. ‘Ik meen het opregt, ik, Skirtopodes. Hij heeft wel eens bizarre oogenblikken, en hij vraagt gaarne voor de uitvloeizels van zulke oogenblikken excuus. Maar hij zou zijn eigen ik te veel verliezen, als hij zich geheel aan die oogenblikken onttrok en zich in de liverei der mode ging

[p. 297]

steken. Daar heeft hij geen lust in, omdat hij een vijand is van alle slavernij en ook van ijdele complimenten. Als hij schrijft, schrijft hij, zoo als Bilderdijk plagt te zeggen, met gezag. De lezer zal al aanstonds bemerken, dat hij, schoon liberaal, geene partij ontziet, en vooral de zijne niet en dat wel te minder, omdat de liberale partij, als zijnde nog jong, zeer veel leiding, bestraffing, teregtwijzing, soms bespotting en geesseling noodig heeft, zoo als trouwens alle brutale jongens.’ - Er bleef den eervol ontslagen rector niets anders over dan:

 
‘Vrij van beslommering der maatschappij ontheven,
 
Aan 't rustloos geestgekwel van vroeger levens perk,’1

afleiding en bezigheid te vinden in het schrijven van verzen en reisverhalen. Men zou moeilijk kunnen beweren, dat hij allen aanleg voor poëzy miste en niet meer dan genoeg vinnigheid bezat voor het hekeldicht, waar velen niet tegen konden. Maar twee gewichtige zaken bezat hij niet: 't waren gebreken, die hij door veel inspanning misschien had kunnen te boven komen. Die twee zaken waren geduld en heerschappij over de taal. Dikwijls worden zijne verzen onduidelijk, omdat de woordvormen hem niet ten dienste staan, om te doen begrijpen wat hij duister gevoelde. En dan het geduld: het nonum prematur in annum van Horatius was zijn zwak niet. Bij meer letterkundige zelfkennis en ijzeren volharding in het beschaven zijner fabelen, satiren en andere dichtstukken, zou hij zich waarschijnlijk niet geërgerd hebben aan de onverschilligheid waarmede de tijdgenooten zijne poëzy bejegenden; wat hem ook al eene bron van kwelling was. Reeds voor een twintigtal jaren (1852) had de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde hem onder hare leden opgenomen en het Utrechtsch Genootschap hem zijn lidmaatschap aangeboden. In de jaren 1858 ondernam hij eene reis naar Londen, in

[p. 298]

1859 naar Parijs, in 1861 naar Italië. In het vaderland teruggekeerd beschreef hij de indrukken te Napels, Pompeii, Sorrento, Castel a mare, Capri, Amalfi en te Rome en Venetië ontvangen. Zes jaren later bepaalde zich de uitvoering van een oorspronkelijk grooter, reisplan tot een nieuw bezoek aan Parijs. De schetsen van sommige dezer tochten, die hij op eene Nutsvergadering of in het Natuuren Letterkundig Genootschap Solus nemo satis sapit, waarvan hij sedert 1854 werkend lid was, placht voor te lezen, behooren met de romantische inkleeding van Seneca's dood tot de opstellen, die men voor de beste hield. Zoo leefde Hirschig als melancholicus voort, en scheen zijn krachtige lichaamsbouw recht te geven, om het bereiken van een hooger ouderdom te verwachten. Een organisch gebrek, misschien vroeger door hem te licht geteld, deed hem in het voorjaar van 1871 zijn verblijf voor eenigen tijd te Amsterdam vestigen, waar hij op den 13 Maart 1871 overleed. Zijn stoffelijk overschot rust evenwel te Alkmaar in de zelfde groeve, waar zijn ‘jeugdig Lientje’ slaapt ‘in het graf aan Moeders zij.’

 

Alkmaar.

Dr. J.J. de Gelder.

[p. 299]

Lijst der geschriften van Dr. A. Hirschig Cz.

L. Annaei Senecae libellus de Tranquillitate animi explicatus. Lugd. Bat. 1826.

Kleinigheden in rijm en onrijm. 1830.

Dood en gedachtenis van Seneca. Historische Roman. Enkhuizen 1832.

Blikken in het menschelijk hart, naar de brieven van Seneca. Alkmaar 1834.

Eerste vijftig brieven van Seneca vertaald met aanteekeningen. Amsterdam 1836.

Redevoering ter Gedachtenis van Dr. G.J.D. de Roock. Alkmaar 1838.

Godsdienst en Zedespiegel door Skirtopodes. Alkmaar 1842.

Oude liefde in nieuw gewaad, Tibullus nagevolgd. Hoorn 1840.

Losse aanmerkingen en bedenkingen tegen C.W. Opzoomers kritiek over Scholten, wijsgeerig beoordeeld. Amsterdam 1846.

De inwijdingsrede van C.W. Opzoomer: ‘de wijsbegeerte den mensch met zichzelven verzoenende’ uit een wijsgeerig oogpunt beschouwd. Alkmaar 1846.

Eenige vragen, bedenkingen en wenken, het hooger onderwijs betreffende voorgesteld, ontwikkeld en beoordeeld. Gouda 1846.

[p. 300]

De kiezers van Wolverasimmenfels. Alkmaar 1848.

Tweetal verhalen. In poëzy. Schiedam 1848.

Uitboezeming bij den dood van Willem II. Alkmaar 1849.

‘Voorwaarts’ eene stem aan de natie bij de begrafenis van Willem II. (Beide laatste in het zelfde jaar gezamentlijk herdrukt).

Feestzang der natie toegezongen tegen de plechtige inhuldiging van Koning Willem III. Alkmaar 1849.

Het huisgezin de Groot, te Egmond aan Zee, of het vergaan van de visscherspink de Verwachting. Dichterlijk verhaal. Alkmaar 1849.

Eene politieke Satire of: ‘'t Is niet alles goud wat er blinkt’ benevens een drama: de Ultra's of de intriguanten, zoo conservatieven als liberalen. Alkmaar 1850.

Bloemen en vruchten. Haarlem 1851.

Dichterlijke toespraak bij de vereeniging van oud-studeuten te Leiden op 30 Augustus 1853. (Herdrukt in de Reisbeelden en Droomen bl. 119). Alkmaar 1853.

Welkomstgroet aan het Landhuishoudkundig congres binnen Alkmaar 21 Juni 1853. Alkmaar 1853.

Ter nagedachtenis van H. Tollens. Alkmaar 1856.

Fabelen en Satyren door Skirtopodes. Alkmaar 1857.

Reisbeelden, Droomen, enz. Alkmaar 1858.

Onze onsterfelijkheid gehandhaafd tegen de materialistische Natuurkunde van onzen tijd. Alkmaar 1858.

Vluchtige schetsen van het kristallen paleis te Sydenham. Eene voorlezing gehouden in 't Natuur- en Letterkundig Genootschap S.N.S.S. Alkmaar 1859.

Het kasteel Hampton-court nabij Londen in den zomer van 1858 bezocht. Alkmaar 1859.

Objectieve en Subjectieve poëzy; Historische, dramatische en losse gedichten. Amsterdam 1860.

Indrukken en avonturen op eene reis door Italië in 1861. Schoonhoven 1862.

Nieuwe Fabelen en Satyren van Skirtopodes en zijn vriend. Amsterdam 1868.