Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1894


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1893-1894. E.J. Brill, Leiden 1894  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 369]

Levensbericht van Jakob Gijsbert de Hoop Scheffer.

Is het moeilijk een waardig verslag te geven van den levensloop, de werkzaamheden en het karakter van een man als de Hoop Scheffer, die, afkeerig van alle uitwendig vertoon, niet streefde naar roem bij de menschen, maar zich onderscheidde door wetenschappelijke degelijkheid, huiselijke deugden en een innig, maar verborgen gemoedsleven, toch heb ik het gewaagd, die taak op mij te nemen. Ik heb het gewaagd in de verwachting, dat eensdeels onze meer dan vijftigjarige vriendschapsband, in den onbezorgden studententijd geknoopt en tot het laatst toe vast en sterk gebleven, - dat anderdeels verschillende opstellen van zijne leerlingen en vrienden, aan zijne nagedachtenis gewijd, - en dat eindelijk belangrijke mededeelingen, mij door zijne nagelatene betrekkingen bezorgd, mij daarbij tot steun zullen verstrekken. Ik wensch daarbij die soberheid in acht te nemen, welke de Overledene zoozeer op prijs stelde. Intusschen mogen eenige bijzonderheden uit zijne kindsheid en jeugd niet onvermeld blijven, om te doen zien, hoe hij onder den invloed zijner opleiding en zijner zelfstandige vorming geworden is, wat hij later geweest is voor de

[p. 370]

wetenschap, voor zijne huisgenooten en voor zijne vrienden.

Jakob Gijsbert de Hoop Scheffer werd geboren te 's-Gravenhage den 28sten September 1819 als de jongste zoon van den heer Johannes Scheffer, die den 25sten October 1791 ter wereld kwam en reeds den 27sten Mei 1823 door den dood aan zijne echtgenoot en kinderen werd ontrukt. Hij was ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken en gehuwd met mejuffrouw Agatha Carbasius, die in 1792 het licht aanschouwde en in 1871 overleed. Van twee oudere broeders van Jakob Gijsbert kwam éen, namelijk Cornelis, geboren in 1816 en ingenieur van scheepsbouw, in Nederlandsch Indië, en de tweede, namelijk Pieter, geboren in 1818 en ontvanger van registratie, te Amsterdam te sterven, terwijl zijne beide zusters, mevrouw Agatha Scheffer, weduwe Jansen, geboren in 1821, en mevrouw Christina Scheffer, weduwe Muller, geboren in 1823, nog in leven zijn.

Wèl behoorden de beide ouders van Jakob Gijsbert tot de Hervormde Kerk, maar zijne moeder, eene dochter van mr. Cornelius Carbasius en van Aagje Houttuijn, welke laatste Doopsgezind en met merkwaardige doopsgezinde geslachten vermaagschapt was, zou bij de kerkgemeenschap harer moeder gebleven zijn, indien zich in die dagen te 's-Gravenhage eene Doopsgezinde gemeente bevonden had. Aagje Houttuijn was in eerste huwelijk verbonden geweest met Cornelis de Hoop, en beider zoon, Jakob geheeten en gevestigd te Amsterdam, deed aan zijne half-zuster het voorstel om den vierjarigen Jakob Gijsbert, die naar hem en naar zijne vrouw genoemd was, tot zich te nemen en voor zijne opleiding te zorgen, 't geen de weduwe, door het vroegtijdig verlies van haren echtgenoot zoo diep getroffen, niet van de hand mocht wijzen.

[p. 371]

Hierdoor opende zich een nieuw tijdperk in de levensgeschiedenis van Jakob Gijsbert. Zijn pleegvader was een man van meer dan gewone ontwikkeling, een ijverig lid van de Doopsgezinde gemeente en tevens het type van een ouderwetschen Amsterdamschen koopman, zich onderscheidend door aristocratische deftigheid en ongemeene minzaamheid, door godsdienstigen ernst en opwekkenden humor. Groot was zijne belangstelling in kunst en wetenschap, en toen hij in 1824 de handelszaken had laten varen, legde hij zich toe op de vaderlandsche letterkunde, beoefende met goed gevolg de dichtkunst en leverde in de ‘ Letteroefeningen’ boekbeoordeelingen, die van een zuiveren smaak en van een scherpzinnig oordeel getuigen. Zelf kinderloos, was hij voor zijn pleegzoon een uitstekend onderwijzer en opvoeder. Hij gaf hem onderricht in het lezen, schrijven en rekenen en deed hem elken Zondag na kerktijd de lijst der Bijbelboeken, de Tien Geboden, het Onze Vader en de twee-en-dertig windstreken van het kompas opzeggen, waarbij later eenige regels uit Vondels ‘Gijsbrecht van Aemstel’ werden gevoegd, met de belofte, dat de jeugdige leerling dat treurspel zou zien opvoeren zoodra hij het geheel van buiten had geleerd. Aan deze voorwaarde en ook aan die belofte werd voldaan.

Daar de jeugdige Jakob Gijsbert geen omgang had met knapen van zijn leeftijd, moest de leiding en ook het voorbeeld van zijn pleegvader een beslissenden invloed hebben op zijn karakter. Aan dezen smaakvollen man ontleende hij zijne liefde voor de Nederlandsche letteren, - aan dezen belangstellenden Doopsgezinde zijne neiging om zich later aan het leeraarsambt te wijden. Zijn gunstige aanleg ontwikkelde zich voorspoedig door oefening van het geheugen en door vermeerdering van zijne kennis.

[p. 372]

Bij dit laatste kwam de rijk voorziene boekerij van zijn pleegvader hem uitmuntend te stade, en deze had voor hem zooveel aantrekkelijks, dat hij nauwlijks taalde naar de gewone uitspanningen van den kindertijd. Zelfs kwam er weinig verandering in dien toestand, toen hij op zevenjarigen leeftijd ter schole werd gezonden bij Engelberts Gerrits te Amsterdam, waar hij tot het voorjaar van 1833 zich toelegde op de kennis der nieuwe talen. Na dien tijd sleet hij de zomermaanden te Leersum bij Amerongen, waar zijne pleegouders eene buitenplaats hadden betrokken, drie jaren later vervangen door Broekhuizen, dat als zomer- en winterverblijf werd bewoond.

Steeds waren het bezigheden van letterkundigen aard, die Jakob Gijsbert buiten de schooluren hielden geboeid. Op tienjarigen leeftijd beijverde hij zich om de rijmkroniek van Melis Stoke in de thans gebruikelijke taal om te zetten en hij voltooide dien arbeid op den 26sten October 1831. Voorts wijdde hij menig uur aan de lezing der gedichten van Spieghel, Hooft, Huygens, Vondel en Antonides, alsmede aan die der zangers van den nieuwen tijd, zooals Helmers, Bilderdijk, Loots, Nieuwland, Staring en de beide van Lennep's, terwijl hij van Tollens vooral het gedicht: ‘De Overwintering der Hollanders op Nova Zembla’ op prijs stelde. Wijders leverde hij vertalingen en opstellen over geschiedenis - vooral Bijbelsche geschiedenis -, bracht nasporingen op schrift omtrent dorpen en kasteelen in den omtrek van Leersum en Amerongen en maakte in 1834 een aanvang met het schrijven van een roman uit den tijd van Floris van Egmond (het einde der 13de eeuw) naar gegevens van Melis Stoke en voltooide dien na ruim twee jaar in een tweetal lijvige deelen, die echter niet in het licht zijn verschenen.

Inmiddels was voor hem, volgens zijn vurigen wensch

[p. 373]

bestemd voor de studie der theologie, de tijd aangebroken, waarin hij zich moest toeleggen op de kennis der oude talen. Terwijl zijn pleegvader het minder doelmatig achtte, hem een gymnasium te doen bezoeken, werd hij toevertrouwd aan de leiding van dr. J.S. Lutgert, die vroeger zich met het onderwijs van den beroemden dichter en romanschrijver mr. Jacob van Lennep had belast en zijn nieuwen leerling ook later, gedurende diens studietijd te Amsterdam, bij zich hield. Dat Jakob Gijsbert onder dien leermeester uitstekende vorderingen heeft gemaakt in de kennis van het Latijn en Grieksch, is later duidelijk gebleken. In Juni 1837 deed hij met goed gevolg het admissie-examen, waardoor hij als student aan het Seminarium der Doopsgezinden en aan de Doorluchtige School te Amsterdam werd ingeschreven. Hij bezocht er de collegiën der hoogleeraren D.J. van Lennep, T. Roorda en N.G. van Kampen en later (voor de theologie) die der hoogleeraren S. Muller, W. Cnoop Koopmans, G.J. Rooijens en Abraham des Amorie van der Hoeven.

Had hij bij dr. Lutgert, om zoo te spreken, kost en inwoning, zoodat hij eenigszins verwijderd bleef van het gewone studentenleven, hij won daardoor de gelegenheid om zijne meest geliefde studiën regelmatig en met nauwgezetheid te blijven behartigen. Hij zonderde zich echter geenszins af van het studentenverkeer, maar nam daaraan deel, waar het hem uitzichten opende tot vermeerdering zijner kennis of waar de klank van gelijkgestemde gemoedssnaren weerklank bij hem wekte. Hij behoorde namelijk tot de ijverigste leden der studentengezelschappen E.T.E.B.O.N. en N.E.K. Omtrent beide zij een en ander medegedeeld.

Het gezelschap E.T.E.B.O.N., in 1814 gesticht, telde

[p. 374]

nagenoeg alle studenten van het Doopsgezind en van het Remonstrantsch seminarium onder zijne leden. Ook Jakob Gijsbert werd in 1837 in dien kring opgenomen en in 1840 tot honorair lid benoemd. Op de wekelijksche vergaderingen vond hij - behalve de later te noemen leden van N.E.K. - C. Sepp, die er den voorzittershamer voerde en met wien hij later door den band der wederzijdsche vriendschap verbonden bleef, S. Hoekstra Bz., van der Goot, Bonk, P. Brouwer, Herman de Ridder, J. Sybrandi, N. Scheltema enz., en met belangstelling nam hij er deel aan de werkzaamheden. Door de welwillendheid van den heer M. Honigh te Purmerend, thans secretaris van dat gezelschap, was het mij vergund, de notulen van die jaren in te zien, en uit hetgeen Jakob Gijsbert aldaar als improvisator en verhandelaar geleverd heeft, blijkt duidelijk, dat hij zich bij voortduring in dezelfde letterkundige richting bewoog. Ik zal kortheidshalve niet stilstaan bij de stukken zijner keuze voor het reciet, maar slechts vermelden, dat hij op verschillende vergaderingen improviseerde over Constantijn Huygens, over de zonnevlekken, over de volksromans en over de Provençaalsche poëzij, terwijl van zijne verhandelingen worden vermeld: Jan van Renesse en diens lotgevallen, Gerbrand Adsz. Brederoo, het Hollandsche volkslied, en de volksroman Floris en Blanchefloer.

Ik heb gesproken van het studentengezelschap N.E.K. Dit werd gesticht in November 1838 korten tijd nadat de schrijver van deze biographie de Utrechtsche Academie verlaten had en als student aan het Seminarium der Doopsgezinden was ingeschreven. Met mij vereenigden zich in dien kring de studenten D. Harting, P. Leendertz Wz., J.G. de Hoop Scheffer en H.C.C. Dronryp Uges, die

[p. 375]

later door J. Kerbert vervangen werd. Deze nauw verbonden vriendenkring vergaderde wekelijks bij éen der leden en was gewijd aan de lezing der voornaamste dichtstukken uit den bloeitijd onzer letterkunde, aan het voordragen van 't geen deze of gene op 't gebied der poëzij vervaardigd had, aan het beoordeelen hiervan en aan eene improvisatie in dichtmaat. De boeten werden er met gedichten van bepaalde vormen en afmetingen onder den naam van boetverzen betaald en op den 17den November, den geboortedag van Vondel, werd de dies natalis van N.E.K. met grooten luister gevierd. Jakob Gijsbert, die er den N.E.K.-naam van Huygens droeg en ook later vele bijdragen met den naam Constanter onderteekende, bezocht steeds met geestdrift de vergaderingen van N.E.K. en schoon hij slechts zelden een door hem vervaardigd gedicht ter tafel bracht, wekte hij steeds de bewondering van zijne medeleden door zijne grondige kennis der oud-Nederlandsche letterkunde en door de scherpzinnigheid zijner kritiek. Afwisselend met mij trad hij meermalen op als secretaris van het gezelschap en de door hem gestelde notulen onderscheiden zich zoowel door een zuiveren stijl als door een gezonden humor.

Uit zijn studententijd te Amsterdam vermeld ik nog, dat hij ter katechisatie ging bij ds. J. Boeke, die door het toedienen van den doop hem opnam onder de leden van de Doopsgezinde gemeente te Amsterdam. Ook mag ik niet met stilzwijgen voorbijgaan, dat hij den 20sten April 1839 met zijn vriend P. Leendertz een aanvang maakte met het afschrijven van het handschrift der gedichten van P.C. Hooft, op de stadsbibliotheek te Amsterdam aanwezig. Hij verzamelde daarover tal van aanteekeningen, die hij later ter beschikking stelde van

[p. 376]

Leendertz, toen deze, ijverig werkende aan eene nieuwe uitgave der gedichten van Hooft, de hierop betrekkelijke, met zooveel moeite bijeengebrachte papieren door een fellen brand verloren had.

Bepaalde zich het verkeer van Jakob Gijsbert te Amsterdam hoofdzakelijk tot de leden van N.E.K. en E.T.E.B.O.N., ook de studenten van het Athenaeum waren daarvan niet uitgesloten. Tot den kring zijner kennissen behoorden vooral de beide van der Hoevens (Abraham en Martinus), J. Pijnappel, B.F. Matthes, P.G. te Winkel, J. Herderschee en J. Wijs. In den studentensenaat van het Doopsgezind en Remonstrantsch seminarium ‘Studia nos jungunt’ bekleedde hij in 1840 de waardigheid van ceremoniemeester (magister officiorum).

Bij het eindigen van den cursus van 1841-1842 was hij gereed om het proponents-examen af te leggen. Dit was echter in strijd met de plannen van zijn pleegvader. Deze, toen te Utrecht gevestigd, verlangde, dat Jakob Gijsbert zich derwaarts zou begeven, om de vereischte examens af te leggen tot het verkrijgen van den doctorsgraad in de theologie. Met het oog op die plannen had zijn pleegzoon reeds in Juni 1838 den hoogsten graad verworven bij het doen van het groot-mathesis-examen te Leiden, waarop hij in November 1842, desgelijks aan de Leidsche Academie, het propaedeutisch examen en ruim eene maand later te Utrecht het candidaats-examen aflegde, telkens met den hoogsten graad. Met belangstelling bleef hij de collegiën bezoeken der hoogleeraren Bouman, Vinke en Royaards, zoodat hij nog vóor de Paaschvacantie van 1843 het doctoraal examen aflegde en op den 28sten Juni daaraanvolgende het proponents-examen ten overstaan van curatoren der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit te Amsterdam.

[p. 377]

De promotie zou zijne loopbaan als student besluiten, en hij peinsde ernstig over een geschikt onderwerp voor zijne dissertatie. Volgens den wensch van professor Royaards bepaalde hij zich aanvankelijk bij ‘Paus Adriaan VI’, maar hij zag er van af toen hij gedurende zes weken een stapel van verschillende bronnen en bouwstoffen had doorworsteld. Een ander onderwerp trok hem aan, namelijk ‘De invloed der Rederijkers op de Hervorming’, maar toen hij tot op de helft met de bewerking gevorderd was, drongen zijne proponentsreizen en het beroep te Hoorn met de daaraan verbondene bezigheden hem om dien arbeid te staken. Hij bleef doctorandus totdat in 1870 de senaat der Leidsche Hoogeschool hem eershalve den doctoralen titel toekende.

Ook gedurende het Utrechtsche studiejaar kwamen zijne letterkundige neigingen meer dan eenmaal aan den dag. Hij kwam er al spoedig in aanraking met J.J.L. ten Kate, die reeds in een voorgaand jaar den N.E.K.-schen vriendenkring te Amsterdam had bezocht, met den medicus D.H. van Leeuwen en met J. Tideman, student in de letteren, en stichtte met hen een kring ter beoefening van de Deensche taal onder de spreuk: ‘Da jeg var lille’. Voorts bewerkte hij met Tideman eene keurige bloemlezing uit de werken van de Nederlandsche minnedichters der 17de en 18de eeuw, die onder den titel ‘ Cupido’ in 1844 het licht zag en in de tijdschriften van die dagen zeer gunstig beoordeeld werd. Ook nam hij deel aan de stichting der Vereeniging tot bevordering der oude Nederlandsche letterkunde, waaromtrent het volgende zij vermeld.

Terwijl dr. P.J. Vermeulen, archivaris te Utrecht, zich bezig hield met de uitgave van zijn ‘ Van den levene ons Heren. Een rijmwerk uit de Middeleeuwen’, besprak

[p. 378]

hij met J. Tideman, die zich als uitgever der ‘ Gedichten van Simon van Beaumont’ had doen kennen, het plan om zoodanige Vereeniging op te richten en daardoor de uitgave van Middel-Nederlandsche teksten te bevorderen. Laatstgenoemde vestigde toen de aandacht op zijn medestudent de Hoop Scheffer, die reeds in 1837 in de ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’ een voor dien tijd hoogst verdienstelijk opstel had geleverd onder den titel: ‘Iets over Lodewijk van Velthem en zijn Spiegel Historiaal’, waarna de Hoop Scheffer zijnerzijds wees op P. Leendertz als ijverig en grondig beoefenaar der Nederlandsche letterkunde. Tideman had reeds vroeger te Leiden, waar hem door het bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde de bewerking was opgedragen van een catalogus der in hare boekerij aanwezige verzameling van tooneelspelen, kennis gemaakt met M. de Vries. In overleg met dezen werd besloten, om nog een ander letterkundige, namelijk dr. W.J.A. Jonckbloet, tot uitvoering van bovengemeld plan uit te noodigen. Deze zes letterkundigen kwamen in het voorjaar van 1843 te Leiden bijeen, en de Vereeniging was gesticht, die behalve de ‘Verslagen en Berichten’ een zeventiental deelen met belangrijke Middel-Nederlandsche teksten het licht heeft doen zien. Hoewel de Hoop Scheffer, bij het aanvaarden van zijn predikambt met bezigheden overladen, weinig tijd overhield om aan Middel-Nederlandsche studie te wijden, betoonde hij steeds groote belangstelling in deze Vereeniging, werkte mede aan hare ‘Bijdragen’ en bleef de redactie-vergaderingen getrouw bezoeken. Dat hij die studie niet liet varen, blijkt voorts uit zijne beoordeeling van Jonckbloet's werk ‘ Over Middel-Nederlandschen epischen versbouw’, welke in ’Gruno, algemeen wetenschappelijk tijdschrift’ werd opgenomen. Zijn plan om den ‘ Spiegel

[p. 379]

Historiael’ van van Velthem of den ‘ Rijmbijbel’ van Maerlant onder handen te nemen, bleef onuitgevoerd.

Nadat de Hoop Scheffer een beroep had aangenomen naar de Doopsgezinde gemeente te Hoorn, deed hij aldaar zijne intrede op den 3den December 1843 en vond er in de predikanten Adama van Scheltema en Stemler vriendschappelijk gezinde ambtgenooten. Hij bleef er tot den 6den December 1846, en tot de merkwaardigste aangelegenheden van dat tijdperk behooren de redactie van den tweeden jaargang van ‘Braga’ en zijn huwelijk.

Te Utrecht woonde hij bij Essenberg op 't Steenweg in hetzelfde huis als J.J.L. ten Kate en bleef door dezen en door mij geheel op de hoogte van alles wat den eersten jaargang van het ‘Tijdschrift heel in rijm’ betrof. Toen dit met het einde van 1843 werd gestaakt, wist de uitgever den letterlievenden de Hoop Scheffer, dien hij inmiddels had leeren kennen, tot het leveren van een tweeden jaargang over te halen. Daar ik alle hierop betrekkelijke bijzonderheden in de inleiding vóor mijne jongste uitgave van ‘Braga’ heb medegedeeld, meen ik hier te kunnen volstaan met de vermelding, dat de Hoop Scheffer in den luitenant-ingenieur H. Kretzer een ijverigen medewerker vond, maar tevens zich genoodzaakt zag, om bij het nazien van diens bijdragen als omwerker op te treden, zoodat menig stuk eene volslagene verandering onderging. De pogingen van den uitgever, om den redacteur tot het bezorgen van een derden jaargang te bewegen, bleven dan ook vruchteloos.

De tweede jaargang van ‘ Braga’ was nog niet voltooid, toen het aangenaam vooruitzicht zich voor hem opende, om door eene echtverbintenis met mejuffrouw Anna Petronella Russel Boerlage het ongezellig kamerleven met het verkeer in een gezelligen huiselijken kring te

[p. 380]

verwisselen. Hoezeer hij zich daarin verheugde, blijkt uit een brief, gedagteekend uit Hoorn den 31sten Maart 1845, dien ik te Tjalleberd van hem ontving. Daarin schreef hij o.a.: ‘Maar laat me van iets anders redeneeren, waarmede hoofd en hart meer vervuld zijn. Daar heb je de verbeelding weêr met haar tooverlantaarn, die mij duizenden van de bekoorlijkste beelden zien laat. Morgen misschien al getrouwd? vraagt ge. Antwoord: Neen, maar morgen ga ik mijne lieve halen van Amsterdam, werwaarts de Oude Lui haar brengen. Dan brengt zij hier een paar dagen door om een en ander in mijne gehuurde woning te regelen, en vrijdag snellen we naar Monnikendam om aldaar aan te teekenen. Dáar blijven we het eerste gebod over, dan naar 's-Hage voor het tweede gebod, en ten slotte, aan het einde van al de reizen, trouwen we te Monnikendam apparentlijk 17 April, misschien den 16den. Of ge dus uwe lier stemmen kunt! Of ge bruiloftsverzen maken zult!

‘Om je een en ander van dienstwerk enz. mede te deelen, daar staat mij het hoofd niet naar: ik ben zoo jolig als een pas ontgroende gans.’

Reeds in 1846 ontving de Hoop Scheffer een beroep naar de stad Groningen en aanvaardde er het leeraarsambt op den 6den December van dat jaar. Hier vond hij meer bevrediging voor zijn wetenschappelijk streven in zijne toetreding tot den kring; die het vrijzinnig tijdschrift ‘ Waarheid en Liefde’ in het licht deed verschijnen, waartoe in de eerste plaats de hoogleeraren Pareau, Hofstede de Groot en Muurling behoorden.

Schoon hij er wegens zijne gaven als kanselredenaar en wegens zijn minzamen omgang door de gemeenteleden en zijne verdere vrienden als het ware op de handen gedragen werd, toch was een beroep naar de Doopsgezinde

[p. 381]

gemeente te Amsterdam hem geenszins onwelkom. Hij nam afscheid van die te Groningen op den 28sten October 1849 en deed den 11den November daaraanvolgende zijne intrede te Amsterdam. Hier, waar hij zijne kindsheid en jeugd en bijna zijn geheelen studententijd had doorgebracht, gevoelde hij zich volkomen te huis. Hij vond er oude vrienden en knoopte er nieuwe betrekkingen aan. Al wat deze stad merkwaardigs opleverde op oudheidkundig en wetenschappelijk gebied, was hem bekend en boezemde hem eene levendige belangstelling in. Geen wonder, dat hij zich hier gelukkig gevoelde.

Dat geluk was echter niet onvermengd. Het uitspreken van zijne degelijke en zorgvuldig gememoriseerde leerredenen had een ongunstigen invloed op zijn zenuwgestel. Meer en meer begon hij op te zien tegen het beklimmen van den kansel. Hiervan werd hij echter aanvankelijk grootendeels en later geheel ontslagen, toen hij zich in 1859 in plaats van wijlen dr. J. van Gilse benoemd zag tot hoogleeraar aan het Seminarium der Doopsgezinden. Hij aanvaardde die betrekking op den 18den Januari 1860 met het uitspreken van eene redevoering ‘De providentia divina Teleiobaptistas Neerlandicos ab exitio vindicante’, later door hem vertaald en in het licht gegeven onder den titel: ‘De Doopsgezinde broederschap in Nederland voor vervloeiing en ondergang bewaard’. Zijn ambt noopte hem, om voortaan met den hoogleeraar Hoekstra zijne krachten te wijden aan de opleiding van toekomstige Doopsgezinde predikanten, en die beide begaafde mannen bleven tot het laatst toe door den band der hartelijke vriendschap verbonden. Terwijl Hoekstra de wijsgeerige vakken voor zijne rekening nam, bepaalde zich de Hoop Scheffer tot het doceeren van kerkgeschiedenis, van uitlegkunde van het Oude en Nieuwe Testa-

[p. 382]

ment en van de predikkunde. Toen voorts het Athenaeum te Amsterdam verheven werd tot eene gemeentelijke universiteit, werd hij ook aan deze instelling tot hoogleeraar benoemd. Toen hij in 1885 zijn zilveren professoraat vierde, zag hij zijne vrienden en leerlingen aan den feestdisch rondom hem vereenigd en ontving hij in dicht en ondicht veler hartelijke hulde, en toen hij aan het einde van den cursus 1889-1890 den zeventigjarigen leeftijd had overschreden, maakte eene eervol emeritaat een einde aan zijne openbare bediening.

 

De Hoop Scheffer heeft veel - verbazend veel gewerkt. De lange lijst der door hem in het licht gezonden geschriften, achter deze levensschets geplaatst, is daarvoor slechts een flauw bewijs. Immers wat hij deed, volbracht hij met de grootste nauwgezetheid. Afkeerig als hij was van alle vluchtigheid, oppervlakkigheid en uitwendig vertoon, waagde hij zich aan geen onderwerp, dat hij niet volkomen machtig was, en zelfs waar hij de bewustheid had van deze macht, eischte hij voor zich zelven een nauwkeurig en onpartijdig onderzoek van alle beschikbare bronnen. De oud-Hollandsche opvoeding in zijn kindertijd had hem gewend aan oud-Hollandsche degelijkheid en deze was een ondelgbare trek van zijn karakter geworden. Dit in aanmerking nemende, moet men verbaasd staan over zijne uitgebreide werkzaamheid.

Reeds heb ik melding gemaakt van zijne bijdragen in de ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’, in de ‘Verslagen en Berichten’ van de Vereeniging tot bevordering der oud-Nederlandsche letterkunde, in ‘ Braga’ en in ‘ Gruno’. Hij leverde voorts opstellen in ‘Waarheid en Liefde’, in grooten getale in ‘ De Navorscher’, waarvan hij van 1856 tot 1859 hoofdredacteur was, en vooral in de ‘ Doops-

[p. 383]

gezinde Bijdragen’, die hij van 1870 tot aan zijn dood redigeerde. Wijders werden vele studiën van zijne hand opgenomen in ‘ De Gids’, in het ‘ Kerkhistorisch Archief’ van N.C. Kist en W. Moll, in de ‘ Studiën en Bijdragen op 't gebied der historische theologie’, van 1866 tot 1880 door hem en W. Moll geredigeerd, in den ‘ Volksalmanak’, uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en gedurende vijf-en-twintig jaren aan zijne zorg toevertrouwd, in de ‘ Dietsche Warande’, in de ‘Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen’, in de ‘Real-Encyklopädie für protestantische Theologie und Kirche’, in de ‘Jaarboeken der universiteit van Amsterdam’, in het ‘Theologisch Tijdschrift’, in de ‘ Nieuwe Rotterdamsche Courant’ enz. Voorts werden gedichten van zijne hand opgenomen in den ‘Muzenalmanak’, in den ‘Amsterdamschen Studentenalmanak’ en in de ‘Nutsalmanakken’, terwijl eene nieuwe berijming van eenige Psalmen in den ‘Zondagsbode’ eene plaats vond. Groot was voorts zijne ingenomenheid met de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit, en van 1861 tot 1889 leverde hij als secretaris haar jaarverslag. Van ‘ Cupido’ en van zijne redevoering bij het aanvaarden van het professoraat heb ik reeds gesproken. Tot de gedrukte toespraken behooren nog die bij de herdenking van het tweehonderdjarig bestaan van het weeshuis der Doopsgezinde Collegianten, genaamd ‘De Oranjeappel’, en die bij de viering van het vijf-en-zeventigjarig bestaan van E.T.E.B.O.N. Met onverpoosde vlijt heeft hij in twee deelen een ‘Inventaris’ geleverd der archiefstukken, berustende bij de Vereenigde Doopsgezinde gemeente te Amsterdam, alsmede, desgelijks in twee deelen, een ‘Catalogus’ van de wél voorziene boekerij dier gemeente. Zijn hoofdwerk echter, dat hem tot

[p. 384]

onvergankelijken roem verstrekt, is zijne ‘ Geschiedenis der Kerkhervorming in Nederland van haar ontstaan tot 1531’. Het werd eerst bij gedeelten geplaatst in de ‘Studiën en Bijdragen op 't gebied der historische theologie’ en in 1873 afzonderlijk uitgegeven en genoot in 1886 de eer eener vertaling in het Hoogduitsch door dr. P. Gerlach onder den titel: ‘Geschichte der Reformation in den Niederlanden von ihrem Beginn bis zum Jahre 1531’. Dit geschrift, in boeienden stijl opgesteld en met een schat van aanteekeningen voorzien, getuigt van de ongemeene belezenheid en ijverige bronnenstudie van den schrijver en verspreidt een helder licht over een weinig bekend tijdperk der kerkgeschiedenis.

Als lid van Teylers eerste Genootschap ontving hij ter beoordeeling menig antwoord op de door dat Genootschap uitgeschreven prijsvragen en zijne medebeoordeelaars waren gedurig in de gelegenheid om in het door hem geleverd verslag zijne uitgebreide kennis, zijn scherpen blik en zijn helder verstand te bewonderen. Hij genoot het voorrecht, dat hij tot den dag van zijn overlijden in het bezit bleef van zijne voortreffelijke geestesgaven. Tot zijne laatste werkzaamheden op letterkundig gebied behoort het nazien en wijzigen der liederen, door ds. J. Sepp te Beverwijk voor een nieuw gezangboek bestemd. Wegens hoogen leeftijd had hij geweigerd, in de commissie ter samenstelling van dat gezangboek zitting te nemen, maar aan deze zijn steun toegezegd. Omstreeks veertig liederen zijn door hem in gereedheid gebracht.

Behalve door veelvuldig redactiewerk werd een gedeelte van zijn tijd in beslag genomen door onderscheidene bestuursplichten. Hij was zoowel te Groningen als te Amsterdam bestuurder van het Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen, voorts lid van het Hoofd-

[p. 385]

bestuur der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, regent van het weeshuis ‘De Oranjeappel’ en van het ‘Rozenhofje’, waarvan hij de belangen door een getrouw bezoek der regentenvergaderingen met ijver bevorderde, van 1862 tot 1868 hoofdbestuurder van het Nederlandsch Bijbelgenootschap, medestichter en medebestuurder van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap en van de Vereeniging in 't belang van de weezenverpleging enz. Voegt men hierbij de bezigheden van zijn hoogleeraarsambt en zijne uitgebreide, steeds met spoed en nauwgezetheid gevoerde briefwisseling met leeraren en kerkeraden, die raad en steun bij hem zochten, dan komt men op de gedachte, dat de kunst om de dagen te verdubbelen voor hem geen geheim is geweest.

Kleedde hij in zijne leerredenen het logisch betoog, de uitkomst van ernstig onderzoek, gezet nadenken en milde vroomheid, steeds in een aangenamen, dichterlijken stijl, zoodat hij als predikant een diepen indruk maakte op zijne hoorders, - wist hij als hoogleeraar door de degelijkheid zijner collegiën en de waardigheid van zijn toon het ontzag en door zijne groote humaniteit de liefde van zijne leerlingen te winnen, hij genoot tevens het voorrecht, dat zijne verdiensten als beoefenaar der wetenschap in ruimen kring werden erkend. Te meer mag dit worden gewaardeerd, omdat hij, zooals ik reeds heb aangeduid, afkeerig was van alle uitwendig vertoon. Niet alleen schonk de senaat der Leidsche Hoogeschool hem eershalve den doctorstitel, maar hij zag zich ook in den aanvang van 1890 benoemd tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw. Voorts werd hem het lidmaatschap opgedragen van het Historisch Genootschap te Utrecht, van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, van het Friesch, Zeeuwsch en

[p. 386]

Provinciaal Utrechtsch Genootschap, van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, van Teylers eerste Genootschap en van de Historical Society of Philadelphia.

 

Om eene voorstelling te geven van het karakter van de Hoop Scheffer, om te doen zien, welk eene plaats hij verworven had in de harten van allen, die hem kenden, wensch ik te beginnen met de mededeeling van eenige fragmenten uit de ontboezemingen, die zijne leerlingen na zijn overlijden hebben openbaar gemaakt. In de ‘Zondagsbode’ van 7 Januari 1894 schreef ds. S. de Waard o.a. het volgende: ‘Onvergetelijk zal mij deze leermeester blijven, maar onvergetelijker nog de raadsman, de vriend, die in de jaren, toen de practijk van het leven gekomen was, mij, den jongere, immer met welwillendheid, met vriendelijke tegemoetkoming heeft bejegend. Dan leerde men eerst recht zijn helderen geest, zijne rijke ervaring, maar vooral zijn warm hart vol van toewijding waardeeren. Want de Hoop Scheffer gaf zich niet spoedig; vol van gezonden humor had hij toch niet een ‘sich ausbreitende Natur’; men moest eerst zoeken wederzijds naar aanhechtingspunten. En eerst wie zelven eens wat dieper in het leven hadden leeren zien, gingen dán begrijpen, hoeveel zij aan hem hadden. Vandaar die onverflauwde gemeenschap met schier allen, ook als zij zijne leerlingen niet meer waren, en die voortdurend aan vertrouwelijkheid en vriendschappelijkheid won. Maar hoe waren het dan in waarheid goede uren, die men bij hem doorbracht. Gij zoudt nooit een scherp of hekelend woord van hem hooren, slechts zeldzaam bij een plan, dat gij hadt, of een raad, dien gij vroegt, iets ontmoedigends vernemen. Dan kwam hij u met een hartelijk woord te gemoet, dan, bij zijn spreken

[p. 387]

met u over wat in intiemen kring uw deel was geweest of wat uw gemeente of der Broederschap aanging, dan raakte hij op dreef, dan tintelde zijn oog, dan was er fijne humor en goedheid, helderheid van doorzicht en zachtmoedigheid te gader in zijn oordeel over menschen en dingen, dan klonk zijn woord warm, en als gij dan van hem gingt met een bemoedigend woord, een oprechten vriendenhanddruk ten afscheid u gegeven, dan gevoeldet gij te doen te hebben gehad met een nobel hart, waarin waarachtige belangstelling was voor u en wat aan uw zorgen was toevertrouwd.’

Aan het opstel van den hoogleeraar Cramer, getiteld: ‘Ter nagedachtenis van professor Scheffer’ en geplaatst in de ‘Zondagsbode’ van 7, 14 en 21 Januari 1894 - een opstel, dat hoofdzakelijk indrukken weêrgeeft uit de laatste levensjaren van den Overledene, waarin kortademigheid en hoestbuien hem teisterden - ontleen ik het volgende: ‘Maar al zag men, dat het gaan ook binnenshuis hem al moeilijker viel, en al was zijn gehoor niet meer op groote samenkomsten berekend, in zijne stemmige, doodeenvoudige, onberispelijk keurige studeerkamer, dáar was en bleef hij geheel dezelfde van voorheen; zijn gelaat even waardig en minzaam, zijne houding even bedaard, maar ook zijn lach even gul, zijn toon even hoffelijk, zijn verhaaltrant even rustig. Dáar bleven de bekende briefjes even keurig, de hand even vast, de stijl even smaakvol. Dáar was hij steeds dadelijk met zijn rijkdom van kennis gereed, was zijn handdruk nog even goedgemeend, zijn oordeel nog even omzichtig, daar kon hij onbelemmerd zich geven zooals hij was: een braaf, en eerlijk man; een die zich zelven steeds volkomen meester bleef; onder wiens bedaard en selfpossessing uiterlijk een hart klopte niet alleen trouw

[p. 388]

en goed, maar veel warmer en inniger in zijne sympathieën en antipathieën voor menschen en beginselen en dingen dan menigeen mag hebben vermoed. Scheffer was zeker veelmeer stilzwijgend dan luidruchtig, eer bedaard dan levendig. Doch 't zijn alleen oppervlakkige zielen, die de luidruchtigheid, welke altoos zoo gemakkelijk uit en over zich zelve praat, voor 't bewijs van de grootste eerlijkheid houden, stilzwijgenheid voor teeken van het omgekeerde. Zij alleen verwarren drukte met warmte en meten den gloed van iemands hart naar de bewegelijkheid van gelaat of woorden af. Dezulken zouden zich in Scheffer ten eenenmale hebben vergist. Op de oppervlakte toonde zich van wat in zijn hart omging, ook van zijn godsvrucht, meestal weinig. Ten uiterste bang voor alles wat ook maar zweemt naar drukte en vertoon maken met hetgeen het heiligdom moet zijn van ieders eigen hart, was hij schroomvallig, om niet te zeggen terughoudend, waar 't gold zijn eigen gemoedsleven uit te spreken, tenzij zeker onder zijn huisgenooten. Misschien werkte de voorzichtigheid, hem eigen, daartoe mede; misschien zijne groote prijsstelling op onberispelijkheid van vorm en uitdrukking, die hem niet toeliet zich licht n ontboezemingen te laten gaan. Ons geloof - maar dat was immers, meende hij, iets dat ieder in zich zelf moet bezitten, waarmede anderen, waarmede de wereld niet het allerminste heeft uit te staan. Daarin menge zich dan ook niemand; dat zij bij ieder aan eigen levensgang, eigen ontwikkeling overgelaten. Angstvallige vrees voor godsdienstige propaganda, voor het opzet om in dezen op anderen eenigen dringenden invloed te oefenen; afkeer van al wat gelijkt op 't opleggen van iets godsdienstigs, en dus van hetgeen van oudsher het eigenaardige van alle kerken vormt, kenmerkten hem. Iemands

[p. 389]

leven, zijn doen en laten, dát alleen valt binnen het bereik van uwen blik, van uw oordeel: geef daarnaar iemand uw hart of ontzeg het hem. Daarop komt het ten leste aan!

Hiermede hing samen Scheffer's wantrouwen tegen alle orthodoxie, die hij licht verdacht van 't alléen te willen weten, van uitsluitings- en bekeeringszucht, van spoedig voldaan te zijn met het bezit van niet dan woorden en leeringen. Toch heeft hij wel tot op hoogen ouderdom onder zijne grootste vrienden orthodoxen geteld, aan wie hij met de meeste hoogachting en innige gehechtheid was verbonden; maar nooit anderen dan dezulken, van wie hij met de stukken kon aantoonen, hoe degelijk zij waren van karakter, hoe edel zij zich toen hadden gedragen, hoe ruim van blik en hart zij daarin zich hadden getoond. En nooit heeft hij op de rechtzinnigen onder zijne leerlingen invloed trachten te oefenen in de andere richting. Nooit heb ik nauwlettender eerbied voor ieders recht op eigen vrije beweging gevonden dan bij hem.’

De hoogleeraar Cramer, opmerkende dat een professor in de theologie zich niet met oppervlakkige kennis mag vergenoegen, voegt er bij: ‘Trouwens, wie denkt bij oppervlakkigheid aan Scheffer? Overdreven grondigheid en nauwkeurigheid, daarover veeleer heeft men zich soms bij hem beklaagd. Hoe hij zijn professoraat vervulde? Daar zijn er die 't nog altoos aan hem danken, dat zij in hunne preêken zich schamen zouden er maar op toe te praten, dat de ernst der taak hen nog steeds binnen eenige perken van logische en oratorische tucht en van het tekstwoord houdt. Daar zijn er, die zijne glasheldere uiteenzetting van exegetische moeilijkheden, zijne even duidelijke als scherpzinnige pogingen om die op te lossen,

[p. 390]

waarbij hij niet rustte eer iedere jota in den samenhang der gedachten verklaard was, nog niet hebben vergeten. Daar zijn er weêr anderen, wier belangstelling hij wekte door hetgeen hij uit zijn overvloed van kennis aangaande onze vroegste historie mededeelde; of die zijne lessen over practische godgeleerdheid, zoo ondoctrinair, zoo vol inzicht in wat der gemeente dient, vol gezond verstand en juisten smaak later nog wel opsloegen. Daar zijn er, wie een of andere wenk op 't reciet, meerderen wie de inhoud van een van die briefjes over schets of preêk niet meer uit 't geheugen is gegaan. Scheffer's kracht lag niet in dat imponeeren, dat bezielen, waardoor sommige academische docenten hunne hoorders winnen voor de beoefening van eenig vak van wetenschap of voor groote begînselen. Maar er viel van hem ontzachlijk veel te leeren. Namelijk voor hem, die zelf dat leeren wou. Maar ook voor dien alleen. Hij drong allerminst zijn onderwijs op. Zijne kracht lag allereerst in zijne hoeveelheid van kennis, maar dan ook vooral in zijne methode: de omzichtigheid van zijne historische onderzoekingen; de helderheid, waarmeê hij overal en altoos de hoofdvraag, die 't gold, duidelijk in 't oog vatte en scherp formuleerde; de orde en regelmaat van zijn betoogtrant.’

Omtrent zijne bemoeiingen met gemeenten en leeraren wordt voorts betuigd: ‘Ook in die betrekkingen liet Scheffer zich leiden door zijn onbegrensden eerbied voor de zelfstandigheid van ieder, wie dan ook. Eene gemeente moest al buitengewoon slecht doen, iemand moest al heel goddeloos handelen, zou Scheffer zich eenigen maatregel over of tegen hen veroorloven en hen niet hun eîgen weg laten gaan, dien zij verkozen te volgen. Zijn arbeid was voorts juist het tegendeel van alle piëtiste of methodiste werkzaamheid. Ook den minsten schijn van godsdien-

[p. 391]

stig leven op te dringen, op te leggen moest z.i. worden vermeden. Op zijne eigen wijze, langs zijn eigen weg moest overal godsdienstig leven ontwaken, zich ontwikkelen, zonder eenige inmenging of bemoeiing van buiten. Hij trok het oud-Doopsgezinde vrijwilligheids-beginsel wel tot in zijne uiterste gevolgtrekking door, gelijk hij ook, ja! man van regel, maar in 't minst geen man van eene bindende wet was. Geen wonder, dat velen in Scheffer niets hooger wisten te roemen dan zijne minzaamheid en zijne onuitputtelijke hulpvaardigheid.’

De hoogleeraar Cramer wijst voorts op bepaalde karaktertrekken van den Overledene en gedenkt: ‘Aan de omstandigheid dat hij, mennist tot in hart en nieren, zoo volkomen vrij was - zijne niet-menniste vrienden weten 't het best - van alle kerkgenootschappelijke bekrompenheid. Bij hem had innige liefde voor eigen aangewezen kring niets gemeen met liefde voor namen en vormen, ook niet met overschatting van de beteekenis van dien kring, evenmin als met gemis aan waardeering van personen of instellingen daarbuiten.

Hij heeft nooit voor ons genootschap geijverd, nooit iemand of iets daarvoor zoeken te winnen ten koste van andere.

Reeds zijne strenge rechtvaardigheid bewaarde hem daarvoor. Maar ook dit, dat hij steeds beginselen boven instellingen stelde. En evenzoo behoorde hij nog tot die, wil men, ouderwetsche liberalen, die wél met hun hart de traditie lief hebben, wél in het heden leven bepaald zooals dat uit het verledene is geworden, maar die toch tegelijk een open oog hebben voor hetgeen zich nieuws uit dat historisch gewordene heden ontwikkelt, een warm hart voor hetgeen reiner en beter opkomt om dat gewordene te vervangen. Was hij behoudend? Neen, maar

[p. 392]

bedachtzaam, voorzichtig, en bij al zijn historischen zin daardoor reeds losser van het bestaande dan menigeen, doordat naar zijn oordeel ten slotte niets, volstrekt niets anders dan degelijke kennis, ernstige arbeid, nederig, braaf en eerlijk te zijn, veel voor anderen over te hebben, de grondslagen zijn van alle ware levenswijsheid, ook van de allerhoogste.’

Wijders vestigt de hoogleeraar de aandacht op het rustige en harmonieuse in Scheffer's levensloop en zegt: ‘'t Was een uitvloeisel zeker mede van de zeldzame mate van orde en stiptheid, die hem kenmerkte in al zijn doen. Niet alleen in uitwendige dingen; hierin dat zijn dag zoo streng was ingedeeld, iedere bezigheid haar vasten tijd had, haar uur. Dat verklaart den omvangrijken arbeid, dien hij heeft verricht. Maar hem was die regelmaat zaak des harten; zij heerschte ook in datgeen, waarmede gemoed en geweten zijn gemoeid. Niets was hem meer vreemd dan verschillende dingen dooreen te behandelen, door eene tweede schrede op eenigen weg te beproeven voordat hij de eerste geheel ten einde toe had gedaan, dan voorbarigheid, dan al dat onzuivere doen en spreken met een half hart, met den blik reeds op iets anders, met afleiding van kracht. Hij heeft geene dingen gezegd die hij niet waar maken kon; heeft geene beloften gedaan eer hij wist dat hij ze vervullen kon; heeft geene gevoelens geuit, waarvan hij gevaar liep straks te moeten vragen: ben ik daarin wel echt, wel volkomen waar geweest? Zijne voorzichtigheid was eerlijkheid, was de vrees voor al wat niet degelijk is, niet echt en zuiver.’

Is voor de kennis van zijn karakter de redevoering belangrijk, waarin hij als plaatsvervanger van den rector magnificus dr. W. Berlin verslag gaf van de lotgevallen

[p. 393]

der Universiteit en vooral die, welke hij in 1885 uitsprak als aftredend rector-magnificus, er op wijzende, dat Amsterdam reeds in de 17de eeuw aanspraak had op de namen van Eleutheropolis en Irenopolis en dat nog altijd vrijheid en vrede de schutsengelen waren, wier bescherming den rijksten zegen en de uitnemendste kracht is voor hare instelling van hooger onderwijs, - bovenal openbaarde zich zijn vrijzinnige, ik zou haast zeggen Doopsgezind-republikeinsche geest in de redevoering, die hij in 1857 uitsprak als voorzitter van de Algemeene Vergadering der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Zij draagt tot opschrift: ‘Het Nederlandsch karakter der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen’. Daarin getuigt hij, dat bezadigheid, zucht tot orde en eerbied voor elkanders meeningen grondtrekken zijn van het echt Nederlandsch volkskarakter, dat de Maatschappij haren oorsprong ontleent aan den burgerstand, dien men hier te lande kende vóordat Frankrijk vermoedde, dat naast adel en geestelijkheid een derde stand het hoofd kon opsteken en mededingen naar de heerschappij, daarbij wijzende op mannen als Vondel, Rembrandt en de Ruyter, uit den burgerstand opgekomen, terwijl hij de overeenkomst in het licht stelt van de inrichting der Maatschappij met die der gilden, met die der kamers van rederijkers en vooral met die der Nederlandsche republiek onder het stadhouderlijk bewind. Aan het slot roept hij al de Nutsmannen op tot volharding in hun streven met de woorden: ‘Leve ze ook hier in ons midden, beziele ze ook deze bijeenkomst, brenge ze ons nader aan het doel, ons voor oogen. Volharding in de heilige taak u betrouwd; volharding in den strijd tegen al wat dáarbuiten ons tegenstaat, in den strijd tegen al het verkeerde en gebrekkige en zondige in ons zelven; volharding, niet roemend op

[p. 394]

eigen kracht, maar dankbaar aan God voor de kracht u verleend, en van Hem den zegen hopende, wachtende, biddende .… dat is echt Nederlandsch. O, we willen al het andere prijsgeven, indien maar daarin onze Maatschappij mag betoonen, dat ze eene dochter van Nederland is!’

Hoogst belangrijk is ook de karakterteekening, die ds. Jo de Vries in No. 2 van den jaargang van 1894 van ‘ Eigen Haard’ als bijschrift bij het portret van den Overledene geplaatst heeft. In keurigen stijl brengt hij hulde aan de verdiensten van de Hoop Scheffer en beschrijft diens studeerkamer, waarop hij deze regelen doet volgen: ‘Hier zat hij voor zijn schrijftafel en keerde zich naar u toe met een vol, bleek en, als het in rust was, waardig en koel gelaat, een gelaat, dat aandoeningen bedekken kon, maar dat ook - en dat werden wij gewaar! - aandoeningen uiten kon, want hoe menigmalen heeft zijn belangstelling, zijn ernstig luisteren, zijn zwijgend overleggen, zijn bedenkelijk twijfelen, zijn vroolijke spot, hoe menigmalen zijn gulle uit de diepte opgestooten lach dat gansche gelaat bezield, als de oogen begonnen te lichten en de mond kleine trekkingen kreeg bij de inspanning van de aandacht. Wanneer gij heengingt, dan stond zijn gansche gelaat in een soort van zonneschijn. Was hij blijde dat wij hem weêr aan zijn bezigheden lieten? Misschien. Wie zou het hem kwalijk nemen; maar ik heb het nooit bemerkt, ook niet in de dagen, waarin hij als hoofdbestuurder van het Nut vóor bijna dertig jaren mijne eerste schreden op het pad der letterkunde leidde en ik hem meer dan éen kostbaar uur moet hebben ontroofd. Hij liet u gaan alsof hij blijde was geweest u eens weer te zien, en ik geloof waarlijk dat hij het ook inderdaad was. Wat is er in die studeerkamers,

[p. 395]

die de Hoop Scheffer achtereenvolgens als hoogleeraar heeft betrokken, al afgehandeld; wat al menschen kwamen hem spreken en wat al menschen stond hij te woord in zijn spreekkamer! Van hier uit liepen onzichtbare draden naar nog onzichtbaarder personen, geniussen van hulpvaardigheid, die hij zijne ‘vrienden’ noemde en die wij met evenveel recht onze vrienden mochten noemen, als zij ons hielpen aan pastorieën, kerken, steun voor verongelukte en aan lager wal geraakte gemeenteleden, kleine douceurs voor menschen, die van bekrompen middelen groote gezinnen moesten onderhouden.

‘In den kleinen, gezelligen kring van genootschappen, op vergaderingen, in commissies, bij rustige conferencies was hij niet minder thuis dan op zijn studeerkamer, ja, zóo weinig was hij de afgetrokken geleerde, dat hij niet alleen door zijne kennis, zijn stiptheid, zijn geheugen, zijn schrander oordeel, zijn op alles verdacht en alles berekenend beleid in menige vergadering eene eerste plaats innam, maar ook dikwijls door aanhouden, door voorzichtig overleg de zaken zóo wist te leiden als hij ze wenschte, en aan het eind of - zoo de ernst der zaak het gedoogde - te midden der werkzaamheden zijn medeleden bovendien nog vergastte op een snedig woord van den aangeboren humor, waarmede de natuur hem gezegend had, of op een dier komische anecdoten, waarvan hij steeds een onuitputtelijken schat in voorraad had.

‘In het een en het ander, in zijn verkeer met menschen, jongen en ouden, gemeenteleden en studenten, leden van vergaderingen en commissies, was hij, bij zijn stillen aard, bij zijne gezellige neigingen, eenvoudig, vriend van den vrede, ernstig waar het de hoogste belangen gold van godsdienst en hooger leven, liberaal met

[p. 396]

vermijding van de uitersten, waardig, hulpvaardig en rijk aan al de deugden, die een vreedzaam karakter medebrengt. Vol liefde voor al wat Doopsgezind was, was hij om zijn afkeer van alle pralerij, grootspraak, hoogdravendheid en gemaaktheid misschien de beste type van wat de Doopsgezinde vaderen eenmaal onderscheidde. Zoo ooit zijne leerlingen in opgeschroefde taal heil zoeken, zij zullen den geest van de Hoop Scheffer voor zich zien oprijzen, zij zullen den goedigen spot hooren over hun malligheid en den gullen lach zich moeten getroosten van den man van eenvoudige en sobere nagedachtenis, die ernstig was en toch niet deftig - al mocht hij sommigen zoo schijnen -, die degelijk was zonder vertoon, en vol van de innigheid van een diep en rijk inwendig leven’.

Dat zijne leerlingen hem niet vergeten, moge blijken uit eene redevoering, door ds. Elhorst van Arnhem den 18den Juli 1894 gehouden op de vergadering der Zwolsche Vereeniging van Doopsgezinde gemeenten. In welsprekende taal schetste hij den Overledene als den geleerde, aan wiens onderzoekingen wij zooveel kennis van de geschiedenis der Doopsgezinden te danken hebben, als den kunstenaar, wiens meesterschap over de taal in zoo vele zijner geschriften bleek, maar bovenal als den wachter van onze gemeenten, den vaderlijken vriend en herder van studenten en predikanten en als de vraagbaak van gemeenten en personen in alle moeilijke omstandigheden.

Was de Hoop Scheffer door ambtsplicht en studiegeest gebonden aan zijn studeervertrek, waar hij zich in zijne belangrijke nasporingen verlustigen kon, - was hij ook innig gehecht aan de Amstelstad, binnen wier singels hij zich geheel te huis gevoelde, toch had hij een open oog voor de schoone natuur. Door zijn vertoef te Leersum

[p. 397]

en op Broekhuizen was hij met haar vertrouwd geworden. Had het zijne eigenaardige bezwaren, in den zomer met geheel zijn huisgezin naar buiten te trekken, en was hij te zeer aan de zijnen gehecht om zich alleen op reis te begeven, toch heeft hij op voorschrift van zijn geneesheeren meer dan éen herstellingsoord bezocht. Zoo begaf hij zich in 1873 naar Boppard aan den Rijn, in 1874 naar Liebenstein in Thüringen, in 1875 naar Carelshaven bij Delden en in 1881 naar Beurig aan de Saar bij Trier. Telkens smaakte hij een ongekend genot. Gaarne deed hij groote wandelingen en zocht gedurig nieuwe wegen, om deze bij zijn terugkeer nog eens na te gaan op de kaart. Hij kende al de gewassen, en elke bijzonderheid boeide zijne aandacht. Als hij vervolgens, door de frissche buitenlucht verkwikt, zich weer vestigde in zijne woning te Amsterdam, dan bleek het, dat niemand meer en juister dan hij alle bijzonderheden van den tocht in het geheugen had bewaard.

Intusschen bezorgden hem zijne huis- en studeerkamer het reinste en hoogste genot, zoodat hij als liefhebbend echtgenoot en vader en als man van wetenschap ieder uur, elders doorgebracht, schier een verlies rekende. Hij was dan ook geen lid van eene sociëteit, zelfs niet van Artis. Schoon zeer ingenomen met goede muziek en bezield met groote belangstelling in het Nederlandsch Tooneel, zoodat hij met kracht de stichting der Tooneelschool bevorderde, bezocht hij noch concerten, noch schouwburgen. Exposities van schilderijen, teekeningen en oudheden konden echter rekenen op zijne belangstelling, zoodat hij tot de getrouwe bezoekers behoorde der tentoonstellingen van Arti et Amicitiae en tot de ijverige leden van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Van dit laatste was hij mede-oprichter en meermalen

[p. 398]

voorzitter. In het algemeen was hij met schoone kunst ongemeen ingenomen, terwijl het onschoone in slordige en gemaakte stijlisten en in kreupelrijmers hem met ergernis vervulde. Door de lezing van de voortbrengselen der oude en nieuwe dichters van verschillende volken was zijn dichterlijke aanleg ongemeen ontwikkeld, doch het scheen, dat het ideaal van een goed gedicht bij hem zóo hoog stond, dat hij bij het vervaardigen daarvan zóo veeleischend was, dat hij zich slechts zelden hieraan waagde. Talrijk zijn echter de geestige, humoristisch getinte verzen, zoowel Latijnsche als Nederlandsche, waarmede hij nu en dan zijne vrienden begroette. Om den opgewekten en vernuftigen trant te doen kennen, waarin hij ze schreef, deel ik een mede, dat ik op mijn zeventigsten verjaardag van hem ontving. Het is van den volgenden inhoud:

 
Al de zeventig zeventigers waren mannen met eere,
 
Toen zij te Alexandriëu of daaromtrent
 
Coulant weg vertaalden heel 't Oude Testament; -
 
Ook zijn de zeventigers linieschepen met eere,
 
Als zij vlug in 't zeilen, gezond, welgedaan,
 
Krachtig de vloot van den vijand verslaan; -
 
Zelfs zijn vijfpercents zeventigers effecten met eere,
 
Een fatsoenlijk sieraad voor uw ijzeren kist,
 
Gezocht als geldbelegging bij elken kapitalist; -
 
Wie waagt het dan ooit op zeventigers te choqueeren?
 
Maak gij maar allen beneden en boven de zestig beschaamd
 
En wees zulk een zeventiger zóo gezocht, zóo gezond, zóo befaamd.

Toen ik hem voorts op zijn laatsten verjaardag in eenige versregels mijn gelukwensch had gebracht, ontving ik het volgend antwoord:

 
Hoe boeiend zong de grijze bard van Lisse!
 
Hoe ruischte 't lied van lang vervlogen tijd,
 
Van vriendentrouw .… ja, onverganklijk is ze,
[p. 399]
 
Waar hij het hart, het warme hart aan wijdt.
 
Verwacht geen antwoord uit het kille noorden,
 
Dat waardig zij zóo liefelijk een klank;
 
Maar neem, in plaats van zangen en van woorden,
 
Een handdruk aan, die zegt: Heb dank! heb dank!

De Hoop Scheffer gevoelde zich bovenal gelukkig in den kring van zijn huisgezin. Hij genoot het onschatbaar voorrecht, dat hij zijne innig geliefde echtgenoote, met wie hij in April 1845 in het huwelijk trad, tot aan zijn dood toe aan zijne zijde behield. Zij, niet minder huiselijk dan haar man en om zoo te spreken met hem eene sympathieke eenheid, schonk hem een tiental kinderen, van welke twee zonen en drie dochters, wier ontwikkeling hij met zorgvuldig beleid bewaakte en bestuurde, nog in leven zijn. Met hartelijke liefde door de zijnen gehuldigd, bemind door zijne vrienden, gewaardeerd door de mannen der wetenschap, ingenomen met zijn ambt en in de gelegenheid om zijn zucht tot onderzoek in ruime mate te bevredigen, mocht hij meer dan iemand de zegeningen van ons ondermaansch bestaan genieten. Wèl had hij op gevorderden leeftijd met kortademigheid en zware hoestbuien te worstelen, maar telkens kwamen er dagen van beterschap en zijn optimistisch gemoed deed hem zijne opgeruimdheid behouden. Met recht kan men zijn leven met een zonnigen lentedag vergelijken.

Maar ook een lentedag, hoe schoon hij wezen moog, heeft zijn avond. Deze verscheen, onverwacht voor zijne huisgenooten en vrienden, op den 31sten December 1893. Daags te voren ontving ik zijn laatsten brief, gedagteekend 29 December, waarin hij o.a. schreef: ‘Houd u zoo krachtig als tot nog toe en verkwik den huiszittende met uw bezoeken’. Nog altijd was zijn schrift even keurig, zijne hand even vast als te voren, en weinig kon

[p. 400]

ik vermoeden, dat hij reeds daags na die ontvangst door den dood zou worden weggerukt.

Omtrent zijn verscheiden meldt de hoogleeraar Cramer het volgende: ‘Op Donderdag 28 December overviel hem zijn gewone kwaal. Toch waren de verschijnselen, benauwdheid, krampachtig hoesten, niet ernstiger, eerder minder erg dan zoo dikwijls het geval was. Des Zaterdags was hij nog als gewoonlijk in zijne kamer aan den arbeid. 's Zondagsmorgens echter voelde hij zich minder wel en legde zich weder te bed. Nog duchtte niemand iets van bedenkelijken aard. Ten half éen ure sprak hij als gewoonlijk met zijn geneesheer en huisvriend. Plotselijk tegen éen ure trad eene verlamming van het hart in, verloor hij het bewustzijn en werden al spoedig de levensgeesten zwakker. Nog op dienzelfden oudejaarsdag, tegen drie uur des namiddags, ging hij zonder pijn of benauwdheid of strijd tot beter leven in. Zóo onverwacht viel de slag, dat alleen enkelen van zijne ongesteldheid hadden vernomen en de meesten, ook ik, daarvan eerst tegelijk met de doodstijding het bericht ontvingen’.

Op Donderdag den 4den Januari 1894 werd bij het heerschen van eene felle koude zijn stoffelijk overschot op het kerkhof te Diemerbrug ter aarde besteld.

 

Het komt mij voor, dat de door mij vermelde levensomstandigheden van de Hoop Scheffer een helder licht verspreiden over de vorming van zijn karakter. Het eenigszins afgezonderde van zijne kindsheid en jeugd gaf aanleiding tot een innig en zelfstandig gemoedsleven. In zijn binnenste stichtte hij een heiligen tempel, waarin ook in later tijd geen vreemde mocht doordringen. Op het altaar in dien tempel schitterde het vuur, gewijd aan al wat schoon en goed, rein en verheven is. De

[p. 401]

gloed van dat vuur drong echter door de geheimzinnnige ramen heen en bestraalde allen, die hem kenden en waardeerden, als het licht van oprechte menschenmin, als het licht van onbekrompene weldadigheid. Maar naast die zegenrijke gemoedsvorming ontwikkelde zich zijn verstand door eene verbazende uitbreiding zijner kennis, door een onvermoeid zoeken naar waarheid. Hierdoor kwamen hart en hoofd in evenwicht. Bij vastheid van eigen overtuiging eerbiedigde hij die van anderen. Schoon zich bewegend in moderne richting volhardde hij in zijne eenvoudige vroomheid en bewaarde liefst een bescheiden stilzwijgen over het ondoorgrondelijke. Nauwgezet in de vervulling zijner plichten was hij verdraagzaam en vergevensgezind ten opzichte der gebreken van anderen, al waren ook geveinsdheid en zorgeloosheid hem een gruwel. Schoon ernstig bij het behandelen van ernstige zaken, openbaarde hij gedurig een gezonden humor, die vooral in den N.E.K.-schen kring voedsel had gevonden, en zijn dichterlijke geest verloochende zich niet in het dagelijksch leven.

Wat de wetenschap, wat zijne nagelaten betrekkingen, wat zijne vrienden in dien man hebben verloren, is met geene woorden te melden.

 

Lisse, Augustus 1894.

A. Winkler Prins.

[p. 402]

Lijst der uitgegeven geschriften van J.G. de Hoop Scheffer.

In tijdschriften en verzamelingen.

  Vaderlandsche Letteroefeningen.
1837 Iets over Lodewijk van Velthem en zijn Spiegel Historiaal.
1857 Aankondiging van Rietstap, Handboek der wapenkunde.
  Verslagen en berichten, uitgegeven door de Vereenigiug tot bevordering van Oud-Nederlandsche Letterkunde.
1844 Fragmenten uit den roman: de Rose.
  Braga.
1844 Onderscheidene gedichten in den Tweeden jaargang.
  Gruno.
1849 Aankondiging van W.J.A. Jonckbloet, over Middel-Nederlandschen, epischen versbouw.
  Waarheid en Liefde.
1848 Aankondiging van den preêkbundel van dr. A.A. Buddingh, - voorts van het tweede deel der leerredenen van A. des Amorie van der Hoeven.
1849 Aankondiging van J.F. Bruch's Betrachtungen über Christenthum und christlichen Glauben, - alsmede: Onderzoek naar de beteekenis der zegswijze ‘kinderen Gods’ bij Jezus, bij Joannes en bij Paulus.
  Vijftal leerredenen, uitgegeven ten voordeele van de Luthersche gemeente te Doetichem.
1852 No 4. Over Psalm CII: 25a: De zucht naar verlenging van het leven.

[p. 403]

  De Navorscher.
  Talrijke stukken, geteekend Constanter.
  Doopsgezinde Bijdragen.
1864-1890 Mededeelingen betrekkelijk Menno Simons I-VII.
1865 Geschiedenis van het kerkgezang onder ons (met bijvoegsel in 1867), - Doopsgezinden in Gallicië, - en De stijl van Menno Simons.
1867 Het geslacht Sleutel.
1868 Mennisten-streken.
1869 Vriendschapsbetrekkingen tusschen de Doopsgezinden hier te lande en die in Pennsylvanië (vertaald door S.W. Pennypacker in Pennsylvanian Magazine), - en Leven der Doopsgezinden in Pennsylvanië.
1870 Onze Martelaarsboeken.
1872 Scheldnamen der Doopsgezinden, - Echt Doopsgezind, - Statistiek der Baptisten in Groot-Britannië, - en Doopsgezinden in Frankrijk.
1873 Het gedenkjaar 1872, - Doopsgezinden in Noord-Amerika, - De man met den steek, - Een oordeel in 1693 ten aanzien van overgangen, - Bibliotheek van een Doopsgezind leeraar in 1700, - Calvijn tegen Menno, - Maaltijd na de vergadering der Waterlandsche Sociëteit, - Baptisten in Noord-Amerika, - Zonderling verlangen van een Martelaar, - De school te Etupes, thans te Exincourt, - en De samenkomst te Sembach.
1874 De Doopsgezinden te Leeuwarden in 't begin der 18de eeuw.
1875 Walsch-Doopsgezinde gemeente te Leiden (met bijvoegsel in 1876).
1876 Geschiedenis van de Doopsgezinden, in 1617 opgesteld, - Opdracht der kinderen in de gemeente, - en Iets over de geschiedenis der Doopsgezinden te Haarlem.
1877 Onze gemeenteverordeningen.
1879 Naamlijst der oudsten bij de Groninger Vlamingen, - Trouwen in de familie, - Vier tibben aan het hof van Willem III, - Grafschrift op Lubbert Egges (1770), - Reizen van oudsten naar de gemeenten, - en De oude eenvoudigheid gehandhaafd.
1883 De eerste Collegianten te Groningen.
1884 Obbe Filips, de bevestiger van Menno Simons, - Het tweede eeuwfeest van de vestiging der Duitschers in Noord-Amerika, - De oudste tegenstanders der slavernij in Amerika (1688), - en Onze geloofsgenooten in West- en Oost-Pruisen.
1891 De Doopsgezinden der 16de eeuw nu in Hongarije herboren, - en Onze gemeente te Friedrichstadt omstreeks 1770.
1892 Hulp bij vacaturen.
1893 't Verbond der vier Steden.
1894 (wordt verwacht) Mededeelingen betreffende Menno Simons VIII.
1895 (wordt verwacht) Doopsgezinden te Molkwerum.

[p. 404]

  De Gids.
1865 De studie der vaderlandsche kerkhistorie.
1867 Aankondiging Snellebrand, Geschiedenis der Hervorming te Hoorn.
1874 Aankondiging J.G.R. Acquoy, Jan van Venray.
1882 Anna Roemer Visscher.
1884 Onze liefdadigheidsgestichten in de middeleeuwen.
1885 Een merkwaardige begraafplaats.
1887 Een proeve van martyrologie.
1889 De beoefening van de geschiedenis des vaderlands in België.
1891 Miguel Servede en Jean Calvin.
  Kerkhistorisch Archief van N.C. Kist en W. Moll.
1866 Cornelis Wouterz van Dordrecht, een martelaar der Hervorming, - en Geestelijken van ketterij verdacht in verhoor voor 't Hof van Holland, 1530-1540.
  Studiën en Bijdragen op 't gebied der historische theologie, 1866-1880, geredigeerd door W. Moll en J.G. de Hoop Scheffer.
  Geschiedenis der kerkhervorming in Nederland van haar ontstaan tot 1531 (later afzonderlijk uitgegeven), - Overgang tot het Jodendom, - Bijzonderheden omtrent de oudste drukken van Willem Tyndales vertaling van het Nieuwe Testament, - Beschuldigingen tegen mr. Wouter te Amsterdam in 1536, - De ketterij te Hattem, - De kronijk van Jan Gerbrands van Leiden en 't Haarlemsch kettergeding van 1458 in 't vervolg dier kronijk, - Advies van Wilhelmus Lindanus over de gevangenneming van Egbert, vicaris te Workum in 1560, - Uit de Crimineele Sententiën 's Hofs van Holland, 1538-1572, - en Afkondiging der besluiten van het Twentsche Concilie hier te lande.
  Volksalmanak, uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
1868 Logeeren in Amsterdam.
  Geschiedenis der Christelijke Kerk in tafereelen.
1869 De broederschap der Doopsgezinden.
  Tijdschrift der Vereeniging in 't belang der Weezenverpleging.
1872 Op welken leeftijd is het wenschelijk, dat weesjongens het weeshuis verlaten.
  De Dietsche Warande.
1873 Een reisjournaal uit de 17de eeuw (van A. Hellemans Hooft).
  Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afdeeling Letterkunde.
1881 De Brownisten te Amsterdam gedurende den eersten tijd na hunne vestiging, in verband met het ontstaan van de broederschap der Baptisten.
1882 Overzicht der geschiedenis van den doop bij onderdompeling.

[p. 405]

  Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afdeeling Letterkunde.
1891 Exegetische opmerkingen over eenige plaatsen uit den brief van Jacobus.
  Real-Encyklopädie für protestantische Theologie und Kirche (2e Ausgabe).
1881 Menno Simons, - en Mennoniten (beide vertaald in de Doopsgezinde Bijdragen van 1882).
1883 Hermanus Schijn.
  Jaarboeken der Universiteit van Amsterdam.
1883 Verslag van de lotgevallen der Universiteit gedurende den cursus 1882-1883.
1885 Amsterdam: Eleutheropolis en Irenopolis. Redevoering op den jaardag der Universiteit (vertaald in de Deutsch-Evangelische Blätter XI 3. 649) met verslag van hare lotgevallen gedurende den cursus 1884-1885.
  Album, aangeboden aan dr. C.A. Leemans.
1885 Verklaring van Jacobus II: 7 en 8.
  Theologisch tijdschrift.
1885 Is Joël een apocalypticus van 't jaar 400 voor C.?
  Feestbundel van E.T.E.B.O.N.
1889 Toespraak bij de viering van het vijf-en-zeventigjarig bestaan van E.T.E.B.O.N.
  Nieuwe Rotterdamsche Courant.
1892 (3 November). Aagje Pieters Deken, eene aankondiging van Dyserinck's opstel over B. Wolff en A. Deken in 't Novembernommer van De Gids.
  Gedichten.
  In den Muzen-almanak, - in den Amsterdamschen Studentenalmanak, - in den tweeden jaargang van Braga, - in Sepp's voorlezing over J.A. Bengel, - in Nutsalmanakken, - in het album van N. Beets, - Berijming van een aantal Psalmen in de Zondagsbode, enz.

Afzonderlijk uitgegeven werken.

1844 Cupido, bij van Paddenburg en Co. (bloemlezing van Nederlandsche minnedichten uit de 17de en 18de eeuw, met J. Tideman).
1857 Het Nederlandsch karakter der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
1860 De providentia divina Teleiobaptistas Neerlandicos ab exitio vindicante (in 1861 vertaald onder den titel: De Doopsgezinde broederschap in Nederland voor vervloeiing en ondergang bewaard).

[p. 406]

1861-1889 Verslagen wegens den staat der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit in Holland (29 stukken).
1873 Geschiedenis der kerkhervorming in Nederland van haar ontstaan tot 1531 (in 1886 in het Hoogduitsch vertaald door dr. P. Gerlach onder den titel: Geschichte der Reformation in den Niederlanden von ihrem Beginn bis zum Jahre 1531).
1875 Toespraak op den gedenkdag van het 200-jarig bestaan van het weeshuis der Doopsgezinde Collegianten, genaamd de Oranje-appel.
1883 Inventaris der archiefstukken, berustende bij de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam (2 deelen).
1885 Catalogus van de Bibliotheek der Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam (2 deelen).