|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van
Jacobus Johannes Backer Dirks.
Jacobus Johannes Backer Dirks, geboren te
Dordrecht den 26sten
Augustus 1825, had tot moeder Ida Sara Köhn; zijn grootvader en vader heetten
Jacobus Johannes en Johannes Dam Dirks. De laatste schreef en noemde zich
echter Johannes Dam Backer Dirks wegens veelvuldige verwantschap met de
Dordtsche familie Backer. Ook de zoon, wiens levensbericht hier volgt, heeft
steeds den naam Backer Dirks gevoerd. Zijne zuster echter, Petronella
Catharina, nog in leven, en zijne broeders Albert Christiaan en Jan Theodoor
hebben alleen onder den naam Dirks bekend gestaan
1.
De grootvader is van 1795 tot 14 Juli 1804, toen hij op 45-jarigen
leeftijd overleed, Luthersch predikant te Groningen geweest.
De vader, die achtereenvolgens landmeter bij het Kadaster en drogist
te Dordrecht is geweest, was niet bemiddeld, zoodat hij zijne kinderen geen
onbekrompen opvoeding kon geven. Hij overleed bovendien in de kracht
| | | | van het leven den 24sten April 1844, toen
Jacobus Johannes, die de oudste zoon was, ternauwernood in zijn eigen
levensonderhoud kon voorzien als secondant op het Instituut van den Heer W.
Baar te Lienden. In Augustus 1844 - April te voren had hij het diploma van den
derden rang verkregen - volgde eene verplaatsing naar de openbare lagere school
te Brouwershaven, onder den hoofdonderwijzer Z.J. van der Zee.
Twee jaar later trad
Backer Dirks, met eene kleine verbetering,
te
Oud-Alblas op als huisonderwijzer in het gezin
van den emeritus predikant J.J. Kam. In Mei 1848 volgde eene zelfde betrekking
te
Leiden, ten huize van Mevrouw de Weduwe van
Heyst, waar hij den later gunstig bekenden Letterkundige D.F. van Heyst onder
zijne leerlingen telde.
1 Maart 1851 kreeg hij eene plaatsing aan het degelijk Instituut van
den Heer Kaptein te
Barneveld, op een salaris van ƒ 240. Dit gaf
hem nieuwen moed en, trots den zeer drukken en inspannenden arbeid voor het
instituut, wist hij den tijd te ontwoekeren om eigen studie voort te zetten,
zoodat in April 1852 met glans de examens voor den tweeden rang en de acte van
het Hoogduitsch werden afgelegd en hem 12 October van het volgend jaar met
bijzonderen lof de acte voor het Engelsch werd toegekend. Geen wonder dus dat
Backer Dirks het waagde andermaal naar
lotsverbetering mede te dingen en daartoe opnieuw, nu vergelijkende examens
ging afleggen. Mocht dit aanvankelijk zonder succes blijven, ten laatste
slaagde hij boven verwachting in
Medemblik. Daar had hij dermate de aandacht
getrokken van de examinatoren, van wie er een de betrekking vervulde van
schoolopziener in de provincie Noord-Holland en die vroeger lector was geweest
aan het Koninklijk Instituut der | | | | Marine te Medemblik, dat deze
met krachtige aanbeveling Backer Dirks den Minister van Marine als den
geschikten persoon noemde, voor onderwijzer in de geschiedenis en de
letterkundige vakken voor de aanstaande nieuwe inrichting tot opleiding van
Adelborsten op Z.M. Wachtschip te
Willemsoord.
Gelijk bekend wenschte de regeering in die dagen te breken met de
opleiding der adelborsten aan de Academie te
Breda, waar zij sedert 1850 gezamenlijk met
die voor de cadets der landmacht werd gegeven, ongerekend de practische
oefening van half Juni tot 1 Augustus op instructietochten met oorlogschepen
(in 1851 aan boord van Z.M. korvet Ajax en Z.M. stoomschip Gedeh; in 1852 op
Z.M. fregat Doggersbank en in de volgende jaren met Z.M. brik Zeehond).
Hoe ook lichtzijden aan de gemengde opleiding waren verbonden, zij
werd al dadelijk veroordeeld door het gros der zee-officieren. Door den van de
opleiding te Delft afkomstigen Gepensionneerden Kapitein-Luitenant ter zee P.
Bruining
1,
werd in eene brochure het verkeerde van de vorming der Adelborsten te Breda zóó
overtuigend aangewezen, dat zijn advies onder het ministerie Enslie werd
opgevolgd. In Augustus 1854 besloot men in beginsel tot de opheffing en
tegelijk tot het in het leven roepen van de reeds genoemde tijdelijke
inrichting te Helder, die thans reeds op nagenoeg veertigjarig bestaan mag
bogen.
In de allereerste plaats moet zich in die verandering wel verheugd
hebben
Backer Dirks, die ‘aan zijne bekwaamheid,
tact, ervaring en volharding tevens bescheidenheid, goeden toon en beschaving
wist te paren’ | | | | en op grond van die gunstige en welsprekende
getuigenis van den boven bedoelden oud-lector van het Instituut te Medemblik
bij de oprichting der nieuwe marine-opleiding werd aangesteld tot tijdelijk
onderwijzer in de geschiedenis en de letterkundige vakken.
Welk eene voldoening voor den volijverigen secondant: na twaalf-jarige
onvermoeide praktijk in het onderwijzersleven tegenover gewone scholieren,
thans geroepen mede te werken aan de vorming van aanstaande zee-officieren, van
jongelingen, die de kinderschoenen ontwassen zijn en die onder militaire tucht
staan.
Niettemin moest
Backer Dirks gaandeweg ondervinden dat ook
deze nieuwe betrekking, al schonk ze eene groote financiëele en
maatschappelijke verbetering, hare schaduwzijden heeft. Ik behoef slechts te
wijzen op het verschil in waardeering door de adelborsten tusschen den
burgerleeraar en den officier-instructeur en op het onderscheid in de
resultaten van het onderwijs in de letterkundige vakken en die op wiskundig,
militair en maritiem gebied. Trots het beste letterkundig onderwijs is het niet
dan bij uitzondering, dat de adelborst zich voor die lessen zal inspannen. En
wat is ondankbaarder voor een leeraar dan dat euvel te ondervinden en het niet
te kunnen overwinnen. Ten eenenmale wordt dit belet zoowel omdat zijne
resultaten zooveel minder gewicht in de schaal leggen bij de algemeene
beoordeeling der bekwaamheid van de leerlingen als door de onvermijdelijkheid,
dat de uren waarin voor de wiskundige en daaraan verwante vakken les wordt
gegeven, bij voorkeur die worden gekozen, waarin de jongelieden het beste
opnemingsvermogen hebben, terwijl de letterkundige vakken eerst aan de beurt
komen wanneer de hersenen der toehoorders reeds meer of min vermoeid zijn. Tot
zekere hoogte werd het hier | | | | bedoelde nadeel tijdens mijn eigen
leertijd op de Academie te Breda veronzijdigd door de strenge maandelijksche
inspecties door de hoofden der vakken van onderwijs en door de hooge eischen
der overgangs-examens. Onverschillig of het een wiskundig, krijgskundig,
maritiem of letterkundig vak betrof, werd onverbiddelijk ‘geconsigneerd’, zegge
onbepaald arrest opgelegd, indien men bij de inspecties het antwoord schuldig
bleef, en werd na het verlof herexamen geëischt of ging men niet over in een
volgend studiejaar evenzeer in geval de vorderingen onvoldoende waren in de
letterkundige vakken als in de andere vakken.
Na dit te hebben vooropgesteld zou ik de waarheid te kort doen met de
bewering dat
Backer Dirks in zijn 24-jarigen werkkring
als leeraar aan het Marine-Instituut niettemin met de gewenschte voldoening is
werkzaam geweest.
Backer Dirks toch was wat men noemt een door en door goed man, die
veel van de adelborsten door de vingers zag en het is niet onverklaarbaar dat
daarvan menigmaal misbruik is gemaakt, inzonderheid in het tweede studiejaar,
nadat de beschroomdheid van het jongste jaar is afgelegd en terwijl men nog
niet tot het oudste jaar behoort, waarin de te veroordeelen gedragingen jegens
burgerleeraars, als kinderachtig bestempeld, ter zijde worden gelegd. Alzoo
moet dan erkend worden dat het prestige van Backer Dirks tegenover de
adelborsten niet altijd voldoende is geweest. Toch bleef hij in die gevallen
toegevend en de adelborsten verschoonend beoordeelen, totdat zij zelf begrepen
dat het te erg werd en er, wat men noemt, een stokje voor staken, zoodat
bezwarende rapporten achterwege bleven. Wel beschouwd droegen zij hun leeraar
Backer Dirks dan ook een goed hart toe; eerden zij in hem zijn degelijk
onderwijs en zijne in druk uitgegeven | | | | geschriften; waren zij hem
erkentelijk voor de krachtige medewerking aan hun sedert 1871 verschenen
jaarboekje.
Zich eenmaal in zijn nieuwen werkkring aan het Marine-Instituut,
hebbende ingewerkt, - en hiervoor kwam heel wat kijken, want eerst twee jaar
later, in 1856, werd het Onderwijs in de Fransche en in de Engelsche taal en in
de algemeene geschiedenis en aardrijkskunde aan de toen benoemde leeraren
J.G.R. Vos en J.J. van Hattum overgedragen, - zette Backer Dirks zijne vrije
studie van vroeger voort, en was daarin de Geschiedenis zijn
lievelingsarbeid.
Zooals meer gebeurt met mannen van veel ambitie en algemeene kennis
kon Backer Dirks zich niet-bij uitsluiting aan zijn uitverkoren vak wijden, zag
hij zich al spoedig geroepen voor het redactiewerk van het in 1858 en 1859
verschenen jaarboekje
Neptunus, (mede-redacteur was de Luitenant ter zee 1e Klasse-titulair P.M. Brutel de la Riviere, later Hoogleeraar
aan het Koninklijk Marine-Instituut), werd hem de recensie opgedragen van tal
van nieuw uitgekomen boeken; leverde hij een paar maal een verdienstelijk
levensbericht - van den predikant, letterkundige J.H. Sonstral (1871) en van
den directeur van het Depot Zeekaarten, tevens bibliothecaris aan het
Marine-Departement J.M. Obreen (1878); behoorde hij tot de wetenschappelijke
mannen, die den belangrijk herzienen tweeden druk van Nieuwenhuis'
Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen hebben bewerkt
(vijf deelen in quarto, uitgever A.W. Sijthoff te Leiden 1855-1868); volbracht
hij eene uitmuntende vertaling uit het Engelsch van het leven van Thomas
Cochrane Lord Dundonald, in twee deelen, voor de Haarlemsche uitgevers de erven
F. Bohn (1861) en leverde hij buitendien zijn contingent aan verschillende
zaken van algemeen nut. Zoo was Backer | | | | Dirks o.a. jaren lang lid
en voorzitter der plaatselijke schoolcommissie en lid der vormschool tot
opleiding van hulp- tot hoofdonderwijzer.
Van zijn zoo even genoemd uitgebreid veld van liefhebberijwerk zij
nader de aandacht gevestigd op de medewerking aan het jaarboekje Neptunus en
aan de encyclopedie van Nieuwenhuis. In het eerste, jaargang 1858, leverde
Backer Dirks
1 als debut eene bijdrage voor het mengelwerk ten titel voerende
‘de vernieling der Fransche vloot in de baai van Aboukir’, een onderwerp
waarover in onze taal nog weinig geschreven was en dat den schrijver natuurlijk
eigenaardige moeilijkheden kostte van wege de technische zijde, om van het
ageeren der Engelsche en Fransche schepen eene duidelijke voorstelling te
geven, zonder toelichtende schets of kaart. Backer Dirks kweet zich echter op
uitmuntende wijze er van; met ingenomenheid werd het vooral begroet door de
marinewereld, maar geenszins zonder eene exceptie. Al spoedig toch verscheen in
de Verhandelingen en Berichten betrekkelijk het Zeewezen, 1858 No. 1, 2e afd. een tegenschrift van den
Luitenant ter zee 1e kl. Jhr. A. Meyer.
Backer Dirks wordt daarin beschuldigd van te vele onnauwkeurigheden,
‘dan dat de heer Meyer ze onopgemerkt kan laten voorbijgaan’; ja, recensent
beweerde: ‘dat de schrijver buiten den kring der waarschijnlijkheid was
gegaan’; wees er op ‘dat de feiten juist gesteld en de episoden goed ontwikkeld
moesten zijn, opdat de adelborsten zich anders valsche voorstellingen konden
maken en lichtelijk besluiten tot eene verkeerde beoordeeling van de betrokken
personen’, waarna nog eene aanhaling volgt uit ‘de lessen der geschiedenis door
Backer Dirks’ (mede | | | | voorkomende in den eersten jaargang van
Neptunes) luidende: ‘gewichtig zijn
derhalve de lessen der geschiedenis mits de geschiedenis grondig gekend, goed
begrepen en niet misbruikt worde’. Dat was voor Backer Dirks de maat volgemeten
en aanstonds zette hij zich tot eene beantwoording, opgenomen in het
eerstvolgende nummer der genoemde verhandelingen en berichten; 1858, No. 2, 2e Afd.
Scherp maar toch met alle bezadigdheid, heeft de schrijver den
recensent daarin volledig opheldering gegeven, zonder in eenig punt van belang
ongelijk te behoeven bekennen en geen enkele maal is Backer Dirks na dien, in
de vijf en dertig jaren welke hij nog geschiedkundige bijdragen of boeken heeft
geschreven met kritiek over onnauwkeurigheid, onwaarschijnlijkheid of
oppervlakkigheid in zijn mededeelingen en beschouwingen lastig gevallen.
Tot betere waardeering van de hooger genoemde medewerking aan
Nieuwenhuis' encyclopedie zij aangeteekend, dat deze zich heeft bepaald tot het
gebied der geschiedenis en aardrijkskunde en van het zeewezen, zoover betreft
het laatste gedeelte van het vijfde tot en met het tiende en laatste stuk,
waarvan, te zamen genomen, vijfhonderd kolommen alléén van de hand van
Backer Dirks afkomstig zijn. Gelijk al wat
hij deed is ook dat degelijk en zaakrijk werk. Niettemin ware hier en daar eene
grootere uitgebreidheid welkom geweest, zooals dit trouwens bij het opslaan van
bijna alle woordenboeken, zoo menigmaal gewenscht wordt en dus waarlijk geen
verwijt is te noemen. Toevallig werd mijne aandacht getrokken door het woord
Var (Het département du) in het Z.O. van Frankrijk, waarvan Backer Dirks onder
anderen zegt, dat verschillende daarin gelegen plaatsen meer of minder aan
| | | | belangrijke staatkundige gebeurtenissen herinneren. Men leest er
dan ook, dat in 1707 de vereenigde Britsche en Nederlandsche vloot verscheen om
den overtocht der troepen van den hertog van Savoye te begunstigen, waarmede
deze tevergeefs Toulon belegerde.
Hetzij mij vergund hierbij ook eene herinnering van treurigen aard te
noemen, zegge de harde krijgsgevangenschap van een aanzienlijk deel van het
personeel onzer toenmaals bij het Fransche Keizerrijk ingelijfde zeemacht,
nadat Nederland zich in November 1813 van de vreemde heerschappij had losgerukt
en Willem I als Souverein was uitgeroepen.
Al spoedig na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk
deed Napoleon, vooral in de lagere rangen, vele officieren en minderen van de
vroegere Hollandsche Marine op Fransche schepen overgaan, of hen in Holland en
op de Schelde onder Fransche commandanten dienen, terwijl daarentegen personeel
van de keizerlijke marine op Hollandsche schepen werd overgeplaatst - alles om
de denationaliseering van het vroegere personeel der Hollandsche zeemacht in de
hand te werken.
In November 1813 waren op die wijze tijdens het uitbreken der
omwenteling 131 van de 339 Hollandsche zeeofficieren en 92 van de 192 élèves in
de Fransche havens aanwezig en werd het meerendeel hunner, zoover zij zich niet
onvoorwaardelijk voor den Franschen dienst beschikbaar verklaarden,
krijgsgevangen gehouden. De in Frankrijk dienende officieren en élèves waren
als volgt over de verschillende rangen verdeeld:
| 2 Contre-amiraux (Schout-bij-nachts). |
|
| 5 Capitaines de vaisseau 2me cl. (Kapiteins
ter zee 2e kl.). |
|
| 2 Capitaines de fregatte (Kapitein-Luitenants) |
1 |
| | | |
| 29 Lieutenants de vaisseau (Luitenants ter zee 1e kl) |
8 |
| 38 Enseignes de vaisseau (Luitenants ter zee 2e kl) |
11 |
| 1 Officier auxiliaire. |
|
| 54 Aspirants de 1ière cl. (Adelborsten 1e kl.) |
8 |
| 131 Officieren |
28 |
| 66 Aspirants de 2me cl. (Adelborsten 2e kl.) |
13 |
| 9 Elèves (Adelborsten 3e kl.) |
|
| 17 Apprenti-marins (buitengewone adelborsten) |
4 |
| 92 Elèves |
17 |
123 officieren en 16 élèves bevonden zich bovendien in Engelsche
Krijgsgevangenschap en 2 officieren in Oost-Indië, zoodat binnenslands bleven
183 officieren en 82 élèves, waarvan er respectievelijk 52 en 8 nonactief en
131 en 102 in de Hollandsche zeeplaatsen in dienst waren. Opmerkelijk dus juist
evenveel - 131 officieren actief in Frankrijk als in Holland, terwijl het
aantal élèves dat in Frankrijk met een tiental overschreed.
Overbekend is het dat het in Holland aanwezige Marine-personeel
aanstonds met het uitbreken van de omwenteling den Franschen adelaar verliet om
zich weder onder de Vaderlandsche driekleur en Oranjevaan te scharen en dat
hierop alleen uitzondering werd gemaakt door den te Helder bevelvoerenden
vice-admiraal C.H. Verhuell voor zich en zijne adjudanten en door de
commandanten of eerste officieren die met enkele officieren en eenige
onderofficieren en minderen aan boord hunner schepen bleven om deze met de
bewapening, inventaris en verder toebehooren in het welbegrepen belang van den
lande zoo compleet mogelijk en in goeden toestand te houden. Bij de overgave
der vloot den 4en Mei 1814, telde hare bemanning dan ook
slechts 150 van de ongeveer 4000 koppen, die in November 1813 de equipages
hadden uitgemaakt. | | | |
Terecht had de Keizerlijke regeering ondersteld, dat de in de Fransche
havens aanwezige Hollanders zich door de omwenteling zouden laten meeslepen,
inzonderheid die van het Station op de Schelde, te
Vlissingen en te
Antwerpen. Ongeveer een vierde hunner werd
naar Bretagne en de overigen naar het Zuiden van Frankrijk gedirigeerd, bij
name naar de departementen Limosin, Auvergne en Guercy en naar de streek van
Languedoc. De reis derwaarts geschiedde te voet onder bevel van Hollandsche
officieren, geleid door Fransche autoriteiten, meest over Lille, Amiens, Rouen,
Evreux, Chartres, Orléans, Bourges, Chateauroux, Limoges, Brive en Cahors.
Gedurig waren daarbij veranderingen in de reisroute en in de aangewezen
cantonnementen aan de orde, hiermede eindigende dat de krijgsgevangen
verklaarde Hollanders verspreid waren over Issoire, Rodez, Villefranche, Alby,
St. Affrique en Cartres in het Zuiden en te Josselin en Rennes in Bretagne;
terwijl nog een belangrijk aantal, al dan niet geheel vrijwillig, te
Boulogne-sur-Mer, Cherbourg, St. Malo, Brest, Orient, Rochefort, en Toulon,
althans voorloopig dienst bleef doen op de Fransche schepen.
Vooral in het begin, zoo bij het verlaten van Vlissingen als
Antwerpen, kwam desertie veelvuldig voor, ook zelfs bij de oudere officieren.
Zoo b.v. de capitaine de fregatte F.E. Melms, commandant van het linieschip
Chattam, die op weg van Antwerpen naar Cherbourg met eenige officieren en 300
man zijner equipage naar Holland wist te ontvluchten. Over het algemeen waren
het intusschen deserties van enkele personen of kleine groepen, terwijl het
meerendeel, behoorlijk bewaakt, de bevolen stations in Bretagne en het Zuiden
van Frankrijk bereikte. Het totaal der deserties van de officieren | | | | en élèves teekende ik aan achter de verschillende rangen, waarvan
hooger het aantal der krijgsgevangenen werd opgegeven. 25 van de 28
gedeserteerde officieren en alle 17 gedeserteerde élèves waren van het
Scheldestation afkomstig, met uitzondering van één enseigne de vaisseau,
Warmoltz, die aan boord van de Patriot dienende, ter westkust, reede Aix op een
Engelsch eskader wist te vluchten, dat Rochefort blokkeerde; de overige drie
officieren, de enseigne de vaisseau J.C. Goteling Vinnis en de aspirants de
1ière cl. G.M. Roentgen en J.P. Noorduyn behoorden tot het
eskader van Toulon.
Opmerkelijk genoeg, was het bericht der November-omwenteling eerst in
het begin van Februari 1814 aan de Hollanders te Toulon bekend geworden.
Aanstonds werd door 32 van de 64 officieren en élèves verzocht om eervol
ontslag uit den dienst en terugkeer naar Holland. Helaas voor hen zonder het
minste succes; alle requestranten: 7 enseignes de vaisseau, 17 aspirants de
1ière cl. en 8 aspirants de 2me cl., de
meesten zonder eenigen bedenktijd, werden gevangen gezet in het Fort la Malgue.
Na eene wekenlang harde behandeling, waarbij alle gemeenschap met de
buitenwereld was afgesloten, besloten negen hunner: J.H. van Kervel, J. Boelen,
J. le Jeune, F.J. Hugenholtz, S.R. van Franck en J.H.R. van Kervel, met de drie
zoo even genoemden te ontvluchten. Een ongelukkig toeval verried de
ontsnapping, die in den nacht van 25 op 26 Maart in de daad plaats had. Op het
alarmsignaal waren spoedig de noodige patrouilles naar buiten gerukt om de
vluchtelingen te achterhalen en reeds bij de uitgangsbrug van het fort werden
de zes laatstgenoemden ingehaald om eene nog strengere opsluiting te ondergaan.
Dank de duisternis mocht het de drie anderen echter gelukken tegen den
| | | | morgen veilig La Seigne te bereiken en met een raffio naar buiten
te gaan. Zoo brutaal mogelijk werd op de ter reede Toulon liggende Fransche
oorlogschepen aangestuurd en, deze eenmaal gepasseerd zijnde, met kracht van
zeil naar twee in zee kruisende Engelsche oorlogschepen gestevend, trots het
sein van den Franschen admiraal: ‘verdachte raffio in zee’ waarop tal van
sloepen het kleine vaartuig met de drie deserteurs met kracht van riemen
nazetten. De raffio had echter eenmaal den voorsprong en wist, begunstigd door
een voordeeligen wind, onder zeil hare vervolgers te ontkomen. Met veel moeite
werd tegen den middag geëmbarkeerd aan boord van de Almene
capt. Gogland. Deze gaf de deserteurs over aan admiraal Sir Eduard Pellen, van
wien zij passage verkregen naar Minorca, om verder per Royal
George naar Plymouth te vertrekken, weinig vermoedende dat zij 1 Juli hier
aangekomen, een à twee maanden later in het vaderland zouden terug zijn dan
hunne krijgsmakkers, wier ontvluchting niet was gelukt.
Al spoedig na de wederoptreding der Bourbons te Parijs in April 1814
was namelijk aan de Hollandsche zeeofficieren, die in Frankrijk verblijf
hielden, hetzij aan boord in actieven dienst, hetzij in krijgsgevangenschap,
verlof gegeven om met de onderofficieren en minderen naar het vaderland terug
te keeren. Zoo vond ik aangeteekend dat de Lieutenant de vaisseau D.W. Kicherer
met 4 officieren en 681 manschappen reeds den 19den Mei van Toulon te Rotterdam
was teruggekeerd en nog twee dagen vroeger te Amsterdam de aspirant J. Kool,
die alsmede een detachement van Toulon onder zijn geleide had gehad. De
enseigne de vaisseau M.N. Riemersma verliet Toulon met zijn detachement
matrozen eerst 12 Mei, terwijl de Lieutenant de vaisseau A. Gordon niet
| | | | voor het begin van Juni met een detachement van 300 man van
L'Orient in Holland arriveerde.
Deze lange uitweiding - als eene vluchtige greep te beschouwen uit de
geschiedenis van ons Marine-personeel van tachtig jaren geleden, - diene als
uitgangspunt voor de beoordeeling van
Backer Dirks' hoofdarbeid: ‘
de Nederlandsche Zeemacht in hare verschillende tijdperken
geschetst’.
Ik wenschte er namelijk de opmerking aan vast te knoopen, dat men dat
onderwerp der krijgsgevangenschap te vergeefs in het genoemde boek van Backer
Dirks zal zoeken, niettegenstaande het nauw verband daarvan met het optreden
der Marine na November 1813, hetgeen wel en zelfs met de noodige uitvoerigheid
door den schrijver is behandeld. De in den loop van 1814 tot stand gekomen
organisatie van het personeel, waarop de bewuste krijgsgevangenschap almede een
belangrijken invloed heeft gehad, is slechts zeer ter loops aangestipt en,
vreemd genoeg, valt dezelfde overdreven beknoptheid op te merken met betrekking
tot andere organisaties van vroeger en later tijd. Mijns inziens is dit in het
overigens niet genoeg te prijzen werk van Backer Dirks eene tekortkoming en
waar het nu in dezen op mijn weg ligt dien gewichtigen arbeid van den overleden
vriend te bespreken, kwam het mij geschikter voor deze bedenking te laten
voorafgaan, dan er mede te eindigen.
Alvorens nu verder Backer Dirks' geschiedenis der zeemacht te
bespreken wensch ik nog eerst een en ander over het tot stand komen ervan in
het midden te brengen.
Gelijk reeds in den aanvang vermeld is, werd Backer Dirks na twee jaar
onderwijs in alle letterkundige vakken en de geschiedenis en aardrijkskunde, in
1856, met de vermeerdering van het leeraarspersoneel aan het Marine-Insti-
| | | | tuut te
Helder, ontheven van de lessen in het Engelsch
en Fransch en in de algemeene geschiedenis en aardrijkskunde. Hiermede verkreeg
het onderwijs in de Vaderlandsche geschiedenis eene andere richting. Zoowel te
Medemblik als te Breda was dit vak slechts behandeld als onderdeel der
algemeene geschiedenis, beginnende met het einde der Middeleeuwsche
geschiedenis, terwijl geheel buiten het bestek lag eene afzonderlijke
behandeling van de geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen; geheel in
overeenstemming met het feit, dat destijds geen eigenlijk leerboek in dit vak het licht had gezien; met welke bewering ik
niets meen te kort te doen aan het zoo gunstig bekende geschrift ‘Nederland's
Heldendaden ter zee’, aan een standaardwerk als dat van Brandt, en bovenal niet
aan den voortreffelijken arbeid van Jhr. Mr. C. de Jonge.
Waar nu
Backer Dirks zich tot hoofddoel had gesteld
een leerboek voor het Zeewezen, dat als leiddraad kon dienen bij zijn
onderwijs, onverschillig of dat boek eene schets zou heeten, daar kon ook door
hem er niet aan gedacht worden een oorspronkelijk geschiedboek te schrijven,
voornamelijk gegrond op eigen onderzoekingen van oorspronkelijke bescheiden.
Backer Dirks erkent zelf in het voorbericht van het eerste deel, eindigende met
den Munsterschen vrede, dat hij uitsluitend gedrukte bronnen heeft gebruikt.
Dit zelfde geldt voor het tweede stuk, van 1648 tot 1678. Zeker moet daarin de
oorzaak der oppervlakkige en onwelwillende beoordeeling worden gezocht, volgens
welke het boek van Backer Dirks niets meer dan een verkorte geschiedenis van
het Zeewezen van de Jonge zou zijn. In hoever die zienswijze van invloed is
geweest op het eerste debiet, is moeilijk te zeggen; zeker is het dat de
uitgever van het eerste stuk, | | | | H. Nijgh te Rotterdam, zich niet
wilde verbinden voor de uitgave der aangekondigde drie andere stukken.
Gelukkig intusschen deed deze ontmoedigende ervaring des schrijvers
zijn moed en ijver voor den eens begonnen arbeid niet verflauwen en vond hij
den uitgever J.C. de Buisonjé te Helder voor de verdere uitgave van het werk
bereid, zonder twijfel in zijn vertrouwen op een goed debiet gesteund door de
zeer gunstige beoordeeling van het eerste stuk in ‘
de Gids’ Nov. 1866. Dat vertrouwen is niet beschaamd. In
1867, 1871 en 1876 verschenen achtereenvolgens het tweede, derde en vierde stuk
- van (1648-1678), (1678-1795) en (1795, en 1874) en reeds in 1890 mocht een
tweede druk van het geheel volgen, thans in twee deelen, het eerste eindigende
met den Utrechtschen vrede (1713) en het tweede loopende tot den tegenwoordigen
tijd. Ook deze nieuwe, eenigszins gewijzigde uitgave, verschenen bij de
gebroeders van Cleef te 's-Gravenhage, zij uit volle overtuiging een goede
opgang toegewenscht.
Van het begin tot het einde met de meeste nauwgezetheid bewerkt,
kenmerkt het boek zich door eene bijzonder duidelijke voorstelling der
gebeurtenissen, ontwikkeling en opvolgende toestanden van het Nederlandsche
zeewezen zoo in zijn geheel als in de onderdeelen. Beknopt en zakelijk
beschrijft
Backer Dirks het ontstaan en optreden van de
zeemacht in hare kindsheid, toont hij daarbij aan de hand der geschiedenis den
natuurlijken gang aan, waaruit zich als van zelf het standpunt moest
ontwikkelen, waarop het mogelijk is geweest den Spanjaard reeds in het einde
der zestiende eeuw op onze binnenwateren te weerstaan en zelfs te overwinnen en
ons later, in de eerste helft der zeventiende eeuw, met zijne destijds veel
machtiger vloten op den Oceaan te meten en onbekom- | | | | merd om het
reeds gevestigd gezag van Spanjaard en Portugees buiten Europa, ook Nederlands
vlag in Oost en West, in alle werelddeelen te planten en waar het in het belang
was van de Oost- en West-Indische compagnie de Spaansche en Portugeesche
overheerschers voor goed te verdringen.
Eenmaal tot het bloeitijdperk van Neerlands zeemacht gevorderd, wordt
de schrijver levendiger in zijne voorstellingen en teekent hij met geestdrift
hare heldendaden, eerst tegenover den Brit alleen, daarna tegen de Engelsche en
Fransche vloten te zamen en vervolgens tegen de Fransche zeemacht alleen, het
laatst met Engeland als bondgenoot in plaats van bestrijder.
Met groote vereering zijn ons langs dien weg, in het eerste deel (2e druk) tot 1713, achtereenvolgens de groote daden geschilderd
van L. van Boysot, J.v. Duyvenvoorde, W.v. Bloys v. Treslong, Jb. v. Heemskerk,
Pieter Pieterszoon Hein, H. Loncq, Jan v. Galen, Joos Banckers, Maarten
Harpertszoon Tromp, Witte Corneliszoon de With, Pieter Floriszoon, Egbert
Meeuwsen Kortenaer, A. van der Hulst, Jb. van Wassenaer van Obdam, Johan
Evertsen (de oude), Tjerk Hidde de Vries, W. van der Zaen, J. Meppel, Adriaan
Banckers, W. Joseph van Ghent, D. Vlugh, Michiel Adriaanszoon de Ruyter,
Volkhard Schram, Corn. Evertsen, Jan de Liefde, Engel de Ruyter, Cornelis
Evertsen Jr., Jan v. Brakel, Gillis Schey, Cornelis Tromp, Gelein Evertsen,
Gerard Callenburg, Frans van Aarssen van Sommelsdijk en J. Taalman.
Daarnaast doet Backer Dirks in geene mindere mate de groote verdienste
uitkomen van 's lands regeering en van de Admiraliteiten, die het verschaffen
van de middelen om tegen de bestrijders van het vaderland op den Oceaan op te
treden, hebben mogelijk gemaakt en van de offer- | | | | vaardigheid der
groote en invloedrijke steden, die er hunne schatten voor veil hebben gehad.
Natuurlijk werd ook, aan de hand der staatkundige geschiedenis, ten duidelijkst
in het licht gesteld dat het de omstandigheden zijn geweest: onze verhouding
tot de verschillende Europeesche staten en de quaesties tusschen deze
onderling, die ons vaderland beslist de roeping hebben opgelegd, vooral in de
tweede helft der zeventiende en het begin der achttiende eeuw, die toongevende
rol met onze zeemacht te vervullen. Het moge al waar zijn, dat onze Republiek
haar tijdperk van hoogsten bloei heeft gehad, toen tevens hare zeemacht haar
toppunt had bereikt, minder juist is de vaak gehoorde stelling, dat het eerste
te danken is geweest aan het laatste, anders gezegd dat Nederland groot is
geworden door zijne zeemacht. Aangenomen dat in die lange
reeks van jaren geene kuiperijen van een Lodewijk XIV hadden bestaan en het
bestuur der Republiek zich niet had willen leenen om die te
helpen bestrijden, dan toch zou het Nederlandsche zeewezen waarschijnlijk reeds
na den tweeden Engelschen oorlog eene bescheidener plaats hebben ingenomen, of,
zooals men het gewoonlijk voorstelt, tot den staat van verval zijn gekomen, als
waartoe het als van zelve in de achttiende eeuw is afgedaald, nadat Nederland
had opgehouden eene hoofdrol te vervullen in de Europeesche politiek. Laat ons
het bekennen: het dalen van Neerlands zeemacht van den eersten tot den tweeden
en gaandeweg tot den derden rang is niet te wijten aan onwil of gebrek aan
macht of middelen, maar hoofdzakelijk aan de verandering der politieke
omstandigheden, die niet langer gedoogden, dat onze vloot de wateren
beheerschte.
Van zelf is het tijdperk van 1713 tot den tegenwoor- | | | |
digen tijd, dat het tweede en laatste deel der 2de uitgave
van
Backer Dirks uitmaakt, een veel
ondankbaarder taak voor den schrijver geweest dan het eerste. Reeds was de
zeemacht van hare eereplaats verdrongen en hadden personeel en materieel
bereids vóór 1713 belangrijke verminderingen ondergaan, toen haar voor 't
vervolg alleen tot taak was opgelegd: bescherming van de nog altijd
buitengewoon uitgebreide koopvaart, de veiligheid onzer havens en kusten in
oorlogstijd en de schraging van ons gezag in de West-Indische Koloniën. Zoo min
als vroeger was ook nu in de eerste tientallen jaren quaestie van behoefte aan
den steun der zeemacht in de Oost-Indische bezittingen, aangezien de
Oost-Indische compagnie hare eigen vloot bezat, die zelfs meermalen het
vaderland in zijne moeilijke oorlogen had bijgestaan. In vergelijking met dien
in de zeventiende eeuw was de werkkring dus buitengewoon ingekrompen en
daarmede ging bovendien gepaard eene gaandeweg toenemende onverschilligheid
voor het zeewezen, met algeheele verwaarloozing van materieel en personeel. Ja,
zóó ernstig werd de toestand van verval tegen het midden der achttiende eeuw
dat vreemde hulp, bijstand der Britsche zeemacht, moest worden ingeroepen toen
ook de Republiek, aan het einde, in den zevenjarigen strijd werd betrokken met
den onverwachtschen inval der Franschen in Zeeland en de belegering van Bergen
op Zoom.
Toch waren reeds sedert tal van jaren waarschuwende stemmen opgegaan
van bekwame mannen die een open oog voor den toestand hadden, wiep het welzijn
der Republiek en hare zeemacht na aan het harte lag. Maar het had niet mogen
baten. Onverschillig en zorgeloos voor alles wat het zeewezen betrof, was men
dertig, veertig | | | | jaren voortgegaan met dit tot den treurigsten
toestand te laten verachteren, ja als het ware te doen verloopen. Slechts voor
een wijle, met de verheffing van Willem IV tot erfstadhouder, tot diens
onverwacht spoedigen dood, kwam daarin verandering ten goede, om echter
vervolgens een kwart eeuw lang andermaal aan het schromelijkst verval te worden
prijsgegeven. Niet voor en aleer met het uitbreken van den Engelschen oorlog de
wrange vruchten van bedoeld wanbeheer waren ingeoogst, werd onder Willem V met
kracht de hand ter verbetering aan het werk geslagen. Trots de in den jongsten
Engelschen oorlog geleden verliezen, de vele zeerampen, die de zeemacht na 1782
hadden getroffen, en het overgroot aantal schepen, dat ten gevolge van ouderdom
en gebreken aan den dienst was ontvallen, bestond de zeemacht dan ook in de
laatste jaren van het bestaan der Republiek vóór 1795 nog uit een vrij
belangrijk aantal schepen en fregatten en telde ze bovendien een vrij talrijk
en goed gewapend personeel. Onverminderd schoot ze echter toch nog in vele
opzichten te kort, was onze houding in die jaren tegenover de Barbarijsche
zeerooverstaten meermalen allerbedroevendst en moest tijdens de verwikkelingen
met Oostenrijk in 1783 en tien jaar later in den oorlog met Frankrijk opnieuw
de hulp van Engeland worden ingeroepen.
Met meesterhand is dit te beschrijven ondankbaar tijdperk van 1713 tot
1795 door Backer Dirks uiteengezet in het eerste gedeelte van het tweede deel
zijner tweede uitgave, in hoofdzaak hetzelfde als in het derde stuk der eerste
uitgave en hij heeft zich daarbij naast de gedrukte bronnen tevens bediend van
tal van autentieke stukken, meest manuscripten, aanwezig in het
Rijksarchief.
Mr. Jhr. J.C. de Jonge moge in zijn ‘
Geschiedenis van | | | | het Zeewezen’ het onderwerp
in de meeste opzichten uitvoeriger hebben bewerkt, toch treft men de hoofdzaak
der verschillende onderdeelen ook in Backer Dirks aan en leest men bij dezen
zelfs bijzonderheden, die men te vergeefs in de Jonge zal zoeken. Bovendien
worden de zaken door
Backer Dirks op andere wijze ingekleed, heeft
hij zijn geheele boek door steeds vastgehouden aan het doel voor de adelborsten
een leiddraad voor de geschiedenis van het Zeewezen te verschaffen en daartoe
zich zoo veel mogelijk te bepalen tot het schetsen van het geheel, alles in
onmiddellijk verband met de staatkundige geschiedenis van het vaderland.
Wel jammer, dat in de tweede uitgave de aanhaling der bronnen in noten
onder aan de bladzijde is weggelaten. Ten eerste was daaraan het nut verbonden,
dat de belangstellende lezer beter aan zijne weetgierigheid kon voldoen, en ten
tweede viel er juister door te beoordeelen het gezag, dat men aan het
medegedeelde kan hechten.
De nauwgezetheid, waarmede Backer Dirks zijn geheele boek bewerkt
heeft, is mij ten duidelijkste gebleken door de inzage zijner nagelaten
papieren, dank de welwillende toestemming van mevrouw de Weduwe J.J. Backer
Dirks. Waar, om iets te noemen, eene aanhaling uit een of ander werk over het
Internationaal Zeerecht wordt gedaan, ziet men dat die berust op eene volledige
schets, over dat onderwerp, ontleend aan onderscheiden er over in het licht
verschenen werken. Dit nalezen der aanteekeningen van den overleden vriend
heeft mij nog te meer zijn arbeid op hoogen prijs doen stellen. Zulk net,
zakelijk en uitstekend geordend werk, dat, desnoods, aanstonds geschikt is voor
de pers, is voorbeeldeloos. Geen wonder dan ook, dat het verdere gedeelte
zijner geschiedenis van de Zeemacht van 1795 tot einde 1813 en | | | |
verder tot den tegenwoordigen tijd zich evenals het voorafgegane kenmerkt door
eene bij uitnemendheid heldere voorstelling van zaken. Met zeldzamen tact is
door het geheel één draad geweven; wordt alleen bij de hoofdpunten stilgestaan;
vindt men er de opvolgende tijdperken van het Zeewezen, hand aan hand met de
staatkundige geschiedenis met groote duidelijkheid beschreven, terwijl de
zeeslagen, expeditiën en afzonderlijke gevechten met scherpe kleuren worden
geteekend en de handelingen van eskaders en schepen tot oefening en
vlagvertooning, zonder ophef, op eenvoudige wijze zijn medegedeeld.
Als welsprekend staaltje van Backer Dirks' wijze van bewerking -
binnen het bestek van eene enkele bladzijde - zij gewezen op zijne beschrijving
van het gevecht tusschen ‘de Gelderland’ met 36 en het Engelsche fregat ‘de
Virginia’ met 46 kanonnen in den avond van den 19en Mei
1808. Men vergelijke dat verhaal met de beschrijving door Mr. Jhr. J.C. de
Jonge, die er zeven bladzijden aan wijdt. Toch verzwijgt Backer Dirks geen
enkel der voornaamste momenten van den strijd en schetst hij het, helaas te
veroordeelen gedrag van den commandant der ‘Gelderland’ ruim zoo volledig als
dit door Mr. Jhr. de Jonge wordt gedaan, niettegenstaande beiden dezelfde
bronnen hebben geraadpleegd. Het geheele werk door heeft Backer Dirks het
onmiskenbaar talent, de hoofdzaken in een scherp licht te stellen, zoodat de
lezing van zijn boek in algemeenen zin vruchtbaarder zal worden bevonden dan
die van het zoo veel uitgebreidere boek van de Jonge. Natuurlijk zal echter het
laatste beter in den geest vallen van hen, wiep het te doen is om alle
bijzonderheden te kennen, inzonderheid omtrent bepaalde personen. In dat
opzicht staat de ‘Nederlandsche Zeemacht’ | | | | van Backer Dirks zeker
verre achter bij de geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen door Mr. Jhr.
J.C. de Jonge. Beide schrijvers hebben trouwens een geheel verschillend bestek
voor hun werk gesteld, zooals ten duidelijkste blijkt uit het voorbericht der
twee boeken. En wel beschouwd heeft Backer Dirks inderdaad aanmerkelijk meer
gegeven dan men volgens zijn voorrede verwachten mag.
Niettemin is de onderstelling geenszins gewaagd, dat er
belangstellende lezers zullen zijn, inzonderheid onder hen, die aan een of meer
der expeditiën van de laatste halve eeuw hebben deelgenomen, die niet geheel
over het boek voldaan zijn, waar zij, wegens de door den schrijver gestelde
grens, veel onvermeld zullen vinden van hetgeen zij zelf hebben bijgewoond en
wat dus volgens hen te kort behandeld zal zijn. Zoo beslaat het verhaal van de
krijgsverrichtingen tegen Japan in 1863 en 1864 slechts één bladzijde, terwijl
het daarop betrekking hebbende werk van Jhr. F. de Casembroot ‘de Medusa in de
wateren van Japan’ honderd en vijftig bladzijden telt. Opmerking verdient het,
dat
Backer Dirks niet duidelijker de beteekenis
heeft doen uitkomen van het succes der in 1864 volbrachte expeditie - door onze
vier oorlogschepen Metalen Kruis, Amsterdam, Djambi en Medusa (respectievelijk
gecommandeerd door den Kapitein ter zee J.E. de Man en de Kapitein-Luitenants
ter zee J.P.G. Muller, P.A. van Rees en Jhr. J.F. de Casembroot) in vereeniging
met het Engelsch eskader onder den vice-Admiraal Kuper, een Fransch smaldeel
onder den contreamiral Juarès en een Amerikaansch schip onder bevel van Captain
Pearson. Naast de diplomatie is het aan het gezamenlijk optreden van die macht
tegen den Japanschen Prins Nagato in straat Simoniseki te danken, dat de
opening van Japan voor den wereldhandel duurzaam is bevestigd. | | | |
Neemt men in aanmerking dat bij ieder der drie Balische expedities en
de krijgsverrichtingen ter Westkust van Borneo mede slechts één bladzijde en
bij de expedities tegen Djambi, Reteh, Boni en Bandjermasin te zamen genomen
slechts op twee bladzijden werd stilgestaan, dan blijkt dat de schrijver in het
betrachten van kortheid bij de bespreking der krijgsverrichtingen in Indië,
over de laatste veertig jaren althans, zich zelven gelijk is gebleven. Hij
oordeelde dat genoemd tijdvak nog niet binnen het terrein der geschiedenis lag.
Aanmerkelijk uitvoeriger was Backer Dirks bij de vroeger voorgevallen
expedities tegen Algiers 1816, in de Molukken 1817-1818, tegen Palembang
1819-21 en op de Schelde 1830-32, zij het ook dat hij evenzeer hier sober is
geweest met de persoonlijke daden in het licht te stellen of zelfs in het
algemeen mededeeling te doen van den aan het personeel toegekenden lof en de
onderscheidingen voor de bij die krijgsverrichtingen bewezen diensten. Slechts
bij hooge uitzondering is dit gedaan voor de expeditie ter kuste van Guinée in
1869.
Keeren wij thans terug tot den verderen levensloop van
Backer Dirks, nadat hij in 1878 wegens
ziekte, onder toekenning van verlof het Koninklijk Instituut voor de Marine en
daarmede de gemeente
Helder voor goed heeft moeten verlaten.
Gelukkig mocht hij gaandeweg herstellen en zijne krachten weder dermate zien
toenemen, dat hij het volgende jaar, hoezeer niet meer in dezelfde betrekking,
in actieven dienst kon hersteld worden. Met denzelfden datum 1 October 1879,
waarop hem eervol ontslag werd verleend als leeraar, aanvaardde hij de
betrekking van Direkteur der modelkamer en der bibliotheek aan het Ministerie
van Marine. 15 Augustus 1883 bekwam hij als zoodanig op zijn verzoek den titel
van | | | | Commies. In 1886 verviel van zijn werkkring het beheer der
modelkamer, wegens het reeds sedert 1883 gaandeweg overbrengen van het
meerendeel der modellen en antiquiteiten naar het Rijksmuseum te Amsterdam. Van
de laatste categorie zij te dezer plaatse in herinnering gebracht het
wapenschild van den spiegel van de in 1667 veroverde Royal Charles en de
verzameling voorwerpen door Heemskerk en Barends in 1597 na de overwintering op
Nova-Zembla achtergelaten en daar bijna drie eeuwen lang onder de sneeuw
begraven geweest tot Sept. 1871, toen zij door den Deenschen Kapitein Carlsen
zijn teruggevonden. In hetzelfde jaar werden zij verkocht aan den Engelschman
Ellis C. Lister Kay, van wien zij eenige jaren later door tusschenkomst van den
Ned. Gezant te Londen, Graaf van Bijlandt, en van den Minister van
Buitenlandsche Zaken Baron Gericke in eigendom zijn overgegaan aan den
Nederlandschen Staat.
Als Bibliothecaris was Backer Dirks tevens belast met de redactie van
het jaarboekje der verrichtingen van Z.M. Zeemacht. Hij heeft daarvan de
jaargangen bewerkt van 1879-80 tot 1888-89. 1 October 1890 werd Backer Dirks
wegens hoogen leeftijd eervol ontslag verleend, onder toekenning van
pensioen.
Kort te voren had Backer Dirks de groote voldoening gehad den reeds
bovengenoemden tweeden druk van zijn geschiedboek over de Nederlandsche
Zeemacht in het licht te zien komen. Daargelaten het omvangrijke van den
arbeid, bracht deze druk eene verbetering van het boek, als bijgewerkt tot den
tegenwoordigen tijd, terwijl met deze nieuwe uitgave, bij de firma gebroeders
van Cleef, het voortbestaan van het werk voor den schrijver gewaarborgd werd,
hetgeen bij den eersten druk niet het geval was. | | | |
Wel verre van na zijne pensionneering rust te gaan nemen heeft Backer
Dirks ook nog daarna met den tijd gewoekerd en in zijne drie laatste
levensjaren zooveel mogelijk vruchten van zijn arbeid ten beste blijven geven.
Achtereenvolgens zagen nog van zijne hand het licht: ‘
Uit den Franschen tijd’ en ‘
Nagelaten herinneringen van den Vice-admiraal Jhr. A.C.
Twent’ beide in het letterkundig tijdschrift
Nederland en ‘
Het verloren scheepsjournaal van Z.M. linieschip Prins
Frederik’ (1816-1820) bij de gebroeders van Cleef te 's Gravenhage in
1892, terwijl nog verscheidene artikelen, meest geteekend met de initialen
B.D., in het Algemeen Handelsblad en het Dagblad van Zuid-Holland en
's-Gravenhage zijn verschenen. Inzonderheid verdienen daarvan vermelding: - in
het Dagblad - de Koloniale Marine (15 en 16 October 1891), Leerplicht (21 Juni
1892), Eerebetoon in den ouden tijd (3, 4, 10, 11 Juli 1892), Maar wat dan (21,
22, 28 en 29 Aug. 1892), Hedendaagsche realisme (9, 10, 16 en 17 April 1893),
Praatje over ambtenaren (14, 15, 21 en 22 Mei 1893), Klaas Klim's reis (28 en
29 Mei en 4 en 5 Juni 1893) en - in het Handelsblad - de taal onzer vonnissen
(4 Juni 1893), Begin der stoomvaart (1 Augustus 1893) en De toeneming der
stoomvaart (20 Oct. 1893).
Onvoltooid is helaas gebleven, om redenen mij onbekend, eene verkorte
geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen, waarvan het handschrift gereed was
tot het einde der zeventiende eeuw. Dit was hoofdzakelijk bestemd tot leerboek
voor de lichtmatrozen aan boord van Z.M. Opleidingsschip Admiraal van
Wassenaer. De toenmalige commandant, wijlen de Kapitein W. Steffens had daartoe
de impulsie gegeven en blijkens de hierover gevoerde correspondentie was die
verdienstelijke zeeofficier | | | | in hooge mate met het geschiedboek,
voor zoover gereed, ingenomen.
De laatste arbeid van
Backer Dirks is geweest een stuk gesteld:
Otto Willem Gobius 1791 tot 1795. Eene belangrijke historische bijdrage uit het
leven van genoemden Kapitein ter zee als Commandant van 's lands fregatten
Brielle en Castor, geheel gereed voor de pers. Deze Gobius is dezelfde die na
het herstel van Neerlands onafhankelijkheid als Schout-bij-nacht, Vice-Admiraal
en Luitenant-Admiraal de betrekking heeft vervuld van Directeur en Commandant
der Marine te Vlissingen en wiens naam nog onlangs in herinnering is gebracht
bij de eerste steenlegging voor de nieuwe standplaats van het monument ter
herdenking van den onsterfelijken Michiel Adriaanszoon de Ruyter door den
Kapitein ter zee titulair, inspecteur van het loodswezen te Vlissingen J.C. de
Ruyter de Wildt.
Behalve het hier genoemde geschrift over Gobius bleven nog
onuitgegeven een opstel over den Belgischen opstand en ‘
De Nederlandsche letterkunde tot het einde der zeventiende
eeuw’. Voor zijn ijver op het gebied der letteren pleit nog dat Backer
Dirks van 1859 tot 1861 eene degelijke studie heeft gemaakt van het Latijn,
onder leiding van den doopsgezinden leeraar te Helder, P. Douwes Dekker.
In de vele beoordeelingen, door Backer Dirks geschreven (zie de
bijlage), doet hij zich kennen als man van groote algemeene kennis en
onmiskenbaar vernuft, die vooral een scherp oog had voor de eischen onzer
Nederlandsche taal - menige schrijver zal hem in gedachte dank weten voor de
zoo nauwkeurige als ook leerrijke correctie zijner drukproeven - en bij eigen
groote verdienste op het gebied der geschiedenis de kennis van anderen naar
waarde | | | | wist te schatten. Zonder te plooien wees hij zoo noodig op
fouten, maar wist ook met een warm hart ware verdiensten te prijzen.
Van zijn eigen arbeid mocht Backer Dirks de voldoening inoogsten
zijner benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te
Leiden 18 Juni 1868, tot lid van het Utrechtsch Historisch genootschap 9
Januari 1871 en tot ridder der orde van de Eiken Kroon 12 Maart 1871.
In het familieleven heeft
Backer Dirks veel geluk ondervonden. Moest
hij, gelijk in den aanvang gemeld is, reeds op negentienjarigen leeftijd zijn
vader verliezen, zijne moeder, eene lieve en zeer verstandige vrouw, mocht hij
daarentegen tot op hoogen ouderdom behouden; zij overleed te Dordrecht 16
October 1869. Getuige de levendige briefwisseling tusschen beiden, was de band
tusschen moeder en zoon buitengewoon innig en hartelijk.
Den grootsten zegen mocht hij ondervinden door een gelukkig huwelijk
met Mejuffrouw Anna Maria Clasina Thierens, met wie hij zich in den echt
verbond in 1880 en die hem vijf kinderen schonk, waarvan drie in leven Cornelis
Pieter (geb. 13 Febr. 1883), Jacobus Johannes (geb. 19 Febr. 1886) en Ida Sara
(geb. 2 April 1887).
Mogen zij zich steeds spiegelen in het voorbeeld van hunnen
hoogstverdienstelijken vader; in den vollen zin van het woord zoo
navolgingswaardig.
Immer hulpvaardig, mild in zijne levensopvatting en zacht in zijn
oordeel jegens anderen, was Backer Dirks altijd streng voor zich zelf,
bescheiden in doen en laten, werkzaam tot zijn laatste levensuur en een trouw
en liefhebbend echtgenoot en vader.
Zijn minzaam karakter ging daarbij gepaard aan eene onveranderlijke
opgewektheid, hoezeer hij lichamelijk vaak | | | | veel heeft moeten
lijden. Gelukkig bleef hij gespaard van een langdurig ziekbed.
Tot kort voor zijn dood verkeerde hij in den huiselijken kring en nog
den dag voor zijn overlijden was hij werkzaam voor de pers, ja, vleide hij zich
dat de ongesteldheid slechts van voorbijgaanden aard zoude zijn. Helaas mocht
het echter niet zoo wezen. Een zachte doodstrijd maakte 's anderen daags - den
30 November 1893 - een einde aan zijn welbesteed leven, diep betreurd door gade
en kroost.
4 December werd de trouwe vriend in stillen eenvoud op de
begraafplaats Eikenduinen bijgezet.
's-Gravenhage, 1 September 1894.
H. Dyserinck.
| | | |
| |
Lijst der boekwerken aangekondigd door J.J. Backer
Dirks.
In de Vaderlandsche Letteroefeningen:
Zielkundig-historische inleiding ter algemeene en Nederlandsche
taalkennis, tweede druk, door Dr. J. van Vloten.
Proeven van woordverklaring, door Dr. W.L. van Helten.
De volkstaal in Noord-Holland, inhoudende eene lijst van woorden, die in
deze provincie meer of minder gebruikelijk zijn, door J. Bouman.
Geschiedenis van het Consulaat en het Keizerrijk, door A. Thiers. Uit
het Fransch vertaald.
Nederland tijdens den volksopstand tegen Spanje, 1564-1581, naar de
oorspronkelijke bescheiden, door Joh. van Vloten.
Taalkundige opstellen van Mr. A. Bogaers, uitgegeven door Dr. W.G.
Brill.
Simon Gorter's Letterkundige studiën.
Dr. J. van Vloten, Aesthetika of leer van den kunstsmaak, naar uiten
inheemsche bronnen voor Nederlanders bewerkt. Tweede druk.
Dichtwerken van Mr. Hieronymus van Alphen, volledig verzameld en met een
levensbericht van den dichter verrijkt door Mr. J.L.D. Nepveu. -
Volksuitgave.
Mare clausum. Bijdrage tot de geschiedenis der rivaliteit van Engeland
en Nederland in de zeventiende eeuw, door Mr. S. Muller Fz.
De vereenigde Staten van Noord-Amerika, eene geschiedkundige schets.
Naar het Engelsch van Robert Mackenzie, door C. Koning Altman.
De tachtigjarige oorlog, een volksleesboek door N.W. Posthumus.
De Delftsche wonderdokter, door Mevr. A.L.G. Bosboom-Toussaint, tweede
druk.
Hanna de Freule, door J.J. Cremer.
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, door Dr. W.J.A. Jonckbloet.
Tweede, geheel omgewerkte uitgave.
Neerlands letterkunde in de negentiende eeuw. - Bloemlezing, ten
gebruike bij de beoefening onzer letterkunde, door J.P. de Keyser.
| | | |
Handelingen van het XIIe Nederlandsch taal- en letterkundig congres,
gehouden te Middelburg, den 3, 4 en 5 September 1872.
Geschiedenis van Nederland na 1830, met aanteekeningen en onuitgegeven
stukken, door Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper.
De vorsten en bewindvoerders van al de oude en nieuwe staten der wereld,
met geschied- en aardrijkskundige mededeelingen, mitsgaders opgave van al de
voormalige en nog bestaande geestelijke en wereldlijke ridderorden, door P.A.
van den Bergh.
In memoriam. Tafereelen uit Holland's tachtigjarigen strijd.
| |
In het Leeskabinet.
Wittenberg en Rome. - Kloosternovellen uit Luther's tijd door Gustav
Kühne. Uit het Hoogduitsch bewerkt door W.J.N. Landré.
In vuur en stormwind. - Historisch-Romantische verhalen, door W.N.
Wolterink.
Een strijd om Rome. - Historische roman door Felix Dahn, uit het Duitsch
vertaald door G.T.B.
|
1A.C. Dirks, reeds op 34-jarigen leeftijd in
October 1864 te Dordrecht overleden, was apotheker en een niet onverdienstelijk
bellettrist. J. Th. Dirks leefde van 1833 tot 1892 en was ijker te
Dordrecht.
1Vier jaar voor zijne komst te Delft was
Bruining apprenti-marin en buitengewoon adelborst aan boord geweest.
1In den tweeden en laatsten jaargang 1859
schreef (Backer Dirks: ‘De strijd voor Tabago door commandeur Jacob
Binckes’.
|
|