Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1895


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1894-1895. E.J. Brill, Leiden 1895  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 63]

Levensbericht van Mr. Dr. Pieter Romeyn.

Door mevrouw de weduwe van mijn vriend Romeyn werd ik uitgenoodigd om een woord over haar echtgenoot te schrijven in de Levensberichten onzer Maatschappij, waarvan hij sedert 1868 lid was. Ik meende dit niet te mogen afwijzen, vooral omdat hij zelf enkele merkwaardige punten had opgeteekend, met verzoek om mij die na zijn overlijden toe te zenden, als aanvulling der korte biographie in de door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen uitgegeven levensberichten. Mijne bekendheid met hem dagteekent van 1866, toen hij benoemd werd tot Directeur der Rijks-Hoogere-Burgerschool te Middelburg en ik hem ontmoette in de gezellige leeskamer van het Museum Medioburgense, waar hij dagelijks de tijdschriften kwam inzien, en zijn langzame gelijkmatige stap reeds in het voorhuis zijne komst kenbaar maakte. Ik herinner mij goed hoe zijne kloeke gestalte, zijn vriendelijk voorkomen, zijn heldere blik, zijn eenvoudige maar beschaafde manieren dadelijk uitnemenden indruk maakten, en hoe ik spoedig zijn gansch niet alledaagsche kunde, zijn bezadigd oordeel en zijn trouw hart leerde waardeeren. De vriendschap toen

[p. 64]

ontstaan, heeft tot zijn dood voortgeduurd en nog zeer kort vóór zijn verscheiden ontving ik een hartelijken brief. Er was wel eens aanleiding om met Romeyn over levensberichten van gedachten te wisselen en hij placht dan te zeggen hoe men zich daarbij, naar zijne meening, zooveel doenlijk bij feiten moest bepalen, daar men anders licht gevaar liep om te verzeilen op een der vele klippen, welke bij het beoordeelen van iemands karakter in het vaarwater liggen. De mensch is toch niet alleen voor anderen, maar ook doorgaans voor zichzelf een raadsel en alleen God, de kenner der harten (want Romeyn was een vrijzinnig, doch geloovig man) kan de werkelijkheid van ons bestaan geheel doorgronden.

Pieter Romeyn werd den 7den September 1810 geboren te Zevenhuizen (Z.-H.) uit H. Romeyn, een zeer welgesteld en ontwikkeld landbouwer aldaar en J. van Duren, eene voortreffelijke huisvrouw en de spil van een talrijk gezin, die vooral bij de opvoeding harer bekwame zonen heeft getoond wat de zorg eener moeder vermag.

Pieter kreeg, even als zijne broeders, een voor dien tijd uitnemende opleiding, eerst bij een bekwaam schoolhouder te Waddingsveen en vervolgens bij den bekenden onderwijzer F.H. van Iterson te Schoonhoven. Daar zijnde, gaf hij den wensch te kennen om te gaan studeeren en zich aan het onderwijs te wijden. Zijne ouders willigden die begeerte in en in 1823 werd hij naar de Latijnsche school te Rotterdam gezonden. Door het vertrek van den kundigen conrector P. van Limburg Brouwer, die opvolger werd van professor J. Kinker te Luik, verloor de Erasmiaansche-School zeer veel en vooral het onderwijs in het Grieksch liet te wenschen over. In December 1827 werd Romeyn voor de Hoogeschool bekwaam geoordeeld en vertrok kort daarop naar

[p. 65]

Leiden. Het was zijn streven om zich op de letteren toe te leggen, maar zijns vaders vertrouwlijke vriend en ook vaak Pieter's raadsman, de schrandere predikant Jan Scharp te Rotterdam, was van oordeel dat deze studie te weinig uitzichten opleverde voor een redelijk maatschappelijk bestaan, waarom het, naar hij meende, verstandig zou wezen, indien de begaafde jongeling daarmede tevens de studie der rechten verbond. Die raad werd opgevolgd en hij begon met de letteren, waarin hij spoedig als een veelbelovend en vlijtig student bekend en geacht was. In 1832 werd hem eene betrekking aangeboden als huisleeraar bij eene aanzienlijke familie te Deventer. Eerst was zijn vader daar weinig mede ingenomen, doch gaf toe, toen de zoon beloofde zich aan het atheneum aldaar als student in de rechten te zullen doen inschrijven. Op aanbeveling van professor Cock kwam Romeyn in kennis met professor Duymaer van Twist, die hem geheel belangloos wekelijks een uur bij de studiën der rechten voorthielp, en met wiens broeder, den lateren gouverneur-generaal van Ned. Indië, een vriendschap werd aangeknoopt, welke levenslang heeft voortgeduurd. Dat Romeyn in de meeste zoogenoemde testamonium-vakken te Leiden examen moest gaan doen, eischte van hem eenigszins meer kennis dan de meeste studenten zich destijds van die deelen der wetenschap eigen maakten, want het verkrijgen der noodige getuigschriften was toen in den regel meer kostbaar dan eervol. Zoo kwam hij tot de studie der staathuishoudkunde en van het staatsrecht, welke hem later bij eene breedere opvatting der geschiedenis, onschatbare diensten heeft bewezen. De jaren te Deventer doorgebracht, bleven onvergetelijk en vooral de vriendelijke herinnering aan den omgang met mannen als professor

[p. 66]

Hugo Beijerman en den leeraar der Doopsgezinden Justus Hiddes Halbertsma. Voor zijne beide dissertatiën, die hij meest te Deventer bewerkte, deed hij op raad en met bijzondere aanbevelingen van professor J. Geel eene reis naar Parijs, waar hij in de Koninklijke Bibliotheek een aantal belangrijke handschriften over den Latijnschen blijspeldichter Marcus Accius Plautus kon bestudeeren, vergelijken en gedeeltelijk afschrijven. In 1836 werd hij te Leiden bevorderd tot doctor in de beide rechten op een proefschrift over Plauti fabulae jure civili illustratae en te gelijk tot doctor in de klassieke letterkunde over den Pseudolus van Plautus met aanteekeningen. Naar de gewoonte van dien tijd ging hij, op aandrang van zijn vader, in den bekenden gekleeden rok, korte broek en met steekhoed en degen getooid, zijn sierlijk gebonden dissertatiën op de gewone Woensdagsche audientie aan Koning Willem den Eerste aanbieden. Toevallig was hij hier getuige van een kenmerkenden uitval des Vorsten, welke een diepen indruk maakte en dien hij gaarne placht te verhalen. Terwijl Romeyn in de voorzaal wachtte, was de deur, voerende naar het vertrek waar de Koning stond, onopzettelijk half open gebleven, zoodat Romeyn van woord tot woord verstaan kon, wat daar gesproken werd. Het was in de dagen der vervolging van de zoogenoemde afgescheidenen uit de Nederlandsche Hervormde Kerk, en een welbespraakte, doch eenigszins ruwe Friesche boer was bezig om in zijn eigenaardigen tongval den Vorst te betoogen, hoe onbillijk het was om zijne geloofsgenooten te vervolgen op grond eener verouderde wet uit den Franschen tijd, welke zelfs door de Rechtbank te Amtserdam voor ongeldig was verklaard. Die opmerking pakte, want nauwlijks had de man dit gezegd, of de

[p. 67]

Koning viel hem in de rede, driftig uitroepende: ‘Zulk een Rechtbank is een schande voor Amsterdam!’ De boer antwoordde niets meer en droop af en toen de jonge doctor daarop werd binnengelaten, scheen de Vorst nog zóó uit zijn humeur, dat de mooie boekjes slechts met eene nauw merkbare hoofdbuiging werden aangenomen.

Kort na de promotie werd Romeyn tot conrector te Gouda benoemd, nadat hij reeds vroeger een voorstel om praeceptor der Middelburgsche school te worden, had afgewezen. Te Gouda kwam hij spoedig in aanraking met het maatschappelijk leven, wat hem wel veel tijd roofde, maar ook gelegenheid verschafte om nuttig werkzaam te wezen en zijn blik op de samenleving verruimde. Hoe gelukkig hij zich ook te Gouda gevoelde, meende hij in 1843 een aanbod van den burgemeester van Gorinchem, den bekenden dichter Mr. Abraham Boxman, niet te mogen afwijzen om hem aan den Stelijken Raad als rector voor te dragen, waarop eene benoeming spoedig volgde.

Hier was Romeyn, hoewel op eene geringe bezoldiging, doch met een geschikte vrije woning en grooten tuin, met lust werkzaam. In 1844 trad hij in het huwelijk met mejuffrouw H.M.C. Stoelendraayer, welke echt kinderloos bleef. Daar zijn huis uitnemend ingericht was om kostleerlingen aan te nemen, werd daartoe overgegaan: een besluit, dat een rijke bron van voldoening werd, dewijl opvoeden in den edelsten zin van het woord altijd zijn lust en leven was. Hij heeft dan ook het voorrecht genoten, dat de meesten zijner jeugdige huisgenooten mannen van aanzien in Kerk en Staat zijn geworden en dat de vriendschap, toen met hun leermeester aangeknoopt, altijd heeft voortgeduurd.

In die dagen kon hij zich veel aan zijne leerlingen

[p. 68]

wijden, daar het getal dagscholieren niet groot was en gemiddeld twintig bedroeg, en hij ook nog een onderwijzer in de wiskunde tot hulp had. De omvang van het onderwijs op die ouderwetsche Latijnsche scholen was, gelijk ieder weet, veel kleiner dan op de tegenwoordige gymnasiën, maar toch was het toen reeds schier ondoenlijk om alleen behoorlijk onderricht te geven in de beide oude talen en aanverwante vakken; welk bezwaar echter tot lichtzijde had, dat de leerlingen vijf jaren met denzelfden docent te doen hadden.

Natuurlijk kon niet aan alle klassen te gelijk onderwijs worden gegeven, maar de rector liet de eene afdeeling wat later komen en de andere wat vroeger heengaan, welke regeling bijzonder goede uitkomsten gaf. De leerlingen behoefden dan zoolang niet achter elkander te zitten en ook kon het huiswerk over de dagen der week regelmatiger worden verdeeld, wat in de tegenwoordige gymnasiën, met veel meer leervakken en onderwijzers, onmogelijk tot stand te brengen is. De rector stond in zeer aangename verhouding tot curatoren. Zoo keurden zij het terstond goed, dat het dagelijksch formulier-gebed bij den aanvang der lessen werd afgeschaft, daar het tot veel meer ontstichting dan tot verheffing van den vromen zin aanleiding gaf; evenzoo werd op voorstel van den rector ingetrokken de jaarlijksche plechtige prijsuitdeeling, in den grond der zaak eene onbeduidende praalvertooning. Toen er namens de Hooge regeering van ter zijde op aangedrongen werd om bij het onderwijs meer latijn te spreken, kon de rector zich daarmede niet vereenigen en bleef zulks dan ook beperkt tot enkele lessen in de hoogste klasse. Over de leerlingen had hij in den regel niet te klagen. Geleid door een oprecht en eenvoudig karakter, zacht in de be-

[p. 69]

oordeeling van anderen, bezat hij in zeldzame mate de gave om zonder streng te wezen, toch goede orde te bewaren, waarbij nog kwam bijzondere aanleg om afgetrokken droge onderwerpen door boeiende opmerkingen als het ware te verfrisschen en aangenaam te maken.

In 1852 werd Romeyn tot schoolopziener benoemd, welk ambt hij tot zijn vertrek uit Gorinchem vervulde. Voor die betrekking was hij uitnemend geschikt, want zijn hart klopte van belangstelling voor onderwijs, en hij hield het er voor, dat de eigenlijke volksbeschaving van de lagere school uitgaat. Iedere gulden op dat onderwijs beknibbeld, placht hij te zeggen, kost aan de maatschappij minstens viermalen zooveel aan armverzorging, rechtszaken en gevangenissen. De meer dan zestig scholen in zijn distrikt bezocht hij zooveel doenlijk, en spoedig na zijn optreden waren de onderwijzers overtuigd, dat zij geen verstandiger raadsman en toegenegener vriend hadden dan hun schoolopziener. Zij waardeerden hem hoog, niet alleen om den rijkdom van zijn geest, maar ook om de goedheid van zijn hart, en gevoelden hoe na ieder zijner schoolbezoeken hun eigen macht ten goede versterkt was. Bij het onderricht stelde hij tot regel weinig, maar dat weinige zoo goed mogelijk, en drong er vooral op aan om in de school kalm en bezadigd te blijven, daar overhaasting licht tot hevigheid voerde en de ervaring hem geleerd had, hoe men met geweld weinig, maar door zachtheid en geduld ongelooflijk véél tot stand kan brengen; terwijl bovendien een vriendelijk woord weinig kost, maar in den regel veel waard is. De treurige gevolgen van het schoolverzuim, bovenal op het platte land, vielen hem spoedig in het oog en toen het Hoofdbestuur der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen hem verzocht zijne gedachten daarover mede te

[p. 70]

deelen, schreef hij een opstel: Wat te doen tegen schoolverzuim? en in 1863 eene brochure: Schoolverzuim en wettelijke schoolplicht, waarop in 1866 volgde: Wat is er van de klachten over het lager onderwijs? Deze geschriften werden naar het standpunt der beoordeelaars verschillend beschouwd, doch nog meer liep het gevoelen uiteen over zijne in 1871 te Schoonhoven uitgegeven brochure: Godsdienstonderwijs op de school. Romeyn die gewoon was jaarlijks in de vacantie buitenlandsche reizen te doen, had opgemerkt dat, terwijl bij andere volken schier overal het onderwijs in den godsdienst een deel van het schoolprogram uitmaakt, dit in ons land geheel ontbreekt en hij trachtte nu de vraag te beantwoorden of Nederland daardoor vooruit is dan wel achterlijk. Hij beschouwde het steeds als een plicht om in het openbaar uit te spreken wat hij voor waar en goed hield en zóó getuigde hij ook in dit geschrift, hoe, naar zijne innige overtuiging, de levenskracht van een volk afneemt, naar mate het vertrouwen vermindert in een naar volmaking strevend christelijk beginsel, en het godsdienstig geloof wegsterft. De schrijver had er op gerekend om onzacht te worden aangevallen, maar dit geschiedde niet en zelfs de kerkelijke pers nam van zijn werk geen kennis, waaruit hij opmaakte, dat de openbare meening ten opzichte van dit punt geheel ongevoelig was, gelijk hij vroeger, ook op onderwijzers-vergaderingen, reeds had vermoed. Terwijl sommigen zijner vrienden met zeker medelijdend schouderophalen kennis namen van zijne zienswijs, was het hem eene groote vergoeding, dat een zoo bevoegd beoordeelaar als de oude professor P. Hofstede de Groot te Groningen hem schreef nooit gedacht te hebben dat twee menschen over een zaak zóó eenstemmig konden zijn. Hoewel de brochure

[p. 71]

zeer was verspreid, oordeelde Romeyn dit doodzwijgen vooral te kunnen toeschrijven aan zijne ervaring, dat geleerde en schrandere mannen, wier opleiding uitsluitend eene staatkundige richting heeft gehad, doorgaans even eenzijdig ontwikkeld zijn ten opzichte van kerken dogmengeschiedenis, als bekwame kerkelijke personen in zaken van staatsbestuur, waarbij men geneigd zou zijn te denken aan waarheden, alleen door het gemoed te verstaan.

Romeyn had, gelijk gezegd is, de droevige gevolgen van schoolverzuim vooral op het platte land gezien en was dus een vurig voorstander van het Schoolverbond, door professor Pieter Harting en zijn broeder Dr. Dirk Harting te Utrecht in October 1869 tot stand gekomen. Evenals die stichters was hij echter van oordeel, dat er overwegende bezwaren bestaan tegen de invoering van schooldwang, waarop door sommigen toen reeds werd aangedrongen. Deze overtuiging gaf aanleiding, dat hij in 1873 te Middelburg een vlugschrift uitgaf onder den titel: Een slecht middel voor een goed doel.

In weerwil van den ijverigen en bekwamen rector begon echter de latijnsche school te Gorinchem, gelijk in de meeste kleine steden, te kwijnen en kwam zelfs eene opheffing in den gemeenteraad ter sprake. Dit gaf aanleiding dat zijn vriend Dr. J.D. Steyn Parvé, toen Inspecteur bij het Middelbaar Onderwijs, hem namens den Minister Heemskerk aanbood om professor C.A. Engelbregt als Directeur der Rijks-Hoogere Burgerschool te Middelburg op te volgen. Hoewel het hem niet weinig kostte om Gorinchem te verlaten, waar hij onder andere betrekkingen ook Plaatsvervangend-Kantonrechter was, meende hij dit vereerend en voordeelig aanbod niet te mogen afwijzen. In het laatst van 1866 aanvaardde

[p. 72]

Romeyn dien nieuwen werkkring, waardoor eene groote verandering werd gebracht in de richting zijner studiën, welke zich nu meer bepaalden bij de algemeene geschiedenis. Het onderwijs in de hoogste klasse nam hij geheel op zich, doch ook in de overige klassen gaf hij iedere week een uur les in de Nederlandsche taal, om zoodoende met alle leerlingen in aanraking te komen en kennis te maken. Zijn lessen waren, gelijk vroegere leerlingen mij verzekerden, altijd belangrijk en hij schroomde niet om, als in de hoogste klasse het onderwerp er aanleiding toe gaf, diep in te dringen en met warmte zijne overtuiging uit te spreken, hoewel steeds met den raad van Spinosa voor oogen, om niet onbepaald te bewonderen, nog minder te verguizen, doch slechts naar begrijpen te trachten.

Dat een man als Romeyn door de Inspecteurs Steyn Parvé en Salverda hoog werd geschat, bleek hoe hij meer dan eens geroepen werd in de Commissie der acten-examens voor Middelbaar Onderwijs, en dat de Minister Thorbecke hem tweemalen benoemde tot voorzitter der Commissie voor de letterkundige vakken. Ook de leiding van het eind-examen der middelbare scholen in Zeeland werd hem herhaaldelijk opgedragen. Als voorzitter was hij in al die commissiën steeds de rechte man op de juiste plaats. Zijn uitgebreide kennis, helder oordeel, nauwgezetheid en strikte onpartijdigheid deden hem door zijne medeleden hoogschatten, terwijl kalme leiding, gemoedelijkheid en vriendelijke toespraak de te onderzoeken kandidaten rustig en vrijmoedig maakten die ook bij hem ondervonden, dat een schrander denker en scherp opmerker doorgaans een toegevend rechter is.

Dat een man zóó kundig, zóó vol toewijding en onbaatzuchtige plichtsbetrachting in Middelburg spoedig op-

[p. 73]

gemerkt werd, sprak van zelf. Het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen benoemde hem in 1869 tot lid, en als voorzitter der toen nog bestaande Historische-Sectie wist hij altijd iets nieuws en belangrijks in eenvoudige, doch boeiende vormen mede te deelen en tevens aan de samenkomsten een gezelligen toon te geven. Van de Schoolcommissie werd hij lid en weldra voorzitter en ijverde daarin tot verbetering van het openbaar en zooveel mogelijk ook van het bijzonder onderwijs. De vereeniging tot wering van schoolverzuim koos hem tot president, als ook een gezelschap dat hij had opgericht tot bespreking van maatschappelijke vraagstukken. Van vele tijdelijke commissiën o.a. in 1872 tot regeling van het XIIe Taal- en Letterkundig Congres was hij een belangstellend lid.

Zijne gezondheid begon wankelend te worden en daar hij gevoelde hoe hij zijne betrekking niet meer met de vroegere opgewektheid kon waarnemen, besloot hij in 1878 ontslag te vragen en zich in Leiden te vestigen. Vier jaren te voren was zijne echtgenoote, na lang zielsen lichaamslijden te Middelburg gestorven en haar heengaan hief een kommervolle zorg voor hem op. Drie jaren later hertrouwde hij met mejuffrouw C.C. van Oeveren, wier liefde hem het einde van den levensweg effen maakte, en uit welken echt een zoon en eene dochter geboren werd.

Romeyn was geen man om zijn leven werkeloos door te brengen en zoo lang mogelijk stak hij dan ook de helpende hand toe aan jonge lieden, die zijne hulp bij hun studiën inriepen. Om dezen leerlingen een geschikten leiddraad bij het beoefenen der geschiedenis te verschaffen, schreef hij een werkje: Hulp bij geschiedenis-studie, dat in 1885 te Leiden het licht zag. Dit boekje, hoewel

[p. 74]

klein van omvang, bevat een schat van wetenswaardige zaken en kan dienstig zijn voor menigeen, die een meer dan oppervlakkige kennis van algemeene geschiedenis wenscht te verkrijgen. Zes jaren later besloot hij zijn arbeid voor de pers en gaf op een-en-tachtig-jarigen leeftijd uit: Drie forsche karakters (Jeremias de profeet, Phocion en Cato van Utica). Die grootsche figuren uit een grijs verleden weet hij door heldere redeneering in eenvoudigen stijl, als het ware, te doen herleven, terwijl hij de beide laatsten verdedigt tegen de ongunstige beoordeelingen van Grote, Curtius en Mommsen. In dien tijd herzag hij ook de vroeger reeds voltooide overzetting der redevoeringen van Demosthenes en van Aeschines over de Kroon. Hoewel deze werken geheel voor de pers gereed waren, zag hij van de uitgaaf af, daar zij niet konden verschijnen zonder verklaring en deze zou niet anders kunnen zijn, dan naschrijven van voortreffelijk werk van anderen.

Lang reeds had Romeyn aan pijnlijke gewrichtsaandoening geleden, waarom hij gewoonlijk jaarlijks de een of andere badplaats ging bezoeken. In 1883 herhaalde zich die ongesteldheid zóó sterk, dat hem het gaan schier ondoenlijk werd, zoodat hij de laatste elf jaren zich slechts met inspanning tusschen stoel en legerstede bewegen kon. Kloekmoedig, welgehumeurd en met ongeschokt geduld droeg hij toenemend smartelijk lichaamslijden en hulpbehoevendheid, nog verergerd toen zijn gezichtsvermogen verminderde en hevige benauwdheden hem soms kwelden. De liefde van vrouw en kinderen wierp zonnestralen op zijn vaak donker pad. ‘Niet klagen maar dragen, schreef hij mij in een zijner laatste brieven, en werken zoolang het nog dag is.’ Dat heeft hij dan ook gedaan en slechts enkele uren vóór

[p. 75]

zijn verscheiden zag hij nog vertaalwerk zijner dochter na.

In den avond van den 21sten September kwam de dood, dien hij lang, zeer lang had zien naderen, het verzwakte en versleten lichaam sloopen en deed hem zacht insluimeren. Vier dagen later werd zijn stof ter ruste gebracht, vergezeld van vele oude vrienden, waaronder dankbare leerlingen, die hem waren blijven hoogachten en liefhebben.

Met Mr. Dr. Pieter Romeyn ging een man heen, die bij het einde van den aardschen weg, op een werkzaam en welbesteed leven kon terugzien.

 

Utrecht, April 1895.

F. Nagtglas.