Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1895


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1894-1895. E.J. Brill, Leiden 1895  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 76]

Levensbericht van Dr. M.A.G. Vorstman.

Onder den titel van ‘Stillen in den lande’ schreef ik reeds voor een onzer tijdschriften een opstel over Dr. Vorstman en zijne echtgenoote, Isabelle Catharine Perier. Beiden, door een echt van bijna vijf en zestig jaar verbonden, vormden in hun leven en werken zóó één onafscheidelijk geheel, dat ik moeielijk een beeld van den emeritus-predikant der Hervormde Kerk te Gouda kon schetsen, zonder dat van zijne vrouw er mede te verbinden. Met verwijzing naar genoemd opstel, meen ik dan ook voor de ‘Levensberichten der afgestorven leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde’ te kunnen volstaan met de herinnering der hoofdbijzonderheden van Vorstmans zeer eenvoudigen levensloop. Ik ontleen die voor 't grootste deel aan een brief, welken zijne vier en tachtigjarige weduwe mij schreef, kort na het overlijden van haren zoo hartelijk geliefden echtgenoot.

Marius Antonius Gisbertus Vorstman zag den 19den October 1805 het levenslicht te Nederhemert, waar zijn vader Jan Gijsbert hervormd predikant was. Zijne moeder Maria Dorrepaal stierf weinige dagen na de geboorte van haar eerste kind. De vader hertrouwde met Maria Catharina Zoutmaat (12 Juli 1807) na inmiddels de Neder-

[p. 77]

hemertsche gemeente met die van Dreischor te hebben verwisseld. Niet lang intusschen bleef de jeugdige Marius in de ouderlijke woning. Zijne bloedverwanten van moeders zijde, die in de nabijheid van Leiden woonden, drongen er sterk op aan, dat de knaap eene Hollandsche en geen Zeeuwsche opleiding zou krijgen, daar in dien tijd de dorpsscholen in Zeeland zeer veel te wenschen overlieten. De eenige zuster der vroeg gestorvene Maria Dorrepaal, gehuwd met den verdienstelijken onderwijzer der Haagsche departementsschool, Herman Johannes Beekman, was bereid de moederlijke zorg op zich te nemen. Na al de klassen dezer school te hebben doorloopen ging Marius naar de Latijnsche school en werd op ruim zestienjarigen leeftijd student in de letteren en de theologie aan de hoogeschool te Leiden. Reeds na verloop van twee jaren deed hij zijn candidaatsexamen in de klassieke letteren (19 Juni '24); de liefde tot haar is hem bijgebleven tot zijnen dood. Een jaar later volgde zijn candidaats in de theologie ‘summis cum laudibus’. Naar eigen verkiezing bleef Vorstman zeven jaren aan de akademie, gedurende welk tijdperk hij zich vooral op de studie van het Oostersch toelegde, om later onder leiding van den Hoogleeraar, Dr. H.A. Hamaker, wiens privatissimum hij volgde, meer bepaald zich aan het Arabisch te wijden. Reeds vóór zijn doctoraal had hij naar de Arabische handschriften in de Leidsche bibliotheek de uitgaaf der geschiedenis van het geslacht der Barmekiden (8ste eeuw n.C.) voorbereid. Hij promoveerde in de Theologie (1 Mei 1829) met zijne dissertatie over Psalm XVI. Hoe hoog de jeugdige doctor te Leiden aangeschreven bleef, blijkt het best hieruit, dat hij na den plotselingen dood van Hamaker (7 Oct. 1835) door de literarische faculteit met Dr. A. Rutgers op het tweetal

[p. 78]

voor het hoogleeraarschap in het Oostersch werd geplaatst. De laatste kreeg de benoeming.

Als student geëngageerd met Isabelle Catharine Perier - eene afstammelinge van het geslacht Perier, dat onder den druk der vervolging van de Protestanten in Frankrijk uit Puyd Laurens, departement Tarn in Languedoc, vluchtte en in Holland eene veilige wijkplaats vond - trad Vorstman na zijn ontvangen beroep te Well, Ammerzode en Wordragen in den Bommelerwaard met haar in 't huwelijk (29 Juli '29) en betrok in September de Wellsche pastorie, nadat zijn vader den dertienden dier maand hem als predikant had bevestigd. Uit dezen echt werd Maria geboren. Zij bleef hun eenig kind. In 1832 nam hij het beroep naar Katwijk aan en verwisselde na een vijfjarig verblijf aldaar deze standplaats met zijne derde en laatste, die van Gouda. Hier bleef hij, de onkreukbaar trouwe pastor, werkzaam totdat hem den 31sten December 1869 op zijn verzoek eervol emeritaat werd verleend. Véél heeft Vorstman in ter Gouw gedaan tot verbetering en hervorming van ‘armenzorg’. Als zoogenaamd Librijmeester kon hij den bloei der kerkelijke boekerij bevorderen en als curator van het gymnasium de belangen dezer inrichting voor onderwijs in de klassische talen behartigen. In beide was hij de aangewezen man, zoo om zijne uitgebreide kennis en nauwkeurige wijze van werken als om zijne meer dan gewone klassieke ontwikkeling. Zelf was hij een uitnemend docent zoowel in 't Latijn, in 't Grieksch als in 't Hebreeuwsch, terwijl hij zich geheel op de hoogte hield van de nieuwste grammatica's op dit gebied. Zijn hoofdwerkzaamheid was en bleef de studie van het Oostersch.

In 1855 werd hij door de Synode der Nederlandsche Hervormde kerk uitgenoodigd om mede te werken aan

[p. 79]

de nieuwe vertaling van het Oude Verbond. Het boek der Psalmen is door hem overgezet en met aanteekeningen voorzien, maar in portefeuille gebleven, daar helaas het grootsche plan niet ten uitvoer is gebracht. Na zijn emeritaat heeft Vorstman, die zijne studie der klassieke letteren steeds had bijgehouden, zich geheel gewijd aan de vertaling van het zevental overgebleven treurspelen van Aeschylus, aan het achttal van Euripides en aan twee van Sophocles: Electra en Ajax, en al deze overzettingen met een rijken schat van aanteekeningen voorzien. ‘Gij weet’ - schreef zijne vrouw mij - ‘dat hij ze nooit voor de pers bewerkte, maar alleen tot vermeerdering van het huiselijk genoegen’. Hij was gewoon des avonds zijne vertalingen voor te lezen. Bovendien hield hij zich bezig met de geschriften van Plato, getuige zijne keurige overzetting van diens Phaedon en Crito; voorts schreef hij aanteekeningen bij Herodotus en maakte eene bloemlezing uit Pindarus; tot zijnen jongsten arbeid behoort de overzetting der rede van Aeschines tegen Ctesiphon. Onder de Latijnsche classici gevoelde hij zich 't meest getrokken tot Tacitus, van wiens Annales hij nog in de laatste jaren een gedeelte vertaalde, en tot Horatius.

Wie zoo op den leeftijd van zeventig tot tachtig jaren nog de klassieken beoefende mag wel door het nageslacht worden opgenomen onder de mannen der oude garde aan Leidens hoogeschool, in het lustrum van 1820-25. En diezelfde man toonde te blijven die hij steeds was geweest, de man wiens bescheidenheid allen menschen was bekend.

Te betreuren is het, dat hij zoo weinig door den druk heeft openbaar gemaakt. Als een stille in den lande is hij werkzaam geweest tot zijnen dood. Hem gold in volle

[p. 80]

mate het woord van Ovidius in zijne Tristia: ‘Bene qui latuit, bene vixit’. Hij stierf te Gouda op acht en tachtigjarigen leeftijd, den 30sten Maart 1894. Vier dagen later werd zijn stoffelijk overschot aan den schoot der aarde toevertrouwd. Bij zijn graf teekende zijn gewezen ambtgenoot bij de Remonstranten, H. Schim van der Loeff, in enkele trekken het beeld van den ontslapene met deze woorden: ‘wat was hij zacht en toch hoe flink kon hij zijn; wat was hij geleerd en toch hoe eenvoudig; wat was hij opgewekt en toch welk een diepe ernst lag aan zijn levenslust ten grondslag; hoe leefde hij steeds anderer leven mede. Wij hebben een braven man begraven en voor ons, voor velen onzer was hij meer’.

 

Johs. Dyserinck.

[p. 81]

Uitgegeven geschriften door Dr. Vorstman.

Bijdrage tot de Hervormingsgeschiedenis der stad Bergen-op-Zoom. Nederl. Archief voor Kerkelijke Geschiedenis door Kist en Royaards, 1843. Deel III bl. 265-282.

De geboorteplaats van Erasmus, 1846. Idem Deel V bl. 233-240.

Stukken betreffende het begraven der dooden in de St. Janskerk te Gouda, de kosterij en de kosters van dezelfde kerk en de betrekking waarin de kosters stonden tot de Hofkapel van Karel V en Filips II. enz. 1846. Idem Deel VI bl. 369-405.

Stukken betreffende de broeders des gemeenen levens, inzonderheid te Gouda 1847. Idem VII bl. 65-167.

Onuitgegeven stukken betreffende de St. Janskerk te Gouda 1848. Idem Deel VIII bl. 201-240.

Het Klooster Steyn bij Gouda, uittreksels uit een H.S. uit dat klooster afkomstig.

Kerkhistorisch archief door N.C. Kist en W. Moll. 1857. Deel I bl. 327-342.

Leerrede over Psalm CXXXVIII : 8 tot sluiting van het jaar en van veertigjarige Evangeliebediening (31 December 1869.)

Jacobus III:6 in ‘Geloof en Vrijheid’ 1875. IXde jaargang.

De drie eerste hoofdstukken van Genesis enz. 1876. Idem Xde jaarg.

De mensch naar de gelijkenis van God enz. De betrekking van man en vrouw tot elkander. 1877. Idem. XIde jaarg.

Over den Sabbath. 1879. Idem XIIIde jaarg.

Hebreën XIII:13. 1881. Idem XVde jaarg.

Voorheen en Thans, vooral naar Romeinen XIII:21-26. 1883. idem XVIIde jaarg.

[p. 82]

Iets over de drie eerste hoofdstukken van Hosea. 1887. idem XXIste jaarg.

Ik stelle den Heer geduriglijk vóór mij. 1893. idem XXVIIste.

Spartam nacti. In ‘het jaarboekje voor de stad Gouda’. 1845. Te Gouda, bij G.B. van Goor.

Een merkwaardig album van Wigbord Muilman, predikant te 's-Gravenhage. (1773) in ‘Stemmen voor waarheid en Vrede’ 1887.

Dr. A. Kuypers laatste vlugschrift (‘Bedoeld noch gezegd’. Schrijven aan Dr. J.H. Gunning Jr.) beoordeeld. 1885. (Gouda, G.B. van Goor zonen).