|
|
|
| | | | | |
Levensbericht van A.W.P. Verkerk Pistorius.
Meer dan eens is er op gewezen, dat het bezit van koloniën voor het
moederland van belang is, niet alleen wegens de directe of indirecte geldelijke
baten of handelsvoordeelen die zij opleveren, maar dat dit bezit eene, op zich
zelf kleine natie ook op geestelijk gebied tot krachtsinspanning in staat
stelt, in velerlei opzichten den blik verruimt en velen gelegenheid geeft de
wetenschap te dienen, wien anders de mogelijkheid daartoe zou zijn afgesloten.
En dit geldt niet alleen voor hen, die het groote voorrecht bezitten, zich
geheel aan de beoefening der wetenschap te wijden en wier getal uit den aard
der zaak betrekkelijk gering moet zijn. Tal van personen toch, in ambtelijken
of anderen werkkring in Ned. Indië geplaatst, hebben in meerdere of mindere
mate er toe medegewerkt om het gebied der wetenschap uit te breiden en naar
hunne beste krachten bijgedragen tot vermeerdering der kennis onzer overzeesche
bezittingen. En onder dezen mag hij, wiens levensbericht hier gegeven wordt,
met eere genoemd worden. Na eene opleiding genoten te hebben, die hem zeker
niet voor wetenschappelijke onderzoekingen voorbereidde, en geplaatst in een
praktischen werkkring, waarin hij de hem | | | | opgelegde ambtsplichten
nauwgezet waarnam, wist hij de leemten dier opleiding aan te vullen en tijd te
vinden om een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar de zeden en gewoonten der
bevolking, in wier midden hij werkzaam was, en in aangenamen vorm eene
volksbeschrijving te geven, die verrassend nieuwe gezichtspunten opende. En
terwijl hij ook daarna zijne landen volkenkundige studiën niet verwaarloosde,
maar van tijd tot tijd voortging met daarover artikelen te publiceeren, die,
steeds in aantrekkelijken vorm geschreven, ook wegens den inhoud belang
inboezemden, legde hij zich tegelijkertijd toe op de studie van het koloniale
recht van eene vreemde, met ons echter in vele opzichten nauw verwante natie,
en gaf ook daarover belangrijke studiën uit. Het is waar, de omstandigheden
waren hem daartoe bij uitnemendheid gunstig, maar hij heeft daarvan op de
juiste wijze partij weten te trekken en opgemerkt en te boek gesteld datgene
wat menigeen, in dezelfde omstandigheden geplaatst, gedachteloos was
voorbijgegaan, of wel, als van belang ontbloot, ter zijde had gelaten.
Arnold Willem Pieter Verkerk Pistorius werd
den 9den December 1838 te
Arnhem geboren. Zijn vader, Pieter Willem
Verkerk Pistorius, gehuwd met Hermina Frederika Bicker, was scheepsreeder en
assuradeur; hij liet zijnen zoon het eerste onderricht op de school van den
Heer Vethake te Arnhem ontvangen, en zond hem daarna eenigen tijd naar de
kostschool der Hernhuttersche Broederschap te Neuwied. Met veel genoegen kon
onze Pistorius later van den daar doorgebrachten tijd vertellen; hij was zeer
met die inrichting ingenomen, ook om de strenge tucht, die er heerschte en
waarbij de roede niet gespaard werd, die echter slechts | | | | eens in
de week werd gezwaaid. Maar dan geschiedde dit ook tot afrekening voor alle
vergrijpen, in de afgeloopen zeven dagen gepleegd, zoodat de ongelukkige
leerling, die in het begin der week had gezondigd, den overigen tijd zich kon
bezig houden met het minder aangename vooruitzicht der dingen, die hem
wachtten. Verkerk Pistorius, ofschoon een man met een warm hart, ook voor den
inlander, had weinig op met de in zijn oog overdreven zachtheid, waarmede in
onzen tijd het gezag over onmondigen, - jongen zoowel als volwassenen, - wordt
uitgeoefend; ook in dit opzicht kon hij, ofschoon in het algemeen de liberale
koloniale politiek toegedaan, niet medegaan met verscheidene hervormingen, door
de liberale partij in Indië ingevoerd. Van de school te Neuwied vertrok hij
naar het Instituut van den Heer Bruinings Ingenhousz te Voorburg, waar hij voor
den handel zou worden opgeleid. Maar die loopbaan strookte niet met zijne
neigingen; een werkkring in Indië trok hem meer aan en zoo ging hij naar
Groningen, om daar den cursus aan de
Landbouwschool te volgen
1, waar hij het
diploma van landbouwkundige verkreeg. Naar Java vertrokken werd hij spoedig op
de suikerfabriek Waroe van den Heer Kruseman geplaatst; doch deze werkkring kon
hem evenmin bevredigen als eene aanstelling op het kantoor van de H.H. Dummler
en Co. te Batavia. Na zijne meerderjarigheid keerde hij dus
naar Nederland terug, om aan de Akademie te
Delft voor Oost-Indisch ambtenaar te
studeeren; slechts korten tijd had hij noodig om zich voor het eindexamen te
bekwamen, zoodat hij | | | | reeds na één jaar studie dit met goeden
uitslag aflegde en bij Kon. Besluit van 31 Aug. 1864 tot Oost-Indisch ambtenaar
2e klasse benoemd werd. Den 29sten
November daaraanvolgende kwam hij in Indië terug, en aanvaardde eene
landsbetrekking op rijperen leeftijd dan de meeste jonge ambtenaren voor den
burgerlijken dienst, en toegerust met die ervaring en praktische kennis van
Indië, welke hem in zijne latere loopbaan zeer te stade zijn gekomen. Reeds
toen onderscheidden hem de uitstekende gaven, die hem gemaakt hebben tot wat
hij geworden is: helder oordeel, scherpe opmerkingsgave, lust tot onderzoek en
het vermogen om partij te trekken van zijne omgeving ten einde de inlichtingen
te verkrijgen, die hij behoefde, gepaard aan letterkundigen smaak en de kunst
om onderwerpen, die op zich zelf voor het algemeen weinig belangwekkend
schenen, zóó te behandelen, dat zij voor ieder aantrekkelijk werden. Maar die
voortreffelijke eigenschappen hadden hare schaduwzijden. Menigmaal vond hij
zich geplaatst 't zij als gelijke naast, 't zij zelfs als mindere onder
personen, die beneden hem in algemeene ontwikkeling en ervaring stonden en
daardoor allicht ontwikkelde zich dat bijtende en scherpe, dat hem eigen was en
wel eens in eene zekere hooghartigheid ontaardde tegenover hen, die zijn
minderen in kennis en ondervinding waren en die hij in en buiten den
vertrouwelijken omgang niet spaarde, 't geen hem verscheidene vijanden heeft
bezorgd. Merkwaardig weinig ontzag had hij voor dat, wat men wel eens de
moreele likdoorns heeft genoemd; kleine zwakheden en eigenliefde in anderen kon
hij meedoogenloos tentoonstellen, vooral wanneer het personen gold, die zich
naar zijne meening ten onrechte op een hoog voetstuk stelden. Maar had het
daardoor wel eens den schijn, dat hem het warme en | | | | hartelijke
ontbrak, dat in den omgang met anderen zoo weldadig aandoet, zijne vertrouwde
vrienden wisten wel dat hij anders was. Voor hen bezat hij een warm hart, vol
deelneming voor wat hen wedervoer, en voor hen was hij, in stede van een scherp
beoordeelaar, een trouw en hartelijk makker, met wien het een genot was samen
te werken, zooals ik kan getuigen die menigmaal het voorrecht genoot met hem te
arbeiden, zonder dat onze vertrouwelijke verhouding ooit is gestoord.
Spoedig na zijne aankomst in Indië werd
Pistorius in dienst gesteld, daar hij reeds
den 15den Dec. 1864 benoemd werd tot ambtenaar ter
beschikking van den Gouverneur van Sumatra's Westkust, die hem den 31sten Januari 1865 belastte met het civiel gezag in het district
VII Kota's, Padangsche bovenlanden, waar hij op 20 April d.a.v. het bestuur
aanvaardde en 19 Augustus tot controleur 3e klasse benoemd
werd. Hij had geene betere plaatsing kunnen treffen; geen beter veld voor zijne
opmerkingsgevoel had hem kunnen worden opengesteld dan een werkkring te midden
dezer bevolking met geheel eigenaardige zeden en gebruiken, waarvan wel hier en
daar nota was genomen en 't een en ander was medegedeeld, maar zonder dat het
geheel was wedergegeven en het karakteristieke in die instellingen in het
juiste daglicht was gesteld. En juist dat eigenaardige viel aan Pistorius
terstond in het oog; hij rustte niet voor dat hij er geheel in was
doorgedrongen en toen kwam van zelf de lust bij hem op, om ook in ruimer kring
bekend te maken wat zoozeer zijne aandacht getrokken had. Eene reeks van
studiën over de Maleiers in de Padangsche bovenlanden verschenen nu van zijne
hand; zij werden eerst in het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië gepubliceerd
en later in een bundel vereenigd, die onder den | | | | titel ‘
Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche
bovenlanden’ in 1871 te
Zalt-Bommel het licht zag. Dat werk trok
dadelijk in hooge mate de aandacht van allen, die in Indië belang stelden. In
de eerste plaats zeker wel om de daarin behandelde onderwerpen: ‘het Maleische
dorp, het Maleische gezin en het erfrecht, het inlandsche bestuur, de slaven en
hunne afstammelingen, ontginning van woeste gronden, de arbeid, en de priester
en zijn invloed op de samenleving’. De daarover medegedeelde feiten en
opmerkingen waren voor velen, ook voor hen die met Indië bekend waren, geheel
nieuw, en toonden aan, dat er ook buiten Java, waarmede het groote publiek
Nederlandsch-Indië grootendeels identifieerde, nog andere eilanden gevonden
werden, wier bevolking onze belangstelling overwaardig was. Met buitengewone
helderheid werd o.a. het eigenaardige van het Maleische gezin in de
bovenlanden, de verhouding tusschen man en vrouw en hunne kinderen en verdere
bloedverwanten uiteengezet en werden, nog vóór dat er van het thans zoo
algemeen bekende matriarchaat sprake was, de hoofdtrekken daarvan in de schets
van die verhouding ten duidelijkste aangegeven. Maar bovendien ontleende het
werk een groot deel van zijne aantrekkelijkheid aan den schoonen vorm waarin
het gegoten was, aan den warmen gloed, die er over ligt uitgebreid, en aan de
hartelijke belangstelling in het lot van den inlander, die er zich in
uitspreekt en niet minder aan de kleurrijke natuurtafereelen, die daarin worden
aangetroffen. Men vergunne mij als proeve daarvan, de beschrijving van het meer
van Singkarah weder te geven, die als inleiding dient voor de studie over het
Maleische dorp en zeker wel een der best geslaagde schetsen van de Indische
natuur is. | | | |
‘Het meer, waarin zich het avondrood spiegelt, fonkelt en
schittert met verblindenden glans, en de trotsche Merapie, die hoog boven het
overige gebergte, de kruin tot in de wolken beurt, schijnt met purper en goud
overdekt. Het uitgebreide sawahvlak, waarop men van de hoogte nederziet, en dat
het dorp tot aan den oever van het meer omsluit, doet zich voor als mozaïek,
verdeeld als het is in eene menigte vakken van allerlei vorm en grootte,
waarvan sommige met jong en krachtig groen, andere met ruwe stoppels of met
gele halmen en aren bedekt zijn. Sneeuwwitte reigers zoeken hier in ontelbare
menigte des avonds eene schuilplaats. Langzaam strijkt de vlucht over het
rijstveld heen, en laat zich neêr op een hier en daar in de sawahs
alleenstaanden boom, die plotseling als met groote witte bloemen bedekt wordt.
Nederkomende in het dal, hoort men den klank der kalintoeng, het klokje dat den
forschen buffel aan den nek wordt gehangen. Een kleine jongen leidt de kudde
van de geurige weide weêr terug naar de veilige schuilplaats onder de woning.
Weldra onderscheidt men tusschen het sawahgroen den hoogrooden slendeng, welke
de Maleische vrouw, als zij op weg is, gewoonlijk om het hoofd heeft geslagen,
en, volgt men het pad, dat door de velden leidt, dan achterhaalt men eene
menigte mannen en vrouwen, die rustig van hun dagwerk huiswaarts keeren.
Sommigen dragen een lichten ploeg op de schouder, anderen houden een duif in de
hand. Na overdag onder den gloeienden hemel te hebben gezwoegd, gaan ze, onder
vroolijk gekout, de zoete rust te gemoet in de stille, belommerde woning.
Vroolijk blinken de kruinen der palmen, in den avond als met goud overstrooid;
luide weergalmt het gestamp in het rijstblok; allerwege heerscht leven en
drukte. Doch weldra verflauwen de schitterende kleuren, die den hemel in het
avonduur tooien; breede schaduwen breiden zich uit over het dal en de bergen,
het gekweel der vogels verstomt, en met hen schijnen alle stemmen te zwijgen.
Welhaast is alles ter ruste gegaan, en hoort men in de nachtelijke stilte
alleen de zware ademhaling van het meer’.
Van Sidjoendjoeng, de hoofdplaats der VII Kota's, werd
Pistorius 27 Nov. 1867 overgeplaatst naar
Poea Datar, eveneens in de Padangsche bovenlanden gelegen. Hij bleef er echter
slechts korten tijd, daar ziekte hem dwong, een verlof voor twee maanden naar
de badplaats Plantoengan op Java te vragen, dat hem den 15den Febr. 1868 werd verleend; na het verstrijken daarvan werd
hij, met den rang van controleur 2e klasse, tijdelijk ter
beschikking gesteld van den resident van Palembang, die hem 14 April 1868
belastte met het civiel gezag in | | | | de afdeeling Kommering Ilir,
later in Kikim en vervolgens in Moesi Oeloe. Eene herinnering aan zijn verblijf
in die streken bezitten wij in de keurige Palembangsche schetsen, opgenomen in
de Gids van 1870, IV en 1871, I. Gewichtige redenen noopten hem echter weldra
om een verlof buiten Ned. Indië voor den tijd van een jaar aan te vragen, dat
hem bij besluit van 22 Nov. 1871 werd verleend. Een gedeelte van dien tijd
bracht hij op Ceylon door; ook daar hield hij zich met onderzoekingen bezig,
waarvan het resultaat gedeeltelijk werd medegedeeld in een tweetal artikelen,
geplaatst in de Gids van 1874, I, en later afzonderlijk uitgegeven onder den
titel:
Ceylon, Indische Volksbelangen, 's-Gravenhage 1874. Dit
werk, dat ook nu nog zijne waarde niet verloren heeft, is in dubbelen zin
merkwaardig. In de eerste plaats omdat het de eerste is van zijne studiën over
Engelsch koloniaal recht, maar tevens ook omdat het een zeer belangrijk
onderwerp ‘het inlandsch onderwijs’ bespreekt; een gebied waarop hij later in
Ned. Indië langen tijd werkzaam zou zijn, waarbij de indrukken, op Ceylon
verkregen, grooten invloed op zijne beschouwingen en voorstellen hebben
uitgeoefend. Het boek heeft niet die belangstelling ondervonden, welke zijn
eerste werk opwekte. Toch was het die ten volle waardig, ook om de beschrijving
van de eigenaardigheden van het Britsche koloniale bestuur in het eerste
gedeelte: ‘De heerendiensten en hunne afkoopbaarstelling’, en wegens de lessen,
die het ook voor Ned. Indië bevatte. Een weldadigen indruk maakt de warme
belangstelling voor de inlanders die in dit werk zichtbaar is, en het juiste
inzicht dat den schrijver doet oordeelen, dat de emancipatie der inlanders
noodwendig hunne welvaart moet bevorderen, terwijl hij, zooals hij zich
uitdrukt, ‘als Hollander niet anders kan | | | | wenschen dan dat -
gelijk de gespierde arm van Groot Brittannië het weleer zoo onderdrukte en
fiere geslacht, ginds aan de boorden van de Mahavelli-Ganga niet nederdrukt,
doch opheft - ook onze heerschappij in den Indischen Archipel met den dag meer
der inheemsche bevolking tot heil en geluk moge strekken.’
In Ned. Indië teruggekeerd werd
Pistorius, die zich, naar het oordeel der
Indische Regeering (Kol. verslag 1872, bl. 147), door belangstelling in den
rijstbouw en kennis dier cultuur onderscheidde, bij besluit van 9 Juni 1872 in
commissie gesteld tot bevordering in de gouvernements-landen van Java (de
residentie Banjoemaas uitgezonderd) van de noodige verbeteringen in de
rijstcultuur enz.
1. In hoeverre die
opdracht gewichtige resultaten heeft opgeleverd, kan ik niet beoordeelen;
daaraan zijn echter enkele belangrijke nota's te danken over den sikkel, de
rijstcultuur in Cheribon, het scheprad en den aanleg van een sitoe,
gepubliceerd in het Tijdschr. v. Nijverheid en Landbouw in Ned. Indië XIX,
1874, bl. 75, en die bewijzen dat hij de hem opgedragen taak ernstig heeft
opgevat. Bij besluit van 25 April 1873 werd hij eervol van die commissie
ontheven en benoemd tot controleur 1ste klasse op de
bezittingen buiten Java en Madoera, doch reeds in Juni van dat jaar moest hij
wegens ziekte weder verlof naar Nederland voor twee jaren aanvragen, dat hem
terstond werd verleend.
In Nederland begreep men te recht dat het wenschelijk zou zijn partij
te trekken van de groote gaven van den man, die zijne geschiktheid om te
onderzoeken zoo schitterend | | | | had bewezen. De Minister van
Koloniën, Baron van Goltstein, detacheerde hem den 2den
April 1875 bij het Ministerie, droeg hem verschillende werkzaamheden op, en
verlengde daartoe herhaalde malen het hem gegeven verlof. Van uitnemend belang
was daarbij de opdracht aan Pistorius verstrekt, om een onderzoek in te stellen
naar de organisatie en werking van het bestuur over Britsch Indië. Op
onbekrompen wijze werd hij in staat gesteld om aan die opdracht gevolg te
geven; eene belangrijke toelage boven zijn verlofstractement stelde hem in
staat langen tijd in Londen te vertoeven, terwijl de officieele positie, hem
door den Minister gegeven, de gelegenheid voor hem opende, om bij tal van
personen toegang te verkrijgen en zich zoodoende kostbare gegevens te
verschaffen, waarvan enkele niet eens aan het Parlement bekend waren. Nadat hij
geruimen tijd werkzaam geweest was, bleek het aan Pistorius, dat de taak, om
een overzicht van het Britsch-Indisch beheer in zijn vollen omvang te geven, te
veel omvattend was voor één persoon, en dat hij alleen werk genoeg zou hebben
aan de uiteenzetting van een gedeelte van dat beheer, hetgeen betrekking had op
de verhouding bestaande tusschen het Parlement, het Opperbestuur en het
Centraal Indisch bestuur. Hij rekende het onmogelijk om daarenboven de
uiteenzetting op zich te nemen van de organisatie en werking van dat Centraal
gezag, te Calcutta gevestigd, ook in zijne verhouding tot de provinciale
gouvernementen. En toch was die uiteenzetting van veel belang wegens de
gewichtige vraagstukken, daarbij betrokken, waarvan de kennis ook voor het Ned.
koloniaal bestuur van gewicht was. Dit was o.a. gebleken toen men hier te lande
een overzicht wenschte te hebben van de regeling van het bestuur der
voornaamste plaat- | | | | sen in Britsch-Indië en de Regeering toch,
niettegenstaande eene opdracht aan den Consul-Generaal te Singapore en
onderzoekingen, te Londen ingesteld, slechts zeer sobere gegevens verkregen
had. Toevallig was
Pistorius met mij bekend geraakt door het
lidmaatschap der Commissie, belast met het afnemen van het
Grootambtenaars-examen; wij spraken toen dikwijls samen over verschillende
Indische belangen. Weldra bemerkte Pistorius dat ik mij met voorliefde bezig
hield met de studie van het vergelijkende koloniale recht en, voor zoover de
gebrekkige hulpmiddelen dit hier te lande toelieten, mij op de hoogte van het
Britsch-Indische beheer had gesteld. Hij meende in mij den medewerker te hebben
gevonden, die hem ontbrak; met voorkennis van den Minister van Koloniën
noodigde hij mij uit, dat gedeelte van zijn taak op zich te nemen, en gaarne
gaf ik aan die uitnoodiging gehoor, die geheel lag in de richting, welke mijne
studiën meer en meer begonnen te nemen. Spoedig bemerkte ik, dat een verblijf
in Londen noodig was om mij de gegevens te verschaffen, die mij ontbraken, en
vooral ook om mondelinge inlichtingen in te winnen van personen, met de werking
van het Britsch-Indische beheer vertrouwd. Met Pistorius begaf ik mij voor een
paar weken naar Engeland; daar werden tusschen ons vriendschapsbanden
aangeknoopt, die nimmer zijn verbroken. Vooral leerde ik mijn reisgenoot kennen
gedurende een uitstapje van drie dagen, in de Pinksterdagen, toen er te Londen
niet kon worden gearbeid, en die wij in Cambridge, Chester en Wales
doorbrachten. Te Londen zagen wij elkander, althans over dag, niet veel, daar
wij ieder met onze eigen nasporingen bezig waren; toch kon ik mijn vriend
genoeg gadeslaan om eerbied te krijgen voor zijne groote werkkracht en vooral
| | | | ook voor den tact, dien Pistorius bezat om met allerlei personen
om te gaan en zich door hunne hulp in het bezit te stellen van de noodige
gegevens, zelfs van die, voor weinigen toegankelijk, en waartoe hij van de
officieele stelling, hem verleend, ruimschoots gebruik wist te maken
1.
Zooals Pistorius dit zelf medegedeeld heeft in de opdracht van het
gemeenschappelijk door ons uitgegeven werk: ‘
De grondslagen van het Britsch-Indisch beheer,
's-Gravenhage 1876’, waarin de resultaten van ons onderzoek zijn neergelegd,
hebben wij ieder zelfstandig ons onderzoek ingesteld, hetgeen natuurlijk niet
uitsloot, dat wij menigmaal de kwestiën bespraken, die zich voor ieder onzer
voordeden, en dat ik ook voor de bewerking van het mij toevertrouwde gedeelte
van hem heb geleerd. Maar daar zijn werk, evenals het mijne, een afgesloten
geheel uitmaakt, mag ik dit hier bespreken en getuigenis afleggen van de
voortreffelijke eigenschappen die het kenmerken, en den levendigen stijl
prijzen die het door hem bewerkte gedeelte tot eene aantrekkelijke lectuur
maken, ook voor hen, die aanvankelijk in de besproken onderwerpen minder belang
mochten stellen. Helder is daarin uiteengezet de eigenaardige rol van het
Parlement in Britsch-Indische aangelegenheden, en de wijze waarop dit zijne
taak vervult, zoo geheel anders dan bij ons en, naar het oordeel van Pistorius,
zooveel beter dan de zich tot de minste détails uitstrekkende | | | |
bemoeiingen onzer Tweede Kamer. Niet minder belangrijk is zijne uiteenzetting
van de organisatie van het Opperbestuur, en vooral ook van den werkkring van
den Indischen Raad, onmisbaar geacht ‘wijl de beschikking over de Indische
geldmiddelen niet uitsluitend aan den Minister kon gelaten worden, wijl tegen
de zelfzuchtige pressie van het moederland op den Indischen Staats-secretaris
als 't ware een bolwerk ter bescherming van Indië moest worden opgericht en
wijl zonder eenen zoodanigen Raad geen stabiliteit in het Indisch
regeeringsbeleid kon verwacht worden onder zoo dikwerf elkander afwisselende
Ministers voor Indië.’ Veel van 'tgeen in het werk voorkomt was geheel nieuw
voor den Nederlandschen lezer, en misschien ook voor menigen Engelschman, zelfs
al had hij eenige studie van het grootste koloniale rijk van onzen tijd
gemaakt. En mag, zooals althans wel eens beweerd wordt, het werk niet die
belangstelling hebben opgewekt, welke de schrijvers er zich van voorstelden,
zoo was, althans naar mijne overtuiging, die belangstelling toch niet gering en
is door de bijdrage van Pistorius menige zaadkorrel gestrooid, die mettertijd
zal uitschieten, en kan zij een uitgangspunt worden voor heilzame hervormingen,
wanneer de tijd daarvoor eenmaal zal aanbreken. Gedurende zijn verblijf in
Nederland gaf
Pistorius nog uit ‘
Een bezoek aan Singapore en Djohor’, eene voordracht,
's-Gravenhage 1875; eene bijdrage die in belangrijkheid verre achterstaat bij
de bovengenoemde werken, maar toch door den levendigen stijl eene aangename
lectuur uitmaakt.
In Indië teruggekeerd werd Pistorius den 16den
Maart 1877 benoemd tot controleur 1e klasse bij het
binnenlandsch bestuur op de bezittingen buiten Java en Ma- | | | | doera,
en reeds 11 dagen later tot adjunct-inspecteur bij het lager onderwijs in Ned.
Indië, met het oosten van den Archipel als ressort. Waarschijnlijk deed zijn
werk over Ceylon de aandacht op hem vallen voor de vervulling dier betrekking
en, naar mijn oordeel, met volle recht. De groote kracht van Pistorius lag
vooral in zijn gave van optemerken en zijn tact om te onderzoeken. Daarvan kon
in die betrekking reeds partij worden getrokken; nog meer nut zou van die gaven
verkregen zijn, wanneer men hem op grooter terrein had werkzaam gesteld. Dat
gevoelde hij zelf; toen hij in Maart 1883 weder met verlof naar Nederland ging,
- ditmaal wegens dringende redenen zonder bezwaar van den lande, - kwam hij
aanstonds tot mij om het plan te overleggen, samen naar Britsch-Indië te gaan,
ten einde ons daar plaatselijk te overtuigen van de werking der instellingen,
die wij te Londen hadden bestudeerd. Hij vond bij mij een gewillig oor; een
verzoek in dien geest werd aan den Minister van Koloniën gericht en voorwaarden
werden opgegeven, waaronder wij geneigd zouden zijn, die reis te ondernemen,
welke zeker geen overdreven eischen konden worden genoemd. Maar de Minister Van
Bloemen Waanders, ofschoon, naar hij ons verzekerde, van het nut dier reis
overtuigd, moest echter om redenen van overwegenden aard het verzoek van de
hand wijzen. Die redenen waren natuurlijk van geldelijken aard; scherpe
tegenstelling met de gedragslijn, in andere landen gevolgd, waar het weinig
moeite kost, om zelfs uitsluitend voor wetenschappelijke belangen fondsen voor
reizen beschikbaar te krijgen. Pistorius moest dus zijn lievelingsdenkbeeld,
Britsch Indië te bezoeken, opgeven; den tijd van zijn verlof had hij zich
overigens ten nutte gemaakt voor het bewerken van een | | | | artikel in
de
Gids 1883, II. 75: ‘
Eene wandeling over Ambon’, waarin op aangename wijze
zeer lezenswaardige mededeelingen voorkomen over land en volk van Leytimor, en
ook de handschoen wordt opgenomen voor de Ambonsche bevolking, zoo vaak als lui
en verdorven afgeschilderd. Ook over het inlandsch onderwijs komen daarin
behartigingswaardige wenken voor.
Ter nauwernood was Pistorius in Indië teruggekeerd (April 1884)
1 toen de
Gouverneur-Generaal op nieuw van zijne diensten gebruik maakte door hem den
18den Mei met den rang van inspecteur honorair in commissie
te stellen tot het indienen van een ontwerp ter reorganisatie van het inlandsch
onderwijs. Waarschijnlijk was deze opdracht het gevolg van den aandrang van den
Minister Sprenger van Eyk, die voorstellen wenschte ter vereenvoudiging van dat
onderwijs, vooral met het doel ‘de schatkist te ontlasten van de aanzienlijke
geldelijke opofferingen, vroeger aan de te ver gedreven uitbreiding en omvang
van dit onderwijs en inzonderheid aan de inrichting der kweekscholen voor
inlandsche onderwijzers zonder voldoende uitkomsten besteed.’ Reeds den 30sten Juni d.a.v. werd een voorloopig plan tot reorganisatie
ingediend, dat in hoofdpunten door de Regeering werd goedgekeurd en volgens
hetwelk vooral in de weelderige inrichting dier kweekscholen zou worden
ingegrepen en ook het getal dier inrichtingen verminderd. Ook in andere
opzichten werd zijn raad ingewonnen, o.a. voor de inrichting van een school
voor de opleiding van inlandsche ambtenaren, waarover Pistorius uitvoerig zijne
denkbeelden uiteenzette. | | | |
Hiermede was zijn loopbaan bij het Indische onderwijs besloten. Zijne
benoeming tot hoofd van het gewestelijk bestuur van Billiton, met den rang van
assistent-resident (11 Mei 1886), bracht hem weder in het kader van het
gewestelijk bestuur; zij werd den 6den Juni 1887 gevolgd
door eene aanstelling als resident van Tapanoeli. Ik heb dit in zekere mate
betreurd. Niet dat hij in die betrekkingen minder op zijne plaats zou zijn
geweest, of geene goede diensten aan den lande zou hebben bewezen, maar naar ik
geloof zou men van zijne eigenaardige talenten meerdere vruchten getrokken
hebben, indien men hem met speciale zendingen had belast; vooral wanneer men
hem een onderzoek had opgedragen naar de werking van het bestuur in andere
koloniën. Nu deed hij, wat anderen even goed, enkelen misschien beter dan hij
zouden gedaan hebben, terwijl juist datgene, wat in zijne speciale richting
lag, door zeer weinigen zoo goed verricht zou zijn als hij dat gedaan zou
hebben. Bovendien waren de scherpe kanten van zijn karakter er niet op
verzacht, 't geen er zeker niet toe bijdroeg om hem in de verhouding tot andere
bestuursambtenaren meegaande te maken.
Slechts zeer kort duurde de waarneming der betrekking van resident.
Reeds den 30sten Juli 1888 werd hem op zijn verzoek verlof
wegens ziekte verleend. De eerste maanden van zijn verlof bracht hij in Japan
door; daar genoot hij veel in eene omgeving, die hem bij uitstek behaagde, zoo
zelfs dat hij meermalen den wensch uitte, daar de laatste jaren van zijn leven
te mogen slijten. De overige tijd van zijn verlof, dien hij gedeeltelijk in
Nederland doorbracht, werd evenmin als vroeger, in ledigheid versleten. De
Minister van Koloniën, Mr. Keuchenius, hield zich bezig met het beramen van
plan- | | | | nen ter hervorming van het centraal en gewestelijk bestuur in
Indië en zocht daarbij voorlichting van verscheidene kanten. Het sprak wel van
zelf dat hij, toen
Pistorius in het vaderland kwam, ook gaarne
het advies inwon van den man, die de Britsch-Indische administratie zoozeer
bestudeerd had; krachtens machtiging des Konings werd Pistorius bij besluit van
4 Juli 1888 bij het Ministerie werkzaam gesteld, met de opdracht plannen te
ontwerpen voor eene decentralisatie van het gewestelijk bestuur. Naar zijne
meening zou eene medewerking met mij goede vruchten kunnen dragen; hij verzocht
en verkreeg de vergunning van den Minister om met mij die taak te verrichten en
ofschoon ik daarvan nooit officieel kennis heb gekregen, - evenmin als later
dat mijne taak geëindigd was, - verzekerde de Minister mij mondeling dat die
samenwerking hem aangenaam was. Ik waardeerde zeer de vriendschap van
Pistorius, die, in stede van zelf alleen de eer van het werk te begeeren, uit
eigen beweging mij trachtte over te halen daaraan mede te arbeiden, en
verklaarde mij daartoe gaarne bereid. Zoo togen wij dan aan het werk; het
resultaat van onze samensprekingen, die voor mij van groot genot en zeer
leerzaam waren, is nedergelegd in eene Memorie aan den Minister, in Augustus
1888 ingediend, en waarbij de steller zich, op aanraden van den hoogst bekwamen
en minzamen Raad-adviseur Jhr. van Panhuys, tot de hoofdpunten bepaalde, die
dan later aan het Departement konden worden uitgewerkt. Op verzoek van den
Minister voegde ik daarbij nog later eene nadere Nota, waarin ook andere punten
werden besproken. Pistorius was er van overtuigd dat eene decentralisatie van
het gewestelijk bestuur goed zou kunnen werken, vooreerst echter slechts in
enkele ge- | | | | westen en onder bestuurshoofden, van het wenschelijke
der hervorming doordrongen. Hij had in Billiton zelf daarmede een proef
genomen, door een soort van Raad naast zich te samen te roepen, dien hij in
gewichtige zaken raadpleegde. De hoofdbeginselen, waarvan hij voor de
hervorming van dat gewestelijk bestuur uitging, zijn in het kort uiteengezet in
een opstel, - het laatste dat van zijn hand verscheen, - getiteld: ‘
Proeve van een ontwerp-reglement voor de gewestelijke
raden’ en geplaatst in de
Vragen des Tijds 1893, II, bl. 173 vlg.
Na het indienen van het rapport maakte hij nog een reis door Zweden en
Noorwegen bij gelegenheid van het Orientalisten-Congres (Sept. 1889) en bracht
den winter in Algiers door. Het verblijf aldaar had zijne gezondheid, naar hij
meende, geheel hersteld, zoodat hij op het einde van 1890 weder naar Indië
terugkeerde, na den 27sten October eervol ontheven te zijn
geworden van zijne tewerkstelling bij het Departement van Koloniën. Vol
illusies kwam hij in Indië terug, in de verwachting dat de hoogste betrekkingen
voor hem open zouden staan; iets, waarop zijn langdurige diensttijd en zijn
buitengewone bekwaamheden hem volle aanspraak schenen te verleenen. Maar hij
was niet meer de oude; zijn gestel had veel geleden en toen na eenig verblijf
in Indië hem geene betrekking werd aangeboden zooals hij gewenscht had, keerde
hij naar Nederland terug, na zijn eervol ontslag uit den dienst verzocht en
verkregen te hebben. Maar ook daar zou hem geen volslagen rust worden gegund,
die hij trouwens niet begeerde. De Minister Baron van Dedem had aanstonds na
zijn optreden aan het hoofd van het Departement van Koloniën het plan opgevat
om de taak, die Keuchenius had laten rusten, ten uitvoer te brengen, en de
terugkeer van Pistorius was hem | | | | eene welkome aanleiding om ook
diens advies in te winnen. Den 21sten Juni 1893 noodigde de
Minister hem uit, een nader onderzoek in te stellen naar de werking van den
Council of India in Londen, en een reglement te ontwerpen voor eenen kolonialen
Raad hier te lande. Vol opgewektheid schreef
Pistorius mij over die opdracht en verzocht
zijnen ouden medewerker, om ook hierbij hem behulpzaam te zijn. In afwachting
van de officieele opdracht, die de Minister had toegezegd, overlegden we reeds
welk aandeel ieder van ons in het onderzoek zou nemen en was de reis naar
Londen reeds vastgesteld, toen hem plotseling de vreeselijke kwaal overviel die
in korten tijd zijne krachten sloopte. Een bitter lijden wachtte hem; geheel
van spraak beroofd, kon hij slechts door schrijven zijne gedachten kenbaar
maken, maar ook zelfs gedurende dat lijden dacht hij vaak aan de ons verstrekte
opdracht en over de beste wijze die te volbrengen. Hij had nog hoop op geheel
herstel, toen het zijne omgeving, met name zijne zuster, die hem, den
ongehuwde, met de meeste toewijding verpleegde, duidelijk werd dat het einde
naderde. In de laatste dagen van October 1893 overleed de man, die nog zooveel
tot stand had kunnen brengen, vooral toen geen ambtelijke zorgen zijn tijd in
beslag namen en hij zich geheel had kunnen wijden aan onderzoekingen, die hem
zoo uitnemend waren toevertrouwd. Groot was het verlies, dat de koloniale
studiën leden in den rijkbegaafden, scherpzinnigen onderzoeker, die, ware hem
een langer leven gegund, zeker nog menige rijke vrucht zou hebben gevoegd bij
diegene, welke de beoefenaren van land- en volkenkunde en koloniaal recht reeds
aan hem te danken hebben.
P.A. van der Lith.
|
1En dus niet naar Leiden om daar in de rechten
te studeeren, zooals het, in dit opzicht op zuivere fantasie berustend en ver
van volledig artikel in het Biogr. woordenboek van J.G. Frederiks en F.J. van
den Branden (2 e druk) vermeldt.
1Zoo wordt dit vermeld in den staat van dienst
van Pistorius, dien ik, met eenige andere bijzonderheden over zijn leven, dank
aan de welwillendheid van zijnen broeder Mr. W.A.P. Verkerk Pistorius,
hoofddirecteur aan het Ministerie van Finantiën.
1Ik wensch hier een schuld van dankbaarheid te
kwijten door te vermelden, dat ik mijne taak, die ik zonder eenige
ondersteuning van het Ministerie van Koloniën, moreele noch materieele, heb
moeten verrichten, alleen tot een goed einde heb kunnen brengen door de
krachtige aanbevelingen, die ik van Baron D. Mackay, thans Lord Reay,
medekreeg.
1In de volgende maand ontving hij de eervolle
benoeming tot correspondent van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Onze
Maatschappij benoemde hem in 1872 tot haar medelid.
|
|