|
|
|
| | | | | |
Levensbericht van Jacobus Nicolaas
Scheltema.
Onder de leden wier verlies onze Maatschappij in het afgeloopen jaar
te betreuren had, was ook de rustende predikant van Gouda,
J.N. Scheltema. Hij behoorde niet tot onze
eerste letterkundigen en heeft zich geen naam gemaakt door een reeks van
belangrijke geschriften. Meer een man van de daad dan van het woord of de pen,
was hij bovendien te bescheiden om zich op den voorgrond te plaatsen. Trouw in
de vervulling der plichten, die hem door zijn werkkring werden opgelegd, wijdde
hij sedert jaren den tijd, die hem van zijne ambtsbezigheden restte, aan de
studie van de Nederlandsche letterkunde en de geschiedenis van zijn vaderland.
Hij verzuimde geene gelegenheid om in zijne omgeving de belangstelling te
wekken of levendig te houden in ons roemrijk verleden, en de hand aan het werk
te slaan, zoo hij iets doen kon om de beoefening van bovengenoemde
wetenschappen te helpen bevorderen. De werkzaamheid onzer Maatschappij, van
welke hij bijkans achttien jaren een verdienstelijk lid mocht heeten, had zijne
volle sympathie. | | | |
Hij werd den 4den Februari 1821 te
Amsterdam geboren. Zijn vader Evert Scheltema
had een drukke koopmanszaak ‘In de Stad Schiedam’ op den Nieuwendijk. Zijne
moeder Anne Madeleine Lamaison leefde geheel voor haar groot gezin, want deze
zoon was reeds de negende spruit, waarmede haar echt gezegend werd. Scheltema,
die het voorrecht had beide ouders tot op hoogen leeftijd te mogen bezitten,
heeft nooit vergeten, wat hij aan hunne verstandige leiding en liefdevolle zorg
in zijne jeugd te danken had. Zij zonden den knaap naar de beste school, die
zij meenden te kunnen kiezen. Doch het onderwijs stond er niet in verhouding
tot het hooge schoolgeld, ofschoon de onderwijzer een goed paedagoog was. Daar
Scheltema aanleg en lust tot studie bleek te bezitten, ging hij na drie jaren
over op de Latijnsche School, waar hij in Veegens voor het Grieksch, Epkema
voor het Latijn en Lehmans voor de wiskundige vakken uitnemende leermeesters
vond. Maar niet minder dan zij hebben jonge vrienden, in wier kring hij werd
opgenomen, op zijne vorming invloed geoefend. Ik behoef slechts de namen van
Chr. Sepp en
Ed. Douwes Dekker te noemen, ‘beide jongens
van uitstekenden aanleg’, gelijk hij zelf in eene korte, onvoltooide
autobiographie getuigt, ‘en met een edel hart, van wie ik veel heb geleerd’.
Wat aan het onderricht op de Latijnsche School ontbrak, werd aangevuld door
avondlessen van A. van Leeuwen, den voormaligen huisonderwijzer van
Abr. des Amorie van der Hoeven. Na alle
klassen geregeld te hebben doorloopen, werd hij ‘summa cum laude’ tot de
academische lessen gepromoveerd, bij welke gelegenheid hij op 29 September 1837
in het koor der Nieuwe Kerk eene Latijnsche oratie uitsprak ‘de Miltiade,
proelio Marathonio victore’. | | | |
Scheltema wenschtte predikant te worden en
wel bij de Remonstrantsche Broederschap, waartoe zijne ouders behoorden. De
zestienjarige jongeling werd daarom in October niet alleen als student bij het
Athenaeum ingeschreven, maar moest zich opnieuw aan een examen voor curatoren
van het Remonstrantsch Seminarium onderwerpen. In zijne propaedeutische jaren
volgde hij de colleges van
Van Lennep,
Van Kampen,
Roorda en
Swart, aan wie hij bij het einde van elk
studiejaar, volgens de toenmalige gewoonte, in tegenwoordigheid van het college
van professor en curatoren, bewijzen had te geven, dat hij hun onderwijs met
vrucht gevolgd had. Na het tweede studiejaar tot het theologisch onderwijs
toegelaten, kwam hij meer geheel onder de leiding van Abr. des Amorie van der
Hoeven, die de dogmatiek, de homiletiek en de pastoraal met de Remonstrantsche
studenten behandelde, terwijl hij voor de overige vakken de lessen van
hoogleeraren aan de Doopsgezinde en Luthersche Seminariën en van prof. Rooyens
aan het Athenaeum volgde. Kwam hij in den eersten tijd en later op het
zoogenaamd reciet-college van Van der Hoeven ook met studenten van andere
faculteiten in aanraking, onder de theologen zocht en vond hij toch zijne
bijzondere vrienden. De Remonstrantsche en Doopsgezinde studenten vormden toen
een eigen korps, met een afzonderlijken senaat, onder de zinspreuk: ‘Studia nos
jungunt’. Daar de eersten, maar weinigen in aantal
1, in zijn ouderlijk huis gastvrijheid
genoten, had hij het in zijn groentijd niet hard gehad, al moest hij zich de
gewone vernedering getroosten om met een ouden | | | | hoed en een vuile
jas als bedelaar langs de straten te loopen. In het bekende gezelschap
E.T.E.B.O.N. als lid opgenomen, nam hij ijverig deel aan de gewone
werkzaamheden, en daar ieder, na de litterarische jaren, tot honorair lid werd
gepromoveerd, woonde hij ook later nog vaak de leerzame en gezellige
Vrijdagavond-vergaderingen bij, om na een bescheiden maal in broodjes en koffie
of thee bestaande, onder een ‘Io Vivat’ of ‘Gaudeamus’ omstreeks middernacht
huiswaarts te keeren. Gaarne haalde hij altijd de herinneringen op van de
genotvolle avonden, doorgebracht in dat gezelschap, waarvan hij het 25-, 50- en
75-jarig bestaan mocht medevieren. Maar niet minder was hij verschuldigd aan
het theologisch dispuut, dat hij oprichtte met zijne vrienden
Chr. Sepp,
A. Winkler Prins,
H.G. Herderschee en
J. Wijs, met wie hij een zomerreisje door
Utrecht en Gelderland naar Kleef had gemaakt, waarbij daarna ook
J.G. De Hoop Scheffer,
S. Hoekstra en
G.A. Middelberg, zich aansloten. Het bleef
een gesloten vriendenkring, waarin ieder op zijn beurt een theologisch
onderwerp behandelde, waarover vervolgens gedachtewisseling plaats had. Daar
zij geene nieuwe leden opnamen, werd het dispuut ontbonden, toen zij, de een
wat vroeger de ander iets later, hunne bestemming bereikten.
In 1844 tegelijk met Middelberg tot proponent bevorderd, werd
Scheltema een jaar later door de gemeente van
Zwammerdam tot predikant beroepen, als
opvolger van
J.J. van Vollenhoven. Op 14 September 1845
deed hij daar zijne intrede met eene rede over Johannes XXI vs. 15b, nadat hij kort te voren in den echt was
getreden met Johanna Catharina Lugt. Ook de gemeente van Woerden, die onder de
patriotsche woelingen van 1787 sterk was achteruitgegaan en sedert jaren geen
eigen predikant en geen kerkgebouw meer bezat, was aan | | | | zijne
zorgen toevertrouwd. Dáár preekte hij op gezette tijden 's namiddags in de
kerk, door de Lutherschen welwillend aan de Remonstranten voor hunne
godsdienstoefeningen afgestaan. Ondanks dezen dubbelen dienst was toch zijn
werkkring klein, doch hij beperkte zijne bemoeiingen niet enkel tot het
zielental zijner gemeenten, en trachtte ook daar buiten nut te stichten. Toen
Zwammerdam in 1846 door de cholera-epidemie werd geteisterd, stond hij als
deelnemend vriend aan veler ziek- en sterfbed, al behoorden zij niet tot zijn
kerkgenootschap, en daar er geen pastoor ter plaatse was, beijverde hij zich
ook Katholieken door toespraak en gebed het lijden te verlichten. Het lot der
noodlijdenden trok hij zich inzonderheid aan, en hoe afkeerig hij was van alle
ziekelijke philantropie, bleek, toen hij in het ‘
Christelijk Album’ zijne denkbeelden uitsprak over
‘Armverzorging naar het voorbeeld van Jezus’. Voornamelijk door zijn toedoen,
werd te Zwammerdam eene bewaarschool opgericht, en het was ten voordeele dezer
nuttige inrichting, dat hij een klein geschrift uitgaf ‘
Jezus de kindervriend’. Wel mocht het op den titel van
dat eenvoudig, recht stichtelijk boekske heeten: ‘woorden van ernst en liefde
voor kinderen en kindervrienden, gezegende en beproefde ouders’, want tot de
laatsten behoorde ook hij. Zijne gade en de kinderen, die zij hem schonk, had
hij ten grave gedragen, toen hij na negen jaren Zwammerdam verliet.
De gemeente van
Gouda beriep hem, toen de tweede
predikantsplaats vacant was geworden door het vertrek van De Ridder naar Den
Haag.
Scheltema nam het beroep aan en aanvaardde
zijne nieuwe betrekking in Mei 1854 met eene leerrede over
2 Cor. V, vs. 14. Hij vond hier eene veel
aanzienlijker gemeente, en in deze bedrijvige | | | | en bloeiende stad
zou het hem aan gelegenheid niet ontbreken om op verschillend gebied te
arbeiden. Met zijn bekwamen, scherpzinnigen ambtgenoot
D. van Hinloopen Labberton wijdde hij zich
allereerst aan de uit- en inwendige belangen der gemeente. Al bezat hij geene
groote redenaarsgaven, zijne preeken boeiden, omdat hij tot het hart sprak. Hij
hield zich op de hoogte van het wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling
der denkbeelden op godsdienstig gebied, maar zijne hoorders bespeurden
ternauwernood, dat hij de nieuwere richting volgde. De kansel was, zijns
inziens, evenmin de plaats om leerstellige als kritische vraagstukken te
bespreken; als predikant achtte hij zich geroepen om aan den bijbel alleen stof
te ontleenen tot bevordering van waarachtig godsdienstig leven in den
uitgebreidsten zin. Daarbij was hij te zeer doordrongen van het remonstrantsch
beginsel der verdraagzaamheid, om ooit andersdenkenden hard te vallen.
Gedurende al de jaren, dat hij hier arbeidde, vervulde hij zijn herderlijk werk
met voorbeeldige trouw. Aan zijn ijver had de gemeente haar nieuw kerkgebouw te
danken. De oude kerk, die nog van 1629 dagteekende, en waarvoor men, kort vóór
zijne komst, alleen een nieuwen gevel had opgetrokken, begon van jaar tot jaar
bouwvalliger te worden. De kerkelijke fondsen waren op verre na niet
toereikende om aan eene geheele vernieuwing te denken, doch Scheltema wist uit
den boezem der gemeente en uit de Broederschap de noodige gelden bijeen te
brengen, zoodat eene nieuwe weldra van een keurig orgel voorziene kerk op 28
Augustus 1870 door hem kon worden ingewijd. De voldoening over het tot stand
brengen van dit belangrijk werk werd echter eerlang getemperd, toen zijn
ambtgenoot, dien hij als een geheel eenig man op kerkelijk en maatschappelijk
gebied hoogschatte, zich | | | | gedrongen zag om, wegens zijn leeftijd,
in December 1871 den dienst neder te leggen. Te zwaarder drukte hem dit
verlies, omdat de minister weigerde het beroep van een tweeden predikant te
bewilligen. Werd alzoo een dubbele last op zijne schouders gelegd, zij het ook
tegen eene verhoogde bezoldiging, Scheltema begreep in het belang der gemeente
te handelen, wanneer hij dat geld beschikbaar stelde om voor de openvallende
preekbeurten andere predikanten uit te noodigen. Bleef deze maatregel niet
zonder invloed op de uitbreiding der gemeente, voor Scheltema nam daardoor
tevens het aantal catechisanten steeds toe. Maar met onverminderden ijver ging
hij voort zich aan de vervulling zijner ambtsplichten te wijden, en dat de
gemeente dit wist te waardeeren, daarvan gaf zij hem, bij de herdenking zijner
vijf-en-twintigjarige evangeliebediening, de ondubbelzinnigste bewijzen. Bij
die gelegenheid bleek, hoezeer hij door al zijne ambtgenooten en door de
voornaamste ingezetenen van Gouda hoog werd gewaardeerd. Want in allerlei
richtingen was hij werkzaam en elke nuttige instelling kon op zijne hulp
rekenen, wanneer die werd gevraagd. In de besturen van de afdeelingen van het
Bijbel- en Zendelinggenootschap, van de Maatschappij van weldadigheid, het
Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen en van de Maatschappij tot
Nut van 't Algemeen, bekleedde hij meermalen de betrekkingen van voorzitter of
secretaris. Hij was president van de Burger-Bewaarschool en lid van de
Commissie van toezicht voor het Middelbaar Onderwijs. De gemeenteraad, die de
zorg voor het Stedelijk Museum, waarop ik straks terugkom, reeds aan hem had
toevertrouwd, benoemde hem in 1875 tot Stads-librymeester.
Geen wonder dat Gouda het betreurde, toen
Scheltema besloot, bij het klimmen zijner
jaren, het werk aan jeug- | | | | diger krachten te moeten overdragen, en
de stad te moeten verlaten, waarin hij meer dan het vierde eener eeuw had
geleefd en gewerkt. Droevige levenservaringen werkten hiertoe mede. Een jaar na
zijne komst te Gouda was hij andermaal gehuwd met Anna Hendrica van Meerten,
doch na eene gelukkige echtvereeniging van zeven jaren had hij deze gade
verloren, hem de zorg van twee dochters en een zoon achterlatende. In Alida
Geertruida van Sonsbeek, weduwe van den predikant
G. de Wildeman van Lakerveld Kellerman,
mocht hij eene trouwe moeder vinden voor deze nog zoo jeugdige kinderen, maar
in 1879 bezweek ook zij, na een langdurig lijden. De Remonstrantsche
Broederschap, die hem met leedwezen zich zag terugtrekken uit de rij der
dienstdoende predikanten, ontsloeg hem onder dankzegging voor zijne
vier-en-dertigjarige trouwe dienstvervulling. Toch onttrok hij zich niet aan
hare belangen; twee harer nuttigste instellingen, het weduwen- en weezen-
alsmede het pensioenfonds vonden in hem een werkzaam medebestuurder, en
jaarlijks nam hij deel aan hare vergaderingen. Den 14den
September 1879 nam hij afscheid van zijne gemeente met de woorden van
1 Joh. II, vs. 18a. Een
geschenk, hem door den kerkeraad en vele gemeenteleden aangeboden, vertolkte de
dankbaarheid voor de groote toewijding, waarmede hij zijn gewichtig ambt
gedurende zoovele jaren had vervuld.
Was
Scheltema met hart en ziel predikant, reeds
sedert zijn studententijd toonde hij meer dan gewone belangstelling in wat door
bekwame handen over 's lands geschiedenis vroeger en later was te boek gesteld,
en nam hij kennis van hetgeen door geschiedvorschers van onzen tijd op dit
gebied geleverd werd. Hij noemde die lust voor geschied- en oudheidkundige
studiën een hereditair | | | | verschijnsel
1 en betreurde het later wel eens, dat ambtsbezigheden, die in de
eerste plaats de inspanning van al zijne krachten vorderden, hem te weinig tijd
hadden gelaten, om zich met eenig wetenschappelijk onderzoek bezig te houden.
Te Gouda behoorden
Th. Jorissen en later de leeraar aan de
Hoogere Burgerschool, Dr.
C.A. Tebbenhoff, tot zijne bijzondere
vrienden. Het gebeurde nog al eens, dat aldaar belangrijke of zeldzame werken
voor den dag kwamen, die aan de aandacht onzer oudheidkundige boekhandelaars
ontsnapten, en dan verzuimde hij niet zijne kleine boekerij er mede te
verrijken. Hier begon hij ook langzamerhand eene verzameling van portretten,
historieprenten en handschriften aan te leggen, voornamelijk met het oog op de
geschiedenis van zijn kerkgenootschap en personen, met wier levensgeschiedenis
of geschriften hij zich het liefst bezig hield. Het was hem daarbij niet te
doen om slechts te verzamelen, maar om zich gewichtige gebeurtenissen en
merkwaardige overblijfselen uit het verleden, beroemde staatslieden,
godgeleerden en letterkundigen in beeld en schrift levendig voor oogen te
stellen, en tot in het laatst van zijn leven was het zijn grootst genot, de
portefeuilles te doorbladeren, waarin alles zorgvuldig was gerangschikt. Het is
dus niet te verwonderen, dat hij geestdrift wekte in zijne omgeving voor de
herinnering aan de gebeurtenissen van voor driehonderd jaren, en dat hij in
1872 een der ijverigste leden was van de feestcommissie voor het herdenken van
de inneming van
den Briel. Op zijn aansporen vierde
Gouda op 26 Juli van hetzelfde jaar zijn
zeshonderd jarig bestaan, met optocht en vuurwerk, eene uitdeeling | | | | aan de armen en een kinderfeest, georganiseerd door het Nederlandsch
schoolverbond. Vooral de tentoonstelling van voorwerpen, betrekking hebbende op
de stad en haar vroeger burgerlijk leven, in het gebouw ‘Arti-Legi’ was van
beteekenis. Scheltema stelde het rondschrijven, waarbij alle stichtingen en
bijzondere personen tot deelneming werden opgewekt, en gaf daarin het bewijs,
hoe uitnemend hij op de hoogte was van Gouda's verleden. Hij smaakte de
voldoening, dat een schat van merkwaardige voorwerpen, tot hiertoe verborgen in
stedelijke gebouwen of door instellingen van liefdadigheid en familiën bewaard,
bijeen werd gebracht.
Was door deze tentoonstelling de belangstelling gewekt voor de
geschiedenis van stad en land, niemand betreurde meer dan Scheltema, dat alles,
wat met zooveel moeite vereenigd werd, weder uiteen zou gaan. Vóór de
Tentoonstellingscommissie, waarvan hij voorzitter was, ontbonden werd, wist hij
te bewerken, dat al wat aan de stad behoorde in ‘Arti-Legi’ voorloopig bijeen
zou blijven, en dat vele particulieren het ingezondene in bruikleen afstonden.
Zoo kon de verzameling in Augustus 1873, bij gelegenheid van eene algemeene
vergadering der Maatschappij van Landbouw, opnieuw voor het publiek opengesteld
worden. Hij ging inmiddels voort met overal nasporingen te doen, en de
collectie telkens met nieuwe, niet zelden kostbare en merkwaardige voorwerpen
te verrijken. Was het zijn wensch aan Gouda een blijvend Geschied- en
Oudheidkundig Museum te schenken, hij vond hiervoor steun in den burgemeester
Mr.
A.A. van Bergen IJzendoorn, en het was door
diens toedoen, dat de Gemeenteraad in November 1873 tot oprichting van zulk een
Museum besloot. Nadat alles opnieuw geordend was in de zalen, die thans voor
zulk eene blijvende ver- | | | | zameling doelmatig konden worden
ingericht, benoemde het gemeentebestuur in April 1874 eene Commissie van vijf
leden, aan welke de belangen dezer nieuwe stedelijke instelling voortaan zouden
zijn toevertrouwd. Het sprak vanzelf dat
Scheltema aan het hoofd dier Commissie werd
geplaatst. In zijne toespraak bij de opening op den 12den
Mei, den feestdag ter herinnering aan de vijf-en-twintig jarige regeering van
Koning Willem III, wees hij den gemeenteraad en een breeden kring van
genoodigden op Gouda's roemrijk verleden en bracht hij hulde aan het verlicht
bestuur en de medewerking van allen, die het plan hadden helpen verwezenlijken.
Een gedenksteen in den muur bewaart de herinnering aan dit feit. Naast de
beroemde kerkglazen werd van nu aan ook het Museum voor landgenoot en
vreemdeling eene aanleiding, om aan de door hare pijpenfabrieken en
pottenbakkerijen vermaarde stad een bezoek te brengen. Onder de vele
aanzienlijken, die Scheltema er mocht rondleiden, behoorden in September 1874
Koningin Sophia en Prins Frederik der Nederlanden.
Te midden van vele merkwaardige voorwerpen, die het Museum bevat: de
pistolen van Tromp, den ‘steen der sceldende wiven’, een der oudste journalen
van den eersten scheepstocht naar O. Indië, door Scheltema zelven geschonken
e.a., trekt nog altijd bijzonder de aandacht de kostbare beker of miskelk met
patena, in 1425 door Jacoba van Beijeren aan de schutters van St. Joris Doelen
als sieraad op hun altaar vereerd, vermoedelijk uit dankbaarheid voor de bij
Gouwesluis behaalde overwinning. Walvis had in zijne ‘
Beschrijving der Stad Gouda’ dien ‘silvere vergulde kop’
vermeld, en het voorwerp dus zeker gezien, maar toen
De Lange van Wijngaerden in het begin dezer
eeuw zijne ‘
Geschie- | | | | denis der stad van der Goude’
schreef, was dit voorwerp spoorloos verdwenen, zoodat hij meende de schenking
naar het rijk der mythen te moeten verwijzen. Scheltema vond den beker,
merkwaardig zoowel als kunstproduct als om de historische herinnering eraan
verbonden, in een kist met oude charters terug. Deze vondst wekte, zoodra zij
ruchtbaar werd, algemeen de belangstelling. Onder zijne papieren berust een
brief van een handelaar in oudheden, waarin voor het kunstwerk 60.000 gulden
werd geboden, terwijl aan Scheltema het uitzicht werd geopend op eene zeer
aanzienlijke belooning, indien hij het gemeentebestuur wist te overreden voor
dien prijs het voorwerp af te staan. De man, die zijne verontwaardiging nauw
kon bedwingen, toen hij vernam, dat de nazaten van Cornelis de Witt den gouden
beker, aan dezen door de Staten van Holland na den tocht naar Chattem in 1667
geschonken, aan een vreemdeling hadden verkocht, was voor geen prijs te bewegen
om de hand te leenen tot het vervreemden van ‘zulk een onwaardeerbaar stuk
vaderlandsche geschiedenis’, en heeft het van harte toegejuicht, dat de
stadsregeering in zulk een koop niet treden wilde. Hadden alle gemeenteraden,
regenten van stichtingen en particulieren altijd als Gouda en Scheltema gedacht
en gehandeld, menig kostbaar stuk, da nu openbare en bijzondere verzamelingen
in het buitenland tot sieraad strekt, ware voor ons land behouden gebleven.
Het vinden van de miskelk was een gevolg van Scheltema's bemoeiingen
met het Stedelijk Archief. Ten einde het Museum nog te kunnen verrijken met
vele voorwerpen, die wellicht nog op het Raadhuis verscholen waren, werd hem
vergunning gegeven het oud-archief te doorzoeken, dat in kisten op zolder en
vliering gebor- | | | | gen was. Het vinden van oude charters, rekeningen
en andere belangrijke perkamenten en papieren, deed de lust in hem ontwaken om
het geheele archief behoorlijk te ordenen en te inventariseeren, waarin
Dr. Tebbenhoff hem gaarne wilde bijstaan.
Beiden gaven in 1873 aan den gemeenteraad te kennen, dat zij bereid waren,
tegen eene geringe vergoeding, zich met die taak te willen belasten, waarop
weldra eene opdracht volgde. In twee jaren werd dit werk volbracht, zoodat in
1876 een ‘
Inventaris van het Oud-Archief der gemeente Gouda van 1325 tot
1812’ in het licht verschijnen kon, waardoor ook dit stedelijk archief
voor verdere historische nasporingen bruikbaar was gemaakt. Den 2den Mei 1877 werd
Scheltema tot Archivaris benoemd, met eene
toelage van honderd gulden voor schrijfloon en andere onkosten. Onder de
papieren, die Scheltema op het Raadhuis aantrof, behoorde ook eene portefeuille
met handschriften van
De Lange van Wijngaerden, door den heer K.
Kemper aan de stad vermaakt, die o.a. het onafgewerkt derde deel bevatte van
diens stedebeschrijving. Scheltema besloot het werk te voltooien en uit te
geven, waartoe de gemeenteraad hem gaarne de vergunning verleende, terwijl de
uitgever
G.B. van Goor bereid was het boek voor eigen
rekening ter perse te leggen. Zoo verscheen in 1879 de ‘
Geschiedenis en beschrijving der stad van der Goude,
door
C.J. de Lange van Wijngaerden, Dl. III.
Bewerkt en vermeerderd door J.N. Scheltema’, opgeluisterd met een viertal
platen van Schipperus.
Tot eene der laatste bemoeiingen van Scheltema te Gouda behoorde de
oprichting van het Houtman-monument. Het denkbeeld ging van hem uit en in de
Goudsche Courant van 12 Januari 1876 riep hij in de eerste plaats alle
ingezetenen tot medewerking op. In Februari daarop | | | | gaf hij een
vliegend blaadje uit getiteld: ‘
Een monument voor de Gebr. De Houtman, ter beantwoording van de
vraag: wie waren die gebroeders De Houtman en welke waren hunne eigenlijke
verdiensten’. Het bevatte o.a. bijzonderheden omtrent de familie De
Houtman, die aan zijne nasporingen in het stedelijk archief ontleend waren.
Niet alleen in maar ook buiten Gouda bleek zijn roepstem weerklank te vinden,
en zoo vormde zich weldra eene commissie met den burgemeester aan het hoofd,
die, nadat Prins Hendrik zich bereid had verklaard als beschermheer op te
treden, en de toenmalige minister van koloniën Van Goltstein het
eerevoorzitterschap had aanvaard, ook in andere Hollandsche steden personen
uitnoodigde hulp-comité's te vormen, en een rondschrijven verspreidde, waarin
er op gewezen werd, hoe het aan de energie en den ondernemingsgeest der beide
broeders te danken was geweest, dat Amsterdamsche kooplieden in 1595 het eerst
een viertal schepen naar O. Indië hadden uitgerust. Er gingen echter stemmen op
tegen het plan; was het gewettigd, dus vroeg men, een standbeeld op te richten
voor een Cornelis de Houtman, wiens verdiensten door de onderzoekingen van De
Jonge in zulk een twijfelachtig licht waren geplaatst? Maar het hoofdcomité
verklaarde in een tweede mede door Scheltema gesteld rondschrijven ‘aan alle
voor- en tegenstanders van het op te richten monument’, dat aan een standbeeld
nimmer was gedacht, en dat het in de waardeering van De Houtman's aandeel in
dien eersten tocht, op grond van onwraakbare getuigenissen, van De Jonge meende
te moeten verschillen. Gelijk bekend is kwam de zaak tot stand; in het
plantsoen tegen over den Fluweelen Cingel, ter plaatse waar eens het kasteel
stond, waarin Jacoba van Beijeren verblijf heeft gehouden, verrees een door den
| | | | jeugdigen beeldhouwer Xav. Stracké, uit blauwen hardsteen
ontworpen, naaldvormig toeloopend monument. Uit de middenvakken van het
onderstuk steken vier bronzen scheepjes uit, die de namen van de eerste naar
Indië uitgezonden koopvaarders dragen. Op de paneelplaten van het opzetstuk
staan de jaartallen en het wapen van
Gouda, en leest men als opschrift: ‘Aan de
gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman, inboorlingen en burgers van Gouda,
als grondleggers van het verbond tusschen Nederland en Insulinde, het dankbare
nageslacht.’ Op 1 Juli 1880 had de plechtige onthulling plaats in
tegenwoordigheid van den Minister van Koloniën, den Commissaris des Konings,
afgevaardigden der sub-commissiën, de leden van het Goudsche gemeentebestuur en
verdere genoodigden.
Scheltema hield als ondervoorzitter van het
Hoofd-Comité de toespraak, die, hoewel gedrukt, niet in den handel verscheen.
Bij die gelegenheid was op het Raadhuis tentoongesteld, al wat omtrent beide
broeders en hunne tochten naar Indië had kunnen worden saamgebracht.
Door al het genoemde had Scheltema de aandacht op zich gevestigd. Onze
Maatschappij bood hem in 1877 haar lidmaatschap aan. Dezelfde onderscheiding
viel hem een jaar later van het Historisch Genootschap te Utrecht te beurt.
Toen hij zich, na het nederleggen van zijn ambt, in zijne geboortestad
gevestigd had, sloot hij zich aan bij het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap,
in welker wintervergaderingen hij een paar malen als spreker optrad. Hij was te
werkzaam van aard en gevoelde zich nog te krachtig, om werkelijk rust te nemen;
welkom was hem dus in Juni 1880 de benoeming tot conservator-honorair aan de
Universiteits-Bibliotheek, welke betrekking hij tot zijn dood bleef
bekleeden. Behalve andere werkzaam- | | | | heden, die hem nu en dan
werden toevertrouwd, ordende hij de verzameling vaderlandsche portretten en
historieprenten, meerendeels behoorende tot het bruikleen van de
Remonstrantsche Kerk te Amsterdam; bewerkte hij een catalogus van de rijke
collectie autographen dier kerk, alsmede van die, waarmede de stedelijke
verzameling van handschriften in den jongsten tijd was verrijkt; maakte hij de
boekerij dier kerk voor ieder bruikbaar, door het inlijven van de titels bij
den algemeenen catalogus voor te bereiden, en rangschikte hij de menigte
pamfletten volgens de bekende in druk verschenen catalogussen. Ook als hij de
zomermaanden te Zeist doorbracht, zette hij geregeld een deel dier
werkzaamheden voort. Op verzoek van den kerkeraad der Hervormde gemeente te
Amsterdam, ordende en catalogiseerde hij het oud-classicaal archief, van
zooveel belang voor de correspondentie met buitenlandsche kerken, voor welken
arbeid hem een der prachtwerken van Lacroix werd aangeboden. Zoo bleef hij met
opgewektheid arbeiden op het terrein, dat hij zich had uitgekozen, niet enkel
voor zich zelven maar ook ten bate der wetenschap. Hij gevoelde zich gelukkig
aan de zijde van eene liefhebbende echtgenoote, Cornelia Boeke, met wie hij in
1880 hertrouwde, en rijk gezegend als hij op huiselijke feestdagen zijne
kinderen en kleinkinderen allen rondom zich mocht zien. Ondanks het klimmen
zijner jaren, bleef hij eene goede gezondheid genieten, tot in het voorjaar
eene ziekte hem aantastte, die den 8sten April de oorzaak
werd van zijn dood. Een diep bedroefde zoon, bloedverwanten en trouwe vrienden
droegen hem den 13den op de nieuwe Oosterbegraafplaats ten
grave.
H.C. Rogge.
|
1Het waren J.H. de Ridder, G. Weeraat en Abr.
des Amorie van der Hoeven Jr.
1Hij was verwant aan den bekenden geschied- en
oudheidkundigen Jacobus Scheltema, wiens grootvader zijn betovergrootvader
was.
|
|