Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1895


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1894-1895. E.J. Brill, Leiden 1895  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 203]

Levensbericht van Dr. Mr. Hubertus ter Haar.

Toen de schrijver der volgende regelen, een dankbaar en toegenegen leerling van den man, wiens naam boven dit opstel staat geschreven, uit de dagen dat hij aan de Deventer hoogere burgerschool staats- en handelswetenschappen leeraarde, in het door hem geredigeerde dagblad de Zutphensche Courant, bij Hubertus ter Haar's dood eenige regelen van warme waardeering en dankbare herinnering had geschreven en er overigens in den lande van den dood van dezen toch vroeger zoo alom bekenden man zoo weinig notitie genomen werd, vond zich zelfs een Amsterdamsch leerling van ter Haar genoopt om in een ‘Ingezonden stuk’ in het Handelsblad te vragen of het voorrecht nu werkelijk aan de Zutphensche Courant moest blijven voorbehouden om hulde te brengen aan zulk een verdienstelijk geleerde, aan zulk een bekend oud-theoloog en rechtsgeleerde, aan zulk een bekwaam en gevierd leeraar in staatswetenschappen en aesthetiek en of geen oud-Utrechtsch of Amsterdamsch academiebroeder, geen oud-Leidsch of Amsterdamsch leerling de pen zou opnemen om met een welsprekend en waardig woord den tol der dankbaarheid en der waardeering te

[p. 204]

brengen om ook in breederen kring het besef te wekken van de soort van kracht en beschaving, die met Hubertus ter Haar was heengegaan.

Aan schrijver dezer regelen is het tot nog toe niet gebleken, dat de verzuchting van bovengenoemden Amsterdamschen discipel is in vervulling gegaan, dat meer bevoegde hand dan de zijne een beeld heeft ontworpen van den begaafden man, die jaren lang een voortreffelijk leeraar bij het Middelbaar Onderwijs was, letterlijk op de handen zijner discipelen werd gedragen (en dat waren er vele, want ter Haar heeft aan verscheidene inrichtingen van onderwijs, zoowel voor jongens als voor meisjes, les gegeven), overal waar hij optrad, liefde, ja geestdrift voor zijn vak wist te wekken en die ook als spreker in openbare vergaderingen zich dadelijk als een scherpzinnig man van beteekenis deed kennen.

Hoe ter Haar's dood zoo weinig in het oog viel, vraagt men misschien?

De laatste maanden van zijn leven was hij ziek geweest; reeds maanden te voren had hij verlof gekregen als leeraar aan de Handelschool te Amsterdam tot herstel van gezondheid, een herstel dat hij eerst te Wiesbaden, later te Nijmegen heeft gezocht.

Zoodoende was hij als van zelf, zonder dat men er zich rekenschap van gaf, uit het oog verloren.

Hoe gaat het bij zulke gelegenheden?

Busken Huet heeft eens een juist beeld gebruikt, toen hij (ik meen in een brief aan zijn vriend Prof. Quack) wou duidelijk maken, dat hij zeer goed begreep, dat men hem hier in Holland uit het oog verloren had voor het waarnemen van de eene of andere belangrijke Staats- (liefst hoogleeraars) betrekking, door zijn heengaan naar Indië.

[p. 205]

Het leven is zoo iets als een renperk en een schouwtooneel, gelijk bekend, waarvoor altijd overvloed van deelnemers en zelfs van belangstellende toeschouwers is. Verwijdert men zich een poos uit het gedrang, dan worden de plaatsen ingenomen en zóó bezet, dat men, zijn rechtmatige plaats willende hernemen die niet meer krijgt, dan door te coudoyeeren en te dringen.

Heeft men daar geen lust of hartstocht voor, dan - blijven de plaatsen bezet; degenen, die zich geabsenteerd hebben, zijn ook onherroepelijk hunne plaatsen kwijt en ze kunnen van verre toekijken en worden dikwijls geheel vergeten.

 

Er zijn sommige menschenlevens, die verbazend veel kalmer verloopen en veel stiller eindigen dan velen, die het begin en de middag-hoogte daarvan hadden gadegeslagen en die geboeid waren door het vele gebenedijde dat daarin was, ook maar eenigszins hadden kunnen verwachten. Onze nieuwere tijden, met die zoo sterk vermenigvuldigde publiciteit, met het openbare, dat er allicht komt in ieder menschenleven, dat zich niet slechts wijdt aan de belangen van een zeer engen kring, van een familie, doch dat het belang van allen, van de gemeenschap najaagt, zij schenken soms een reputatie, een op aller lippen zwevenden naam aan menschen, die, ja - wel voortdurend timmerden aan den weg, doch dat vaak deden met zulk ruw, onkostbaar grenenhout, dat men er na korten tijd niet dan waardelooze wrakhoutjes aan den grooten stroom des tijds van aantreft.

Onze nieuwste tijden zijn in dat soort van reputatiën, als wij ons niet vergissen, bijzonder rijk.

Daarentegen zijn er van die conscientieuse, hoog-wetenschappelijk aangelegde naturen, die aan anderen en dus

[p. 206]

ook aan zich zelven zulke strenge eischen van pogen, willen en kunnen aanleggen, vooral waar het 't optreden in het proscenium des openbaren levens betreft, dat zij steeds een gevoel behouden, dat zij nog slechts bezig zijn zich vóór te bereiden, te oefenen, zoodat zij het woord laten aan een vrijmoediger, meestal vrij wat onbevoegder en minder gewetensvolle menigte, die er maar op lospraat, op los-dicht, op los-schrijft, er maar op los-pleit - ‘faisant du bruit du moins’.

Het begint er somtijds wat op te gelijken of men het er vrij wel over eens geraakt is onder de auguren, dat 't er slechts op aankomt wie het meest weet te speculeeren op de eigenaardige hebbelijkheden, zwakheden, liefhebberijen, gevoeligheden van den volksaard òf wie de meest vreemde geluiden kan maken, wie de barocqste stellingen durft verkondigen, wie de vervaarlijkste keel durft opzetten, wie het koelst en onverschilligst de eischen van zijn beter aesthetisch-moreel ik weet totzwijgen te brengen.

Tot die intellectueele fortuin-zoekers en reclame-makers behoorde niet de man, wiens naam aan het hoofd van dit levensbericht geschreven staat.

Wonderlijk bestel der schikgodinnen dezer wereld! - de man, die, geboren met al de gelukkige gaven van zijn vader, Professor Bernard ter Haar [wiens geschiedenis in de Levensberichten van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, van het jaar '81 geschreven werd], die door zijn geheele kindsheid, jongelingschap, studie, de eerste jaren van zijn maatschappelijk leven de verwachting wekte, dat hij een zeer in het oog vallende rol zou vervullen in de geschiedenis van zijn tijd, dat hij toestanden zou beheerschen en hervormingen zou tot stand brengen, dat hij zou scheppen door zijn ontvankelijk gemoed en zijn scherp-

[p. 207]

zinnigen geest - hij is wel in kleineren en bescheiden kring een man geweest ‘van beteekenis’, die in het oog viel door zijn ongemeene geestesgaven, die voor velen een bezieler, een leermeester, een baan-bereider en -aanwijzer was, die ook - vooral in de jaren zijns praktischen politieken levens te Deventer - invloed uitoefende en de publieke opinie in belangrijke mate bezigheid gaf, op sommige oogenblikken zelfs beheerschte, doch die niet leverde en niet deed en niet gaf, wat zijn vrienden en bewonderaars van hem gewenscht en verwacht hadden.

Het was in de volle kracht, in de volle aantrekkelijkheid en opgewektheid van ter Haar's openbare leven, toen hij lust gevoeld had zijn frissche krachten aan het zoo even door Thorbecke georganiseerd middelbaar onderwijs als docent in staathuishoudkunde en staats- en handels-wetenschappen aan de H.B.S. te Deventer te wijden en zijn advocatenloopbaan te Amsterdam vaarwel te zeggen, dat schrijver dezes met hem in aanraking kwam.

Deventer was vooral in die dagen (van 1864) niet alleen een aardige bloeiende provinciestad, doch een plaatsje, waar inderdaad voor een stad van dien omvang, een zeer merkwaardig opgewekt geestelijk leven bloeide.

Nog bestond er nl. de ‘Illustre school’, het Atheneum en al telde die verouderde inrichting weinig studenten, zij hield aan zich verbonden eenige mannen, die ook aan een nòg meer ‘illustre’ school, aan eene Universiteit zouden tot eer verstrekt hebben.

Niet gering te schatten mannen van wetenschap had het Atheneum te Deventer in den loop der jaren tot zich getrokken; enkelen hebben zich een onuitwischb'ren naam in de annalen dier wetenschap verworven; doch ook - wat zeker ieder getroffen heeft, die Deventer in die jaren bewoonde - er was daar ter stede, zooals wij boven

[p. 208]

zeiden, een eigenaardig opgewekt intellectueel leven, een zeker waas van wetenschappelijke belangstelling, een cachet van intellectueel patriciërsschap, dat de stad onderscheidde van vele harer zusters, die evenveel of meer inwoners telden.

Er waren toen aan dat Atheneum nog mannen verbonden als Cop, de chemicus, die een der beste paedagogen was van zijn tijd; als van der Willigen, die later, vooral toen hij zich als conservator van Teyler's Museum geheel aan zijne wetenschap, de Physica, kon wijden, een wetenschappelijken arbeid en metingen (op het gebied van het licht) heeft verricht, waarvan nòg de wereldannalen der physische wetenschap gewagen - als van Vloten, den levenwekkenden en bijtenden, caustischen publicist, die door lezingen en geschriften over vaderlandsche geschiedenis en maatschappelijke onderwerpen steeds groote korrels zout in de samenleving zijner dagen strooide en later Deventer bijna als een nieuw-Abdera te boek wilde doen staan - er waren in dat Deventer van die dagen, vooral ook toen er naast het van oud-tijds zeer bloeiende gymnasium, onder het rectoraat van den zoo bekenden Dr. Vitringa, ook een met werkelijk exceptioneel milde hand ingerichte Hooge Burgerschool met zesjarigen cursus (dus ook met gelegenheid voor voortgezette studie voor pharmaceuten, a.s. medici en docenten) gevestigd werd, een tal van mannen vereenigd, die er een eigenaardige atmospheer brachten, die, zouden wij zeggen, er het voorkomen van een Duitsch akademie-stadje aan gaven.

Die Hoogere Burgerschool trok aanvankelijk voortreffelijke krachten tot zich, zooals die van de genoemde mannen als Cop, van der Willigen, na hem van der Waals (een europeesche vermaardheid geworden in zijn vak) een van Pesch, een Burgersdijk.

[p. 209]

Hubertus ter Haar gevoelde zich dan ook in den aanvang in die Deventer omgeving, welke inderdaad groote verscheidenheid en geestelijk verkeer van het beste gehalte aanbood, volkomen tehuis en hij vatte er zijn onderwijstaak op zulk een bezielde en bezielende wijze op, dat nog menig leerling van die Hoogere Burgerschool te Deventer zich de eigenaardig opwekkende uren herinnert, onder zijn gehoor gesleten.

Later nam hij er nog het onderwijs in dezelfde vakken, maar bovendien in de aesthetica en kunstgeschiedenis aan de Hoogere Burgerschool voor meisjes bij waar en het is vooral ook op de lessen in dit vak, dat ter Haar allervruchtbaarste zaden uitstrooide en dankbare leerlingen vormde.

Het was voor iedereen, die met eenigszins goede voelhorens gewapend was, duidelijk dat men in ter Haar een docent voor zich zag van meer dan gewone vorming, bekwaamheid en bevoegdheid.

Hij was een man, over wien een zeer breede stroom van akademische ontwikkeling was heengegaan, een man, die gepromoveerd was in de theologische en de juridische faculteit beide, die een dichters-aanleg met zich als feestgave van de natuur had medegebracht en die - vooral in oogenblikken van bezieling, van opgewektheid over een gave van het woord beschikte, die velen hem benijdden en die hem als leider van vergaderingen, als lezer, doch vooral als speecher ex-tempore, ware triumfen hebben bezorgd en die hem ook maakten tot een - dat was vooral in die dagen zijn waar karakter - tot een zeer gevreesden aanvoerder in de voorhoede der toenmalige liberale partij. Als voorzitter van de liberale Kiesvereeniging ‘Vrijheid en Orde’ was ter Haar dan ook jaren lang een wachter op de tinne, die oog had

[p. 210]

voor alle merkwaardige verschijnselen van den tijd en die bij de beoordeeling daarvan steeds bewonderenswaardig ad rem was.

De Deventer Courant, verschillende notulen van Vereenigingen, oude jaargangen van ‘ Het Deventer Weekblad’ (een paar jaar door Dr. van Vloten geredigeerd, op uitnoodiging van den indertijd zoo talentvollen H.J. Ankersmit) en de jaarboeken of liever, bescheidener gezegd, de notulen van het Departement ‘Deventer’ der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, zouden er van kunnen getuigen. Het was in die dagen een amusement in Deventer te wonen, omdat er eenige mannen zich in het maatschappelijk leven bewogen, die voor iedere grootere stad een sieraad en een korrel zout geweest zouden zijn. Er was publieke geest in dat welvarend Overijselsch landstadje, iets dat, hoe ook van Vloten poogde het met zijn guitigen reclame-geest voor een Nederlandsch Abdera uit te maken, toch die ‘stad van koek en onwaarheid’ zooals hij het schold, voor een klein centrumpje van intellectueele beweging en gisting deed aanzien in den lande.

Van Vloten's soms singuliere hartstocht voor publiciteit heeft zeker een eigenaardigen invloed op ter Haar gehad. Het was somtijds of hij er door werd overbluft: dan weer ergerde hij er zich aan en het maakte per slot van rekening dat hij, de man van het woord en van de pen, zich voortdurend strenger eischen ging stellen, zich in een soort van voorname schuchterheid terug ging trekken en daardoor minder van zich deed uitgaan dan anders het geval zou geweest zijn. Hij placht langzamerhand te zeggen ‘Ach, er zijn al zooveel menschen tegenwoordig, die het woord en de pen voeren, dat men lieden als mij wel missen kan en dat die zich

[p. 211]

wel wat bescheiden op den achtergrond kunnen houden’.

Daarmede deed ter Haar zich zelf en zijne omgeving onrecht, want zijn fijn georganiseerde en scherpzinnige geest, zijn welsprekendheid maakten hem haast als van zelven tot een aangewezen leider op staatkundig en maatschappelijk gebied.

Hij had een eigen kijk op de zaken, begreep reeds vóórdat anderen er van repten, welke sociale verschijnselen en omwentelingen in de denkwijze der intelligente arbeiders in aantocht waren.

Niet zoozeer nog in het feit, dat een jeugdig promovendus in het jaar 1863 tot onderwerp zijner dissertatie koos: De staat en het individu, als in de wijze waarop hij dat deed, op dat tijdstip, toen toch inderdaad ten onzent de sociale quaestie en socialistische neigingen onder het groote publiek zich pas aan den gezichtseinder vertoonden, vinden wij bij het herlezen een treffend bewijs van de fijnheid der geestelijke voelhorens van Hubertus ter Haar.

De belangrijkste strijd toch, die in onze dagen op het gebied des geestes wordt gestreden is onmiskenbaar die tusschen het onbeperkt individualisme en het meer of minder beperkt socialisme, hetzij dan zoo wetenschappelijk en technisch mogelijk geformuleerd.

De eisch der gemeenschap, het heil der gemeenschap, het wezen der gemeenschap, de onafwijsbare eischen der gemeenschap, ze klinken ons elken dag als dreunende krijgsleuzen in de ooren en de welmeenendste en scherpzinnigste denkers peinzen zich moede op een verzoening tusschen het meedoogenloos realisme van de een en het onzielkundig utopisme van de andere. En toch gevoelen - ‘ahnen’ (ja 't is onvertaalbaar, dat veelzeggende duitsche woord!) talloos - velen, dat het

[p. 212]

zoeken van den middenweg tusschen beide tot den toekomst-staat zal moeten leiden.

En nu was daar in het jaar '63 een promoveerend jurist, die het reeds voor zijn geestes-oog zag:

‘Wanneer we thans de slotsom onzer beschouwing zullen opmaken, zoo blijkt in de eerste plaats ook a posteriori wat reeds a priori zeer waarschijnlijk was, dat er geen criterium is aan te geven, waaraan men voor ieder volk in elke phase zijner ontwikkeling toetsen kan, wat Staatszaak wezen moet, wàt niet. Noch de theorie van den rechtstaat, noch het daarmede parallel loopende systeem van Dunoyer en Bastiat, hebben zich, 't zij in de theorie, 't zij in de praktijk blijvend gezag weten te verschaffen. Integendeel is, gelijk wij zagen, de heerschende richting, zoowel in de wetenschap als in de Staat- en Staathuishoud-kundige praxis, beiden met iederen dag meer vijandig geworden. Beiden zijn als te eng, te koud-egoïstiesch tegenover de ontzettende kwalen der moderne Maatschappij, te onverschillig tegenover de hoogere, geestelijke belangen der menschheid verworpen. Men wijst er dan tevens op, dat nergens de Staat zich zoo enge grenzen heeft laten welgevallen. Dit laatste argument nu bewijst onzes inziens wat veel. De redenen waarom deze theorie nergens in praktijk gebracht is, kunnen zeer wel buiten de theorie zelve of hare gebreken gelegen zijn. De traditionele meeningen omtrent de heiligheid van het gezag, de gewoonte om op den Staat te steunen, de zeer menschelijke zucht der gouvernementen om hun werkkring en daardoor hunne macht eer uit te breiden dan in te krimpen, zijn allen oorzaken waaruit, buiten de theorie om, dit verschijnsel zeer wel zou kunnen verklaard worden. Ook is het in 't oog vallend dat daar, waar

[p. 213]

door den loop der omstandigheden deze oorzaken of niet of minder krachtig gewerkt hebben, zooals in Amerika, de rol van den Staat beperkter is uitgevallen dan in eenig land der Oude Wereld. Om nu hieraan alleen de verbazend snelle ontwikkeling dier Staten toe te schrijven, is een gevolgtrekking, die de oneindige zamengesteldheid der maatschappelijke verschijnselen niet toelaat. Maar het aangehaalde voorbeeld wordt door de voorstanders der vrijheid niet zonder recht aangehaald, om hen, die van die vrijheid de donkerste voorspellingen voor de toekomst doen, de overdrevenheid hunner inzichten aan te toonen.

Intusschen zou dit beroep dan alleen afdoende zijn, indien men twee volken gedurende een zelfde tijdverloop in geheel dezelfde omstandigheden kon plaatsen en dan achtereenvolgens de theorie van den Rechtstaat, die der onbeperkte ondersteuning, eindelijk het een of ander socialistische stelsel in werking kon brengen, om dan de resultaten te vergelijken.

In zooverre was de vraag van dien socialist, die in '48 met de grootste naïviteit van de Assemblée nationale slechts ééne gemeente vroeg om er zijn stelsel op te beproeven, te begrijpen. Hoe gevaarlijk een toestemmend antwoord voor zijne theorie had kunnen zijn, doen de mislukte proefnemingen van Owen en Cabet vermoeden. Zij hebben het socialisme beroofd van het betrekkelijke voordeel van positie, om te kunnen zeggen: bracht men maar eenmaal onze theorie in praktijk, ze zou zichzelve rechtvaardigen. De voorstanders der vrijheid maken daarvan, dat hunne theorie nog nooit consequent in

[p. 214]

toepassing is gebracht, gebruik om zich te beklagen: dat men alles beproefd heeft, behalve de vrijheid: dat het juist als een bewijs tegen de voogdij der staatsbesturen kan gelden, dat de volken niet meer naar vrijheid verlangen, gelijk de slavernij ten gevolge heeft dat de slaaf zich verzoent met zijne boeijen; gelijk den gevangene, na jaren lange opsluiting, de vrije lucht en het volle licht onaangenaam aandoet; - dat men in dezen gewoonlijk den toestand niet helder zich voor oogen stelt. Men neemt de geheele maatschappelijke gesteldheid gelijk ze nu is, en somt dan de nadeelen der vrijheid op. Maar men vergeet dat, zoo men de vrijheid toeliet, ook de geheele maatschappelijke toestand zou veranderen; dat allerlei nadeelen aan Staatsinterventie verbonden, zouden wegvallen, dat allerlei krachten door den Staat geabsorbeerd, voor het Individu beschikbaar zouden worden. En alleen wanneer men tegen deze voordeelen de nadeelen der vrijheid weegt, alleen dan kan men rechtvaardig oordeel vellen.

Bij het onvoldoende der ervaring in dezen is het hier zeker zeer moeilijk uitspraak te doen! Spiritualisme en materialisme, optimisme en pessimisme, verschil van volksaard en omstandigheden krijgen hier vrij spel en doen een reeks van de meest uiteenloopende meeningen ontstaan. Alle bewegen zich echter in ééne richting voort, welke ten laatste haar eindpunt vindt in 't socialisme. Alle kenmerken zich, gelijk we zagen, door de afwezigheid van vaste beginselen a priori ten opzichte der staatsmacht en hare begrenzing. Toch zou 't niet waar zijn te beweren, dat dat men geen stap verder gekomen is dan het geheel algemeene beginsel: beperk de vrijheid tot zoover, maar ook niet verder, dan voor het algemeen belang der

[p. 215]

burgers noodzakelijk is. Want al kan men niet in abstracto bepalen wat in 't algemeen belang is, wat niet; noch voor alle Staten een regel vaststellen tot hoeverre men in de beperking dier vrijheid gaan mag; al heeft men leeren inzien, dat de omstandigheden in hare rijke menigvuldigheid den spot drijven ook met de fijnst gesponnen theorie - toch heeft de levendige discussie over het aanhangige vraagstuk in de laatste jaren gevoerd, menige oude waarheid nader bevestigd, en nieuw licht geworpen over veel, wat vroeger op den achtergrond trad. Zoo zijn er niet alleen helderder denkbeelden ontstaan over de gedragslijn, die de Staat, ten opzichte der burgers en omgekeerd, te volgen hebben in gewone omstandigheden, maar men heeft ook gepoogd, en niet ongelukkiglijk, nader te praeciseren, wat het afwijken van den gewonen regel rechtvaardigt, wat niet. De vrijheid, hiervan gaat men uit, is de normale toestand van Individu en Maatschappij. Die vrijheid vindt echter hare natuurlijke begrenzing in den Staat, die door de handhaving van recht en orde haar voor allen mogelijk maakt. Aan den Staat is bovendien de zorg voor het algemeen welzijn der burgers opgedragen. Hierdoor wordt hem in de eerste plaats de plicht opgelegd om de vrijheid van persoon en goederen der burgers te bewaken, zonder welke alle welzijn onmogelijk en het doel van den Staat geheel mislukt zou moeten heeten. Dezen eersten plicht mag hij nooit uit het oog verliezen, en zoodra de behartiging van andere belangen, hoe dringend ook, hem hierin hinderlijk mocht worden, moet hij onbepaald voorgaan.

De vrijheid is echter niet het eenige goed, dat hij den burgers waarborgt. Hunne materiële en geestelijke ontwikkeling moet hij mogelijk maken. Wanneer dus

[p. 216]

bij de burgers òf het inzicht in de ware behoeften der maatschappij, òf het vermogen om aan die behoeften te voldoen, ontbreekt; of wanneer datgene, wat in 't algemeen belang tot stand gebracht behoort te worden, uit zijn aard ongeschikt is om door particulieren te worden verricht, of te weinig dadelijk voordeel belooft om hun eigen belang te prikkelen; - in 't kort, wanneer de privaat-krachten ongenoegzaam blijken, kan de Staat, 't zij door aansporing, 't zij door tegemoetkoming, 't zij door de taak van de Individuën op zich te nemen, de algemeene belangen behartigen. Ten opzichte meer bijzonderlijk van het Individu, kan de Staat alleen die handelingen bij de wet regelen, welke onmiddelijk invloed uitoefenen op het lot van anderen. Maar dien kring van handelingen, welke het Individu alleen betreffen en alleen door de kracht van 't voorbeeld en zedelijken invloed op anderen influenceren, zoowel zijne vrijheid van denken als handelen, moet de Staat als buiten zijn gebied gelegen beschouwen. Daar echter iedere tusschenkomst der staatsmacht hare eigenaardige schaduwzijde heeft; daar zij noodwendige vermeerdering van belasting, uitbreiding van dienstpersoneel ten gevolge heeft, waardoor weder het aantal dergenen, die afhankelijk van den Staat worden, toenemen moet en de vrijheid van het handelsverkeer enz., altijd eenigermate wordt belemmerd; daar vooral de gevolgen voor de zedelijke zelfstandigheid eener natie altijd min of meer nadeelig zijn, aangezien de burgers op den Staat leeren steunen en hunne eigene werk- en vindingskracht, hunne energie, daardoor in dezelfde mate afneemt als de staatswerkzaamheid toeneemt; enz., enz. daar dus ieder ingrijpen der staatsmacht met de daaraan verbonden beperking der vrijheid een betrekkelijk kwaad te achten is, dat

[p. 217]

alleen door de noodzakelijkheid kan gerechtvaardigd worden; - zoo wordt het staatsbestuur, telkens als het handelend optreedt, den plicht opgeladen te bewijzen, dat hetgeen het verrichten wil, noodzakelijk is in het algemeen belang, en noodzakelijk door den Staat moet verricht worden. Kan het staatsbestuur dit bewijs niet leveren, zoo wordt het door een sterk vermoeden gedrukt van toe te geven aan de allen gouvernementen min of meer eigenaardige zucht tot heerschen, en heeft de natie recht zich tegen den voorgeslagen maatregel, als onrechtmatige inbreuk op hare vrijheid, aan te kanten. In het tegenovergestelde geval echter, behoort elk offer, dat de Staat verlangt om het voorgestelde doel te bereiken, zonder aarzelen door de burgers gebracht te worden, en is de tusschenkomst van het staatsbestuur als een betrekkelijk goed te beschouwen.

In elk geval nu waar de Staat handelend optreedt, 't zij in verband met, 't zij ter vervanging der private werkzaamheid, behoort hij nooit uit het oog te verliezen, dat de geestelijke ontwikkeling en opvoeding der Individuën het einddoel van zijn streven moet zijn. Daardoor worden twee zaken hem opgelegd. Vooreerst, dat al zijne hulp de strekking hebbe die hulp gaande weg overbodig te maken, en niet, zooals maar al te dikwijls geschiedt, de onmondigheid te doen voortduren en te helpen bestendigen door de maatregelen, op grond van die onmondigheid eener natie genomen. Ten tweede, zoodra het blijkt, dat zijn hulp overbodig wordt of zelfs zonder al te groote schade kan worden ontbeerd, zich terug te trekken en de private werkzaamheid vrij spel te laten.

't Valt hier in 't oog, dat de speelruimte, aan de practische staatskunst overgelaten, nog aanmerkelijk is. Maar van den anderen kant moet men toegeven, dat, wan-

[p. 218]

neer deze denkbeelden algemeen in de publieke opinie werden opgenomen, zoowel willekeurige inbreuk op de vrijheid der burgers van wege den Staat, als het roekeloos inroepen der gevaarlijke staatshulp door industriële en politieke partijen veel bemoeijelijkt worden zou.’

 

Hij was ook in de jaren 1864 met de heeren Mr. B.H. Pekelharing, Jhr. Mr. de Jong van Beek en Donk, Mr. Goeman Borgesius en Mr. Kerdijk, voorman in een ‘Comité tot bespreking van de sociale quaestie’ in een tijd, niet waar?, toen de gestelde machten in Nederland zich ter nauwernood rekenschap gaven van de groote beteekenis, die dit woord erlangen zou.

Er was een tijd, dat hem de redactie van het met zeer exceptionneele middelen toegerust dagblad ‘ het Noorden’ werd aangeboden; dat hij druk met Heldt en de wekkers van de arbeidersbeweging hier te lande confereerde, dat hij met Hubrecht plechtig en vol geestdrift Pascal Duprat te Amsterdam ontving; later dat men met zeer veel aandrang poogde hem als journalist naar Indië te lokken als hoofd-redacteur van ‘het Bataviaasch Handelsblad’.

Het was zijn bloei-tijdperk. Het was in die periode van zijn leven, dat hij zijn van vernuft, scherpe waarneming en warme overtuiging, gevoel voor het volk tintelende lezingen: ‘De publieke opinie’, ‘Over de weelde’, ‘Standsvooroordeel en maatschappelijke vooruitgang’ concipieerde en op verschillende plaatsen voordroeg.

Hij was een liberaal, die ten volle begreep, dat het oud parool der partij vervallen, dat het oude vaandel versleten was en dat ‘Sociale politiek’ het wachtwoord onzer dagen moest zijn, wilde men een botsing

[p. 219]

tusschen de lagere en hoogere, ook burgerklassen vermijden.

In dien zin is ter Haar met zijn bezielde voordracht wel degelijk mede een baanbreker in ons land geweest, hoewel men dit aan sporen van zijn geschriften (die zijn weinig van hem overgebleven) dan ook niet bemerken zou.

Doch, wij spraken reeds te lang vooraf over zijne qualiteiten, die zich later openbaarden.

Laten we, naar den plicht, die op dit oogenblik en hier voor ons ligt, in het kort zijn levensloop verhalen.

 

Hubertus of zooals hij niet alleen voor zijn familieleden, academie-vrienden doch ook voor zijn gewone particuliere kennissen meestal heette, Huib ter Haar werd den 29sten Juni van het jaar 1833 te Vlaardingen geboren als zoon van Dr. Bernard ter Haar, destijds predikant daar ter stede en vrouwe Johanna Maria van Woudenberg.

Het verblijf van de predikanten-familie ter Haar te Vlaardingen duurde niet zeer lang: de oratorische bekwaamheden van Bernard ter Haar vielen te zeer in het oog dan dat niet menige grootere gemeente reeds het begeerig oog op zulk een voorganger zou geslagen hebben. In 1830 zijne pastorale werkzaamheid begonnen hebbende in het vriendelijke dorpje in het Gooi Eemnes-Binnen, werd hij in '33 naar Vlaardingen, in '35 naar Arnhem, in '38 naar Leiden en in '43 naar zijne geboortestad, Amsterdam beroepen.

Hubertus ter Haar herinnerde zich van zijn kinderjaren te Arnhem nog vrij wat, doch het ligt in den aard der zaak, dat hij eerst in Amsterdam inderdaad beklijvende indrukken opdeed.

Als opgeschoten knaap ging hij daar weldra, wat toen ten tijde ook een door de opvoedkundige ouders veel ge-

[p. 220]

kozen weg was, het onderwijs en de paedagogische leiding genieten (1846-'51) van den geleerden en menschkundigen Dr. Petrus Epkema, die daar ter stede een zeer bloeiende bijzondere latijnsche school bestuurde.

Een onuitwischbaar diepen, een ontzaglijken indruk hebben de begaafde en goede leerlingen van Epkema van diens onderwijs medegenomen en ware aan Epkema het voorrecht ten deel gevallen, dat hij in een tweeden Kneppelhout zijn reclame-discipel en in een Coenraad Busken Huet zijn lofredenaar gevonden had, zijn naam als opvoeder, als vormer van een zekere school van jongelieden in den trant van de kweekelingen van Noorthey, zou eveneens lang en verre hebben weêrklonken.

Want inderdaad men had slechts oplettend de verhalen van Huib ter Haar en van zijn tijdgenooten aan te hooren, men had slechts staaltjes te vernemen van de wijze, waarop Epkema zijn leerlingen niet alleen grammatica wist te leeren, doch hun ook een denkbeeld wist te geven van het karakter der oude Grieken en Romeinen volgens zijne opvatting, zooals zijn geestesoog ze zag, [en men moest hooren hoe geestîg en hoe guitig Epkema die beelden duidelijk wist te maken door ze te vergelijken met de fatjes, de kinderachtige carrière-zoekertjes en modepoppetjes van de nieuwere tijden,] om te begrijpen hoe die opvoeder der jeugd het oor en zelfs het oog zijner leerlingen wist te boeien en zijn onderwijs tot een levende en levenwekkende kracht wist te maken. Nog in later jaren kon Hubertus ter Haar in vuur geraken als hij, zoo getrouw hij kon, - en hij was ook een goed acteur, ten minste een voortreffelijk nabootser - Epkema voorstelde, een geschiedenis- en litteratuur les gevende, overvloeiende van allerlei historische toelichtingen en karakterverklaringen.

[p. 221]

Naast die sterke indrukken der geleerde wereld, van een klassieke - liefst theologische opleiding, waarvoor zijn vader en moeder beide hem zoo gaarne bestemden, deed hij te Amsterdam ook levendige impressies van de zoo bedrijvige en de zaken van een anderen kant opvattende handelswereld op, want zijn grootvader en meerdere familieleden van dezen waren in den Amsterdamschen groothandel bedrijvige medewerkers en grossiers in den goederenhandel.

Aanvankelijk gaf hij geheel en al gehoor aan den hartewensch zijner ouders en richtte hij zijne voorbereidende studiën in op het beroep, zoo schitterend door zijn vader vervuld, ook met zooveel goed gevolg door zijn twee jaren ouderen broeder beoefend, van predikant en herder der destijds nog zoo gretig luisterende en eendrachtige nederlandsch hervormde gemeente.

Hubertus ter Haar was in zijne kinderjaren wat men zoo eigenaardig noemt ‘bon enfant’. Curiositeitshalve, ook om den prettigen, dartelen, schertsenden toon te teekenen, die in het gezin der ter Haar's heerschte, willen wij hier toch nog een kleine bijzonderheid vermelden, die indertijd gaarne verhaald werd door ter Haar, als blijk hoe sterk en scherp kinderindrukken zijn, waaruit men dus de paedagogische les kon putten hoe groot, hoe verrassend groot zelfs de taak van ouders en opvoeders is en hoe gezegden en grappemakerijen, door hen en passant gebezigd, bij een kind blijven hangen en invloed oefenen op zijn gemoed.

Huibert had - 't was een zonderlinge speling der natuur - doch 't was er eene - vooral in zijn kinderjaren veel van een Jodenjongentje: hij had een semitische gelaatstype en - wat de illusie nog grooter maakte - een lispelenden tongslag, die zijn destijds nog zoo schalk-

[p. 222]

schen en speelschen vader tot de fictie verlokte om tot zijn kind te zeggen: ‘Kereltje, je bent geen jongentje van ons, je bent een Jodenjongentje, een zoontje van Nathan Dentz!’

De kleine Huibert, ofschoon theoloog in den dop, voelde toch niet alles voor de mogelijke vleierij, van wege zijnen vader en voor de verwantschap aan het ‘uitverkoren volk Gods’ daarin gelegen. Integendeel; hij voelde er zich door bezwaard, benauwd; hij kreeg verdriet van die vreemdelingschap in het gezin en dit begon op zekeren tijd zulke afmetingen aan te nemen, dat vader en moeder ter Haar begonnen te begrijpen, dat aan het kinderleed een einde moest gemaakt worden.

En nu is het karakteristiek voor het gezellig en geestig familieleven van die dagen om te hooren, hoe de vader Bernard ter Haar het zijn jongen gemakkelijk en aangenaam maakt, om op een verjaardag zich als Christen te presenteeren en te legitimeeren tegenover zijn moeder.

Bernard ter Haar liet zijn zoon als felicitatie-vers de volgende plechtige strophe reciteeren:

 
Moeder, 'k ben geen Jodenjongen,
 
'k Ben geen kind van Nathan Dentz
 
Heb ik door mijn vreemde spreken
 
Op een Joodje soms geleken,
 
'k Ben een eerlijk Christenmensch!

Men zal ons en den toenmaligen Amsterdamschen predikant Bernard ter Haar toch, hopen wij, deze farce sans conséquence, wel ten goede willen houden, het willen opvatten als een blijk van vertrouwelijken en geestigen omgang met kinderen, niet als een begin van die zoo averrechts overal tegenwoordig bij te pas en te onpas gebrachte ‘Judenhetze’?

Den 24sten Sept. 1851 werd Hubertus ter Haar ingeschreven als student in de theologie aan het Atheneum

[p. 223]

te Amsterdam. Evenwel, het verblijf te Amsterdam zou voor een zoo gezocht man als vader Bernard ter Haar was, die zich hoe langer zoo meer naam als dichter begon te maken, niet zoo heel lang duren.

In het jaar '54, na elfjarig verblijf als prediker in zijn geboorteplaats, werd Bernard ter Haar naar Utrecht geroepen om dáár het door Royaard's dood opengevallen hoogleeraarsambt in de kerkgeschiedenis te aanvaarden, waartoe hem vooral zijne in 1845 door 't Haagsch Genootschap bekroonde Prijsverhandeling over de Hervormingsgeschiedenis den weg had gebaand. - Een tweede verhandeling, over ‘ den invloed van 't Christendom op de Poezij’ verwierf in de Hollandsche Maatschappij den prijs. Als dichter maakte de nu als professor benoemde Bernard ter Haar in die dagen vooral naam door zijn ‘ Johannes en Theagenes’ en zijn ‘ St. Paulus-Rots’ iets later door zijn nog altijd onovertroffen ‘ Huibert en Klaartje’.

Zoo werd dan nu de altijd zoo ontvankelijk en zelfs zoo prikkelbaar gebleven Hubertus van de zoo veelzijdige indrukken gevende hoofd- en koopstad Amsterdam overgeplant naar de in die dagen nog zeer van heden verschillende academiestad Utrecht, waar hij onwillekeurig als ‘professorszoon’ (als theologiae-professorszoon!) plaats moest nemen.

Dat was een benijdenswaardige, een in zeer veel opzichten bevoorrechte plaats en het scheen aanvankelijk wel of de theologische ader ook hier wel onwillekeurig meer zwellen zou.

Hier ontmoette hij: Hendrik de Veer, Jan ten Brink, Theod. Jorissen, J. Craandijk, C.G. de Beus, D. Griot Lacave (zijn lateren zwager), L. Selliger en vele anderen.

Hubertus ter Haar studeerde theologie in Utrecht,

[p. 224]

zooals zijn vader en moeder het zoo hartstochtelijk begeerden en hij bestudeerde die wetenschap goed, zoo als van eene begaafd, conscienteus man als hij, te wachten was.

Doch - we behoeven daar thans geen uitvoerige commentaren meer bij te voegen: de zoon van den voormaligen predikant, thans van den Utrechtschen hoogleeraar was opgegroeid onder de frische, versche indrukken van '48 in de eerste plaats; toen van '53; toen van het - zij het slechts nog in onbestemde trekken (althans hier te lande) baanbrekend neo-philosophisch en -theologisch tijdperk.

Hubertus ter Haar had veel gehoord en gezien van de officieele theologie zijner dagen en daardoor begon hij, vooral door de wijze waarop toen ten tijde de Christelijke dogmatiek te Utrecht werd onderwezen, hoe langer zoo minder theologische roeping in zich te gevoelen!

Hij was te eerlijk om iets te gaan verkondigen, dat niet volkomen zijn heilige overtuiging uitdrukte en hij was van oordeel, dat hij als predikant der Nederlandsche Hervormde Kerk op dit punt niet volkomen vrij was.

Maar toch - hij volhardde in deze, de door hem eenmaal gekozen carrière tot den einde toe en als een gehoorzaam kind zijns vaders promoveerde hij nog zelfs - cum laude - in de theologie met zijne nog altijd van waarde blijvende dissertatie: Specimen historico-theologicum Petri Datheni vitam exhibens; accedit brevis de ejus scriptis, indole ac meritis disquisitio’.

De openbare promotie tot doctor in de theologie had plaats den 26sten Juni van het jaar 1858. Hij werd toegelaten als candidaat tot den H.D. door het Provinciaal Kerkbestuur te Zwolle den 5den Mei 1859.

Huibert ter Haar zou zeker op schitterende wijze den

[p. 225]

naam zijns vaders, ook als prediker van het Evangelie der Liefde, hebben weten op te houden: dat bewezen voor de ingewijden of kenners de vijf proefpreeken of dienstvervullingen, die hij voor bloedverwanten en vrienden leverde. Hij was een vernuft, die in het oog viel in elken kring, waarin hij verscheen, dus ook in een kring van hoorders naar een stichtelijke toespraak. En toch - toch was Huibert ter Haar geen theoloog in zijn hart!

Ofschoon - misschien mag men zeggen omdat de studie der theologie, in den ruimen geest en op de breede basis waarop hij die, geleid door zijn voortreffelijken en zoo hoog pastoraal gestemden vader had aanvaard, opgevat en voltooid, hem in aanraking had gebracht met de veelzijdigste wetenschappelijke problemen en methoden - hij was een hartstochtelijk litterator en een ‘gezellig mensch’ (ein guter Gesellschafter) - een jonkman ook, op wien eenigermate de poëtische profeten-mantel van zijn vader was gevallen. (Hubertus ter Haar maakte zoowel in zijn jonge als in zijn latere jaren met groot gemak een kranig ‘vers’).

Hij begon in de jaren, toen Strauss en Ernest Renan reeds hunne ‘ Levens van Jezus’ hadden geschreven, toen Scholten een school van jonge, ‘moderne’ theologen begon te vormen, een gevoel te krijgen, dat hij beter deed den innigen wensch zijns vaders per slot van rekening toch nog te weêrstreven - ten minste onvervuld te laten, niet het predikambt te gaan aanvaarden en - hoeveel bezwaren dan daaraan ook verbonden waren, ter elfder ure nog de baan der theologie te verlaten en een geheel nieuwen weg in te slaan, die hem tot een meer met zijn natuur strookende carrière voeren zou, die der Rechten.

[p. 226]

Niet zonder strijd voorzeker met zijn zoo diep door hem vereerden vader besloot hij dan de zoo glansrijk begonnen theologische loopbaan vaarwel te zeggen en - zooals noodzakelijk was - als gewoon en jong student weer plaats te gaan nemen op de collegie-banken der Juridische Faculteit.

Tot zoo iets te besluiten getuigt zeker van oprechtheid, conscientie en energie.

En wat deze laatste qualificatie betreft, niemand zal deze aan ter Haar ontzeggen, als men nota neemt van het feit, dat deze ‘théologien défroqué’ in twee jaren al de juridische tentamina en examens heeft gedaan en dat hij den 3den Juni 1863 te Utrecht promoveerde op de reeds vroeger besproken dissertatie ‘ De Staat en het individu.’

Twee jaren daarna heeft ter Haar de praktijk als advocaat in Amsterdam waargenomen. Hij was daar in een hem sympathisch element: hij vond in de relatiën, die hij er maakte, aanleiding om een belangrijke opdracht te volgen, waartoe een voor hem aangename en leerrijke reis naar Italië (vooral Venetië - waarvan hij later zoo gezellig en onderhoudend vertellen kon -) het gevolg was.

Doch - hoe is de levenstoestand van jonge advocaten zonder fortuin, vooral in een wereldstad, die duur is te bewonen, als Amsterdam?

Hubertus ter Haar zag geen waarschijnlijkheid om zich zeer spoedig een lucratieve praktijk te verwerven en toch - die zou hij noodig hebben, niet zoozeer, omdat hij zelf zooveel behoeften had, als daarom dat hij reeds zijn oog had laten vallen op eene door hem innig begeerde levensgezellin.

Het geval was moeielijk! Doch een nieuw denkbeeld kwam bij hem op. De Minister Thorbecke had zoo kort

[p. 227]

geleden een waren trumf in de Volks-Vertegenwoordiging behaald door de tot stand brenging zijner Wet op het Middelbaar Onderwijs. Hubertus ter Haar had met groote sympathie dien tak van het onderwijs zien uitbotten en groeien, hij voelde veel voor deze creatie van Neerlandsch ouden staatsman, die een breed opgevat onderricht brengen zou aan dien breeden zoom der burgerij, die, volgens Therbecke's duidelijk uitgesproken bedoeling, het lager onderwijs te boven, behoefte had aan meerdere ontwikkeling en kennis van natuur- en staatswetenschappen.

Ter Haar deed in allerijl zijn best om aan te vullen, wat hem nog ontbrak aan kennis en bevoegdheid om als leeraar voor staats- en handelswetenschappen aan zulk een middelbare school op te treden; hij bestudeerde ijverig boekhouden, handelswetenschappen, statistiek, - zelfs waren-kennis (!) en deed 8 Aug. '65 examen in die vakken voor het M.O.

Na twee jaren de rechtspraktijk in Amsterdam te hebben waargenomen, nam ter Haar de gelegenheid waar om aan de een jaar te voren te Deventer opgerichte, eenigszins buiten-modelsche en wel uitgebreide Hoogere Burgerschool met zes-jarigen cursus te worden benoemd voor het onderwijs in de staathuishoudkunde, staatsinrichting, statistiek en handelswetenschappen. Men voerde toen, in dien aanvang, de Wet op het Middelbaar Onderwijs nog zeer naar den letter uit.

Ter Haar gaf met de meeste opgewektheid, met weldadige warmte, die zich in zijn leerlingen overstortte, onderwijs in économie politique, staatsinrichting en statistiek: het eerste vak was toen nog heel wat dogmatischer van aard dan tegenwoordig!

Lastiger viel hem uit den aard der zaak het onderricht

[p. 228]

in de handels-wetenschappen en vooral in warenkennis. Men heeft later dit vak aan de hoogere burgerscholen eenvoudig laten glippen, omdat men begreep, dat er eigenlijk geen docenten voor konden gevonden worden. Immers, inderdaad, indien een koopman een volledige kennis heeft van één artikel of desnoods van een paar als suiker, tabak, katoen, wol, indigo, koffie, thee, kina enz., dan zal hij zeer tevreden zijn; maar van welken leek in het handelsvak zou het ooit te vergen zijn, dat hij reëele, waardevolle vakkennis had van al deze artikelen.

Laat men dan ook gerust erkennen, dat het brengen van dat vak: ‘waren-kennis’ op de lijst der leervakken aan de middelbare scholen een - bévue was!

Wat ter Haar's onderwijs ten allen tijde voor zijn leerlingen zoo goed, zoo invloedrijk, zoo aangenaam, zoo vruchtbaar heeft gemaakt was, dat men direct gevoelde dat hij een persoonlijkheid was, met een eigen blik op de zaken; dat men luisterde naar een man van rijpe geestelijke ervaring, die veel had gestudeerd, gelezen en nagedacht. Zonder de minste inspanning putte hij uit een zeer rijken voorraad van herinneringen en een geheel verwerkt materiaal van wetenschap en lectuur.

Zijn voordracht was levendig, boeiend, soms vurig; zijn oog schoot soms vuur en om zijn lippen krulde zich vaak een fijne, aristocratische en zeer satyrieke glimlach. Houding en gebaren zelfs werkten mede om hem aandacht te schenken; hij had dan ook altijd op zijn gewone lessen een voorbeeldige orde en op zijn lezingen, speeches in Vereenigingen, ook bij zijn geestige en guitige toasten een zeer aandachtig, geestdriftig of - geprikkeld gehoor. Ter Haar moet met volle recht ‘een man van het woord’ genoemd worden; geen wonder trouwens, waar een erfelijke aanleg en een tweevoudig er op aangelegde carrière

[p. 229]

daartoe hadden voorbereid en medegewerkt. Hij vond zich, vooral in den aandrang, naar wij altijd hebben meenen te bespeuren, niet teleurgesteld in Deventer als woonplaats.

Met het element van Deventer's ‘Eingeborenen’, dit dient echter gezegd, kon hij ook, van den beginne af, minder vaardig over weg. Nu, men weet, de Deventer autochtonen, hoe degelijk en rijk van goede qualiteiten voorzien, zijn nu niet bepaald gemakkelijk in het wereldverkeer en in de behandeling te noemen.

De invloedrijksten en meest op den voorgrond tredenden hebben een soort van autocratische vrijmoedigheid en zelfgenoegzaamheid over zich, die hen reeds vroeger den sprekenden titel van ‘Deventer Koninkjes’ heeft bezorgd.

Met dezen was het ter Haar niet altijd gemakkelijk ‘op te schieten’; zij waren en bleven voorloopig nog echte 48-ers. Ter Haar voelde en zag reeds het getij van het oud-liberalisme met zijn ‘laissez-aller’ verloopen en de toekomst van ‘sociale politiek’ dagen.

Ter Haar was een radicaal in den dop en hij had veel waardeering voor de uitingen der zich langzamerhand krachtig organiseerende en propageerende ‘Katheder-socialisten’. Wij willen er hier niet verder over uitweiden om niet in herhalingen te vervallen; wij stippen het alleen nog maar eens aan, omdat het begrijpelijk maakt, dat ter Haar toch op den duur bij het groote publiek van Deventer niet op zijn plaats was.

Een zeer gelukkig refugium vond ter Haar steeds in zijn studeer- en huiskamer, waar hem het leven zoo aangenaam, zoo comfortable, zoo gezellig werd gemaakt door een gelijk gestemde en zeer begaafde echtgenoote, de zuster (Pauline) van zijn academie-vriend, den medicus

[p. 230]

Daan Griot La Caye. Zeer gelukkige huwelijks jaren heeft hij met haar doorgebracht, waarvan vele vacantiën ten huize van zijn zwager, vooral toen deze, als assistent van den beroemden massage-doctor Mezger te Wiesbaden woonde. Wat voelde ter Haar zich ook vooral dáár, met zijne vrouw, in dien familie-kring gelukkig!

Ter Haar was een voortreffelijk docent, later een uitmuntend directeur van de Burgeravondschool te Deventer; - geen wonder dus ook, in verband vooral met de vakken, die hij onderwees, dat hij ook weldra een overwegenden invloed kreeg bij de debatten over de publieke zaak en op politiek gebied. Hij was spoedig de aangewezen man om Voorzitter der bloeiende Kiesvereeniging ‘Vrijheid en Orde’ te zijn en hij heeft ook die taak met uitstekend succes vervuld. Maar - hij moest er voortdurend voor strijden.

Men moest hem kiezen en vóóraan plaatsen, omdat hij de bekwaamste, de meest welsprekende was. Doch - het was eenigermate ‘reluctantly’.

Men vreesde evenwel zijn dialectiek en zijn gave des woords als tegenstander.

Huib ter Haar, de uit een typisch Nederlandsch deftige familie van predikanten en Amsterdamsche groote kooplieden gesproten leeraar, voelde zich hoe langer zoo meer van de deftige en officieele Nederlandsche wereld vervreemden en zich tot de naar meer vrijmaking strevende dusgenaamd ‘lagere’ volksklassen getrokken. De ‘armedrommels’-partij had voor hem een groote bekoring: hij wilde gaarne een pleitbezorger der onterfden zijn.

Dat hij in later jaren, vooral door hartstochtelijke uitingen bij zijn onderwijs aan de Amsterdamsche Handelschool voor ‘rood op de graat’ werd uitgemaakt, wie zal er zich over verwonderen, die vooral de stemming

[p. 231]

van Julius Pruttelman Brommeyer van ‘de Bocht’ en zijn vrienden kent?

Dit neemt niet weg, dat ter Haar volstrekt geen revolutionair sociaal-democraat was. Hij zou zoo gaarne de hoogere, beschaafde, ontwikkelde, bevoorrechte standen hebben doen inzien, dat zij het goede voorbeeld aan het volk moeten geven, dat zij het volk moeten opvoeden.

Ter Haar zag (en d.i. terecht!) een groot gevaar, een groote ramp in het onzalige ‘Standsvooroordeel’.

Wil men nu weten, hoe hij over geweldadige revolutie en de resultaten daarvan voor den arbeider te wachten, dacht?

Men kan het vinden in zijn vroeger reeds genoemde lezenswaarde ‘Unie’-lezing: ‘ Standsvooroordeel en maatschappelijke vooruitgang’, uitgesproken en uitgegeven (Deventer bij W. Hulscher) in 1883.

‘Vraagt men zich af, wie in 't eind van de groote revolutie van 1789 de eigenlijke vruchten hebben geplukt; wat er terecht gekomen is van de illusiën, gekoesterd door de schare van arbeiders, die onder leiding van Louis Blanc en Albert, in het Luxembourg, in 1848, het maatschappelijk vraagstuk trachtten op te lossen; of de Commune in Frankrijk het lot der arbeiders inderdaad zooveel verbeterd heeft - dan kan men niet dan met weemoed denken aan al het vergoten bloed, aan al de materieele ellende, juist door de arbeiders tijdens en na de omwenteling geleden.

Men past de beschrijving van den nood der arbeidende klasse, in vreemde boeken over vreemde toestanden gevonden, zonder eenig voorbehoud op Nederland toe en vergeet daarbij al weder verscheidene belangrijke zaken.

Vooreerst: dat juist de achterlijkheid van Nederland op industrieël gebied, de ellende door het groote fabriekswezen te voorschijn geroepen, nog lang niet in die mate als

[p. 232]

elders, over ons land heeft gebracht. Het handwerk en de kleine industrie in de steden, de meer primitieve toestanden op het platteland kenschetsen zich nog door meer gemoedelijke en menschelijke verhoudingen. De kloof tusschen heerschers en beheerschten is bij ons, behalve misschien in enkele groote steden en fabrieksplaatsen, bij lange na zoo groot niet als elders.

De toenemende belangstelling in het lot der minder bevoorrechten, die zich bij ons te lande heeft geopenbaard en alleen door blinde partijzucht kan worden miskend, heeft bovendien gestrekt om althans eenigermate die kloof te dempen.

Of de gewelddadige ommekeer van bestaande toestanden, zooals door de revolutionairen schijnt bedoeld te worden, in ons bezadigd Nederland voorshands veel kans van slagen heeft, mag dus met grond betwijfeld worden. Doch wij leven snel en de brand, die elders dreigt uit te barsten, kan ook naar ons overslaan. Indien echter in dat geval de revolutie onverhoopt mocht gelukken, welke redelijke kans heeft men dan nog, dat niet gebeuren zal, wat tot nog toe altijd gebeurd is: dat reactie leidt tot dwingelandij van personen of standen en onder veranderde leuzen en namen de arbeiders, de ‘oude knecht’ blijven?

Op die gronden meen ik, dat degenen, die 't wel met de arbeiders meenen, juist daarom de revolutie, in zooverre zij gewelddadige omkeering van zaken beoogt, niet behooren in de hand te werken.

Het is er echter verre van af, dat allen, die de revolutie niet willen, haar, zooals men verwachten zou, althans niet bevorderen zouden. Het tegendeel is waar. Zij telt hare vertrouwdste bondgenooten juist in de hoogere en allerhoogste standen.

[p. 233]

In de eerste rij staat daar onze jeunesse dorée, die nauwelijks meerderjarige renteniers, die meenen genoeg voor de maatschappij gedaan te hebben door aan de wereld de eer hunner tegenwoordigheid te schenken; die, als promessen van non-betaling geprotesteerd, zullen ten grave dalen, en wier geblasseerde overmoed en uittartende weelde een schelder licht laat vallen op de strijdende en lijdende massa des volks, dan ook de meest communistisch gekleurde redevoering doen kan.

Op hen volgt het veel grooter aantal van diegenen, wien het eenig en alleen om de ‘duiten’ te doen is; die, onverschillig voor het lot hunner medemenschen, de treurige reeks vergrooten van vluchtende notarissen, kassiers, commissionairs, burgemeesters, enz. welke de hun toevertrouwde gelden, ter meerdere veiligheid, aan de overzijde van den Oceaan deponeeren.

Doch hiermede is onze revue nog bij lange na niet afgeloopen. Wij komen nu aan de categorie der voornamen, die, braaf op hunne wijze, van het leven der lagere volksklasse niets weten en willen weten. Die, door een eigenaardige, gemakkelijke soort, van weldadigheid zich het recht meenen te koopen, om aan allen, die zij op hunnen weg ontmoeten, maar, bij voorkeur, allen, die ondergeschikt zijn, eens goed te doen gevoelen hoe hoog zij zelven staan en hoe laag de anderen. Voor hen is de groote massa des volks een groezelige en griezelige massa, zonder beschaving, zonder veel - of althans met een geheel ander gevoel bedeeld dan zij. Zonder begrip van fatsoen, en die daarom zonder schade, wat men noemt, in hun fatsoen getast kunnen worden.

Dat al deze lieden, die juist het meest van het denkbeeld eener sociale revolutie rillen en gruwen, de kloof tusschen arm en rijk grooter maken en daardoor het

[p. 234]

gevaar voor gewelddadige uitbarsting van den onwil des volks, dien zij zelven hebben opgewekt, voortdurend grooter maken, behoeft wel geen betoog. Doch ook onder het meest verlichte en degelijkste deel der hoogere standen, doen zich dagelijks verschijnselen voor, die, zij 't ook in mindere mate, in dezelfde noodlottige richting werken.

Ook zij, die het grove stands-egoïsme der hier boven aangeduide kringen zijn te boven gekomen, wier welwillendheid tegenover de minbevoorrechten niet in twijfel kan worden getrokken, verraden nog telkens in woorden en daden hoe, huns ondanks, de traditie van de heerschende standen, ook in hen doorwerkt en op geheel hunne beschouwingswijze invloed uitoefent. Men velt, op grond van een meestal uiterst kleine en eenzijdige ervaring, een oordeel, dat dikwijls van voorbarigheid en partijdigheid niet is vrij te pleiten. Men meet met twee maten, zonder het dikwijls zelf te weten. Men plaatst eigen ik en eigen stand op een zeer hoog voetstuk en ziet daardoor onwillekeurig lager dan noodig is, op de andere standen neer. Men overschat het gewicht van eigen stand voor de huishouding van Staat en Maatschappij, en verkleint in dezelfde mate de beteekenis, aan de lagere standen toe te kennen. En zoo als het altijd gaat, waar voorstellingen, niet zoo zeer door ons verstand worden gesteund, als wel door onbewuste neiging en traditie worden gekoesterd, is men uiterst prikkelbaar, wanneer zij worden bestreden.

Indien zoo menig weldenkend en weldadig man wist hoe volslagen onbekend men is, in 't algemeen gesproken, met maatschappelijke toestanden, ook in eigen land, met het eigenaardige wezen onzer moderne volkshuishouding, met de deugden en gebreken van het ‘mindere volkje’, waar ieder over meent te kunnen meepraten,

[p. 235]

er zou reeds veel gewonnen zijn. - Want naar mijne vaste overtuiging zullen wij ons een sociale revolutie op den langen duur niet van 't lijf houden, tenzij alle vrienden van hun volk en hun land de handen krachtig inéén slaan: om de banden te versterken die de oneindige verscheidenheid der verschillende sociale lagen bijeenhouden en de sporen van vroeger onrecht uit staat en maatschappij te doen verdwijnen.

Een van de ernstigste hinderpalen voor de bereiking van dit doel, is het misverstand dat in hoogere en lagere kringen maar al te zeer heerscht.

De vooroordeelen aan de eene en de andere zijde, zijn groot en diep geworteld. Worden ze echter in hunnen waren aard gekend, als oordeelvellingen die op onvoldoende of geene gronden steunen en waarvan men zich ten gevolge van opvoeding en traditie geen genoegzame rekenschap geeft - dan is er bij overigens welwillende en beschaafde menschen een groote stap gedaan.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Na 1848 heeft de periode der politieke vraagstukken afgedaan, die der sociale is begonnen. De weinige vraagstukken van politieken aard, welke nog aan de orde zijn, zooals het stemrecht, ontleenen hun belang bijna uitsluitend aan de sociale verhoudingen. Het geldt niet meer de vraag of de koninklijke macht binnen engere grenzen te brengen zij. Ook niet of de door de hoogere standen veroverde macht voor een deel aan lagere, maar toch altijd dezelfde belangen en inzichten deelende klasse, zal worden verleend. 't Is nu de vraag of een andere stand, die nooit tot machtsoefening is toegelaten, met dat voorecht zal worden bekleed of niet. En daarachter schuilt de vraag naar de rijkdomsverdeeling. 't Is de broodkast, die achter alle quaesties staat en zijn strijd tegen de

[p. 236]

brandkast heeft aangevangen. Al zullen nu, naar mijne overtuiging, in de eerste jaren althans, de gevolgen van minder diep ingrijpenden aard zijn dan men zich voorstelt, de sociale achtergrond van de meeste hangende vraagstukken is voldoende, om vele, overigens vrijzinnige mannen, uit de gegoede standen van alle hervorming afkeerig te maken.

En dit doet ten slotte de belangrijke vraag ontstaan: Is er bij ons te lande een redelijke kans, dat hervormingen van min of meer wijde strekking, vrijwillig door hen, die het heft in handen hebben, zullen worden ter hand genomen, zonder pressie van buiten?

Laat ons zien. In ons land bestaat op dit oogenblik of liever reeds sinds jaren geen eigenlijke regeeringspartij, krachtig genoeg om een hervormingsplan ten uitvoer te brengen.

De anti-liberale partijen, hebben met waarlijk komischen angst, zich gehaast, bij monde harer leiders zich voorloopig een brevet van onbekwaamheid te geven. De eenige partij, van wie men verwachten kan dat zij krachtens sommige antecedenten, en krachtens hare verplichting als meerderheid, de zaak der sociale hervorming ter hand zou nemen, is de liberale.

Maar wie, die in ernst ook de flauwste hoop daaromtrent kan koesteren? Hare innerlijke verdeeldheid heeft haar herhaaldelijk gedoemd, de rol te vervullen van meerderheid, die in de oppositie moest zijn, maar ook dat niet durfde te wezen.

Eene constitutioneele scherts, zooals men zich in geen ander land veroorloven zou.

Hoeveel bekwaamheid en talent de individueele leden mogen versieren, van een leidend beginsel van staatsbestuur is tot nog toe geen sprake geweest. En zonder

[p. 237]

zoodanig beginsel, dat als een gouden draad door hare geschiedenis is heengeweven en zijn stempel drukt op hare daden, heeft geen staatspartij kans om door afstooting van vreemde en aantrekking van verwante elementen, een krachtig leven te onderhouden.’

Aan het slot dezer lezing spreekt ter Haar (in '83) de volgende welsprekende woorden:

‘Indien ik meen dat het agiteeren der revolutionairen nog niet gerechtvaardigd is voor ons land, dan rust dat op dezen grond. Ik koester de hoop dat uit de beste elementen van jong en oud-Holland een nieuwe partijhervorming op hare banier zal schrijven.

De partij der sociale gerechtigheid, die niet zal gedoogen, dat de bloem van ons volksleven zal verdorren, door de giftige uitwasemingen, welke uit de donkere onderlaag der maatschappij opstijgen.

Een partij, die niet als de struisvogel de oogen sluit voor 't gevaar, maar die het ernstig onder de oogen wil zien. Een partij, die uit het bewustzijn van recht te doen, de kracht zal putten het onrecht te weren, wanneer een vierde stand in de fouten van zijne voorgangers dreigde te vervallen.

Een partij, die elk standsvooroordeel bekampen en wier leus wezen zal, door dissolutie van de banden, die 't standsbelang om de ontwikkeling der natie dreigt te slingeren, niet tot revolutie maar tot evolutie, tot vrije ontwikkeling van het geheele volk!’

Huibert ter Haar had veel kunstzin en artistiek onderscheidingsvermogen; zelf een niet ongelukkig beoefenaar van dicht- en in zijn latere jaren ook van schilderkunst (maar hij vervaardigde in zijn eigenaardige veeleischendheid slechts ‘onder-onsjes’, extemporé's en zijn penseelvruchten hield hij zorgvuldig onder eigen beheer), was

[p. 238]

hij vooral een smaakvol en scherp beoordeelaar. Het was een genot met hem een schilderijtentoonstelling te bezoeken, aan zee met hem te zitten of een ander maal, rustig in een gemakkelijken stoel gedoken, een meesterwerk van den een of anderen dichter met hem te lezen. Hoe gemoedelijk en dankbaar waardeerend, doch ook hoe scherp en meêdoogenloos kritisch was dan zijn oog en zijn oor!

Wie van zijn veelzijdige ontwikkeling, van zijn artistieke talenten en ervaringen wel het meest genoten hebben, dat zijn de leerlingen der hoogere burgerscholen voor meisjes te Deventer en te Amsterdam geweest, die het voorrecht hadden eenige jaren les van hem in kunstgeschiedenis en aesthetica te krijgen.

Zoo ergens, dan dáár bleek ter Haar een begaafd onderwijzer, een ‘leeraar’ in het goede, ware en schoone, ‘par droit de naissance et par droit de conquête’ te zijn!

Hij was ook een knutselaar. In snipperuren vervaardigde hij den tekst bij den muzikalen arbeid van een dilettant, die een aardige operette componeerde, getiteld: ‘Maryke van Scheveningen’ en die in verscheidene steden van ons vaderland met succes door dilettanten- en amateurs-gezelschappen werd opgevoerd.

In die snipperuren vloeiden hem verscheidene geestige extemporé's, gelegenheidsgedichten en welgelukte parodieën uit de pen, die het de moeite waard zou zijn voor de vergetelheid te bewaren, doch die zijn eigenaardige kieschheid en fijngevoeligheid hem noopten (soms omdat zij vrienden of vrienden zijns vaders onaangenaam konden zijn) onder zich te houden. Wij herinneren ons daaronder zeer geslaagde parodieën op hoogdravende, onaesthetische, hyper-sentimenteele producten van vermaarde en bevriende tijdgenooten, die hij onder verschillende pseu-

[p. 239]

donymen (Sinensis en Audifax bijv.) in Studenten-almanakken en tijdschriften heeft geplaatst.

Enkele daarvan heeft hij indertijd aan schrijver dezer regelen, toen hij mede-redacteur van ‘ de Lantaarn’ en van ‘ Olympia’ was, afgestaan om ze te publiceeren; doch men moest ze ter Haar met moeite ontworstelen: toch waren zulke verzen, parodieën (zooals ‘Aan een baanbreker der moderne rijmlooze legkaart-poëzie’) en letterkundige studieën (‘De Nieuwe Gids en zijn troetelkind’ - daarmede bedoelde hij destijds J. Winkler Prins, schrijver van een bundeltje ‘ Zonder sonnetten’) - ‘Adelaar of Kikvorsch’ (geplaatst in ‘ de Tijdspiegel’), een kritiek op Mr. Joan Bohl's Dante-vertalingen, de moeite der kennisneming in wijderen kring overwaard.

Het was ‘Spielerei’ van ter Haar's inderdaad dartel vernuft, doch ‘Spielerei’ die m.i. te goed was om in een cahier van zijn schrijftafel bedolven te blijven.

In '83 gevoelde ter Haar lust zich naar Leiden te verplaatsen, waar hij benoemd werd als leeraar in de staats- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool.

Met genoegen en voldoening was hij daar werkzaam, vond daar meerdere zijner oude vrienden terug, doch hij kon toch in '85 de gelegenheid niet laten voorbijgaan om zich weder te Amsterdam te vestigen, waar eene benoeming in de staats- en handelswetenschappen aan de Handelschool, de hoogere burgerschool voor jongens en die voor meisjes hem riep.

Amsterdam was ter Haar door velerlei, ja door allerlei souvenirs, tot uit den kindertijd afkomstig, lief. Hij had er zulke aangename en gewichtige jaren van zijn leven doorgebracht: hij had er zooveel oude vrienden! Zijn hem zoo sympathieken zwager D. Griot La Cave woonde daar als collaborator-assistent van den ook door hem zoozeer

[p. 240]

vereerden Mezger: hij vond er zooveel oude studiegenooten en medestrijders (bijv. N.G. Pierson) in het maatschappelijk leven weêr!

Doch, waarom het te verhelen?.... ter Haar kwam op te gevorderden leeftijd in Amsterdam terug om er opnieuw zijn weg te vinden, zooals hij dien gewenscht en gewild zou hebben.

Nog eens - er is veel waarheid in dat beeld van Coenraad Busken Huet, waar hij ontwikkelt en schetst hoe, als men zich jaren lang uit een omgeving verwijderd heeft, alle plaatsen niet alleen in den letterlijken zin des woords zijn ingenomen door anderen, nieuweren, jongeren, doch ook in den figuurlijken zin. De plaatsen in harten en hoofden zijn door de later aangekomenen vermeesterd en de man uit de provincie komt als een goed - ja, maar als een eenigermate vergeten vriend!

Wij gelooven ons niet te vergissen indien wij vermoeden, dat ter Haar in het Amsterdam van 1885 niet heeft teruggevonden, wat zijn idealistisch gemoed er dacht te vinden. Er was - wat trouwens meerdere tijdgenooten met hem ervaren zullen hebben - zulk een andere stad uit gegroeid! ter Haar voelde er zich in den grond der zaak niet meer zoo thuis als vroeger.

Wel gaf hij weêr met opgewektheid les en wel viel hij ook hier bij zijn leerlingen en collega's weêr in het oog als een docent van buitengewone bekwaamheden en talenten; wel nam hij weêr een enkele maal de pen ter hand om in schalkschen vorm (zoo bijv. in het ‘ Sociaal Weekblad’) te getuigen van den geest, die in hem was; doch het bleek weldra, dat zijn eigenlijke opgewektheid was verdwenen; dat zijn physieke kracht aan het minderen was.

In October 1890 openbaarden zich bij hem voor goed

[p. 241]

de sporen van een lichamelijk lijden, dat hij wel tijdelijk, doch dan toch maar kort, te boven gekomen is en waaraan hij ook vroeger dan men ooit van den eens zoo krachtigen man gedacht zou hebben, is bezweken.

Aandoenlijk was 't, het langzamerhand kwijnen der levensgeesten van den eens zoo guitigen, schalkschen, geestigen kampioen voor vrijzinnige denkbeelden op ieder gebied te moeten gadeslaan.

Een zware taak, een weemoedige opgave was het vooral zeker voor zijn liefhebbende gade, dat leven zoo langzamerhand en onafwendbaar te zien uitblusschen. Het was letterlijk een langzaam verkwijnen.

Het lot heeft met Huibert ter Haar niet gehouden, wat alle voorteekenen in den morgen van zijn leven zoo duidelijk schenen te beloven. Zonder iets te hebben kunnen praesteeren, waarvan inderdaad de wereld kon gewagen, ontsliep hij den 30sten Juni 1892 te Nijmegen.

Voor mij en zooals mij gebleken is, voor velen mijner medeleerlingen van hem, blijft ter Haar steeds voortleven in de herinnering als een dier zeldzame, fijn beschaafde, hoog ontwikkelde, geboren paedagogen, die een grooten, het geheele leven beheerschenden invloed op hunne leerlingen uitoefenen, die een reispas medegeven op de groote levensreis, die nooit vergeten wordt.

Wat ter Haar ook met zijne leerlingen besprak, welk onderwerp hij ook met hen behandelde, hij sprak er over als iemand die inderdaad iets te vertellen had, die er meer van wist dan de meesten, die er zelf over had nagedacht, die er een nieuwen kant aan had waargenomen, die tot nauwkeuriger bekijken aanspoorde.

Is het hem dan niet gegeven geweest om in de hoogste regionen der wetenschap te troonen, er zijn talloos velen, die zich zijn zeldzaam onderwijzerstalent nog met

[p. 242]

dankbaarheid herinneren en die zeker niet gaarne zouden zien, dat zijn naam spoedig werd vergeten als hadde hij om zich zelf alleen of voor weinigen slechts geleefd.

Zulk een traditie zou niet de waarheid zijn en daarom behoefde m.i. van een leerling, die zijn rijke onderwijzersgaven in den bloeitijd van zijn leven heeft gezien en gehoord, er zich aan heeft gelaafd, de bescheiden poging om mede te getuigen van hetgeen er door dezen man op meer bescheiden achtergronden werd gewerkt, niet achterwege te blijven.

 

Zutphen, 30 Juni (ter Haar's sterfdag) 1895.

J.A. Bientjes.