|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van Mr. L.W.C. Keuchenius.
Wat in de hier volgende bladzijden aan de leden van de Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde wordt aangeboden, is, volgens hare opdracht en in
overeenstemming met het karakter van hare jaarboeken, een levensbericht van Mr.
L.W.C. Keuchenius.
Een levensbericht. Niet eene levensbeschrijving, maar slechts haar
geraamte. Eene schets van het leven, die de voornaamste daartoe behoorende
bijzonderheden opgeeft; en dus wel eene verzameling van gegevens, die voor eene
levensgeschiedenis kunnen dienen, maar niet die geschiedenis zelve, in den
eigenlijken zin van dat woord.
Zulk eene geschiedenis zou in dit geval niet slechts veel meer tijd
vereischt hebben, dan voor dit opstel kon worden afgezonderd, maar ook veel
meer ruimte, dan te dezer plaatse daarvoor kon beschikbaar zijn. En voorts zou
zij dan eigenlijk moeten geschreven zijn door iemand, die het politieke leven
hier te lande in de laatste 30 jaren door eigene medewerking of door
opzettelijk onderzoek in bijzonderen zin mede doorleefd had, en die tevens van
Indische toestanden en van koloniale aangelegenheden | | | | genoegzaam
op de hoogte was, of althans zooveel studie daarvan gemaakt had, dat hij deze
hoofdzaak van Keuchenius' werkzaamheid naar behooren kon waardeeren en in het
licht stellen.
Een eenvoudig levensbericht is niet zoo veeleischend. Het verlangt
slechts de mededeeling der feiten die van eenig belang zijn te achten, zoo
volledig mogelijk en zoo getrouw mogelijk, met vermelding van tijd en plaats en
omstandigheden.
Aan dien eisch nu kan hier voldaan worden. Ook door iemand, die alleen
in de laatste periode van Keuchenius' leven tot zijn vriendenkring mocht
behooren. Wel niet door mededeeling van den overledene zelven; want, gelijk
ieder, die hem ook maar eenigszins gekend heeft, genoegzaam weet, hij was in
den vollen zin des woords een nederig man, en dit openbaarde zich bij hem o.a.
hierin, dat hij, ook zelfs in vertrouwden kring, uiterst zelden van zichzelven
sprak. Maar andere bronnen, waaruit kon geput worden, zijn hier des te
overvloediger.
Eenigszins reeds in hetgeen er van zijne correspondentie nog over is.
Wel is dit niet veel. Immers, gelijk hij in 1869 schreef
1: ‘Niet het voornemen hebbende, ons van particuliere brieven
van anderen, tot hun nadeel of te onzen bate, te bedienen, bewaren wij slechts
in enkele gevallen die, welke wij ontvangen. Op de bescheidenheid van anderen
vertrouwende en de waarheid zoekende te schrijven, houden wij evenzoo slechts
zeer zelden afschrift van de particuliere brieven, die wij schrijven’. Maar de
brieven, die in originali of in afschrift bewaard zijn, zijn dan ook des te
belangrijker. | | | |
Naast dat kleine bundeltje liggen groote bundels met nagelaten
schrifturen, voor een klein gedeelte familiepapieren, en inzonderheid de
vruchten van zijn onvermoeiden arbeid in de onderscheidene betrekkingen, waarin
hij geplaatst was.
Voorts is hij door den drang der omstandigheden wel eens genoodzaakt
geweest, in openbare geschriften iets van zijn leven mede te deelen; waardoor
dan hetgeen anderen te dien aanzien geschreven hadden, wordt aangevuld of
bevestigd of gerectificeerd.
Van bijzonder gewicht zijn ook de officiëele stukken en documenten,
die op zijne vele benoemingen en op andere levensbijzonderheden betrekking
hebben; vooral omdat deze stukken bijna alle zijn bewaard gebleven, en omdat
zij in dit geval natuurlijk de meest betrouwbare gegevens aan de hand doen.
En ten slotte kon er winst gedaan worden met particuliere
inlichtingen, waarvoor wel inzonderheid aan den jongsten zoon van den
overledene veel dank verschuldigd is.
Uit dat alles dan is de levensloop nagespoord, en in het hier volgende
kortelijk aangegeven
1. | | | |
Omtrent het geslacht Keuchenius blijkt uit oude berichten
1, dat het in de 16e eeuw in
het land van Gulik, Kleef en Berg thuis hoorde, en met name in Wezel gevestigd
was, waar het blijkbaar tot de hoogere standen behoorde. Zoo b.v. was een
zijner leden, Robertus Keuchenius, in de eerste helft der 17e eeuw Med. Dr. en burgemeester te Wezel. En op zulk eene
maatschappelijke positie wijst ook de omstandigheid, dat in diezelfde eeuw niet
alleen de broeders van dezen Doctor en hunne zoons, maar ook vele van zijne
verdere mannelijke familieleden, eene wetenschappelijke opleiding ontvangen
hebben, meest aan Nederlandsche Academiën.
Uit dit geslacht zijn achtereenvolgens twee leden, om hunne
Gereformeerde geloofsovertuiging ongehinderd te kunnen volgen, naar Nederland
uitgeweken. Reeds in de 16e eeuw Petrus Keuchenius, vader
van den zoo even genoemden Robertus
2. En in het eerste gedeelte van de 17e
eeuw Clemens Keuchenius; die door zijne ouders naar Keulen ter schole was
gezonden om aldaar onder leiding der Jezuïeten onderwezen te worden, en die na
voleindigde studie reeds als novitius in hunne orde was opge- | | | | nomen; maar die toen de Gereformeerde belijdenis leerde kennen, en van
hare waarheid overtuigd werd; waarom hij, met verlating van alles, in ons
vaderland eene toevlucht zocht, en aldaar te 's-Hertogenbosch als Prorector een
hem passenden werkkring vond.
Deze Clemens Keuchenius had uit zijn huwelijk met Geertruida Buschman
drie kinderen; waarvan de jongste, Wilhelmus, geb. 1660 en overl. 1743,
predikant te Vucht geweest is
1.
Wilhelmus Keuchenius had uit zijn huwelijk met Margaretha Peregrinus
vijf kinderen; waarvan de oudste, Clemens, geb. 1707 en overl. 1788, ook
predikant was te Vucht
2.
Clemens Keuchenius had uit zijn huwelijk met Johanna Christina van
Hooft vier kinderen; waarvan de oudste
3, Wilhelmus
Mattheus, geb. 1740 en overl. 1812, langen tijd Med. Dr. en lid der Regeering
te Schiedam was; daarna in 1803, op aanzoek van den pas opgerichten Aziatischen
Raad, als Opperkoopman met den rang van Raad van Indië, met zijn gezin naar
Batavia vertrok; aldaar tot 1807 ‘buiten emplooi’ werd gelaten; later, in 1809,
lid is geworden van den Hoogen Raad van | | | | Justitie van Hollandsch
Indië; en bekend is door onderscheidene belangrijke geschriften, van welke met
name die over Indië ook thans nog worden op prijs gesteld
1.
Wilhelmus Mattheus Keuchenius had uit zijn tweede huwelijk
2, met Adriana van
Warmond, o.a. een zoon
3, | | | | Willem Adriaan, geb. te
Schiedam den 30 April 1796; die, op zevenjarigen leeftijd met zijnen vader naar
Indië verhuisd, bijna zijn geheele leven aldaar gebleven is, laatst als
Resident van Rembang; en die, na in 1850 met verlof naar Nederland te zijn
teruggekeerd, hier gepensioneerd en den 30 October 1851 te Stompwijk
(Zuid-Holland) overleden is.
En deze Willem Adriaan Keuchenius was de vader van den man, met wien
we ons nu verder hebben bezig te houden.
Met het oog op hetgeen hier van zijn voorgeslacht aangestipt is, zal
wel niemand het toevallig vinden, dat hij als jongeling lust had om te gaan
studeeren; dat hij tot al wat op Nederlandsch Indië betrekking had zich
bijzonder voelde aangetrokken; en dat hij geleerd heeft, den eisch des geloofs
boven alles te doen gelden. Voor zooveel hij aan zijne afkomst dacht, werd hij
tot dat alles vanzelf opgewekt en gedrongen. Het behoorde tot de
familietradities, waarvan hij den invloed, zij het ook niet altijd met
bewustheid, wel moest ondervinden
1.
Levinus
2
Wilhelmus Christiaan Keuchenius, den 21
October 1822 te Batavia geboren, en den 15 December | | | | d.a.v. door
Ds. D. Lenting in de buitenkerk aldaar gedoopt, was het derde kind van Willem
Adriaan Keuchenius, die, na eerst eenige jaren in 's lands dienst op het
kantoor van in- en uitgaande rechten te zijn werkzaam geweest, destijds als
koopman te Batavia gevestigd was, en van Maria Christina de Man, geb. den 6 Mei
1798, oudste dochter van den reeds in 1804 overleden rechter in den Raad van
Justitie aan de Kaap de Goede Hoop, Engelbert de Man. Zijne ouders, gehuwd den
7 Juni 1818, hadden toen reeds twee dochters
1: Elisabeth Christina Adriana Aletta, geb. den 4
April 1819, en Wilhelmina Antoinetta Engelberta, geb. den 30 Juni 1820; en zij
kregen later nog twee kinderen
2: Johanna Christina Elisabeth, geb. den 13
December 1823, en Adriaan Anton Maximiliaan Nicolaas, geb. den 25 September
1825.
Van zijne eerste levensjaren valt niets anders te vermelden, dan dat
hij reeds als kind veel heeft moeten missen. Zijne moeder, die voor haren
echtgenoot in moeielijke omstandigheden een uitnemende steun was geweest, en
die voorts aan de opvoeding harer kinderen zich geheel toewijdde, overleed, na
de ontijdige verlossing van een levenloos kind, den 24 September 1826; en met
haar had het huisgezin wel in vollen zin zijn middelpunt en zijn steunpunt
verloren. De vier nagelaten kinderen, waarvan het oudste pas 7 jaren telde,
zijn toen aanvankelijk toe- | | | | vertrouwd
1, eerst aan de zuster huns vaders, mevrouw
Tromp-Keuchenius, en daarna aan eene andere tante, mevrouw de wed. de
Man-Bussingh. Inmiddels had hun vader, wiens tijd door zijne drukke handelszaak
bijna geheel in beslag werd genomen, eene overeenkomst getroffen met een
bevriend echtpaar, om bij hem aan huis te komen wonen en het voortdurend
opzicht over zijne kinderen op zich te nemen. En toen dit niet aan de
verwachting beantwoordde, maakte hij weêr andere schikkingen. Maar al waren
alle die zorgen ook zoo goed mogelijk, wat de kinderen misten kon hun daardoor
niet vergoed worden. De onwaardeerbare liefde en leiding en zorg eener moeder
heeft de oudste zoon van zijn derde levensjaar af niet gekend.
Ook niet, toen zijn vader den 19 Juni 1830 hertrouwde met vrouwe
Charlotte Aimée Wormer, die eerst was gehuwd geweest met Jhr. H. Folkens van
Ingen; want hij was, toen dit geschiedde, reeds ver van het ouderlijk huis en
toen hij er bijna 13 jaren later terugkeerde, was zijne tweede moeder reeds
sedert den 15 November 1837 overleden.
In dien tijd nl. was hij met zijn jongeren broeder in Nederland. Zijn
vader, die zelf reeds op zevenjarigen leeftijd het moederland had moeten
verlaten, en die daarna zijne gansche opleiding in Indië ontvangen had, wist
maar al te goed, dat er aan die opleiding heel wat ontbroken had; en door eigen
ervaring gewaarschuwd, wilde hij nu voor de opvoeding zijner zoons zoo goed
mogelijk zorgen. Ook al heeft het hem blijkbaar veel gekost, die twee kinderen
reeds op zeer jeugdigen leeftijd naar Hol- | | | | land te zenden, met het
oog op hun eigen belang heeft hij zich die scheiding toch getroost.
Den 8 April 1830 werden zij door hun vader aan boord gebracht van Z.M.
corvet ‘Komeet’, om den volgenden dag te vertrekken. Voor den overtocht werden
zij touvertrouwd aan de goede zorgen van den Kapitein-Luitenant J.C. Koopman,
kommandant van dat oorlogsschip, en van den Directeur der Financiën J.D.
Kruseman, die als passagier met hetzelfde schip de reis deed. En bij hunne
aankomst in Nederland werden zij onder de voogdij gesteld van hun neef de Man,
Schout-bij-nacht en Kommandant van de Mariniers te Amsterdam
1.
Deze bracht hen in den zomer van dat jaar op de kostschool van meester
J. Lagerwey te Geertruidenberg, die als onderwijzer en opvoeder destijds een
zeer goeden naam had. Zijne school heeft ook inderdaad bij den jeugdigen
Keuchenius geheel aan de verwachting
beantwoord. Hij is er ruim 9 jaren gebleven; tot den tijd, dat hij naar de
Academie ging; en hij heeft er dus zijne gansche voorbereidende opleiding
ontvangen.
Met betrekking tot het onderwijs, dat hij daar kreeg, valt o.a. mede
te deelen, dat de wiskunde hierin eene voorname plaats bekleedde, en dat dit
met zijn eigen zin en aanleg geheel overeenkwam. De beoefening van die
wetenschap is hem eene lievelingsstudie geweest, tot zijn laatste levensjaar
toe
2. Gelijk aan zijne vrienden
welbekend was en ook uit zijne nagelaten papieren over- | | | | vloedig
blijkt, heeft hij te midden van velerlei zwaren arbeid telkens eene ontspanning
gezocht in de oplossing van moeielijke wiskundige vraagstukken. En diezelfde
voorkeur is ook reeds uitgekomen, toen hij nog op school was. De veel gebruikte
leerboekjes, die zijn onderwijzer Lagerwey op dit gebied heeft uitgegeven,
bevatten ook eenige vraagstukken, die door hem zijn opgesteld, terwijl de
oplossingen der problemen zelfs voor een goed gedeelte van hem afkomstig zijn.
En in overeenstemming daarmede is ook eene bijzonderheid, waarvan de
herinnering hem is bijgebleven; nl. dat hij, toen een zeer moeielijk
prijsprobleem aan de geheele school was opgegeven en binnen den gestelden tijd
van drie weken noch door hem noch door iemand had kunnen opgelost worden, in
den laatsten nacht ervan droomende plotseling de oplossing vond, en des morgens
uit de herinnering van dien droom haar met juistheid kon opschrijven.
Dat de andere vakken van onderwijs daarom niet verwaarloosd werden,
blijkt wel o.a. hieruit, dat hij reeds op zijn zestiende jaar goed voldoen kon
aan de eischen, die toen bij het admissie-examen aan de Leidsche Hoogeschool
gesteld werden. En te dien aanzien hebben zijne onderwijzers ook waarlijk geene
moeite met hem gehad. Dwang of pressie is bij hem in het geheel niet noodig
geweest. Het schijnt zelfs, dat hij slechts eenmaal eene schoolstraf beloopen
heeft; en dat was dan nog voor het feit, dat hij op eene wandeling, tegen het
verbod, een boek medegenomen en zich daarin verdiept had.
Bij wien hij de oude talen, met al wat daartoe behoort, geleerd heeft,
is moeielijk na te gaan. Misschien wel bij de predikanten, die toen
achtereenvolgens de Hervormde kerk te Geertruidenberg gediend hebben, van 1830
tot 1833 C.J.M. van den Broek, van 1833 tot | | | | 1836 A.N. van
Pellecom, en sedert 1836 de geleerde en door zijne kerkhistorische werken
bekende B. Glasius. En daar de predikant wekelijks geregeld op de school kwam
om aldaar te catechiseeren, zal de jonge Keuchenius in dat godsdienstonderwijs
ook wel gedeeld hebben, totdat hij den 25 Maart 1839 in de Hervormde kerk, na
belijdenis des geloofs, tot het H. Avondmaal werd toegelaten.
Toch is er in dit laatste opzicht ook nog anders op hem gewerkt, dan
alleen in den rationalistisch-supranaturalistischen geest, die destijds bij de
predikanten de heerschende was. Zijn voogd, die in Geertruidenberg bevriend was
met den aldaar resideerenden notaris Mr. A.J. Verkouteren, tevens burgemeester
der stad, had de kleine neven, die hij daar op school bracht, allereerst bij
diens gezin ingeleid en aanbevolen; en mevrouw Verkouteren-van Opstall voelde
zich toen aanstonds gedrongen, het gemis van het ouderlijk huis, en ook het
gemis eener moeder, hun zooveel mogelijk te vergoeden. Elken Woensdag en
Zaterdag waren zij hare vaste gasten; en dan bereidde zij hun niet alleen eene
aangename uitspanning, maar zij nam ook hunne Godsdienstige vorming met ernst
ter harte. Zelve eene vrouw van besliste geloofsovertuiging, van heldere
Schriftkennis en van vromen zin, heeft zij, met hare eigene kinderen, ook de
beide vreemde, die nu op haren weg gesteld waren, zooveel mogelijk daartoe
zoeken op te leiden. Een invloed, waarvan zich wel niet laat aanwijzen, hoe die
toen reeds gewerkt heeft, maar waarvan de vruchten toch blijkbaar, ook bij
Willem Keuchenius en zijn broeder, niet zijn
uitgebleven
1. | | | |
En in overeenstemming met dat streven was de Godsdienstige opvoeding,
die hij van zijnen even vromen als bekwamen leermeester Lagerwey heeft
ontvangen. Aan dien leidsman zijner jeugd is hij altijd met de grootste liefde
en dankbaarheid blijven denken. Toen hij in Batavia reeds Advocaat-Generaal was
bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch Indië, heeft hij, met zijn broeder
Anton, den 26 Juli 1851 in het kerkgebouw der Hervormde gemeente te
Geertruidenberg, onmiddellijk bij de zitplaatsen der kostschool en juist daar
waar het hoofd dier school placht te zitten, tot diens nagedachtenis eene, nog
aanwezige, marmeren plaat in den muur doen zetten, waarop in opgewerkte gulden
letters te lezen staat
1:
Hulde aan Jan Lagerwey Gzn. Instituteur te
dezer stede Geb. 28 Dec. 1801. Overl. 2 Sept. 1844 Zijne dankbare
leerlingen W. en A. Keuchenius.
En dat deze hulde niet uitsluitend betrekking had op het zoo
uitnemende maatschappelijk onderwijs, dat hij van hem ontvangen had, blijkt wel
uit de omstandigheid, dat hij nog in 1893, in zijne laatste ziekte, zijnen
| | | | reeds lang gestorven leermeester herdenkende, er aanstonds aan
toevoegde uit Ev. Gez. 192:
'K zal daar den vriend mijn dank betalen,
Die mij den heilweg wijzen wou,
En hem zelfs millioenen malen
Nog zeeg'nen voor zijn liefde en trouw.
Reeds op zestienjarigen leeftijd werd
Keuchenius voor de Academische studie
bekwaam geoordeeld; en nadat dit ook in Leiden officiëel geconstateerd was,
eerst door prof. P. Hofman Peerlkamp, en den volgenden dag, voor de mathesis,
door prof. J. de Gelder, werd hij op vertoon van hunne getuigschriften
dienzelfden 16 April 1839 als student in de Rechten te
Leiden ingeschreven.
Toch is hij toen nog niet aanstonds metterdaad student geworden;
hetgeen hieraan wordt toegeschreven, dat zijn voogd nu bezwaren maakte. Niet om
den nog zoo jeugdigen leeftijd, maar om de studie zelve; en dan allerminst
omdat hij zijn pupil daarvoor niet geschikt achtte, maar juist om diens
bijzondere geschiktheid. Zelf met hart en ziel aan den zeedienst gehecht,
wenschte hij, dat zijn neef, die in aanleg en ijver en vorderingen zoo
uitnemend was en die vooral in de wiskunde zoozeer uitmuntte, ook die loopbaan
zou kiezen; en met die bedoeling schijnt hij aan het gaan naar Leiden zijne
toestemming onthouden te hebben. In dien strijd van wenschen en plannen moest
ten slotte door den vader zelven beslist worden. En natuurlijk moest nu daarop
gewacht worden, eer de Academische studie kon aanvangen.
De beslissing, die de vader toen gaf, was in overeenstemming met den
wensch van zijn zoon, en ook zeker met diens aanleg en roeping. Toen hij later
verplicht werd tot den militairen dienst en den 24 Juli 1847 benoemd
| | | | was tot Tweeden Luitenant bij de Bataviaasche Schutterij, werd
hij van het werkelijk bevel over een peloton doòr den Kommandant stelselmatig
uitgesloten, en werd zijn bescheiden beklag zelfs beantwoord met de in het
openbaar uitgesproken schampere opmerking: ‘ik acht er u niet toe in staat’. En
toen is hem wel voldoening geschonken, door de tusschenkomst van den
Gouverneur-Generaal, zoodat hij zijn verzoek om ontslag introk, en zelfs
opklom, den 9 Juli 1850 tot Eersten Luitenant, en den 13 Mei 1853 tot Kapitein,
totdat hij den 27 Januari 1855 ‘uithoofde plaatsing in Nederland’ als zoodanig
‘eervol ontslagen’ werd. Maar een militair, in den eigenlijken zin, was hij
blijkbaar toch niet. Moed en trouw en stiptheid en dienstijver had hij zonder
twijfel in hooge mate; en hij is ook, met het oog op zijn levensloop, terecht
als een ‘strijder’ gekenschetst. Maar het is toch zeer gelukkig geweest, dat
hij zich niet aan den eigenlijken militairen dienst heeft behoeven toe te
wijden, en zich ongehinderd heeft kunnen voorbereiden tot gebruik van het wapen
des woords.
Daar men toentertijd zeer lang op een antwoord uit Batavia wachten
moest, is
Keuchenius eerst in den aanvang van het jaar
1840 naar de Academie kunnen gaan. Maar eenmaal aldaar aangekomen, heeft hij
zijne studie met zóóveel ijver doorgezet, dat hij heel wat meer gedaan heeft,
dan alleenlijk den verloren tijd wêer inhalen. Het op school ontvangen
onderwijs stelde hem in staat, reeds terstond, den 20 Maart 1840, met den
hoogsten lof zijn mathesis-examen af te leggen, den 8 April d.a.v. het
vereischte tentamen in de Logica, en den 2 Mei d.a.v., ook nog met lof, zijn
propaedeutisch examen. Daarna werden in de Rechten de hoogleeraren
H.W. Tydeman,
C.J. van Assen,
H. Cock en
J.R. Thorbecke zijne | | | |
leermeesters; terwijl hij in den cursus 1840/41 ook het college volgde van
prof.
M. Siegenbeek over Vaderlandsche
geschiedenis, en in den cursus 1841/42 de colleges van prof.
J.M. Schrant over Stijl en welsprekendheid,
en van prof.
J.C. Broers over Medicina forensis. Maar tot
die twee jaren bepaalde zich ook zijne studie in de Rechten. Want reeds den 8
Juni 1841 deed hij zijn candidaats-examen, in April 1842 de beide gedeelten van
het doctoraal-examen
1, en den 23 Juni d.a.v. promoveerde hij tot Doctor in het
Romeinsche en Hedendaagsche Recht, na openbare verdediging van eene Dissertatie
‘
de Donationibus propter nuptias Romanis’. En dat ‘vlug’
hier niet gelijk stond met ‘vluchtig’, blijkt o.a. uit de omstandigheid, dat,
ondanks dien wel wat al te grooten spoed, toch bij zijne juridische examens en
promotie steeds de hoogste lof hem werd toegekend.
Van dit korte Academieleven schijnt buiten het gezegde bijna niets
meer bekend te zijn. Bij zijne promotie had hij tot paranymphen
H.W. du Perron, ook uit Indië afkomstig, en
H.W. Tydeman, later predikant te Roozendaal.
Deze twee studenten, die zoowel wat leeftijd als wat studietijd aangaat
ongeveer van hetzelfde jaar waren als hij zelf, behoorden dus zeker tot zijn
engeren vriendenkring. En in ieder geval moet daartoe ook gerekend worden de
latere Utrechtsche hoogleeraar
C.W. | | | | Opzoomer, eveneens geheel
zijn tijdgenoot, en destijds op Godsdienstig gebied ook zijn geestverwant;
getuige o.a. de dichterlijke ‘afscheidsgroet’, welken deze, als ‘zijn oprechte
vriend’, in het jaar 1842 ‘bij het verlaten van de Academie en voor zijn
vertrek naar Indië’ voor hem vervaardigde
1.
Intusschen kon het aan vriendschappelijk verkeer wel niet bevorderlijk
zijn, dat hij zoo snel mogelijk, en dan tevens zoo goed mogelijk, wilde
afstudeeren. En voorts moet vooral de studie zelve door zulken haast eenigszins
geleden hebben; zij het ook dat die schade door voortgezette studie overvloedig
is goedgemaakt.
Of er eene bepaalde reden was, waarom hij zóóveel spoed maakte, dat
hij reeds op zijn 19e jaar Mr. in de Rechten was, is
moeielijk na te gaan. Misschien was het enkel de begeerte, om zoo spoedig
mogelijk tot 's lands dienst in Indië te kunnen overgaan. Althans, na zijne
promotie adresseerde hij zich, tegelijk met zijn jongeren broeder, aan de
Regeering, met verzoek ‘om bij zijn voorgenomen terugkeer naar Java te worden
begunstigd | | | | met het radicaal van Indisch ambtenaar’. Een verzoek,
dat echter, zooals de Minister van Koloniën hem den 3 October 1842 antwoordde,
toen ‘niet kon worden ingewilligd, vermits de voordracht daartoe is overgelaten
aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië, zoodat, wanneer hij aldaar
in 's Gouvernements dienst geplaatst mogt worden, hij in de gelegenheid zal
zijn gesteld, zich dusdanige voordracht waardig te maken’. Het genoemde
radicaal heeft hij dan ook eerst gekregen den 14 September 1845, bijna 20
maanden na den aanvang zijner ambtelijke loopbaan in Indië.
In dezelfde maand October verliet hij
Leiden; na den zomer besteed te hebben aan
eene reis door Nederland, België, Duitschland, Frankrijk en Engeland. Althans,
indien hij, gelijk wel denkelijk is, het plan, dat hij in den voorzomer aan
zijn vader berichtte, heeft ten uitvoer gebracht. Hij vertrok den 18 October
1842 met het schip ‘Maximiliaan’, gezagvoerder D. Boelhouwer; ook bij deze
terugreis door zijn broeder vergezeld; om nu, na eene afwezigheid van bijna 13
jaren, zich in zijn geboorteland te gaan vestigen.
In den aanvang van het jaar 1843 op Java teruggekomen, vertoefde
Keuchenius eerst eenigen tijd bij zijn
vader, destijds assistent-Resident van Grissee; inmiddels bij request aan den
Gouverneur-Generaal verzoekende, ‘om in eene rechterlijke betrekking te worden
geplaatst, en in afwachting daarvan te worden geadmitteerd als advocaat en
procureur te Soerabaija’. Bij besluit van den 3 Juni werd hierop door den
Gouverneur-Generaal goedgevonden, de gevraagde admissie hem te verleenen,
tevens ‘met machtiging op den President van het Hoog Geregtshof, om hem bij
voorkomende gelegenheid tot de ver- | | | | vulling van eene regterlijke
betrekking in aanmerking te brengen’.
Hij is dus in Indië eerst advocaat geweest; maar met de uitgesproken
bedoeling, om zoo spoedig mogelijk bij de rechterlijke macht eene plaatsing te
vinden; waarop hij te eerder uitzicht had, nu het Reglement op de Regterlijke
Organisatie en het beleid der Justitie in Nederlandsch Indië, vastgesteld bij
Koninklijk Besluit van den 27 Juli 1842, weldra in werking zou treden. En
hoezeer hij dit wenschte, blijkt uit het verzoek, dat niet lang daarna door
zijn vader voor hem gedaan werd. Het nieuwe Reglement bracht o.a. mede, dat met
den aanvang van het jaar 1844 aan den dienst van den Procureur-Generaal bij het
Hoog Gerechtshof een rechterlijk ambtenaar werd toegevoegd; en nu werd voor hem
gevraagd, dat hij als zoodanig mocht benoemd worden, en ‘zelfs voorloopig als
zoodanig zonder bezwaar van den lande bij den Procureur-Generaal mocht worden
werkzaam gesteld’. Door den Gouverneur-Generaal werd hierop beschikt, dat aan
het eerste deel van dat verzoek niet kon voldaan worden, daar de bedoelde
benoeming tot assistentie van den Procureur-Generaal nog ‘afhankelijk was van
nadere uit Nederland te verwachten verordeningen’; maar dat ‘er geene bedenking
bestond, om hem voorloopig zonder bezwaar van 's lands schatkist werkzaam te
stellen op deszelfs bureau’; hetgeen dan ook bij ditzelfde besluit geschiedde.
Met deze aanstelling, d.d. 20 Januari 1844, begon nu zijne ambtelijke loopbaan
in Indië.
Intusschen, ook al voelde hij zich tot het werk van een advocaat
blijkbaar weinig aangetrokken, hij heeft het in de acht maanden, die hij
daaraan moest toewijden, toch volstrekt niet verwaarloosd. Het besluit van den
Raad van Justitie van Soerabaija, d.d. 20 Februari 1844, | | | | waarbij
hij op zijn verzoek uit genoemde betrekking eervol ontslagen werd, kon dan ook
eindigen met de woorden: ‘betuigende de Raad deszelfs tevredenheid wegens den
ijver en nauwgezetheid, door den Rekestrant in de uitoefening van zijn
Ministerie steeds aan den dag gelegd’.
Na zijne bovenvermelde aanstelling verhuisde hij zoo spoedig mogelijk
naar Batavia, en was daar toen aanvankelijk op het aangewezen bureau als
vrijwilliger werkzaam. Maar nog in hetzelfde jaar, den 10 December 1844, werd
hem titel en tractement toegekend als ‘Eerste Commies bij den
Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch Indië’; welke
benoeming gerekend werd reeds den 1 April te zijn ingegaan. En ruim een jaar
later, den 26 Februari 1846, kreeg hij den titel van ‘Hoofdcommies’.
Dit laatste geschiedde op voorstel van den President van het Hoog
Gerechtshof, in overeenstemming met den Procureur-Generaal; die zulks voor den
Eersten Commies hadden aangevraagd, ‘omdat de tegenwoordige titel en inkomsten
niet in overeenstemming zijn met de verdienstelijke hoedanigheden van genoemden
ambtenaar en met de belangrijke werkzaamheden welke hem zijn opgedragen en
welke hij verrigt op eene wijze welke niets te wenschen overlaat’. Hieruit
blijkt wel, dat bij dezen jeugdigen ambtenaar ijver en toewijding in bijzondere
mate met bekwaamheid gepaard ging, en dat van hem en voor hem in de toekomst
veel was te wachten. Welk een en ander vooral niet minder uitkomt in het meer
omstandig en zeer vereerend schrijven, waarmede twee jaren later, den 6 Mei
1848, de toenmalige Procureur-Generaal van zijn Hoofdcommies afscheid nam.
Inderdaad heeft hij in die jaren dan ook hard gewerkt; zeker heel wat
meer dan men in Batavia gewoon was, | | | | en ook eigenlijk meer dan hij
op den duur kon volhouden. Eene particuliere correspondentie uit den herfst van
het jaar 1847 leert te dien aanzien, dat hij voor den arbeid, dien hij als
Hoofdcommies te verrichten had, dikwijls 14 uren daags aan zijne schrijftafel
had gezeten, en tevens, dat hij om gezondheidsredenen toen genoodzaakt was dit
wat te verminderen. Later is die vermindering blijkbaar niet zoo noodig meer
geweest; ook doordat hij toen zich heeft kunnen gewennen, slechts zeer weinig
slaap te behoeven. Jaren lang, en tot aan zijne laatste ziekte, heeft hij bijna
den geheelen dag kunnen werken, van des morgens 9 à 10 uur tot den maaltijd,
die te 6 ure gehouden werd, en dan, na eene korte rust en na het gezellig
verkeer in den kring van zijn huisgezin, wederom des avonds van 10 uur tot 2 à
3 uur in den nacht, en zelfs nog langer. Wat den werktijd aangaat, is hij dus
op later leeftijd eigenlijk teruggekeerd tot de gewoonte, die hij reeds in
zijne jeugd had aangenomen.
In den genoemden tijd valt ook zijn huwelijk, dat den 13 October 1847
voltrokken is. De vrouw zijner keuze was Hermina Alexandrina Hoogeveen, geb.
den 11 Maart 1829, dochter van Mr. Hendrik Johan Hoogeveen, lid van den Raad
van Nederlandsch Indië, en van Maria Christina Van Zeyll. Eene vrouw, die door
velerlei gaven uitmuntte, die hem in zijn veelbewogen leven altijd trouw heeft
ter zijde gestaan, die haren man en haar groot gezin met oplettende liefde
verzorgde, en die bij haar overlijden, den 8 November 1878, de weemoedige
herinnering aan een zeer gelukkig huwelijk bij hem achterliet.
De tien kinderen, waarmede dit huwelijk is gezegend geweest, zijn de
volgende: | | | |
Maria Johanna Christina, geb. te Batavia den 29 November 1848; thans
wonende te Scheveningen.
Hermina Josephine Alexandrina, geb. te Batavia den 27 April 1850;
gehuwd den 18 Mei 1871 met Archibald Mac Coll, makelaar te Londen; uit welk
huwelijk 10 kinderen geboren zijn.
Willem Hendrik Jan, geb. te Batavia den 24 October 1851; thans
makelaar te Batavia; gehuwd den 23 November 1881 met Carolina Jeannette Helder;
uit welk huwelijk 7 kinderen geboren zijn.
Elisabeth Adriana Catharina Maria, geb. te Batavia den 23 Maart 1853,
en overl. aldaar den 25 Augustus 1853.
Hendrik Johan Christiaan, geb. te 's-Gravenhage den 18 December 1854;
thans Mr. in de Rechten, en Secretaris van de Siameesche legatie te Berlijn;
gehuwd in Augustus 1893 met Maria Stieber.
Anton Willem Frederik, geb. te 's-Gravenhage den 16 Augustus 1856, en
overl. aldaar den 20 Mei 1857.
Johanna Christina Hermina, geb. te 's-Gravenhage den 4 Maart 1858, en
overl. te Batavia den 27 September 1886; gehuwd geweest met Harry Oldham
Foster; uit welk huwelijk 2 dochters geboren zijn.
Christina Alexandrina, geb. te 's-Gravenhage den 19 September 1859, en
overl. te Veldwijk den 31 Januari 1892.
Frederik Willem, geb. te Batavia den 25 April 1861, en overl. te
Selemba den 7 December 1863.
Emile Adriaan, geb. te Batavia den 19 Mei 1862; thans arts te
Scheveningen.
Enkele maanden na het vermelde huwelijk werd de lang voorbereide
nieuwe rechterlijke organisatie in Indië | | | | ingevoerd, om den 1 Mei
1848 in werking te treden. En in het daartoe strekkende besluit van den
Gouverneur-Generaal, d.d. 3 Maart, dat voor alle rechterlijke colleges de
titularissen benoemde, kwam ook de naam voor van
Keuchenius, als benoemd lid van den Raad van
Justitie te Batavia. Hij was in dat college het jongste lid; en zoowel daarom,
als om zijne reeds gebleken bekwaamheden, werd het meeste werk aan hem
opgedragen. Niet alleen bij de behandeling der voorkomende zaken in het
algemeen; maar ook doordat hij bovendien aanstonds benoemd werd tot
Rechter-Commissaris tot de instructie der strafzaken bij genoemden Raad.
Deze laatste speciale aanwijzing was voor den tijd van twee jaren.
Maar nog voordat die tijd verstreken was, werd hij benoemd, den 12 Februari
1850, tot Advocaat-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch Indië. En
ook in dit ambt is hij geen twee jaren werkzaam gebleven; want den 11 November
1851 volgde zijne benoeming tot Raadsheer in het Hoog Gerechtshof van
Nederlandsch Indië.
Het was inderdaad wel iets buitengewoons, dat hij op zoo jongen
leeftijd, nauwelijks 29 jaar oud, reeds tot het hoogste rechterlijke college
was opgeklommen. Maar in dit geval was die snelle promotie toch volkomen
begrijpelijk; want bij iedere functie, die aan hem was opgedragen, had hij
overvloedig getoond, wat men aan hem had. Met name de laatste bevordering had
tot meer bijzondere aanleiding, dat hij pas te voren eene zeer gewichtige en
omvangrijke opdracht van het Gouvernement op uitnemende wijze vervuld had. Als
Advocaat-Generaal had hij moeten optreden ‘in zake van de Regeering van
Nederlandsch Indië tegen den gemachtigde van den contractant voor de bereiding
en levering van suiker in de | | | | residentie Tagal, E.A. van Vloten’.
Ook aan deze rechtszaak had hij zijne groote gaven van rechtskennis en
scherpzinnigheid en zeggingskracht ten volle toegewijd. Reeds de keurige
pleitrede, waarmede hij den 20 Juni 1851 haar inleidde, en waarvan hij het
concept geheel schreef, zij het ook dat hij ze niet letterlijk aldus uitsprak,
besloeg niet minder dan 200 bladzijden schrifts. En toen nu al zijn arbeid door
de uitspraak van het Hoog Gerechtshof bekroond was, was het zeer natuurlijk,
dat die uitslag meest aan hem werd toegeschreven, en dat, bij de weldra
voorkomende vacature in dat Gerechtshof zelf, uit de onderscheidene
sollicitatiën van bekwame rechtsgeleerden de zijne het gewenschte gevolg had.
Welk een en ander ook hieruit blijkt, dat de Procureur-Generaal zijne
mededeelingen aan den Gouverneur-Generaal over het gevoerde rechtsgeding, d.d.
11 September 1851, met deze woorden besloot: ‘Ik huldig de waarheid, als ik
verklaar, zooals ik onbeschroomd bij deze doe, dat het Gouvernement de in deze
zoo belangrijke procedure behaalde schitterende overwinning grootendeels
verschuldigd is aan de zorgvolle, kundige en waardige handhaving van deszelfs
regten door den Heer Advocaat-Generaal
Keuchenius, wien ik dan ook daarvoor mijnen
dank heb toegebragt, terwijl ik deze gelegenheid benuttig om dezen
verdienstelijken regterlijken ambtenaar in de bijzondere welwillendheid van uwe
Excellentie aan te bevelen’. En toen vijf weken later de bedoelde vacature in
het Hoog Gerechtshof ontstond, gaf dezelfde Procureur-Generaal, als de
ambtenaar onder wien de Advocaat-Generaal werkzaam was, tot diens aanbeveling
als ‘zijn persoonlijk gevoelen’ o.a. het volgende getuigenis, d.d. 23 October
1851: ‘dat, bijaldien erkende bekwaamheden, gevoegd bij een voorbeeldig
levensgedrag en braaf karakter op den | | | | voorgrond gesteld worden
bij de onderwerpelijke keuze van een Raadsheer in het Hoog Gerechtshof van
Nederlandsch Indië, de rekwestrant [Keuchenius] voorzeker boven allen, die naar
die betrekking dingen, zonder uitzondering van welken rang of diensttijd zij
wezen mogen, de voorkeur verdient, omdat hij dezelve in wetenschappelijke
talenten overtreft. En die overtuiging bestaat niet alleen bij mij, maar bij
allen die den Heer Keuchenius in zijnen vroegeren en tegenwoordigen werkkring
hebben leeren kennen, en misschien wel bij zijne mededingers naar de
opengevallen Raadsheersplaats, immers indien deze zoo bescheiden zijn, als ik
redenen heb van dezelve te verwachten’.
Schoon hij aan zijn ambtelijk werk, volgens roeping, het
leeuwenaandeel van zijn tijd gaf, ging hij toch niet geheel daarin op, maar
wijdde hij zich ook aan andere studie en algemeene belangen. Op allerlei gebied
is hij in de nu behandelde jaren met onderscheidene te Batavia bestaande
kringen in aanraking gekomen, en voor het doel, dat deze zich gesteld hadden,
mede werkzaam geweest. Zoo b.v. is hij gekozen: den 4 Februari 1845 tot lid van
het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, en daarin den 18
September 1850 tot lid van het bestuur; den 4 September 1852 tot lid van de
Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië; en den 4 Juli 1853 tot lid van
het bestuur van het Nederlandsch Oost-Indisch Zendeling- en Bijbelgenootschap.
En desgelijks heeft hij voor den heer H.J. Hoogeveen, adjunct-secretaris van
het Bestuur der Protestantsche kerk in Nederlandsch Indië, gedurende diens
afwezigheid met verlof, de functiën als zoodanig tot den 25 Mei 1853
waargenomen.
Intusschen was het alsof hij in geen enkel rechterlijk | | | |
ambt volle twee jaren mocht werkzaam zijn. Nog voordat hij als Raadsheer
zoolang gediend had, werd hij door ernstige ongesteldheid van zijn werk
afgeroepen. Tot dusver was het, naar het schijnt, nog niet voorgekomen, dat
zulke oorzaak hem den arbeid belet had; slechts met ééne uitzondering, uit den
eersten tijd zijner vestiging in Batavia, toen hij bijna het slachtoffer was
geworden van een aanslag op zijn leven. Bij zijn vader was destijds een
inlandsch bediende, die een zeer ondeugenden zoon had, met wien daar ter
plaatse niets was aan te vangen. Dezen had hij medegenomen naar Batavia, ten
einde te beproeven nog iets van hem te maken. Maar in plaats daarvan bleek al
spoedig, dat dit jonge mensch hem bestal. En toen dit gestraft werd door eene
evenredige inhouding van loon, trachtte de bediende zich te wreken, door de
bloem van zwavel, welke zijn meester gewoon was te gebruiken, met arsenicum te
vermengen. Gelukkig was de hoeveelheid veel te groot genomen, zoodat ver het
meeste terstond weer door braking werd uitgeworpen; terwijl voorts de bedreigde
juist hierdoor gewaarschuwd werd, zich zoo spoedig mogelijk onder geneeskundige
behandeling te stellen. Schadelijke gevolgen heeft dit ongeval, dat hem
denkelijk in het voorjaar van 1845 overkomen is
1, dan ook
niet gehad. Ook al had hij nooit eene sterke constitutie, hij heeft om
gezondheidsredenen toch eerst in het najaar van 1853 een verlof moeten
aanvragen.
Hij ontving toen, den 7 September, wegens ziekte een binnenlandsch
verlof van ééne maand; en te Soe- | | | | rabaija vertoevende, zag hij dit,
den 14 October, nog verlengd met twee maanden. Maar blijkbaar was die maatregel
toch niet afdoende. En daarom verkreeg hij, bij besluit van den 3 Maart 1854,
tot herstel van gezondheid een tweejarig verlof naar Nederland.
Den 23 Maart 1854 fungeerde hij te Batavia voor het laatst als
Raadsheer in het Hoog Gerechtshof; en niet lang daarna aanvaardde hij met zijn
gezin de reis naar Nederland.
Zijnen weg door Frankrijk nemende, raadpleegde hij aldaar den 1 Juni
den lijfarts des keizers, Dr. Andral, die hem toen het schriftelijk advies gaf,
voor minstens zes weken naar Aken te gaan, met de noodige aanwijzingen voor de
antirheumatische kuur die hij ondergaan moest. Of die raad niet goed was, dan
wel, of degenen, die hem moesten uitvoeren, het gegeven voorschrift niet
precies hebben opgevolgd, is natuurlijk niet uit te maken. Maar zooveel is
zeker, dat de lijder onder de badkuur zelve door eenen aanval van beroerte
getroffen is. Men zou geneigd zijn, dit te stellen in dezelfde maand Juni van
het jaar 1854, en dan daaraan toe te schrijven, dat hij, blijkens een voor hem
bestemd besluit van den Minister van Koloniën d.d. 1 Juli van dat jaar, reeds
op dien dag hier te lande was. Maar het is ook mogelijk, dat hij om andere
redenen zijne kuur toen heeft afgebroken, of dat hij eerst na den 1 Juli Aken
bezocht heeft, of dat hij er in dat jaar nog in het geheel niet geweest is. En
in ieder geval is, volgens betrouwbare berichten, het bedoelde ongeval hem
eerst overkomen na de bevalling zijner vrouw, die den 18 December 1854 heeft
plaats gehad, en dus in den aanvang van het jaar 1855.
De gevolgen van het toen gebeurde heeft hij levens- | | | | lang
moeten dragen. Van dien tijd dagteekent het onsierlijke, dat er in zijn
voorkomen en zijn optreden gekomen is, daar van nu af het gelaat naar de eene
zijde was scheef getrokken, het eene oog voortdurend traande, en de gang
eenigszins slepend was geworden. Wel mocht met dankbaarheid erkend worden, dat
de treurige werking zich uitsluitend tot het uitwendige bepaald had. Maar het
was toch een bitter leed, dat nu daardoor over hem kwam, en dat in de bijna 39
levensjaren, die hem daarna nog gegund zijn, hem voortdurend is blijven
drukken. In schotschriften en in caricaturen is er wel eens mede gespot; maar
zelfs zulke laffe spotters zouden zich misschien wel hebben ingehouden, als zij
werkelijk geweten hadden, hoe pijnlijk zij hem wondden. Ook al bleek gedurig,
dat hij door zijn uiterlijk niet afstootte, en dat juist integendeel wie hem
mochten ontmoeten, met name ook kinderen, door het vriendelijke van zijn oog en
door het innemende van zijn woord bijzonder werden aangetrokken, voor
zichzelven had hij altijd toch het gevoel, dat zijn voorkomen anderen hinderde.
Zijne vrienden zijn er spoedig aan gewend geraakt; maar hijzelf heeft er zich
nooit aan kunnen wennen. Het heeft inderdaad behoort tot het vele, dat hem in
zijn leven veel heeft doen lijden.
Voor het overige was zijne gezondheid reeds in den herfst van het jaar
1854 genoegzaam hersteld, om hem de hervatting van den arbeid te vergunnen.
Immers, bij Koninklijk Besluit van den 29 September 1854 werd hem met ingang
van den 1 October d.a.v. ‘opgedragen de waarneming der functiën van
Secretaris-Generaal bij het Departement van Koloniën’.
In die opdracht, en ook in hare verlenging toen zijn verloftijd
verstreken was, blijkens het Koninklijk Besluit | | | | van den 7 Januari
1855, lag wel eene bijzondere erkenning van zijne uitnemende bekwaamheden.
Blijkbaar wilde men eensdeels hier te lande zooveel mogelijk daarvan partij
trekken, door hem te gebruiken, en dan zoo lang mogelijk, in de gewichtige
betrekking van Secretaris-Generaal; en anderdeels hem terzelfder tijd in den
Indischen dienst doen blijven. Daarom werd de benoeming zoo ingericht, dat hij
metterdaad wel Secretaris-Generaal werd, geheel en ten volle, maar toch niet in
naam en formeel; gelijk hij in officiëele stukken dan ook altijd betiteld werd
als ‘waarnemend’ of ‘fungeerend’ Secretaris-Generaal, en in 1859, bij zijne
benoeming in den Raad van Nederlandsch Indië, gequalificeerd werd, niet als
Secretaris-Generaal, maar als ‘laatstelijk Raadsheer in het Hoog Gerechtshof
van Nederlandsch Indië’.
Bijna vijf jaren lang heeft hij deze functiën waargenomen; en wel op
eene wijze die aan de groote verwachting overvloedig beantwoordde.
Eenigszins kan dit reeds afgeleid worden uit de eervolle
onderscheidingen, die hem toen ten deel vielen; met name uit de ridderorden,
waarmede hij toen is begiftigd. Zonder twijfel heeft hij voor zichzelven
daaraan slechts eene zeer betrekkelijke waarde toegekend. Hij bezat die
onderscheidingsteekenen, maar hij droeg ze nooit; behalve wanneer bij
officiëele gelegenheden de beleefdheid het eischte, en ook dan alleenlijk de
orde die daarvoor noodig was. En zelfs in zijn naasten kring waren verre de
meesten te dien aanzien weinig op de hoogte. Bij een man als
Keuchenius kan ook wel bij niemand de
waardeering zijner verdiensten daarvan min of meer afhangen. Maar het mag toch
vermeld worden, allereerst tot eer van de toenmalige Regeering, en voorts ook
als getuigenis voor de beteekenis die bij het Departement van Koloniën hem
| | | | werd toegekend, dat hij den 2 Mei 1855 benoemd is tot Ridder der
orde van den Nederlandschen Leeuw; den 6 Maart 1856 tot Kommandeur der orde van
Frans Jozef van Oostenrijk; den 16 December 1857 tot Ridder 3e klasse
der orde van Medjidié van Turkije (volgens het begeleidend schrijven door ‘Sa
Majesté Impériale le Sultan’ verleend ‘à l'occasion de la conclusion de la
Convention Consulaire entre son Empire et le Royaume des Pays-Bas’), en den 19
Februari 1859 tot Kommandeur der orde van de Eikenkroon van Luxemburg.
Vleiender nog was de lofspraak van de Ministers van Koloniën C.F.
Pahud, P. Mijer en J.J. Rochussen, onder welke hij achtereenvolgens zijne
betrekking waarnam. Eene lofspraak, die zelfs door laatstgenoemde nog herhaald
is, nadat de bekende motie-Keuchenius hem tegenover dezen geplaatst had, en in
een tijd dat de tegenstanders van die motie er op uit waren, haren voorsteller
zooveel mogelijk zwart te maken. ‘Ik heb’, zeide de heer Rochussen in de
zitting der Tweede Kamer van den 3 April 1867, ‘voor den heer Keuchenius altijd
achting gehad en nu nog; toen ik aan het hoofd stond van het Departement van
Koloniën, heeft hij mij zoo trouw en knap geholpen, dat ik hem daarvoor dank
verschuldigd ben. Van het oogenblik dat hij naar Indië is vertrokken, ben ik
minder krachtig geworden en is mijn val begonnen; en ik ben ook in dat opzigt
hem daarvoor dankbaar, omdat ik gedeeltelijk daardoor van dien lastpost ben
bevrijd geworden’
1.
Een eervol getuigenis van zijn arbeid aan het Departement van Koloniën
is ook nog aanwezig in hetgeen er van dien arbeid is overgebleven. B.v. met
betrekking | | | | tot de voorbereiding van een Wetboek van Strafrecht
voor Nederlandsch Indië, nadat hem door den Minister van Koloniën, ingevolge
machtiging des Konings, den 10 October 1856 verzocht was, zich te belasten met
het vervaardigen van een ontwerp. En vooral de uitgave, in 1857 (of eigenlijk
eerst in Februari 1858), van de ‘
Handelingen der Regering en der Staten-Generaal betreffende het
Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indië’; welke
uitgave onder zijn toezicht, en met eene belangrijke voorrede van zijne hand,
heeft plaats gehad.
En meer nog dan dat alles zegt wel de omstandigheid, dat in 1858, met
het oog op eventueele vacaturen in den Raad van Nederlandsch Indië, door de
Regeering bepaaldelijk aan
Keuchenius gedacht werd, niettegenstaande
hij toen pas 35 jaren oud was, ‘wegens zijne vele diensten en verdiensten en
wegens zijne uitstekende geschiktheid voor het lidmaatschap van dat hooge
Collegie’, en de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië werd
‘aangeschreven, dat het 's Konings bepaalde wensch was, dat hij door zijn
dienst hier te lande niet verstoken zoude blijven van de bevordering tot lid in
dien Raad, maar bij eene eerste gelegenheid daartoe in 's lands belang zou
worden aanbevolen’.
Aan dien wensch der Regeering is in 1859 kunnen voldaan worden. Bij
Koninklijk Besluit van den 28 Mei werd hij ‘eervol ontheven van de hem
opgedragen waarneming der functiën van Secretaris-Generaal bij het Departement
van Koloniën, met bepaling, dat hij bij dat Departement zal werkzaam blijven,
totdat nader op andere wijze over zijne diensten door den Koning zal worden
beschikt’, en dat ‘de diensten door hem nader te | | | | verleenen hem
als Indische dienst blijven toegerekend’. En bij Koninklijk Besluit van den 10
Juni d.a.v. is hij benoemd, met ingang van den 1 Augustus 1859, tot lid in den
Raad van Nederlandsch Indië.
Den 17 October als zoodanig beëedigd, vertrok hij met zijn gezin den
12 November, aan boord van het schip ‘Medea’, gezagvoerder J. Lourens, en werd
hij, in Indië aangekomen, den 17 Februari 1860 in zijne hooge waardigheid
geïnstalleerd.
Met hoeveel bekwaamheid en ijver hij zich van de taak, die hem nu was
opgedragen, gekweten heeft, kan o.a. nog blijken uit de vele door hem
uitgebrachte adviezen, waarvan een afschrift door hem bewaard is; welk laatste
inzonderheid het geval is met die adviezen, waarin hij een gevoelen uitsprak,
dat zijne medeleden niet deelden. Deze stukken zelven zijn uit den aard der
zaak niet bestemd om te worden openbaar gemaakt. Er zou anders ook nu nog veel
te leeren zijn uit zijne grondige, heldere, in bijzonderheden afdalende en
tevens algemeen samenvattende vertoogen, waarvan sommige 43, 52 of zelfs 123
bladzijden in quarto innemen, b.v. over de noodzakelijkheid om in Indië aan de
Christelijke Zending vrijen loop te laten, over de onhoudbare inrichting en de
schadelijke werking van de officiëele Protestantsche Kerk aldaar, over de te
nemen maatregelen om het cultuurstelsel geleidelijk voor een beter stelsel te
doen plaats maken, met een daaraan toegevoegd ontwerp eener cultuurwet, enz.
Maar al moet dat alles hier blijven rusten, wel kan en mag in het algemeen met
een enkel woord worden medegedeeld, wat in die adviezen het meeste uitkomt, en
wat dus Keuchenius' werkzaamheid in den Raad van Indië blijkbaar kenmerkte.
Op den voorgrond stond altijd zijne Christelijke geloofs- | | | | overtuiging. Deze had in de laatste jaren, door zijn verblijf in
Holland en zijn verkeer in Christelijke kringen aldaar, aan beslistheid en
vastheid en helderheid veel gewonnen. Zij werd toen in Indië op de proef
gesteld, deels door de scherpe tegenstelling met het daar heerschende ongeloof
en materialisme, deels en vooral door het huiselijk leed dat in 1863 hem trof,
toen hij een lief kind van nog geen 3 jaren vóór zijn sterven langen tijd aan
een hevig lijden onderworpen zag. Maar juist door die beproeving werd zijn
geloofsleven dieper en inniger. En daardoor werd hij dan ook des te meer
aangedreven, om dat geloof te belijden; om allen arbeid, die anderen daartoe
zou kunnen brengen, te ondersteunen; om volkomen vrijheid voor dien arbeid te
verlangen; en om in het algemeen voor de eere zijns Heeren altijd en overal op
te komen. Dit nu heeft hij in zijne adviezen, ook waar deze materiëele belangen
raakten, onvermoeid en vrijmoedig gedaan.
Telkens en op allerlei wijze wordt daarin uitgesproken, dat er voor de
volken in het algemeen, en met name ook voor Indië, in staatkundig, burgerlijk
en maatschappelijk opzicht buiten Christus en het Christendom geen wezenlijk en
geen duurzaam heil te verwachten is. Op grond van die overtuiging protesteerde
hij telkens tegen de velerlei belemmering, die de Christelijke zending juist in
Indië ondervond. In verband daarmede drong hij er op aan, dat Nederland zijne
roeping tegenover Indië zou vervullen, ook met name in de behandeling der
inlandsche bevolking. En voorts toonde hij zich bij uitnemendheid een
voorstander van het recht, zonder aanzien des persoons en zonder eenigen
invloed van eigene voorkeur, zoodat hij even goed de patroon was van ten
onrechte vervolgde Mohammedaansche Hadjies als van ten onrechte | | | |
bemoeielijkte Christen-zendelingen, en ook nimmer schroomde tegenover
hooggeplaatste en invloedrijke en door ontzag verwende inrichtingen en kringen
en personen onverbiddelijk den eisch des rechts te handhaven.
Dat hij door dit alles vaak alleen stond, en zelfs wel eens moeilijke,
schoon voor hemzelven eervolle, conflicten gehad heeft, is licht te begrijpen.
Reeds toen was zijn streven, wel niet tegen de conservatieven of de
conservatieve partij als zoodanig, maar dan toch tegen het conservatisme,
gelijk dit zich theoretisch en practisch openbaart. En het samenstel van
begrippen en neigingen, dat men met dien naam pleegt te noemen, was en is ten
allen tijde, met name in de hoogere kringen, zeer machtig.
Daaraan is het grootendeels dan ook zeker toe te schrijven, dat
Keuchenius, niettegenstaande zijne door
ieder erkende bekwaamheid en werkkracht en achtenswaardigheid, toch van nu af
door de hoogste kringen blijkbaar minder dan vroeger gewaardeerd werd. Vooral
kwam dit uit, toen in November 1864 het vice-presidentschap van den Raad van
Nederlandsch Indië vacant werd. Hij was voor die functie als het ware
aangewezen; en hij werd er ook bekwaam voor geacht; want de waarneming van dat
ambt werd hem aanstonds opgedragen, en die opdracht is ruim zeven maanden lang
gecontinueerd. Toch werd hij er niet voor benoemd. Den 5 November 1864 werd
door den Gouverneur-Generaal besloten ‘de waarneming van het ambt van
Vice-President van den Raad van Nederlandsch Indië voorloopig en in afwachting
dat door den Koning in de bestaande vacature zal zijn voorzien, op te dragen
aan het oudste lid in benoeming van dien Raad Mr. L.W.C. Keuchenius’. Maar den
1 Februari 1865 werd bij Koninklijk Besluit | | | | de afgetreden
vice-president, die met verlof naar Nederland vertrokken, op zijn verzoek uit
's lands dienst ontslagen, en den 15 Januari gepensioneerd was, wederom in
dienst gesteld en tot zijn vorig ambt geroepen. Tot dien gang van zaken hebben
onderscheidene omstandigheden samengewerkt; en daartoe behoorde ook, dat
Keuchenius minder geschikt geacht werd, en wel omdat hij ‘de politiek te veel
met Godsdienst vermengde’.
Dit laatste werd natuurlijk niet openlijk als motief genoemd; en dat
het zooveel invloed had, was destijds aan hemzelven nog maar zeer ten deele
bekend. Daarom was het alleszins begrijpelijk, dat hij, niet door de gedane
benoeming zelve, maar door de wijze waarop zij te zijnen koste bij den Minister
Fransen van den Putte bewerkt was, zich in zijne eer en positie gekrenkt
gevoelde. En dit gaf hem aanleiding, thans gevolg te geven aan den raad, dien
zijn geneesheer hem reeds een paar jaren vroeger gegeven had, nl. om tot
herstel van gezondheid een verlof naar Nederland aan te vragen. Reeds den 24
December 1863 was hem een binnenlandsch verlof van ééne maand moeten verleend
worden; 't welk den 1 Februari 1864 nog met acht dagen verlengd was. Maar thans
werd hij den 5 April 1865, ‘op zijn verzoek, wegens ziekte, eervol ontheven van
zijne betrekking, onder genot, gedurende twee jaren, van een wachtgeld’ enz.,
en met bepaling, dat hij ‘zijne betrekking tot in de maand Juni a.s. zal
blijven waarnemen’. Ter toelichting van dit besluit is misschien de herinnering
niet overbodig, dat in 1858 en 1859 wettelijke bepalingen gemaakt waren, om te
zorgen, dat de Raad van Nederlandsch Indië altijd zooveel mogelijk voltallig
zou blijven; en daartoe behoorde ook, dat een gewoon buiten-Indisch verlof, bij
hetwelk de betrekking voor den | | | | titularis open blijft, aan een
Raadslid niet meer zou verleend worden, maar dat in de plaats daarvan
‘ontheffing van de betrekking’ zou gegeven worden, ingaande op den tijd dat de
in-functie-treding van den opvolger te verwachten was, en met eenen bepaalden
tijd voor het genot van wachtgeld, waarna door den Koning nader zou beschikt
worden over den in 's lands dienst geblevenen Indischen ambtenaar.
Uit deze tweede periode van Keuchenius' werkzaamheid in Indië valt nog
te vermelden, dat hij ook buiten zijn eigenlijk ambt voor andere belangen tijd
en moeite over had. Zoo b.v. werd hij in Februari 1860 gekozen tot President
van de Christelijke Ambachtsschool te Batavia, en werd hij, bij besluit van den
Gouverneur-Generaal d.d. 28 December 1860, benoemd tot mede-Commissaris en
Correspondent van ‘de Vaderlandsche fondsen ter aanmoediging van 's lands
zeedienst en ter ondersteuning van verminkten en van nagelaten weduwen en
weezen van in 's lands dienst gesneuvelde zeelieden’.
Na nog tot in Juni zijn ambt te hebben waargenomen, vertrok hij daarop
aanstonds met de landmail, ten einde nog dien zomer eene badplaats te kunnen
bezoeken. Reeds in Juli was hij met zijn gezin te Creuznach. En na eenige
maanden in Duitschland te hebben doorgebracht, kwam hij tegen het einde des
jaars ten derde male in Nederland.
In December 1865 hier te lande aangekomen, hield hij eerst eenigen
tijd in
Utrecht zijn verblijf, en woonde hij verder,
sedert 1 Mei 1866, te
Leiden.
In de eerste maanden van dat jaar heeft hij zich inzonderheid bezig
gehouden met de belangen der Zending. In overleg met het Genootschap voor in-
en uitwendige | | | | zending te Batavia ontwierp hij met enkele andere
Zendingsvrienden het plan, eene Maatschappij tot bevordering der Christelijke
belangen van Nederlandsch Indië op te richten, die ten doel zou hebben, ‘het
Rijk van Christus in Nederlandsch Indië uit te breiden’, en die ‘haar doel
voornamelijk zou trachten te bereiken: 1o. door de
uitzending van één of meer personen, bij uitnemendheid geschikt om de kennis
van het Evangelie, naar de grondslagen, waarop de christelijke Kerk van alle
eeuwen en ook de Nederlandsche Hervormde Kerk, blijkens hare
belijdenisschriften, is opgebouwd, te bevorderen; 2o. door
de behartiging van het christelijk onderwijs; 3o. door de
oprigting van eene of meer scholen tot vorming van onderwijzers en
godsdienstleeraars uit de afstammelingen van Europeanen en de tot het
Christendom bekeerde Mahomedanen en Heidenen’. Reeds in Januari van dat jaar
werd eene eerste schets van dit plan in beperkten kring aan critiek
onderworpen; in April d.a.v. werd het voor een eenigszins grooteren kring in
eene uitvoerige, door
Keuchenius gestelde, Memorie nader
uitgewerkt; en in Juli d.a.v. werd die Memorie, met goedvinden van de mede
onderteekenaars, door hem openbaar gemaakt, onder toevoeging van eene
belangrijke voorrede. Vooral ten gevolge van zijne ijverige pogingen had het
plan aanvankelijk genoegzamen steun gevonden. Maar toch is er van die
Maatschappij ten slotte niets gekomen. Eenigszins, zonder twijfel, doordat hare
werkzaamheid niet genoegzaam bepaald was en hare organisatie niet practisch was
ingericht. Maar toch ook, en misschien wel het meest, door de politieke
gebeurtenissen van het jaar 1866. Niet zoozeer omdat deze hem toen te veel tijd
zouden gekost hebben, als wel omdat na zijne motie van den 27 September bijna
alle mannen van aanzien en invloed | | | | en vermogen, die de zaak reeds
gesteund hadden, zich nu, wel niet formeel, maar dan toch feitelijk, aan haar
onttrokken. In een particulier schrijven, dat hij den 8 Juni 1868, kort vóór
zijn vertrek uit Nederland, tot een der onderteekenaars van de genoemde Memorie
richtte, komt te dien aanzien o.a. voor: ‘Voor UHWG., dien ik als een Christen
heb leeren liefhebben, gelijk ik UHWG. als mijnen meerdere in jaren, geboorte
en maatschappelijke positie, eerde en hoogachtte, mag ik niet verbergen, dat
het bittere zieleleed, waarvan mijn derdehalfjarig verblijf in Nederland heeft
overgevloeid, niet weinig vermeerderd is door den loop, dien de zaak der Mij tot bevordering der christelijke belangen van N.I. gehad
heeft en door de houding, die velen mijner geloofsbroeders tegenover mij hebben
aangenomen. Het voorstel, in den vooravond van mijn vertrek naar Indië gedaan,
om de beraadslagingen over die Maatschappij te hervatten, verhoogt het
pijnlijke, dat voor mij gelegen was in een stilzwijgen van ongeveer twee jaren,
in weerwil van mijn herhaald voorstel om mijnen persoon en mijnen naam van de
zaak af te scheiden en intusschen, ongenoemd en onopgemerkt, te haren nutte te
blijven arbeiden’.
Tot het hier bedoelde politieke optreden was hij door den drang der
omstandigheden gekomen. Oorspronkelijk had hij geen ander plan gehad, dan om
zijn verloftijd ‘zich tot herstel zijner gezondheid en tot hervatting van door
eene drukke ambtsbetrekking bemoeielijkte studiën ten nutte te maken’. Dit
schreef hij reeds uit Creuznach in October 1865 aan een vriend in de nabijheid
van's-Gravenhage, die hem had aangezocht, om zich bij de periodieke
Kamerverkiezingen van 1866 voor dat kiesdistrict beschikbaar te stellen. En in
1866 bleef hij hier te lande | | | | andere aanzoeken eveneens afwijzen.
Na afloop van zijn verloftijd wilde hij tot den actieven dienst in Indië
terugkeeren. Intusschen, dit bleef even mogelijk, wanneer hij inmiddels als
volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer zitting nam; en dit laatste werd door
velen wenschelijk geacht, omdat destijds juist de koloniale quaestie zóó op den
voorgrond stond, dat zij de geheele politiek beheerschte. Ten slotte heeft
Keuchenius zich dan ook laten vinden, vooral
op aandrang van zijn vriend Groen van Prinsterer, eerst om zonder openlijke
tegenspraak in zijne candidaat-stelling te berusten, en daarna om het aan hem
opgedragen mandaat te aanvaarden.
Van den aanvang af was hij daarbij de candidaat der
antirevolutionairen. Als zoodanig werd hij den 12 Juni voor het kiesdistrict
Arnhem gekozen. En als zoodanig deed hij zich
ook kennen in de Tweede Kamer, toen hij daar den 23 Augustus voor het eerst het
woord voerde, om het Ministerie Mijer-Heemskerk-van Zuylen, waarvan sommige
leden vroeger veel, maar thans bijna niets voor het Christelijk onderwijs deden
verwachten, over de gedachten en de voornemens die het te dien aanzien had, en
met name over de vraag of het daarin homogeen was, te interpelleeren.
Voor het overige liet hij zich op koloniaal gebied nog niet aanstonds
gelden. Hij wilde aan het Ministerie, dat bepaaldelijk tot behandeling en tot
oplossing van de koloniale quaestie was opgetreden, den noodigen tijd laten, om
de wenschen en plannen, die de Minister van Koloniën reeds met enkele woorden
had aangeduid, nader uit te werken en in tastbaren vorm voor de Staten-Generaal
te brengen. Tegenover dit conservatieve Ministerie nam hij dus nog eene
afwachtende houding aan. Totdat, juist bij den aanvang van het nieuwe
parlemen- | | | | taire jaar, de Minister Mijer, al de tot nu toe door hem
uitgesproken koloniale plannen in den steek latende, onverwachts aftrad;
vervangen werd door een Minister, van wien zeker geene oplossing van de
koloniale quaestie te verwachten was; en zelf slechts twee dagen na zijne
aftreding benoemd werd tot Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië.
Dit plotseling verdwijnen van den pas opgetreden Minister van
Koloniën, als zoodanig het hoofd en de ziel van het kabinet; zijne aftreding
juist op dit oogenblik en na alles wat hij nog tot het laatste toe had in
uitzicht gesteld; de blijkbare samenhang van dat aftreden met zijne benoeming
tot Gouverneur-Generaal; en de bij deze ambtsverwisseling door het Ministerie
verleende medewerking; door niemand verdedigd, door de conservatieven zelven
betreurd of zelfs afgekeurd, en van liberale zijde, gelijk ook door Keuchenius,
als mystificatie en politieke immoraliteit gebrandmerkt; gaf hem, bij de
beraadslaging over het adres van antwoord op de troonrede, aanleiding tot het
voorstellen der bekende motie: ‘De Kamer, de gedragslijn van het Kabinet ten
opzichte van de uittreding van den Minister van Koloniën Mr. P. Mijer
afkeurende, gaat over tot de orde van den dag’. En deze motie werd, na scherpe
bestrijding en even krachtige verdediging, ten slotte, den 27 September 1866,
met 39 tegen 23 stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.
De beoordeeling van dit alles uit een politiek oogpunt valt buiten het
bestek van dit opstel. En evenmin kan te dezer plaatse gehandeld worden over
hetgeen er op politiek gebied uit die motie is voortgevloeid. Maar wel moet
hier vermeld worden, welke gevolgen zij voor haren voorsteller zelven gehad
heeft. Hij heeft er nooit | | | | berouw van gehad, blijkens hetgeen hij
er later bij onderscheidene gelegenheden over gezegd en geschreven heeft. Maar
voor zoover hij zijn doel bereikt heeft, is dat wel geschied ten koste van veel
dat hem lief was.
Het was nog te dragen, dat hij door de conservatieven van nu af op
allerlei wijze werd aangevallen; dat hij werd gekenschetst en ten toon gesteld
als een revolutionair, als iemand die de praerogatieven der Kroon aanrandde en
het land ten verderve voerde. Maar veel grievender was het, dat ook bijna alle
antirevolutionairen met dat oordeel schenen in te stemmen. Zeker is in later
jaren wel gebleken, dat dit eigenlijk slechts het geval was in de hoogere
kringen; maar aanvankelijk, en nog lang daarna, werd eene andere stem niet
gehoord. En nu stond in die kringen het hoofd der partij zonder twijfel aan de
zijde van Keuchenius; maar in welken zin deze leider toen als zoodanig erkend
werd, heeft
Keuchenius zelf een paar jaren later aldus
uitgedrukt
1, dat ‘de zich noemende
christelijk-historische partij’ steeds bezig was ‘het talent van den heer Groen
van Prinsterer te gebruiken tot bereiking van heerschzuchtige oogmerken en ter
bevrediging van aristocratische sympathieën en aspiratiën, maar in gemakzucht,
vreesachtigheid, oogendienst en gunstbejag, verachting te brengen over het
beginsel, dat hij vertegenwoordigt’, en voorts vervallen was tot ‘de
vernederende rol van dienares, speelbal en werktuig der conservatieve partij’.
In die strooming medegaande, keerden zich de Christelijke vrienden bijna alle
van Keuchenius af. Zwijgend zagen zij aan, dat hij werd beschuldigd en gekrenkt
en belasterd. En wel verre dat zijn ijveren voor de toepassing eener
Christelijke staat- | | | | kunde met betrekking tot Indië door hen
toegejuicht en gesteund werd, moest hij juist integendeel spreken
1 van ‘het stille tegenwerken van zijn geestverwanten,
zonder dat zij zich verwaardigden hem openlijk te weerspreken en hem van
dwaling te overtuigen’.
Door die houding zijner geestverwanten is hij wel het pijnlijkst
aangedaan, toen hij in 1867 nog een ander gevolg van zijne motie ondervinden
moest, en toen niemand hunner het daarbij voor hem opnam. Op den laatsten Juni
van dat jaar zou zijn verloftijd ten einde zijn; en nu had hij als Kamerlid wel
niet noodig, dat die tijd formeel verlengd werd; maar wanneer dit niet
geschiedde, zou het wachtgeld, waarvan hij grootendeels leven moest, alsdan
vervallen zijn; en bovendien begeerde hij ook zelf, tot den dienst in Indië
terug te keeren. Daarom maakte hij den Minister van Koloniën op het afloopen
van zijn verloftijd opmerkzaam, eerst mondeling den 12 April, en daarna
schriftelijk den 30 April en den 9 Mei; uit welke brieven tevens blijken kon,
dat hij weder in Indië wenschte geplaatst te worden. Maar het antwoord der
Regeering was, dat, bij Koninklijk Besluit van den 12 Mei 1867, op voordracht
van den Minister van Koloniën, aan hem, ‘met ingang van 1 Julij 1867 en onder
dankbetuiging voor zijne laatstelijk in Indië aan den lande
bewezen diensten, een eervol ontslag verleend [werd] uit 's lands dienst met
behoud van aanspraak op pensioen’. Dus een ongevraagd en ongewenscht ontslag;
dat nog des te meer hem moest krenken, omdat het met een ongewonen spoed
2
reeds den 15 Mei in de | | | | Staats-Courant openbaar werd gemaakt,
maar, door welke oorzaak dan ook, eerst bij Ministeriëele missive van den 17
Mei rechtstreeks aan hemzelven werd medegedeeld; zoodat het, geheel als een
nieuwsbericht, uit de courant tot zijne eigene kennis kwam.
Hij was toen nog lid van de Tweede Kamer; want na de ontbinding van
den 28 September 1866 was hij voor het kiesdistrict Arnhem door de liberalen in
de Kamer teruggebracht. Maar toen in het laatst van het jaar 1867 die Kamer
andermaal ontbonden werd, thans naar aanleiding van een conflict over de
buitenlandsche politiek (bij welke quaestie Keuchenius aan de zijde van het
Ministerie stond), stelde hij zich in Januari 1868 niet meer herkiesbaar. Wat
hij hier te lande ondervonden had, deed hem besluiten, aan de politieke actie
niet meer deel te nemen.
Er is wel gezegd, dat hij door die ervaringen is verbitterd geworden.
En zeer zeker blijkt uit hetgeen hij toen en later geschreven heeft, dat hij
zich ten diepste gegriefd voelde. Maar hij is toch altijd verre geweest van die
bitterheid, die met haat en wrok gepaard gaat. Voor zoover het de personen
zijner tegenstanders gold, liet hij alle oordeel aan God over. Hij liet zelfs
niet toe, dat er in zijn huiselijken kring bitter over hen zou gesproken
worden. En zoo vaak hij later in de gelegenheid was, aan henzelven of een der
hunnen een dienst te bewijzen, was het alsof de herinnering aan het leed, dat
zij hem aangedaan hadden, hem juist aanspoorde, om zich hunne belangen des te
meer aan te trekken.
Eerder zou gezegd kunnen worden, dat hij nu ontmoedigd was. Maar dan
meest door de houding, die zijne | | | | geestverwanten tegenover hem
aannamen; en voorts in dien zin, dat hij voor de beginselen en belangen, die
hem lief waren, thans beter achtte, dat hijzelf van het staatstooneel zich
terugtrok. Van zulk een gemoedsstemming getuigt o.a. de ‘
Brief aan eenen Kiezer’, waarin hij, na de verkiezingen
van Januari 1868, openlijk rekenschap gaf van de redenen, waarom hij toen geene
candidatuur aanvaard had.
Aan zijn plan om naar Indië terug te keeren, en dan thans om er
advocaat te worden, kon hij nog niet aanstonds gevolg geven, daar hij, als in
Indië geboren zijnde en nu hier te lande gepensioneerd, meende dat hij niet
voor eigen rekening naar Indië behoefde terug te reizen, terwijl de Regeering
anders oordeelde. Eigenlijk was door de bestaande wettelijke bepalingen in
zoodanig geval niet genoegzaam voorzien. Eerst den 30 April heeft dit plaats
gehad, en wel zóó, dat die quaestie te zijnen genoegen opgelost werd
1. En toen heeft hij ook niet langer gewacht dan volstrekt noodig
was. Den 4 Juli was hij, met zijn gezin, aan boord van het schip ‘India
Packet’, gezagvoerder G. Dieperink, om denzelfden dag, naar hij meende voor het
laatst, de groote zeereis te beginnen.
In November 1868 te Batavia teruggekomen, is hij nog niet aanstonds,
volgens zijn oorspronkeiijk plan, als advocaat opgetreden. Toen hij nog in
Holland was, waren | | | | onderhandelingen met hem aangeknoopt over de
redactie van het Nieuw Bataviaasch Handelsblad. En wel had dit destijds nog tot
geen definitief resultaat geleid. Maar toch was door de uitgevers van dat blad
reeds op hem gerekend; in die mate zelfs, dat het nummer van den 27 Juni hem
als aanstaand redacteur had genoemd. En nu zelf ter plaatse gekomen, meende hij
die opdracht voor een korten tijd te moeten aanvaarden. Wat hem daartoe bewoog,
was o.a. ook de overweging, dat hij juist in dezen werkkring de beste
gelegenheid had om op Indië en op Nederland invloed te oefenen; hetgeen hij na
de door het conservatieve Ministerie bevorderde optreding van
C. Busken Huët als redacteur van den
Javabode blijkbaar des te meer nuttig en noodig achtte.
Dat hij in denzelfden geest, als waarin hij tot dusver gearbeid had,
thans als redacteur zou werkzaam zijn, bleek reeds aanstonds uit zijne eerste
artikelen, die uit de nummers van 16 en 18 November ook zijn overgedrukt onder
den titel ‘
Eene stem in Indië, ook tot Nederland’. En het pleit zeker
voor de waarde van die artikelen, dat de conservatieve partij in Nederland het
nu noodig achtte, den invloed, dien
Keuchenius daardoor kon uitoefenen, zooveel
mogelijk te breken en te vernietigen. Daartoe gaf het
Dagblad van 's-Gravenhage den 21 Januari een heftig
artikel, onder het opschrift ‘Een man van karakter’; waarvoor het de stof
ontleende aan eenen brief, dien Keuchenius den 8 Februari 1866 uit Utrecht
geschreven had aan den gepensioneerden Majoor der Indische Artillerie W.L. de
Sturler te Leiden, en door welken hij, volgens het Dagblad, tot verkrijging van
eenen zetel in de Tweede Kamer ‘den steun der conservatieve partij gebrigeerd’
had. De redactie van het Dagblad had reeds sedert 1866 een af- | | | | schrift van dien brief in haar bezit; en zij kon dien nu openbaar
maken, daar Dr. G. Simons, die als Commissaris van het blad zoodanige praktijk
ongeoorloofd geacht en dus belet had, thans overleden was.
Die openbaarmaking, met den bijgevoegden commentaar, waarin
Keuchenius met een ‘stortvloed van beleedigende uitdrukkingen’ als
karakterloos en gewetenloos werd afgeschilderd, had natuurlijk ten doel, het
geheele Nederlandsche publiek voor goed van dien man afkeerig te maken. Maar
wat zij inderdaad heeft uitgewerkt, was veeleer het tegendeel. Eenigszins reeds
doordat die aanval alle maat te buiten ging, en juist daardoor reactie te weeg
bracht. Veel meer nog, doordat Groen van Prinsterer aanstonds den handschoen
voor zijn afwezigen geestverwant opnam, en in zijn geschrift ‘
Mr. Keuchenius en zijne wederpartijders in 1869’ over hem
‘eene karakterstudie’ gaf, waarvan de betoogkracht geenszins werd te niet
gedaan door hetgeen de hoofdredacteur van het Dagblad I.J. Lion repliceerde in
zijn opstel ‘Mr. Groen van Prinsterer's ‘karakterstudie’ van Mr. Keuchenius,
aan de feiten en de historie getoetst’. En ten slotte werd door den
aangevallene zelven afdoende geantwoord in een achttal artikelen van het Nieuw
Bataviaasch Handelsblad; ook afzonderlijk uitgegeven onder het opschrift: ‘
Conservatieve Wraakoefening en Antirevolutionaire
Verdediging’.
De zaak was namelijk, dat de bedoelde brief een antwoord was op een
brief van den Majoor de Sturler van den 4 Februari 1866, waarin deze, die reeds
vroeger met Keuchenius in vriendschappelijke betrekking gestaan had, thans zijn
gevoelen vroeg over hetgeen er van Regeeringswege op dit oogenblik voor Indië
zou te doen zijn; met belofte, dat hij ‘daarvan op de meest
beschei-
| | | |
dene wijze zou gebruik maken’, en
met ‘de plegtige verzekering, dat hij daarin met de uiterste omzigtigheid te
werk zou gaan, zonder aan iemand, wien ook, te laten blijken, uit welke bron de
aanmerkingen gevloeid zijn’. Hiermede kon
Keuchenius aanstonds bewijzen, dat hij met
zijn antwoord nooit kon bedoeld hebben, voor zichzelven iets te winnen. Voorts
kon hij onwederlegbaar aantoonen, dat hij in 1866 geen Kamerzetel begeerd had,
en in geen geval den steun der conservatieven daarvoor ooit gezocht of ook
ondervonden had. En ten slotte maakte hij duidelijk, dat zijn brief van den 8
Februari 1866 niet was, noch ook zijn kon, eene uiteenzetting van beginselen of
de ontwikkeling van een stelsel, maar alleen de aanwijzing van hetgeen hem voor
het oogenblik practisch en noodig voorkwam, en dat die maatregelen, wel verre
van conservatief te zijn, ‘integendeel moesten strekken, om, zonder al te
groote schokken, op voorzigtige wijze, de renunciatie van dat
stelsel mogelijk te maken en voor te bereiden’.
De artikelen, waarin dit alles geschiedde, waren allereerst eene
verdediging van hemzelven, maar ook verder eene aanwijzing van hetgeen hij voor
Indië noodig en wenschelijk oordeelde. En dit laatste was in het algemeen
natuurlijk de hoofdinhoud van hetgeen hij als redacteur van het Nieuw
Bataviaasch Handelsblad geschreven heeft.
Lang heeft die arbeid echter niet geduurd. Zijne stukken waren zonder
twijfel zeer degelijk; en ook, wat den vorm betreft, uitnemend gesteld. Hij had
reeds van jongs af zich gewend, van stileering veel werk te maken; ook door
herhaalde correctie van het reeds geschrevene of door algeheele omwerking;
waarvan zijne nagelaten papieren nog overvloedig getuigenis geven. Maar juist
| | | | daardoor waren zijne volzinnen vaak zeer lang en zeer
ingewikkeld, en was in het algemeen zijn stijl niet los en niet boeiend genoeg
voor gewone courantenlezers. Althans, het door hem geredigeerde blad ging in
zoover achteruit, dat het aantal geabonneerden allengs afnam. En nu was dit
zeker wel het meest toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij ook als
redacteur zich het Evangelie van Christus niet schaamde, getrouw blijvende aan
het voornemen, dat hij reeds in zijne eerste artikelen had uitgesproken, dat
hij ‘geen acht zou slaan op de van verschillende zijden ontvangen
waarschuwingen om toch de godsdienst ‘met rust’ te laten’. Maar eenigszins komt
hier toch ook in aanmerking, dat journalistische arbeid in het algemeen juist
niet overeenstemde met zijn ganschen aanleg en wijze van werken.
Nog voordat een jaar was verstreken, legde hij die taak dan ook neder.
En op zijn request van den 20 September 1869 werd hij toen den 7 October d.a.v.
door den Gouverneur-Generaal benoemd tot advocaat en procureur bij het Hoog
Gerechtshof van Nederlandsch Indië.
Niet alsof het advocaat zijn in Indië hem thans meer aantrok dan 25
jaren geleden. Eerder het tegendeel. Te meer, omdat hij juist in Indië reeds de
hoogste rechterlijke en burgerlijke ambten bekleed had, en voorwaar niet uit
eigene keuze nu buiten 's lands dienst was. Zelfs door hen, die alles behalve
zijne geestverwanten waren, werd gevoeld, dat hij eigenlijk niet als Indisch
advocaat moest werkzaam zijn. Te dien aanzien is opmerkelijk, en zeker niet
onjuist, wat den 12 Juli 1873 geschreven werd in het Soerabaiaasch Handelsblad,
waar dit in zijne reeks ‘Bataviasche portretten’ over Keuchenius handelde. Het
erkende zijne groote gaven, ook zijn sprekerstalent wanneer hij voor de balie
met kracht stond te | | | | pleiten: ‘Dan schoot het waterig oog vlammen,
de borst scheen zich uit te zetten, de kleine gestalte zich te verheffen. De
ontwrichte mond was een sierlijke schelp geworden, wien de geharnaste woorden
als paarlen ontrolden’. Maar het liet iets verder dan volgen: ‘De heer
Keuchenius is hier te lande niet op zijne plaats. Hij behoort in Nederland, in
de Tweede Kamer te huis. Cela fait pitié, zulk een man dag
aan dag, met een pak processtukken onder den arm, naar zijn advokaat- en
procureurskantoor in de stad te zien sukkelen, waar hij met al zijne gaven toch
voor zijne minderen moet onderdoen. De Chinezen hebben van verbazing de handen
ineengeslagen, toen zij den voormaligen Vice-president van den Raad van Indië
als pleitbezorger in hunne misselijke regtsgedingen zagen optreden; doch voor
de kiezers in Nederland schijnt die Chineesche wenk tot hiertoe verloren te
zijn gegaan’.
Inderdaad heeft hij in die jaren dan ook veel geleden; door het werk,
dat hij te verrichten had, en ook door de gedachte aan het werk, dat hem nu was
ontzegd. Klagen deed hij zeker niet veel. Maar toch eens, toen zijne vrouw hem
dringend opwekte om toch ter wille van zijne gezondheid wat meer voedsel te
gebruiken, ontviel hem, in de tegenwoordigheid van zijn jongste kind, dat er
toen nog niets van begreep maar er toch door getroffen werd: ‘Och, ik heb in de
laatste jaren meer tranen dan brood gegeten’.
Toch heeft hij als advocaat tien jaren lang met ijver gearbeid. En ook
buitendien heeft hij zijne gaven toen niet ongebruikt gelaten. Getuige b.v.
zijne benoeming, den 24 Maart 1879, tot Eerelid van de Handelsvereeniging te
Batavia; en het huldeblijk, dat eenige Christenen te Batavia hem in October
1879 kort na zijn vertrek | | | | hebben toegezonden, als erkenning vân
hetgeen hij voor hen, voor de Zending, en voor Christelijke belangen in het
algemeen gedaan had. En getuige ook hetgeen hij in die jaren geschreven heeft:
niet alleen vele artikelen in het Bataviasch Handelsblad, in den Javabode en in
den Standaard; maar ook eene toelichting, d.d. 28 Augustus 1875, van hetgeen
gebeurd is met den wegens een drukpersdelict vervolgden en door hem verdedigden
redacteur van den
Javabode
H.B. van Daalen; en voorts een openbare
brief aan den heer
H.J.C. Hoogeveen, d.d. 13 November 1872, met
een waardig protest tegen diens verloochening van de eenige waarde van het
Christendom, bij zijn officiëel gezantschap naar den Vorst van Siam; en een
openbare brief aan Ds. J.A. Schuurman, d.d. 28 November 1875, geschreven onder
den pseudoniem X2, met eene scherpe critiek van onheiligen
spot in den Nederlandschen Spectator.
Intusschen waren in Nederland bij de antirevolutionairen de oogen al
meer open gegaan. Onder de leiding van Groen van Prinsterer, en vooral onder
die van zijnen politieken opvolger A. Kuyper, werden zij van de conservatieven
geheel losgemaakt en uitnemend georganiseerd. En nu werd ook bij toeneming
gevoeld, wat men in
Keuchenius verloren had, en werd zijn
terugkeer tot het politieke leven hier te lande steeds meer gewenscht.
Aanvankelijk zeker niet in de hoogere kringen. Bekend is, hoe
Groen van Prinsterer bij de
Kamerverkiezingen van 1871 slechts het drietal Keuchenius, Kuyper en van
Otterloo als candidaten aanbeval, met loslating van alle anderen. Maar allengs
werd het verlangen naar Keuchenius' terugkomst toch algemeener. En zoo volgde
eindelijk, den 10 Juni 1879, zijne verkiezing te
Go-
| | | |
rinchem, met 1105 op hem
uitgebrachte stemmen.
Van tevoren over zijne candidaatstelling per telegraaf geraadpleegd,
had hij eenvoudig geantwoord: ‘Elected, I submit’. En nu hij gekozen was,
regelde hij aanstonds zijne zaken om zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Den 24
Augustus met de Fransche mail op reis gegaan, kwam hij den 24 September te
Marseille, en den 1 October d.a.v. in Nederland.
Sinds dien tijd, tot zijn overlijden, is hij lid geweest van de Tweede
Kamer; slechts met uitzondering van de twee jaren, waarin hij Minister was.
Achtereenvolgens had hij toen zitting
1 voor de kiesdistricten: Gorinchem, 1879 tot 1884;
Middelburg, 1884 tot 1886; Amersfoort, 1886 tot 1888; Ede, 6 Maart tot 21 April
1888; en Goes, 1890 tot 1893-
Al dien tijd, tot in zijne laatste ziekte, is hij met bijzonderen
trouw en ijver als Kamerlid werkzaam geweest. Hij was zeker niet, wat men noemt
‘een welsprekend redenaar’; mede door de belemmering van zijn spraakvermogen.
Ook was hij door het ingewikkelde van zijn zinsbouw wel eens moeielijk te
volgen; en voor de aandacht van zijn gehoor wel eens wat te veel in
bijzonderheden afdalende. En voorts was het geenszins in | | | | den
geest van de meeste zijner medeleden, dat hij, waar het pas gaf, zijne
Christelijke belijdenis op den voorgrond plaatste. Maar toch was hij om zijne
persoonlijkheid algemeen geacht; en om zijne veelomvattende kennis, vooral met
betrekking tot Indische zaken, door ieder gewaardeerd. Hij was inderdaad een
lid van beteekenis. Getuige o.a. de lange geschiedenis van het contract der
Regeering met de Billiton-Maatschappij, van 1882 tot 1891; waarin het, naar
ieders oordeel, bepaaldelijk aan de scherpzinnigheid, de bekwaamheid, de
nauwgezetheid en de volharding van Keuchenius te danken was, dat het onwettige
contract van 1882 werd ter zijde gesteld, en dat 's lands schatkist niet
beroofd werd van eene bate van 49 millioen gulden; eene som, die aan Keuchenius
zelven nog lang niet voldoende scheen, waarom hij aan het gesloten contract
zijne stem dan ook niet heeft gegeven.
Welke plaats hij onder de antirevolutionairen innam, bleek wel het
best den 20 April 1888, toen hij tot Minister van Koloniën benoemd werd in het
Ministerie-Mackay, dat den 21 April zou optreden, en waarin nevens den
Kabinetsformeerder nog drie antirevolutionairen waren opgenomen. Voor hemzelven
was dat zeker de schitterendste voldoening, die hem, na zijn ontslag uit 's
lands dienst in 1867, had kunnen geschonken worden. En voor de behartiging der
koloniale belangen was er zeker niemand, die te dien aanzien beter op de hoogte
was, en die met meer ijver en nauwgezetheid zich aan die belangen zou kunnen
toewijden.
Misschien had hij van die goede qualiteiten zelfs iets te veel; in
dien zin, dat eene uitgebreide kennis van bijzonderheden, en eene
conscientieuse opvatting van de aangewezen taak, wel eens al te lang kan doen
aarzelen, | | | | eer men vrijheid vindt om tot handelen over te gaan.
Toch is niet in de eerste plaats daaraan toe te schrijven, dat er onder zijn
Ministerie betrekkelijk weinig voor Indië is tot stand gekomen. De voornaamste
reden lag hierin, dat de koloniale quaestie hier te lande toen niet meer op den
voorgrond stond, maar dat andere belangrijke quaestiën, met name de
schoolquaestie, de legerquaestie en de kiesrechtquaestie, destijds voor
behandeling en voor oplossing eerst de aandacht vroegen.
Wat er van zijn arbeid als Minister openbaar werd, bevestigde ten
volle de van hem gekoesterde verwachting, dat hij, ook in het hoogste
staatsambt, zijne Christelijke belijdenis niet zou verloochenen of verzwijgen.
In dien geest waren niet alleen zijn redevoeringen in de Staten-Generaal, maar
ook vele Ministeriëele circulaires en aanschrijvingen. B.v. die tot gebed voor
den in Juni 1888 benoemden en weldra vertrekkenden Gouverneur-Generaal C.
Pijnacker Hordijk; tot opwekking van de onderscheidene Zendingscorporatiën hier
te lande, om het aantal zendelingen in Nederlandsch Indië uit te breiden; tot
informatie van de hoofden van besturen in Indië, dat niemand om zijne
Christelijke belijdenis op eenigerlei wijze mocht worden gekweld of
achtergesteld; tot verkrijging van de noodige voorstellen om de Indische
Christenen bij de Nederlandsch-Indische rechtspraak niet langer te onderwerpen
aan formaliteiten of verplichtingen, die een Mohammedaansch karakter dragen;
tot raadpleging van de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde
Kerk, over de grondslagen waarop eene organisatie van de Protestantsche Kerk in
Nederlandsch Indië kan en moet rusten; enz. Uit den aard der zaak vloeide
hieruit voort: eenerzijds verhooging van de sympathie voor zijn optreden;
| | | | maar ook anderzijds versterking van de antipathie; mede doordat
de wijze, waarop hij zijn geloof openbaarde, eene enkele maal minder gelukkig,
of althans minder practisch te noemen was. En die tegenzin heeft ten slotte
teweeggebracht, dat hij als Minister gevallen is. Het was zeker niet de eenige
reden, waarom in Februari 1890 de Eerste Kamer, met eene meerderheid van ééne
stem, zijne begrooting verwierp; maar het was toch blijkbaar bij verre de
meeste der tegenstemmers de voornaamste en althans de diepste grond. Het was
het oude bezwaar van 1865, dat hij ‘de politiek te veel met Godsdienst
vermengde’; een streven, dat nu zelfs openlijk in de Kamer ‘godsdienstwaanzin’
genoemd werd.
Uit dit votum van de Eerste Kamer moest natuurlijk volgen, dat de
Minister zijn ontslag verzocht. En er is voorts nog uit gevolgd, dat, volgens
advies van het Kabinet, bij Koninklijk Besluit van den 17 Februari 1890 werd
goedgevonden: ‘met ingang van den 24 Februari aanstaande een eervol ontslag te
verleenen aan den heer Meester
L.W.C. Keuchenius als Onzen Minister van
Koloniën onder dankbetuiging voor de vele en gewichtige diensten door hem als
zoodanig aan Ons en aan den Lande bewezen’.
Eene andere oplossing van dit politieke conflict was door de groote
meerderheid van de antirevolutionairen gewenscht en gehoopt. En hijzelf heeft
ook de voldoening gehad, daarvan de bewijzen te ontvangen, niet slechts in tal
van betuigingen, door kiesvereenigingen en door particulieren hem gezonden,
maar ook in de eere en den dank, die den 20 Mei 1890 door vertegenwoordigers
eener breede schare van geestverwanten hem gebracht werd, onder aanbieding van
een toepasselijk huldeblijk. | | | |
Trouwens, ook nog op andere wijze en in andere qualiteit dan als
Kamerlid en Minister had hij zich de liefde en de dankbaarheid van die
geestverwanten verworven. Met name door hetgeen hij in deze laatste periode van
zijn leven op allerlei gebied voor Christelijke belangen hier te lande gedaan
heeft. Voor de Zending; ook als lid van het Hoofdbestuur der Nederlandsche
Gereformeerde Zendingvereeniging, en als Zendingsdeputaat der Gereformeerde
Kerken in Nederland
1. Voor de kerk; ook als leider en
woordvoerder der Gereformeerden te 's-Gravenhage, en als ouderling der
Gereformeerde Kerk aldaar. Voor het Christelijk onderwijs; ook als lid van het
Hoofdbestuur der Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, en als
Curator van de Vrije Universiteit. Voor de sociale belangen; ook als werkzaam
Eerelid van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium. Voor
gewetensvrijheid; ook door zijne onvermoeide bestrijding van den vaccinedwang.
En voorts voor allen, wien hij eenigszins van dienst kon zijn, door de groote,
soms misschien wel al te groote bereidwîlligheid, waarmede hij tijd en moeite
voor hen over had.
Nog te midden van dien velerlei arbeid vierde hij den 21 October 1892
zijnen 70en verjaardag. Of liever, hij mocht met de zijnen,
die hem waren overgebleven, dien dag herdenken; want eene blijde feestviering
kon het wel niet zijn. Hij was in de laatste jaren zwaar beproefd; o.a. doordat
hij getuige moest zijn van het lijden, waarmede een zijner dochters bezocht
werd; een | | | | lijden, dat niet slechts lichamelijk was, maar dat ook
hare geestvermogens gekrenkt had. Hij had haar, zoolang dit slechts eenigszins
mogelijk was, in huis verpleegd; en nu was zij in den aanvang van datzelfde
jaar 1892 in het Christelijk gesticht te Veldwijk overleden. En voorts was zijn
eigen gezondheidstoestand in datzelfde jaar reeds bedenkelijk geworden; want
sedert het voorjaar had zich eene aandoening aan de wang vertoond, die wel
stationair bleef, maar toch ook niet wilde genezen.
Inderdaad is dit ook het begin geweest van de kwaal, die zijn leven
gesloopt heeft. In Augustus 1893 kwam er bij, dat zich eene verzwering aan het
verhemelte openbaarde. En spoedig ontwikkelde zich daaruit de eigenlijke
kanker, die vooral van toen af hem ontzettend heeft doen lijden. Klagen deed
hij ook toen niet. Op zijn hoogst gaf hij toe, dat de pijn ‘bijna’ ondragelijk
was. Maar wie hem bezocht, moest toch voor hem wenschen, dat er aan de
marteling spoedig een einde mocht komen. Zelf was hij van den aard zijner
ziekte zich ten volle bewust. Maar ook tevens door zijn Christelijk geloof ten
volle bereid, om zich onder alle omstandigheden in de hand zijns Heeren te
stellen; gewillig om dit leven te verlaten, en ook gewillig om nog van tevoren
te dragen wat God hem zou opleggen. Door dat alles is die laatste ziekte wel
het waardig slot geweest van het gansche leven, dat eraan voorafging. Ook omdat
zij, naar den wensch van zijn hart, er toe heeft medegewerkt, dat God in hem
verheerlijkt werd.
Den 17 December 1893 kwam eindelijk de verlossing. En den 21 December
d.a.v. werd hij ten grave gebracht; naar zijn eigen verlangen op zeer
eenvoudige wijze, maar toch onder toevloed van eene groote menigte. Bij
| | | | het open graf werd hij toen herdacht in toespraken van zijne
medestrijders A. Kuyper en A. baron van Dedem; en na nog een kort woord van Ds.
P. van Son werd door Ds. J.C. Sikkel met gebed en dankzegging geeindigd.
En nu, er is van dit 71-jarig leven, waarin veel is voorgevallen, dus
ook veel te verhalen geweest. Maar dat leven op den voet te volgen, loont wel
de moeite. Althans voor den schrijver dezer regelen was dat onderzoek zoowel
aangenaam als ook leerzaam.
F.L. Rutgers.
Amsterdam, Juli 1895.
| | | |
| |
Lijst der geschriften van Mr. L.W.C. Keuchenius.
Sedert 10 Juli 1869 lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te
Leiden.
| 1842. |
Disputatio Juridica inauguralis de donationibus propter nuptias
Romanis. Dordraci, H. Lagerwey, 1842 (93 blz.). |
| 1858. |
Handelingen der Regering en der Staten-Generaal betreffende het
Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indië. Utrecht, Kemink en
Zoon, 1857. Eerste Deel, Ontwerpen en Wet, benevens Registers (XI, 163 en
LXXXIII blz.); Tweede Deel, Memoriën en Verslagen (572 blz.); Derde Deel,
Beraadslagingen (971 blz). |
| 1866. |
Memorie betreffende de oprigting eener Maatschappij tot
bevordering van de Christelijke belangen van Nederlandsch-Indië; mct een
voorwoord van Mr. L.W.C. Keuchenius. Utrecht, Kemink en Zoon, 1866 (XIX en 44
blz.). Brief van den hear Mr. L.W.C. Keuchenius aan een Kiezer in het
kiesdistrict Arnhem; met voorkennis van den Schrijver openbaar gemaakt; d.d. 7
October 1866 (4 blz. in quarto). Open brief aan Jhr. Mr. J. de Bosch
Kemper; d.d. 16 Oct. 1866 (Overgedrukt uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant; 4
blz.). |
| 1868. |
Brief aan eenen Kiezer; d.d. 22 Jan. 1868. Leiden, Jacs Hazenberg, 1868 (30 blz.). Eene stem in Indië, ook tot
Nederland. Batavia, Bruining en Wijt, 1868 (Overgedrukt uit het Nieuw
Bataviaasch Handelsblad; 20 blz.). |
| | | |
| 1869. |
Onze veranderlijkheid en plannen (Overgedrukt uit het N. Bat.
Handelsblad; 16 blz.). Voorloopige Herinnering aan Parlementaire
Handelingen (Overgedrukt uit het N. Bat. Handelsblad; 3 blz.).
Conservatieve Wraakoefening en Antirevolutionaire Verdediging; VIII stukken
(Overgedrukt uit het N. Bat. Handelsblad; ongeveer 80 blz.). |
| 1873. |
Naar aanleiding van de Enquête; en: De Enquête [in zake den
Atjeh-oorlog] (Overgedrukt uit den Java-Bode; 16 blz.). |
| 1875. |
Eene toelichting omtrent de aan den heer van Daalen, Redacteur
van den Java-Bode verleende kwijtschelding van straf; d.d. 28 Augustus 1875 (24
blz.). Iets over twee Spotprenten in den Nederlandschen Spectator. Open
brief [d.d. 28 November 1875] aan Ds. J.A. Schuurman, door X2. Batavia, W. Bruining, 1875 (9 blz.). |
| 1877. |
De brief aan den Standaard over den benoeming van den nieuwen
Algemeenen Secretaris (Overgedrukt uit den Java-Bode; 13 blz.). |
| 1880. |
Grond, regt, hoop van ‘de Unie’ (een school met den Bijbel).
Voordracht gehouden op 23 Febr. 1880 te Rotterdam door Mr. L.W.C. Keuchenius.
's-Gravenhage, C. Blommendaal (31 blz.). |
| 1883. |
Bilderdijk's droom, Modderman's voorspelling en Da Costa's raad
en verwachting. Rede, uitgesproken den 17den April 1883
voor ‘Patrimonium’, Afdeeling Amsterdam, door Mr. L.W.C. Keuchenius. Amsterdam,
Höveker en Zoon (31 blz.). Vaccine en Vaccinedwang, door Mr. L.W.C.
Keuchenius. Amsterdam, J.H. Kruyt, 1883 (Overgedrukt uit den Standaard; VI en
90 blz.). Opstellen over de Billiton-Maatschappij, door Mr. L.W.C.
Keuchenius. Amsterdam, J.H. Kruyt, 1883 (Overgedrukt uit den Standaard; 32
blz.). |
| 1885. |
Geen Antisemietische maar ook geen Antichristelijke beweging in
Nederland. Toespraak van Mr. L.W.C. Keuchenius, gehouden in de Afdeeling
‘Patrimonium’ te Zaandam, op 21 Januari 1885. Amsterdam, Höveker en Zoon (27
blz.). |
| 1887. |
Een Adres aan den Kerkeraad der Nederlandsche Hervormde Gemeente
te 's-Gravenhage, betreffende de Reformatie der Kerk [d.d. April 1887]. Den
Haag, J.V. Pijpers Jr. (60 blz.). Brief aan den zoo genoemden Kerkeraad
der Nederlandsche Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage [d.d. 17 October 1887]
van eenige ontzette en van hunne betrekking tot de kerk vervallen verklaarde
gemeenteleden. 's-Gravenhage, C. Blommendaal, 1887 (Overgedrukt uit den
Boodschapper; 20 blz.). |
| | | |
Buitendien schreef hij in 1873 nog eene Samenspraak over de Roomsche
kerk; wel niet in zijn gewonen stijl, maar toch volgens alleszins vertrouwbare
berichten van hem afkomstig; waarvan echter slechts drukproeven, maar geen
compleet exemplaar is kunnen gevonden worden.
Voorts vele artikelen en ingezonden stukken in onderscheidene bladen;
ten deele ook overgedrukt; waarvan inzonderheid belangrijk zijn: een stukje van
den 27 Mei 1867 over zijn ontslag uit 's lands dienst, enz.; een brief aan
H.J.C. Hoogeveen, Gouvernements-Commissaris, belast met eene zending naar Siam,
over diens geringschatting van het Christendom; en eene korte levensschets van
Dr. A. Kuyper, als bijschrift bij diens portret, in het tijdschrift ‘Eigen
Haard’, jaarg. 1880, nr. 42.
En eindelijk is wel het meeste, dat van hem gedrukt is, te vinden in de
Handelingen der Staten-Generaal over de jaren 1866, 1867 en 1879-1883; welke
redevoeringen en adviezen echter niet afzonderlijk zijn uitgegeven.
|
1In zijne artikelen: Conservatieve
Wraakoefening en Antirevolutionaire Verdediging, n o.
III, blz. 3.
1Met betrekking tot de hoofdzaak der
voorhandene stof is eene veel uitvoeriger bewerking nu reeds gegeven, en dan in
zulk eenen vorm, dat Keuchenius' persoon en werk als voor oogen geschilderd en
zijne beteekenis in het licht gesteld wordt. Zij is, tegelijk met dit opstel,
gereed gemaakt door Prof. A. Kuyper, en toen aanstonds uitgegeven in de Serie:
Mannen van beteekenis. Met den inhoud van dit boekje is in
bovenstaand levensbericht in zooverre gerekend, dat de bijzonderheden van
Keuchenius' leven, die bij Dr. K. op den voorgrond staan, en dus met name die
op het politieke leven betrekking hebben, hier korter behandeld zijn; en
omgekeerd. Buitendien kan eerlang nog van andere zijde ook eene biographie van
Keuchenius verwacht worden; en wel eene die inzonderheid over zijne
werkzaamheid voor Indië zal handelen. Zeker niet te veel met betrekking tot een
man, die in zijn veelbewogen leven inderdaad een man van beteekenis geweest
is.
1Meerdere bijzonderheden, dan de hierboven
medegedeelde, zijn te vinden in de tweede uitgave van Petri
Keuchenii Annotata in omnes Novi Testamenti libros; waarvan het eerste
deel door den Schrijver zelven in 1689 was uitgegeven, en waarvan deze tweede,
volledige, editie in 1755 bezorgd werd door den Leidschen hoogleeraar Joannes
Alberti, met bijvoeging, in de Praefatio, van vele berichten over den Schrijver
en over zijne familie.
2Behalve dezen had Petrus Keuchenius nog twee
zoons: Petrus, geb. 1603 en overl. 1644, laatstelijk predikant te Groningen; en
Samuël, geb. 1606, Med. Dr. te Arnhem. Laatstgenoemde had o.a. een zoon,
Robertus, geb. 1634, die te Amsterdam hoogleeraar in de Rechten en Letteren
geweest is. Van den Groningschen predikant, Petrus, zijn onderscheidene
afstammelingen ook predikant geworden, vooral in Groningerland. Maar deze
geheele tak der familie is thans in de mannelijke lijn reeds lang
uitgestorven.
1De oudste zoon, Petrus, geb. 1654 en overl.
1691, achtereenvolgens predikant te Alem, Tiel en Arnhem, en kort vóór zijn
dood benoemd tot hoogleeraar te Groningen, was de schrijver van de hierboven,
op blz. 246 in noot 1, genoemde Annotata enz. De tweede zoon,
Samuël, geb. 1655, was Med. Dr. te 's Hertogenbosch.
2De andere vier waren: Paulus, predikant te
Hilvarenbeek, overl. 1779; Petronella Jacoba, geh. met Cornelis Papegaij,
overl. 1758; Johanna Walburga, geh. met Ds. Johan Marcus Hillebrant, overl.
1778; en Walburga, geh. m. Kunen, overl. 1746. Van deze heeft althans de
eerstgenoemde, Paulus, vele kinderen en kleinkinderen gehad.
3De andere drie waren: Gerarda Helena, geb.
1741 en overl. 1787, geh. met S.F. van Thielen; Paulina Emilia, geb. 1745 en
overl. 1795, geh. met Ds. Benedictus; en nog eene dochter.
1Hij was de auteur der volgende
geschriften:
Kort Betoog over de Nationale Oeconomie en over
deszelfs noodzaaklijkheid en inrichting voor de Bataafsche Republiek; 's Hage,
Joh. Gaillard, 1798.
Brieven aan den Schrijver van het
Betoog dat een onverdeelde Regeeringsvorm uit zijn eigen aart onbestendig en
voor de vrijheid des Lands gevaarlijk is; Anon. en z. pl. of j.
Ontwerp eener extraordinaire Belasting van 37 millioenen op de Revenuen, waarin aangetoond werd, hoe die Som
evenredig, zonder bezwaar, en zonder onaangenaame Taxatien kan opgebracht
worden; Anon. en z.j.; 's Hage, Joh. Gaillard.
Verhandeling over den Sluikhandel en deszelfs nadeelen voor 's Lands
Financie, alsmede over de middelen om de sluikerijen te weeren; Delft, M. van
Graauwenhaan, 1800.
Het Stemrecht van eene
Republikeinsche Regeringsform; Anon.; Delft, M. Graauwenhaan, 1801.
De inkomsten en uitgaven der Bataafsche Republiek voorgesteld in
eene Nationaale Balans, om onze Maatschappelijke Belangen, Landbouw,
Koophandel, Fabrieken en Visscherijen, tegen elkander te berekenen en de
belastingen naar proefondervindelijk Staatkundige en Financieele gronden te
overwegen; Amsterdam, W. Holtrop, 1803.
Over de
Oorzaaken der zedert 60 jaaren toegenomen ongezondheid van
Batavia en over de middelen van herstel; Batavia, A.H. Hubbard, 1812.
Beschrijving der Bataviasche Jurisdictie en Onderzoek naar de
oorzaken der meerdere ongezondheid van Batavia en deszelfs rhee, alsmede
waaraan de mindere bevolking, de wijnige opbrengst der producten, en de groote
onveiligheid in dit anders vruchtbaar gewest toe te schrijven is; Batavia
Bruining en Wijt, 1875. Dit laatste geschrift, door Dr. W.M.
Keuchenius in handschrift nagelaten, werd om zijn belangrijken inhoud in 1875
door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen uitgegeven, met
eene Voorrede van Mr. N.P. van den Berg, die daarin ook eenige bijzonderheden
mededeelt over den Schrijver en over zijn arbeid.
2Uit zijn eerste huwelijk, met Theodora
Francina Schermer, had hij zes kinderen: Clemens; Clemens Johannes, geb. 1771;
Lucretia Wilhelmina, geb. 1773; Nicolaas Wilhelmus, geb. 1774; Paulina
Theodora; en Johanna Maria Christina, geb. 1782.
3Uit dit tweede huwelijk was ook nog eene
oudere dochter, Maria Christina, geb. 1794, geh. met J. Tromp; en een jongere
zoon, Willem Frederik, geb. 1797.
1Wat hij meer rechtstreeks, naar lichaam en
ziel, van zijn voorgeslacht erfde, valt moeielijk te bepalen; tenzij dan met
betrekking tot de ‘statura brevis’, die bij den hierboven, op blz. 246 in noot
1, en op blz. 247 in noot 1 genoemden Petrus Keuchenius door Joannes Alberti
bijzonder vermeld wordt.
2In dezen naam werd aanvankelijk de
e wel eens door eene i vervangen. Zoo b.v.
in eene geschrevene autobiographie zijns vaders, en ook nog op den titel van
zijne eigene dissertatie. Toch was dit onjuist. Als Levinus, en niet Livinus,
was hij op de registers van den burgerlijken stand geboekt en daarna gedoopt.
En zoo is later de naam dan ook altijd geschreven.
1Van deze dochters is de oudste den 9 Augustus
1837 gehuwd met den assistent-resident Osier van Polanen Petêl, en de tweede
den 12 Mei 1841 met den majoor der infanterie J.C. Houthuisen, doch reeds den 8
Mei 1842 overleden.
2Van deze twee kinderen is de dochter reeds den
13 Juni 1824 overleden; en de zoon, die met zijn broeder Willem in 1830 naar
Nederland gezonden werd en in 1842 met hem naar Indië terugkeerde, is aldaar
steeds gebleven als Oost-Indisch ambtenaar, en als gepensioneerd Resident van
Soerakarta in 1894 overleden.
1Hunne ook te Batavia wonende grootmoeders
waren beiden toen reeds overleden: mevrouw Keuchenius-van Warmond in 1818, en
mevrouw de Man-Jacoby in 1825.
1De hierboven, in de laatste twee bladzijden,
vermelde bijzonderheden zijn bijna alle ontleend aan de reeds hiervoren, op
blz. 249 in noot 2, genoemde uitvoerige autobiographie van Willem Adriaan
Keuchenius.
2Hiermede stond ook zeker in verband, dat van
alle spelen alleen het schaken hem aantrok. Altijd deed hij dat gaarne; en nog
bij het zware lijden, waaraan hij in zijne laatste ziekte onderworpen was, vond
hij daarin dagelijks eenige afleiding.
1De kennis der hierboven vermelde
bijzonderheden is te danken aan de vriendelijke mededeeling van een zoon uit
datzelfde gezin, den thans nog te Amsterdam praktiseerenden geneesheer Dr. M.J.
Verkouteren; die drie jaren ouder was dan Keuchenius, en op dezelfde kostschool
onderwijs ontving, totdat hij, een paar jaren na diens komst, naar elders
gezonden werd, om op eene Latijnsche school voor de Academie te worden
opgeleid.
1Volgens mededeeling van Ds. J.A. Schültz te
Geertruidenberg; die over dit opschrift, gelijk ook over een paar andere
bijzonderheden, met de meeste bereidwilligheid de noodige inlichting gegeven
heeft.
1Het tweede gedeelte van dit examen heeft,
blijkens het bewaard gebleven examenbriefje, den 7 April plaats gehad. Maar de
datum van het eerste gedeelte is niet precies meer aan te geven, daar die in
het notulenboek der Juridische Faculteit niet vermeld is. Prof. W. van der
Vlugt, die de vriendelijkheid had de andere gegevens uit die acta mede te
deelen, moest te dien aanzien berichten: ‘Blijkbaar is de faculteit dermate
ontzet geweest over den haast, door dezen student gemaakt, dat de secretaris
vergeten heeft aanteekening te houden van de beide gedeelten van het doctoraal
examen’.
1Deze afscheidsgroet, die zoowel om zijn
auteur, als ook tot kenschetsing van den vriendschapsband tusschen hem en
Keuchenius, merkwaardig is, moge juist daarom hier eene plaats vinden. Zij was
van dezen inhoud:
Het leven is een droom; wij komen en verdwijnen;
De sombre groeve sluit aan onze wieg zich aan.
Maar mag de zonnegloed der Godsvrucht ons beschijnen,
Dan zien wij verder uit, en duchten geen vergaan.
Dan wissel' vrij ons lot, en storme 't om ons henen,
En scheide ons pad, - geen nood! Het uur komt naderbij,
Dat we ons in beter oord, verklaard, volmaakt hereenen,
Van aardsche lust en smet, en aardsche boeien vrij.
Die hoop doorgloeie ons hart; die steun zij ons gegeven;
Hij daalt van 't vast geloof in Christus tot ons af.
Komt, sterken wij elkaar om Hem ter eer te leven;
Zoo danken we eens dien God, die ons elkander gaf.
1Er bestaat nog een testament van hem, d.d. 1
April 1845. Het kan wel zijn, dat dit met de bedoelde vergiftiging in verband
staat; vooral omdat bij deze acte, die te zijnen woonhuize gepasseerd is, zijn
geneesheer en een inlandsch bediende als getuigen fungeerden.
1Hand. der Staten-Generaal
1866/67; Tweede Kamer; blz. 669.
1Eene stem in Indië, ook tot
Nederland; 1868, blz. 11 en 12.
1Brief aan eenen Kiezer;
1868; blz. 22.
2Zoo b.v. werden in denzelfden tijd de
Koninklijke Besluiten van den 31 Maart en den 25 April 1867, waarbij de heeren
Loudon en Pels Rijcken tot vice-president en tot lid van den Raad van
Nederlandsch Indië benoemd werden, eerst elf en zestien dagen later in de Staats-Courant openbaar gemaakt.
1Tot die oplossing is zeker veel bijgedragen
door een uitvoerig schrijven, met aanteekeningen, dat Keuchenius den 25 Maart
1868 aan een der Ministers (denkelijk den met hem bevrienden Minister van
Hervormde Eeredienst Mr. C.T. baron van Lynden van Sandenburg) gezonden heeft;
een belangrijk stuk voor de rechte kennis van onderscheidene bijzonderheden,
die op het officiëele leven van Keuchenius sedert 1865 betrekking
hebben.
1Den 12 Juni 1883 werd hij te Gorinchem
herkozen, met 1449 stemmen. Desgelijks den 24 October 1884, met 1676 stemmen;
maar terzelfder tijd te Middelburg, met 1156 stemmen, in herstemming gekomen,
en den 11 November, met 1340 stemmen, aldaar gekozen, nam hij voor dit laatste
district de benoeming aan. Na de Kamerontbinding van 1886 bleef hij aldaar den
15 Juni, met 1286 stemmen, in de minderheid; maar werd toen den 20 Juli d.a.v.,
met 1255 stemmen, te Amersfoort gekozen; en aldaar herkozen den 1 September
1887, met 1402 stemmen. Na de Kamerontbinding van 1888 werd hij den 6 Maart te
Ede gekozen, met 1439 stemmen. En na zijn Ministerschap werd hij den 18 Maart
1890 te Goes gekozen, met 1548 stemmen; en den 9 Mei 1891 aldaar herkozen, met
1581 stemmen.
1Van zijnen ijver voor de Zending is op Java
nog eene blijvende gedachtenis in de naar hem genoemde Keuchenius-school, die
uit de bijdragen van duizende Nederlanders in 1889 te Poerworedjo gesticht is,
met het doel, Javaansche jongelingen op te leiden tot onderwijzers en ‘helpers’
(bijbellezers, colporteurs, enz.).
|
|