|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van Dr. J. Cramer.
Op een schoonen Octoberdag des vorigen jaars zag ik uit mijne woning
een stoet van ‘meer dan honderd’ oud-studenten en studenten voorbijtrekken.
Oud-leden en leden van Secor Dabar maakten zich op, om het
halveeeuwfeest van dit Utrechtsche theologen-gezelschap te vieren. De feestrede
zou gehouden worden door den hoogleeraar
Cramer, die reeds in 1852 als ‘buitenwoon
lid’ tot Secor was toegetreden. Gelijk de feestredenaar op
dit ‘groote feest van Secor’ niet kon nalaten onder de 31
leden, die sinds de oprichting van het gezelschap door den dood waren
weggenomen, zijn voormaligen ambtgenoot in de rij der Hervormde predikanten van
Amsterdam, Nicolaas Hendrik de Graaf, die door ‘zeldzame vereeniging van ernst
en luim zoovele harten wist te winnen’ met onderscheiding te noemen, zoo zal
ook de man, die bij volgende feestgelegenheid de eer zal genieten Secor's woordvoerder te zijn, wel niet vergeten, als hij de rij
der dooden overziet, met bijzonderen nadruk op
Jacob Cramer te wijzen. | | | |
Ik denk niet dat een der feestgenooten bij het aanschouwen en het
hooren van den naar het scheen nog zoo krachtigen zestiger de vrees in zich
voelde opkomen, dat hij voor het laatst in hun midden was. Maar zóó stond in
Gods raad geschreven. Den 18den Mei ll. ontsliep deze
theoloog, die - sieraad ook van anderen dan dezen kring -
niet enkel als feestredenaar op dit feest getoond heeft, dat hij ook aan
letterkundige eischen wel wist te voldoen en de kunst van spreken verstond.
Dat de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
mij verzocht het levensbericht van Cramer te schrijven, die sinds 15 Juni 1882
tot hare leden behoorde, verwondert niemand die weet met hoe nauwen band ik aan
den ontslapene verbonden was. Toen ik in 1853 in het album der Utrechtsche
studenten was ingeschreven, liep ons pad niet dadelijk ineen, maar het duurde
niet lang, of wij begonnen ons tot elkander aangetrokken te gevoelen en in den
laatsten tijd van mijn akademieleven, dat helaas slechts vier jaar kon duren,
vormde zich een kleine kring van geestverwanten, waarvan de liefelijkste
herinnering werd opgewekt bij het overgebleven drietal indertijd te
Groningen vereenigd, waar nu de aldaar nog werkzame predikant
Meerdink met mij den vriend betreurt, dien wij zoo noode missen. In 1857
verwisselde ik Utrecht met Rotterdam, om
aldaar als adjunct-direktor in het Zendelinghuis den toenmaligen Direktor van
het Nederlandsche Zendelinggenootschap, Hiebink, ter zijde te treden. Het was
mij bij het waarnemen van dat ambt, terwijl ik bovendien mijn akademisch
proefschrift nog te bewerken had, eene niet geringe verkwikking, dat ik mijne
schreden gedurig van de ‘Rotte’ naar ‘Welbehagen’ mocht richten, waar de ouders
van mijn akademievriend Cramer destijds woonden en hij - in
rustiger | | | | leven dan mij vergund was - zich ook
aan de bearbeiding van zijne dissertatie wijdde, terwijl hij ook nog zich had
voor te bereiden tot de aflegging van het proponentsexamen, dat ik gelukkig
reeds achter den rug had.
Wel was ik dank verschuldigd aan den Heer Schneither, den wèlbekenden
Rector van het Erasmiaansch Gymnasium, dat hij, lettende op den aanleg van zijn
leerling, had weten te bewerken, dat deze - geheel naar den zin zijner moeder
Cornelia van Waning - voor de beoefening der Godgeleerdheid
werd bestemd en niet - zoo als zijn vader aanvankelijk zich had voorgesteld -
voor den handel werd opgeleid. Want hoe veel zwaarder zou mij mijne taak te
Rotterdam gevallen zijn, als ik aldaar niet mijn vriend en
studiegenoot gevonden had, die mij den toegang opende tot een zoo vriendelijk
gezin. Maar wat was ook natuurlijker, dan dat de predikantsbediening gekozen
werd door den veelbelovenden knaap, die reeds vroegtijdig bij James ‘bestuur en
aanmoediging’ zocht op den weg des levens!
Den 11den Juni 1858 werd
Jacob Cramer ‘rectore Petro Harting et
graphiario Jacobo Ludovico Conrado Schroeder van der Kolk’ met den hoogsten lof
tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd en reeds den 3den
Augustus van dat jaar werd hij door het Provinciaal Kerkbestuur van Utrecht tot
de Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk toegelaten. Met
dankbaarheid bleef hij zijn leermeesters te
Rotterdam zoowel als te
Utrecht zijn leven lang
gedenken, vooral voor zoo ver zij zijne liefde tot de studie der Theologie
wisten te bevestigen of te verhoogen.
Toen ik, na een jaar in het Zendelinghuis te zijn werkzaam geweest, te
Engwierum de Evangeliebediening ging aanvaarden, was het mij
tot groote blijdschap, dat | | | | hij mij als adjunct-director zou
opvolgen en het ontbrak ons niet aan stof tot aangenaam en nuttig onderhoud -
in mijne herinnering nog niet weggestorven - toen hij reeds in September van
hetzelfde jaar mij in mijne pastorie een bezoek bracht in het destijds niet zoo
gemakkelijk te bereiken Oostdongeradeel. Intusschen reeds het
volgende jaar nam ook hij afscheid van de hem in zijn geboortestad opgedragen
werkzaamheid. Den 4den September 1859 werd hij te
Oude en Nieuwe Wetering als predikant bevestigd door zijn
zwager Knottnerus, die reeds sinds vele jaren hem in den dood is vóórgegaan.
Hoe goed was het mij, als hij van daar en later van Charlois
- werwaarts hij zich, na de beroeping naar Heemstede,
Jutphaas en Axel te hebben afgewezen, in 1862 begaf -
mij in het Geldersche Scherpenzeel bezocht, waarheen ik in
1861 verhuisde en waar hij mij in dagen van zwaren en herhaalden rouw meermalen
tot niet geringe vertroosting was. Den 4den Mei 1866 -
nadat de gemeenten van Hendrik-Ido-Ambacht, Harderwijk,
Amerongen en Vriezenveen te vergeefs hem hadden beroepen
- deed hij zijn intrede te Amsterdam, terwijl door mij in
dezelfde maand de Evangeliebediening te 's-Gravenhage werd
aanvaard. Minder dan ons lief was, wisten wij bij drukken ambtelijken arbeid
tijd te vinden, om met elkander in hoofd- of hof-stad van gedachten te komen
wisselen over wat hoofd en hart vervulde. Te hooger moesten wij het voorrecht
waardeeren, dat wij van 1876-1883 te Groningen en sinds 1884
te Utrecht mochten samenwerken in denzelfden werkkring,
terwijl elk onzer in de Theologische Faculteit zich vakken
ter behandeling zag aangewezen, geheel overeenkomstig onzen onderscheiden
aanleg. Is het wonder, dat mij het hart vol werd, toen ik bij het geopend graf,
| | | | waar ik geroepen werd namens Senaat en Faculteit dezen doode te
eeren, mij den vriend voor den geest stelde, die zoo lang mijn trouwe medgezel
was?
Maar ik wil in dit levensbericht mij zelf geweld
aandoen en er naar streven, dat de innigheid onzer vriendschap mij niet hindere
maar helpe in het schetsen van het leven en het werken van den ontslapene,
opdat het zij naar 's dichters woord: begrabe deine Todten tief in dein Herz
hinein, sie werden deinem Herzen lebendige Todte sein’.
Geboren 24 December 1833 werd hij in het midden van zijn 62ste levensjaar uit dit leven weggerukt, toen hij op den reeds
genoemden dag van het jaar 1895 bezweek aan een krankheid, die hem in het einde
te feller schijnt te hebben aangegrepen, omdat hij zich door plichtbesef
gedreven misschien te krachtig had ingespannen om zijne ambtsplichten met de
hem eigen nauwgezetheid te vervullen, totdat de paaschvacantie hem vergunde aan
zoo hoog noodige rust te denken. Helaas! het bleek mij spoedig, dat de kranke
in ernstigen toestand verkeerde. Met zeldzame kalmte ging hij den dood te
gemoet, terwijl hij de toekomst even blijmoedig wachtte als hij dankbaar het
verleden herdacht. Trouwens zijn leven was rijk gezegend geweest, al had hooger
wijsheid niet al zijne wenschen vervuld. Hoe menigmaal was ik er in zijn
huiselijken kring getuige van, hoe gelukkig hij zich gevoelde aan de zijde van
de voortreffelijke vrouw - Simonia Louise Lagerwerff, dochter van Cornelis
Diedericus Lagerwerff en Johanna Hendrika van Zuijlen - met wie hij zich 4
September 1861 te Rotterdam in den echt verbond en die hem nu
beweent met een tweetal dochters, van welke de oudste gehuwd is met Dr. G.J.
Weijland, den tegenwoordigen Direktor | | | | van het Nederlandsche
Zendelinggenootschap, en een viertal zonen, van welke de Alkmaarsche predikant
Dr. J.A. Cramer de oudste is. Zij mag in haren rouw zich er van verzekerd
houden, dat zij met de innige liefde van haar teeder hart het hare gedaan heeft
om den man te sterken, wiens theologisch en kerkelijk leven overigens wel
sterkeren, dan hij was, zwaar had kunnen vallen - en dat zij niet weinig heeft
medegewerkt om hem bij den terugblik op zijne afgelegde levensbaan met
dankbaarheid jegens God te vervullen.
Hoe belangrijk was het tijdperk, waarin zijn openbaar leven
(1858-1895) viel, ook voor de wetenschap der Godgeleerdheid en voor de
Hervormde kerk in Nederland!
Cramer was niet in den bijzonderen zin,
waarin Mejuffrouw Toussaint dit in 1848 van Dr. J.J. van Oosterzee getuigde,
een ‘indrukkelijk’ man, maar hij was aan kerk en theologie met te warme liefde
verbonden, om een rustig toeschouwer te zijn in den strijd der geesten en hij
was te zeer met kritischen zin bedeeld, om wat zijn tijd in beweging bracht met
onverschilligheid voorbij te gaan.
Opgevoed in een kring, waarin het geloof der Hervormde kerk in eere
was en in zijne geboortestad gedurende den tijd zijner jeugd en jongelingschap
getuige van een merkwaardige verheffing van de kerkelijke rechtzinnigheid onder
den invloed van mannen van den eersten rang als Doedes en van Oosterzee - om
alleen namen te noemen, die in de akademische wereld beroemd werden - gevoelde
hij zich als student bijzonder getrokken tot een leermeester als
Prof. Vinke en een leidsman als Dr.
F.C. van den Ham, destijds predikant te
Utrecht, tot wien hij in de ‘praefatio’ van zijn proefschrift
het woord richtte: ‘non minimum locum occupas inter eos, | | | | qui
studiis meis affuerunt, amorem scientiarum aluerunt vitamque academicam
fructuosam jucundamque reddiderunt’. Intusschen behoorde hij geenszins tot hen,
die meenden aan leermeesters, als de hoogleeraren
Van Goudoever,
Karsten,
Swijghuijzen Groenewoud,
Bouman of
ter Haar weinig verplichting te hebben of
ook zich - wat trouwens zeldzaam was in dien tijd - stelselmatig onttrokken aan
den invloed van
Opzoomer die - zoo als
F. Smit Kleine het eens uitdrukte - ‘in het
leelijke zolderlokaal in de Lange Nieuwstraat voor een groot aantal toehoorders
zijne lessen over Logica en Metaphysica gaf’ en ‘nu eens bezielende woorden van
wijsheid, schoonheid en poëzy over de schare uitstortte, dan weer het
arbeidsvermogen van den geest beproefde en scherpte of de wetten van het denken
aan eene vernuftige ontleding onderwierp.’
In den kring, waarin Cramer meestal tot hiertoe verkeerd had, werden
de elders gevierde namen van
P. Hofstede de Groot en
Scholten juist niet met bijzondere
ingenomenheid genoemd. Hoe hij over de christologische voorstellingen van den
genoemden Groningschen dogmaticus dacht, bleek uit zijn academisch
proefschrift:
Specimen historico-dogmaticum de
Arianismo, waarin hij de ‘sententia clarissimi P. Hofstede de
Groot de Filii Dei necessitudine cum Patre’ beschouwde als ‘Arianismus Docetica
forma indutus’. Dat ook de exegetische en dogmatische verklaringen van den
beroemden Leidschen hoogleeraar niet op de onverdeelde instemming van den
jeugdigen Doctor rekenen mochten, kon men wel bemerken, als men de Stellingen las, welke hij achter zijne dissertatie plaatste. Dat
hij, al scheen hij van kalme natuur te zijn, niet afkeerig was van strijd, kon
men uit een en ander wel opmaken. Wie hem kende, dacht | | | | daarbij
aan kritischen zin meer dan aan heftigen aard. De tijd zou het leeren, dat hij
ook onder de ‘Evangelischen’
1 zich vrienden kon
maken zoowel door de bezadigdheid van zijn denken als de scherpzinnigheid van
zijn oordeel en onze gemeenschappelijke Groningsche ambtgenoot en vriend, de
thans te Utrecht woonachtige oud-Hoogleeraar
F.W.B. van Bell, heeft zich zeker later wel
eens afgevraagd, of niet prijzenswaardige gehechtheid aan zijne hooggeschatte
Leidsche leermeesters zich te veel heeft doen gelden bij de eerste begroeting
van den nieuwen Utrechtschen doctor. Tempora mutantur, nos et
mutamur in illis.
Middelerwijl begon de ‘moderne theologie’ hare stem te verheffen.
Cramer zou zich mengen in den strijd, door
haar verwekt. In zijn proefschrift bleek dat nog niet. Misschien heeft men
recht, als men het jaar, waarin dit geschrift verscheen, als het geboortejaar
der ‘nieuwe richting’ beschouwt. Ook nog in 1863 gelijk in 1860, toen in de
Nieuwe Jaarboeken voor Wetenschappelijke
Theologie (Derde deel bl. 1-70) zijne
verhandeling over het gebruik der woorden
αποκαλυπτειν en Φανερουν in het N. Testament
verscheen ter verdediging van zijne achter zijn proefschrift geplaatste thesis:
vocabula Φανερωσις et αποκαλυψις in ss. ll. promiscue
usurpantur tegen in den vorm min voegzame tegenspraak - bewoog hij zich op
exegetisch terrein. In het genoemde jaar (1863) vingen wij de uitgave onzer
Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en
Wijsbegeerte aan, niet - zooals wij het uitdrukten - ‘om eenige
richting of beweging te leiden’ maar ‘om voor ons zelven een geschikte
gelegenheid te | | | | hebben om de vrucht onzer vrije uren aan anderen
aan te bieden’.
Cramer gaf daarin allereerst eene verklaring van
Joh. 17 : 5, waar hij meende, dat de
praeëxistentie van Jezus duidelijk wordt uitgesproken, zoodat hij met het oog
vooral op eene in de
Godgeleerde Bijdragen van 1862
voorkomende verhandeling van Prof. van Hengel het niet anders dan
‘onbegrijpelijk’ kon noemen ‘dat exegeten, die ons tot de verklaring van zoo
menige duistere plaats den rechten weg gewezen hebben’ in de woorden van Jezus
t.a.p. iets anders konden lezen dan eene duidelijke uitspraak aangaande het
voorbestaan van den Zone Gods’. Het was nog de tijd waarin ‘de exegese van van
Hengel’ - om met Dr.
W.H. van de Sande Bakhuijzen (Levensbericht van Dr.
J.H. Holwerda, in de Levensberichten, M.d. Ned. Letterkunde, 1887, bl. 105) te spreken
- ‘bij velen zulk een gezag had, dat eene verwerping daarvan al spoedig aan
onedele bedoelingen werd toegeschreven’ - waarover intusschen ditmaal ten
minste Cramer niet te klagen had.
Maar reeds in 1864 ging hij zich bezig houden met de ‘moderne
theologie’. Hij plaatste toen in genoemd eerste deel onzer
Bijdragen - dat in 1867 volledig verscheen en éénig deel bleef, dewijl het om bijzondere omstandigheden gevolgd
werd door de
Nieuwe Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en
Wijsbegeerte, waarvan het eerste deel in 1877 het licht zag - eene
verhandeling (bl. 81-121) getiteld: Vooroordeel of kritiek? Iets
over de historisch-kritische methode der moderne richting ten opzichte van de
evangelische wonderverhalen. De schrijver had het oog op de ‘empirische
richting’ - zooals zij door Prof.
Opzoomer en
Dr. Pierson werd vertegenwoordigd - ‘die van
gezag en bespiegeling niets willende weten den weg der ervaring houdt voor den
weg | | | | der wetenschap en de methode der natuurwetenschappen als de
alleen-ware wil toegepast zien op de geesteswetenschappen, ook op de
godsdienstwetenschap’ en die ‘het volste recht meent te hebben’ tot de
‘ontkenning op grond der natuurwetenschap van de mogelijkheid der wonderen’.
Cramer meende, dat zij ‘sterk genoeg blijft om alle aanvallen te wederstaan’
zoolang haar niet bewezen is ‘dat zij op haar standpunt geen
recht heeft om op grond der stelling: wonderen zijn onmogelijk! alle
wonderverhalen te verwerpen, dat zij door die verwerping zich aan de
onpartijdige kritiek bezondigt en toont zich te laten leiden door een
vooroordeel, dat zich voor de rechtbank der wetenschap niet
laat rechtvaardigen’ en achtte eene nadere ontwikkeling der stelling: ‘van het
standpunt der moderne richting de wonderen te loochenen is onkritisch’ niet
‘overbodig’. Terwijl hij aan de ontwikkeling dezer stelling bladzijden wijdde,
die zijner scherpzinnigheid eer aandeden, zag hij niet voorbij (t.a.p. bl. 120)
dat er ‘om de wonderen geloofwaardig te maken’ meer noodig is ‘dan den
bestrijder het recht te betwisten om buiten het Godsbegrip om te zeggen:
wonderen zijn onmogelijk!’
Dat de invloed der ‘moderne theologie’ met nadruk op het gebied der
‘Inleidingswetenschap’ - zooals het toen nog heette - zich deed gelden, bleek
o.a. toen
Scholten zijn:
Kritisch-historisch onderzoek. Het Evangelie naar
Johannes het licht deed zien. In 1867 gaf Cramer naar aanleiding
van dat geschrift van den Leidschen Hoogleeraar - die voor de moderne richting
gewonnen was - in de Bijdragen bl. 203-369 een ontkennend
antwoord op de vraag: Is het vierde Evangelie een historisch
drama? Waarschijnlijk zou - ook afgezien van de bijzondere aanleiding, die
hem bracht tot het schrijven | | | | van deze breedvoerige verhandeling -
Cramer's onderzoek betreffende het vierde evangelie meer de aandacht hebben
getrokken, als onze Bijdragen destijds reeds in ruimeren
kring bekend waren geweest en niet met den tegenspoed hadden te worstelen
gehad, die ons ten laatste - zooals reeds door mij werd opgemerkt - tot de
uitgave der Nieuwe bijdragen onder een nieuwen uitgever heeft
geleid.
In dien tusschentijd liet echter Cramer zijn welversneden pen niet
rusten. De ‘moderne partij’ had - zoo als Dr. H. Oort het later uitdrukte bij
een bespreking van:
Het godsdienstig karakter der nieuwe richting tegen
de bedenkingen van Dr. J. Cramer verdedigd door Dr. W.C. van
Manen, 1869 - de ‘glorie van aanvallende partij te zijn geruimen
tijd gehad’. De ‘rollen werden omgekeerd’ en de ‘moderne richting werd in haar
eigen land bestookt’. Bijzondere aandacht trok Cramer's:
De illusie der moderne richting. Een woord naar
aanleiding van den jongsten strijd tusschen Prof. J.H. Scholten en Dr. A.
Pierson (1867) om den vorm niet minder dan om den inhoud. De
handschoen, die der ‘moderne partij’ was toegeworpen, werd opgenomen. Mannen
van beteekenis als S. Hoekstra, G. van Gorkom, W.C. van Manen on E.J.P.
Jorissen namen met belangstelling kennis van het zestigtal bladzijden, waarin
de Amsterdamsche predikant trachtte aan te toonen, met hoe weinig recht de
‘moderne richting’ meende eene bevredigende verklaring te kunnen geven van de
meest belangrijke zedelijk-religieuze verschijnselen. Cramer oordeelde dat het
niet aanging langer te meenen, dat men slechts ‘de
godsdienst’ van
Opzoomer of: Supranaturalisme in
verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme of ook: ‘de
vrije wil’ van Scholten had te lezen, om o.a. het | | | | verband te
kennen tusschen de transcendentie en de immanentie van God of een helder
inzicht te ontvangen in de wijze, waarop Gods werken en ons werken zich laten
vereenigen of te weten hoe het feit der zonde zich laat rijmen met het
Godsbestuur. Wel verre van de zwakke zijde der moderne theologie te erkennen,
waarop
Dr. Pierson in zijn: ‘Zwakheid en
kracht’ gewezen had, gaven sommige modernen den indruk, alsof zij
beschikten over de kracht, die volkomen in staat zou worden bevonden den tempel
der godsdienstwetenschap te bouwen. Dat die kracht slechts in de verbeelding
der ‘moderne theologie’ bestond, trachtte Cramer aan te toonen. Hij had de
bouwlieden opgewekt, om de fundamenten van den voorgenomen bouw nog eens te
onderzoeken. Zij deden het en Cramer was dankbaar voor de wijze, waarop men
over het algemeen zijn waarschuwend woord had ontvangen. Maar voldaan was hij
niet over den uitslag van het onderzoek. In 1868 gaf hij rekenschap van den
ontvangen indruk in eene nieuwe brochure: Het berouw en het
ethisch determinisme. Het had hem getroffen, dat niet gering onderscheid
tusschen de aanhangers der ‘moderne richting’ bestond. Schenen sommigen hem toe
niet terug te deinzen voor schromelijke miskenning van de eischen onzer
godsdienstig-zedelijke natuur, hij verblijdde zich er in dat menige ‘moderne’
niet aarzelde ‘met kracht tegen de miskenning en verkrachting van het
heerlijkste en heiligste in den mensch op te komen’. Aan laatstbedoelden dacht
hij ditmaal uitsluitend. ‘Zij moeten’ - zoo schreef hij - ‘òf terug naar het supranaturalistisch Evangelie òf vooruit naar de stellingen van het allen godsdienst en
zedelijkheid ondermijnende positivisme. Waar zij nu zijn, kunnen ze niet
blijven. Men moet den moed hebben om in te | | | | denken, wat uit de
vooropgezette grondstellingen met noodzakelijkheid volgt, den moed om terug te
keeren, waar men die gevolgtrekkingen niet wil aanvaarden, den moed ook om te
breken met hen, die schijnbaar denzelfden weg gaan maar werkelijk geheel andere
beginselen zijn toegedaan. 't Gaat toch niet aan om in het ontkennen der Evangelische wonderverhalen een vereenigingspunt te
vinden, waarbij alle onderscheid in religieuze en ethische beschouwingen
wegvalt. Vroeger moge dit zoo geweest zijn, toen de moderne richting aan het
opkomen was, nu mag dit niet langer blijken. Met nadruk moet gevraagd worden
naar den grond, op welke men zijne wonderontkenning bouwt. En dan, even als
supranaturalisten één kunnen zijn in hun wondergeloof en toch principiëel
kunnen verschillen in menige levensvraag van godsdienst en wetenschap,
theologie en kerk, evenzoo zal het dan blijken, dat bij alle overeenkomst in de
wonderquaestie onder de aanhangers der moderne richting, hun verschil in
levensopvatting en wereldbeschouwing, dat hen van elkander onderscheidt, zeer
groot kan zijn’.
Cramer kwam niet terug in dit geschrift op wat
hij in het vorige over de hoop der onsterfelijkheid en het gebed had gezegd,
maar handelde ditmaal alleen over het ‘ethisch determinisme’ en wel alzoo, dat
achtereenvolgens door hem besproken werd het zinnelijk leed
en het zedelijk kwaad, de zonde en het Godsbestuur en
de strijd tegen de zonde. Ook aan deze ‘repliek’ viel o.a.
van de zijde van Van Manen in zijn reeds aangehaald geschrift en van Ph. R.
Hugenholtz (Theol. Tijdschrift III bl. 165 vv.) de eer eener
ernstige bespreking ten deel. Over het punt in geschil kan hier niet
opzettelijk worden gehandeld. Ik bepaal mij tot het uitspreken van mijne
meening, dat meer dan wel destijds | | | | in de openbare
gedachtenwisseling bleek, het optreden van Cramer heeft medegewerkt tot de door
sommigen betreurde, door anderen toegejuichte splitsing van de vrienden der
‘moderne richting’ in aanhangers van een ‘intellectualistisch’ en ‘ethisch’
stelsel. Uit dezen, in elk geval merkwaardigen, strijd bleef mij de
liefelijkste herinnering bij van eenen leerrijken Februaridag des jaars 1869,
toen ik het voorrecht had te mijnen huize in de Boekhorststraat te 's-Gravenhage mijne vrienden Cramer, Gunning (thans te
Leiden) en Ham (thans te Middelharnis)
bijeen te zien ter bespreking van de belangrijke vragen, die toen ons hart
gelijk dat van velen vervulden met betrekking tot ‘berouw en
ethisch determinisme’. Wij - overgeblevenen uit het viertal -
waren en zijn het zeker hierin eens, dat aan Cramer de bevoegdheid niet kon
worden ontzegd om meê te spreken op wijsgeerig gebied, al werd ook niet zonder
recht een en ander bezwaar door de tegenpartij tegen zijne beschouwingen in het
midden gebracht.
Dat hij - al liet hij verder de voorstanders der moderne richting
meestal ook in hun onderlingen strijd over vraagstukken van zedelijken aard
ongemoeid - in dat tijdperk van zijn leven bij voorkeur zich bezig hield met de
beschouwing van den mensch in zijne zedelijk-religieuze eigenaardigheden, bleek
ook hieruit, dat de prijsvraag hem aantrok, in 1868 door het Haagsch
Genootschap tot verdediging van den Christelijken Godsdienst
uitgeschreven: ‘Dewijl er bij de hedendaagsche voorstanders van humaniteit verschillende en zelfs tegenstrijdige begrippen
daaromtrent worden aangetroffen, zoo vraagt het Genootschap: hoe hebben wij de
humaniteit ten aanzien van haar wezen te beschouwen? Welke onderscheiden
uitwerkselen zijn van haar te wachten, naar mate zij | | | | al of niet
met godsdienst en christendom vereenigd is?’ De apologetische neiging -
destijds niet ongewoon - had de overhand gekregen ook bij dezen kritischen
geest.
Cramer zond een antwoord in op deze vraag,
maar de bestuurders van het Genootschap meenden daaraan den uitgeloofden
eereprijs niet te moeten toekennen. De prijsvraag werd op nieuw - met eenige
wijziging - uitgeschreven, maar Cramer had geen lust op nieuw naar den prijs te
dingen. Hij besloot zijne verhandeling, na haar te hebben herzien, uit te
geven. Zoo verscheen in 1871 zijn boek:
Christendom en Humaniteit, opgedragen aan Dr.
J.I. Doedes, wien door den schrijver in
‘eene streelende getuigenis van vriendschap en toegenegenheid’ o.a. werd
toegeroepen: ‘ook gij zijt overtuigd, dat de theologie meer en meer den
ethischen weg moet opgaan om tot zegen te kunnen zijn voor kerk en
maatschappij’ en die 23 jaar later in zijne ‘Biografsche
herinneringen’ zich de wèlverdiende hulde van zijn ‘dankbaren vriend’
herinnerende, het woord schreef (t.a.p. bl. 201): ‘mijn vriend Cramer behoort
daardoor tot de rozen op mijn levensweg, zijn opwekkend schrijven onder de
lichtstralen op mijn levensreis’. De uitvoerige voorrede, welke Cramer aan zijn
werk deed voorafgaan, gaf aan
P.H. Hugenholtz (Theol.
Tijdschr. VI bl. 202) aanleiding om te spreken van ‘tweëerlei proeve van
apologetiek’ door den schrijver hier gegeven, namelijk ‘eene kleine proeve van
zelfverdediging in de voorrede en eene grootere proeve van verdediging van 't
Christendom in de verhandeling’. Opmerkelijk waren in de voorrede de woorden
(bl. 19): ‘de dag nadert, waarop niet zoozeer gevraagd wordt, wat men gelooft van God en het eeuwige leven, maar òf men er nog aan gelooft’ en niet minder merkwaardig was de
verklaring (bl. 20) ‘zeker is het | | | | onmogelijk om zonder het geloof in God, die zich in den Christus des Evangelies
aan ons heeft geopenbaard, de geheimen der menschelijke natuur te ontraadselen
en tot de kennis van de verborgenheden der godzaligheid te komen’ - ‘maar dan
ook, zoo men vast staat in het geloof, dat het Evangelie van Christus het woord
der waarheid en der zaligheid is, aarzele men geen oogenblik om, beginnende met
het eigen hart, de menschheid gade te slaan in hare diepste behoeften, welke
immers ook een openbaring Gods zijn’. De verhandeling zelve, waarin eerst het
wezen der humaniteit met het oog op den mensch en de menschheid ontvouwd en daarna over
‘christendom en humaniteit’ gehandeld wordt, moge al - ook
met behoorlijke inachtneming van het tijdstip waarop zij geschreven werd - hier
en daar inzonderheid wat anthropologische volledigheid, psychologische
juistheid en dogmatische vastheid aangaat, met recht geacht kunnen worden een
en ander te wenschen over te laten, zij getuigt toch niet enkel van degelijke
studie, maar ook van ernstig nadenken over vragen van psychologie en ethiek,
waaraan ten minste in den kring van Cramer's geestverwanten voor ongeveer 20
jaar nog slechts weinig de aandacht gewijd werd. Vooral over de ‘harmonische
werking der menschelijke vermogens’ en ‘het christelijk geloof’ als ‘onmisbaar
tot verwezenlijking van het ideaal der humaniteit’ werden hier opmerkingen
gemaakt, die nog heden ten dage wèl mogen worden ter harte genomen.
Was het reeds vroeger in opstellen - in tijdschriften als o.a. de
Stemmen voor waarheid en vrede (1864)
geplaatst - duidelijk gebleken, dat Cramer niet alleen aan Doedes maar ook aan
een Vinet dacht, als hij de mannen wilde eeren, voor wier zegenrijken invloed
op | | | | zijne vorming hij God dankte, het trad in de genoemde
voorrede nadrukkelijk aan het licht, hoe hoog hij den
Zwitserschen denker stelde, van wien hij ook niet zwijgen kon bij de opdracht
van zijn boek aan den Utrechtschen geleerde. ‘Wie heeft - zoo vroeg hij in de
bedoelde voorrede (bl. 21) met het oog op Vinet - ‘de
menschelijke natuur in haar edelste, heiligste aspiratiën beter doen kennen?
Wie heeft de rechten des gewetens welsprekender bepleit? Wie heeft de ethische
zijde der Christelijke dogmen helderder doen uitkomen?’ Geen wonder, dat hij
lust gevoelde andermaal naar den eereprijs van het Haagsche
Genootschap te dingen, toen later dezerzijds eene verhandeling over Vinet
gevraagd werd. Gelukkiger dan de vorige maal, mocht hij ten minste de eer
genieten zijne verhandeling, getiteld:
Alexandre Vinet als christelijk moralist en apologeet
geteekend en gewaardeerd, door genoemd Genootschap in 1883 te zien
uitgeven, gelijk ook met het werk van zijn mededinger F. Chayannes (Alexandre
Vinet considéré comme apologiste et moraliste chrétien) het
geval was. Dat de ‘knobbel der ijdelheid’ waarvan Töpffer eens sprak, bij
Cramer bijzonder ontwikkeld was, heb ik nooit
bemerkt. Ik hoorde er ook nooit over klagen, tenzij dan door hem zelf naar den
ootmoed, die hem kenmerkte. Maar wèl weet ik, dat het hem aangenaam geweest is,
dat reeds in December 1883 door Wild (in de: Zeitstimmen aus der
reformirten Kirche der Schweiz) eene vertaling van zijn verhandeling ten
behoeve van Duitsch en Fransch Zwitserland wenschelijk werd gekeurd, en dat hij
zich verheugde toen Th. Secrétan in 1884 eene Fransche vertaling van dit werk
het licht deed zien te Lausanne, waaraan de wèlbekende J. Cart, schrijver van:
Histoire du mouvement religieux et ecclésiastique dans le
canton
| | | |
de Vaud, hulde bracht in:
Le Chrétien évangélique. Revue religieuse de la Suisse
Romande 20 Mai 1884. De ‘theologie’ van het réveil trok
hem in dit tijdperk van zijn leven meer aan, dan men van een man van zijne
geestesrichting en zijn aanleg wellicht verwachten zou en ook aan de
geschiedenis dezer godsdienstige beweging in en buiten ons vaderland wijdde hij
ernstige studiën, nogtans zonder met hare vruchten opzettelijk te voorschijn te
treden. Hij was er de man niet naar om in het openbaar van beschouwingen en
opvattingen te doen blijken, waarmede hij voor zich zelf nog niet volkomen in
het reine was. Het kwam mij voor, dat de vroomheid, die hem van kindsbeen eigen
was, en die niet weinig voedsel ontving zoowel door zijn aanhoudende
Schriftstudiën, als door omgang met voortreffelijke mannen
uit den kring van het réveil voortgekomen, hem dreef naar
eene zijde, waar toch zijn nauwkeurig wikkend en wegend oordeel zich niet
voldoende bevredigd vond. Hij zou zoo voortreffelijke bladzijden over de
‘harmonische werking der menschelijke vermogens’ niet geschreven hebben, als
hij niet diep overtuigd was geweest van het gevaar der eenzijdigheid. Men heeft
hem wel eens onder de ‘critici’ gerekend met miskenning van eigenaardigheden,
waarop hij zelf niet geringen prijs stelde. Maar zeker hechtte hij aan
klaarheid van voorstelling en juistheid van oordeel te groote waarde, dan dat
hij bijzonder groot gevaar liep heil te zoeken in afdwalingen van vrome
mystiek, waarbij de overigens zegenrijke phantasie hare eer verspeelt door de
rol van het ontwikkelde denken voor zich op te eischen in een dogmatisme van de
meest bedenkelijke soort. Hoe diepen indruk Vinet ook met zijne klacht: ‘zal ik
dan nooit van het dualisme verlost worden’ op Cramer gemaakt heeft, bleek o.a.
toen | | | | hij in een opstel: Heelen en halven de
noodzakelijkheid aanwees, op onderscheiden gebied de ‘consequentie aan de
waarheid op te offeren’ en zich te wapenen tegen de verzoeking van ‘uit vrees
voor de beschuldiging van halfheid verder te gaan’ dan de eigen overtuiging
veroorlooft.
Trouwens, als predikant te
Amsterdam (1866-1876) had
hij wel de gelegenheid om bedachtzaamheid te leeren in den strijd der
meeningen. ‘Rust kan ik u niet verzekeren. Men moet hier wel strijden tegen wil
en dank’ zóó riep hij den 15den October 1871 zijn nieuwen
ambtgenoot de Graaf toe. Zelf liet hij zich in die dagen ten aanzien van het
‘kerkelijk vraagstuk’ niet onbetuigd. Waarheen nu? zoo vroeg
hij in 1872 ‘aan allen, die recht en waarheid liefhebben in de Nederlandsche
Hervormde Kerk’ mede uit naam van anderen, die meenden als hij, dat aan
zoovelen als de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk lief hadden en
tegen de vernietiging van haar Gereformeerd karakter wilden waken, onrecht werd
aangedaan. In de gegeven omstandigheden scheen hem het eenige middel om dat
onrecht te herstelen ‘eene Constituante in het leven te
roepen’. Voorloopig was het eenige doel van de uitgave dezer brochure, een
‘spreken over deze zaak’ uit te lokken. Duidelijk werd het ten minste door den
schrijver gezegd, dat hij geenszins ‘hun ter wille kon zijn’ die dachten en
spraken in dezen trant: ‘men heeft aan woorden niet meer
genoeg, men wil daden zien. Met een misschien is men niet meer tevreden, men
wil zekerheid hebben, hoe eerder hoe liever. Reeds te lang is het geduld op de
proef gesteld. Wilt gij dus een voorstel doen tot verbetering van den toestand
- 't is wel! Als het maar een ultimatum is! Als gij ons maar duidelijk zegt,
tot welke | | | | beslissende daad het moet komen, als soms uw voorstel
wordt verworpen!’ De bedoelde Constituante zou ‘zoo getrouw
mogelijk’ de Nederl. Herv. kerk moeten vertegenwoordigen, langs
‘zuiver-kerkelijken weg’ in het leven moeten treden en belast worden ‘met de
beslissing over de belijdenis-quaestie en alle andere quaestiën, die met haar
in verband staan’. Toen de schrijver vijf jaar vroeger in eene leerrede over
1 Joh. 2 : 20 ‘het recht der gemeente om in de keuze harer
vertegenwoordigers te worden gehoord’ bepleitte, had hij de voorspelling beaamd
‘de verwarring zal nog grooter worden, dan zij nu is’. De uitkomst was
overeenkomstig die droevige verwachting, waarmede de uitvoering van art. 23 van
het Algemeen Reglement voor de Ned. Herv. Kerk ook door
voorstanders van dezen maatregel - zoo als bleek - was begroet. De verwarring
was inderdaad hoe langer hoe meer toegenomen. Dat de voorgestelde Constituante als middel, om aan den gespannen toestand een einde
te maken, niet algemeen zou worden toegejuicht, liet zich wel verwachten. Er
waren er zeker niet weinigen, die met den hoogleeraar Prins daarbij dachten aan
‘een geneesmiddel erger dan de kwaal’. Er ontstond - zooals Cramer zelf het
uitdrukte in eene nieuwe brochure:
Wij gaan vooruit (1873) - eene
Constituante-literatuur, die den indruk gaf ‘de Ned. Herv.
Kerk wil van eene Constituante niet weten’. Intusschen, de voorsteller van het
plan was - zooals reeds uit den titel van laatstgenoemd vlugschrift blijkt -
geenszins ontmoedigd. Terwijl hij tegenover onedele verdachtmaking met goed
recht zich op zijne in de
Stemmen voor waarheid en vrede
geplaatste ‘Amsterdamsche brieven’ beriep en tegenover hen, die van de
dringende noodzakelijkheid van een stap, als door hem was aanbevolen, niet
overtuigd waren ter ver- | | | | klaring van zijne zienswijze (t.a.p. bl.
44 vv.) van moeielijkheden gewaagde van praktischen aard, waarmede hij
blijkbaar in eigen ervaring te Amsterdam had kennis gemaakt, meende hij te
mogen zeggen, ‘dat men van alle kanten zich duidelijk’ begon ‘te verklaren
aangaande de middelen tot kerkherstel’ en met goeden moed nam hij zitting in de
‘Commissie van advies ter zake eener reorganisatie van Kerk en Kerkbestuur,
benoemd door de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk in 1873’. Het
is bekend, dat het werk dezer Commissie, wier rapport, door Cramer gesteld, het
onderwerp van ernstige gedachtenwisseling in de ‘Hooge kerkvergadering’ geweest
is, geen vrucht heeft opgeleverd evenredig aan den moeitevollen arbeid door de
‘negenmannen’, van wie nu nog slechts een drietal - van elk der drie secties
één - is overgebleven, aan hunne taak gewijd.
Nog meermalen heeft
Cramer na dien tijd - vooral in de
Stemmen voor waarheid en vrede - zich doen hooren over
Synodale plannen ten aanzien van de oplossing der ‘kerkelijke kwestie’, en van
niet geringe beteekenis was inzonderheid wat hij in zijnen 10den ‘Amsterdamschen brief’ - in dat tijdschrift in 1875
geplaatst - in het midden bracht omtrent plannen, waarmede de Amsterdamsche
kerkeraad zich destijds bezig hield ter zake van het ‘vrij beheer’, dat
sommigen ‘beter waarborgen’ wilden, dan tot dusver het geval was - met een
beroep ‘op het rechtsgeleerd advies van drie advokaten, Mr. van Nierop, Mr.
A.J. Hovy en Mr. W. Heineken, waaraan ten overvloede de hoogleeraar R.J.L. de
Geer van Jutfaas zijn adhaesie gehecht had’. Het duurde nog menig jaar eer het
‘Amsterdamsche conflict’ uitbrak, dat zeker geen verrassing was voor Cramer, in
wiens toen uitgegeven beschouwingen over ‘de Gerefor- | | | | meerde partij
in de Nederlandsche Hervormde Kerk’ (in de Stemmen voor waarheid
en vrede) en over: ‘Het houten en het ijzeren juk’ (Utrecht 1887) men gemakkelijk den man herkende, die van nabij de
personen had leeren kennen, in deze destijds zooveel gerucht makende beweging
betrokken.
Inmiddels was de Amsterdamsche predikant in 1876 als
hoogleeraar te
Groningen opgetreden en ook
reeds van daar in 1884 naar
Utrecht overgeplaatst.
Hoe goed hij berekend was - om hier te zwijgen van de trouw, waarmede
hij zich aan katechetischen, pastoralen en verderen praktischen arbeid placht
te wijden - voor de taak van den Evangelieprediker, werd door niet weinigen,
zoowel in Oude en Nieuwe Wetering en in Charlois en Katendrecht als in Amsterdam erkend en kon ook nog belangstellenden blijken o.a. uit
de drie zestallen Leerredenen door hem achtereenvolgens - ten
aandenken voor zijne vrienden in de genoemde gemeenten - in 1863, 1866 en 1876
- uitgegeven. Maar dat hij bij uitnemendheid op den akademischen
leerstoel op zijn plaats zou zijn, werd terecht begrepen door wie hem
kenden. Met ingenomenheid bleef hij - ook nadat hij in 1877 als Akademieprediker aftrad - nu en dan de gemeente in hare
godsdienstige samenkomsten voorgaan en hij onttrok zich niet aan kerkelijken
arbeid, waar die hem werd opgedragen, maar dat hij allereerst op de vervulling
van zijn ambtelijken plicht bedacht was bleef evenmin
verborgen, als dat hij wel in staat was om te voldoen aan de eischen hem als
hoogleeraar gesteld.
In hetzelfde jaar (1876) waarin hij het hoogleeraarsambt te
Groningen, waar hij na 1 Oct. 1877 belast was met de
oud-christelijke letterkunde, de geschiedenis
des Christendoms en de geschiedenis der christelijke
leer-
| | | |
stukken - na twee jaar vroeger voor
een anderen theologischen katheder aldaar te hebben bedankt - aanvaardde,
schreef hij, naar aanleiding van de
Encyclopedie der christelijke
theologie door Dr.
J.I. Doedes, hoogleeraar in de
Godgeleerdheid te Utrecht, een paar artikelen over
de theologische wetenschap in de Stemmen voor
waarheid en vrede. Zonneklaar bleek het in deze encyclopaedische studie,
dat de schrijver te midden van den afmattenden kerkelijken strijd, waarin hij
gewikkeld was geweest, en den drukken praktischen arbeid, die schier geen tijd
tot wetenschappelijk onderzoek scheen over te laten, geenszins de eischen der
wetenschappelijke vorming uit het oog had verloren. Vol van geestdrift riep hij
uit: ‘Och, dat het mij vergund wierd iets bij te dragen om de theologische
wetenschap meer dan tot dusver geacht en bemind te maken bij de gemeente!’ ‘Is
het te verantwoorden’ - zóó vroeg hij - ‘dat de wetenschap op zij wordt
geschoven als een artikel van weelde, dat men vooreerst wel kan missen of erger
nog als iets gevaarlijks, waarvoor men zich wachten moet om niet in handen van
het ongeloof te vallen?’ ‘Is het voldoende om te zorgen, dat er orthodoxe
kiescolleges en orthodoxe kerkeraden komen? Heeft een gemeente haar plicht
gedaan, wanneer zij zich heeft gevrijwaard tegen den invloed van alle ketterij?
Mag zij lijdelijk aanzien, dat de wetenschappelijke krachten hoe langer hoe
minder worden in haar midden?’ Met diepen ernst richtte hij het oog op de
‘predikanten, die geroepen worden om de gemeente voor te lichten en te leiden’.
‘Doen zij dit ook’ - zoo vroeg hij - ‘voor zoovelen zij tot de orthodoxe
richting behooren, met betrekking tot de plaats, die de H. Schriften in de
Theologie en in de Dogmatiek in het bijzonder innemen? Trachten zij de
| | | | gemeente te brengen tot eene juistere beschouwing en daardoor tot
eene betere waardeering van de H. Schrift overeenkomstig de door iederen
theoloog erkende eischen der wetenschap? Worden nooit de vooroordeelen te veel
ontzien?’ Ernstig klonk zijne vermaning ‘de sterke moet den zwakke ontzien,
maar hij worde zelf niet zwak. Hij buige zich niet zoo diep voor de gemeente
neder, dat hij haar in hare vooroordeelen versterkt.’
Toonde Cramer alzoo niet blind te zijn voor de gevaren, waardoor de
dienaar der kerk bedreigd wordt bij zijn streven naar waarheid, hij dacht er
niet aan de ‘kerk hard te vallen’ welke hij zeventien jaar gediend had, maar
pleitte veeleer met kracht voor haar belang zoowel als haar recht, toen hij den
10den October 1876 - voor mij onvergetelijken dag - het
hoogleeraarsambt ‘aan de Groninger hoogeschool’ met eene redevoering betiteld:
Kerk en Theologie aanvaardde - en toen hij 10 dagen later
zijne akademische lessen opende met een woord over ‘het hooge belang der
kerkgeschiedenis voor den evangeliedienaar van onzen tijd’ (Nieuwe
Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte. I. bl.
137-155) konden zijne hoorders er niet aan twijfelen of het was hem ernst met
het woord: ‘laat de Theologie vrij haar eigen weg gaan, die weg moet uitloopen
op den wasdom der gemeente’.
De historische vakken, toen nog bekend onder den naam geschiedenis van de Christelijke kerk, van de Christelijke
leerstellingen en van den Nieuw-Testamentischen Kanon,
waren hem opgedragen. Wat hij vroeger geleverd had, gaf recht tot het
vermoeden, dat laatstgenoemd leervak niet het laatste in zijn schatting zou
zijn. Dat vermoeden werd bevestigd, toen hij in 1877 bij het in werking treden
van de Wet van 28 April | | | | 1876 zijne lessen
opende met eene toespraak, die ten opschrift had: Geschiedenis en
kritiek (t.a.p. II. bl. 34-58) waarin hij vooral met het oog op de
oud-christelijke Letterkunde, zooals de Inleidingsgeschiedenis des N.T. voortaan heette - eene
naamsverandering, waarvan hij geen andere verklaring wist te geven, dan deze
dat de wetgever ‘zoo objectief mogelijk heeft willen blijven tegenover het
Christendom’ - wees op het ‘hooge belang, dat de criticus heeft bij de
beoefening der geschiedenis’. Tegenover jammerlijke afdwalingen zoowel van
historici als van critici blijven de lessen
behartigenswaardig die hij gaf, vooreerst: ‘vergeet om het
groote het kleine, om het algemeene het bijzondere, om het geheel de deelen
niet’ en ten andere: ‘vergeet door het kleine het groote,
door het bijzondere het algemeene, door de deelen het geheel niet’. Hoe zeer
zijn aandacht bepaaldelijk op het Nieuwe Testament gevestigd bleef, bleek
spoedig daarna toen hij op het Johanneïsch vraagstuk terugkwam in zijne studie
over den ‘discipel dien Jezus lief had’ (t.a.p. II. bl. 59-124) waarin hij o.a.
‘dankbaar’ gebruik maakte ‘van hetgeen Scholten 1871 tegen Scholten 1864’ in
het midden gebracht had, en op niet minder belangwekkende wijze toen hij zijne
‘historisch-kritische studie’ gaf over den brief van Paulus aan de
Filippensen’ (t.a.p. III. bl. 1-98) en daarin Holsten en Hoekstra in zeker
niet onbeduidenden trant te woord stond.
Intusschen waren ook dogmen-historische
onderzoekingen hem wèl toevertrouwd. Vooral trok de kerkelijke leervorming hem
aan, voor zoo ver zij betrekking had op ‘Schrift’ en ‘Schriftgezag’, op
‘Inspiratie’-begrip en geschiedenis van den ‘kanon’. De ‘kalme en humane’ van
der Palm brak zijn pijp - zooals Dr.
C.E. van | | | | Koetsveld als
ooggetuige van dit feit mededeelde in zijn Levensbericht van
J. Moll - ‘omdat een zijner leerlingen het
tweede deel van het boek Jesaia aan dien profeet en de Openbaring aan den
Apostel Johannes ontzegde’. Voor Cramer was de tijd voorbij, dat men het ‘met
de oude kerkelijke leerstukken’ wel zoo nauw niet had te nemen, maar dat ‘aan
den Bijbel niet mocht worden geraakt’. Reeds had het velen getroffen, dat hij
achter zijn akademisch proefschrift stellingen als deze plaatste: Capita XL-LXVI Jesajae vaticiniorum huic scriptori
sunt abjudicanda en: Apostoli in V.F. locis interpretandis
saepe errarunt. Zijn beeld rijst mij niet voor den geest of ik denk aan de
verontwaardiging, die op zijn gelaat stond te lezen, als hij dacht aan
tijdgenooten, die hem toeschenen de eenvoudigste en stelligste eischen van
waarheid en ernst te miskennen zoo dikwerf de zaak van Bijbel en Bijbelkritiek
aan de orde kwam. ‘Onder hen’ - zoo schreef hij - ‘die overtuigd zijn, dat zij
binnen den kring der H. Schrift de waarheid Gods tot zaligheid vinden kunnen,
ontbreekt het in den regel niet aan warmte, maar wel eens aan licht. Daardoor
bestaat het gevaar, dat men zich met vrome uitboezemingen en pathetische
uitdrukkingen van de moeielijkheden afmaakt en daardoor een hinderpaal opwerpt
voor den bloei der godgeleerde wetenschap en (wat daarmede in verband staat)
voor de ontwikkeling van het gemeenteleven’. Hoe kon hij toornen over de
lichtzinnigheid, die zich over ernstige vraagstukken, die strenge studie
eischen, uitliet zonder daaraan opzettelijk de aandacht te hebben gewijd of ook
in woorden heil zocht, die enkel voor onkundigen gemis aan grondige kennis
konden bedekken!
Hij gaf zijnen geestverwanten het voorbeeld van een kloek streven naar
waarheid op het gebied der theolo- | | | | gische wetenschap, inzonderheid
met betrekking tot ‘Schrift’ en ‘Schriftbeschouwing’. Wie hun - helaas dikwerf
niet zonder recht - ernstige verwijten meent te moeten doen, vergete niet - ter
wille van waarheid en gerechtigheid - op Cramer's geschriften, meer dan wel
eens het geval was, te letten. Belangrijk zal uit dit oogpunt zeker altijd
blijven voor den geschiedschrijver van de ontwikkeling onzer theologie in het
laatst der 19de eeuw wat
Cramer in onze Nieuwe
Bijdragen schreef over
Calvijn's
Schriftbeschouwing - aan welk opstel
(t.a.p. III. bl. 99-184) de laatst-aangehaalde woorden ontleend zijn - over den
kanon der Heilige Schrift in de eerste vier eeuwen der
Christelijke kerk (t.a.p. IV. bl. 49-122) - over de
Roomsch-Katholieke en de oud-Protestantsche Schriftbeschouwing (t.a.p. bl.
123-195) en - over de geschiedenis van het leerstuk der Inspiratie
in de laatste twee eeuwen (t.a.p. V. bl. 99-247). Ik meen wel te mogen
aannemen, dat mijn even goedhartige als scherpzinnige vriend wel eens te groot
vertrouwen heeft gesteld in de toeschietelijkheid, waarmede hij zich voorstelde
dat oude en trouwe vrienden hem volgden op het pad der ‘Schriftkritiek’, maar
vast en zeker is het, dat hij op dit punt ‘vrijzinnig’ was, zoowel in 1858 toen
hij genoemde stellingen voor zijn rekening nam, als in 1871 toen hij (Christendom en Humaniteit bl. 149, 150) schreef: ‘spreekt men van
het gezag der Kerk, dan vergeet men, dat alle kerkleer moet getoetst worden aan
de H. Schrift. Wil men het gezag der Schrift laten gelden, dan houdt men niet
in het oog, dat ook de Schrift als zoodanig een voorwerp van wetenschappelijk
onderzoek moet wezen. Wil men haar daarboven plaatsen, dan moet men kunnen
bewijzen, dat wij in het bezit zijn van een onfeilbaren kanon en | | | |
een onfeilbaren tekst en eene onfeilbare vertaling en eene onfeilbare
uitlegging. En zelfs zoo dit mogelijk ware, zou men een beroep op de wetenschap
gedaan hebben, want zoodra men iets gaat bewijzen, betreedt men het gebied der
wetenschap’. Oudere en jongere vrienden konden nog op genoemde feestvergadering
van Secor uit zijn mond het woord vernemen: ‘Schriften, die
de vuurproef der critiek niet kunnen doorstaan en een mysterieus waas noodig
hebben om te stichten, kunnen de gemeente niet wijs maken tot zaligheid’. Het
was - meen ik - zijn laatste woord in dezen, van te meer beteekenis, dewijl het
bij die gelegenheid werd gesproken
1.
Toen Cramer den 19den September 1884 te
Utrecht - waarheen hij mij, zooals ik reeds opmerkte, volgde
en waar hij dezelfde vakken te onderwijzen had, die hem in Groningen waren toevertrouwd geweest - optrad, sprak hij over de
symbolische verklaring der Evangelische geschiedenis. Dat hij
met de zoogenaamde symbolische opvatting der Evangelische geschiedenis, die
door Prof.
A.D. Loman aanbevolen was - en ook tegen
‘haar jongste bestrijding’ in deze inaugureele oratie gehandhaafd werd - zich
niet kon vereenigen, kon niemand bevreemden, die met zijnen vroegeren arbeid
had kennis gemaakt, en evenmin kon het verwondering baren, dat hij, toen hij
spoedig daarna zijne lessen opende met een toespraak over:
De protestantsche orthodoxie en het
protestantisme (Nieuwe Bijdragen. IV. bl.
220-246) er bijzonderen nadruk op legde ‘hoe verkeerd de protestantsche
orthodoxie doet met eene Schriftbeschouwing te willen handhaven, die voor de
rechtbank van het | | | | denken onherroepelijk haar pleit heeft
verloren’. Meer bevreemding kon het wekken, dat hij zich geroepen gevoelde met
eenigen haast eenige door hem gebruikte uitdrukkingen tegenover ingebrachte
bedenkingen ‘toe te lichten’ en ‘te verzachten’. Trouwens hij zelf erkende,
toen hij de jongste hypothese aangaande den oorsprong der
Evangelische geschiedverhalen nader toelichtte (t.a.p. bl. 247 vv.) in een
naschrift, waarin hij mededeeling deed van de onaangename
ervaring, welke hem dienaangaande van min vriendelijke zijde ten deel viel, dat
hij, zoo zijne rede ‘in een minder kitteloorigen tijd ware uitgesproken’ zich
‘van het geven van een nadere toelichting onthouden had’ en geloofde ‘bij nader
inzien, dat het beter ware geweest geduld te oefenen’. Intusschen had men niet
minder zich zelf droevig onteerd, dan hem bitter gegriefd, toen men in zeker
weekblad naar aanleiding van dit feit over hem sprak ‘op eene wijze, zoo als
gelukkig maar zelden in de pers voorkomt’. Met fierheid wees hij den smet af,
dien men te kwader ure op zijn karakter had durven werpen.
Vier jaar lang kon hij rustig voortwerken in zijnen
historisch-kritischen arbeid en ongetwijfeld had het theologisch publiek
daarvan nog menige schoone vrucht kunnen plukken, als het hem vergund was
geweest ook zijne dogmen-historische studiën nader voor de pers te bewerken.
Maar in 1888 - bij het aftreden van den hoogleeraar Doedes - meende hij terecht
zich met de ‘uitlegging van het Nieuwe Testament’ te moeten belasten, terwijl
hij de ‘geschiedenis des Christendoms’ aan den nieuw te benoemen hoogleeraar
overliet. Dit leervak kwam in de betrouwbare handen van Prof. Kleijn, en met de
‘oud-christelijke letterkunde’ werd de ‘uitlegging des Nieuwen Testaments’
verbonden - gelijk | | | | ook elders het geval is - opdat ‘exegese en
critiek’ zouden samengaan, over wier onderlinge verhouding
Cramer opmerkelijke dingen in het midden
bracht, toen hij zijne colleges in September 1888 opende en in de plaats van
den hoogvereerden Doedes - in diens geest al was het in eigen trant - als
‘verklaarder van de boeken des Nieuwen Testaments optrad’ (Nieuwe
Bijdragen V. bl. 249-272).
In een Levensbericht als dit wordt in den regel geen
kritiek verwacht of verlangd. Ware dit wel het geval, ik zou wenschen hier de
pen te kunnen overgeven aan den voortreffelijken geleerde, dien de wet van den
exegetisch-literarischen katheder afriep, maar die - zeker meer dan
ik tot oordeelen in dezen bevoegd - niet anders dan met
belangstelling zijn opvolger bezig zag in het werk, dat de lust en de roem
zijner veeljarige ambtelijke werkzaamheid geweest was.
Door Clemen werd niet lang geleden
1 de
opmerking gemaakt, dat de nieuwere ‘Holländische Theologie’ in drie richtingen
op Nieuw-Testamentisch gebied haar eigen weg ging, namelijk vooreerst door de echtheid van alle ‘Paulinische’ brieven te
bestrijden, ten tweede door de ‘Einheitlichkeit’ ook van
eenige andere brieven te betwijfelen en ten derde door in het
algemeen de conjecturaal-kritiek op het N.T. toe te passen. Terwijl Cramer aan
het eerstgenoemde niet dacht, was hij voor het tweede geenszins onverschillig
en wat het derde aangaat, deinsde hij voor sterke proeven niet terug. Hij was
het eens met wat o.a. door Dr. Holwerda vóór vele jaren | | | | was
gezegd, dat teleurstelling dikwerf het deel is van wie de exegeten raadpleegt,
ten gevolge ook hiervan, dat er bedorven teksten zijn ‘die niemand kan
ontraadselen’. Ook hij meende, dat men van ‘onmogelijke verklaringen’ - zoo als
iemand het noemde - niet verlost kan worden zonder de conjecturaal-kritiek op
breede schaal toe te passen. Hoe hooger hij de beteekenis schatte
van ‘het Nieuwe Testament’ voor den theoloog van onzen tijd - waaromtrent
de redevoering, die hij als Rector Magnificus hield in Maart
1893 getuigenis geeft - en hoe inniger hij overtuigd was, inzonderheid van
de beteekenis van Paulus' brieven voor de kennis van het
oorspronkelijk Christendom - gelijk reeds uit eene zijner te Groningen gehouden en (in de Stemmen voor waarheid
en vrede) uitgegeven akademische toespraken bleek - te meer prijs moest
hij er wel op stellen, dat de tekst - bepaaldelijk ook van de ‘Paulinen’ -
zooveel mogelijk in zijn oorspronkelijken vorm den exegeet kon worden
aangeboden. Cramer stelde zich voor met het oog ook op de weer met nadruk aan
de orde gestelde vraag naar de echtheid van de vier hoofdbrieven van
Paulus ‘met allen ernst te
onderzoeken, wat Paulus eigenlijk geschreven heeft’. Met dat doel trachtte hij Paulus' brief aan de Galatiërs -
wat de titel van zijn geschrift (Nieuwe Bijdragen VI) niet
doet uitkomen - ‘in zijn oorspronkelijken vorm te herstellen en te verklaren’
zoo als hij in de hoogst merkwaardige voorrede te kennen
geeft. ‘Eerst door de conjecturaal-kritiek in al haren omvang toe te passen’
had hij - zegt hij - ‘den brief aan de Galatiërs leeren verstaan’. Met zeker
zelfgevoel en met groote blijmoedigheid’ - zoo als Dr. Meyboom het uitdrukte
(Theol. Tijdschrift XXV. bl. 248) - zag de schrijver op zijn
zeker niet weinig moeitevollen arbeid | | | | terug. Niet lang daarna
opende hij de reeks zijner:
Exegetica et critica, waarvan I en II
in het 7de en III en IV in het 8ste
deel der Nieuwe Bijdragen verschenen. Voor het goed recht en
de onmisbaarheid der conjecturaalkritiek bij het verklaren van het N.T. werd
hier op nieuw krachtig gepleit, ditmaal ook wel eens met het doel om over de
‘Tubingers’ gericht te houden, die de conjecturaal-kritiek op een afstand
houden. Dat hier - bepaaldelijk ook ter laatstgenoemde plaats bl. 323-466 -
belangrijke exegetische en historisch-kritische studiën geleverd werden,
schijnt wel niet te kunnen worden ontkend. Nog slechts eenmaal zou Cramer zelf
voor de Nieuwe Bijdragen een opstel leveren. Het was de
toespraak over de Tübingsche kritiek en hare nawerking,
waarmede hij den cursus opende, dien hij helaas! niet voleindigen mocht (Nieuwe Bijdragen X. bl. 113-140). Ook uit dit woord bleek wel dat
er nog veel te verwachten was van zijn werkzaamheid op dat gedeelte van het
theologische terrein, waarop ook hem het meesterschap niet betwist kon worden.
Voorts - ik zou niet handelen in den geest van mijn vriend, als ik hier tot
zijn lof veel ging zeggen. Zijne groote verdiensten zijn niet onbekend gebleven
en door velen dankbaar erkend. Hij heeft gewerkt, zoolang het dag voor hem was.
Te vergeefs heeft hij niet geleefd. Hoe droevig is het allen te moede, die zijn
plaats ledig zien, in den huiselijken kring, in den kring van vrienden en
ambtgenooten, in elken kring waarin hij werkzaam was met zooveel toewijding en
kracht! ‘Ago quod ago’ - dàt kon zijn leus heeten. Hoe hoog men hem schatte,
hoe lief men hem had ‘dezen denker ook, geen denker
slechts’ - zoo als een zijner vrienden hem op den dag zijner
begrafenis kenschetste, het behoeft niet met vele woorden te wor- | | | | den gezegd. Men wist wat men aan hem had. Hij was trouw en eerlijk en
kwam voor zijn meening uit met kloeke openhartigheid. Daarvan heeft menige
vergadering - ook van kerkelijk bestuur en beheer - kunnen getuigen. Vond iemand, die hem riep tot
medewerking in eenigen kring, zich in hem teleurgesteld, zeker was het niet
door zijne schuld. Vijf en twintig jaar (1868-1892) gaf ik met hem
het Eeuwig Evangelie uit, sinds 1863
werkten wij samen op het gebied van Godgeleerdheid en
Wijsbegeerte. Nooit was er tusschen ons schijn of schaduw van misverstand.
Daarvoor bewaarde hem strenge waarheidszin en reine waarheidsliefde. Ik zweeg
van menig geschrift - in de lijst zijner werken te noemen - dat nog getuigen
kan van zijn scherpzinnig oordeel of van zijn vroom gemoed. Hoe warm heeft hij
gepleit voor het Christelijk geloof! Hoe krachtig heeft hij geijverd voor den
ernst der wetenschap! Hij had iets te zeggen en zeide het duidelijk en met
nadruk. Om waarheid was het hem te doen. Met beginselen te spelen was hem een
gruwel. Hij wist menig doel te doorzien en de middelen te keuren, waarvan men
zich bediende. Menigeen heeft zeker wel eens later gewenscht meer naar zijn
raad te hebben geluisterd, en het zal niemand schade doen, nog eens op zijn
woorden te letten, nadat hij gestorven is. Hij was welsprekend op zijne wijze.
Vaste overtuiging van verstand en gemoed drong hem. De verschijnselen des tijds
stemden hem wel eens somber en verontwaardiging maakte zich wel eens van hem
meester, vooral als hij bij geestverwanten opmerkte, wat hij meende ten
scherpste te moeten afkeuren. Maar zijn geloof hield hem kalm en blijmoedig
reisde hij zijn weg - ook toen hij den dood te gemoet ging. Nooit vergeet ik
dien scherpen en toch zoo vredigen blik, waarmede hij neerlag op zijn
| | | | krankbed, ook op zijn doodbed. God had hem gezegend in zijn
leven. Ook in zijn sterven heeft Hij zijn geest verkwikt. ‘Mijn hart zal nooit
dat hart vergeten’.
Requiescat in pace!
G.H. Lamers.
Utrecht 18 Juli 1895.
| | | |
| |
Geschriften van Dr. J. Cramer.
| 1858. |
Specimen historico-dogmaticum de Arianismo.
Traj. ad Rhenum. |
| 1859. |
Over het gebruik der woorden αποκαλυπτειν en φανερουν in
het N.T. (Nieuwe Jaarboeken voor wetenschappelijke Theologie.
III. bl. 1-70). |
| 1863. |
Verklaring van Joh. 17 : 5. (Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte,
bezorgd door J. Cramer en G.H. Lamers. I. Rotterdam. E.H. Tassemeijer. bl.
51-80). Zes leerredenen, uitgegeven tot een aandenken voor de gemeente te
O. en N. Wetering. Rotterdam. E.H. Tassemeijer. |
| 1864. |
Vooroordeel of kritiek? Iets over de historisch-kritische methode
der moderne rigting ten opzigte van de Evangelische wonderverhalen. (Bijdragen enz. I, bl. 81-121). De harmonische ontwikkeling
van den Christen. Eene voorlezing. (Stemmen voor waarheid en
vrede). Er blijft eene rust over voor het volk van God. Toespraak tot
de Herv. gemeente van Vriezenveen, naar aanleiding van het ontslapen van haren
veelgeliefden leeraar J.B. Knottnerus. Rotterdam. E.H. Tassemeijer. |
| 1866. |
Is het vierde Evangelie een historisch drama? (Bijdragen enz. I. bl. 204-370). Zes leerredenen uitgegeven
tot een aandenken voor de vrienden te Charlois en Katendrecht. Rotterdam E.H.
Tassemeijer. Het Evangelie en het geweten. Intreerede, gehouden te
Amsterdam. Rotterdam. E.H. Tassemeijer. |
| 1867. |
De illusie der moderne richting. Een woord naar aanleiding van
den jongsten strijd tusschen Prof. J.H. Scholten en Dr. A. Pierson. Amsterdam.
W.H. Kirberger. Het recht der gemeente. Leerrede over 1 Joh. 2 : 20, gehouden naar aanleiding van de uitvoering van art.
XXIII van het Alg. Reglement voor de N.H. Kerk in de Nieuwezijdskapel te
Amsterdam den 3den Maart 1867. Amsterdam. H.
Höveker. |
| 1868. |
Het berouw en het ethisch determinisme. Repliek. Amsterdam. W.H.
Kirberger. |
| | | |
| |
Eene afscheidspreek (van Ds. Straatman). Stemmen
voor waarheid en vrede.
Eene bevestigingspreek (van Dr. Berlage).
Stemmen voor waarheid en vrede). Christus alles
en in allen. (Eeuwig Evangelie). |
| 1869. |
De kracht der waarheid. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1870. |
De heiligende kracht der christelijke blijdschap. (Eeuwig Evangelie). De vereeniging Gewetensvrijheid. - Het
ontwaken der moderne richting. - Onze strijd tegen Rome. - Vrijmaking der kerk,
waardoor? en wanneer? - De Amsterdamsche kerkeraad en de doopquaestie. (Stemmen voor waarheid en vrede). |
| 1871. |
Christendom en Humaniteit, Amsterdam. W.H. Kirberger. Bekeering
tot God, een komen tot zich zelf. (Eeuwig Evangelie).
Amsterdamsche brieven 1871-1875. (Stemmen voor waarheid en
vrede). De evangeliedienaar van allen vrij en toch allen dienstbaar. Rede
ter bevestiging van Ds. N.H. de Graaf, als herder en leeraar in de N.H.
Gemeente te Amsterdam, gehouden in de Nieuwe Kerk aldaar. Amsterdam. W.H.
Kirberger. |
| 1872. |
Waarheen nu? Eene vraag aan allen, die recht en waarheid
liefhebben in de N.H. Kerk. Amsterdam. Höveker en Zoon. Het gezag. (Eeuwig Evangelie). Mag iemand, die de opstanding van Jezus
uit het graf ontkent, predikant blijven in de Ned. Herv. Kerk? (Stemmen voor waarheid en vrede). |
| 1873. |
Wij gaan vooruit. Een woord van bemoediging in den kerkelijken
strijd. Amsterdam. Höveker en Zoon. Niet vele wijzen, niet vele machtigen,
niet vele edelen. (Eeuwig Evangelie). Rapport van de
Commissie van advies ter zake eener reorganisatie van Kerk en Kerkbestuur,
benoemd door de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk. (Rapporteur Cramer). 's
Gravenhage. A. van Hoogstraten en Zoon. |
| 1874. |
Wachten en werken. (Eeuwig Evangelie). |
| 1875. |
Christus ons geworden tot heiligmaking. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1876. |
De Theologische wetenschap. (Stemmen voor waarheid
en vrede). De vier temperamenten. (Eeuwig
Evangelie). De wasdom der gemeente. Afscheidsrede, gehouden te
Amsterdam. 24 September. Kerk en Theologie. Redevoering bij de aanvaarding
van het hoogleeraarambt aan de Groninger Hoogeschool, uitgesproken den 10
October. Groningen. P. Noordhoff. Het hooge belang der Kerkgeschiedenis
voor den Evangeliedienaar van onzen tijd. (Nieuwe Bijdragen op het
gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte. I. bl. 137-155). |
| 1877. |
Het leven des geloofs. Zes leerredenen ter herinnering aangeboden
aan de gemeente te Amsterdam. Amsterdam. W.H. Kirberger. |
| | | |
| |
De kracht der kerk. (Eeuwig Evangelie).
Geschiedenis en Kritiek. (Nieuwe Bijdragen enz. II. bl.
34-58). |
| 1878. |
De discipel, dien Jezus lief had. (Nieuwe
Bijdragen enz. II. bl. 59-124). Gehoorzaamheid. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1879. |
Heilige éerzucht. (Eeuwig Evangelie). |
| 1880. |
De brief van Paulus aan de Filippensen. Eene historisch-kritische
studie. (Nieuwe Bijdragen enz. III. bl. 1-98). De
schriftbeschouwing van Calvijn. Eene historisch-dogmatische studie. (Nieuwe Bijdragen enz. III. bl. 99-184). |
| 1881. |
De waarde van het leven. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1882. |
Het harmonisch karakter van het leven des geloofs. (Eeuwig Evangelie). |
| 1883. |
De kanon der Heilige Schrift in de eerste vier eeuwen der
christelijke kerk. Geschiedkundig onderzoek. (Nieuwe
Bijdragen enz. IV. bl. 49-122). De Roomsch-Katholieke en de
oud-Protestantsche Schriftbeschouwing. Geschiedkundig onderzoek. (Nieuwe Bijdragen enz. IV. bl. 123-195). Wij kennen ten
deele. (Eeuwig Evangelie). Alexandre Vinet als
christelijk moralist en apologeet geteekend en gewaardeerd. Bekroond en
uitgegeven door het Haagsch Genootschap tot verdediging van den Christelijken
Godsdienst. Leiden. E.J. Brill. |
| 1884. |
De symbolische verklaring der Evangelische geschiedenis.
Redevoering bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de
Rijks-Universiteit te Utrecht, uitgesproken den 19den
September 1884. Utrecht. A.H. ten Bokkel Huinink. De protestantsche
orthodoxie en het Protestantisme. Toespraak bij den aanvang der lessen. (Nieuwe bijdragen enz. IV. bl. 220-246). Drieërlei oordeel.
(Eeuwig Evangelie). |
| 1885. |
De jongste hypothese aangaande den oorsprong der Evangelische
geschiedverhalen nader toegelicht, met Naschrift. (Nieuwe
Bijdragen enz. IV. 247-346). De dag der kleine dingen. (Eeuwig Evangelie). |
| 1886. |
Het dubbele zegel. (Eeuwig Evangelie). De
Gereformeerde partij in de N.H. Kerk. (Stemmen voor waarheid en
vrede). |
| 1887. |
Het houten en het ijzeren juk. Utrecht Kemink en Zoon. De
duitsche keizersage. - Eene wandeling in de Katakomben van Rome. - Iets over de
Evangelieprediking. (Stemmen voor waarheid en vrede).
Een God die zich verborgen houdt. (Eeuwig Evangelie). De
geschiedenis van het leerstuk der Inspiratie in de laatste twee eeuwen in hare
grondtrekken geschetst. (Nieuwe Bijdragen enz. V. bl.
99-248). |
| | | |
| 1888. |
Exegese en critiek. (Nieuwe Bijdragen enz. V.
bl. 249-272). Gelooven en spreken. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1889. |
Het kruis en de vrijheid. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1890. |
De brief van Paulus aan de Galatiërs in zijn oorspronkelijken
vorm hersteld en verklaard. (Nieuwe Bijdragen enz. VI).
De menschenvrees en hare genezing. (Eeuwig Evangelie).
Exegetica et critica. I. De samenstelling van Paulus' brief aan de Galatiërs
volgens Prof. Völter. Exegetische en critische opmerkingen over eenige plaatsen
uit het Evangelie van Johannes. (Nieuwe Bijdragen enz. VII.
bl. 1-72). |
| 1891. |
Exegetica et critica. II. Het glossematisch karakter van 1 Petr.
3 : 19-21 en 4 : 6. (Nieuwe Bijdragen enz. VII. bl.
221-297). De rechtvaardiging uit het geloof. (Eeuwig
Evangelie). |
| 1892. |
De bedoeling van God met de doornen des levens. (Eeuwig Evangelie). Exegetica et critica. III. De macht der
traditie in de exegese van het N.T. Exegetische opmerkingen naar aanleiding van
‘Paulus’ II (de brief aan de Romeinen) van Dr. W.C. van Manen. (Nieuwe Bijdragen enz. VIII. bl. 1-70). |
| 1893. |
Exegetica et critica. IV. De philippica van Paulus tegen de
gemeente van Korinthe (2 Kor. 10-13) verklaard en in hare historische
beteekenis gewaardeerd. (Nieuwe Bijdragen enz. VIII. bl.
323-466). De beteekenis van ‘het Nieuwe Testament’ voor den theoloog van
onzen tijd. Redevoering (rectorale) op 24 Maart. Utrecht. J. van Druten.
Verslag van de lotgevallen der Rijksuniversiteit te Utrecht in het studiejaar
1892-1893, uitgebracht 19 Sept. 1893. Vrees en blijdschap. (Overdenkingen. Red. Prof. Dr. P.D. Chantepie de la Saussaye en
Prof. Dr. J.J.P. Valeton Jr.). |
| 1894. |
Feestrede gehouden 9 Oct. 1894 bij het 50-jarig jubilé van
Secor-Dabar (opgenomen in den feestbundel. Niet in den handel). De Tubingsche
kritiek en hare nawerking. (Nieuwe Bijdragen enz. X. bl.
113-140). |
Voorts zijn nog in de Stemmen voor waarheid en vrede
andere opstellen van Dr. Cramer te vinden, als: De beteekenis van
Paulus' brieven voor de kennis van het oorspronkelijke Christendom. De ethische
richting onder de modernen. Heelen en halven. Het optimisme des geloofs en
meer dan een over Synodale Wetsvoorstellen. Ook leverde hij
o.a. bijdragen in de Gewijde Tafereelen 1e Serie (Dordrecht. Morks) in het Evangelisch penningmagazijn en in de Zaaier
(3e jaargang). Voor het Nederlandsch godsdienstig
tractaat-genootschap leverde hij een opstel over Ulrich Zwingli en over
vormen. In de Protestantsche Bijdragen
(onder redactie van Prof. D. Chantepie de la Saussaye) schreef hij over ‘de
ultramontaansche beweging’.
|
1Zie Prof. Offerhaus. Geloof en
Vrijheid. XXIX. Nieuwe Serie. VI. bl. 313 vv.
1Bedoelde feestrede is niet in den
handel.
1Die Einheitlichkeit der
Paulinischen Briefe an der Hand der bisher mit Bezug auf sie aufgestellten
Interpolations- und Compilations-hypothesen geprüft. 1894.
|
|